Aanhef
Gemeenteraad van Twenterand;
Wettelijke basis:
Bepalingen van de Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e en tweede lid en 10b, zevende lid).part
Besluit:
Vast te stellen de Re-integratieverordening Participatiewet Twenterand 2024.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1 Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
-doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet;
-grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;
-interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek;
-jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk;
-korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar;
-overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de wet;
-persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de wet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de wet;
-praktijkroute: het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te laten verkrijgen op basis van loonwaardevaststelling op de werkplek;
-voorziening: door het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken;
-werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie;
-werknemer: persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de wet met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is;
-wet: Participatiewet.
Hoofdstuk 2 Beleid en evaluatie
Artikel 2 Evenwichtige verdeling en evaluatie
1Het college kan de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4, 5, 6 en 8, aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte en grote afstand tot de arbeidsmarkt.
2Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:
a.de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; en
b.de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.
3Het college biedt jaarlijks aan de raad een voortgangsrapportage aan met betrekking tot de resultaten van het re-integratiebeleid. Deze rapportage wordt ook aangeboden aan de Adviesraad Sociaal Domein.
4Het college verzamelt voor het verslag systematisch informatie over:
a.de aard en omvang van het bijstandsbestand;
b.de inzet van beschut werk;
c.de inzet van voorzieningen;
d.uit- en instroom bijstand.
Hoofdstuk 3 Algemene bepalingen over voorzieningen
Artikel 3 Algemene bepalingen over voorzieningen
1Het college kan een voorziening weigeren als:
a.de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep;
b.de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening;
c.de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening;
d.de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of
e.er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.
2Het college kan een voorziening beëindigen als:
a.de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt;
b.de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep;
c.de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet;
d.de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;
e.de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening;
f.de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;
g.de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.
3Het college houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. Het college houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 45 van de wet.
Hoofdstuk 4 Algemene voorzieningen gericht op uitstroom naar regulier werk
Artikel 4 Werkstage
1Het college kan een persoon een werkstage gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze:
a.behoort tot de doelgroep, en
b.nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid.
2Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie.
3De duur van de werkstage is maximaal drie maanden en kan éénmalig met maximaal drie maanden bij dezelfde werkgever worden verlengd.
4Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.
5Er wordt een schriftelijke overeenkomst opgesteld tussen de gemeente, de werkgever die de werkstage aanbiedt en de persoon die de werkstage gaat verrichten. In de overeenkomst worden in ieder geval het doel van de werkstage en de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt vastgelegd.
Artikel 5 Sociale activering
1Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening.
2Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon.
3Het college biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er gen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.
Artikel 6 Detacheringsbaan
1Het college kan door detachering zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever (zoals een detacheringsbedrijf of uitzendbureau), gericht op arbeidsinschakeling.
2De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie.
3Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.
Artikel 7 Scholing
1Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden.
2Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:
a.de opleiding moet erkend zijn;
b.de scholing vergroot de kansen op de arbeidsmarkt;
c.is onderdeel van het re-integratietraject richting werk.
3Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7, derde lid, onder a, van de wet.
Artikel 8 Participatieplaats
1Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten.
2Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de organisatie waar iemand additionele werkzaamheden gaat verrichten en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten.
3De be, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt € 150,- per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.
Artikel 9 Participatievoorziening beschut werk
1Het college verstrekt om de in artikel 10b, eerste lid, van de wet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken de volgende voorzieningen:
a.fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving;
b.uitsplitsing van taken; of
c.aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.
2Het college kan aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de wet, daarnaast de volgende voorzieningen aanbieden:
a.Ondersteuningsbehoefte 2 op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Twenterand 2022;
b.sociale activering als bedoeld in artikel 5;
c.scholing als bedoeld in artikel 7;
d.persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 11; of
e.schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.
Artikel 10 Ondersteuning bij leer-werktraject
Het college kan, overeenkomstig artikel 10f van de wet, ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft:
a.van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd; of
b.van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.
Artikel 11 Persoonlijke ondersteuning bij werk
1Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden aan personen behorend tot de doelgroep.
2Persoonlijke ondersteuning bij werk als bedoeld in het eerste lid wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 3, verstrekt overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk 5.
Artikel 12 Proefplaats
1Het college kan, als dit door hem noodzakelijk wordt geacht, een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid onder a van de wet, die algemene bijstand ontvangt, toestemming verlenen om op een proefplaats bij een werkgever voor de duur van twee maanden, met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, onbeloonde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering.
2Het doel van een proefplaatsing is het voor een beperkte duur opdoen van werkervaring in een specifieke functie of de inschakeling van de persoon in arbeid bij een werkgever te bevorderen, waarbij de proefplaats voor een zo beperkt mogelijke duur wordt ingezet.
3Voor een proefplaats wordt uitsluitend toestemming verleend als:
a.de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is;
b.het college verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling;
c.als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt;
d.de werkzaamheden van de persoon niet al eerder onbeloond door hem bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en
e.de werkgever bij aanvang van de proefplaats de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen.
4Het college weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk of als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de wet.
5Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten.
6Het college kan een persoon op een proefplaats persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk 4.
Hoofdstuk 5 Specifieke bepalingen doelgroep Breed offensief
Paragraaf 5.1 Administratief proces loonkostensubsidie
Artikel 13 Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie
1Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d, van de wet, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing.
2Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de persoon, aan de werkgever en de persoon.
3Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de wet. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking voor een persoon als bedoeld in artikel 10d, tweede lid, van de wet, wordt de vaststelling of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de Praktijkroute
4Het college stelt binnen 8 weken na ontvangst van de complete aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de wet.
5Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht.
Paragraaf 5.2 Procedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen
Artikel 14 Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen
1Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking.
2Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 3, de volgende voorwaarden:
a.de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal 18 jaar oud, tenzij hij VSO/PRO-onderwijs heeft genoten;
b.de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen;
c.de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal zes maanden, met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week;
d.het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is;
e.het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie;
f.er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en
g.de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van het college proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijke opbrengsten van uitstroom naar werk.
Artikel 15 Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen
1Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij het college worden ingediend door de persoon of zijn werkgever. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen.
2Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag.
3Het college onderzoekt, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 8 weken na de aanvraag, de mogelijkheden en ondersteuningsbehoefte van de persoon.
4Het college kan een deskundig oordeel en advies inwinnen, als de beoordeling van een aanvraag dit vereist.
5Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling.
6Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de persoon, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet.
7Het college maakt binnen 20 werkdagen na afronding van het onderzoek, een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek dat wordt neergelegd in een onderzoeksverslag
8Op basis van het onderzoeksverslag neemt het college een besluit en zendt dit aan de persoon of zijn gemachtigde en, indien van toepassing, aan de werkgever.
Artikel 16 Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen
Het college geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan:
a.welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt;
b.als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag;
c.de duur en intensiteit van de ondersteuning;
d.de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening;
e.als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van afwijking; en
f.voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is, of kan zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal kan worden ondersteund.
Paragraaf 5.3 Specifieke bepalingen persoonlijke ondersteuning bij werk
Artikel 17 Persoonlijke ondersteuning bij werk
1Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij of in opdracht van de gemeente Twenterand of een derde, waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht.
2Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor:
a.jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of
b.interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider.
3De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats of een leer-werktraject.
Artikel 18 Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk
1De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 8 weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn.
2Het college besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen.
Artikel 19 Jobcoaching
1Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt voldoet aan de kwaliteitseisen zoals deze zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze verordening.
2Het college bepaalt de in te zetten jobcoaching op basis van de begeleidingsregiems zoals opgenomen in de tabellen in bijlage 2 bij deze verordening.
3Als de gemeente een of meer jobcoaches zelf in dienst of gecontracteerd heeft, biedt het college deze bij voorrang aan.
4Voordat het college de jobcoaching beëindigt verricht het college onderzoek. Wanneer de beëindiging plaatsvindt met instemming van de werkgever en de werknemer kan het college van dit onderzoek afzien.
5Het college werkt de inzet van jobcoaching uit in beleidsregels.
Artikel 20 Jobcoaching in natura
1Het college kan ambtshalve, of op aanvraag, jobcoaching in natura aanbieden.
2Bij aanvragen om jobcoaching in natura en de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag is het bepaalde in de artikelen 14 tot en met 19 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 21 Subsidie voor het organiseren van jobcoaching
1Het college kan op aanvraag subsidie voor het organiseren van jobcoaching verlenen aan de werkgever.
2Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 14 tot en met 19, worden verleend als:
a.de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een jobcoachingsplan;
b.de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is;
c.de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en
d.de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever.
3Het college hanteert bij de subsidieverstrekking voor jobcoaching een maximumtarief dat toereikend is voor de organisatie van jobcoaching. Het college stelt hiervoor nadere regels vast.
4Het college kan in beleidsregels uitwerken:
a.aan welke eisen het jobcoachingsplan moet voldoen;
b.welke activiteiten een jobcoach moet kunnen uitvoeren;
c.hoe de continuïteit van de jobcoaching geborgd moet zijn; of
d.hoe de evaluatie van de jobcoaching plaats vindt.
5Met instemming van de werkgever en de werknemer voor wie de subsidie wordt verleend, kan de jobcoach mede:
a.ondersteuning geven gericht op het vinden van werk; of
b.integrale ondersteuning geven bij de overgang van werk naar werk en van werk naar onderwijs.
Artikel 22 Interne werkbegeleiding
1Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding. Het college stelt hiervoor nadere regels vast.
2Het college kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen aan personen behorend tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden.
Paragraaf 5.4 Specifieke bepalingen overige voorzieningen
Artikel 23 Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening
1Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt.
2Het college biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a.de persoon kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en
b.het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer.
3De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer.
4Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening.
Artikel 24 Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij motorische handicap
1Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende motorische lichaamsfunctie.
2Het college kan in beleidsregels nader uitwerken hoe het de omvang van de noodzakelijke intermediaire activiteit bepaalt.
Artikel 25 Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen
1Het college kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken.
2Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is.
3De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken.
4Het college kan in beleidsregels nader uitwerken hoe het de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer bepaalt.
Artikel 26 Specifieke voorwaarden werkplekaanpassingen
Het college kan een aanpassing van de werkplek toekennen aan een persoon, als dit noodzakelijk is om zijn werk uit te voeren. In beginsel kan daarbij elk product als een werkplekaanpassing worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar zijn.
Hoofdstuk 6 Slotbepalingen
Artikel 27 Experiment
1Het college kan, als experiment in het kader van het onderzoeken en toepassen van mogelijkheden om de participatie te bevorderen, afwijken van het bepaalde in deze verordening. Wanneer hiervan gebruik wordt gemaakt, wordt de raad hierover geïnformeerd.
2De duur van een experiment als bedoeld in het eerste lid is ten hoogste drie jaar.
3Als het experiment noodzaakt tot bijstelling van deze verordening kan de periode zoals genoemd in het tweede lid worden verlengd tot aan het moment van inwerkingtreding van de bijstelling.
Artikel 28 Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 29 Intrekken oude verordening en overgangsrecht
1De op 14 september 2017 vastgestelde Re-integratie- en loonkostensubsidieverordening Participatiewet gemeente Twenterand 2017 wordt ingetrokken op het moment dat deze verordening in werking treedt.
2Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van de Re-integratie- en loonkostensubsidieverordening Participatiewet gemeente Twenterand 2017, die moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Re-integratie- en loonkostensubsidieverordening Participatiewet gemeente Twenterand 2017 voor de duur:
a.van 12 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze verordening; of
b.dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode, bedoeld in onderdeel a.
3Het college kan na afloop van de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde periode, besluiten of een voorziening in verband met een bijzondere individuele situatie wordt voortgezet.
4De Re-integratie- en loonkostensubsidieverordening Participatiewet gemeente Twenterand 2017 blijft van toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld in het tweede en derde lid.
Artikel 30 Inwerkingtreding en citeertitel
1Deze verordening treedt in werking op 1 mei 2024.
2Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening Participatiewet Twenterand 2024.
Bijlage 1 kwaliteitseisen jobcoach (artikel 19, eerste lid)
De jobcoach voldoet aan de volgende kwaliteitseisen:
•de Jobcoach heeft een hbo-opleiding of hbo werk- en denkniveau en;
•de Jobcoach heeft een opleidingsmodule voor Jobcoach gevolgd of is in de praktijk binnen de organisatie opgeleid tot Jobcoach (in company training) en
•de Jobcoach is gecertificeerd.
Bijlage 2 begeleidingsregiems jobcoach (artikel 19, tweede lid)
Het college kent op basis van de begeleidingspercentages een aantal uren Jobcoaching toe. De uren berekent het college op basis van het aantal te werken uren in een dienstbetrekking.
Tabel 1 Begeleidingsregimes Jobcoaching voor een dienstbetrekking voor 12 maanden of langer
Begeleidingsregimes
Jaar 1
Jaar 2
Jaar 3 (en verder)
Licht
6%
3%
Midden
10%
5%
Intensief
15%
7,5%
6%
Tabel 2 Begeleidingsregimes Jobcoaching voor een dienstbetrekking tot 12 maanden
Begeleidingsregimes
1etijdelijke arbeidsovereenkomst met een duur van minimaal 6 tot 12 maanden
2een 3e tijdelijke arbeidsovereenkomst
4etijdelijke arbeidsovereenkomst en verder
Licht
6%
3%
Midden
10%
5%
Intensief
15%
7,5%
6%