Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen 2026

Gemeente Tubbergen · geldt sinds 1 januari 2026

Aanhef

Het college van burgemeester en wethouders

gelet op:

-titel 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht;

-de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

-de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen 2026;

-de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen 2026;

overwegende dat het college het voor de beoordelingsvrijheid bij de uitvoering van de wet noodzakelijk vindt om aan te geven op welke wijze daar mee wordt omgegaan en daartoe beleidsregels wenst vast te stellen;

besluit vast te stellende navolgende:

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Tubbergen 2026

Artikel 2.3.2 Wmo 2015 Artikel 2.3.3 Wmo 2015 Hoofdstuk 2 van de verordening

2 De procedure

2.4 Inlichtingen- en medewerkingsplicht

2.4.1 Inlichtingenplicht

Artikel 2.3.8 lid 1 Wmo 2015 bepaalt de inlichtingenplicht voor cliënten aan wie een maatwerkvoorziening is verstrekt, al dan niet in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Dat wil zeggen dat inlichtingen die relevant zijn voor een verstrekte maatwerkvoorziening spontaan bij het college gemeld moeten worden. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de cliënt een huisgenoot heeft gekregen die mogelijk de gebruikelijke hulp op zich kan nemen.

Gevolgen

De gevolgen van het niet verstrekken van relevante inlichtingen kan leiden tot een herziening of intrekking van het toekenningsbesluit onder toepassing van art. 2.3.10 lid 1 onder a Wmo 2015. En mogelijk ook tot een terugvordering (zie 14.5 van deze beleidsregels).

2.4.2 Medewerkingsplicht

Artikel 2.3.8 lid 3 Wmo 2015 regelt de algemene medewerkingsplicht die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Onder het niet verlenen van medewerking wordt in ieder geval verstaan:

•Het niet meewerken aan een onderzoek, al dan niet door een deskundige, door niet te verschijnen of relevante vragen niet te beantwoorden. De medewerkingsverplichting geldt ook voor de huisgenoot ingeval van een onderzoek over het kunnen bieden van gebruikelijke hulp.

•Als de vertegenwoordiger stelt dat het college de cliënt niet hoeft te zien en/of te spreken voor het onderzoek.

•Gebruikmaking van het blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2 onder b Burgerlijk Wetboek (zie uitleg hierna).

•Het niet overleggen van het indicatiebesluit op grond van de Wlz als dat noodzakelijk is voor de beoordeling van de ondersteuningsbehoefte (RBLIM:2021:1423).

Blokkeringsrecht

Het blokkeringsrecht als bedoeld in art. 7:464 lid 2 onder b BW houdt in dat de uitslag van een medisch onderzoek niet door anderen mag worden gelezen. Dat wil zeggen dat de (medisch) adviseur geen toestemming heeft om het door het college gevraagde advies ook daadwerkelijk aan het college te verstrekken. Gebruikmaken van het blokkeringsrecht wordt aangemerkt als het niet verlenen van de medewerking die nodig is voor de uitvoering van de wet. De gevolgen van het gebruikmaken van het blokkeringsrecht komen voor rekening en risico van de cliënt (bijv. CRVB:2023:2020). In de praktijk zal dit inhouden dat het college de noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening niet kan vaststellen.

Gevolgen

Niet of onvoldoende medewerking verlenen kan leiden tot weigering aanvraag als daardoor de noodzaak tot ondersteuning niet kan worden vastgesteld (CRVB:2019:224, CRVB:2020:567, CRVB:2021:1739).

Zelfredzaamheidsmatrix

De wet schrijft niet voor op welke manier het college het onderzoek moet doen. De Zelfredzaamheidsmatrix (ZRM) kan daarbij een hulpmiddel zijn, dit met in achtneming van de privacyregels en de uitvraag van gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van de wet. De ZRM is een instrument om de mate van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt overzichtelijk in kaart brengen. De ZRM heeft dertien domeinen waarop dat kan worden beoordeeld. De domeinen van de ZRM zijn:

1Financiën

2Werk & Opleiding

3Tijdsbesteding

4Huisvesting

5Huiselijke relaties

6Geestelijke gezondheid

7Lichamelijke gezondheid

8Middelengebruik

9Basale-ADL

10Instrumentele-ADL

11Sociaal netwerk

12Maatschappelijke participatie

13Justitie

Het ligt mogelijk niet voor de hand dat het college voor alle maatwerkvoorzieningen gebruik maakt van de ZRM. Maar de ZRM kan zeker meerwaarde hebben om de mate van zelfredzaamheid van de cliënt zo goed en volledig mogelijk in kaart te kunnen brengen.

2.8 Weigeren aanvraag maatwerkvoorziening (Wet langdurige zorg)

2.8.1 Toegang Wlz verruimd

Sinds 1 januari 2021 hebben verzekerden die vanwege een psychische stoornis blijvend behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg toegang tot de Wlz. Zij worden dan niet anders behandeld dan verzekerden met een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap, of verzekerden met een somatische of psychogeriatrische beperking of aandoening.

2.8.2 Verblijf in een Wlz-instelling

In dit onderdeel staan een aantal aandachtspunten die van belang zijn bij de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening van een cliënt die in een Wlz-instelling woont (al dan niet in deeltijd).

Outillagemiddelen Wlz -instelling

Er worden op grond van de Wmo geen outillagemiddelen verstrekt aan een client die in een Wlz-instelling verblijft. Voor de uitleg van het begrip outillage kan worden aangesloten bij het algemene spraakgebruik. Het gaat om datgene waarmee een Wlz-instelling is uitgerust ter operationalisatie van zijn doelstelling. De inrichting van een instelling moet zijn uitgerust met die standaardvoorzieningen die nodig zijn om de doelgroep waarop de instelling zich richt adequaat te kunnen verzorgen. Daarbij is van belang of de gevraagde voorziening door meerdere mensen, eventueel na elkaar en met een geringe individuele aanpassing, te gebruiken is of dat sprake is van een op het individu toegesneden voorziening, die alleen na een kostbare aanpassing door verschillende personen na elkaar te gebruiken is (CRVB:2013:CA0312 Wmo).

Mobiliteitshulpmiddelen

Sinds 1 januari 2020 is het Zorgkantoor verantwoordelijk voor mobiliteitshulpmiddelen (zoals een rolstoel en een scootmobiel) voor individueel gebruik voor verzekerden met een Wlz-indicatie die in een Wlz-instelling verblijven. Voor hen worden deze voorzieningen verstrekt vanuit de Wlz en niet meer vanuit de Wmo. Per die datum is ook art. 2.3 Regeling langdurige zorg gewijzigd waarmee het recht van verzekerden op het individueel gebruik van een mobiliteitshulpmiddel is verruimd. In dat artikel is een limitatieve opsomming van mobiliteitshulpmiddelen opgenomen. De Minister van VWS heeft wel afspraken gemaakt met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en Zorgverzekeraars Nederland dat gemeenten verantwoordelijk blijven voor onderhoud, aanpassing en reparatie van het vóór 1 januari 2020 verstrekte mobiliteitshulpmiddel tot aan het moment dat het hulpmiddel vervangen moet worden.

Sociaal Vervoer

Cliënten die in een Wlz-instelling wonen kunnen een maatwerkvoorziening sociaal vervoer aanvragen, zoals de maatwerkvoorziening collectief vervoer. Bedenk dat deze bewoners mogelijk aanspraak kunnen maken op een mobiliteitshulpmiddel voor individueel gebruik op grond van de Wlz (zie hiervoor).

Deeltijdverblijf Wlz

Deeltijdverblijf is een combinatie van thuis wonen en in een Wlz-instelling wonen. Met ingang van 1 januari 2020 is het eenvoudiger om deels thuis te wonen en daar Wlz-zorg te ontvangen en deels in een Wlz-instelling te wonen. Deeltijdverblijf maakt het mogelijk om langer thuis te blijven wonen en/of te wennen aan verblijf in een instelling. In wet- en regelgeving is er niets geregeld bij deeltijdverblijf voor wat betreft hulpmiddelen. Het is de bedoeling om per categorie hulpmiddelen afspraken te maken over een verdeling van verantwoordelijkheden (www.regelhulp.nl).

Bezoekbaar maken woning

Art. 4.9 Verordening

Onder het bezoekbaar maken van een woning wordt verstaan: het bereikbaar maken van de woning, de woonkamer en het toilet. Cliënten met een Wlz-indicatie die in een Wlz-instelling wonen kunnen een maatwerkvoorziening aanvragen voor het bezoekbaar maken van de woning zodat de cliënt op bezoek kan komen bij partner of kinderen maar ook kinderen die op bezoek willen komen bij de ouders. Bedenk ook dat de partner, kinderen of ouders ook bij de cliënt op bezoek kunnen gaan. Als uitgangspunt geldt dat de woning niet logeerbaar gemaakt hoeft te worden.

Logeerbaar houden woning (bestuursafspraken)

Het college volgt de landelijk bestuursafspraken over het logeer houden van de woning die zijn gemaakt, zolang deze gelden. Het gaat om: Landelijke afspraken over het thuis laten staan van Wmo-hulpmiddelen bij een verhuizing naar een Wlz-zorginstelling. Het gaat hier om de vraag of het college een toekenningsbesluit voor bijvoorbeeld een tillift, toiletstoel of traplift, kan intrekken omdat de cliënt verhuist naar een Wlz-instelling (art. 2.3.10 lid 1 onder b Wmo 2015).

2.8.3 Uitzondering weigeringsgrond bij thuis wonen

Er geldt één uitzondering op het kunnen weigeren van een aanvraag om een maatwerkvoorziening: voor de cliënt die thuis woont mag een aanvraag om een hulpmiddel of woningaanpassing (nog) niet worden geweigerd (art. 8.6a Wmo 2015). Voor begeleiding, dagactiviteiten of kortdurend verblijf geldt de uitzondering niet. Het is van belang dat het college bij de melding van de ondersteuningsvraag onderzoekt of de cliënt in aanmerking kan komen voor een Wlz-indicatie of zo’n indicatie heeft, tenzij er geen aanleiding is om dat aan te nemen.

2.8.4 Thuis wonen

Onder thuis wonen als bedoeld in art. 8.6a onder a Wmo 2015 valt het ‘echte’ thuis wonen in de eigen huurwoning of woning in eigendom. Deze groep verzilvert de Wlz-indicatie vaak in de vorm van een modulair pakket thuis (mpt). Onder thuis wonen valt echter ook het niet wonen in een Wlz-instelling waar de zorg én het verblijf wordt geboden (CRVB:2025:140). Dat wil zeggen: er is sprake van een scheiding tussen wonen en zorg. Deze groep verzilvert de Wlz-indicatie vaak in de vorm van een volledig pakket thuis (vpt). Woont de cliënt met een Wlz-indicatie ‘thuis’ dan valt het verstrekken van een hulpmiddel, zoals een tillift, onder de Wmo 2015.

Subsidie of natura-verstrekking woonvorm

Het college kan er ook voor kiezen om een hulpmiddel te verstrekken aan de exploitant van de woonvorm, al dan niet in de vorm van een subsidie. Dit is te vergelijken met outillagemiddelen waarover een Wlz-instelling beschikt voor de bewoners. De exploitant kan het betreffende hulpmiddel voor meerdere cliënten gebruiken. Het college beoordeelt of een eerder verstrekt hulpmiddel gebruikt kan worden door twee of meer cliënten. En zo ja, dan wordt de aanvraag afgewezen.

2.8.5 Samenloop Wlz en Wmo

Volgens de CRvB kunnen de Wmo en de Wlz naast elkaar bestaan (CRVB:2018:3933). Dat wil zeggen dat het college verantwoordelijk kan zijn voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening als de beperkingen van de verzekerde betrekking heeft op maatschappelijke participatie. Dat valt namelijk niet binnen de reikwijdte van de Wlz. Denk bijvoorbeeld aan sociaal vervoer.

2.8.6 Toepassingsvoorwaarden

Eerst beoordeelt het college of aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 is voldaan. Dat wil zeggen:

1heeft de cliënt een Wlz-indicatie of kan hij daarvoor in aanmerking komen.

2En zo ja, is er sprake is van een uitzondering als bedoeld in art. 8.6a onder a Wmo 2015 (zie 2.8.4 van deze beleidsregels).

Onderzoek

De procedure van art. 2.3.2 Wmo 2015 moet volledig worden doorlopen; het onderzoek volgens het stappenplan. Daaruit zal moeten blijken wat het doel, inhoud en omvang van de ondersteuningsvraag is en of er een noodzaak van ondersteuning op grond van de Wmo 2015 bestaat. Daar kan sprake van zijn als de cliënt een ondersteuningsbehoefte heeft die niet door de Wlz wordt gedekt.

2.8.7 Motivatie weigeren maatwerkvoorziening

De beslissing op de aanvraag is gebaseerd op art. 2.3.5 lid 6 Wmo 2015. Daarbij heeft het college een zeer ruime beslisruimte (CRVB:2018:3933 en CRVB:2019:3171). Het gaat om de vraag of het college in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om de aanvraag om een maatwerkvoorziening, bij een behoefte die niet door de Wlz wordt gedekt, af te wijzen of toe te kennen. De belangen van de cliënt spelen een rol bij de motivatie (RBGEL:2023:4967).

Passende bijdrage geldt niet bij toekenning

Bij de toekenning van een maatwerkvoorziening gaat het om een redelijkheidstoets. Er hoeft in ieder geval niet te worden vastgesteld of de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie.

Artikel 2.3.5 Wmo 2015 Hoofdstuk 3 van de verordening

3 Beoordeling van de aanspraak

3.2 Algemene criteria

3.2.1 Geen tekort in de zelfredzaamheid of participatie

Uit het onderzoek kan blijken dat er geen tekort is in de zelfredzaamheid of participatie omdat de cliënt:

•al dan niet met behandeling door paramedische hulp gebruik kan (leren) maken van ergonomische hulpmiddelen, een juiste werkhouding aan te nemen en/of de huishoudelijke werkzaamheden in een rustig tempo verdeelt over de week uit te voeren (CRVB:2022:308, CRVB:2018:2272),

•met het gebruik van het OV in redelijke mate kan participeren (CRVB:2022:224),

•met de beschikbare voorzieningen (bijv. scootmobiel en/of gebruikerspas maatwerkvoorziening collectief vervoer) kan voorzien in de vervoersbehoefte (CRVB:2020:2644, CRVB:2021:511, CRVB:2021:3222).

3.2.2 Bevorderen gezondheid

Dat een maatwerkvoorziening een positief effect heeft op de gezondheid is voor de Wmo 2015 niet relevant. Het werken aan bijvoorbeeld conditie is geen resultaatgebied waar gemeenten op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor zijn (CRVB:2020:2644, CRVB:2023:1446). Tijdens het onderzoek wordt (ook) gekeken of de cliënt, gelet op de vastgestelde problematiek, gebruik kan maken van een andere wet (zie 2.3.5 van deze beleidsregels).

3.2.3 Eigen kracht

Artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015

Eigen kracht vormt een belangrijk onderdeel van de beoordeling of iemand is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Daaronder wordt dat verstaan wat naar oordeel van het college binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie te komen. De cliënt zal zich -in een door het college te beoordelen mate- moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken. Het verrichten van dergelijke activiteiten is echter niet verplicht. Onder eigen kracht kan ook letterlijk de eigen kracht worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan het in staat zijn om bepaalde huishoudelijke taken (deels) zelf uit te voeren. In zo’n situatie is geen sprake van een tekort in de zelfredzaamheid of participatie (zie 3.2.2 van deze beleidsregels).

3.2.4 Eigen verantwoordelijkheid valt ook onder eigen kracht

Artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015

Artikel 3.3 lid 2 onder a Verordening

In de Wmo 2015 is de eigen verantwoordelijkheid van burgers nog meer verankerd en wordt betrokken bij het onderzoek en de beslissing op aanvraag.

Zelf of met anderen

Als het college van oordeel is dat de cliënt zijn eigen verantwoordelijkheid kan nemen (lees: de beperkingen zelf kan oplossen), dan wordt de aanvraag om ondersteuning afgewezen. Het spreekt voor zich dat het college dat telkens in het individuele geval moet beoordelen. In hoeverre medewerking kan worden gevergd van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of hulpverlener of van anderen in diens omgeving, zoals familieleden, is dan ook afhankelijk van de individuele situatie. In de onderstaande tekst staan voorbeelden genoemd die ook zijn gebaseerd op de jurisprudentie die onder de Wmo (oud) tot stand is gekomen. Aangenomen wordt dat deze van overeenkomstige toepassing is voor de Wmo 2015.

Herinrichting woning

Van de cliënt kan worden gevergd dat de woning zodanig wordt ingericht of heringericht dat bijvoorbeeld wordt voorkomen dat een woningaanpassing moet worden verstrekt (vergelijk CRVB:2011:BQ8290 en CRVB:2016:429).

Aanspreken woningeigenaar

Van de cliënt mag worden gevergd dat hij de woningeigenaar regelmatig met goede pogingen aanspreekt om gebreken in de woning te doen wegnemen. Is er mede gelet op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht op opheffing van die gebreken, dan zal het college een maatwerkvoorziening al dan niet in de vorm van een financiële tegemoetkoming (verhuiskostenvergoeding) moeten verstrekken (CRVB:2013:2509).

Privaatrechtelijke verbintenis

Het college mag verwachten dat de cliënt de woningeigenaar aanspreekt op contractuele afspraken (CRVB:2011:BQ4115). Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt mag verwachten dat de woning in overeenstemming is of wordt gebracht met de contractuele bepalingen. Is de aanvrager de eigenaar van de woning dan zal hij dat zelf moeten realiseren.

3.2.5 Gebruikmaken van een andere wet

Artikel 3.3 lid 2 onder c en 1.1 lid 1 onder w Verordening (begripsbepaling)

Onder de 'eigen kracht' valt ook aanspraak maken op voorzieningen die op grond van een andere wettelijke regeling bestaan (CRVB:2023:1046). Volgens de CRvB heeft de wetgever op dit punt geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de Wmo (oud) en is de rechtspraak die eerder is gedaan ook van toepassing voor de Wmo 2015 (CRVB:2023:1046).

Onderzoek aanspraak andere wet

Uit onderzoek moet blijken voor welke problemen of beperkingen de cliënt een beroep kan doen op een andere wettelijke regeling en/of de Wmo 2015 (CRVB:2022:441, CRVB:2023:1046). Denk bijvoorbeeld aan een sta-op stoel die op grond van de Zvw verstrekt kan worden. Als dat nodig is, neemt het college contact op met bijvoorbeeld de zorgverzekeraar om duidelijkheid te krijgen over een mogelijke aanspraak op grond van de Zvw.

Keuze in de voorliggende voorziening

Het college volgt de keuze in de voorliggende voorziening om bepaalde kosten gedeeltelijk of niet te vergoeden. Voor de Zorgverzekeringswet gaat het bijvoorbeeld om de eigen bijdrage die iemand moet betalen of de kosten voor een psychosociale hulphond (CRVB:2013:CA1427, CRVB:2024:241, CRVB:2024:1467, CRVB:2024:367).

Verplicht eigen risico

De kosten van bijvoorbeeld ergotherapie vallen binnen het verplicht eigen risico. Dat is te vergelijken met de kosten van de eigen bijdrage voor bijvoorbeeld een hoorapparaat op grond van de Zvw. Aanspreken van het verplicht eigen risico is geen reden om geen gebruik te maken van een Zvw-aanspraak. Immers iedereen die gebruik maakt van zorg kan met deze kosten worden geconfronteerd, het is inherent aan het zorgstelsel.

Gelden met een specifieke bestemming

Ook de aanspraak op gelden met het oog op een specifieke bestemming valt onder de voorliggende voorziening, zoals een vervoerskostenvergoeding op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (CRVB:2012:BV9433).

Reële mogelijkheden van behandeling

Behandeling op grond van de Zvw is geen voorliggende voorziening. Maar van de cliënt mag wel worden verwacht dat als er reële mogelijkheden van behandeling zijn, dat de cliënt daar gebruik van maakt en zich ten volle inspant om deze zo optimaal mogelijk te laten verlopen (CRVB:2023:1508). Denk aan (laagdrempelig toegankelijke) paramedische zorg als bedoeld in de Zvw vanwege lichamelijke of psychische klachten (CRVB:2011:BT7241, CRVB:2018:1444).

Onderzoek maatwerkvoorziening en mogelijke behandeling

Uit onderzoek moet blijken voor welke problemen of beperkingen de cliënt een beroep kan doen op een andere wettelijke regeling. Maar ook of er daarnaast nog een behoefte is aan bijvoorbeeld begeleiding of huishoudelijke ondersteuning en of na de behandeling eventueel enige behoefte daarop zal blijven bestaan (CRVB:2025:876). Denk bijvoorbeeld aan: fysiotherapie, oefentherapie of ggz-behandeling.

Gebruik maken van ergotherapie

Ergotherapie heeft als doel de zelfzorg en zelfredzaamheid te bevorderen of te herstellen. Bij ergotherapie is de behandeling gericht op het opheffen, verminderen of compenseren van lichamelijke of psychische stoornissen, beperkingen of handicaps. De ergotherapeut geeft advies, instructie of behandeling om weer algemene dagelijkse of arbeidsgerelateerde handelingen te kunnen doen en weer zo zelfstandig mogelijk te kunnen functioneren in de leefsituatie, woonsituatie of werksituatie. De Zvw (basis) dekt de kosten voor maximaal 10 behandeluren per kalenderjaar.

3.2.6 Algemeen gebruikelijke voorziening

Artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015

Artikel 3.1 lid 1 onder b Verordening

Art. 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 bepaalt dat als de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie met een algemeen gebruikelijke voorziening kan verminderen of wegnemen, er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. De achtergrond is dat algemeen gebruikelijke voorzieningen niet onder de ondersteuningsplicht van het college vallen. Dat komt omdat iedereen ongeacht het hebben van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie daarover beschikt of zou kunnen beschikken.

Beoordelingskader

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in 2019 een richtinggevende uitspraak gedaan over hoe het college moet beoordelen of een voorziening als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt en er om die reden geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt (CRVB:2019:3535). Dat moet gebeuren aan de hand van vier punten. Een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel kan als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt als deze:

1niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking,

2daadwerkelijk beschikbaar is,

3een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is, en

4financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.

De beoordeling

Het college beoordeelt aan de hand van de vier genoemde punten of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat.

Ad. 1 Niet specifiek bedoeld voor personen met een beperking

Het gaat bij het eerste criterium om de vraag of op basis van maatschappelijke opvattingen (normen) kan worden gezegd dat een ‘voorziening’ niet specifiek bedoeld is voor mensen met beperkingen. Dat wil zeggen: iedereen zou daarover kunnen beschikken ongeacht het hebben van beperkingen (CRVB:2016:614). Of een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening niet specifiek bestemd is voor personen met een beperking is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe maatschappelijke normen. In het algemeen zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen in de reguliere handel verkrijgbaar. Bijvoorbeeld een eenhendelmengkraan, toiletverhoger of wandbeugel in een bouwmarkt, een robotstofzuiger, een spoel-föhn installatie of een boodschappendienst bij de supermarkt. Het gaat om wat normaal wordt gevonden om over te (kunnen) beschikken.

Ad. 2 Daadwerkelijk beschikbaar

Het tweede criterium moet concreet worden beoordeeld. Dat wil zeggen dat het college feitelijk moet vaststellen dat bijvoorbeeld de boodschappendienst of maaltijdservice beschikbaar is.

Ad. 3 Een passende bijdrage

Bij het derde criterium gaat het om maatwerk. Dat wil zeggen: er wordt bekeken of de beoogde algemeen gebruikelijk voorziening een passende bijdrage levert aan de situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid en participatie in staat is. Of een voorziening passend is, hangt af van de concrete situatie van de cliënt. De boodschappendienst moet bijvoorbeeld wel gebruikt kunnen worden door de cliënt gelet op diens beperkingen.

Ad. 4 Financieel te dragen met een inkomen op minimumniveau

Onder een minimum inkomen wordt een inkomen op bijstandsniveau verstaan. Het vierde en laatste criterium gaat over de hoogte van de kosten van de beoogde algemeen gebruikelijke voorziening. Het gaat bij de hoogte om de ondergrens van een inkomen op minimumniveau: Er wordt dus niet gekeken of de persoon van de aanvrager het kan betalen. Gaat het om kosten van ongeveer € 190, dan gaat het (qua betaalbaarheid) om een algemeen gebruikelijke voorziening (CRVB:2021:160). Voor de “eenmalige” aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening hanteert het college het volgende beleidsuitgangspunt.

Hoogte van de kosten

Het bedrag voor bijvoorbeeld een toiletverhoger dat kan worden gedragen met een minimum inkomen is gebaseerd op:

1de aflossingsduur van 36 maanden die in Tubbergen geldt voor leenbijstand in de vorm van bijzondere bijstand (gebruiksgoederen);

2een aflossing van 5% van de norm voor personen (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwden, art. 21 Participatiewet). Er wordt bij de norm geen onderscheid gemaakt tussen personen die wel of niet de pensioengerechtigde leeftijd hebben. Het percentage van 5% sluit aan op dat wat buiten de beslagvrije voet valt.

Aansluiting op deze systematiek is in de rechtspraak redelijk bevonden (RBDHA:2021:2084, RBDHA:2022:5272).

Datum aanvraag

De datum van de aanvraag is bepalend voor welke bijstandsnorm wordt toegepast voor de berekening.

Berekening alleenstaande of alleenstaande ouder

5% van de bijstandsnorm € 1.369,06 [bedrag per 1 juli 2025] = € 68,45 x 36 maanden = € 2.464,31. Dit bedrag geldt voor een periode van 36 maanden. Voor de hoogte van de bijstandsnorm geldt het bedrag van 1 januari of 1 juli. Dat zijn de momenten waarop de bijstandsnormen worden aangepast.

Berekening gehuwden of daarmee gelijkgesteld (niet pensioengerechtigd)

5% van de bijstandsnorm € 1.955,80 [bedrag per 1 juli 2025] = € 97,79 x 36 maanden = € 3.520,44. Dit bedrag geldt voor een periode van 36 maanden. Voor de hoogte van de bijstandsnorm geldt het bedrag van 1 januari of 1 juli. Dat zijn de momenten waarop de bijstandsnormen worden aangepast.

Berekening alleenstaande of alleenstaande ouder (pensioengerechtigd)

5% van de bijstandsnorm € 1.530,21 [bedrag per 1 juli 2025] = € 76,51 x 36 maanden = € 2.754,38. Dit bedrag geldt voor een periode van 36 maanden. Voor de hoogte van de bijstandsnorm geldt het bedrag van 1 januari of 1 juli. Dat zijn de momenten waarop de bijstandsnormen worden aangepast.

Berekening gehuwden of daarmee gelijkgesteld (pensioengerechtigd)

5% van de bijstandsnorm € 2.094,98 [bedrag per 1 juli 2025] = € 104,75 x 36 maanden = € 3.770,96. Dit bedrag geldt voor een periode van 36 maanden. Voor de hoogte van de bijstandsnorm geldt het bedrag van 1 januari of 1 juli. Dat zijn de momenten waarop de bijstandsnormen worden aangepast.

Rekenvoorbeeld alleenstaande of alleenstaande ouder (niet pensioengerechtigd)

Cliënt dient een aanvraag in voor een maatwerkvoorziening. Uit onderzoek is gebleken dat een bepaalde maatwerkvoorziening een passende oplossing is. Die maatwerkvoorziening kost € 1.525,00. De kosten zijn lager dan € 2.464,31 [bedrag geldt per 1 juli 2025] en komt daarom niet voor verstrekking in aanmerking. Is de cliënt binnen 36 maanden opnieuw aangewezen op een maatwerkvoorziening en dan resteert voor een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening nog een bedrag van € 939,31 (€ 2.464,31 minus € 1.525,00). Het gaat om eenmalige aanschafkosten en niet de periodieke kosten van bijvoorbeeld de maaltijdservice of boodschappendienst.

Kosten Tafeltje Dekje, maaltijdservice

Gebruikmaking van Tafeltje Dekje of een andere maaltijdservice kan voor een cliënt een passende bijdrage leveren aan het realiseren van een situatie waarin hij/zij in staat is tot zelfredzaamheid. De kosten van een maaltijd behoren tot de algemene kosten van het bestaan en zijn, mede gezien de keuzes die nu eenmaal in de besteding van het beschikbare inkomen worden gemaakt, niet zodanig dat deze in financiële zin niet passend zijn (CRVB:2018:2182). Zowel deze maaltijden als ook de kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt kunnen een voorliggende oplossing zijn.

Kosten boodschappendienst

Een boodschappendienst kan worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat (CRVB:2019:3690, CRVB:2019:397).

Bezorgkosten van een boodschappendienst die bijvoorbeeld € 4,95 per keer bedragen waarbij een minimum bestelbedrag van € 70 geldt kunnen in ieder geval worden gedragen uit een inkomen op minimumniveau (CRVB:2017:1302). Bedenk ook dat bepaalde boodschappen opgespaard kunnen worden.

Besteding pgb

De cliënt mag het pgb niet besteden aan een algemeen gebruikelijke voorziening (zie art. 5.4 lid 1 Verordening).

Meerkosten

Noodzakelijke meerkosten bij de aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening, kunnen soms toch onder de ondersteuningsplicht van het college vallen. Voorbeelden hiervan zijn:

•Meerkosten van een aankleedblad of aankleedtafel.

•De aanpassingen aan een bakfiets die nodig zijn voor bijvoorbeeld het vervoer van de buggy of zuurstoffles.

•Geveerde zijwielen aan een fiets.

Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar.

3.2.7 Kosten saneren woning

De cliënt kan in aanmerking komen voor tegemoetkoming in de kosten van een woningsanering die nodig is in verband met een allergie, astma of chronische bronchitis (CARA of COPD). Sanering is slechts mogelijk als daarvoor een medische noodzaak is vastgesteld, waar ook de noodzakelijke vervanging van bijvoorbeeld vloerbedekking of gordijnen uit blijkt. De cliënt dient in zo’n geval gebruik te maken van de adviezen van een gespecialiseerde CARA-verpleegkundige. Het college kan ook om advies vragen aan deze verpleegkundige. Als de cliënt bekend was met zijn aandoening, maar toch is overgegaan tot de aanschaf van bijvoorbeeld vloerbedekking die allergene reacties oproept, is er sprake van voorzienbaarheid. De gevolgen van de keuzes van een cliënt in geval van voorzienbaarheid kunnen niet op het college worden afgewend.

Aard van de kosten

Een woningsanering gaat in het algemeen over het vervangen van tapijt in de slaapkamer. Zijn er jonge kinderen, dan kan ook die woonkamer worden gesaneerd (in verband met kruipen/spelen op de grond). Een tegemoetkoming wordt alleen verstrekt als de te vervangen stoffering nog niet is afgeschreven. Als een artikel is afgeschreven (in de regel na acht jaar) wordt geen financiële tegemoetkoming verstrekt. Voor de hoogte van de vergoeding wordt rekening gehouden met het volgende afschrijvingsprincipe:

•100% als het artikel nieuwer is dan twee jaar;

•75% als het artikel tussen de twee en vier jaar oud is;

•50% als het artikel tussen de vier en zes jaar oud is;

•25% als het artikel tussen de zes en acht jaar oud is.

Berekening

Bij de hiervoor genoemde percentages wordt de uitkomst van de berekening afgezet tegen de systematiek die wordt gebruikt bij de eenmalige aanschaf. Zie de voorbeeldberekeningen in 3.2.6 van deze beleidsregels.

Geen tegemoetkoming

Als het artikel acht jaar of ouder is, wordt dus geen vergoeding in de kosten verstrekt.

Hoogte van de kosten

Bij de vaststelling van de hoogte van de kosten gelden de richtprijzen van het Nibud als uitgangspunt.

Verhuizing en geen dubbele vergoeding

Hetzelfde geldt bij een verhuizing, omdat bij een verhuizing de woning opnieuw moet worden ingericht en dan rekening kan worden gehouden met de ondervonden klachten. Dat wil ook zeggen dat een tegemoetkoming voor de kosten van sanering niet naast een tegemoetkoming voor verhuiskosten wordt verstrekt.

3.2.8 Gebruikelijke hulp

Gebruikelijke hulp heeft alleen betrekking op personen die binnen de leefeenheid van de cliënt vallen (zie begripsbepalingen van de verordening). Als naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kan worden verlangd, bestaat er geen (of slechts gedeeltelijk) aanspraak op een maatwerkvoorziening. Zie verder hoofdstuk 4 van deze beleidsregels.

3.2.9 Mantelzorg en personen uit het sociale netwerk

Mantelzorg is niet afdwingbaar. Maar het ontvangen van mantelzorg kan bijdragen aan het in staat zijn tot zelfredzaamheid of participatie. Het is daarom van groot belang dat het college tijdens het onderzoek ook nagaat of, en zo ja welke ondersteuningsbehoefte de mantelzorger heeft zodat de taken kunnen worden volgehouden. Zie verder hoofdstuk 5 van deze beleidsregels.

Sociaal netwerk

Bij het sociaal netwerk gaat het om personen uit de huiselijke kring. Daaronder kunnen een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen vallen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Ook het bieden van ondersteuning door personen uit het sociaal netwerk is niet afdwingbaar. Wel is het zo dat het in principe aan cliënt is om zijn sociale netwerk te vragen of zij hem kunnen en willen ondersteunen opdat zijn beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie worden verminderd of weggenomen.

3.2.10 Gebruikmaken van algemene voorzieningen

De wet geeft het college opdracht om algemene voorzieningen te treffen. Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten die, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is. Algemene voorzieningen zijn gericht op maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). De wetgever heeft met algemene voorzieningen beoogd dat het in de daarvoor geschikte situaties een voorafgaand en volwaardig alternatief is voor een maatwerkvoorziening (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 34). Algemene voorzieningen kunnen volgens de wetgever ook een belangrijke bijdrage leveren aan het meer inclusief maken van de samenleving, zodat mensen met beperkingen zoveel mogelijk in staat worden gesteld om op gelijke voet te participeren (TK 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 21). Uit onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening voor de cliënt als passende oplossing kan worden aangemerkt. Daarvoor hoeft de cliënt geen aanvraag in te dienen; gebruikmaking van algemene voorzieningen kan zonder indicatie.

3.2.11 Overige voorliggende oplossingen

Andere beschikbare voorliggende oplossingen in Tubbergen vallen ook onder het beoordelingskader. Het zal namelijk niet altijd zo zijn dat het college alle beschikbare mogelijkheden heeft gecontracteerd als algemene voorziening. Het zal wel duidelijk moeten zijn waaruit deze bestaan, zodat vastgesteld kan worden of het een passende oplossing is. Denk bijvoorbeeld aan een inloopmiddag bij een buurthuis die dagbestedingsactiviteiten organiseert of vrijwilligers die als boodschappenmaatje kunnen fungeren. Het kan ook gaan om vrijwilligers bij een manege. Denk in dat kader ook aan een rijinstructeur die een cliënt kan helpen (CRVB:2018:3348). Wanneer het gaat om vrijwilligers zal het college moeten vaststellen dat zij beschikbaar en geschikt zijn.

3.3 Uitgangspunten maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget

3.3.1 Ingangsdatum

Artikel 3.2 lid 1 Verordening

Als hoofdregel geldt dat de ingangsdatum van de indicatie niet eerder ingaat dan de datum waarop het college beslist op de aanvraag. Dat is alleen anders als het college de aanbieder (natura) toestemming heeft gegeven om vóór de besluitdatum te starten. Deze bepaling geldt dus niet voor cliënten, zie verder 3.3.2 en 3.3.3 van deze beleidsregels.

3.3.2 Maatwerkvoorziening gerealiseerd vóór de melding

Artikel 3.2 lid 2 onder a Verordening

Het kan voorkomen dat de melding van de hulpvraag pas wordt gedaan nadat de cliënt de maatwerkvoorziening heeft gerealiseerd. Bijvoorbeeld de badkamer is aangepast en pas daarna wendt de cliënt zich met een hulpvraag tot het college. Er is op dat moment voorzien in de behoefte. Omdat de Wmo 2015 niet voorziet in een grondslag, bepaalt de Verordening dat de maatwerkvoorziening in die situatie wordt geweigerd (CRVB:2020:1099). In de praktijk zal het gaan om een verzoek de gemaakte kosten te vergoeden want een (gerealiseerde) maatwerkvoorziening in natura kan niet met terugwerkende kracht worden verstrekt. Onbekendheid van cliënten met de geldende regelingen komen in principe voor eigen rekening en risico (vergelijk CRVB:1993:ZB2748).

3.3.3 Maatwerkvoorziening gerealiseerd vóór besluitname

Artikel 3.2 lid 2 onder b Verordening

Het kan ook voorkomen dat de cliënt een maatwerkvoorziening realiseert tijdens de procedure van de melding maar voordat is beslist op de aanvraag. Dat wil zeggen: de cliënt heeft de beslissing van het college op de aanvraag niet afgewacht. In zo’n situatie wordt de maatwerkvoorziening (al dan niet in de vorm van een pgb) alleen verstrekt als de cliënt het college om toestemming heeft gevraagd en die toestemming schriftelijk heeft verkregen. Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt een woning kan verkrijgen en de normale procedure niet kan afwachten omdat de woning dan aan iemand anders wordt toegewezen of verkocht. Het college zal in dat geval de noodzaak van de maatwerkvoorziening nog wel moet kunnen vaststellen.

3.3.4 Ingangsdatum diensten

Het spreekt voor zich dat in het geval een aanvraag wordt gedaan voor een dienst, zoals huishoudelijke ondersteuning, wel een indicatie kan worden verstrekt maar in beginsel niet met terugwerkende kracht.

3.3.5 Niet (volledig) gerealiseerd, noodzaak achteraf vaststellen

Artikel 3.3 lid 1 onder a en b Verordening

Er kan ook sprake zijn van een nog niet (volledig) gerealiseerde maatwerkvoorziening voordat de cliënt zijn hulpvraag heeft gemeld of het college heeft beslist op de aanvraag. Echter door zich niet eerder te melden kan het zijn dat het college de mogelijkheid is ontnomen om nog te kunnen beoordelen of er een noodzaak is voor een maatwerkvoorziening. En zo ja, welke. Kan het college de noodzaak nog wel vaststellen, dan kan het college overgegaan tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening, al dan niet in de vorm van een pgb die als goedkoopst passende bijdrage wordt aangemerkt (vergelijk CRVB:2012:BV5418). Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de cliënt al is begonnen met het aanpassen van de badkamer door het bad te verwijderen. De vraag is of het college op dat moment, aan de hand van bouwtekeningen of foto’s, nog kan vaststellen dat de al in gang gezette aanpassing noodzakelijk was, en zo ja wat de goedkoopst passende bijdrage is.

3.3.6 Aanpassing zelf aangeschaft hulpmiddel

Het kan voorkomen dat de cliënt zelf een hulpmiddel heeft aangeschaft en een melding doet voor een aanpassing van dat hulpmiddel. De omstandigheid dat het om een zelf aangeschaft hulpmiddel gaat wil niet zeggen dat een aanpassing daarvan niet voor verstrekking in aanmerking kan komen als die nog niet is gerealiseerd (zie hiervoor). Het college beoordeelt in zo’n situatie of het betreffende hulpmiddel noodzakelijk is en zo ja, of dat ook geldt voor de gevraagde aanpassing.

3.3.7 Pgb-aanvraag binnen budgetperiode

Artikel 3.2 lid 3 onder a en b Verordening

Aan de cliënt kan een pgb worden verstrekt als wordt voldaan aan de verschillende voorwaarden. Dat wil feitelijk zeggen dat het college heeft vastgesteld dat de budgethouder, al dan niet met hulp van diens vertegenwoordiger, verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gebruik (besteding) van het pgb binnen de geldende budgetperiode.

Bestedingsruimte

Een cliënt kan zich echter binnen de budgetperiode opnieuw melden. Het pgb hoeft niet uitsluitend aan de geïndiceerde maatwerkvoorziening te worden besteed, maar wel voor het doel (resultaat) waarvoor het pgb is verstrekt (bijv. CRVB:2018:3102, CRVB:2018:819, CRVB:2009:BK2502). Heeft de cliënt het pgb binnen de budgetperiode volledig besteed en is de maatwerkvoorziening verloren gegaan, dan verstrekt het college niet opnieuw een pgb (CRVB:2018:818).

Rekening en risico budgethouder

Onder verloren gaan wordt bijvoorbeeld verstaan het niet meer functioneren van een tweedehands voorziening die met het volledige toegekende pgb is aangeschaft. De gevolgen van de door de budgethouder gemaakte keuze in de besteding van het pgb komen namelijk voor diens rekening en risico. Dat is alleen anders als de maatwerkvoorziening weliswaar verloren is gegaan maar dat niet aan de budgethouder is te wijten. Ook bij gewijzigde omstandigheden in de ondersteuningsbehoefte zal er geen aanleiding zijn om een pgb op voorhand te weigeren.

3.3.8 Technisch geschikte maatwerkvoorziening (afschrijvingstermijn niet verstreken)

Art. 3.2 lid 4 Verordening

De hulpvraag kan gericht zijn op het vervangen van een eerder met een pgb aangeschaft hulpmiddel, zoals een scootmobiel of een tillift. Is de budgetperiode verstreken, dan geldt het volgende uitgangspunt. Voldoet de eerder met het pgb aangeschafte maatwerkvoorziening nog aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen, dan beoordeelt het college of het verstrekken van een pgb voor reële instandhoudingskosten als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. In de praktijk gaat het om (aangeschafte) maatwerkvoorzieningen die technisch gezien nog niet zijn afgeschreven. Dat wil zeggen ze voldoen nog in de zin van kwaliteit én het resultaat dat bereikt moet worden. De strekking van deze bepaling gaat ook over de maatwerkvoorziening in natura.

3.3.9 Afsluiten opstalverzekering

Artikel 3.2 lid 5 Verordening

De cliënt aan wie een woningaanpassing is verstrekt moet zorgen voor een opstalverzekering die het risico van schade afdekt.

3.3.10 Afdoende verzekeren

Artikel 3.2 lid 6 Verordening

Maatwerkvoorzieningen die worden meegenomen naar het buitenland zullen afdoende verzekerd moeten zijn tegen verlies, diefstal en schade.

3.3.11 Goedkoopst passende bijdrage

Artikel 3.3 lid 1 onder b Verordening

Het college verstrekt altijd de goedkoopst passende bijdrage. Er zijn vaak meerdere geschikte oplossingen, maar er wordt gekozen voor de oplossing die naar objectieve maatstaven de goedkoopst passende is. Indien de cliënt een duurdere voorziening wil (die eveneens adequaat is) komen de meerkosten voor rekening van de cliënt. In dergelijke situaties zal de verstrekking plaatsvinden in de vorm van een pgb gebaseerd op de kosten van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening.

3.3.12 Individueel gericht

Artikel 3.3 lid 1 onder c Verordening

Een maatwerkvoorziening is in overwegende mate individueel gericht. De maatwerkvoorziening wordt aan de cliënt verstrekt en levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin deze in staat is toe zelfredzaamheid of participatie. Het college kan bijvoorbeeld wel rekening houden met mantelzorgers die hulp door bijvoorbeeld duwondersteuning op een rolstoel te verstrekken.

3.3.13 Zelf passende oplossing realiseren

Artikel 3.3 lid 2 onder b Verordening

Het college kan van de cliënt vergen dat hij zelf zorgt voor een passende oplossing. Zie 3.2.4 van deze beleidsregels voor voorbeelden.

3.3.14 Gebruik maken voorliggende voorziening

Artikel 3.3 lid 2 onder c Verordening

Het gebruik maken van een andere wettelijke aanspraak gelet op de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning valt binnen de eigen kracht. Zie 3.2.3 van deze beleidsregels.

Artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 (begripsbepaling) Artikel 3.1 lid 1 Verordening (beoordeling aanspraak)

4 Gebruikelijke hulp

4.5 Beoordelingskader gebruikelijke hulp

4.5.1 Huishoudelijke taken

Volgens algemeen aanvaardbare opvattingen wordt het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken verwacht van huisgenoten. Dat is in lijn met de vaste jurisprudentie (bijv. CRVB:2019:2616, CRVB:2018:2721, CRVB:2016:4351, CRVB:2015:3198). Het college zal - als het onderzoek daartoe aanleiding geeft - vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de huishoudelijke taken over te nemen. Dat kan bijvoorbeeld met een medisch advies (zie hoofdstuk 15 van de beleidsregels). Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665). Er kunnen zich ook situaties voordoen dat de huisgenoot de taken niet kan overnemen omdat het gaat om niet-uitstelbare taken. Dit met het oog op de beschikbaarheid van de huisgenoot.

4.5.2 Overige taken of activiteiten

Zoals gezegd bestaat het bieden van gebruikelijke hulp niet alleen uit het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken. Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp baseert het college zich op de volgende feiten en omstandigheden:

1De aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt.

2De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt, tenzij het huishoudelijke ondersteuning betreft.

3De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen.

4De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd.

Hierna wordt ingegaan op de bovengenoemde punten.

4.7 Omvang van de ondersteuningsbehoefte

4.7.1 Overname van huishoudelijke taken

Voor huishoudelijke ondersteuning (schoon en leefbaar huis) geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat huisgenoten de huishoudelijke taken overnemen als een andere huisgenoot deze niet kan uitvoeren. Dit uitgangspunt is in lijn met de vaste rechtspraak van de CRvB (bijv. CRVB:2019:2616, CRVB:2018:2721 en CRVB:2017:4476). Dat wil zeggen dat geen rekening wordt gehouden met de aard van de relatie die de cliënt heeft met de huisgenoot. Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665).

Inwonende kinderen

Als de cliënt thuiswonende kinderen heeft, dan gaat het college er in beginsel van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden. Dat sluit aan bij het algemene uitgangspunt van gebruikelijke hulp.

Artikel 1.1.1 Wmo 2015 (begripsbepaling) Artikel 3.1 lid 1 Verordening (beoordeling aanspraak) Artikel 4.5 Verordening

Artikel 4.2 en 6.2 Verordening

6 Huishoudelijke ondersteuning

6.6 Gebruikelijke hulp

6.6.1 Uitstelbare taken

Of gebruikelijke hulp kan worden geboden is ook afhankelijk van de vraag of het gaat om uitstelbare of niet-uitstelbare ondersteuning. Dit met het oog op de beschikbaarheid van de huisgenoot.

Beschikbaarheid huisgenoot

Het kan voorkomen dat de huisgenoot regelmatig niet aanwezig is vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter. Denk bijvoorbeeld aan de reguliere werkzaamheden.

Schoonmaakwerkzaamheden

In geval van schoonmaakwerkzaamheden zal het meestal gaan om uitstelbare taken. Dit betekent dat de huishoudelijke activiteiten ook in de avond of het weekend uitgevoerd kunnen worden. Zijn deze taken echter niet-uitstelbaar en is de huisgenoot niet beschikbaar (afwezig), dan kan daarvoor huishoudelijke ondersteuning worden verstrekt.

Wasverzorging

Ook in geval van wasverzorging zal het meestal gaan om een uitstelbare taak. Dit betekent dat deze huishoudelijke activiteit wasverzorging in de avond of het weekend uitgevoerd kan worden. Dat betekent ook dat de algemene voorziening was- en strijkservice een passende oplossing zal zijn (zie 6.8.1 van deze beleidsregels). En zo niet, dan kan de maatwerkvoorziening wasverzorging worden verstrekt.

6.8 Algemene voorziening

6.8.1 Was- en strijkservice

Als onderdeel van de huishoudelijke ondersteuning is in de gemeenten Tubbergen en Dinkelland een algemene voorziening was- en strijkservice opgezet. Alle inwoners van de gemeenten Tubbergen en Dinkelland kunnen gebruik maken van deze voorziening. De algemene voorziening voor de was en strijk kan voorzien in de ondersteuningsbehoefte van het grootste deel van de inwoners voor het wassen en strijken en is daarom een goed alternatief voor de inzet van een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning voor de wasverzorging. De algemene voorziening kan gebruikt worden voor alle soorten was (kleding en linnen en/of beddengoed).

Het voordeel van deze algemene voorziening is dat het gecombineerd kan werken met verschillende andere maatschappelijke doelen. Het inzetten van mensen met een arbeidsbeperking voor het uitvoeren van de algemene voorziening. De aard van het werk (opleidingsniveau) maakt het geschikt voor het werken met mensen met een arbeidsbeperking (bijvoorbeeld voor mensen die staan geregistreerd in het doelgroepenregister vanuit de Participatiewet).

Omvang

Cliënten van de gemeente Tubbergen kunnen voor twee waszakken per week gebruik maken van de algemene voorziening was- en strijk service. Van de cliënt wordt verwacht dat hij voldoende kleding of andere linnengoed heeft om een week te overbruggen. De was kan op twee vaste momenten bij cliënten thuis opgehaald en gebracht worden. Cliënten zijn zelf verantwoordelijk voor het aanwezig zijn op deze momenten of om hiervoor een eventueel alternatief te regelen.

Passende oplossing

De algemene voorziening was- en strijkservice wordt in de volgende situaties in ieder geval als passende oplossing aangemerkt:

•Als het doen van de was als uitstelbare taak kan worden aangemerkt.

•Er een mogelijkheid is voor het:

-aanbieden van de was in de daarvoor bestemde waszak. Hiermee wordt ook de situatie bedoeld dat de aangeboden was met hulp in de waszak bij de voordeur wordt neergezet en even kan blijven staan tot het moment dat de aanbieder de was ophaalt;

-aannemen of opruimen van de was. Hiermee wordt de situatie bedoeld dat de opgevouwen was even in huis kan blijven staan tot er hulp beschikbaar is om de was op te ruimen.

Geen passende oplossing

De algemene voorziening was- en strijkservice is niet geschikt als:

•sprake is van frequent optredende incontinentie en aannemelijk is dat het gebruik van incontinentiemateriaal geen afdoende oplossing is,

•de cliënt gebruik maakt van zalven op grond waarvan een hoge hygiëne noodzakelijk is vanwege infectiegevaar (CRVB:2019:982),

•het aantal noodzakelijke wasbeurten een omstandigheid is dat het geen passende oplossing is. In de praktijk kan dat te maken hebben met jonge kinderen.

In zulke gevallen kan de was mogelijk niet (een week) blijven liggen. Het gaat dan in zo’n situatie om een niet-uitstelbare taak. Er zijn meer voorbeelden denkbaar.

Bijdrage in de kosten

Cliënten die op grond van de Wmo 2015 zijn aangewezen op wasverzorging kunnen gebruik maken van deze algemene voorziening. Zij betalen een bedrag per waszak. In de verordening staat waarop de hoogte van de eigen bijdrage is gebaseerd. De eigen bijdrage voor de was- en strijkservice betalen cliënten aan de aanbieder zelf.

6.10 Resultaat wasverzorging

6.10.1 Maatwerk wasverzorging

Zijn er geen voorliggende oplossingen beschikbaar en geschikt, dan gelden de normen van HHM 2025 voor de wasverzorging als uitgangspunt (CRVB:2025:46, CRVB:2025:338).

6.12 Resultaat maaltijden: broodmaaltijd en/of warme maaltijd

6.12.1 Maatwerk bij geen indicatie maaltijden

Het resultaat maaltijden omvat ook: tafel dekken, eten en drinken klaarzetten, afruimen, afwassen of vaatwasser inruimen/uitruimen (zie Bijlage III Huishoudelijke ondersteuning (normtijden, activiteiten en frequentie) van deze beleidsregels). Dat betekent ook dat als geen indicatie voor maaltijden wordt gesteld, het wel nodig kan zijn dat een indicatie wordt afgegeven voor afwassen of vaatwasser in- en uitruimen (CRVB:2023:2470). Het college baseert zich in beginsel op het CIZ-protocol huishoudelijke verzorging 2005 (CRVB:2017:3633). Daarbij wordt opgemerkt dat de cliënt doorgaans in staat zal zijn om (een deel) van de afwas zelf te doen (eigen kracht).

6.13 Resultaat bij regie/ zorg over het huishouden

6.13.1 Resultaat thuis zorgen voor minderjarige kinderen die tot het gezin behoren

Het gaat om de dagelijkse, gebruikelijke hulp voor gezonde kinderen (jonger dan 12 jaar) als beide ouders deze tijdelijk niet in staat zijn te leveren. Het gaat bij dit resultaat niet om enkel de opvang van kinderen. Het gaat om activiteiten als wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, maaltijd voorbereiden en toezicht houden. Ook het brengen en halen van kinderen naar school/crèche vallen eronder. In principe is het de verantwoordelijkheid van ouders om, op tijden dat zij beide niet in staat zijn voor de kinderen te zorgen dat zelf te regelen. De Wmo heeft alleen een taak in het tijdelijk bijspringen, zodat voor de ouder(s) ruimte ontstaat om zelf een oplossing te vinden. In de praktijk betreft dit ondersteuning die doorgaans per direct moet kunnen worden ingezet en zonodig buiten de reguliere werktijden om. Diverse vormen van kinderopvang kunnen als voorliggende oplossing worden aangemerkt.

6.13.2 Resultaat organisatie van het huishouden

Een gestructureerde organisatie van het huishouden gaat over het, al dan niet samen met de cliënt, bepalen welke huishoudelijke werkzaamheden wanneer worden gedaan (regievoering over het huishouden).

Resultaat aanleren van taken aan cliënten die leerbaar zijn

Cliënten die leerbaar zijn kunnen tijdelijk Advies, instructie, voorlichting over het uitvoeren van huishoudelijke werkzaamheden en/ of het plannen van huishoudelijke werkzaamheden ontvangen. Het resultaat is over de vaardigheid beschikken om zelfstandig een gestructureerde huishouding te voeren.

6.14 Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2025

6.14.1 Gemiddelde cliëntsituatie

Door uit te gaan van een gemiddelde cliëntsituatie krijgen de normtijden een algemeen karakter. Hiermee wordt voorkomen dat er op alle mogelijk denkbare uitzonderingen apart beleid moet worden ontwikkeld. Onder een gemiddelde cliëntsituatie wordt verstaan:

•Een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen;

•Wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap;

•Er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen;

•De cliënt kan de woning dagelijks op orde houden zodat deze gereed is voor de schoonmaak;

•De cliënt heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd;

•Er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd;

•Er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de cliënt die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn;

•De woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk.

6.14.2 Individuele situaties op basis van kenmerken

Niet iedere cliënt past in deze omschrijving van de gemiddelde cliëntsituatie. Voor cliënten waarbij de gemiddelde situatie niet van toepassing is, kunnen invloedsfactoren worden meegewogen. Deze staan in het normenkader als ‘meer inzet’ of ‘minder inzet’. Daarmee wordt voor iedere cliënt maatwerk gerealiseerd. Let op dat de aanwezigheid van deze kenmerken niet automatisch leidt tot meer inzet. Het is steeds de vraag of een kenmerk leidt tot extra vervuiling of vraagt om een extra niveau van schoon, waardoor meer inzet nodig is. De volgende invloedsfactoren kunnen maken dat meer of minder ondersteuningstijd nodig is:

a.Kenmerken cliënt

•Mogelijkheden cliënt zelf: De fysieke mogelijkheden van de cliënt om bij te dragen aan de uit te voeren huishoudelijke taken. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de cliënt mee.

•Beperkingen en belemmeringen van de cliënt: Beperkingen en belemmeringen van de cliënt kunnen gevolgen hebben voor de benodigde inzet. Leidend is de hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is; niet de problematiek als zodanig. Voorbeelden zijn Huntington, ALS, Parkinson, dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerig, psychische aandoeningen, verslaving/alcoholisme e.d. Dit kan op twee manieren uitwerken:

1Het kan nodig zijn extra vaak schoon te maken of te wassen, doordat meer vervuiling optreedt. Bijvoorbeeld als gevolg van rolstoelgebruik, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremoren, besmet wasgoed (bijvoorbeeld bij chemokuur of Norovirus).

2Het kan nodig zijn de woning extra goed schoon te maken. Ter voorkoming van problemen bij de cliënt voortkomend uit bijvoorbeeld allergie, astma, longemfyseem, COPD. Het college hanteert daarbij het uitgangspunt van een gesaneerde woning.

•Ondersteuning vanuit mantelzorgers, gebruikelijke hulp, netwerk en vrijwilligers: De hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de cliënt en eventuele vrijwilligers, waardoor minder inzet vanuit het college noodzakelijk is omdat een deel van de activiteiten door hulp van anderen wordt gedaan. Daar vult het college alleen op aan als dat nodig blijkt.

b.Kenmerken huishouden

•Samenstelling van het huishouden: het aantal personen en de leeftijd van leden in het huishouden. Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet persé extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke hulp).

De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding.

•Huisdieren: door de aanwezigheid van een of meer huisdieren in het huishouden, kan eventueel door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Verzorging van huisdieren valt niet onder huishoudelijke ondersteuning. Een huisdier veroorzaakt niet altijd extra benodigde inzet (goudvis in een kom, een niet verharende hond, etc.). Een huisdier heeft vaak ook een functie ten aanzien van participatie en eenzaamheidsbestrijding. Met de cliënt moet in voorkomende gevallen overleg plaatsvinden over aantal of aard van huisdieren en welke gevolgen hiervan wel of niet ‘voor rekening’ van de gemeente/samenleving komen.

c.Kenmerken woning

•Inrichting van de woning: extra inzet nodig door bijvoorbeeld extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties, waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. Ook hierbij kan nader overleg met de cliënt zijn aangewezen over wie wat doet in het huishouden.

•Bewerkelijkheid van de woning: extra inzet nodig door bouwkundige en externe factoren, bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand- of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes.

•Omvang van de woning: een grote woning kan, maar hoeft niet persé meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd.

6.14.3 Middeling van tijden

Het normenkader HHM 2025 bestaat uit totaaltijden voor verschillende onderdelen. Deze zijn bepaald op grond van de triangulatie-aanpak die ten grondslag ligt aan dit normenkader. Dit betreft onderzoektijden die samengevoegd leiden tot een passende omvang van ondersteuning op maat voor de cliënt. Hierbij is sprake van middeling van tijden. Individuele situaties verschillen altijd van elkaar. Dit maakt in dit normenkader dat het grote geheel zeker klopt, maar er is geen sprake van ‘instructietijden of uitvoeringsnormen per activiteit’.

6.14.4 Minder inzet dan volledige overname/afschalen

Het college kan de basisnorm afschalen of verminderen ten opzichte van de norm aangegeven in minuten per week bij volledige overname. Het gaat ook over de mogelijkheid om verder af te schalen dan de 10, 15 of 17 minuten die in het normenkader staan benoemd.

Eigen mogelijkheden (eigen kracht)

Uit onderzoek is gebleken dat cliënten zelf gemiddeld zo’n 15 minuten per week kunnen doen om het resultaat leefbaar huis te bereiken. Het gaat dan meestal om schoonmaken op middenniveau (afstoffen en nat afnemen) en algemeen opruimen. Het afstoffen op middenniveau is dus zonder bukken of klimmen/reiken. Kan de cliënt nog meer dan schoonmaken op middenniveau, kan dat tot een aftrek van nog eens 15 minuten leiden.

Gebruikelijke hulp

Bovenop of in plaats van de mindering vanwege eigen mogelijkheden kan ook nog aftrek plaatsvinden vanwege hulp vanuit het netwerk of door inwonende personen (gebruikelijke hulp). Dit kan 15 minuten zijn, maar dit kan ook meerdere keren 15 minuten zijn.

Wasverzorging

Zeker bij de was is vaak ruimte voor eigen mogelijkheden door de cliënt (aftrekoptie voor de helft van de omvang -/- 20 minuten). Vaak zie je dat de cliënt de zware/grote stukken was niet meer kan hanteren, maar de kleine stukken nog wel, zoals kleding, ondergoed e.d.

6.14.5 Enige extra inzet of veel extra inzet (30 of 60 minuten)

Dit gaat over situaties waarin door beperkingen of belemmeringen van de cliënt extra goed of extra vaak moet worden schoongemaakt.

•Oorzaak 1: allergieën/COPD en dergelijke waardoor het huis beter stofvrij moet blijven.

•Oorzaak 2: incontinentie, overmatig zweten, specifieke medicijnen met lichamelijke reacties, rolstoelgebruik binnen-buiten (en geen robotstofzuiger mogelijk voor het zand opzuigen) en dergelijke, waardoor het huis sneller vervuilt.

30of 60 minuten

•Tot 30 minuten extra inzet is vooral aan de orde als uitbreiding op het ene bezoek/werkmoment per week van de hulp nodig is. Vanwege extra vaak of extra goed moeten schoonmaken.

•Tot 60 minuten extra inzet is in het algemeen aan de orde als een tweede bezoek/werkmoment per week van de hulp nodig is. Vanwege extra vaak of extra goed moeten schoonmaken.

Tweede keer

In geval van een tweede keer moeten komen vanwege stof of zand/haren op de vloer vanwege huisdieren, vanwege allergie, vanwege rolstoelgebruik et cetera. Het college kan overwegen of het mogelijk is dat de cliënt zelf een eenvoudige robotstofzuiger aanschaft als algemeen gebruikelijke voorziening. Vooropgesteld dat de cliënt met een (eenvoudig) apparaat uit de voeten kan.

6.14.6 Kamer wel/niet in gebruik (als slaapkamer)

Binnen het normenkader rekenen we extra tijd voor extra kamers. Er is een verschil tussen de tijd die wordt gerekend wanneer een extra kamer ‘wel of niet in gebruik’ is. Een extra kamer ‘in gebruik als slaapkamer’ of een extra kamer ‘niet in gebruik als slaapkamer’. Als het geen slaapkamer is, dan is het dus voor ‘iets anders’, het maakt in principe niet uit waarvoor dat is.

Extra (slaap)kamers in de woning, naast de hoofdslaapkamer van de cliënt (die in de standaardtijd is opgenomen), moeten worden schoongemaakt om de woning uiteindelijk niet te laten vervuilen.

Als een extra kamer daadwerkelijk als slaapkamer in gebruik is, dan vergt dat 18 minuten per week zoals genoemd in het normenkader. Bijvoorbeeld voor een stel dat altijd apart slaapt, twee mensen -geen stel- die samen een huis bewonen, een kind, mits geen gebruikelijke hulp mogelijk is: betekent zelf schoonmaken door het kind), et cetera.

Voor de niet-slaapkamers indiceren we 5 minuten per week. Dat is in principe onafhankelijk waar deze andere kamer voor wordt gebruikt. Van leeg tot logeerkamer tot strijkkamer tot computerkamer etc. Want: met 20 minuten per maand heeft de hulp genoeg tijd om die kamer een keer te kunnen stoffen en stofzuigen e.d. en blijft deze acceptabel schoon.

Een zolder en dus ook een eventuele helemaal leegstaande zolderkamer: die neem je in principe niet mee, behalve als er duidelijke redenen zijn om dit wel te doen. Het eventueel eens per jaar een stofzuiger door de zolder halen, lost zich in de praktijk eigenlijk altijd wel op.

De 18 minuten voor een kamer in gebruik als slaapkamer komen voort uit het moeten verschonen van het bed en de extra benodigde tijd voor stoffen en schoonmaken vanwege de aard van het gebruik van de kamer.

Een logeerkamer die (zeer) incidenteel wordt beslapen: die kan in principe door de logee weer schoon worden opgeleverd. Of door de ouders van het kleinkind dat komt logeren. Het is niet aan het college om dit soort zaken altijd te moeten oplossen. In principe blijft dan de genoemde 5 minuten per week (20 minuten per maand) toereikend om die kamer voldoende schoon te houden. Ook hier geldt weer: uitzonderingen daargelaten, zoals bijvoorbeeld: twee kleinkinderen logeren enkele dagen per week bij opa en oma om het gezin te ontlasten waar al jeugdhulp in zit: dan is huishoudelijke ondersteuning inzetten een betere optie dan meer jeugdhulp inzetten.

6.14.7 Wanneer ruimtes wel of niet als ‘extra kamer’ aanmerken

Binnen het normenkader rekenen we extra tijd voor extra kamers. Er is een verschil tussen de tijd die wordt gerekend wanneer een extra kamer wel of niet in gebruik is als slaapkamer.

Grote bijkeuken

Een bijkeuken is in principe onderdeel van ‘de keuken’. Het kan natuurlijk voorkomen dat sprake is van een serieus grote keuken in combinatie met een serieus grote bijkeuken: dan kan opplussen op basis van ‘extra kamer niet in gebruik als slaapkamer’ of op basis van de factor ‘omvang van de woning’ aan de orde zijn. Dat kan spelen als de hele woning duidelijk bovengemiddeld groot is.

Tweede badkamer

Wordt deze niet (noodzakelijkerwijs) gebruikt als badkamer, dan wordt de ruimte aangemerkt als ‘extra kamer niet zijnde een slaapkamer’: plus 5 minuten/week.

Separaat toilet boven

Als er geen toilet in de badkamer zit is dit een onderdeel van ‘het sanitair boven’ en vergt geen extra tijdsinzet.

Kantoor

Als het echt een kantoor is en niet een slaap/logeerkamer die als werkplek wordt gebruikt: deze moet zakelijk schoongemaakt en dat valt niet binnen de Wmo. Als het een thuiswerkplek betreft, dan is het een kamer ‘niet in gebruik als slaapkamer.

Grote kelder

Dit wordt afgewogen op basis van het werkelijke gebruik hiervan. Er wordt geen extra tijd toegekend, maar net zoals de zolder of eventueel meenemen als ‘extra kamer niet in gebruik als slaapkamer’.

6.14.8 Samenstelling huishouden (= eigen kracht + gebruikelijke hulp)

In het normenkader is de mogelijkheid benoemt om extra tijd toe te kennen op grond van de ‘samenstelling van het huishouden”. Hiervoor hanteren we de uitgangspunten van eigen kracht en gebruikelijke hulp.

Meer personen in leefeenheid

Als sprake is van meer personen in het huishouden, dan zijn eigen kracht en gebruikelijke hulp bepalend of er minder dan volledige overname of meer dan volledige overname moet worden ingezet. De 30 minuten zoals (oorspronkelijk) vermeld in het normenkader: het college komt tot een specifieke afweging die kan leiden tot het toekennen van minder tijd of tot het toekennen van meer tijd.

Er wordt niet meer tijd toegekend dan noodzakelijk is dan wel in redelijkheid nodig is. Voorbeelden: meerdere honden die vrij door het hele huis mogen lopen of losvliegende vogels die veel troep maken. Cliënten met COPD die binnen roken en binnen 20 parkieten houden en vervolgens om extra vaak schoonmaak vragen. In dezelfde lijn: cliënten met zware allergie of COPD, die weigeren de woning te saneren, maar wel extra ondersteuning vragen.

6.14.9 Huisdieren (die extra inzet van ondersteuning noodzakelijk maken)

De verzorging van huisdieren valt buiten het normenkader van deze beleidsregels (vergelijk CRVB:2021:88). Maar het hebben van huisdieren kan leiden tot meer inzet van huishoudelijke ondersteuning. In geval van een hulphond, die is verstrekt op grond van de Zvw overweegt het college dat (RBGEL:2018:1741). Zie de mogelijkheid tot opplussen in Bijlage III Huishoudelijke ondersteuning (normtijden, activiteiten en frequentie) van deze beleidsregels. Heeft de cliënt huisdieren, anders dan een hulphond, dan geldt in het algemeen dat het hebben van huisdieren niet leidt tot meer inzet van huishoudelijke ondersteuning (CRVB:2019:2585).

6.14.10 Strijken en boodschappen

Strijken wordt over het algemeen niet meer geïndiceerd, hier zijn in de vorm van strijkvrije kleding voorliggende oplossingen voor beschikbaar (zie 6.14.1 van deze beleidsregels). Boodschappen halen wordt in het algemeen niet meer geïndiceerd. Hier zijn veelal boodschappenservices voor beschikbaar als voorliggende oplossing.

6.14.11 Overige kenmerken van de woning: omvang, bewerkelijkheid, inrichting

Op basis van het normenkader is het mogelijk om 15 minuten extra tijd toe te kennen op basis van ‘overige kenmerken’. Wat zijn deze overige kenmerken?

1Omvang van het huis: alleen in uitzonderlijke situaties neem je 15 minuten extra op vanwege een heel groot huis. Dit aspect wordt namelijk mede gedekt door de mogelijkheid van toekennen van extra tijd voor ‘extra kamers wel of niet in gebruik als slaapkamer’.

2Bewerkelijkheid: idem. Alleen in uitzonderlijke situaties hiervoor extra tijd opnemen.

3Inrichting: idem. Eerste verantwoordelijkheid ligt bij de cliënt om niet meer inzet nodig te maken dan redelijkerwijs nodig is. In uitzonderlijke situaties kan dit worden meegenomen.

Voor deze drie items apart dan wel gezamenlijk kan in principe 1 x 15 minuten extra worden toegekend.

6.14.12 Reële mogelijkheden overbelasting oplossen of verminderen

Artikel 4.2 lid 5 Verordening

Is er sprake van (dreigende) overbelasting, dan kan het college (tijdelijk) huishoudelijke ondersteuning verstrekken. De overbelasting kan betrekking hebben op de cliënt of diens huisgenoot. Voor overbelasting is vaak een oplossing (eigen kracht). Om dat vast te stellen zal doorgaan een medisch advies nodig zijn. Het college helpt om de huisgenoot of de cliënt niet afhankelijk te maken van ondersteuning van de gemeente. Daarom verwacht het college dat een huisgenoot of cliënt met reële oplossingen aan de slag gaat. Doen zij dat niet, dan verstrekt het college niet opnieuw huishoudelijke ondersteuning. Dat is alleen anders als de cliënt of huisgenoot daar een gegronde reden voor had.

6.14.13 Afronding van de indicatie

Nadat alle te bereiken resultaten zijn beoordeeld wordt het totaal aantal minuten per week naar boven afgerond op 5 minuten.

6.14.14 Inzet eens per twee weken

Schoonmaakondersteuning kan bij een cliënt ook 1 x per 2 weken worden ingezet.

1Als eerste onderzoekt het college of 1 x per 14 dagen voor de cliënt passend is. Dat is het geval als:

•de cliënt in staat is tussen de momenten dat de hulp weer komt om de ‘algemene hygiëne’ in huis op orde te houden;

•dat betekent dat deze ‘op middenhoogte’ een aantal zaken in huis voldoende bij moet kunnen houden. Zoals: wastafel, aanrecht, toilet(ten) en stof afnemen op middenniveau;

•de cliënt moet de vloeren kunnen bijhouden: zelf, bijvoorbeeld met een (steel)stofzuiger, Swiffer of met een robotstofzuiger of door iemand anders, etc.

•er is geen sprake van verzwarende factoren/beperkingen.

2Uitgangspunt passende inzet is 2,5 uur per 2 weken.

•1 x het volledige reguliere ‘week-werk’ volgens de basisnorm van 125 minuten;

•plus: 1 x de ‘niet-wekelijkse werkzaamheden van 20 minuten (o.b.v. onderzoek Utrecht, 2016);

•plus: 1 extra kamer niet in gebruik als slaapkamer is 5 minuten;

•totaal: 125 + 20 + 5 = 150 minuten = 2,5 uur per 2 weken.

3Het is niet uitgesloten dat de omvang van 150 minuten per week wordt verlaagd tot 2 uur per twee weken. Bijvoorbeeld door eigen kracht of gebruikelijke hulp, tenzij dat ten koste gaat van het bereiken van een schoon en leefbaar huis.

Artikel 4.3 en 4.4 Verordening

7 Begeleiding en dagbesteding

7.3 Begeleiding individueel

7.3.1 Begeleiding individueel basis

Begeleiding individueel basis is bedoeld voor cliënten met een verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperking. Er moet sprake zijn van matige beperkingen in de zelfredzaamheid op één of meerdere leefgebieden. De cliënt voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken:

•De cliënt heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig;

•De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken;

•De cliënt is gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken;

•De cliënt heeft redelijk inzicht in de eigen (on)mogelijkheden;

•Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek bij de cliënt;

•De leefsituatie is redelijk stabiel. Er is geen of slechts een geringe kans op risicovolle situaties en/of escalatie;

•De cliënt is in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag.

7.3.2 Begeleiding individueel plus

Begeleiding individueel plus is bedoeld voor cliënten met ernstige en/of meervoudige verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperkingen. Er moet sprake zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid op meerdere leefgebieden. De cliënt voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken:

•De cliënt heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig;

•De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken;

•De cliënt is wisselend gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken;

•De cliënt heeft beperkt of geen inzicht in de eigen (on)mogelijkheden;

•De cliënt vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag. Er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek;

•De leefsituatie is niet stabiel en/of er is een grote kans op risicovolle situaties en of escalatie;

•De cliënt is niet in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag.

7.3.3 Uitwerking kenmerken begeleiding individueel basis en plus

Basis

Plus

De cliënt heeft in enige mate

activering en/of stimulans nodig

De cliënt heeft in grote mate

activering en/of stimulans nodig

•Met een positieve en motiverende benadering en aanmoediging komt de cliënt tot resultaat en neemt verantwoordelijkheid voor de eigen vooruitgang.

•Met een herinnering, een voorbeeld, oefenen of een instructie kan de cliënt een taak volbrengen of een haalbare vaardigheid eigen maken.

•De cliënt kan door middel van informatieverstrekking, verkennen van opties en ondersteunende gesprekken tot juiste beslissingen komen

•Met een intensieve en proactieve benadering komt de cliënt tot resultaat door middel van motiveren, inspireren en ondersteunen. Intensief gaat over de methodische benadering en niet over de frequentie.

•De cliënt heeft bij herhaling aanmoediging, positieve feedback en ondersteuning nodig om verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen vooruitgang.

•De cliënt heeft in grote mate sturing/toezicht nodig om een taak te volbrengen.

•Het aanleren van vaardigheden vraagt van zowel de cliënt als ondersteuner veel geduld en doorzettingsvermogen. De leermethodes die gebruikt worden zijn afgestemd op de cliënt.

•De cliënt heeft in grote mate ondersteuning nodig om tot een juiste beslissing te kunnen komen. Zonder ondersteuning overziet de cliënt de risico’s niet en maakt de cliënt beslissingen die een negatieve invloed kunnen hebben op zijn of haar functioneren of dat van de omgeving.

De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag

voldoende begrijpelijk maken

De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken

•Onder begrijpelijk maken wordt ook verstaan dat de cliënt de ander begrijpt.

•De cliënt kan aangeven wat hij of zij bedoelt. Dit kan ook non-verbaal of met een hulpmiddel (spraakcomputer).

•Alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo.

•Hier wordt ook onder verstaan dat de cliënt moeite heeft om de ander te begrijpen.

•Het is moeilijk voor de cliënt om aan te geven wat hij of zij bedoelt, of wat hij of zij nodig heeft. Er wordt een extra beroep gedaan op de ondersteuner, want er moet met grote regelmaat een vertaalslag gemaakt worden.

•Alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo.

De cliënt is gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken

De cliënt is wisselend gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken

•De cliënt is gemotiveerd om te werken aan de ondersteuningsvraag en staat open voor feedback van de ondersteuner.

•De cliënt komt afspraken voldoende na om de resultaten te behalen.

•De cliënt vindt het moeilijk om afspraken na te komen en feedback van de ondersteuner aan te nemen. De cliënt trekt bijvoorbeeld alles in twijfel en legt de verantwoordelijkheid buiten zichzelf. Dit is een terugkomend kenmerk. De ondersteuner moet beschikken over methodische kennis en vaardigheden om samen met de cliënt de resultaten te halen.

De cliënt heeft redelijk inzicht in de

eigen (on)mogelijkheden

De cliënt heeft beperkt of geen inzicht in de

eigen (on)mogelijkheden

•De cliënt heeft een (beperkt) realistisch beeld van eigen problematiek. Het staat het behalen van de gestelde resultaten nauwelijks in de weg. Hij of zij staat open voor feedback om overschatting of onderschatting te kunnen bijsturen.

•De cliënt heeft geen of beperkt realistisch beeld van de eigen problematiek. De cliënt is tot minder in staat dan wat hij denkt (overschatting) of cliënt kan op eigen kracht of in samenwerking met anderen meer dan hij denkt (onderschatting). Hierdoor blijft de cliënt in de problemen komen. De ondersteuner moet dit tekort compenseren om escalatie en/of verwaarlozing te voorkomen.

Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek bij de cliënt

De cliënt vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag. Er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek

•De cliënt vertoont soms gedrag dat onvoorspelbaar of niet passend kan zijn. De ondersteuner moet alert zijn op signalen en kunnen bijsturen. Het gedrag kan negatieve invloed hebben op de persoon zelf of zijn of haar omgeving. Er is geen/gering risico op escalatie.

•De cliënt is moeilijk te lezen waardoor het gedrag onvoorspelbaar of ongepast is

•De ondersteuner moet alert zijn op signalen en direct actie ondernemen om escalatie te voorkomen.

•Ernstige gedragsproblematiek kan gericht zijn op de omgeving of op de persoon zelf.

•De risico’s van het gedrag zeggen iets over de ernst. De ernst wordt bepaald door de combinatie van hoe vaak het voorkomt (frequentie) en de omvang van het risico (impact). Zeer regelmatig is niet alleen in aantallen vast te leggen, maar het gaat ook om de mate waarin het ontregelend is.

De leefsituatie is redelijk stabiel. Er is geen of slechts een geringe kans op risicovolle situaties en/of escalatie

De leefsituatie is niet stabiel en/of er is een grote kans op risicovolle situaties en/of escalaties

•Er is problematiek op één of meerdere leefgebieden zoals bijvoorbeeld financiën, sociale contacten, dag invulling, persoonlijke zelfzorg. Er is geen acute interventie noodzakelijk om escalaties te voorkomen.

•De cliënt is niet stabiel in zijn leefsituatie, denk hierbij aan zaken die de bestaanszekerheid raken. Bijvoorbeeld financiële problematiek, dreigende uithuiszetting, dakloosheid, werkloosheid en verwaarlozing. Er zijn interventies noodzakelijk om escalaties te voorkomen.

•De dynamiek van het gezin/netwerk en de complexiteit van problematiek van verschillende gezinsleden kan hierin een rol spelen.

De cliënt is in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag

De cliënt is niet in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag

•Er zijn afgesproken contactmomenten met de ondersteuner en hoe er eventueel tussendoor gecommuniceerd wordt (bijvoorbeeld een telefoontje of berichtje). Voor de cliënt is dit voldoende om de resultaten te behalen zonder dat er aanvullende interventies noodzakelijk zijn.

•De cliënt heeft aanvullende interventies nodig naast de afgesproken contactmomenten met de ondersteuner en afspraken over hoe er eventueel tussendoor gecommuniceerd wordt. Dit is noodzakelijk om niet vast te lopen in het dagelijks leven.

•Dit is een structureel terugkerend patroon van de cliënt.

7.4 Maatwerkvoorziening dagbesteding

7.4.1 Dagbesteding basis

Dagbesteding basis is bedoeld voor cliënten met een verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperking. Er moet sprake zijn van matige beperkingen in de zelfredzaamheid op één of meerdere leefgebieden. De cliënt voldoet aan meerdere van de volgende kenmerken:

•De cliënt heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig;

•De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken;

•De cliënt kan beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen hebben, maar dit zorgt niet voor belemmeringen;

•De cliënt vertoont redelijk constant gedrag. Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek.

7.4.2 Dagbesteding plus

Dagbesteding plus is bedoeld voor cliënten met ernstige en/of meervoudige verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperkingen. Er moet sprake zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid op meerdere leefgebieden. De cliënt voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken:

•De cliënt heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig;

•De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken;

•De cliënt heeft beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen, wat zorgt voor belemmeringen en intensievere ondersteuning;

•De cliënt vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag; er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek;

7.4.3 Uitwerking kenmerken dagbesteding basis en plus

Basis

Plus

De cliënt heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig

De cliënt heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig

•De cliënt heeft een positieve benadering en aanmoediging nodig om tot activiteit te komen.

•Een gestructureerd programma aangevuld met een instructie of voorbeeld is voldoende voor de cliënt om een taak te volbrengen.

•De cliënt heeft een aanmoediging nodig om mee te doen in het groepsproces.

•Door middel van oefenen, herhaling en aanmoediging kan de cliënt een haalbare vaardigheid eigen maken.

•De cliënt heeft om tot activiteit te komen een intensieve en proactieve benadering nodig, die gericht is op motiveren, inspireren en activeren.

•Bij het uitvoeren van een taak (die gekoppeld is aan de te behalen resultaten) is bij herhaling sturing en/of toezicht nodig.

•De cliënt heeft moeite om mee te doen met het groepsproces. Dit heeft een negatieve invloed op het groepsproces en de cliënt zelf. De cliënt heeft gedurende de dag meerdere momenten ondersteuning nodig.

•Het aanleren van vaardigheden vraagt van zowel de cliënt als ondersteuner veel geduld en doorzettingsvermogen. Dit is een terugkerend patroon bij de cliënt. De leermethodes die gebruikt worden zijn afgestemd op de cliënt.

De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken

De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken

•Onder begrijpelijk maken wordt ook verstaan dat de cliënt de ander begrijpt.

•De cliënt kan aangeven wat hij of zij bedoelt. Dit kan ook non-verbaal of met een hulpmiddel (spraakcomputer).

•Alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo.

•Hier wordt ook onder verstaan dat de cliënt moeite heeft om de ander te begrijpen.

•Het is moeilijk voor de cliënt om aan te geven wat hij of zij bedoelt, of wat hij of zij nodig heeft. Er wordt een extra beroep gedaan op de ondersteuner, want er moet met grote regelmaat een vertaalslag gemaakt worden.

•Alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo.

De cliënt kan beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen hebben, maar dit zorgt niet voor belemmeringen

De cliënt heeft beperkt inzicht in de eigen beperkingen, wat zorgt voor belemmeringen en intensievere ondersteuning.

•De cliënt heeft een realistisch of beperkt realistisch beeld van eigen problematiek. Het staat het behalen van de gestelde resultaten nauwelijks in de weg. Hij of zij staat open voor feedback om overschatting of onderschatting te kunnen bijsturen.

•De cliënt heeft beperkt of geen realistisch beeld van de eigen problematiek. De cliënt is tot minder in staat dan wat hij denkt (overschatting) of cliënt kan op eigen kracht of in samenwerking met anderen meer dan hij denkt (onderschatting). Hierdoor blijft de cliënt in de problemen komen. De ondersteuner moet dit tekort compenseren om escalatie en/of passiviteit te voorkomen.

De cliënt vertoont redelijk constant gedrag. Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek.

De cliënt vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag; er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek.

•De cliënt vertoont soms gedrag dat onvoorspelbaar of niet passend kan zijn. Het gedrag kan negatieve invloed hebben op de persoon zelf of zijn of haar omgeving. Er is geen/gering risico op escalatie.

•Gedragsproblematiek matig van aard is bij te sturen middels interventies van de ondersteuner op de dagbesteding en heeft weinig tot geen consequenties voor de deelname van de cliënt aan de dagbesteding. De cliënt verstoort het groepsproces niet of nauwelijks.

•De cliënt is moeilijk te lezen waardoor het gedrag onvoorspelbaar of ongepast is.

•De ondersteuner moet alert zijn op signalen en direct actie ondernemen om escalatie te voorkomen.

•Ernstige gedragsproblematiek kan gericht zijn op de omgeving of op de persoon zelf.

•De risico’s van het gedrag zeggen iets over de ernst. De ernst wordt bepaald door de combinatie van hoe vaak het voorkomt (frequentie) en de omvang van het risico (impact). Zeer regelmatig is niet alleen in aantallen vast te leggen, maar het gaat ook om de mate waarin het ontregelend is.

•Ernstige gedragsproblematiek heeft consequenties voor de deelname van de cliënt en/of groepsleden. Er is ondersteuning nodig om dit te compenseren.

-

De cliënt is snel (psychisch) uit balans en kan moeilijk omgaan met veranderingen

-

•Bij een cliënt ontstaan grote problemen door kleine (dagelijkse) veranderingen buiten de vaste structuur. Het lukt de cliënt niet om zich aan te passen aan deze kleine veranderingen. Hierdoor raakt de cliënt bijvoorbeeld in de stress, wordt emotioneel, of kan zich op een andere manier niet meer beheersen

7.4.4 Dagbesteding en vervoer

Artikel 4.4 Verordening

Onder dagbesteding kan tevens het noodzakelijke vervoer vallen zodat de cliënt gebruik kan maken van de dagbesteding. De cliënt die niet in staat is om op eigen kracht, al dan niet met hulp van anderen, van en naar de locatie te reizen waar de groepsondersteuning wordt geboden, kan in aanmerking komen voor vervoer. Onder hulp van anderen worden personen uit het sociaal netwerk verstaan of vrijwilligers. Het college beoordeelt de noodzaak van vervoer op basis van art. 4.4 lid 6 Verordening.

Artikel 3.4, 4.6, 4.7, 4.8 en 4.9 Verordening

Artikel 3.4 en 4.10 Verordening

Artikel 4.11 Verordening Financieel besluit

Hoofdstuk 7 Verordening Financieel besluit

Artikel 2.3.3 en 2.3.6 Wmo 2015 Artikel 3.2 en hoofdstuk 5 Verordening § 2 Nadere regels Financieel besluit

Hoofdstuk 8 Verordening

Artikel 2.3.9 Wmo 2015 Hoofdstuk 9 Verordening

Bijlage I Onderzoek naar (dreigende) overbelasting

Algemeen

Het college onderzoekt als daar aanleiding voor is of er in de individuele situatie moet worden afgeweken van de algemene regels. Reden om in de individuele situatie af te wijken, kan zijn dat degene van wie wordt verwacht dat hij taken of activiteiten overneemt in het kader van gebruikelijke hulp, overbelast dreigt te raken. Ook kan het college onderzoek laten doen naar de (dreigende) overbelasting van de mantelzorger. Overbelasting is: meer belasten dan het prestatievermogen toelaat. In medische kringen praten we over het(on)evenwicht tussen draagkracht (belastbaarheid) en draaglast (belasting). Overbelasting kan veroorzaakt worden door een combinatie van symptomen van lichamelijke of psychische aard en wordt bepaald door in- en uitwendige factoren.

Factoren die van invloed zijn op de draagkracht

•lichamelijke conditie huisgenoot/mantelzorger

•geestelijke conditie huisgenoot/mantelzorger

•wijze van omgaan met problemen (coping)

•motivatie voor ondersteunings- en/of zorgtaak

•sociaal netwerk

Factoren die van invloed zijn op de draaglast

•omvang en mate van (on)planbaarheid van ondersteuningstaken; ziektebeeld en prognose

•inzicht van persoon in ziektebeeld van de cliënt

•woonsituatie

•bijkomende sociale problemen

•bijkomende emotionele problemen

•bijkomende relationele problemen

Onderzoek naar de draaglast en draagkracht

Het kan soms heel duidelijk zijn dat de huisgenoot/mantelzorger overbelast is. Is dit minder duidelijk, dan zal hier in het gesprek, maar zeker bij de beoordeling van de aanspraak (indicatie) duidelijkheid over moeten komen. De beperkingen in de belastbaarheid vanwege de gezondheid worden in principe beoordeeld door een deskundige. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de behandelende sector volstaan om hierover een oordeel te vormen. In andere gevallen zal om een extern medisch advies moeten worden gevraagd.

Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting

Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. De mate waarin ze zich manifesteren, zal van persoon tot persoon verschillen. Bedenk daarnaast dat het hierbij veelal om aspecifieke symptomen gaat die ook bij andere stoornissen kunnen passen. Dit is een van de redenen waarom de beoordeling hiervan bij een deskundige moet worden neergelegd. Het bestaan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal worden opgevat.

Mogelijke symptomen van overbelasting zijn:

•Gespannen spieren, vaak in schoudergordel en rug.

•Hoge bloeddruk.

•Gewrichtspijn.

•Gevoelens van slapte.

•Slapeloosheid.

•Migraine, duizeligheid.

•Spierkrampen.

•Verminderde weerstand, ziektegevoeligheid.

•Opvliegingen.

•Ademnood en gevoelens van beklemming op de borst.

•Plotseling hevig zweten.

•Gevoelens van beklemming in de hals.

•Spiertrekkingen in het gezicht.

•Verhoogde algemene prikkelbaarheid, boosheid, (verbale) agressie, zwijgen. Ongeduld.

•Vaak huilen.

•Neerslachtigheid.

•Isolering.

•Verbittering.

•Concentratieproblemen.

•Dwangmatig denken, niet meer kunnen stoppen.

•Rusteloosheid.

•Perfectionisme.

•Geen beslissingen kunnen nemen.

•Denkblokkades.

Bijlage II Richtlijn gebruikelijke hulp van ouder(s) voor minderjarige kinderen

Gebruikelijke hulp betreft verzorging, begeleiding en opvoeding van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van het kind in relatie tot een kind met een behoefte aan jeugdhulp. Deze uitgangspunten zijn gebaseerd op de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 en uitgewerkt in de CIZ indicatiewijzer versie 7.1.

Kinderen van 0 tot 3 jaar

•hebben bij alle activiteiten zorg van een ouder nodig;

•ouderlijk toezicht is 24 uur per dag zeer nabij nodig;

•zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

•hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 3 tot 5 jaar

•kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

•kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;

•hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij de toiletgang;

•hebben hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;

•hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;

•zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;

•hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 5 tot 12 jaar

•hebben vanaf 5 jaar een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week;

•kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);

•hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen;

•hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie;

•zijn overdag zindelijk, en 's nachts merendeels ook; ontvangen zonodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische, geestelijke en emotionele ontwikkeling;

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

•hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan;

•hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 12 tot 18 jaar

•hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;

•kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;

•kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden;

•kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;

•hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;

•hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig;

•hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

•hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Bijlage III Huishoudelijke ondersteuning (normtijden, activiteiten en frequentie)

Resultaat

Schoon en leefbaar huis

Resultaat

Wasverzorging

Resultaat

Boodschappen

Resultaat

Regie/ organisatie, AIV

Basiscliëntsituatie,

volledige overname:

125min/week

Overname:

Was 1-pers. huishouden: 41 min/week

Was 2-pers. huishouden: 50 min/week

Strijken (1 of 2 pers): 22 min/week

Maatwerk als meer nodig blijkt te zijn

Aanbieder maakt gebruik was-en strijkservice mogelijk: 5 min per keer

Overname:

Boodschappen 51 min/week

Regie/organisatie: max 30 min/week

AIV (6 weken): max 90 min/week

+

+

+

Minder inzet:

Minder inzet:

Minder inzet:

Eigen mogelijkheden cliënt en/of netwerk (zelf uitvoeren activiteiten) één of meerdere keren

Eigen mogelijkheden cliënt en/of netwerk

Eigen mogelijkheden cliënt en/of netwerk

+

-/- 15 min

-/- 20 min

-/- 10 min

+

+

+

Meer inzet:

Meer inzet:

Resultaat

Maaltijden

Resultaat

Kindzorg (tijdelijk)

Beperkingen en belemmeringen cliënt of samenstelling huishouden

-Enig extra inzet + 30 min

-Veel extra inzet + 60 min

Extra kamer

-In gebruik als slaapkamer + 18 min

-Niet in gebruik als slaapkamer + 5 min

En/of extra inzet vanwege

-Vervuiling huisdier + 15 min

-Omvang inrichting of

bewerkelijkheid woning + 15 min

Extra wasmachine/week

Als gevolg van beperkingen

en belemmeringen cliënt + 19 min

2broodmaaltijden: + 20 min/dag

Opwarmen maaltijd: + 20 min/dag

Maaltijd koken: + 20 min/dag

Geen indicatie maaltijden

Maatwerk (afwassen handmatig of vaatwasser in- en uitruimen)rekening houdend met eigen kracht

Bereken minuten per week

Tijden voor diverse activiteiten

Maatwerk mogelijk

Bereken minuten per week

Totaal …..minuten/week +

Totaal …..minuten/week +

Totaal …..minuten/week +

Totaal …..minuten/week

Totaal … minuten/twee weken

Resultaat: schoon en leefbaar huis

Basisnorm bij basiscliëntsituatie (zie hiervoor onder normtijden activiteiten en frequentie, volledige overname)

125min/week

Minder inzet

Eigen kracht cliënt en/of netwerk

-/- 15 min/week

Zelf uitvoeren huishoudelijke activiteiten (één of meerdere keren per week).

Meer inzet per huishouden

1door beperkingen en belemmeringen cliënt of de omvang van het huishouden; en

2er meer vervuiling is of een noodzaak tot hoger niveau schoonhouden woning; en

3er meer nodig is dan de frequentie van basis- of incidentele activiteiten.

Normtijd meer inzet (per huishouden)

1Enige extra inzet, of

+ 30 min/week

2Veel extra inzet.

+ 60 min/week

Extra kamer (per huishouden)

1In gebruik als slaapkamer.

+ 18 min/week

2Niet in gebruik als slaapkamer.

+ 5 min/week

En/of extra inzet per huishouden vanwege:

Vervuiling huisdier.

+ 15 min/week

Omvang, inrichting of bewerkelijkheid woning.

+ 15 min/week

Resultaat Boodschappen

Normtijd overname boodschappen

51min/week

Minder inzet

Eigen kracht cliënt en/of netwerk: opstellen boodschappenlijst, opruimen boodschappen.

-/- 10 min/week

Resultaat wasverzorging

Aanbieder maakt gebruik algemene voorziening was- en strijkservice mogelijk (waszak klaarzetten, aanpakken en was opruimen): 5 min. per keer

Tijd invullen

Bij noodzaak overname (algemene voorziening was- en strijkservice is geen passende oplossing)

Was 1 persoonshuishouden (tijdsindicatie voor 2 wasgangen per week)

41min/week

Was 2 persoonshuishouden (tijdsindicatie voor 2,5 wasgang per week)

50min/week

Strijken, alleen bij medische noodzaak (1- of 2 persoonshuishouden, 1 x keer per week)

22min/week

Maatwerk als meer nodig blijkt te zijn

Tijd invullen

Minder inzet

Eigen kracht cliënt en/of netwerk: zelf uitvoeren van bijv.: was sorteren, was in de wasmachine of droger stoppen, etc.

-/- 20 min/week

Meer inzet gerelateerd aan cliënt

Extra wasmachine per week (als gevolg van beperkingen en belemmeringen cliënt).

+ 19 min/week

Resultaat maaltijden

Onder dit resultaat valt ook: tafel dekken, eten en drinken klaarzetten, afruimen, afwassen of vaatwasser inruimen/uitruimen.

Frequentie maaltijden 1 x per dag tenzij de cliënt zelf of met hulp van anderen hierin kan voorzien.

Twee broodmaaltijden per dag (1 op tafel + 1 in de koelkast)

+ 20 min per dag (bereken per week)

min/week

Warme maaltijd (opwarmen)

+ 20 min per dag (bereken per week)

min/week

Koken warme maaltijd

+ 20 min per dag (bereken per week)

min/week

Geen indicatie maaltijden: maatwerk afwassen of vaatwasser in- en uitruimen

Tijd invullen per keer (bereken per week)

Min/week

Resultaat regievoering/organisatie van het huishouden

30min/week

Het kan zijn dat een cliënt niet meer zelf (volledig) de regie kan voeren over het huishouden. Als het zo is dat een hulp daardoor aantoonbaar extra werkzaamheden moet doen of bijvoorbeeld door het gedrag van de cliënt extra tijd nodig heeft, dan kan hiervoor 30 minuten per week structureel extra worden geïndiceerd. Van hulpen mag worden verwacht dat deze zelfstandig hun werkzaamheden kunnen plannen. Het gegeven dat een cliënt de hulp niet kan instrueren, betekent dus niet automatisch inzet van extra ondersteuningstijd. Er moet wel sprake zijn van extra werk.

Meer of minder inzet

Meer of minder inzet kan worden geïndiceerd wanneer het niet alleen gaat om het aansturen maar ook om het “samen opwerken” met betrekking tot huishoudelijke taken, niet zijnde begeleiding.

min/week

Resultaat advies, instructie, voorlichting (AIV) over het huishouden

Aanleren van activiteiten en samen uitvoeren van de activiteiten gericht op een schoon en leefbaar huis en de wasverzorging.

Aanleren van activiteiten en samen uitvoeren van activiteiten gericht op boodschappen en maaltijden.

Inzet is gemaximeerd en tijdelijk: 3 x keer week voor 6 weken.

30min per keer per week max. 90 min/week

min/week

Resultaat kindzorg (tijdelijke ondersteuning bij regie/zorg)

Het gaat hierbij om een ouder die tijdelijk niet in staat is de ouderrol op zich te nemen en er geen sprake is van gebruikelijke hulp. Maximaal gedurende 3 maanden.

Verzorging van kinderen < 12 jaar. De ouder(s) blijft ALTIJD verantwoordelijk voor de kinderen.

De crèche, kinderdagverblijf, overblijven op school, voor- en naschoolse opvang is een voorliggende oplossing.

Normtijden o.b.v. de beleidsregels die tot 1-1-2024 golden

naar bed brengen / uit bed halen

10min per keer per kind

min/week

wassen en aankleden

30min per dag per kind

min/week

eten en/of drinken geven

20min (broodmaaltijd), 25 min (warme maaltijd)

min/week

babyvoeding (flesje/ borstvoeding)

20min per keer per kind

min/week

luier verschonen

10min per keer per kind

min/week

naar school/crèche brengen/halen

15min per keer per gezin

min/week

Maatwerk (meer inzet)

Als opvang noodzakelijk is: tot 40 uur per week

min/week

Activiteiten benodigd voor een schoon en leefbaar huis

Woonruimten

Schoon en leefbaar huis

Woonkamer

Slaapkamer(s)

Keuken

Badkamer en toilet

Hal

Afnemen nat en droog

•Stof afnemen laag/midden/hoog incl. tastvlakken en luchtfilter

•Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

•Zitmeubels afnemen (droog/nat)

•Radiatoren reinigen

•Stof afnemen laag/midden/hoog incl. tastvlakken en luchtfilter

•Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

•Radiatoren reinigen

•Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

•Radiatoren reinigen

•deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

•Radiatoren reinigen

•Stof afnemen laag/midden/hoog incl. tastvlakken en luchtfilter

•Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

•Radiatoren reinigen

Stofzuigen en dweilen

•Stofzuigen

•Dweilen

•Stofzuigen

•Dweilen

•Stofzuigen

•Dweilen

•Stofzuigen

•Dweilen

•Trap stofzuigen

Ramen en gordijnen

•Gordijnen wassen

•Lamellen/luxaflex reiniging

•Ramen binnenzijde wassen

•Gordijnen wassen

•Lamellen/luxaflex reiniging

•Ramen binnenzijde wassen

•Gordijnen wassen

•Lamellen/luxaflex reiniging

•Ramen binnenzijde wassen

•Gordijnen wassen

•Lamellen/luxaflex reiniging

•Ramen binnenzijde wassen

Bed verschonen

Bed verschonen

Matras draaien

Keuken schoonmaken

•Keukenblok en –apparatuur (buitenzijde)

•Afval opruimen

•Keukenkastjes (binnenzijde)

•Koelkast (binnenzijde)

•Oven/magnetron

•Vriezer los reinigen binnenzijde (ontdooid)

•Afzuigkap reinigen (binnenzijde)

•Bovenkant keukenkastjes

•Tegelwand (los van keukenblok)

Sanitair schoonmaken

•Badkamer schoonmaken (incl. stofzuigen en dweilen)

•Toilet schoonmaken

•Tegelwand badkamer afnemen

Opruimen

Opruimen

Opruimen

Frequenties benodigd voor een schoon en leefbaar huis (basisactiviteiten)

Ruimte

Basisactiviteit

Frequenties

Woonkamer (en andere kamers)

Stof afnemen hoog incl. luchtfilters

1x per 2 weken

Stof afnemen midden

1x per week

Stof afnemen laag

1x per week

Opruimen

1x per week

Stofzuigen

1x per week

Dweilen

1x per week

Slaapkamers

Stof afnemen hoog incl. tastvlakken en luchtfilters

1x per 6 weken

Stof afnemen midden

1x per week

Stof afnemen laag

1x per week

Opruimen

1x per week

Stofzuigen

1x per week

Dweilen

1x per 2 weken

Bed verschonen of opmaken

1x per 2 weken

Keuken

Stofzuigen

1x per week

Dweilen

1x per week

Keukenblok(buitenzijde)inclusief tegelwand, kookplaat, spoelbak, koelkast, eventuele tafel

1x per week

Keukenapparatuur (buitenzijde)

1x per week

Afval opruimen

1x per week

Afwassen (* onderdeel van maaltijden)

1x per week

Sanitair

Badkamer schoonmaken (inclusief stofzuigen en dweilen)

1x per week

Toilet schoonmaken

1x per week

Hal

Stof afnemen hoog incl. tastvlakken en luchtfilters

1x per week

Stof afnemen midden

1x per week

Stof afnemen laag

1x per week

Stofzuigen

1x per week

Trap stofzuigen (binnenshuis)

1x per week

Dweilen

1x per week

Frequenties benodigd voor een schoon en leefbaar huis (incidentele activiteiten)

Ruimte

Incidentele activiteit

Frequenties

Woonkamer (en andere kamers)

Gordijnen wassen

1x per jaar

Reinigen lamellen/luxaflex

2x per jaar

Ramen binnenzijde wassen

4x per jaar

Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

2x per jaar

Zitmeubels afnemen (droog/nat)

1x per 8 weken

Radiatoren reinigen

2x per jaar

Slaapkamers

Gordijnen wassen

1x per jaar

Reinigen lamellen/luxaflex

2x per jaar

Ramen binnenzijde wassen

4x per jaar

Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

2x per jaar

Radiatoren reinigen

2x per jaar

Matras draaien

2x per jaar

Keuken

Gordijnen wassen

2x per jaar

Reinigen lamellen/luxaflex

3x per jaar

Ramen binnenzijde wassen

4x per jaar

Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

2x per jaar

Radiatoren reinigen

3x per jaar

Keukenkastjes (binnenzijde)

3x per jaar

Koelkast (binnenzijde)

3x per jaar

Oven/magnetron (grondig schoonmaken)

4x per jaar

Vriezer los reinigen binnenzijde (ontdooid)

1x per jaar

Afzuigkap reinigen (binnenzijde) - vaatwasserbestendig

2x per jaar

Afzuigkap reinigen (binnenzijde) - niet vaatwasserbestendig

2x per jaar

Bovenkant keukenkastjes

1x 6 weken

Tegelwand (los van keukenblok)

2x per jaar

Sanitair

Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

2x per jaar

Radiatoren reinigen

2x per jaar

Tegelwand badkamer afnemen

4x per jaar

Gordijnen wassen

1x per jaar

Ramen binnenzijde wassen

4x per jaar

Reinigen lamellen/luxaflex

3x per jaar

Hal

Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

2x per jaar

Radiatoren reinigen

2x per jaar

Activiteiten en frequenties benodigd voor de wasverzorging

Activiteiten wasverzorging (één complete wasgang)

Frequentie eenpersoonshuishouden

Frequentie tweepersoonshuishouden

Wasgoed sorteren

1x per week

1x per week

Behandelen van vlekken (indien noodzakelijk)

2x per week

5x per 2 weken

Was in machine stoppen en aanzetten

2x per week

5x per 2 weken

Wasmachine leeghalen

2x per week

5x per 2 weken

Sorteren droger – waslijn

2x per week

5x per 2 weken

Was in de droger stoppen

2x per week

5x per 2 weken

Droger leeghalen

2x per week

5x per 2 weken

Was ophangen (indien geen droger aanwezig of wordt gebruikt)

2x per week

5x per 2 weken

Was afhalen (indien geen droger aanwezig of wordt gebruikt)

2x per week

5x per 2 weken

Was opvouwen

2x per week

5x per 2 weken

Was opbergen en opruimen

2x per week

5x per 2 weken

Was strijken indien medisch noodzakelijk

1x per week

1x per week

Activiteiten en frequentie benodigd voor de boodschappen

Onderdeel

Activiteit

Frequentie

Boodschappen

Het opstellen van boodschappenlijst

1x per week

Het doen van boodschappen

1x per week

Het opruimen van de boodschappen

1x per week

Activiteiten en frequentie benodigd voor de maaltijden

Onderdeel

Activiteit

Frequentie

Maaltijden

Broodmaaltijden: tafeldekken, eten en drinken klaarzetten (1 maaltijd op tafel, 1 maaltijd in de koelkast), afruimen, afwassen of vaatwasser inruimen/uitruimen

1x per dag*

Opwarmen maaltijd: maaltijd opwarmen, tafeldekken, eten en drinken klaarzetten, afruimen, afwassen of vaatwasser in/uitruimen

1x per dag*

* Of minder als de cliënt hierin een deel van de week zelf of met behulp van het netwerk kan voorzien.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.