Gemeentelijke regelgeving

Nota Omgevingskwaliteit Tilburg

Gemeente Tilburg · geldt sinds 9 december 2025

Aanhef

Voorwoord wethouder

Nederland kent een rijke traditie van ontwerp- en bouwcultuur. Een bewonderde traditie die ingezet kan worden als inspiratie en aansporing naar de toekomst toe. Zo zijn onze ruimtelijke ordening, de inrichting van het landschap, de hoogwaardige sociale woningbouw, het landelijk architectuurbeleid en de integrale gebiedsontwikkelingen gebed in historie, en tevens actueel voor het oplossen van tegenwoordige opgaven.

Een goede ontwerp- en bouwcultuur is ook in Tilburg diepgeworteld. De ontwikkeling van de stad is er nadrukkelijk door gestuurd. De verstedelijking, als gevolg van de opkomende textielindustrie, laat dat goed zien. Tilburg transformeerde vanuit een organisch gegroeide lintenstructuur naar een moderne stad. Het structuurplan van Rückert stuurde die ontwikkeling door de introductie van de ringbanen en de eerste sociale woningbouw.

Ook in de daaropvolgende perioden speelde het ruimtelijk ontwerp vaak een belangrijke rol. In de wederopbouwperiode vonden stevige ingrepen in de stedelijke structuur plaats. In de jaren tachtig moest de stad het hoofd bieden aan de ruimtelijke gevolgen van het wegvallen van de textielindustrie, de economische terugval en een hoge werkeloosheid. Het leidde tot lege plekken in de stad, gevolgd door een periode van stadsherstel.

Tilburg slaagde uit de neerwaartse spiraal te ontsnappen door zich opnieuw uit te vinden. Dit ging samen met de opkomst van consistent Tilburgs architectuurbeleid en de oprichting van een lokaal architectuurcentrum. Ruimtelijk én architectonisch wist de stad zich te onderscheiden met een doelgerichte aanpak van plekken en door de keuze voor goed gekozen architectonische accenten in de stad. Een praktijk die succesvol bleek en bekend is geworden onder de term ‘archipunctuur’.

Zo is er de afgelopen decennia met succes en overtuiging ingezet op het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit van de stad en de dorpen. Deze manifesteert zich in de lintenstructuur, in gebiedsontwikkelingen en in de alledaagse leefomgeving. Er wordt flink geïnvesteerd in wijkgerichte ontwikkelingen, de dorpen en het buitengebied. Daarnaast is er een hoog ambitieniveau bij het ontwikkelen van bijzondere locaties, zoals de Piushaven, de Spoorzone, het Stadsforum en Koningswei.

Ook aan de volgende opgaven werken we koersvast en met ambitie verder. Vanuit de overtuiging dat we samen toekomstbestendig willen vormgeven aan onze leefomgeving, duurzaam en met kwaliteit voorop.

Met deze nota omgevingskwaliteit ligt er vernieuwend kwaliteitsbeleid dat onze ambities uitwerkt vanuit een heldere analyse naar concrete uitgangspunten. Hiermee geven we richting aan de manier waarop er met ambitie, optimisme, lef én historisch besef aan de verdere ontwikkeling van onze stad en dorpen gewerkt gaat worden. Het kwaliteitsbeleid doet daarnaast ook uitspraken over de manier waarop we de opgaven bij grote gebiedsontwikkelingen zoals de Oostflank, Kenniskwartier, Stappegoor, Tilburg noord en de revitalisatie van de bedrijventerreinen gaan vormgeven en wat hierbij belangrijke uitgangspunten zijn.

Daarnaast regelt de nota het organiseren van kwaliteitsteams bij deze grote gebiedsontwikkelingen en zet de nota in op de doorontwikkeling van verschillende instrumenten, zoals het stadsatelier dat met ontwerpend onderzoek bijdraagt aan het vinden van de juiste oplossingen voor de grote opgaven in de stad en de dorpen.

Het Tilburg van de toekomst krijgt zo ruimtelijk vorm door creatieve en actieve samenwerking én het streven naar een inclusieve, duurzame, gezonde en vitale stad. De nota biedt een goede basis, van waaruit we de komende jaren het kwaliteitsbeleid verder kunnen verdiepen en uitwerken.

Zo groeit Tilburg verder vanuit het geloof dat we samen, met kwaliteit voorop én met verbeeldingskracht, werken aan een goede leef- en werkomgeving van vandaag en morgen.

Bas van der Pol

Wethouder Economie, Stedelijke ontwikkeling en Omgevingskwaliteit

Samenvatting

De nota omgevingskwaliteit zet kwaliteit voorop bij ruimtelijke ontwikkelingen en geeft richting aan een voorbeeldige ontwerp- en bouwcultuur. Daarmee is de nota de basis van ons kwaliteitsbeleid. Het geeft duidelijkheid over hoe we in de gemeente Tilburg werken aan het stimuleren en borgen van omgevingskwaliteit. Zowel qua inhoud als qua proces. Binnen de gemeente en de regio spelen er grote ruimtelijke opgaven. Het realiseren van ruim 25.000 woningen grotendeels binnen de bestaande stad en dorpen vraagt om een heldere visie op omgevingskwaliteit. Een goede omgevingskwaliteit zorgt voor een aangename woonomgeving en een duurzaam vestigingsklimaat.

Het streven naar een goede omgevingskwaliteit is naast gezondheid en veiligheid één van de drie maatschappelijke doelstellingen van de nieuwe omgevingswet. Goede omgevingskwaliteit is ook één van de doelen van de Omgevingsvisie Tilburg 2050. Deze nota vormt een uitwerking van de ambities zoals gesteld in deze omgevingsvisie en bouwt daarnaast voort op bestaand kwaliteitsbeleid. Het brengt inhoudelijke aspecten samen met hoe wij als gemeente samen met u die kwaliteitsambities gaan organiseren.

De nota omgevingskwaliteit stuurt op verschillende schaalniveaus, van gemeentelijk tot gebieds- en projectgericht schaalniveau, en thema's op het realiseren van een goede omgevingskwaliteit. Het vormt een bron van informatie en inspiratie voor initiatiefnemers, belanghebbenden en de gemeente. De nota is voor de gemeente het uitgangspunt bij de begeleiding van een initiatief en stimuleert initiatiefnemers om de kwaliteitsambities na te streven en de juiste afwegingen te maken. Daarnaast is de nota een beoordelingskader bij vergunningplichtige activiteiten en voor handhaving bij bestaande situaties (excessen). De nota bestaat uit vier onderdelen:

A.Tilburgse omgevingskwaliteit

Omgevingskwaliteit wordt gezien als een balans tussen herkomst-, belevings-, gebruiks-, en toekomstwaarde. In Tilburg hebben we deze waarden uitgewerkt onder het motto 'Samen werken aan een genereus Tilburg’. Een genereuze grondhouding zorgt ervoor dat er bij elke ruimtelijke ontwikkeling collectieve waarden toegevoegd worden aan de stad, de dorpen of het buitengebied. Hierbij wordt gewerkt vanuit drie fundamenten: 1. voortbouwen op de identiteit van Tilburg, 2. plekken voor en van iedereen creëren en 3. de toekomst begint nu. Ze vormen samen de basis voor deze nota en zijn leidraad bij elke planontwikkeling en -beoordeling.

Elk gebied heeft zijn eigen geschiedenis, gebruikers, functies, uitstraling en ontwikkeling en daarmee ook een eigen omgevingskwaliteit. Daarom werken we met een gebiedsgerichte aanpak. Als basis voor gebiedsgericht kwaliteitsbeleid is het ruimtelijk weefsel van Tilburg kwalitatief in beeld gebracht en gewaardeerd. Het doorontwikkelen van dit ruimtelijk weefsel in gebiedsgerichte kwaliteitskaders geeft vervolgens integraal (vanuit verschillende beleidsvelden zoals ruimtelijk erfgoed, stedenbouw en landschap) en op verschillende schaalniveaus verdieping aan de kwaliteitsambities. We zetten hierbij verschillende vormen van kwaliteitssturing in, mede afhankelijk van de mate van impact dat een initiatief heeft op zijn (directe) omgeving.

B.Beleidsregels

Vanuit het motto ‘samen werken aan een genereus Tilburg’ zijn in deel B 13 basisregels uitgewerkt in concrete beoordelingscriteria voor bouwwerken, ruimtelijk erfgoed en de inrichting van de openbare ruimte. Daarnaast zijn er in de nota ook thematische uitwerkingen opgenomen zoals voor hoogbouw, toekomstbestendig bouwen en wonen voor iedereen.

C.Samenhangend kwaliteitsstelsel

Kwaliteit ontstaat niet door ambities en regels alleen. Kwaliteitsbeleid heeft een open karakter; over kwaliteit ga je in gesprek en dat gesprek doe je samen. Deel C geeft inzicht in welke kwaliteitsprocessen en -producten er zijn om tot een integrale afweging van kwaliteitsambities te komen. Deze processen en producten vormen samen een samenhangend kwaliteitsstelsel. Met dit stelsel krijgen verschillende stakeholders binnen en buiten de gemeente handreikingen hoe je goed opdrachtgeverschap organiseert en hoe je ontwerpkracht in kan zetten binnen ruimtelijke opgaven. Ook geeft de nota inzicht hoe de kwaliteitsadvisering binnen de gemeente is georganiseerd en hoe we werken met de omgevingscommissie en kwaliteitsteams.

D. Uitvoering en doorwerking

Na vaststelling van de nota door de Raad wordt de nota omgevingskwaliteit omgezet naar een programma onder de omgevingswet. Hiermee wordt het kwaliteitsbeleid onderdeel van het stelsel onder de omgevingswet en wordt omgevingskwaliteit geborgd van omgevingsvisie tot omgevingsvergunning. Daarnaast wordt het huidige uitvoeringsplan omgevingskwaliteit geëvalueerd en geactualiseerd.

3. Ruimtelijk weefsel van Tilburg

3.1. Ruimtelijk weefsel van Tilburg

3.1.1. Geomorfologie

De geomorfologische ondergrond is letterlijk de basis voor de ruimtelijke ontwikkeling van Tilburg, Berkel-Enschot, Udenhout en Biezemortel. Beekdalen vormden natuurlijke watersystemen en op dekzandgronden ontstond de eerste bebouwing. Op sommige plekken is de bodemsamenstelling nog goed zichtbaar, bijvoorbeeld waar oude beekdalen meanderen in het (stedelijk) landschap.

De ambitie is om ruimtelijke ontwikkelingen te sturen op basis van het principe ‘bodem- en watersturend’, waarbij kennis over de ondergrond wordt ingezet voor oplossingen rond klimaatadaptatie (zoals wateroverlast), energietransitie (zoals geothermie) en voor keuzes in woningbouwlocaties en gebiedsinrichting. Dit geldt voor ontwikkelingen buiten en binnen de stad en de dorpen. Dit verhoogt de herkomst-, belevings-, gebruiks- en toekomstwaarde van de openbare ruimte.

Naast bodem- en watersturende ontwerpprincipes kan archeologisch onderzoek inspiratie bieden voor locatie-specifieke ontwerpoplossingen die het verhaal en de ontstaansgeschiedenis van een plek zichtbaar en beleefbaar maken. Onze bodem draagt zo letterlijk en figuurlijk de ruimtelijke ontwikkelingen in Tilburg en versterkt de lokale identiteit en het verhaal van Tilburg.

Zie bijlage 1 voor meer informatie op dit thema.

Geomorfologie l Stad en dorpen tussen beekdalen op hoge koppen

3.1.2. Ruimtelijk erfgoed

Ruimtelijk erfgoed vormt een wezenlijk onderdeel van de identiteit van Tilburg en de omliggende dorpen. Het gaat om monumenten, cultuurlandschappen, historische structuren en waardevolle bebouwing die het ruimtelijk weefsel van stad en dorpen blijvend kenmerken. De kracht van dit erfgoed ligt niet alleen in de formeel beschermde objecten en gebieden, maar ook in de grote diversiteit aan onbeschermde kwaliteiten die bijdragen aan herkenbaarheid, continuïteit en lokale identiteit.

De ambitie is om ruimtelijk erfgoed niet uitsluitend te conserveren, maar als identiteitsdrager actief in te zetten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dat doen we door erfgoed onderdeel uit te laten maken van het dagelijks leven en mee te laten bewegen met nieuwe functies. Dat vraagt om een zorgvuldige afweging bij transformaties en gebiedsontwikkelingen, waarbij erfgoedkwaliteiten richtinggevend zijn. Hiervoor maken we gebiedsbiografieën en transformatiekaders, waarbij erfgoed ingezet wordt als basis en inspiratiebron bij nieuwe ontwikkelingen.

Kwaliteitssturing richt zich bij ruimtelijk erfgoed op behoud, beheer én doorontwikkeling van het erfgoed, waarbij recht wordt gedaan aan herkomstwaarde, maar ook aan belevings-, gebruiks- en toekomstwaarde. Zo blijft erfgoed niet alleen zichtbaar, maar draagt het actief bij aan een genereus, betekenisvol en toekomstbestendig Tilburg.

Zie bijlage 1 voor meer informatie op dit thema.

Basiskaart (steden)bouwkundig erfgoed, 2024

3.1.3. Stadsontwikkeling

Aan de hand van de ontwikkeling van de stad en de dorpen is er een onderverdeling gemaakt in gebieden die op de schaal van de stad onderscheidend zijn in hun stedenbouwkundige ontwikkeling en typologie. Deze gebieden worden hieronder beknopt benoemd aan de hand van de opgaven en kwaliteitsambities die de gebieden typeren. De bijlage bevat meer informatie over de ontwikkeling van de stad en de opgaven en ambities per deelgebied.

Stadsontwikkeling l Stedenbouwkundige typologieën

Hoogstedelijke gebieden

In de Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen 2021 is de opgave voor het bouwen van ruim 25.000 woningen opgenomen. Grotendeels in de bestaande stad en dorpen. Uit deze woningbouwopgave volgt ook de toenemende vraag naar bijbehorende maatschappelijke voorzieningen, werklocaties, infrastructuur en groenvoorzieningen. In de Omgevingsvisie 2050 worden specifieke gebieden onderscheiden die een hoogstedelijk karakter krijgen en een regionale (bovenlokale) opgave kennen. Deze gebieden zijn in de kaart stadsontwikkeling zichtbaar gemaakt als de ‘hoogstedelijke gebieden’. Hier landen een aantal grote verdichtingsopgaven, zoals de Spoorzone, Piushaven, Stappegoor en het Kenniskwartier, die zorgen voor een nieuw type stedelijkheid welke we in Tilburg nog niet kennen. We hebben hierbij de ambitie om een hoogwaardige stedelijke kwaliteit toe te voegen aan de bestaande stad. Deze kwaliteit onderscheid zich door in te zetten op het verweven van functies, de inzet van meervoudig ruimtegebruik en activering van plinten, interactie en levendigheid in de openbare ruimte, de inzet van gedeelde voorzieningen, een hoge bebouwingsdichtheid en een goede ontsluiting via het openbaar vervoer.

Bij de ruimtelijke verdichtingsopgaven die landen buiten deze hoogstedelijke gebieden hebben we de ambitie om aan het bestaande weefsel verschillende lagen van nieuwe kwaliteiten en passende voorzieningen toe te voegen en zo het bestaande weefsel te versterken. Dit geldt zowel voor de stad als voor de dorpen. Deze nieuwe lagen mogen herkenbaar en afleesbaar zijn. Dit vraagt om zorgvuldigheid en goed ontwerpend onderzoek om per locatie tot de juiste passende oplossing te komen. De identiteit van de bestaande omgeving is hierbij het vertrekpunt. Nieuwe waarden en kwaliteiten worden toegevoegd en maken de leefomgeving toekomstbestendig.

Daarnaast zijn er nog een aantal bijzondere stedenbouwkundige typologieën met regionale functies in de kaart opgenomen. Dit zijn de twee grote ziekenhuislocaties, de universiteit, de hogescholen, sportlocaties en bijzondere zorglocaties zoals Huize Assisië, Vincentius en Amarant.

Zie bijlage 1 voor meer informatie op dit thema.

Vooroorlogse stad

Binnen de ringbanen ligt het grootste gedeelte van de Oude Stad, die grotendeels vooroorlogs is en is gegroeid vanuit het historische netwerk van linten, pleinen en herdgangen. Bij ontwikkelingen in de Oude Stad is het belangrijk om de groei van de stad en de historische structuur herkenbaar te houden en waar mogelijk te versterken. Daarnaast is het voor een leefbare binnenstad van groot belang dat de samenhang tussen de verschillende grote ontwikkelingen in het centrum, zoals de Piushaven, Koningswei en het Louis Bouwmeesterplein goed met elkaar en de bestaande omgeving verweven worden, zowel ruimtelijk als qua programma. Een groot deel van deze opgave landt in de openbare ruimte. Daarbij heeft de gemeente de ambitie om voetgangers en fietsers meer ruimte te geven en ligt er een grote opgave op het vlak van hittestress en vergroening.

Naoorlogse stad

Na de aanleg van de ringbanen is de Oude Stad met typische naoorlogse stempelstructuren richting de contouren van de ringbanen gegroeid en zijn er in de jaren 50-60-70 grote uitbreidingswijken gerealiseerd; Tilburg Noord, Tilburg West en Groenewoud.

In algemene zin hebben deze wijken een sterke hoofdstructuur met veel kwaliteit in de openbare ruimte met ruime groenvoorzieningen. Bij ruimtelijke verdichtingsopgaven is het belangrijk om deze groene kwaliteit goed te (re)activeren en programmeren. Daarnaast biedt verdichting, woningsplitsing en optoppen van bestaande bebouwing in deze wijken kansen voor een diverser woningaanbod, het behouden en verbeteren van maatschappelijke voorzieningen en bevorderen van de sociale cohesie. Dit kan door verschillende vormen van ontmoeting te stimuleren en faciliteren.

Woonerf/-hof

In de jaren 70 en 80 zijn er nieuwe stedenbouwkundige typologieën in de stad geïntroduceerd, namelijk de woonerven Zorgvlied West en een gedeelte van de huidige wijk Groenewoud. Deze wijken kennen een eigen maat en schaal binnen de context van de stad. De ambitie is om de samenhang en kwaliteit van de erven en hoven te behouden en te versterken. Waar mogelijk is verdichting, woningsplitsing en optoppen van bestaande bebouwing wenselijk.

Bloemkoolwijk

Woonwijk de Blaak is in de jaren ‘80 als een bijzondere vorm van het woonerf, namelijk binnen een zogenaamde ‘bloemkool’ structuur, ontworpen en ontwikkeld. De wijk heeft een sterke relatie met het buitengebied en in de wijk zijn veel water- en groenpartijen opgenomen. De ambitie is om de samenhang binnen de wijk, de relatie met natuurgebied De Blaak en de kwaliteit van het groene karakter in de wijk te behouden en te versterken. Waar mogelijk is verdichting, woningsplitsing en optoppen van bestaande bebouwing wenselijk.

Dorpen

De drie dorpen Berkel-Enschot, Udenhout en Biezenmortel zijn organisch gegroeid en tot de jaren '90 steeds met kleinschalige bebouwing uitgebreid. De dorpen hebben elk hun eigen unieke karakter. De dorpse bebouwing bestaat hoofdzakelijk uit een fijne korrel van tweekappers, vrijstaande huizen en soms korte rijwoningen. Sinds de jaren ‘90 zijn er enkele grotere uitbreidingen aan de dorpen toegevoegd.

Bij het vaststellen van het Koersdocument Oostflank (2024) is de bouwopgave vanuit de Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen voor de dorpen vastgelegd. Belangrijke thema's hierbij zijn toekomstbestendig en betaalbare huisvesting voor starters en het stimuleren van doorstroming op de woningmarkt door meer diversiteit in het woningaanbod aan te brengen. Het toevoegen van woningen gebeurt enerzijds door dorps te verdichten en anderzijds door nieuwe dorpsranden te ontwikkelen die kansen bieden voor nieuwe vormen van wonen (nieuwe dorpse woontypologieën) en die daarnaast de aanhechting van de dorpen op het omliggende landschap versterken. Met het toevoegen van woningen in de dorpen is er meer draagvlak voor voorzieningen en wordt de leefbaarheid vergroot.

VINEX (Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra)

In de afgelopen decennia is de woonwijk Reeshof ontwikkeld, een van de eerste bodem- en watergestuurde gebiedsontwikkelingen in Nederland. De wijk is door de jaren heen steeds verder gegroeid en wordt gekenmerkt doordat de wijk volledig zelfvoorzienend is en daarmee als een zelfstandig stadsdeel functioneert. Binnen de wijk liggen verschillende buurten, die als een eenheid ontworpen zijn. Het behouden en versterken van (de bereikbaarheid van) goede voorzieningen is daarom belangrijk. Binnen de Reeshof verandert door de tijd heen de bevolkingssamenstelling. Mede daardoor veranderen de behoeftes aan maatschappelijke voorzieningen en ontstaan er vraagstukken omtrent de mogelijkheden tot het aanbrengen van een grotere diversiteit aan woonvormen door bijvoorbeeld verdichting, woningsplitsing en het optoppen van bestaande bebouwing.

Hedendaags

Aan de zuidkant van Tilburg en tegen de dorpen zijn vanaf de jaren ‘90 nieuwe woongebieden ontwikkeld. Dit zijn deels transformaties van bestaande complexen, zoals het Cenakel, deels doorontwikkelingen, zoals het nieuwe dorpshart in Berkel-Enschot, deels nieuwe uitbreidingen, zoals bij de Mortel in Udenhout. Deze hedendaagse uitbreidingslocaties zijn veelal projectmatig tot stand gekomen en hebben een samenhangende stedenbouwkundige structuur en een eigen architectonische uitstraling. Incidenteel komen er ook gebieden voor waar ruimte is gegeven voor individuele invulling van kavels met (half)vrijstaande woningbouw. Kleine nieuwe ontwikkelingen binnen deze gebieden sluiten aan op de kwaliteiten van de omgeving. Dit zijn vooral woningaanpassingen en –uitbreidingen.

Bedrijventerreinen/ Werklocaties

De bedrijventerreinen en werklocaties zijn apart uitgelicht en beschreven in de volgende subparagraaf Werklandschappen aan de hand van het programma Revitalisering Bedrijventerreinen.

3.1.4. Werklandschappen

In Tilburg is er een grote diversiteit aan verschillende soorten werklandschappen. Er zijn gemengde en meer grootschalige bedrijventerreinen, maar ook diverse kleinschalige en binnenstedelijke werkgebieden. Ook de agrarische productielandschappen, ziekenhuislocaties, de Kennisas en het centrum zijn op het niveau van de gemeente belangrijke werklocaties. Samen vertellen ze het verhaal en de economische ontwikkeling van de werkstad Tilburg.

Werklandschappen

Vanuit het programma Revitalisering Bedrijventerreinen worden samen met het bedrijfsleven toekomstbeelden en kansrijke ontwikkellocaties geformuleerd. Deze komen voort uit gebiedsgerichte, ontwerpende onderzoeken en gebiedsagenda's. Een aantrekkelijke werkomgeving is een steeds belangrijker wordende vestigingsfactor voor bedrijven. De ruimtelijke kwaliteit van bedrijventerreinen heeft daarom in de afgelopen jaren steeds meer aandacht gekregen. Daarnaast is de beschikbare ontwikkelruimte schaars en hebben we de ambitie om de werklandschappen toekomstbestendig door te ontwikkelen.

De dynamiek binnen deze werkgebieden vraagt om sturing op de ruimtelijke opgaven. Daarnaast hebben we de ambitie om in te zetten op een goede omgevingskwaliteit. Vanuit de programmatische revitaliseringsaanpak wordt gewerkt aan een gebiedsgericht kwaliteitskader voor bedrijventerreinen. Dit beschrijft de ambities en uitgangspunten voor een goede omgevingskwaliteit op bedrijventerreinen en bevat regulerende en stimulerende criteria waar de omgevingscommissie bij omgevingsvergunningen aan toetst. Deze criteria bieden ondernemers en hun adviseurs houvast.

Zie bijlage 1 voor meer informatie op dit thema.

3.1.5. Groen/blauw netwerk

Tilburg ligt ingebed in een divers landschap met waardevolle natuursystemen zoals De Brand en de Leemkuilen, die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Brabant en Natura2000. In de stad en de dorpen is sprake van een fijnmazig groen/blauw netwerk. Rondom de stad liggen drie grote landschapsparken – Stadsbos 013, Landschapspark Pauwels en Moerenburg-Koningshoeven.

Het gehele groen/blauwe netwerk draagt wezenlijk bij aan omgevingskwaliteit: het vormt een belangrijke basis voor een gezonde, klimaatbestendige en aantrekkelijke leefomgeving. De aanwezigheid van groen en water vergroot de belevingswaarde, biedt verkoeling, bevordert sport en ontmoeting, versterkt biodiversiteit en verbindt de stad ruimtelijk en ecologisch met haar omgeving.

De ambitie is om bij ruimtelijke ontwikkelingen dit netwerk te behouden, te versterken en optimaal te benutten als contramal voor de verdichting van de bestaande woon-werk gebieden. Dit betekent werken aan robuuste verbindingen, zachte overgangen tussen stad/dorp en landschap en een sterke verweving van groen en water tot diep in de wijken. In het programma 013 Parken zijn deze verbindingen aangeduid als de waterlijn, de boslijn en de cultuurlijn. Ook de beekdalen vervullen een sleutelrol als ecologische en recreatieve dragers.

Zie bijlage 1 voor meer informatie op dit thema.

Groen/blauw netwerk l totaalbeeld met identiteitsdragers Programma 013 parken

Identiteitsdragers Programma 013 parken

3.1.6. Karakter hoofdinfrastructuur

Naast het belang van een klimaatrobuuste, groene en biodiverse leefomgeving wordt de beleving en het gebruik van de openbare ruimte sterk bepaald door de manier waarop de (hoofd)infrastructuur wordt ingepast in zijn omgeving. De ringbanen, het spoor, het kanaal en de snelwegen vormen lange lijnen door bebouwd en onbebouwd gebied en zijn daarmee zeer beeldbepalende structuren in het ruimtelijk weefsel. Ze zorgen voor verbinding tussen de verschillende woon-, werk- en buitengebieden, maar werpen daarnaast ook fysieke barrières op. De wijkontsluitingswegen en historische linten verzorgen een fijnmazige verbinding tussen deze lange lijnen.

Karakter Hoofdinfrastructuur l Lange belevingslijnen en duidelijke entrees

De belevingswaarde van de verschillende elementen uit de hoofdinfrastructuur is heel divers en wordt gekenmerkt door uiteenlopende kwaliteiten; van landschappelijke oevers, tot versteende stadsstraten. De manier waarop onze (hoofd)infrastructuur wordt ingebed in het landschap en de dorpse en stedelijke omgevingen is sterk bepalend voor de identiteit van wijken en gebieden. Het is onze ambitie om bij onze mobiliteitsopgave de beleving- en gebruikswaarde te vergroten en in samenhang te ontwerpen.

De hoofdinfrastructuur bevat belangrijke identiteitsdragers. We koesteren de bestaande kwaliteiten van de oude, lommerrijke lanen, de ecologische verbindingszones gekoppeld aan het spoor en het kanaal, de groene parkways en zorgen voor toegankelijke en uitnodigende verbindingen, knooppunten en entreemomenten naar de stad, de dorpen en de wijken. De verbindende continuïteit van deze structuren speelt een belangrijke rol, mede door de inrichting en herkenbaarheid.

Zie bijlage 1 voor meer informatie op dit thema.

3.1.7. Betekenis en beleving

Naast fysieke kwaliteiten kent Tilburg een laag van immateriële waarden: ervaringen, verhalen en herinneringen die verbonden zijn met specifieke plekken. Ook deze laag geeft de stad, dorpen en plekken betekenis en identiteit. Het gaat om een collectieve waardering, niet altijd zichtbaar, maar sterk bepalend voor hoe bewoners en bezoekers de omgeving ervaren. Het gevoel van thuiskomen, veiligheid of maatschappelijke verbondenheid maakt deze plekken tot smaakmakers van de stad. Ontwerp van bijzondere gebouwen (‘archipunctuur’) en van bijzondere elementen in de openbare ruimte kan daarop aanhaken en de plek verbijzonderen. Bij het ontwikkelen van gebiedsbiografieën worden immateriële waarden ook in beeld gebracht en kunnen zo meegenomen worden bij gebieds- en planontwikkelingen.

In relatie tot omgevingskwaliteit vormt deze laag een essentiële aanvulling op de fysieke structuren. Waar landschap, erfgoed en stedelijke ontwikkeling de ruimtelijke basis leggen, voegt betekenis en beleving de zachte waarden toe die boven projecten uitstijgen. Zij inspireren, agenderen nieuwe kansen en maken duidelijk welke plekken bijdragen aan identiteit, verbondenheid en leefkwaliteit.

De ambitie is om deze waarden actief te verankeren in ruimtelijke ontwikkeling. Dat vraagt om participatie, waarbij bewoners en gebruikers hun verhalen en betekenissen toevoegen. Bijvoorbeeld met een interactieve kaart of bij het opstellen van gebiedsvisies. Zo ontstaat een breed gedragen beeld van collectieve waarden dat richting kan geven aan functies, planontwikkeling en ontwerp.

Zie bijlage 1 voor meer informatie op dit thema.

‘Een nieuwe torenspits’

In 1992 werd de torenspits van de Sacramentskerk wegens instortingsgevaar verwijderd onder protest van de omwonenden. In 2005 werd de kerk aan de eredienst onttrokken. In 2017 werden het schip en het koor van het kerkgebouw gesloopt. De toren en de façade werden behouden en in de toren werd een woning gemaakt. In datzelfde jaar richtte een groep omwonenden de stichting Spits Armhoefse Akkers op, vernoemd naar de wijk waar de kerk stond. Na decennia van inspanningen, beraadslagingen en vooral doorzettingsvermogen heeft de initiatiefgroep het voor elkaar gekregen dat er in 2025 een nieuwe spits, ontworpen door architect en wijkbewoner Jos ten Brink, op de toren is gehesen, die is voorzien van een zelfgenererend lichtkunstwerk door kunstenaar Sigrid Calon. De spits weerspiegelt overdag de lucht en toont in de avond een langzaam veranderend patroon van vormen en kleuren.

Een van de initiatiefnemers: "Veel mensen zijn in deze kerk gedoopt, getrouwd, of hun ouders zijn er begraven. Kerken herinneren aan die collectieve geschiedenis. Hier maak je het oude verleden relevant voor de huidige tijd." Het kunstwerk markeert dat verleden en draagt bij aan de identiteit van de wijk: dit zijn wij! Van verre fungeert het als een baken en roept voor velen een ‘we-zijn-weer-thuis’ gevoel op.

6. Algemene criteria

6.4. Thematische beoordelingskaders

6.4.1. Verdichting

Tilburg is gegroeid naar circa 230.000 inwoners (2024) en is daarmee de zevende stad van Nederland. Deze ontwikkeling is lange tijd geleidelijk gegaan, maar heeft ook enkele groeispurten gekend. Tijdens de opkomst van de textielindustrie tussen 1860 en 1870 groeide het inwonertal met 44%. In de jaren ’50, ’60 en ’70 groeide de stad eveneens snel, net als met de inlijving van Berkel-Enschot en Udenhout in de jaren ’90 en Biezenmortel in 2021. Nu wordt er weer een sterke groei voorspeld in een in een relatief korte periode; naar 262.000 inwoners in 2040 (Trends en ontwikkelingen Tilburg 2050, februari 2024). De Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie wonen (2021) gaat uit van het realiseren van ruim 25.000 nieuwe woningen tot 2040, grotendeels binnen de bestaande buurten en wijken. Deze update bevat ook richtinggevende verdichtingsprincipes. Hierbij sluiten we aan op de speerpunten als opgenomen in het Woonbeleid 2025-2030. Dat betekent dat we voor belangrijke keuzes staan, zowel in de dorpen als in de stad.

‘Verdichtingsprincipes uit de Update Stedelijke ontwikkelingsstrategie wonen (2021)’

1Met een menselijke maat: een omgeving waarin mensen zich prettig voelen, met een stedelijk leven op ooghoogte, interactie tussen gebouwen en openbare ruimte, een fijnmazig netwerk van openbare ruimte en inrichting en beheer van de openbare ruimte die aansluit op toekomstig gebruik. Daarbij vinden we ook het kwaliteitsniveau en de representativiteit van de openbare ruimte belangrijk.

2Duurzaam en toekomstgericht: een klimaatadaptieve, klimaatneutrale en gezonde omgeving die ontmoeting stimuleert, en verstedelijking in combinatie met veranderende duurzame mobiliteit.

3Voortbouwend op het Tilburgse weefsel: de cultuurhistorische tijdslagen en het DNA van stad blijven zichtbaar. Daarvoor het nodig dat we gebiedsgericht werken en er op een passende wijze en mate wordt verdicht, ingeweven en vermengd.

4Met maatschappelijk rendement en betrokkenheid: we creëren een actief proces van denken en doen met bewoners, marktpartijen, instellingen en andere partners om toegevoegde waarde te realiseren in de stad. Dit vindt plaats op verschillende abstractieniveaus; van het opstellen van beleid, het ontwikkelen van visies tot en met het ontwerpproces in verschillende gradaties van participatie tot co-creatie. De gebruiker staat hierbij centraal.

Verdichting kan niet los gezien worden van andere (ruimtelijke) opgaven. De opgaven die voortkomen uit de Woonzorgvisie en de lokale paragraaf vormen een onderdeel van de gebiedsvisies en -agenda’s. Verdichting gaat daarmee ook over het integreren van sociaal beleid in gebiedsgerichte afwegingen en bij concrete ruimtelijke ontwikkelingen.

Verdichting in de stad

De verdichtingsopgave in de stad biedt allerlei mogelijkheden om de kwaliteit van de leefomgeving van zowel de buurt, de stad als de regio te versterken. Meer stedelijkheid en meer natuur en landschap creëert kansen voor een aantrekkelijk vestigingsmilieu, onder meer voor onderwijs, cultuur en werkgelegenheid, en daarmee draagvlak voor voorzieningen en aantrekkelijke stedelijke woonomgevingen. Hierbij streven we naar een goede stedelijke woonkwaliteit. Deze bestaat onder meer uit een aantrekkelijke woonomgeving, hoogwaardige architectonische verschijningsvorm, goede fysieke woningkenmerken en een goede mix van functies en doelgroepen. Dit alles in toegankelijke en veilige gebouwen met functies die ook ten dienste staan van de bestaande omgeving.

Met de ontwikkeling van de hoogbouwvisie (2025) zijn uitgangspunten en criteria voor de verdichtingsopgave in de stad uitgewerkt. Naast verdichting door hoogbouw ligt er ook een grote opgave voor intensieve verdichting in naoorlogse woonwijken, zoals Tilburg Noord, Tilburg West en Groenewoud. Deze wijken zijn grotendeels opgebouwd als Post 65 structuren. De vastgestelde gebiedsperspectieven en het omgevingsprogramma voor het kenniskwartier beschrijven de opgaven die gelden voor deze gebieden. Om deze perspectieven en het programma ook kwalitatief goed in te bedden in de bestaande omgeving is een aanvullend gebiedsgericht kwaliteitskader noodzakelijk. De analyse van het stedelijk weefsel, het ruimtelijk systeem (hoofdstuk 3) en de 13 basisregels (hoofdstuk 5) geven hier een eerste aanzet voor.

Een gebiedsgericht kwaliteitskader geeft inzicht in de samenhang bij het werken aan de verschillende opgaves in het gebied en zorgt voor een gemeenschappelijke toolbox ten aanzien van kwaliteit. De gebiedsbiografie wordt hierbij als instrument ingezet om voor het kwaliteitskader de juiste bestaande waarden en kwaliteiten te benoemen, waarop de ontwikkelingen kunnen voorborduren. Een visie op de waarden van het Post 65 erfgoed is hier onderdeel van. Andere aandachtspunten zijn de inzet van collectieve gebruiksruimtes, de invulling van plinten, daktuinen, afsluitbaarheid, algemene toegankelijkheid en het stimuleren van ontmoeting.

Verdichting in dorpen

Ook verdichting in de dorpen vraagt om een visie; wat is de betekenis van de plek en hoe wordt nieuw dorps wonen in deze context toegepast? Welke kansen biedt dorpse verdichting die ontmoeting stimuleert?

De opgaven voor de dorpen Berkel-Enschot, Udenhout en Biezemortel zijn omvangrijk en divers, de koers is uitgezet in het Koersdocument Oostflank. De inzet is het vergroten van de leefbaarheid van de dorpen en buitengebied, door het realiseren van een prettig verblijfsklimaat dat ontmoeting bevordert. De linten en hoofdwegen vormen de lange lijnen die Tilburg met het buitengebied, de dorpskernen onderling en het landschap verbinden. De dorpskernen en OV knopen lenen zich voor het combineren van voorzieningen met wonen rondom aantrekkelijke verblijfsgebieden.

De doelstelling bij verdichting in de dorpen is om een diverser woningaanbod te creëren, zodat starters en doorstromers een passende (betaalbare) woning in de dorpen kunnen vinden. Goede dorpse woonkwaliteit, het Nieuw Dorps Wonen, stimuleert ontmoeting en het gevoel van samenhorigheid. Het bestaande landschap wordt behouden en versterkt door niet overal te bouwen. Erfgoed maakt deel uit van de bestaande dorpse identiteit. Aantrekkelijke woonomgevingen zijn in samenhang met de buurt ontworpen waarbij de natuur en het landschap de ruimte krijgt. Stedenbouwkundige typologieën en passende architectonische verschijningsvormen, goede fysieke woningkenmerken en een mix van functies voor verschillende doelgroepen zorgen voor een onalledaags woningaanbod in een groene omgeving waarin ruimte is voor collectiviteit.

Ook bij de doorontwikkeling van de dorpen en het buitengebied geeft een gebieds- en ontwikkelgericht kwaliteitskader sturing en inspiratie op het kwalitatief goed inbedden van de ruimtelijke verdichtingsopgave in de bestaande omgeving. De analyse van het stedelijk weefsel, het ruimtelijk systeem (hoofdstuk 3) en de 13 basisregels (hoofdstuk 5) geven hier een eerste aanzet voor. Verdiepende thema's hierbij zijn:

•Behoud en versterken van de cultuurhistorische waarde en aspecten (gebiedsbiografie) en landschappelijke structuren

•Vergroten van de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van de dorpskernen, dorpslinten en dorpsrand

•Collectiviteit en saamhorigheid stimuleren door zachte overgangszones te onderzoeken, gezamenlijk gebruik van de buitenruimte te stimuleren en gedeelde faciliteiten in gebouwen

•Mandelig gebruik van de groen-blauwe openbare ruimte.

•Streven naar samenhang in schaal en maat, tussen grote korrel, versus kleine korrel.

•Nieuw Dorps Wonen duiden en een gereedschapskist dorpse architectuur opstellen.

•Woningsplitsing in de dorpen nader onderzoeken en waar mogelijk verruimen.

•De 3-30-300 regel onderzoeken: drie bomen vanaf iedere woning zichtbaar, 30 % meer kroonoppervlak bomen en een buurt park binnen 300 meter.

•Aantrekkelijk maken van gezonde mobiliteit en kwalitatieve gebouwde parkeervoorzieningen en geclusterd parkeren in het openbaar gebied.

•Onderzoek naar betaalbaar en gestapeld bouwen in de dorpen.

Hoogbouwvisie

Tilburg wil een vitale, duurzame stad zijn in een moderne netwerksamenleving. Dat doen we door meer stedelijkheid te creëren, door slim te verdichten met hoge kwaliteit. Een van de middelen die we inzetten om te verdichten is hoogbouw. Ons nieuwe hoogbouwbeleid wordt in 2025 geactualiseerd en zal na actualisatie worden toegevoegd als bijlage aan deze nota. Het bevat een kaartbeeld dat aangeeft waar we hoogbouw een optie vinden om bij te dragen aan de verdichtingsopgave. Naast de bestaande prioriteitsgebieden, zoals de Spoorzone, de Binnenstad en Piushaven, zijn nieuwe verdichtingsgebieden zoals het Kenniskwartier, Tilburg-Noord, Stappegoor, OV-knooppunten en grote bedrijventerreinen toegevoegd. Daarnaast zijn de bestaande uitgangspunten uitgebreid. De uitgangspunten gaan nu onder andere over de effecten op de leesbaarheid van de stad, de ideale vorm van hoogbouw, technische eisen zoals bezonnings- en windonderzoek, duurzaamheid, de functies van het gebouw, de ontsluiting en de vormgeving van het gebouw. In het hoogbouwbeleid wordt gezocht naar een Tilburgse typologie; gebied specifieke ingrediënten die ervoor zorgen dat er geen generieke oplossingen ontstaan. Ook hoogbouw is genereus en voegt waarden toe aan de bestaande stad.

Bestaande gebouwen optoppen of splitsen

Het optoppen of (soft) splitsen van bestaande gebouwen is een andere manier om binnen een bestaande woonomgeving extra wooneenheden toe te voegen. Met name in woonwijken waar relatief veel kleine huishoudens in gezinswoningen ondergebracht zijn kan dit ruimte bieden voor meer passende woningen en meer differentiatie.

Dit type ingrepen kan bijdragen aan de woningbouwopgave door extra woningen in de bestaande omgeving te realiseren. Het doel is hierbij ook dat nieuwe woonkwaliteiten gerealiseerd worden die beter aansluiten bij de woonbehoefte in de wijk.

Naast dat optoppen of (soft) splitsen architectonisch en technisch mogelijk moet zijn, zijn er ook eisen te stellen aan de kwaliteit van de woning en de bijbehorende faciliteiten zoals parkeren (auto, fiets, rollator, etc.) en zaken als opslag/bergingen en afval.

Dit is ook van belang aangezien de dichtheid van de wijken en buurten verschilt en rekening gehouden moet worden met voldoende open ruimte en parkeervoorzieningen. Het is zinvol om nader onderzoek te doen naar de mogelijkheden, woonkwaliteiten en knelpunten bij optoppen en splitsen. Denk hierbij ook aan aspecten als een passende materiaalkeuze, bouwfysica (contactgeluid), ontsluitingen, zicht en privacy.

6.4.2. Toekomstbestendig bouwen

Met een (nader op te stellen) beleidskader toekomstbestendig bouwen geven we sturing op onderwerpen zoals duurzaamheid, adaptief bouwen, circulariteit, ENG-normen, natuurinclusiviteit en klimaatadaptatie. Door ontwikkelaars en initiatiefnemers in een vroegtijdig stadium te ondersteunen op het gebied van toekomstbestendig bouwen kunnen we als gemeente positieve ontwikkelingen stimuleren en mogelijke belemmeringen wegnemen. Het is daarbij van belang om ook marktsignalen te analyseren. De mogelijkheden voor fabrieksmatige woningbouw worden hierin meegenomen.

Met het opstellen van dit beleidskader geven we invulling aan de motie Duurzame wasstraat (uit Programmabegroting 2025).

6.4.3. Goed wonen voor iedereen

Naast de bovengenoemde thema's verdichting en toekomstbestendig bouwen is er ook een grote vraag naar meer kwaliteit bij woningbouwprojecten. Dit betreft zowel het gebouw als de (semi-) openbare buitenruimte. Bij de uitwerking van dit thema wordt er een sterke link gelegd met het woonbeleid en de woonzorgvisie. Daarnaast is samenwerking met de woningbouwcorporaties noodzakelijk om tot vernieuwing en kwaliteit te komen. Een nadere uitwerking van dit thema is noodzakelijk om hier meer sturing op te geven.

Vernieuwing en kwaliteit kan onder andere bereikt worden door:

•Het toevoegen van gemengde betaalbare woonvormen in de stad, diversiteit in woonprogramma en combinaties van wonen en werken.

•Georganiseerde collectieve woonvormen, bijvoorbeeld in coöperaties of cpo's.

•Goede woningbouwplattegronden in flexibiliteit en gebruikskwaliteit, ogen op straat en ruimte voor ontmoeting.

•Aandacht voor aantrekkelijke plinten en sociaal veilige gemeenschappelijke (verkeers-)ruimte.

•Betrek waar mogelijk bewoners bij het ontwerp voor de openbare ruimte en biedt mogelijkheden voor buurttuinen en flexibel gebruik van gedeelde ruimtes.

•Maak levensloopbestendige woningen, woongebouwen en een passende openbare/collectieve ruimte.

•Gedeelde faciliteiten en parkeervoorzieningen gebouwd en niet gebouwd meenemen.

7. Concrete criteria

7.2. Bijbehorende bouwwerken

7.2.1. Aan- en uitbouwen aan de achter- of zijgevel

Algemeen

Aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw, afgestemd op het hoofdgebouw en/of op bestaande bijbehorende bouwwerken in de omgeving.

Plaatsing en maatvoering

•Passend in de regels van het omgevingsplan.

•Eén bouwlaag met een rechthoekige plattegrond.

•Ondergeschikt aan de maat en schaal van het hoofdgebouw.

Verschijningsvorm

•Overeenkomstig eerder vergunde en gerealiseerde aan- of uitbouwen bij dezelfde soort woningen in de directe omgeving (trendsetter).

•Eenvoudig, passend bij de functie en afgestemd op de architectuur van het hoofdgebouw.

•Afgedekt met een plat dak of een kap die wat betreft kapvorm en hellingshoek afgestemd is op de kap van het hoofdgebouw.

•Gevels georiënteerd op het openbaar gebied zijn afgestemd op het hoofdgebouw en hebben een bij de situatie passende transparantie in de gevel.

Materiaal, kleur en detaillering

•Afgestemd op het hoofdgebouw en kwalitatief tenminste gelijkwaardig.

Meerlaagse uitbreidingen

Voor meerlaagse uitbreidingen in de grens met het publieke domein of met een gevel die gericht is naar het openbare gebied gelden er bovenop bovenstaande criteria ook de volgende criteria:

Plaatsing en maatvoering

•De omvang is afgestemd op het hoofdgebouw.

•De uitbouw is niet hoger dan de bovenkant goot of de dakrand van het hoofdgebouw.

•Bij voldoende goothoogte van het hoofdgebouw wordt de goot boven de uitbouw gehandhaafd.

Verschijningsvorm

•Plat afgedekt.

•Er een ‘overgangselement’ wordt toegepast in de vorm van een verticale raamstrook (paneel, houtvulling of iets dergelijks), terugliggende gemetselde spiegel, of metselwerk in een andere kleur.

•De gevelgeleding is afgestemd op de gevelgeleding van het hoofdgebouw.

•De indeling en profielen van kozijnen is afgestemd op die van de gevelramen en kozijnen van het hoofdgebouw.

Materiaal, kleur en detaillering

•Wanneer metselwerk wordt toegepast zijn de steensoort en- kleur gelijk aan die van het bestaande hoofdgebouw.

•Wanneer houten delen of stucwerk worden toegepast hebben deze een gedekte neutrale kleur.

•De detailleringen zijn afgestemd op het hoofdgebouw.

•Op erfgrenzen worden gemetselde muren toegepast.

Ruimtelijk erfgoed

Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

7.2.2. Erkers aan de voorgevel

Algemeen

Erkers zijn ondergeschikt in het gevelbeeld, afgestemd op de architectuur van het hoofdgebouw en afgestemd op bestaande bijbehorende bouwwerken bij de woning of in het bouwblok. Binnen samenhangende voorerfgebieden wordt gestreefd naar een herhaling van gelijkvormige exemplaren die passen bij het karakter van de straat en de gebouwen.

Plaatsing

•Overeenkomstig bestaand raamkozijn in de voorgevel en/of uitgelijnd met gevelkozijnen.

•Binnen de lijn van de zijgevel.

Maatvoering

•Afgestemd op de maat en schaal van de bestaande gevelelementen.

•Breedte: maximaal ⅔ van de breedte van de voorgevel.

•Diepte: maximaal 1.50 meter.

•Hoogte: maximaal 0.25 meter boven de eerste verdiepingsvloer (met een maximum van 3.00 meter) of afgestemd op de naastgelegen erker in hetzelfde bouwblok.

•Rechthoekige plattegrond.

Verschijningsvorm

•Passend bij de architectuur van het hoofdgebouw.

•Maximaal transparant (uitgezonderd plint).

•Maximale plinthoogte van 0.70 meter.

•Kozijnindeling afgestemd op de indeling van de overige gevelkozijnen, hoogte tot aan boeiboord.

•Plat afgedekt.

Materiaal, kleur en detaillering

•Overeenkomstig het hoofdgebouw en draagt bij aan het ondergeschikte karakter.

•Hoogte boeiboord; maximaal 0.30 meter, afgestemd op de boeiboorden van het hoofdgebouw.

Ruimtelijk erfgoed

Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor Hoofdstuk 6.

7.2.3. Bijgebouwen en overkappingen

Algemeen

Aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw, afgestemd op het hoofdgebouw en/of op bestaande bijbehorende bouwwerken in de omgeving.

Plaatsing en maatvoering

•Passend in de regels van het omgevingsplan.

•Eén bouwlaag met een rechthoekige plattegrond.

•Ondergeschikt aan de maat en schaal van het hoofdgebouw.

Verschijningsvorm

•Eenvoudig, passend bij de functie en afgestemd op de architectuur van het hoofdgebouw.

•Afgedekt met een plat dak of een kap die wat betreft kapvorm en hellingshoek afgestemd is op de kap van het hoofdgebouw.

•Gevels georiënteerd op het openbaar gebied zijn afgestemd op het hoofdgebouw en passend bij het ondergeschikte karakter.

Materiaal, kleur en detaillering

•Afgestemd op de bestaande bebouwing en draagt bij aan het gewenste ondergeschikte karakter.

Ruimtelijk erfgoed

Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

Voor bijgebouwen en overkappingen in de directe omgeving van monumenten gelden aanvullend de volgende criteria.

•Een bijgebouw of overkapping respecteert de waarden van het monument en de omgeving.

•Bij een bijgebouw of overkapping in de omgeving van een monument blijft het zicht op het monument vrij en blijft de hoofdvorm van het monument zichtbaar.

•Bij een bijgebouw of overkapping in de omgeving van een monument wordt met respect omgegaan met de oorspronkelijke functionele context van het monument. Denk hierbij bijvoorbeeld aan boeren erven, verkavelingen, structuren, zichtassen et cetera.

•Een bijgebouw of overkapping heeft in beginsel een ondergeschikte rol in het aanzien van het monument en is in maat, schaal, detaillering en stijl zorgvuldig afgestemd op het monument.

•Een bijgebouw of overkapping in de omgeving van een monument doet geen onevenredige afbreuk aan het monument. Afbreuk kan ontstaan door onzorgvuldige detaillering, contrasterende kleuren of armoedig materiaalgebruik.

7.3. Daktoevoegingen

7.3.1. Dakkapellen (voor- en zijdakvlak)

Algemeen

Dakkapellen zijn ondergeschikt in het dakvlak, afgestemd op de architectuur en kapvorm en afgestemd op bestaande dakkapellen op de woning en het bouwblok (een dakkapel is geen dakopbouw).

Plaatsing

•Plaatsing in het onderste deel van het dakvlak.

•Rekening houden met de gevelindeling.

•Niet voorbij de nokbeëindiging.

Maatvoering

•Bescheiden en afgestemd op de maat en schaal van gevelelementen.

•Hoogte maximaal 1.50 meter met als uitzondering dat bij projectmatige bouw met qua architectuur gelijksoortige woningen, de maatvoering van de kleinste dakkapel als maximale maatvoering wordt aangehouden.

•Bij symmetrische plaatsing op het dak resteert aan beide zijden van de dakkapel minimaal 1.20 meter dakvlak

•Bij asymmetrische plaatsing op het dak resteert in totaal 2.40 meter dakvlak en een minimale afstand van 0.50 meter tot de erfgrens.

•Bij plaatsing op de erfgrens en een koppeling met het buurpand, dan resteert minimaal 1.80 meter dakvlak.

•Bij dakvlakken breder dan 6.00 meter geldt een maximale breedte van 50% van de breedte van het dakvlak.

•De onderzijde tussen 0.50 meter en 1.00 meter boven de dakvoet;

•De bovenzijde minimaal 0.50 meter onder de daknok.

Verschijningsvorm

•Voorzijde maximaal transparant, zijwanden gesloten.

•Kozijnindeling afgestemd op de indeling van de gevelkozijnen.

•Plat afgedekt, tenzij een andere vorm vanwege architectonische of stedenbouwkundige aspecten passender is.

Materiaal, kleur en detaillering

•Afgestemd op de bestaande bebouwing en draagt bij aan het gewenste ondergeschikte karakter.

•Hoogte boeiboord maximaal 0.30 meter.

•Bij projectmatige bouw: detaillering voor wat betreft dakrand en overstek, materiaalgebruik en kleurstelling gelijk aan meest voorkomende dakkapel in de betreffende straatwand van het (oorspronkelijke) bouwproject.

Ruimtelijk erfgoed

Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

Daarnaast gelden aanvullend de volgende criteria.

•Het plaatsen van een dakkapel is niet in elke situatie mogelijk en is afhankelijk van het gebouw en de context.

•Het frontale oppervlak van de dakkapel (hoogte x breedte) niet meer bedraagt dan 1.00 m² met dien verstande dat bij projectmatige bouw met qua architectuur gelijksoortige woningen de dakkapel in verticale (parallel aan de voorgevel) en horizontale vlakken in lijn is met de (kleinste van de) op buurpercelen meest nabijgelegen dakkapel.

•De bovenzijde niet minder dan 1.00 meter onder de daknok wordt geplaatst.

•Dakrand of boeiboord maximaal 0.15 meter hoog.

•De dakkapel in materiaal en kleur van kozijnen en dakrand is afgestemd op het materiaal en de kleur van de kozijnen en de dakrandafwerking van het bestaande gebouw.

7.3.2. Dakkapellen (op een achterdakvlak gericht naar het publieke domein)

Algemeen

Dakkapellen zijn ondergeschikt in het dakvlak, afgestemd op de architectuur en kapvorm en afgestemd op bestaande dakkapellen op de woning en het bouwblok (een dakkapel is geen dakopbouw).

Plaatsing

•In het onderste deel van het dakvlak.

•Niet voorbij de nokbeëindiging.

Maatvoering

•Aan beide zijden van de dakkapel resteert minimaal 0.50 meter dakvlak, behalve bij plaatsing op de erfgrens en een koppeling met het buurpand, dan geldt een minimum van 1.00 meter.

•Hoogte maximaal 1.75 meter.

•De onderzijde minimaal 0.50 meter boven de dakvoet.

•De bovenzijde minimaal 0.50 meter onder de daknok.

•Bij een dakvlak over twee lagen de dakkapel in de bovenste laag tenminste 1.00 meter uit de zijkanten van het dakvlak ligt.

•Transparante zijkanten zich tenminste 1.00 meter uit de zijkant van het dakvlak bevinden.

Verschijningsvorm

•Voorzijde maximaal transparant.

•Kozijnindeling afgestemd op de indeling van de gevelkozijnen.

•Plat afgedekt, tenzij een andere vorm vanwege architectonische of stedenbouwkundige aspecten passender is.

Materiaal, kleur en detaillering

•Afgestemd op de bestaande bebouwing en draagt bij aan het gewenste ondergeschikte karakter.

•Hoogte boeiboord maximaal 0.30 meter.

•Bij projectmatige bouw: detaillering voor wat betreft dakrand en overstek, materiaalgebruik en kleurstelling gelijk aan meest voorkomende dakkapel binnen het bouwproject.

Ruimtelijk erfgoed

Het plaatsen van een dakkapel is niet in elke situatie mogelijk en is afhankelijk van het gebouw en de context. Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

7.3.3. Dakramen

Algemeen

Er gelden geen concrete criteria. Indien vergunning nodig is zal de Omgevingscommissie beoordelen op basis van de algemene criteria.

Ruimtelijk erfgoed

Het plaatsen van een dakraam is niet in elke situatie mogelijk en is afhankelijk van het gebouw en de context. Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

Daarnaast gelden aanvullend de volgende criteria voor dakramen in het voordakvlak:

•Zorgvuldige afstemming op de architectuur van het gebouw.

•Houdt bij het plaatsen van het dakraam in het dakvlak rekening met de kapconstructie.

•Het oppervlak van het dakraam bedraagt, afhankelijk van de situatie, niet meer dan maximaal 1.50 m² en de breedte is niet meer dan 75% van de hoogte (staand model).

•De onderkant van het dakraam ligt niet minder dan 0.50 meter en meer dan 1.00 meter boven de dakvoet.

•De zijkanten liggen meer dan 1.20 meter van de zijkanten van het dakvlak.

En gelden de volgende criteria voor dakramen in het achterdakvlak:

•De onderkant van het dakraam ligt minimaal 0.50 meter boven de dakvoet.

•De bovenkant van het dakraam ligt minimaal 0.50 meter onder de daknok.

•De zijkanten van het dakraam liggen meer dan 0.50 meter van de zijkanten van het dakvlak.

7.3.4. Dakopbouwen

Algemeen

Dakopbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw, zijn herkenbaar als latere toevoeging en zijn qua architectuur afgestemd op het hoofdgebouw (een dakopbouw is geen dakkapel).

Plaatsing

•Bij een individueel hoofdgebouw gecentreerd in het dakvlak of afgestemd op de gevelgeleding.

•Enkel in het voordakvlak zijn dakopbouwen niet wenselijk.

•Een dakopbouw aan de achterzijde (veelal lessenaarskap of zadeldak) sluit in elk geval aan achter de nok, waarbij de bestaande noklijn behouden blijft.

•Een dakopbouw kan over de bestaande nok worden geplaatst en wordt dan voorzien van een kap evenwijdig aan het bestaande dak.

Maatvoering

Bij een opbouw over de nok:

•De onderkant van de dakopbouw ligt minimaal 0.50 meter boven de dakvoet.

•De nieuwe nok ligt maximaal 1.00 meter boven de bestaande nok van de woning;

•De goot van de dakopbouw ligt onder de nok van de woning;

•De breedte is gelijk aan de woningbreedte of de dakopbouw heeft een afstand tot de dakrand(en) van minimaal 1.20 meter.

Bij een opbouw aan de achterzijde:

•De onderkant van de dakopbouw ligt minimaal 0.50 meter boven de dakvoet.

•Het dak ligt maximaal 0.60 meter boven de nokhoogte van de woning.

•De opbouw sluit aan achter de nok en de nok blijft intact.

•De volledige woningbreedte of bij hoekwoningen en twee-onder-één-kap-woningen minimaal 0.50 meter afstand tot de dakrand, de bestaande contour blijft herkenbaar.

Verschijningsvorm

Bij een opbouw over de nok:

•Is identiek aan die van het bestaande dak voor wat betreft de dakhelling.

•Is afgestemd op de gevelgeleding van het hoofdgebouw.

•Is aan de lange zijde maximaal transparant.

Bij een opbouw aan de achterzijde:

•Plat afgedekt, tenzij een andere vorm vanwege architectonische of stedenbouwkundige aspecten passender is.

•Hoofdzakelijk transparant.

•De eventuele overgang met de nok wordt gemaakt met een verticaal overgangselement achter de nok.

Materiaal, kleur en detaillering:

•Afgestemd op de bestaande bebouwing en zorgt voor een zorgvuldige afstemming op de bestaande architectuur en een ondergeschikt karakter

•(Zij)wanden in een kleurstelling afgestemd op het omringende dakvlak en de bestaande gevels.

Ruimtelijk erfgoed

Een dakopbouw is niet in elke situatie mogelijk en is afhankelijk van het gebouw en de context. Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

7.3.5. Opgetrokken geveldelen

Algemeen

Een geveloptrekking aan de voorzijde is slechts mogelijk bij gebouwen die deel uitmaken van gevarieerde lintbebouwing en niet als incident op een woning die deel uitmaakt van een ensemble, twee-onder-één-kap-woning of bouwblok en alleen indien zorgvuldig ontworpen.

Een ‘dubbele’ geveloptrekking aan voor- en achterzijde, ofwel het vervangen van een kap door een rechte bouwlaag kan acceptabel zijn bij gebouwen die deel uitmaken van gevarieerde lintbebouwing en niet als incident op een woning die deel uitmaakt van een ensemble. Bovendien is zo’n dubbele geveloptrekking in principe acceptabel bij een eindwoning op een stedenbouwkundig markant punt zoals op de hoek van een straat of ter plaatse van een verspringing in de rooilijn.

Plaatsing en maatvoering

•In de lijn van de voor- en/of achtergevel.

•Rijwoningen: de breedte is gelijk aan de woningbreedte.

•Achterzijde: hoogte tot onder de daknok of met een maximale afmeting van 0.60 meter boven de daknok.

•Voorzijde: hoogte tot boven de daknok.

Verschijningsvorm

•Een geveloptrekking mag geen afbreuk doen aan de karakteristiek van het gebouw en is zorgvuldig afgestemd op de architectuur.

•Plat afgedekt.

•De geveloptrekking sluit in het achterdakvlak minimaal 1 dakpan onder de daknok of direct achter de daknok aan (al dan niet met een verticaal gevelelement).

•Bij plaatsing in het voordakvlak wordt de daknok nadrukkelijk onderbroken.

•Is afgestemd op de gevelgeleding van het hoofdgebouw.

Materiaal, kleur en detaillering

•Afgestemd op de bestaande bebouwing en zorgt voor een zorgvuldige afstemming op de bestaande architectuur.

•Het zichtbare verticale gevelelement en de zijwanden worden in een donkere kleurstelling afgestemd op het omringende dakvlak.

•Het verticale gevelelement kan voorzien worden van raamstroken.

Ruimtelijk erfgoed

Het optrekken van een gevel is niet in elke situatie mogelijk en is afhankelijk van het gebouw en de context. Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

7.3.6. Een extra bouwlaag

Algemeen

Een extra bouwlaag is ondergeschikt aan het hoofdgebouw, is herkenbaar als latere toevoeging en is qua architectuur afgestemd op het hoofdgebouw.

Plaatsing

•Passend in de regels van het omgevingsplan;

•Een extra bouwlaag kan enkel geplaatst worden op een plat afgedekt hoofdgebouw.

Maatvoering

•Eén bouwlaag met een rechthoekige plattegrond.

•Minimaal 1.00 meter teruggelegen ten opzichte van de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw.

•In de zijgevels plaatsing ofwel op de belending, ofwel minimaal 1 meter teruggelegen van de belending.

Verschijningsvorm

•Plat afgedekt.

•In gevelindeling duidelijk onderscheidend van het hoofdgebouw;

•Op het hele bouwblok gelijk zodat een opbouw individueel en in clusters op het bouwblok toepasbaar is.

Materiaal, kleur en detaillering

•Onderscheid zich in materiaalgebruik en mate van transparantie en is hiermee leesbaar als toegevoegd volume.

•Passend bij de architectuurstijl van het hoofdgebouw.

Ruimtelijk erfgoed

Een extra bouwlaag is niet in elke situatie mogelijk en is afhankelijk van het gebouw en de context. Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

7.4. Dak-, kozijn- en gevelwijzigingen

7.4.1. Kozijnveranderingen

Algemeen

Het vervangen van bestaande kozijnen door hetzelfde type kozijnen (gelijkwaardig materiaal, uitstraling en indeling) valt onder normaal onderhoud.

Plaatsing en maatvoering

•De samenhang en ritmiek van het hoofdgebouw en/of straatwand wordt niet verstoord.

•De bestaande gevelopening wijzigt niet.

•De diepte van de negge vanuit de buitenzijde wijzigt niet.

•De profieldikte van het kozijn e.d. – gezien in het gevelaanzicht – wijzigt niet meer dan 15%.

Materiaal, kleur en detaillering

•Stalen kozijnen- en raamprofielen kunnen worden vervangen door aluminium renovatieprofielen.

•Bij kunststof kozijnen komt de detaillering en profilering overeen met de kozijnen en het raamhout van het hoofdgebouw.

•Het materiaal- en kleurgebruik wordt afgestemd op het hoofdgebouw.

Ruimtelijk erfgoed

Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

Daarnaast gelden voor niet-monumenten binnen het beschermde stads- of dorpsgezicht aanvullend de volgende criteria:

•De roedeverdeling van bestaande kozijnen en glas-in-lood ramen blijft behouden en/of wordt gereconstrueerd.

•Raamindeling, detaillering (negge, profilering ed.) en kleur zijn gelijk aan het oorspronkelijke ontwerp.

7.4.2. Dak- en gevelwijzigingen, incl. na-isoleren aan buitenzijde

Algemeen

•Met de wijziging blijft de karakteristiek van het pand en de samenhang in het straatbeeld voldoende behouden.

•Bij splitsing van een pand blijft de architectonische eenheid van het pand behouden.

•Bij samenvoeging van panden blijft de individualiteit van de panden afleesbaar.

•De gevel aan de straatzijde is representatief vormgegeven en kent een duidelijke oriëntatie op de openbare ruimte.

•Er is geen sprake van gesloten zijgevels grenzend aan het openbaar gebied.

Bij een pand onderdeel van een bouwblok

•De bestaande (verticale of horizontale) gevelindeling en gevelgeleding geldt als uitgangspunt.

•Bestaande gevelopeningen en –afmetingen gelden als uitgangspunt;

•Bij het na-isoleren van de kap: Behoud van dezelfde goothoogte als de bestaande goot en/of de goot van het buurpand en behoud van dezelfde hellingshoek van het dak.

•Afwijking in materiaal, kleur en detaillering is mogelijk, mits de samenhang in het totale gevelbeeld van het bouwblok voldoende behouden blijft, de stedenbouwkundige waarde niet wordt aangetast en de architectonische kwaliteit vergelijkbaar is.

•De samenhang tussen de begane grond en de verdieping(en) blijft behouden.

Bij een vrijstaand pand

•Verandering van goothoogte, dakhelling, bouwmassa, gevelindeling, gevelgeleding is mogelijk, mits de bestaande stedenbouwkundige waarden niet worden aangetast en het pand voldoende passend is in de omgeving en het straatbeeld.

•Afwijking in materiaal, kleur en detaillering is mogelijk, mits de architectonische kwaliteit vergelijkbaar is.

Ruimtelijk erfgoed

Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

Daarnaast gelden voor niet-monumenten binnen het beschermde stads- of dorpsgezicht aanvullend de volgende criteria:

•Bij gevelwijzigingen vormen de beneden- en bovenverdiepingen een architectonische eenheid, uitgaande van de oorspronkelijke gevelelementen.

•De geleding van de gevel van de begane grond en die van de verdiepingen zijn op elkaar afgestemd. In de indeling van de voorgevel is de oorspronkelijke verdiepingshoogte van een gebouw herkenbaar.

•De gevels van de begane grond en de verdiepingen worden zoveel mogelijk uitgevoerd in hetzelfde materiaal en dezelfde kleur. Het betimmeren of anderszins bekleden van gevels met plaatmaterialen is ongewenst. Het kleurgebruik is terughoudend en passend in het straatbeeld.

•Elementen die aan de gevel van een gebouw of bij een gebouw worden toegevoegd (zoals zonneschermen, vlaggen, klokken, verlichtingsarmaturen e.d. voorwerpen) kunnen het gewenste straatbeeld verstoren. Het streven is erop gericht de gevels en erven vrij te houden van toegevoegde vergunningplichtige objecten.

•Het aanbrengen van klimplantvoorzieningen aan de gevel is maatwerk maar mag in ieder geval geen verstoring vormen in de gevelarchitectuur en brengt geen schade aan het monument.

Voor luifels, zonwering en rolluiken gelden in het beschermde stads- en dorpsgezicht de volgende criteria:

Luifels

•Luifels die behoren tot of passen bij de architectuur van het pand zijn niet dieper dan 0.25 meter en houden minimaal 0.25 meter afstand van de zijgevel/perceelsgrens.

Zonwering

•Respecteert en sluit aan op de gevelkarakteristiek voor wat betreft positionering, maatvoering, verschijningsvorm, materiaal, kleur en detaillering;

•Zonwering is beweegbaar en niet permanent uitgeklapt.

•Plaatsing is niet lager dan 2.20 meter en niet hoger dan de verdiepingshoogte.

•Buiten het gevelvlak uitkragende zonweringen zijn niet toegestaan op niet of nauwelijks bezonde gevels.

Rolluiken

•Mogen alleen worden geplaatst ter beveiliging tegen inbraak etc. En zijn op bovenverdiepingen niet toegestaan.

•Mogen alleen aan de binnenzijde van de gevelopeningen worden aangebracht.

•Dienen minimaal voor 70 % uit (glasheldere) doorkijkopeningen te bestaan.

•Zijn voor wat betreft vormgeving zo veel mogelijk afgestemd op het gevelbeeld.

•Hebben een terughoudende, in het straatbeeld passende kleur.

•Zijn bij nieuwe puien geïntegreerd in de architectuur van het gebouw en het gevelontwerp.

7.4.3. Vergroening tegen de gevel en op het dak

Vergroening van een dak of gevel houdt in dat planten worden geïntegreerd in de structuur van gebouwen. Dit kan op verschillende manieren gebeuren, zoals het aanleggen van een groen dak, of het installeren van verticale tuinen, waarbij klimplanten en andere vegetatie langs de gevels groeien. Vergroening van daken bij nieuwe erfbebouwing wordt altijd gewaardeerd.

Algemeen

•Een groene gevel of dak respecteert de architectuur van het hoofdgebouw.

•Bij nieuwbouw is gevelgroen onderdeel van het architectonische concept.

•Doorgaande lijnen in beginsel handhaven. Dakranden, daklijsten, boeidelen en nokpannen dienen als bindend element in de architectuureenheid te blijven functioneren.

•Bouwkundige/constructieve voorzieningen zijn met beplanting vanaf de straat nagenoeg niet zichtbaar.

•Bij de plantenkeuze is rekening gehouden met de bijdrage aan de biodiversiteit en een volwaardig groen aanzicht in alle seizoenen.

Ruimtelijk erfgoed

Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

7.5. Erf- en terrasafscheidingen

7.5.1. Grenzend aan het openbaar gebied

Algemeen

Erfafscheidingen passen bij en leveren een positieve bijdrage aan het straatbeeld en hebben een verzorgde uitstraling. Begroeide hekwerken en beplantingen (hagen) kunnen een meer open en vriendelijke uitstraling hebben en genieten - ook wat betreft duurzaamheid - de voorkeur boven lange, gesloten schuttingen.

Plaatsing en maatvoering

•Voor de voorgevellijn is de hoogte maximaal 1.00 meter.

•Achter de voorgevellijn is de hoogte maximaal 2.00 meter.

Verschijningsvorm

•Niet geheel gesloten of afwerend.

•Een duurzame en degelijke uitvoering.

•Passend bij het tuinkarakter, afgestemd op de bebouwing en de karakteristiek van de omgeving.

Materiaal, kleur en detaillering

•Bij voorkeur met begroeiing vormgegeven, zoals hagen. Of anders:

o Metselwerk (steen- en kleurkeuze als hoofdgebouw);

o (te begroeien) transparant metalen (gaas)hekwerk in kleur antraciet/zwart, donkerbruin of groen. Eventueel tussen gemetselde pilasters en/of op gemetseld basement van niet meer dan 0.60 meter hoog);

o (geschilderde) houten delen (in een dekkende en/of neutrale kleur).

Indien het perceel breder is dan 50 meter en het hoofdgebouw op tenminste 15 meter uit de voorerfgrens is gesitueerd, dan geldt voor een erfafscheiding aan de voorzijde het volgende.

•Uitvoering als transparant metalen hekwerk (tenminste 60% transparant).

•Maximaal 2.00 meter hoog.

•Eventueel tussen gemetselde pilasters en/of op gemetseld basement van maximaal 0.60 meter hoog.

•Kleur hekwerk antraciet/zwart (donkerder dan RAL 7016).

Voor een erf- of perceelafscheiding langs de zij-erfgrens op gronden die duurzaam niet mogen worden bebouwd, maar waarvoor desondanks vrijstelling van het omgevingsplan is verleend, geldt het volgende.

•Tot 1.00 meter hoog in metselwerk (steen- en kleurkeuze als hoofdgebouw) waarboven tot 2.00 meter hoogte een metalen gaashekwerk in de kleur zwart, donkerbruin of -groen.

•Dan wel geheel als metalen gaashekwerk in de kleur zwart, donkerbruin of -groen.

7.5.2. Terrasafscherming bij dakterrassen

Algemeen

Een terrasafscherming bij een dakterras

•Levert een positieve bijdrage aan het straat- en gevelbeeld door toepassing van een open karakter en een verzorgde uitstraling.

•Zijn transparant van karakter.

•Hebben een bescheiden omvang in hoogte en breedte.

Ruimtelijk erfgoed

Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

Daarnaast gelden voor het beschermde stads- of dorpsgezicht aanvullend de volgende criteria:

•Respecteren de waardevolle (monumentale) karakteristieken.

•Vormen een versterking van het monumentale (straat)beeld.

•Zijn voor wat betreft materialisatie en kleur afgestemd op het karakter van de omgeving en de betreffende kavel.

7.6. Gebouwgebonden installaties

7.6.1. Zonnecollectoren en- panelen

Een zonnepaneel dient voor energieopwekking en een zonnecollector voor warmteopwekking.

Algemeen

Er gelden geen concrete criteria. Indien een vergunning nodig is zal de Omgevingscommissie beoordelen op basis van de algemene criteria.

Ruimtelijk erfgoed

Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

Voor zonnepanelen op daken in beschermde gezichten en monumenten gelden aanvullend de volgende criteria:

•De plaatsing van zonnepanelen op monumenten of in beschermde stadsgezichten is altijd maatwerk. Het mag geen negatieve gevolgen hebben op het stadsgezicht of de dakvorm. De richtlijn is dat het historische dak of dakvorm herkenbaar blijft. Voor de plaatsing van zonnepanelen op beschermde rijks- en gemeentelijke monumenten is een omgevingsvergunning verplicht.

•Zonnepanelen worden bij voorkeur aan de achterkant geplaatst. Aan de voorkant is ook mogelijk, maar alleen als de panelen niet aan de achterkant geplaatst kunnen worden.

•Zonnepanelen op niet beschermde monumenten in rijksbeschermde stads- of dorpsgezichten zijn aan de achterkant vergunningsvrij als zij niet zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte. Voor zonnepanelen op de voorkant is een vergunning altijd verplicht.

•In een vergunning worden voorwaarden gesteld over het type paneel, de kleur, de hoeveelheid, de afstand van de zonnepanelen tot de bovenkant van het dak, goot en belendingen, het legpatroon, constructieve maatregelen en brandveiligheid. Ook moeten de aanpassingen omkeerbaar zijn. Voor een goede beoordeling zijn technische tekeningen nodig die deze punten duidelijk maken.

•Het uitgangspunt is dat de zonnepanelen in een eenduidig vlak gelegd worden. Dit betekent een rechthoek of een vierkant en geen afwijkende vormen. De panelen mogen bijvoorbeeld niet om een dakkapel of regenpijp heen gelegd worden.

7.6.2. Installaties aan gevels, op daken en op maaiveld.

Voor gebouw gebonden installaties (al dan niet ten behoeve van duurzame energieopwekking of energiezuinigheid) zoals airco's, warmtepompen, luchtbehandelingskasten, afvoeren en andere technische apparatuur aan gevels, op daken en op maaiveld gelden de volgende criteria:

•Installaties dienen bij voorkeur inpandig te worden gebouwd.

•Daar waar inpandige realisatie van installaties technisch onmogelijk is, is plaatsing op het dak toegestaan, mits de installaties zo laag mogelijk worden gehouden en niet zichtbaar zijn vanaf het openbaar gebied.

•Installaties zijn niet toegestaan op voorgevels of zijgevels grenzend aan openbaar toegankelijk gebied.

•Indien een geïntegreerde toevoeging niet mogelijk is dient de installatie zodanig gecamoufleerd te worden dat deze niet meer zichtbaar is, bijvoorbeeld met een ‘dicht ogende’ roosterconstructie (of anderszins) om de installatie heen.

•De bedoelde constructie vormt een nieuw architectonisch element in verhouding tot de bestaande architectuur.

•De installatie zelf heeft een neutrale kleurstelling, waardoor de installatie tegen de achtergrond wegvalt.

Ruimtelijk erfgoed

Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

Voor installaties op gevels, daken en op maaiveld in beschermde gezichten en/of bij monumenten gelden aanvullend de volgende criteria:

•Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de cultuurhistorische waarden van het beschermde gezicht of monument.

•Materiaalgebruik, kleur en detaillering van installaties, afvoerkanalen en bijbehorende onderdelen zijn hoogwaardig en zijn afgestemd op het oorspronkelijke ontwerp.

•Installaties moeten zodanig ingepast worden dat de ingreep reversibel is.

7.7. Reclame

7.7.1. Algemeen

Er wordt met betrekking tot reclameobjecten onderscheid gemaakt tussen commerciële buitenreclame en objectgebonden reclame.

Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

Commerciële buitenreclame

Commerciële buitenreclame betreft reclame voor producten of bedrijven die geen relatie hebben met de plaats van het reclameobject zoals billboards, MUPI’s, abri’s en reclame aan lichtmasten. Bij deze objecten is niet zozeer de reclame op zich maar de ‘drager’ als bouwwerk onderwerp van beoordeling. De toegestane vormen van commerciële buitenruimte in de openbare ruimte zijn opgenomen in de nota Buitenreclame Tilburg. Bij vervanging of uitbreiding van dit type reclame-uitingen wordt in een vroegtijdig stadium advies gevraagd (landschap, stedenbouw, architectuur).

Reclames op particulier gebied, die geen directe relatie hebben met de locatie, gericht naar het openbare gebied zijn ongewenst omdat deze in het algemeen het stads- of landschapsbeeld ernstig verstoren.

Criteria bij de beoordeling zijn:

•Een zorgvuldige inpassing in de openbare ruimte.

•Een passende vormgeving binnen de context van landschap, stedenbouw en architectuur.

•De verschillende type reclamevormen zijn qua vormgeving afgestemd op elkaar.

Objectgebonden reclame

Objectgebonden reclame gaat over reclame-uitingen zichtbaar vanuit het publieke domein voor producten of bedrijven die zijn aangebracht op, aan of bij het gebouw waar het betreffende bedrijf is gevestigd of het betreffende product wordt verhandeld.

Criteria bij de beoordeling zijn:

•Uitsluitend reclame maken voor het ter plaatse gevestigde bedrijf of voor de producten die ter plaatse worden vervaardigd, bewerkt of verhandeld.

•Een reclameobject sluit aan bij de gevelkarakteristiek en de monumentale, landschappelijke en architectuurhistorische waarden.

•Eventuele gevelreclame is een passend onderdeel van de totale gevelcompositie, ingetogen en ondergeschikt en passend bij de architectuur van het hoofdgebouw.

Voor specifieke gebieden en situaties zijn hierna aanvullende criteria opgenomen.

7.7.2. Objectgebonden gevelreclame Binnenstad & Gegroeide winkelconcentraties

Het streven is reclame ondergeschikt te maken aan een authentiek en kwalitatief hoogwaardig stadsbeeld. Bij het plaatsen van reclame moet rekening gehouden worden met de kwaliteiten en het karakter van het gebied. Met het oog op reclamevervuiling die ontstaat door het op elkaar stapelen van reclame-uitingen is terughoudendheid het uitgangspunt. Er wordt een evenwicht tussen de identiteit van de binnenstad en linten en commercieel noodzakelijke uitingen nagestreefd. Het streven is een optimale inpassing in de architectuur van de individuele gevels te realiseren.

Rondom de binnenstad zijn enkele gegroeide winkelconcentraties aan te wijzen met een vergelijkbare concentratie aan winkels en bedrijven als de binnenstad. Deze gebieden zijn in de ‘Structuurvisie Linten in de Oude Stad’ aangewezen als ‘Bedrijvige linten’.

Criteria bij de beoordeling in de binnenstad en de ‘bedrijvige linten’ zijn:

Algemeen:

•Reclame aan een gebouw moet ondergeschikt zijn aan het gebouw en dient op de sfeer, kleur, schaal en architectuur van het pand te worden afgestemd en zo mogelijk in de architectuur te worden geïntegreerd. Standaardreclames en reclames in huisstijl kunnen daarom niet zonder meer worden toegestaan. Indien dat noodzakelijk is ter wille van het voldoen aan dit algemene en belangrijkste criterium, kan van de onderstaande criteria worden afgeweken.

•De bestaande omgeving, of het bestaande straatbeeld is mede maatgevend voor de toe te passen reclame-uiting.

Plaatsing

•Reclame moet een directe relatie hebben met het gebruik van het pand.

•Per winkel- of bedrijfspand is op de begane grond één reclame-uiting toegestaan. De verdiepingen dienen vrij te blijven van reclame.

•De reclame kan op of evenwijdig aan het gevelvlak, en dus niet haaks op de gevel, worden geplaatst.

•Op hoekpanden is één reclameobject per zijde toegestaan.

•Reclame-uitingen op een luifel zijn slechts toegestaan indien die luifel deel uitmaakt van de oorspronkelijke architectuur van een pand of anderszins voldoet aan de architectuurcriteria.

Maatvoering

•De reclame-uiting mag niet meer dan de helft van de gevel bestrijken en niet hoger zijn dan 0.50 meter.

•Als in de bestaande (historische) architectuur reeds specifieke reclamemogelijkheden voorhanden zijn, zoals koofborden of reclamevelden, dan zijn dat de aangewezen plaatsen voor reclame.

Verschijningsvorm:

•Losse letters, al dan niet verlicht, verdienen de voorkeur boven lichtbakken.

•Voor wat betreft de toepassing van verlichte reclame bestaat een sterke voorkeur voor naar achteren uitstralende doosletters (silhouetwerking);

•Het afplakken van ramen, al dan niet in de vorm van reclame, is slechts toegestaan tot een maximum van 30% van het raamoppervlak per gevelopening.

Maatwerkclausule

Om maatwerk mogelijk te maken kan worden afgeweken van de criteria. Een tweede en/of haakse reclame (waaronder een vlag) is denkbaar mits er sprake is van een passend totaalbeeld en mits er keuzes worden gemaakt. Dus als bijvoorbeeld de toegestane breedte of hoogte niet volledig worden benut, ontstaat er ruimte voor een tweede uiting. Ook een collectieve (en collectief ontworpen) aanpak kan in bestaande gebieden, maar ook nieuwe winkelgebieden, ruimte bieden voor een extra (haakse) uiting.

Haakse reclames kunnen 'worden overwogen' zodra er sprake is van een zekere noodzaak vanwege een beperkte zichtbaarheid of tenzij de architectuur van een gebouw hiervoor juist aanleiding geeft (bijvoorbeeld bij een rijke ornamentiek in de gevel waarbij een vlakke gevelreclame verstorend werkt). Aandachtspunt is dat het 'stapeleffect' van een reeks haakse borden wordt voorkomen. In het kernwinkelgebied wordt daarom in beginsel vastgehouden aan het uitgangspunt om geen haakse reclames toe te staan. In straten waar niet ieder pand een commerciële functie heeft is het risico op een stapeling kleiner dan bijvoorbeeld in de Heuvelstraat. Een straat als de Nieuwlandstraat is in dit verband wel kwetsbaar gelet op de historische kwaliteit en uitstraling. Hoogwaardige en bescheiden haakse uitingen zijn via deze 'maatwerkclausule' mogelijk. De afweging is altijd of er een kwalitatief hoogwaardig totaalbeeld ontstaat.

7.7.3. Winkels en bedrijven in gemengde bebouwing

Bij winkels en bedrijven in gemengde bebouwing moet o.a. worden gedacht aan de diverse ‘linten’ – aangeduid als ‘Rustige linten’ in de ‘Structuurvisie Linten in de Oude Stad’. Doelstelling is om in deze gebieden de reclame ondergeschikt te laten zijn aan het straatbeeld.

Criteria bij de beoordeling zijn:

•Reclames niet hoger aangebracht dan de hoogte van de verdiepingsvloer van het gebouw en in elk geval niet boven de dakrand of goothoogte.

•Niet meer dan één reclameobject per pand.

•Reclame uitsluitend in of op het gevelvlak.

•Reclame haaks op de gevel is slechts toelaatbaar als gegeven de situatie reclame op de gevel onvoldoende zichtbaar is (dus niet in aan rechte straatwanden).

•Aanleidingen in de gevelindeling voor de plaats van de reclame moeten worden benut.

•De reclame-uiting mag niet meer dan de helft van de gevel bestrijken en niet hoger zijn dan 0.50 meter.

•Voorkeur voor losse letters t.o.v. lichtbakken.

Projectmatig tot stand gekomen winkelcentra

Bij oorspronkelijk als winkelcentrum ontworpen winkelconcentratiegebieden (zoals de Westermarkt, Heijhoef enz.) wordt gestreefd naar een uniform beeld in de hoofdafmetingen en plaatsing van reclameobjecten. Er gelden dezelfde criteria als bij gemengde bebouwing, met dien verstande dat haakse reclameborden, mits volgens standaardmodel, acceptabel kunnen zijn of zelfs de voorkeur kunnen verdienen.

7.7.4. Winkels en bedrijven in woongebieden

Verspreide winkels en bedrijven

Verspreide winkels en bedrijven in woongebieden voegen zich in hun verschijningsvorm meestal naar het woonkarakter van de omgeving.

Criteria bij de beoordeling zijn:

•Slechts toelaatbaar wanneer de reclame zich met een bescheiden omvang en terughoudend karakter voegt naar het (woon)karakter van de omgeving.

•Niet meer dan één reclameobject per pand.

•Met de keuze van plaats en afmetingen moet het gevelbeeld worden gerespecteerd.

•De reclame-uiting mag niet meer dan de helft van de gevel bestrijken en niet hoger zijn dan 0.50 meter.

Woongebieden (bedrijf aan huis)

In woongebieden met uitsluitend een woonbestemming zal slechts behoefte zijn aan ‘reclame’ voor beroepsuitoefening aan huis. Behalve aan de gebruikelijke naambordjes bij woningen kan hierbij o.a. gedacht worden aan beroepen aan huis, kantoren in voormalige woonhuizen en kleine bedrijven.

Dergelijke reclame-uitingen zullen zich moeten beperken tot de hieronder beschreven criteria. Grotere reclameobjecten passen niet in een woonomgeving.

Criteria bij de beoordeling zijn:

•Eén onverlicht naambord per gebouw, al dan niet met vermelding van een beroep of bedrijf is toegestaan.

•Het bord is op de gevel bevestigd (maximaal 10cm vóór het gevelvlak) met de bovenzijde lager dan 2.00 meter, of;

•Het bord is vrijstaand op het voorerf geplaatst met de bovenzijde lager dan 1.00 meter;

•De oppervlakte is niet groter dan 0.50 m2;

•De horizontale en verticale maat zijn elk niet groter dan 1.00 meter.

7.7.4. Bedrijventerreinen

Bedrijventerreinen zijn minder gevoelig voor storende reclame dan andere gebieden. Naast de algemene criteria gelden de volgende uitgangspunten.

Criteria bij de beoordeling zijn:

•Reclameteksten boven gebouwen, bijvoorbeeld op de dakrand zijn slechts acceptabel als de contour van het gebouw niet wordt verstoord. Dat wil zeggen dat over het algemeen lichtbakken op de dakrand niet kunnen worden toegestaan en dat teksten bestaande uit losse letters op de dakrand acceptabel kunnen zijn.

•Naast reclame in de vorm van de bedrijfsnaam is merkreclame voor het (belangrijkste) product van het bedrijf in principe acceptabel (bijvoorbeeld: naam garagebedrijf + automerk met logo). Een veelheid aan merkreclames voor een scala aan producten is ongewenst (bijvoorbeeld: naam transportbedrijf + aantal merknamen en/of logo’s van de vervoerde producten), tenzij die merkreclames worden verzameld tot één samenhangend object.

•Enkele vlaggen/banieren op het eigen terrein zijn voorstelbaar (maximaal 3).

7.7.5. Kantoorverzamelgebouwen

Het komt vaak voor dat in één gebouw meerdere kantoren zijn gevestigd en dat de verschillende gebruikers hun aanwezigheid kenbaar willen maken. Naast de algemene criteria gelden de volgende uitgangspunten.

Criteria bij de beoordeling zijn:

•De verschillende reclames worden in hun onderlinge samenhang en met het oog op hun gezamenlijke invloed op het totaalbeeld beoordeeld;

•De verschillende reclames moeten qua afmetingen en positionering op het gebouw op elkaar zijn afgestemd;

•De verzameling reclames op een gebouw mag geen grotere omvang hebben dan die welke voor één kantoorvestiging in dat gebouw acceptabel zou zijn.

•Enkele vlaggen/banieren op het eigen terrein zijn voorstelbaar (maximaal 3).

7.7.6. LED-schermen

Criteria bij de beoordeling zijn:

•Het licht en de beweging van de reclame in het LED-scherm mogen geen overlast geven.

•LED schermen worden in beginsel niet toegestaan bij particuliere (individuele) bedrijven. Precedentwerking t.o.v. andere initiatiefnemers moet absoluut worden voorkomen. Slechts bij collectieve reclame op bijzondere plekken of bij bijzondere gebouwen (of gebouwfuncties) kan een LED-scherm worden toegestaan.

•LED schermen worden slechts toe te staan op strategische plekken (bv. gekoppeld aan de regionale infrastructuur) en niet in de reguliere woon-/werkomgeving.

•Op grond van de algemene criteria zal een LED-scherm moeten worden ingepast in, maar in elk geval moeten worden afgestemd op de architectuur van het gebouw en op de omgeving.

•Bijzondere, creatieve dan wel innovatieve oplossingen kunnen ter beoordeling worden voorgelegd aan de Omgevingscommissie.

7.7.7. Overige verlichtingsobjecten

Bij (nieuwe) bebouwing waarvan het oogmerk is dat vorm en/of functie ook in het donker moeten worden ondersteund, worden vaak opvallende verlichtingselementen toegevoegd. Op zichzelf een goede zaak, omdat ook ‘s avonds en ‘s nachts de levendigheid in de stad wordt versterkt. Op ontwerptekeningen is niet altijd duidelijk wat hiervan het uiteindelijke effect zal zijn. Een eventueel overdadig en overlast gevend lichteffect kan via de Algemene Plaatselijke Verordening worden bestreden. Vanuit het oogpunt van omgevingskwaliteit is het van belang, dat de lichtconstructies en –effecten de architectuur moeten ondersteunen. De situatie mag zeker niet gaan ontstaan dat het gebouw als het ware de ondersteuningsconstructie voor de lichtinstallatie gaat vormen.

Bijlage 1 Analyse ruimtelijk weefsel van Tilburg

Deze bijlage bevat een aanzet tot een verdiepende analyse van het ruimtelijk weefsel als opgenomen in hoofdstuk 3 van de nota omgevingskwaliteit. Daarnaast zijn relevante vastgestelde beleidskaders en visies opgenomen, die gebieds- en themagericht meer informatie bevatten.

De thema’s hierbij zijn:

1Geomorfologische basis

2Ruimtelijk erfgoed

3Stadsontwikkeling

4Werklandschappen

5Groen/blauw netwerk

6Karakter hoofdinfrastructuur

7Betekenis en beleving

Per thema zijn de kwaliteitsaspecten onderzocht en worden er opgaven benoemd en geagendeerd voor nadere uitwerking.

Deze bijlage wordt parallel aan de ontwikkeling en uitwerking van de Omgevingsvisie Tilburg 2050 en andere relevante beleidsstukken verder ontwikkeld en verdiept. Hiermee is deze analyse te lezen als een momentopname en niet als een afgerond onderzoek. De komende jaren wordt hier steeds meer verdieping aan gegeven vanuit de verschillende beleidsvelden. Dit nemen we vervolgens ook weer mee in de ontwikkeling van gebiedsgericht kwaliteitsbeleid.

Het bijgevoegde kaartmateriaal is bedoeld om de verschillende invalshoeken te verbeelden en hiermee het gesprek over de verschillende thema’s te voeden. Ook deze kaarten zijn in ontwikkeling.

1Geomorfologische basis

Beschrijving

De geomorfologische basis van de gemeente Tilburg wordt gevormd door hoge zandkoppen, lagergelegen beekdalen en natte dekzanden. De stad en dorpen zijn ontstaan op de hogere en drogere koppen van de dekzandwelvingen. Daarnaast ligt Tilburg op een waterscheiding. Hierdoor zijn er twee watersystemen:

•Het westelijk deel van de gemeente watert af richting het westen en is onderdeel van waterschap Brabantse Delta. Van oorsprong was dit een nat gebied. Bij de ontginning van het gebied en later de aanleg van de Reeshof is het gebied op technische wijze drooggelegd.

•Het oostelijk deel is onderdeel van waterschap de Dommel. Hier vindt het water op een natuurlijke manier, via hellingen en beekdalen, zijn weg verder naar het oosten. Door leemlagen in dekzanden is het natuurlijk afwateringssysteem hier in gebruik gebleven (De Brand).

De dekzandgronden in en rond Tilburg kennen een lange bewoningsgeschiedenis. De hoger gelegen dekzandkoppen waren in het verleden aantrekkelijke gebieden om op te wonen. In Tilburg werden deze gebieden net als in andere delen van Brabant dan ook intensiever bewoond.

De oudste sporen van bewoning bestaan uit vuurstenen artefacten van jagers-verzamelaars uit de steentijd (paleolithicum/ mesolithicum). Kampementen bevonden zich in het gebied rond de beekdalen en (voormalige) vennen, zoals in Kraaiven. Vanaf ca. 4000 voor Christus wordt landbouw geïntroduceerd in deze regio. Vanaf de eerste landbouwers tot in de middeleeuwen worden de hogere dekzandgebieden intensiever bewoond.

De bekende archeologische vindplaatsen van steentijd tot middeleeuwen zijn op de geomorfologische kaart geplaatst. Concentraties met vindplaatsen bevinden zich onder andere aan de zuidkant van Tilburg (Tradepark/ Stappegoor) en ter hoogte van Berkel-Enschot. Deze concentraties zijn deels het gevolg van archeologisch onderzoek in de uitbreidingsgebieden van Tilburg en Berkel-Enschot. Over andere gebieden, zoals de binnenstad van Tilburg, is weer veel minder bekend, omdat hier veel minder onderzoek uitgevoerd is.

Waardering

De meeste bekende archeologische vindplaatsen bevinden zich ondergronds en zijn niet zichtbaar in de leefomgeving. Ze zijn echter wel zeer waardevol doordat ze helpen om een groot deel van de geschiedenis van Tilburg te reconstrueren aan de hand van archeologisch onderzoek. Daarmee draagt ons archeologisch erfgoed bij aan de ontwikkeling van de identiteit van de stad, de dorpen en het buitengebied.

De geomorfologische ondergrond en natuurlijke watersystemen bevatten naast belevingswaarde (daar waar de beekdalen en dekzanden herkenbaar zijn) ook een grote gebruiks- en toekomstwaarde.

Kwaliteitsambities

•Stuur bij ontwikkelingen op bodem- en watersturende principes en zet kennis van de geomorfologische ondergrond hierbij in. Dit biedt een basis voor toekomstige ontwikkelingen, onder andere op het gebied van de energietransitie en klimaatadaptatie. Dit geldt niet alleen bij ontwikkelingen buiten de stad en de dorpen, maar ook binnen bebouwd gebied.

•Maak waar mogelijk de natuurlijke ondergrond weer zichtbaar en herkenbaar. Maak hiermee locatiespecifieke ontwerpoplossingen en vergroot belevingswaarde in de openbare ruimte.

Ten aanzien van omgevingskwaliteit is het vertellen van het verhaal van Tilburg – onder andere aan de hand van archeologische vondsten - een doelstelling die bijdraagt aan de herkomst- en belevingswaarde van een plek. Dit kan door middel van de inrichting van de openbare ruimte, of door het realiseren van kunstwerken die expliciet of impliciet refereren aan het archeologisch erfgoed. Een voorbeeld daarvan is te vinden in Landschapspark Moerenburg, waar het voormalige kasteel Huize Moerenburg door middel van een stalen geraamte is gereconstrueerd. Archeologische vondsten die hier gedaan zijn, zijn op tegels gevisualiseerd.

Aansluitend beleid

De omgang met archeologisch erfgoed is geregeld in het omgevingsplan door middel van zones 'waarde archeologie'. Voor ontwikkelingen binnen deze zones gelden regels ter bescherming van archeologische vindplaatsen in de ondergrond.

In 2022 heeft de gemeente een Routekaart Archeologisch erfgoed opgesteld. Onderdeel van de routekaart vormt het opstellen van nieuwe archeologische verwachtingskaarten. Op basis van een recente inventarisatie van archeologische vindplaatsen zijn voor verschillende archeologische periodes verwachtingskaarten opgesteld. Daarmee kan beter voorspeld worden of in een gebied archeologische resten aanwezig kunnen zijn.

Geomorfologie l Stad en dorpen tussen beekdalen op hoge koppen

Archeologie l Een diversiteit aan archeologische vindplaatsen

2Ruimtelijk erfgoed

Het begrip ’cultureel erfgoed’ wordt gedefinieerd in de

Erfgoedwet. Het gaat hierbij om zowel het materiële als het immateriële erfgoed. In Tilburg hanteren we voor het onroerende materiële erfgoed het begrip ruimtelijk erfgoed.

In de Omgevingswet wordt het begrip cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt gedefinieerd:

“Monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet”.

Het gaat hierbij om de volgende onderdelen:

•gebouwde of aangelegde monumenten;

•archeologische monumenten;

•beschermde stads- en dorpsgezichten;

•cultuurlandschappen;

•roerend en immaterieel erfgoed, voor zover dat in het omgevingsplan aan een locatie te verbinden is.

Beschrijving

Vanuit verschillende invalshoeken is de cultuurhistorisch ruimtelijke ontwikkeling van Tilburg en de dorpen Berkel-Enschot, Udenhout en Biezenmortel beknopt geanalyseerd met de nadruk op thema's die nu nog het aanzicht van de stad bepalen. Een uitgebreidere beschrijving van deze ontwikkeling en duiding daarvan is te vinden in het beleidsdocument Routekaart Ruimtelijk Erfgoed Tilburg (juli 2023) met het Verhaal van Tilburg.

Tilburg is niet ontstaan vanuit een punt maar begon in de vroege Middeleeuwen als een verzameling nederzettingen. Deze nederzettingen bevonden zich op plekken waar wegen elkaar kruisten, waardoor er driehoekige ruimtes ontstonden of ’plaatsen‘. Deze kernen werden aangeduid als herdgangen. Het netwerk van wegen en driehoekige ruimtes, dat basis vormde voor het huidige Tilburg, is nu nog duidelijk afleesbaar, onder meer in de linten, en bepaalt de bijzondere morfologie van de stad.

Landbouw en veeteelt vond in Tilburg plaats op omringende, deels oudere akkercomplexen, waarbij er voornamelijk sprake was van schapenhouderij. Deze akkercomplexen, afgewisseld met bossen en woeste gronden, vormden het landschap rond Tilburg en de dorpen. De akkercomplexen zijn nu nog afleesbaar in de open landschappen tussen stad en dorpen. Een bijzonder landschap is bijvoorbeeld de boshoevennederzetting in Udenhout.

Cultuurlandschappen | Historische akkercomplexen

In de late middeleeuwen groeide de bevolking en de wolnijverheid groeide mee, waardoor Tilburg het belangrijkste wolcentrum van Nederland werd. Omdat de arbeidskosten er lager waren verplaatste de wolindustrie zich steeds meer van Holland naar Tilburg. De textielnijverheid bleef groeien en de industrialisatie kwam op gang. De fabrieken en fabriekscomplexen werden achter en tussen linten gebouwd. De linten en de binnenterreinen kennen ook nu nog een zeer divers karakter, mede omdat er na de afbraak van fabrieken in de tweede helft van de twintigste eeuw woningen of andere voorzieningen zijn gebouwd, ieder met zijn eigen kwaliteiten. Naast de reeds bestaande oude weg van Breda naar Den Bosch zorgde de industrialisatie ook voor de komst van spoorwegen, het kanaal en de Piushaven.

Ruimtelijk erfgoed| Herdgangen, netwerk van wegen en pleinen

Behalve akkercomplexen liggen er rond Tilburg en de dorpen ook een aantal bossen, waaronder de Oude Warande, een sterrenbos dat onder andere gebruikt werd voor de jacht. Ook landgoederen maken nog steeds deel uit van het landschap. Bijvoorbeeld de landgoederenzone langs de Bredaseweg, met enkele voorname fabrikantenvilla's. Een andere nog duidelijk afleesbare laag in en rond Tilburg is die van het religieuze erfgoed, dat zeer omvangrijk was en is. Voorbeelden daarvan zijn Koningsoord (Berkel-Enschot), Assisië (Biezenmortel) en Koningshoeven (Tilburg)

Ruimtelijk erfgoed | Adellijke bossen, landgoederen en religieuze complexen buiten de stad

Met de opkomst van de spoorwegen in de eerste helft van de negentiende eeuw was er landelijk ook behoefte aan werkplaatsen om het materieel te onderhouden. Halverwege die eeuw zouden er twee werkplaatsen worden gerealiseerd waarvan een in Tilburg. Met name vanwege het gunstige industriële klimaat. De Centrale Werkplaats in Tilburg aan de noordkant van het spoor meet uiteindelijk bijna een kilometer. Het bijzondere industriële erfgoed van dit enorme complex is grotendeels herbestemd in de gebiedsontwikkeling Spoorzone.

Vanwege de sterke groei van de stad maakte Ir. Rückert in 1917 een Algemeen Uitbreidingsplan voor Tilburg. Op basis van dat plan werden de ringbanen van de stad aangelegd. Deze diende als ontsluitingsstructuur, verdere ontwikkeling/afronding van de oude industriestad en als groene boulevard om te ‘flaneren’ op de overgang naar het landschap. Later is Tilburg gegroeid buiten het ringbanenstelstel. Na de tweede wereldoorlog brak de stadsplanning pas echt door.

Ruimtelijk erfgoed| Tilburg als stad van (textiel)industrie

Hiervoor stelde de gemeenteraad in 1940 het Uitbreidingsplan in Hoofdzaak vast. Dit zou de basis worden voor de naoorlogse stadsuitbreidingen. In 1941 werd de 100.000ste inwoner ingeschreven. De prognoses gingen toen al uit van een inwonersaantal van 200.000 in het jaar 2000. Er moest dus veel bijgebouwd worden om al deze mensen te kunnen huisvesten.

In 1953 werd het Herzien Uitbreidingsplan in Hoofdzaak vastgesteld. Het was meer dan een uitwerking van het plan uit 1940. De nieuwste stedenbouwkundige en sociografische inzichten waren erin verwerkt. Ook werd een voorschot genomen op de latere uitbreidingen in Tilburg-Noord en De Blaak. Vanaf 1963 werden de uitbreidingsplannen voor de wijk Wandelbos vastgesteld. Daarmee werd het woongebied fors uitgebreid. In tegenstelling tot de plannen voor Het Zand en De Reit werd het wonen hier opgevat als wonen in het bos, met een belangrijke rol voor bestaande en nieuwe groenstructuren en ruim opgezette hoofdwegen omzoomd met groen.

Na de stadsuitleg in westelijke richting met Het Zand, De Reit en het Wandelbos ontstond er vanaf midden jaren 1960 een nieuwe golf van stadsuitbreidingen. Een doorbraak werd gerealiseerd met de aanleg van de cityring het hoogspoor en de oost-west verbinding tussen het centrum en de universiteitscampus in de jaren 60. De eerste grote uitbreiding vond tussen 1965 en 1975 plaats in Tilburg-Noord. Vervolgens ontstonden tussen 1976 en 1983 bijna gelijktijdig de wijken De Blaak en het eerste deel van de Reeshof. Verder werd de reeds gedeeltelijk bestaande wijk Groenewoud met nieuwe woningen uitgebreid. De Reeshof groeide nog tot in de eenentwintigste eeuw uit tot een volwaardig stadsdeel.

Zoom in op de Oude Stad vanuit de thema’s Herdgangen, netwerk van wegen en pleinen en (textiel) industrie

Waardering

Veel erfgoed kent een beschermde status. Dat betekent niet dat de onbeschermde fysieke leefomgeving geen kwaliteiten bezit of geen identiteit heeft. Daarom is het belangrijk om de waardering voor het bestaande altijd in beeld te brengen aan de hand van de vier waarden: herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde. Dit sluit aan bij fundament 1 'voortbouwen op de identiteit van Tilburg’ (zie hoofdstuk 2).

Beschermde stadsgezichten en cultuurhistorisch waardevolle bebouwing

Tilburg heeft twee rijksbeschermde stadsgezichten (Stadskern Tilburgse Binnenstad en Wilhelminapark/ Goirkestraat), drie gemeentelijk beschermde stadsgezichten (Oude Heikant, Sint Josephstraat e.o. en Hasseltplein) en één gemeentelijk beschermd dorpsgezicht (Kom Udenhout). In een beschermd stadsgezicht zijn de stedenbouwkundige structuur, de parcellering, de monumenten, beeldbepalende (cultuurhistorisch waardevolle) panden en specifieke inrichtingselementen maatgevend voor de cultuurhistorische waarden van de gebieden. Deze zijn in de afzonderlijke redengevende omschrijving van de beschermde gebieden vastgelegd.

Waarde-cultuurhistorie

In het omgevingsplan wordt het cultuurhistorisch karakter van beschermde stads- en dorpsgezichten en voor waardevolle ensembles (bijvoorbeeld aan de Tilburgse Linten) beschermd. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde monumenten, cultuurhistorisch waardevolle panden en overige panden.

Voor deze gebieden gelden de algemene criteria als opgenomen in hoofdstuk 6.

Basiskaart (steden)bouwkundig erfgoed, 2024

Kwaliteitsambitie

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is behoud, beheer en ontwikkeling van erfgoed het uitgangspunt. Erfgoed draagt sterk bij aan en is sterk bepalend voor de identiteit van het ruimtelijk weefsel en dat koesteren we.

Cultuurhistorische (steden-)bouwkundige kwaliteiten komen tot uitdrukking in objecten en ensembles, maar ook in bijzondere stedenbouwkundige of landschappelijke structuren, waaronder het historisch groen.

Aansluitend beleid

Routekaart ruimtelijk erfgoed (2023) met daarin het Verhaal van Tilburg, dat beknopt de ontwikkeling van de stad en de dorpen schetst, en de basiskaart (steden)bouwkundig erfgoed (2024).

3Stadsontwikkeling

Aan de hand van de ontwikkeling van de stad en de dorpen is er een onderverdeling gemaakt in gebieden die op de schaal van de stad onderscheidend zijn in hun stedenbouwkundige ontwikkeling en typologie. Deze gebieden worden hieronder beschreven aan de hand van de opgaven en kwaliteitsambities die de gebieden typeren.

Naast stedenbouwkundige typologieën zijn in de kaart ook de oude lintenstructuur, bijzondere stedenbouwkundige typologieën en de intensieve stad benoemd. Deze drie bijzondere duidingen zijn opgenomen om aan te geven dat er naast de definitie van de verschillende stedenbouwkundige typologiën er ook verbijzonderingen zijn, die de moeite waard zijn om op het niveau van de stad te benoemen.

De bijzondere stedenbouwkundige typologieën zijn de twee grote ziekenhuislocaties, de regionale functies zoals de universiteit, hogescholen, sportlocaties en bijzondere zorglocaties zoals Huize Assisië, Vincentius en Amarant. Daarnaast is in nadere afstemming met de omgevingsvisie Tilburg 2050 ook een zone opgenomen die de intensieve stad wordt genoemd. Hier landen een aantal grote verdichtingsopgaven, zoals de Spoorzone, Piushaven, Stappegoor en de kennisas, die zorgen voor een nieuw type stedelijkheid die we in Tilburg nog niet kennen.

Hoogstedelijke gebieden

In de Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen 2021 is de opgave voor het bouwen van ruim 25.000 woningen, grotendeels in de bestaande stad en dorpen, opgenomen. Uit deze woningbouwopgave volgt ook de vraag naar bijbehorende maatschappelijke voorzieningen, werklocaties, infrastructuur en groenvoorzieningen. In de Omgevingsvisie 2050 zijn specifieke gebieden onderscheiden die een hoogstedelijk karakter krijgen en een regionale (bovenlokale) opgave kennen. Deze gebieden zijn in de kaart stadsontwikkeling zichtbaar gemaakt. Hier landen een aantal grote verdichtingsopgaven, zoals de Spoorzone, Piushaven, Stappegoor en het Kenniskwartier, die zorgen voor een nieuw type stedelijkheid welke we in Tilburg nog niet kennen. We hebben hierbij de ambitie om een hoogwaardige stedelijke kwaliteit toe te voegen aan de bestaande stad. Deze kwaliteit onderscheid zich door in te zetten op het verweven van functies, de inzet van meervoudig ruimtegebruik en activering van plinten, interactie en levendigheid in de openbare ruimte, de inzet van gedeelde voorzieningen, een hoge bebouwingsdichtheid en een goede ontsluiting via het openbaar vervoer.

Bij de ruimtelijke verdichtingsopgaven die landen buiten deze hoogstedelijke gebieden hebben we de ambitie om aan het bestaande weefsel verschillende lagen van nieuwe kwaliteiten en voorzieningen toe te voegen en zo het bestaande weefsel te versterken. Dit geldt zowel voor de stad als voor de dorpen. Deze nieuwe lagen mogen herkenbaar en afleesbaar zijn. Dit vraagt om zorgvuldigheid en goed ontwerpend onderzoek om per locatie tot de juiste passende oplossing te komen. De identiteit van de bestaande stad en dorpen zijn hierbij het vertrekpunt. Nieuwe waarden en kwaliteiten worden toegevoegd en maken de leefomgeving toekomstbestendig.

Algemene kwaliteitsambities

•Maak ontwikkelingen gebiedsgericht door bestaande karakteristieken en kwaliteiten, de identiteit van het gebied, als vertrekpunt te nemen.

•Ben je bewust van de tijdgeest en opbouw van een gebied en reageer hierop.

•Gebruik de 13 regels voor een goede omgevingskwaliteit uit hoofdstuk 5 als basis bij nieuwe ontwikkelingen en initiatieven.

Waardering

De verschillende gebieden met hun stedenbouwkundige typologieën karakteriseren de ontwikkeling van de stad en de dorpen en maken de groei van de wijken afleesbaar. De typologieën kennen elk hun eigen karakteristieken en kwaliteiten. De belevingswaarde, herkomstwaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde binnen de gebieden zijn belangrijke waarden om rekening mee te houden bij ontwikkelingen.

Aansluitend beleid

•Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen 2021

•Omgevingsvisie Tilburg 2050 (in ontwikkeling)

Stadsontwikkeling l Stedenbouwkundige typologieën

3.1. Vooroorlogse stad (Oude Stad)

Het oudste gedeelte van de stad bevindt zich grotendeels binnen de ringbanen werd tijdens de opkomst van de textielindustrie steeds dichter bebouwd. Tilburg kent geen klassieke compacte binnenstad omkaderd door stadswallen of stadsmuren zoals Den Bosch en Breda. De Oude Stad is organisch gegroeid vanuit de historische linten, herdgangen en pleinen en is relatief kleinschalig en fijnmazig van opzet. Met het structuurplan van Rückert uit 1917 werd de oude stad gedefinieerd als vooroorlogse stad binnen de nieuw aan te leggen ringbanen.

De stedelijke planning van de Oude Stad brak pas echt door na de Tweede Wereldoorlog. In de jaren 60 werd de cityring aangelegd, werd het spoor verhoogd en ontstond er een oost-west verbinding van het centrum naar de universiteitscampus. Tilburg kreeg een modern stadshart dat goed bereikbaar was met de auto. Oude gebouwen en straten maakten plaats voor hoogbouw en nieuwe functies (zoals de schouwburg) en infrastructuur (Schouwburgring en Paleisring). Grootschalige werk- en fabriekslocaties die in de loop van de 19e en 20e eeuw achter en soms in de fijnmazige opzet van de lintenstructuur waren ontstaan, kwamen in de jaren 70 en 80 met het wegvallen van de textielindustrie beschikbaar voor stadsvernieuwingsprojecten (Structuurplan Oude Stad 1974). Op een aantal locaties zijn de oorspronkelijke fabrieken behouden gebleven, maar daarnaast hebben veel gebouwen plaatsgemaakt voor woningbouw.

Dit heeft de stad veel kansen gegeven om tot eigenzinnige woon-werklocaties te komen, waar vandaag de dag nog volop aan ontwikkeld wordt. Hierbij valt te denken aan de Piushaven, de Spoorzone (met de voormalige NS werkplaats), museum de Pont en het Textielmuseum aan de Goirkestraat.

Waardering

In de vooroorlogse stad is veel van de ontstaansgeschiedenis van Tilburg af te lezen. Daarnaast biedt de Oude Stad ook ruimte voor nieuwe, eigentijdse toevoegingen en is het stadscentrum nog volop in ontwikkeling. De komende jaren staat de realisatie van Koningswei, de Residentie aan de Piushaven en het Fabriekskwartier gepland. Maar ook kleinere initiatieven dragen bij aan de gelaagde identiteit van dit gebied.

Binnen de oude stad zijn verschillende deelgebieden aangewezen, waarvoor afzonderlijke visies en kwaliteitskaders zijn uitgewerkt.

De oude linten, herdgangen en pleinen zijn kenmerkende elementen en sterke identiteitsdragers binnen de voor- en naoorlogse stad. De linten kennen een grote diversiteit in functies en bebouwing, hebben veelal een fijnmazige parcellering en zijn organische gegroeid. De 'Structuurvisie Linten in de Oude Stad’ geeft richting aan het ontwikkelen van de linten, maar is met de hedendaagse opgaven niet langer toereikend. Een actualisatie van deze visie vanuit het oogpunt van het waardevolle karakter en de identiteit van de linten is zeer wenselijk.

Kwaliteitsambitie

Bij ontwikkelingen in de Oude Stad is het belangrijk om de groei van de stad en de historische structuur herkenbaar te houden en waar mogelijk te versterken. Daarnaast is het voor een leefbare binnenstad van groot belang dat de samenhang tussen de verschillende grote ontwikkelingen in het centrum, zoals de Piushaven, Koningswei en het Louis Bouwmeesterplein goed met elkaar en de bestaande omgeving verweven worden, zowel ruimtelijk als qua programma. Een groot deel van deze opgave landt in de openbare ruimte. Daarbij heeft de gemeente de ambitie om voetgangers en fietsers meer ruimte te geven en ligt er een grote opgave op het vlak van hittestress en vergroening.

Aansluitend beleid

•Structuurvisie Linten in de Oude Stad (2013)

•Agenda Linten: Koersdocument voor Korvel en Besterd (juli 2023)

•Koersdocument Spoorzone. deel 1 (2019)

•Koersdocument Spoorzone. deel 2 (2019)

•Koersdocument Spoorzone. deel 3 (2019)

Omgevingsvisie Tilburg 2040: De Binnenstad van de 21e eeuw

(tekst overgenomen uit voormalige welstandsnota, te actualiseren na vaststelling omgevingsvisie Tilburg 2050)

De Binnenstad van de 21e eeuw is een samenvoeging van de huidige binnenstad en de Spoorzone. De binnenstad is een rijksbeschermd stadsgezicht en de voormalige NS Werkplaats betreft een uniek en gaaf gebleven industrieel erfgoed.

In hoofdlijnen geldt hier het volgende:

•Historische elementen van gebouwen of structuren die ‘het verhaal’ van Tilburg vertellen worden door hergebruik, restauratie/renovatie, passende transformatie of vernieuwing versterkt. De kwaliteiten van het cultuurhistorisch erfgoed worden benut en gebruikt als inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen.

•Inspiratie wordt niet alleen ontleent aan de oude historie, maar ook aan de jonge geschiedenis van Tilburg.

•Met initiatieven wordt ingespeeld op de ruimtelijke context, zoals de structuur van de oude binnenstad en het complex van werkplaats. Historische kenmerken dragen bij aan een prettige leef- en verblijfsomgeving.

•Door het zorgvuldig toevoegen van nieuwe functies en nieuwe programma’s (verdichten)wordt de levendigheid en de gewenste stedelijkheid (dynamiek)versterkt.

•‘Routes en Verbindingen’ van en naar de binnenstad zijn herkenbaar en hoogwaardig ingericht en groen wordt toegevoegd om de aantrekkelijkheid te vergroten.

•De binnenstad van de 21e eeuw is de huiskamer (‘pronkkamer’) van de stad en dat vergt een hoog ambitieniveau van initiatieven en hoge mate van sturing op omgevingskwaliteit.

Structuurvisie Linten in de Oude Stad (2013, aan te passen na actualisering van de structuurvisie)

In 2013 is de 'Structuurvisie Linten in de Oude Stad’ vastgesteld met als doel de historische structuur van de linten en het erfgoed te beschermen en de historische uitstraling en identiteit te versterken. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen de hoofdstructuur (bedrijvige linten) en de secundaire lintbebouwing. Nieuwe bebouwing aan de bedrijvige linten moet zich voegen in de historische, kleinschalige structuur en bijdragen aan het karakter en de identiteit van de linten. Daarnaast is de diversiteit in bebouwing en functies aan de linten ook een belangrijk aspect.

De secundaire, rustige, lintbebouwing is grotendeels ontstaan in het einde van de 19e eeuw. Tussen de oude linten, aan akkerpaden en in de velden ontstonden individuele en kleinschalige woningbouwuitbreidingen. Ook kan een oorspronkelijk dynamisch lint een rustiger karakter gekregen hebben, zoals het Smidspad. Kenmerkend voor deze gebieden is het overwegende woonkarakter, de kleinschalige bebouwing in afzonderlijke panden, dan wel in kleine groepjes, smalle en vaak lange straten met diepe percelen.

De 'Structuurvisie Linten in de Oude Stad’ geeft richting aan het ontwikkelen van de linten, maar is met de hedendaagse opgaven niet langer toereikend. Een actualisatie van deze visie vanuit het oogpunt van het waardevolle karakter en de identiteit van de linten is zeer wenselijk.

In afwachting van deze actualisatie wordt het bestaande beleid uit de voormalige welstandsnota hier overgenomen.

Criteria voor de beoordeling van een plan aan de linten zijn (in aanvulling op de criteria uit de nota omgevingskwaliteit):

-Verticale architectonische geleding (parcellering) van 6 tot 12 m. (of anderszins voortkomend uit de situatie).

-Het ontwerp voegt zich overtuigend binnen de context.

-Zorgvuldige en duurzame materialisering en detaillering.

-Waardevolle karakteristieken worden gerespecteerd.

-Een vlakke en massieve voorgevelopbouw, eventueel met erkerachtige uitbouwen, en grotendeels inpandige loggia's

-De hoofdbouwmassa start op maaiveld, geen verdiepingshoge transparante plinten.

-Zorgvuldige architectonische uitwerking van hoogtesprongen met de naastgelegen bebouwing door afwijkende materialisering in de bovenste bouwlaag en/of verspringingen in de gebouwcontour.

-In het zicht komende kopgevels boven de belendingen, ook als zogenaamde 'wachtende’ gevel, grafisch en/of plastisch verlevendigen

-Bij voorkeur publieksfuncties op maaiveld, bij woningen voordeuren, geen bergingen of dichte muren en hekken, geen half opgetilde parkeerkelders.

-Aandacht voor de kwaliteit van de openbare ruimte, de inrichting van de achterterreinen en de aanhechting op de achtergelegen buurt. Garageboxen en parkeerplaatsen hebben grote impact op het verblijfsklimaat.

De volgende criteria gelden voor de secundaire lintbebouwing:

-Afhankelijk van de specifieke situatie is bij verbouwingen het individuele karakter dan wel het ensemblekarakter van de omgeving van het bouwplan maatgevend

-Waardevolle karakteristieken dienen te worden gerespecteerd

-Een zorgvuldige en duurzame materialisering en detaillering

-Verticale architectonische geleding (parcellering) van 6 tot 12 m. (of anderszins voortkomend uit de situatie).

-Het ontwerp voegt zich overtuigend binnen de context en de straatwand.

3.2. Naoorlogse stad

Voor de naoorlogse uitbreidingswijken buiten de ringbanen werd de basis gelegd in het Uitbreidingsplan in Hoofdzaak uit 1940, dat in 1953 werd herzien en uitgebreid. De nieuwste stedenbouwkundige en sociografische inzichten waren hierin verwerkt. Na de aanleg van de ringbanen is de oude stad met typische naoorlogse stempelstructuren richting de contouren van de ringbanen gegroeid en zijn er vervolgens twee grote uitbreidingswijken gerealiseerd, Tilburg Noord en Tilburg West (Het Zand, De Reit en het Wandelbos).

Wijkgedachte

Tilburg-Noord is net als bij het Zand en De Reit gebouwd volgens de zogenaamde ‘wijkgedachte’. De wijkgedachte werd verondersteld een heilzame werking op de samenleving te hebben. De stad moest worden opgebouwd uit wijken die volledig zelfstandig waren. Binnen die wijken kon een overzichtelijk ruimtelijk kader worden geboden met een eigen karakter en een wijkraad als kern van de wijkorganisatie. Om het bouwproces te versnellen werd in Tilburg-Noord en -West gebruik gemaakt van stempelbouw: zich herhalende composities van laag- en hoogbouw. Niet alleen de wijken werden gestandaardiseerd, maar ook de woningbouw, die meer en meer het principe van de systeembouw volgde.

De naoorlogse uitbreidingswijken kenmerken zich door de moderne gedachte van functiescheiding en licht, lucht en ruimte tussen de woningen. In een vaak ruime groene setting, met parken, lanen en ruime plantsoenen zijn stempelsgewijs rijenwoningen in open bouwblokken geplaatst, afgewisseld met portiekflats en galerijflats. Op gezette locaties is er een seniorencomplex, basisschool, een kerk of een voorzieningenstrip ingevoegd. De verkeersstructuur is ontworpen op een zeer hoog autogebruik, wat resulteert in brede straatprofielen en ruime parkeerterreinen en veel garagehoven. Er zijn ook speelgelegenheden in rustige woonpaden of hoven in deze gebieden opgenomen.

Tilburg University Campus

Op een steenworp afstand van NS-station Tilburg Universiteit ligt, pal tegen de Oude Warande, de campus van Tilburg University. De universiteitsgebouwen liggen in een compact gebied in een groene setting. De campus werd geopend in 1960 en veel universiteitsgebouwen weerspiegelen het tijdsbeeld van de wederopbouw. De ligging in het oudere landschap, de aansluiting op het oude sterrenbos Oude Warande, de integratie van naoorlogse bouwkunst met het landschap en verbinding met de stad maken dit tot een gebied met bijzondere kwaliteiten. Ook de inrichting van het terrein en een aantal gebouwen van Jos Bedaux en meer naar het oosten van Maaskant zijn toonbeelden van waardevolle, naoorlogse architectuur met een nationaal belang. Met de ontwikkeling van het Kenniskwartier wordt de relatie van de Tilburg University Campus met de ontwikkelingen rondom het NS-station en de overige gebiedsontwikkelingen in Tilburg West uitgewerkt. Deze wordt meegenomen bij de uitwerking van dit deelgebied. Cultuurhistorische waarden worden ten volle benut. Een tijdloos modernisme in een campus waar de groene kwaliteit dominant is.

Wederopbouwgebieden

Naoorlogs erfgoed komt in Nederland steeds meer in de belangstelling te staan. Ook Tilburg is rijk aan bijzonder erfgoed uit de periode 1945-1970. Omdat er daarvan weinig formeel beschermd is, zijn er voor de toets van een herbestemming of restauratie van dergelijk erfgoed extra criteria opgenomen.

Van vrijwel alle gebieden in Tilburg is een uitgebreide cultuurhistorische verkenning opgesteld. De verkenningen zijn gestoeld op het Monumenten Inventarisatieproject en het onderzoek naar stedenbouw en bouwkunst uit de wederopbouwfase. Informatie over deze bijzondere gebieden is opgenomen in de cultuurhistorische paragrafen die behoren bij de bestemmingsplannen en die via de bruidsschat onderdeel uitmaken van het omgevingsplan. Het verdient een aanbeveling om voorafgaande aan de planvorming kennis te nemen van de beschikbare informatie hieromtrent.

In hoofdlijnen geldt in dergelijke bijzondere (wederopbouw)gebieden en bijzondere complexen/gebouwen het volgende, aanvullend op de criteria als benoemd in de nota omgevingskwaliteit:

•Uitgangspunt is het behoud van waardevol erfgoed. Dat betekent niet dat er een stolp over het erfgoed staat, maar het verleden gebruikt wordt als inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen. Het erfgoed heeft daarin nadrukkelijk een plek. Kansen moeten optimaal benut worden onder het motto: 'behoud door ontwikkeling'.

•Naast de algemene criteria vormen de specifieke cultuurhistorische kenmerken van het complex, het ensemble, het object of de structuur mede het toetsingscriterium bij de planbeoordeling.

•Specifieke architectonische- en stedenbouwkundige kenmerken van het blok of ensemble dienen te worden onderkend en gerespecteerd.

•Bij veranderingen van bijzondere complexen/gebouwen wordt advies van de oorspronkelijke architect aanbevolen (indien mogelijk).

Waardering

Voor elk deelgebied binnen deze naoorlogse uitbreidingswijken zijn eigen verbijzonderingen en kwaliteiten te onderscheiden die de gebieden een eigen identiteit geven. Tegelijkertijd spelen er gelijksoortige opgaven. De wederopbouwwijken kenmerken zich door een rationele ruimtelijke structuur met veel kwaliteit in de groenstructuren.

In algemene zin hebben deze wijken een sterke hoofdstructuur met veel kwaliteit in de groene openbare ruimte.

Ambitie

In de verstedelijkingsstrategie is opgenomen dat een groot gedeelte van de verdichtingsopgave gaat landen in de naoorlogse wijken. Hiervoor worden en/of zijn er per gebied gebiedsperspectieven opgesteld. Hierin wordt onderzocht hoe met de ontwikkeling van de opgave ook de leefomgeving kwalitatief kan worden verbeterd aan de hand van de GROW+V waarden. Andere ambities op het vlak van de mobiliteitstransitie, verduurzaming, het versterken van ontwikkelkansen en de sociale samenhang en het versterken van het groene karakter en de klimaatadaptie worden hierbij betrokken. Daarnaast spelen thema's zoals woningsplitsing, de mogelijkheden voor optopping, het activeren van plinten en het creëren van semi-publieke ontmoetingsruimte een belangrijke rol bij de ontwikkeling van dit soort naoorlogse wijken. Belangrijk is om hierbij steeds uit te gaan van de kwaliteiten die de stedenbouwkundige opzet en de bestaande bebouwing in zich meedragen. Aan de hand van een gebiedsbiografie worden deze kwaliteiten in beeld gebracht.

Het maken van een gebiedsgericht kwaliteitskader (met als vertrekpunt de gebiedsbiografie) is een nadere uitwerking van de ruimtelijke verkenning van het gebiedsperspectief en geeft ontwikkelaars en individuele initiatiefnemers meer inzicht in de ruimtelijke mogelijkheden, randvoorwaarden en uitgangspunten. Zie hiervoor paragraaf 3.3.

Bij ruimtelijke verdichtingsopgaven is het belangrijk om deze groenkwaliteit goed te activeren en programmeren. Daarnaast biedt verdichting in deze wijken kansen om het woningaanbod diverser te maken, maatschappelijke voorzieningen te behouden en te verbeteren en de sociale cohesie te bevorderen door verschillende vormen van ontmoeting te stimuleren en faciliteren.

Aansluitend beleid

Gebiedsperspectief Groenewoud (2023)

Tilburg Noord gebiedsperspectief (2024)

Omgevingsprogramma Kenniskwartier (2025)

3.3. Woonerven

In de jaren 70 en 80 zijn er nieuwe stedenbouwkundige typologieën in de stad geïntroduceerd, namelijk de woonerven Zorgvlied West en een gedeelte van de huidige wijk Groenewoud. Na de kritiek op de eenvormigheid, saaiheid en monotonie van Tilburg-Noord kregen deze gebieden een informeler, complexer karakter met hofjes, kronkelige stratenpatronen en woonerven waar voetgangers en fietsers het primaat hebben in plaats van de auto.

Deze wijken kennen een eigen maat en schaal binnen de context van de stad. De woonerven hebben een informeel karakter met hofjes en woonerven waar voetgangers en fietsers het primaat hebben in plaats van de auto.

Ambitie

De ambitie is om de samenhang en kwaliteit van de erven en hoven te behouden en te versterken.

Binnen deze wijken komen veel woningaanpassingen en –uitbreidingen voort, deels ook ingegeven door de energietransitie en de bijbehorende verduurzamingsslag die bij bestaande woningen steeds vaker plaats vindt. Daarnaast spelen in Groenewoud de opgaven uit het gebiedsperspectief die voornamelijk inzetten op het versterken van voorzieningen en het beter verbinden van de wijk naar het centrum van de Stad en in oost- westelijke richting naar Stappegoor en het Leijpark. Hierbij speelt samenhang en consistentie in de openbare ruimte een belangrijke rol. Nieuwe voorzieningen die aan deze verbindingen worden toegevoegd moeten bijdragen aan het versterken van de samenhang binnen de wijk. Waar mogelijk is verdichting, woningsplitsing en optoppen van bestaande bebouwing wenselijk.

3.4. Bloemkoolwijk

Woonwijk de Blaak is in de jaren 80 als een bijzondere vorm van het woonerf, namelijk binnen een zogenaamde ‘bloemkool’ structuur, ontworpen en ontwikkeld. Er is een hoofdontsluitingsroute waarop alle hofjes uitkomen. In de wijk zijn veel water- en groenpartijen opgenomen. Particuliere tuinen bevinden zich tussen de woonerven en de singels, met het idee om de overgang van privé naar openbaar zonder gebouwde erfafscheidingen te realiseren, zodat er een groen beeld ontstaat.

Ambitie

Ook in de Blaak komen voornamelijk woningaanpassingen en –uitbreidingen voort, deels ook ingegeven door de energietransitie en de bijbehorende verduurzamingsslag die bij bestaande woningen steeds vaker plaats vindt. Bij bouwopgaven in de wijk speelt het vrije, natuurlijke karakter van de wijk en de ligging aan natuurgebied De Blaak een belangrijke rol. Tussen de gebouwen onderling is er op mogelijke uitzonderingen na geen hiërarchie. Waar mogelijk is verdichting, woningsplitsing en optoppen van bestaande bebouwing wenselijk.

3.5. Dorpen

In 1997 werden Berkel-Enschot en Udenhout bij de gemeente Tilburg gevoegd, en in 2021 Biezenmortel. De drie dorpen zijn organisch gegroeid en tot de jaren '90 steeds met kleinschalige bebouwing uitgebreid. De dorpsharten zijn nog goed herkenbaar en de dorpse bebouwing bestaat uit een fijne korrel van tweekappers, vrijstaande huizen en soms korte rijwoningen. Sinds de jaren 90 zijn er enkele grotere uitbreidingen aan de dorpen toegevoegd.

Ambitie

Bij het vaststellen van het Koersdocument Oostflank (2024) is de bouwopgave vanuit de Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen voor de dorpen vastgelegd. Belangrijke thema's hierbij zijn toekomstbestendig en betaalbare huisvesting voor starters en het stimuleren van doorstroming op de woningmarkt door meer diversiteit in het woningaanbod aan te brengen. Het toevoegen van woningen gebeurt enerzijds door dorps te verdichten en anderzijds door nieuwe dorpsranden te ontwikkelen die kansen bieden voor nieuwe vormen van wonen (nieuwe dorpse woontypologieën) en die daarnaast de aanhechting van de dorpen op het omliggende landschap versterken. Met het toevoegen van woningen in de dorpen is er meer draagvlak voor voorzieningen en wordt de leefbaarheid vergroot.

Aansluitend beleid

Koersdocument Oostflank (2024)

3.6. VINEX (Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra)

In de afgelopen decennia is de woonwijk Reeshof ontwikkeld, een van de eerste bodem- en watergestuurde gebiedsontwikkelingen in Nederland.

Ruim veertig jaar is aan de Reeshof gebouwd. En er wordt nog steeds aan gebouwd. Hierdoor is dit stadsdeel een staalkaart van de Nederlandse woningbouw geworden. Het eerste deelplan uit de jaren ’70, Gesworen Hoek, is met zijn slingerende straten en woonerven een intieme en informele buurt. De buurten die in de jaren 80 volgden kregen een formeler en overzichtelijker karakter. Met enige vaart ontwikkelden overheid en steeds meer private partijen de wijken Tuindorp De Kievit, Dongewijk en Leeuwerik. Mede door die private ontwikkelaars en de groeiende economie kwam er veel variatie en meer kleur in de woningbouw. Dalem-Zuid en Dalem-Noord kregen in de jaren ’90 een wat kalmer en strakker karakter. De meest recente uitbreidingen van de Reeshof zijn Witbrant en Koolhoven ten zuiden van de spoorlijn naar Breda.

Ambitie

Binnen de Reeshof verandert door de tijd heen de bevolkingssamenstelling. Mede daardoor veranderen de behoeftes aan maatschappelijke voorzieningen en ontstaan er vraagstukken omtrent de mogelijkheden tot het aanbrengen van een grotere diversiteit aan woonvormen door bijvoorbeeld woningsplitsing, verdichting en het optoppen van bestaande gebouwen.

Binnen de wijk liggen verschillende buurten, die als een eenheid ontworpen zijn.

3.7. Hedendaags

Aan de zuidkant van Tilburg en tegen de dorpen zijn vanaf de jaren 90 nieuwe woongebieden ontwikkeld. Dit zijn deels transformaties van bestaande complexen, zoals het Cenakel, deels doorontwikkelingen, zoals het nieuwe dorpshart in Berkel-Enschot, deels nieuwe uitbreidingen, zoals bij de Mortel in Udenhout. Deze hedendaagse uitbreidingslocaties zijn veelal projectmatig tot stand gekomen en hebben een samenhangende stedenbouwkundige structuur en een eigen architectonische uitstraling. Incidenteel komen er ook gebieden voor waar ruimte is gegeven voor individuele invulling van kavels met (half)vrijstaande woningbouw. Kleine nieuwe ontwikkelingen binnen deze gebieden sluiten aan op de kwaliteiten van de omgeving. Dit zijn vooral woningaanpassingen en –uitbreidingen.

Ambitie

Bij de hedendaagse ontwikkelingen geldt in algemene zin dat aanpassingen en uitbreidingen aan moeten sluiten op de kwaliteiten van de omgeving. Hierbij gelden de criteria als opgenomen in de nota omgevingskwaliteit.

Bij de ontwikkeling van Buitengoed Nieuwe Warande zijn enkele gebieden opgenomen waar een minimale sturing op kwaliteit geldt. Langs het lint geldt de standaard kwaliteitssturing. Het inspiratieboek 'Buitengoed Nieuwe Warande’ vormt de leidraad bij de toetsing van bouwplannen in dit gebied. Het inspiratieboek laat zien dat voor de invulling van de Nieuwe Warande naast de traditionele agrarische bebouwing ook ruimte moet zijn voor andere architectuurvormen, specifieke woonvormen als hoeves, weilandwoningen, pleinwoningen, boederijkavels, residentie, laanwoningen, landhuizen, boswoningen, woonschuren etc. Dit alles zowel in een traditionele als in een moderne uitvoering.

Bij gebieden met planmatige ontwikkelingen gelden onderstaande criteria in aanvulling op de nota omgevingskwaliteit:

1Bouwplannen worden vooral getoetst vanuit de samenhang met de belendingen, c.q. het blok of het ensemble. In een gave en uniforme context dienen de specifieke architectonische kenmerken van het blok of ensemble te worden onderkend en gerespecteerd (denk aan overstekken, gevel- en dakplastiek, puiindeling, drager-inbouw e.d.);

2Woninguitbreidingen en -veranderingen bij blokbeëindigingen worden bij voorkeur ingezet om stedenbouwkundige accenten te verkrijgen;

3Architectonische veranderingen van afzonderlijke woningen in een blok dienen de architectonische principes van het blok te respecteren; indien een geheel blok wordt aangepakt kan hiervan worden afgeweken; bij gesloten bouwblokken kunnen aan achterzijden van woningen hierbij meer vrijheden worden toegelaten;

4Zelfstandige bijzondere bebouwing (scholen en andere voorzieningen) onderscheidt zich bij voorkeur in architectonische zin (positief) van zijn omgeving;

3.8. Buitengebied

Tilburg kent een omvangrijk buitengebied waarvan een deel geldt als landschappelijk en natuurwetenschappelijk waardevol agrarisch gebied. Bovendien zijn er uitgebreide natuur- en/of bosgebieden met recreatiebebouwing. Het Midden-Brabantse buitengebied wordt in cultuurhistorische zin gekenmerkt door langgevelboerderijen, waarbij woonhuis en stalruimte in een enkelvoudig bouwvolume onder zadeldak zijn samengebracht. Bij nieuwe bebouwing is het uitgangspunt dat er een herkenbare, gebiedseigen typologie wordt gerealiseerd, passend binnen de landschappelijke en architectonische context. Dat betekent dat bebouwing in het buitengebied in de meeste gevallen een andere uitstraling heeft dan vrijstaande bebouwing in de bebouwde kom.

Aanvullend op de criteria uit de nota omgevingskwaliteit geldt ook het volgende uitgangspunt:

Bij (vervangende) nieuwbouw van hoofd(woon)bebouwing en/of schuren en bijgebouwen moet rekening gehouden worden met of aangesloten worden bij de karakteristieke agrarische vorm en maat van de woonbebouwing, passend bij de Midden Brabantse zandgronden voor wat betreft: hoofdmassa, locatie, positionering, maatvoering, detaillering, materiaalgebruik (metselwerk en pannen), dakvorm (zadeldak) en dakhelling (in principe 1 bouwlaag met kap). Met in acht name van eventuele voor het gebied kenmerkende verbijzonderingen en met de nadruk op een sobere bouwstijl die gerelateerd is aan het specifieke agrarische karakter van de omgeving en de bestaande bebouwing.

De criteria voor landbouwloodsen in het buitengebied kunnen in hoofdlijnen als volgt worden geformuleerd:

1Nieuwe loodsen dienen parallel aan bestaande te worden gesitueerd en qua dakhelling, maatvoering, kleur- en materiaalkeuze op een bestaande loods worden afgestemd;

2Bij uitvoering geheel in zwarte of zeer donkergroene kleur kan van het gestelde onder 1. worden afgeweken.

4Werklandschappen

Naast de grote gebiedsontwikkelingen spelen er in Tilburg forse ontwikkelingen op bedrijventerreinen en in de werkgebieden. De ruimte is schaars en als gevolg daarvan spelen er veel ruimtelijke ontwikkelingen op en rondom zowel de binnenstedelijke werkgebieden als de gemengde en meer grootschalige bedrijventerreinen. We hebben de ambitie om bij deze ontwikkelingen te sturen op een goede omgevingskwaliteit.

In de stad zijn verschillende binnenstedelijke werkgebieden die zijn ontstaan uit oude fabriekspercelen. Deze zijn verweven met de daar omheen liggende woongebieden. Vanaf de jaren 70 is een groot deel van de huidige bedrijventerreinen gerealiseerd aan de randen van de stad, rondom en tussen het kanaal en de N260.

De Kanaalzone huisvest een brede mix aan bedrijvigheid, van zwaardere industrie tot leisure en grootschalige detailhandel. Loven (ten noorden van de Geminiweg), Vossenberg I en II en Kraaiven bieden juist plek aan een combinatie van zwaardere maakbedrijvigheid en logistiek, waarbij het bovendien de ambitie is om de kanaalgebonden kavels op Kraaiven en Loven beter te benutten. Meest recent is aan deze noordzijde Vossenberg West ontwikkeld, dat plek biedt aan grootschalige (veelal logistieke) ruimtevragers.

Aan de zuidzijde van de stad vindt sinds de jaren ’80 met de ontwikkeling van bedrijventerrein Het Laar maakbedrijvigheid een plek. Sinds de jaren ’90 ontwikkelden we twee aanpalende terreinen. Katsbogten, met een meer grootschalige opzet geschikt voor een logistiek profiel, en Tradepark58 dat qua opzet en uitstraling zich juist richt op hoogwaardige, kennisintensieve maakbedrijvigheid. In het Zuidwesten zetten we met de ontwikkeling van Wijkevoort in op een campusachtige omgeving waarbij zowel economisch als ruimtelijk zeer stevig gestuurd wordt op een zo hoogwaardig mogelijke ontwikkeling. Tot slot zijn er in de dorpen ook enkele kleinere bedrijventerreinen ontwikkeld en een relatief groot bedrijventerrein, Kreitenmolen, ten zuidoosten van Udenhout.

Ook de agrarische productielandschappen, ziekenhuislocaties, de kennisas en het centrum zijn op het niveau van de hele gemeente belangrijke werklandschappen. Vooral de kennisas (Kenniskwartier en Spoorzone) biedt ruimte aan hoogwaardige, innovatieve bedrijven, die qua aard en omvang van activiteiten niet per se op een bedrijventerrein gevestigd hoeven te zijn.

Waardering

De verschillende stedenbouwkundige typologieën karakteriseren de ontwikkeling van de werklandschappen en vertellen het verhaal van de werkstad Tilburg. Tegelijkertijd zijn de veranderingen en de economisch aantrekkelijke groei van deze locaties hierin afleesbaar.

De gebieden en typologieën verschillen qua context en hebben elk hun eigen karakteristieken en kwaliteiten, die behouden en geborgd worden.

De herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde zijn belangrijke aspecten om rekening mee te houden bij toekomstige ontwikkelingen.

Belangrijke input vormen de toekomstbeelden en kansrijke ontwikkellocaties die voortkomen uit gebiedsgerichte, ontwerpende onderzoeken en gebiedsagenda’s. Deze stellen we samen met het bedrijfsleven op vanuit het programma Revitalisering Bedrijventerreinen. Hierin wordt rekening gehouden met de economische profilering, ligging, kavelgrootte, schaal en maat van de bebouwing, beschikbare milieuruimte, de ontsluiting voor goederen- en personenvervoer, (gedeelde) voorzieningen voor werknemers en bezoekers en klimaat adaptieve inrichting van het gebied. Een aantrekkelijke werkomgeving is een steeds belangrijker wordende vestigingsfactor. De ruimtelijke kwaliteit van bedrijventerreinen heeft daarom in de afgelopen jaren steeds meer aandacht gekregen.

Kwaliteitsambities

•Ontwikkel gebiedsgericht door bestaande karakteristieken en kwaliteiten, de identiteit van het gebied, als vertrekpunt te nemen en de landschappelijke waarden te versterken. Bouwinitiatieven zijn altijd specifiek ontworpen voor het omliggende gebied. Ondernemers én werknemers moeten in deze gebieden fijn en effectief kunnen werken.

•We leggen de link met onze economische strategie en sorteren voor op de eisen aan functionaliteit en kwaliteit die de economie van de toekomst en de route naar brede welvaart aan ons stelt.

•We verdichten, verduurzamen, vergroenen en vernieuwen onze werkgebieden met oog voor het laadvermogen van de werkgebieden zelf en de omliggende omgeving. We kijken daarbij nadrukkelijk naar effectief ruimtegebruik door gestapeld bouwen, meervoudig ruimtegebruik en sterke gebiedsprofielen. Dat doen we programmatisch met het programma Revitalisering Bedrijventerreinen.

•De programmatische revitaliseringsaanpak ondersteunen we met de verdere uitwerking van de Nota Omgevingskwaliteit middels het gebiedsgerichte kwaliteitskader bedrijventerreinen. Hierin worden de regulerende en stimulerende criteria nader uitgewerkt waar de omgevingscommissie bij omgevingsvergunningen aan toetst. Deze criteria bieden ondernemers en hun adviseurs houvast.

•We zetten in op ontwerpkracht om de ruimtevraag aan de voorkant te beantwoorden en sturen op de intensivering, duurzame mobiliteit, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Bouwinitiatieven zijn in maat en schaal afgestemd op de omliggende bebouwing en de stad als geheel.

•Nieuwbouw en verbouw heeft een bij de omliggende bebouwing passende heldere hoofdvorm die daarnaast ook rekening houdt met passende verdiepingshoogtes voor de industriële functies.

•We sturen bij bouwinitiatieven op de samenhang binnen de architectonische eenheid. Het gevelontwerp is consequent en goed van verhouding. Verkleining van grote volumes door middel van plasticiteit zorgt ervoor dat er meer menselijke maat komt.

•Entreegebieden van gebouwen, inclusief luifels en logo’s, zijn zorgvuldig vormgegeven. Hierin wordt ook de groene inrichting van de voorterreinen en aantrekkelijke parkeervoorzieningen van bedrijven meegenomen.

•Gebouwen, technische installaties en andere grote statische elementen worden bij voorkeur uitgevoerd in een terughoudend kleurenschema (low on colour). Kleuraccenten zijn toegestaan, bijvoorbeeld een lijn over een vlak of een constructieve aan duiding van een volume.

Aansluitend beleid

•Werklocatiebeleid ‘Toekomstbestendige werklocaties’

•Programma aanpak Revitalisering bedrijventerreinen en daaruit voortkomende ontwerpende onderzoeken en gebiedsmanifesten

•Economische Strategie: De economische route naar Brede Welvaart (nog vast te stellen d.d. september 2025)

Werklandschappen

5Groen/blauw netwerk

Beschrijving

De stad Tilburg en de dorpen zijn omringd door natuur en landschapsparken. Er is een grote diversiteit aan landschapstypen, waaronder grote gebieden van het Natuurnetwerk Brabant en de Natura2000-gebieden De Brand en de Leemkuilen. Deze gebieden maken deel uit van grotere natuurlijke systemen in Midden-Brabant, zoals de Kampina en de Loonse en Drunense Duinen.

Er zijn in Tilburg twee natuurlijke watersystemen ondergebracht in twee waterschappen: de Dommel en de Donge. De natuurlijke waterlopen en beekdalen verbinden de natuurgebieden en maken onderdeel uit van het ecologische hoofdnetwerk.

Het kanaal, als eigenstandig watersysteem, en de hoofdinfrastructuur vormen ook een onderdeel van het ecologische hoofdnetwerk door de groenvoorzieningen en parken die hieraan zijn gekoppeld.

Woongebieden met stads- en dorpsgroen en het landschap sluiten op veel plekken op elkaar aan. De dorpen Udenhout en Biezenmortel hebben een sterke relatie met het vaak agrarische landschap, terwijl Berkel-Enschot door barrières als de snelweg en het spoor verder van het landschap af ligt.

Rondom de stad Tilburg liggen diverse landschapsparken, zoals Moerenburg aan de oostzijde, Landschapspark Pauwels aan de noordzijde en Stadsbos 013 aan de westzijde. In het stedelijke weefsel verbinden groene structuren de wijken met het omliggende landschap. Zo is de wijk Reeshof dooraderd met het beekdal de Oude Leij en kenmerkt Tilburg Noord zich met brede groene structuren langs de hoofdontsluitingswegen.

De groenvoorzieningen in de oude stad beperken zich tot enkele parken, waaronder bijvoorbeeld het Wilhelminapark dat gelegen is op een oorspronkelijke ‘plaatse’ aan de herdgangen.

Drie stadsregionale parken (te actualiseren en uit te breiden na vaststelling Omgevingsvisie Tilburg 2050)

Naast de stedelijke verdichting zijn drie parken aangewezen die de verbinding leggen tussen de stad en de grote natuurgebieden in de omgeving. Hierbij is er naast het versterken en behouden van de natuurwaarden ook aandacht voor het vergroten van de gebruikswaarden. De hoofdlijnen voor deze gebieden zijn vastgelegd in het Masterplan Landschapspark Pauwels, Vorstelijk landschap (Moerenburg-Koningshoeven) en Ruimtelijk Raamwerk Stadsbos013. Daarnaast is er een sterke verbondenheid met de transitie van het landelijk gebied op basis van het Koersdocument Oostflank. Dit onderdeel wordt verder geactualiseerd en aangevuld bij het uitwerken van de Omgevingsvisie Tilburg 2050.

A. Vorstelijk landschap Moerenburg - Koningshoeven

Het gebied Moerenburg - Koningshoeven is herkenbaar door cultuurhistorische iconen als de laat-19e eeuwse Abdij Koningshoeven en de moderne contouren van Huize Moerenburg. Het betreft een aantrekkelijk kleinschalig mozaïeklandschap met alle kenmerken van het pre-industriële Brabant. Gevarieerd, met recreatieve voorzieningen, boerderijhoeves en andere historische bebouwing. Op verschillende plekken heeft de stadslandbouw zich ontwikkeld. Nieuwe landschapselementen hebben de ecologie in het gebied versterkt.

B. Stadsbos013

Stadsbos013 is een 18- en 19e eeuws landgoederenlandschap dat ontstond rond buitenplaatsen van Tilburgse fabrikanten. Het gebied bevat een barok sterrenbos (de Oude Warande), overige bossen, open graslanden, beekdalen, sportgelegenheden (zoals velden voor hockey en -rugby, voetbal, hardlopen en een golfbaan). Er zijn landbouwgronden en cultuurhistorisch waardevolle gebieden (landgoed Heidepark/Vredelust en het pompstation uit 1898). Het is een gebied aan de zuidwestflank van Tilburg.

C. Landschapspark Pauwels

Landschapspark Pauwels is een buitengebied ten noorden van de stad. Het vormt de overgang van de stad naar de Loonse en Drunense duinen, Huis ter Heide en Lobelia. Het landschap en de inrichting van het gebied is zeer divers. Ten oosten van de Midden-Brabantweg bevindt zich het Noorderbos.

Ten westen van de Spinder ligt een prachtig vennengebied. Het gebied heeft al veel interessants te bieden, voor wie er oog voor heeft. De latent aanwezige, maar niet direct zichtbare cultuurhistorie en landschappelijk ecologische waarden, vormen hiervoor de basis.

Waardering

Bijna al het bos en de natuurlijk ingerichte gronden in het buitengebied van de gemeente Tilburg zijn onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant. De Brand en de Leemkuilen zijn daarnaast aangewezen als Natura2000 gebieden en hebben een Europese beschermde status.

Kwaliteitsambities

•Koester en versterk de diversiteit aan landschappen als groene contramal van stad en dorpen.

•Werk aan duidelijke randen en goede ecologische verbindingen en het aanleggen van ontbrekende schakels.

•Zorg dat het landschap een buffer vormt tussen de stad en dorpen. Zorg dat deze overgang zacht is en zorgvuldig ontworpen.

•Behoud en versterk de biodiversiteit.

•Houdt rekening met het watersysteem en de invloed van ontwikkelingen op het natuurlijke systeem.

•Behoud en versterk het aanwezige groene netwerk, ook de groene relaties van het landschap tot diep in de woonwijken.

•Koester de gebruiks- en belevingswaarde.

•Versterk de toekomstwaarde en ontwerp aan de voorkant integraal.

Aanvullend kwaliteitsbeleid

Beleidsnota biodiversiteit 2024

Stadsnatuurkaart 2040 en de inrichtingsbouwstenen

Koersdocument Oostflank (2024)

Plan en Programma 013 Parken (2023)

Groen/blauw netwerk l omringd door natuur

Groen/blauw netwerk l diversiteit van de landschappelijke contramal

Groen/blauw netwerk l groene eilanden in de oude stad I groene structuren in wijken en dorpen

Groen/blauw netwerk l stadsgroen gaat over in landschappelijke structuur

Groen/blauw netwerk l totaalbeeld met identiteitsdragers Programma 013 parken

6Karakter hoofdinfrastructuur

Beschrijving

De ruimtelijke kwaliteiten van de hoofdinfrastructuur zijn voor deze nota geïnventariseerd en in de bijgevoegde kaart weergegeven. Dit draagt bij aan het beeld over de ontwikkeling van de stad. Over de functionele aspecten en opgaven van de infrastructuur worden in deze nota geen uitspraken gedaan. Deze zijn terug te vinden in de netwerkanalyse die door de raad in 2025 is vastgesteld.

De linten en oude herdgangen zijn van oudsher belangrijke verbindende structuren en zijn grotendeels nog goed herkenbaar in de stedelijke en dorpse gebieden. De linten hebben verschillende karakters en een grote diversiteit aan functies. De linten vormen een belangrijke identiteitsdrager binnen het ruimtelijk weefsel. Daarnaast spelen de linten een belangrijke rol binnen de verkeersafwikkeling van met name de Oude Stad, maar ook binnen de dorpen, zoals het assenkruis van dorpsstraten dat de ruimtelijke opzet van Udenhout typeert. Zie voor meer informatie ook thema 3 Stadsontwikkeling.

De Bredaseweg en Bosscheweg zijn van oudsher regionale toegangswegen begeleidt door statige bomenlanen, die vanaf het landschap tot aan de rand van de binnenstad een (min of meer) continu laanprofiel hebben. De groene beleving van de toegangswegen loopt ver door tot in de stad en de dorpen. Daar waar de bebouwing zich prominent op de weg gaat oriënteren ontstaan entreepunten. Op een aantal plekken geeft dit aanleiding voor verbijzonderingen, zoals het kunstwerk Draaiend Huis op de Hasseltrotonde.

Analyse hoofdinfrastructuur I Functionele ringen en dwarsverbanden

De ringbanen rondom de oude stad zijn door Ir. Ruckert in 1917 als één structuur ontworpen maar vervolgens in verschillende tijdslagen aangelegd. Mede hierdoor hebben de verschillende delen van de Ringbaan eigen identiteiten gekregen. Zo zijn de noord- en oostzijde van de ringbaan vormgegeven als een versteende stadsstraat en is ringbaan Zuid ontwikkeld als een parklaan; een groene as die autonoom door de stad loopt. De Midden-Brabantweg vormt een lange lommerrijke verbindingsweg van noord naar zuid en sluit aan op de westelijke ringbaan. Aan de noordzijde van de stad is de N260 als een los element in het open landschap opgenomen.

Snelfietsroutes ontsluiten de stad functioneel, ze zijn herkenbaar aan de rode kleur bestrating. De fietspaden rijgen een scala aan sferen aaneen, het ruimtelijk karakter is hierdoor zeer divers.

Karakter Hoofdinfrastructuur l Lange belevingslijnen en duidelijke entrees

Bij de beleving van Tilburg vanuit het spoor valt de afwisseling van het landelijk en bosrijk karakter en de stadse en dorpse wijken op. Het spoor zien we als een belangrijke entree van de stad. We beschouwen dit niet als een achterkant, maar sturen op de beleving van het spoor binnen gebiedsontwikkelingen.

Het kanaal vormt een groene eenheid (ondanks de ligging van de bedrijvigheid aan het kanaal) die zorgt voor oriëntatie in de stad en waarvan de oevers specifiek als recreatieve structuur van waarde zijn.

Waardering

De belevingswaarde van de infrastructuur van Tilburg is zeer divers en kent verschillende kwaliteiten. Lange belevingslijnen verbinden de wijken met het landschap en de regio. Het markeren van entrees versterkt de identiteit van wijk of gebied en draagt bij aan de belevingswaarde.

De belevingswaarde van de verschillende elementen uit de hoofdinfrastructuur is heel divers en wordt gekenmerkt door uiteenlopende kwaliteiten; van landschappelijke oevers, tot versteende stadsstraten. De manier waarop onze (hoofd)infrastructuur wordt ingebed in het landschap en de dorpse en stedelijke omgevingen is sterk bepalend voor de identiteit van wijken en gebieden. Het is onze ambitie om bij onze mobiliteitsopgave de beleving- en gebruikswaarde te vergroten en in samenhang te ontwerpen.

Kwaliteitsambities

De hoofdinfrastructuur bevat belangrijke identiteitsdragers. We koesteren de bestaande kwaliteiten van de oude, lommerrijke lanen, de ecologische verbindingszones gekoppeld aan het spoor en het kanaal, de groene parkways en zorgen voor toegankelijke en uitnodigende verbindingen, knooppunten en entreemomenten naar de stad, de dorpen en de wijken.

•Heb bij ontwikkelingen aandacht voor de ruimtelijke kwaliteiten van de infrastructuur en neem de belevings- en gebruikswaarde mee.

•Het STOMP principe is leidend bij ontwikkelingen. Als uitgangspunt voor onze infrastructuur willen we de voetganger en de fietser voorop zetten en hiervoor de snelheid in de stad te verlagen. Onderdeel hiervan is het naar beneden brengen van de snelheid in de stad, zodat de kans op ontmoeten groter wordt en de stad fijnmaziger en doorwaadbaarder wordt.

•Zet in op een hoge ruimtelijke kwaliteit bij entrees en belangrijke knooppunten.

•Koester de oude lommerrijke lanen, dit zijn belangrijke identiteitsdragers.

Aanvullend beleid

Structuurvisie Linten

Beleidsregels particuliere woningbouwinitiatieven en functiewijziging in het landelijk gebied

Netwerkanalyse Tilburg 2040

Leidraad openbare ruimte.pdf

7Betekenis en beleving

Beschrijving

Naast fysieke kwaliteiten kent Tilburg een laag van immateriële waarden: ervaringen, verhalen en herinneringen die verbonden zijn met specifieke plekken. Ook deze laag geeft de stad, dorpen en plekken betekenis en identiteit. Het gaat om een collectieve waardering die niet altijd zichtbaar is, maar sterk bepalend voor hoe bewoners en bezoekers de omgeving ervaren. Het gevoel van thuiskomen, veiligheid of maatschappelijke verbondenheid maakt deze plekken tot smaakmakers van de stad. Ontwerp van bijzondere gebouwen (‘archipunctuur’) en van bijzondere elementen in de openbare ruimte kan daarop aanhaken en de plek verbijzonderen.

In relatie tot omgevingskwaliteit vormt deze laag een essentiële aanvulling op de fysieke structuren. Waar landschap, erfgoed en stedelijke ontwikkeling de ruimtelijke basis leggen, voegt betekenis en beleving de zachte waarden toe die boven projecten uitstijgen. Zij inspireren, agenderen nieuwe kansen en maken duidelijk welke plekken bijdragen aan identiteit, verbondenheid en leefkwaliteit.

De ambitie is om deze waarden actief te verankeren in ruimtelijke ontwikkeling. Dat vraagt om participatie, waarbij bewoners en gebruikers hun verhalen en betekenissen toevoegen. Bijvoorbeeld met een interactieve kaart of bij het opstellen van gebiedsvisies. Zo ontstaat een breed gedragen beeld van collectieve waarden dat richting kan geven aan functies, planontwikkeling en ontwerp.

In deze kaart is er een eerste aanzet gemaakt van de betekenis en beleving van Tilburg. Het is waardevol om vanuit de wijken in de stad en de dorpen deze kaart op gebiedsniveau verder aan te vullen. Van daaruit kunnen de plekken met de meeste relevantie op het niveau van de stad weer een plek krijgen op deze kaart.

Waardering

Deze kaart geeft de waardering aan van collectieve plekken die een breed gedragen gezamenlijke belevingswaarde hebben. Deze plekken geven betekenis en dragen bij aan de beleving van de identiteit van een plek.

Kwaliteitsambities

•Neem de betekenis en belevingswaarde goed mee in het ontwerpproces. Dit kan leiden tot verrassende inzichten en ontwerpoplossingen die de herkenbaarheid van een plek vergroten. Hierbij kan een relatie gelegd worden met het cultuurplan Tilburg.

•Participatie op het thema omgevingskwaliteit bevorderen: een interactieve kaart die per wijk samen met de inwoners opgesteld wordt draagt bij aan participatie bij gebiedsontwikkelingen. Samenwerking met het StadsMuseum Tilburg kan deze kaart extra diepgang geven (www.geheugenvantilburg.nl).

Aanvullend beleid

Kunst- & cultuurplan Tilburg 2025-2028

Cultuur in het publieke domein

Routekaart ruimtelijk erfgoed (2023)

Betekenis en beleving l de smaakmakers van Tilburg

Bijlage 2 Verslag Stadsgesprek 3 april 2025

Nota Omgevingskwaliteit en hoogbouwbeleid

Gemeente Tilburg i.s.m. CAST

Inleiding Wethouder Bas van der Pol

Tilburg wil een gemeente zijn met goede architectuur en een prettige openbare ruimte. Omgevingskwaliteit, kort gezegd. Op 3 april verzamelden inwoners, leden van verschillende wijkraden, bouwers, ontwerpers, medewerkers van de gemeente én van woningcorporaties zich in theater De Boemel in de Spoorzone om het daar over de Nota Omgevingskwaliteit en het concept-hoogbouwbeleid te hebben. Stedenbouwkundige bij de gemeente Marc Olthuis en beleidsadviseur Mirjam Steins-van den Berg gaven er uitleg over: wat betekent dat nieuwe beleid voor de stad? En vooral: wat gaan we anders doen?

Wethouder stedelijke ontwikkeling Bas van der Pol, die ook omgevingskwaliteit en economie in zijn portefeuille heeft, opent de middag. ‘Je wilt dat de openbare ruimte goed is ingericht en dat die mee de toekomst in kan’, zegt de wethouder. ‘Tilburg heeft een lange traditie van nadenken over goed stadsontwerp. Johan Rueckert maakte vroeg in de vorige eeuw al een tentoonstelling over de vraag hoe we onze sociale woningbouw zó kunnen ontwerpen dat iedereen in een goed huis kan opgroeien. Sindsdien hebben we altijd nagedacht over hoe we kwalitatieve keuzes kunnen maken.’

Van der Pol is er klip en klaar over: te vaak draait het in de bouwwereld om geld, juridische afspraken of rechtszaken. ‘Daarmee verliezen we het oog voor het goed vormgeven van die ruimte. Goede woningen vragen om een investering van tijd, aandacht en een beetje liefde.’ En nee, de gemeente Tilburg is in veel gevallen niet de uitvoerder van bouwprojecten. Maar wij zorgen wel voor de condities. We zijn geen faciliterende overheid: we willen graag richting geven. Dan moet je ook je zaken op orde hebben: de juiste mensen in dienst en de tijd om samen te werken.’

De wethouder wil voorkomen dat je woningen bouwt zonder een betere stad te maken. Met de bouw van 25.000 nieuwe woningen tot 2040 kan dat best een opgave zijn. ‘Het gaat erom dat je met elkaar bouwt aan een voorbeeldstellende bouw- en ontwerpcultuur. Je wilt een bouwcultuur hebben waar je met ontwerpcompetities en open oproepen kunt werken om tot verrassende, nieuwe concepten te komen. Daar kunnen we veel meer uithalen dan we nu doen’, erkent Van der Pol.

Voor de Koepelhal en de Wagenmakerij is al een open oproep gedaan, waar 56 ontwerpteams op hebben gereageerd. Daarnaast is vorig jaar voor het eerst de Tilburgse Architectuurprijs uitgereikt. De gemeente zet dus stappen, maar een kritische reflectie op de Nota Omgevingskwaliteit kan volgens Van der Pol geen kwaad. ‘Alle input is zeer bruikbaar, we kunnen de hulp echt nog gebruiken. Ik ben blij dat het mensen is gelukt tijd vrij te maken om hier te zijn.’

Toelichting Nota Omgevingskwaliteit door Mirjam Steins

Deze middag draait dus om de Nota Omgevingskwaliteit die de gemeente momenteel opstelt. Onderdeel van die nota is het hoogbouwbeleid, dat later deze middag specifiek aandacht krijgt. In de grote zaal trapt Mirjam Steins-van den Berg eerst haar verhaal af. Steins is beleidsadviseur Omgevingskwaliteit bij de gemeente en presenteert vandaag de nota die als motto ‘Samen werken aan een genereus Tilburg’ draagt.

Een genereus Tilburg, wat houdt dat in? ‘Het gaat erom dat je waarde toevoegt als je een plan ontwikkelt’, zegt Steins. ‘Niet alleen waarde voor iemands portemonnee, maar gemeenschappelijke waarde. We zien dat er nieuw beleid nodig is omdat de opgave van nu heel anders is dan die van tien jaar geleden: er is een enorme druk op de ruimte gekomen en we willen aan de voorkant kunnen sturen om kwaliteit voorop te zetten. Niet alleen bij een enkel plan, maar ook bij grotere gebiedsontwikkelingen. We denken vanuit de stad en de omliggende dorpen als een geheel.’

Omgevingskwaliteit klinkt als een koepelterm. Er zou van alles onder kunnen vallen. Steins en haar team hanteren een lijstje van waarden om rekening mee te houden als het over omgevingskwaliteit gaat. De herkomstwaarde bijvoorbeeld: die gaat over het verleden van een plek. De belevingswaarde zegt iets over hoe een locatie beleefd wordt. De gebruikswaarde gaat over de functionaliteiten die op een plaats aanwezig zijn en de toekomstwaarde over hoe toekomstbestendig een plek is. Met die vier waarden kun je een scherpe afweging maken over hoe goed een locatie scoort op omgevingskwaliteit.

De gemeente probeert die waarden concreet te maken en handen en voeten te geven. Zo wil de gemeente graag voortbouwen op de identiteit van de stad, zegt Steins. ‘Je kunt veel verhalen over de stad vertellen: over het textielverleden, over de moderne industriestad en de vele kerken en kloosters die de stad rijk is. Je moet je vanaf het begin al afvragen welke verhalen er in de stad liggen. Kijk naar de wijk Jeruzalem: de jaren 50-woningen daar zijn bij de transformatie van de wijk gerenoveerd en er is een connectie gemaakt met landschapspark Moerenburg. Daardoor is dit stukje van de gezamenlijke geschiedenis meegetransformeerd naar de toekomst.’

De gemeente vindt het ook belangrijk om plekken voor iedereen te creëren, legt de beleidsadviseur uit. Meervoudig ruimtegebruik is daar een goed voorbeeld bij, met het Spoorpark als lichtend voorbeeld. ‘Dat is een prachtig park waar wordt gespeeld, gerecreëerd, waar ook grote activiteiten plaatsvinden en waar ook plek is voor water. Bij ontwikkelingen is het belangrijk rekening te houden met al die aspecten.’ Niet alleen de mens, maar ook dier, plant, water en bodem.

Tilburg wil zichzelf blijven ontwikkelen, geeft Steins aan. ‘De toekomst begint nu. Tegelijkertijd weten we niet hoe de wereld er over twintig jaar voor staat.’ Dat vraagt dus om voortdurende aandacht voor nieuwe mogelijkheden en experiment.

Toelichting concept-hoogbouwbeleid door Marc Olthuis

Steins collega Marc Olthuis is stedenbouwkundige en licht specifiek het nieuwe hoogbouwbeleid toe. Daarin staat omschreven welk type gebouw in welke gebieden van de stad het best op z’n plaats is. ‘Het huidige beleid is te generiek: voor de hele stad gelden nu dezelfde regels. We willen naar een beleid toe waarbij we ons richten op gebieden.’

Hoogbouw is voor de gemeente trouwens geen doel, maar een middel, dat je in dynamische gebieden vaker inzet dan in gebieden met minder dynamiek. Kort gezegd: in de Spoorzone, de Piushaven, in de binnenstad en langs het spoor tussen de universiteit en Interpolis is hoogbouw in de nieuwe visie logischer dan op andere plekken. Er wordt ook naar nieuwe verdichtingsgebieden, ov-knooppunten en bedrijventerreinen gekeken. Tilburg kan de kunst jammer genoeg niet afkijken bij andere steden: de stad is tenslotte vanuit meerdere gehuchten aan elkaar gegroeid in plaats vanuit een centrum naar buiten. ‘De linten willen we in elk geval vrijspelen van hoogbouw.’

Het afgelopen jaar heeft de gemeente met Stads- en Expertgesprekken opgehaald waar het nieuwe hoogbouwbeleid aan moet voldoen. Welke tips en feedback kreeg Olthuis tijdens die bijeenkomsten eigenlijk? Onder meer: bouw als een buurt. ‘In een hoog gebouw wonen zoveel mensen dat het een doorsnede van de samenleving is. Dat moet je ook terug kunnen zien in het type woningen dat wordt aangeboden en de andere functies die er zitten.’

Met zogenaamde gebouwprofielen wil Tilburg ontmoeting stimuleren. ‘Het is heel lang normaal geweest om vanuit een parkeergarage de lift in te stappen en naar je eigen etage te gaan. Dat willen we voorkomen door bij gebouwen een centrale hal als ontsluiting heel erg aan te moedigen.’ Daarnaast wil de gemeente dat hoge gebouwen voortaan een privé- of gezamenlijke buitenruimte hebben die bij voorkeur niet openbaar is.

Het beeld dat veel mensen van hoogbouw hebben, zijn vaak de enorme torens die in Rotterdam staan. Maar waar daar de ondergrens voor hoogbouw 70 meter is, wordt die in Tilburg binnenkort slechts verhoogd van 15 naar 20 meter. ‘Die basishoogte zijn we in de stad steeds meer gaan zien en accepteren we als een nieuwe stedelijke laag’, beschrijft Olthuis. ‘Dat gaat om ongeveer zeven bouwlagen. In Parijs, met name het Tiende Arrondissement, staan weinig gebouwen van meer dan acht lagen, en daar is de woningdichtheid en het voorzieningenniveau toch ontzettend hoog.’

Tilburg heeft meerdere gebieden aangewezen waar hoogbouw mogelijk is: gebieden tot 30 meter, tot 50 meter, tot 70 meter en tot 90 meter of meer. De stedenbouwkundige ziet vooral veel voordelen aan wat hij ‘kritische massa’ noemt. Geen solitaire torens in het landschap meer, maar clusteren van woningen en andere functies. Een basement van zes à zeven lagen met op een deel van dat basement een toren, biedt veel meer kansen voor nieuwe voorzieningen zoals een buurtsupermarkt en ontmoetingsruimtes voor de buurt.

Liever geen tweede Reeshof

Sommige inwoners zijn bezorgd na het verhaal van Olthuis. Zij wonen bijvoorbeeld in de Noordhoek en willen het dorpse karakter benadrukken. ‘Dat staat haaks op de lucht ingaan. Waar zit dat genereuze hem dan in?’, vraagt een meneer zich af. Olthuis is daar duidelijk over: ‘Genereus zijn betekent niet meteen dat alles blijft zoals het nu is. De stedelijke verdichting gaat hoe dan ook plaatsvinden. We willen vooral het voorzieningenniveau kunnen behouden en op sommige plekken heb je dan hoogbouw nodig. Dat doen we zodat het landschap van Stadsbos 013, Pauwels en Moerenburg behouden kan blijven. Als we dit niet zouden doen, zouden we misschien wel een tweede Reeshof nodig hebben.’

Dat er hoogbouw kán komen in de stad, betekent niet dat al in beton gegoten is wáár dan precies. Nu de onderhandelingen met CZ gestart zijn om de nog te bouwen Clarissentoren te betrekken, komt er op het huidige CZ-terrein mogelijk grond vrij om te gaan bouwen. ‘Op die plek willen we gaan verdichten, maar verdichten betekent niet altijd hoogbouw. Natuurlijk houden we rekening met de bestaande omgeving, maar dat betekent niet dat je vrij uitzicht blijft houden. Als je gewend bent 300 meter ver te kunnen kijken, vind ik het best acceptabel als dat 100 meter wordt.’

Een bewoner vraagt zich af of ontwikkelaars Tilburg nog wel interessant genoeg vinden. Het duurt tenslotte soms tientallen jaren voordat bepaalde woningen gebouwd zijn. Olthuis heeft daar ook ervaring mee: voordat de knoop van de Koningswei werd doorgehakt, is er twintig jaar overheen gegaan. ‘Dat ligt niet alleen aan beleid, maar ook aan politieke wil en aan partijen die wel of niet willen instappen. Uiteindelijk is het wel gelukt. In Tilburg halen bouwers soms net iets minder marge op hoe duur je woningen kunt verkopen, dat speelt zeker, maar er zijn nog altijd genoeg partijen die belangstelling hebben voor de stad.’

De stad lezen

In de zaal is ook interesse voor de functies van de plinten: de eerste twee verdiepingen van een gebouw. Kan daarin ook gewoond worden? ‘Dat hangt van de plek af’, zegt de stedenbouwkundige. ‘Op het Koningsplein wilden we voorzieningen in de plinten. Dat is al vrij vroeg mislukt: mensen staken de cityring niet over om daar te gaan winkelen. Nu maken we daar een woonpark van waar bijvoorbeeld een sportschool in een flat kan komen. In een groot deel van die plint komen woningen. Maar in principe willen we waarde toevoegen voor de omgeving, en dan wil je voorzieningen waar dat kan’

Inwoners doen nog een duit in het zakje: kijk ook eens of er gezondheidscentra of prikposten in zo’n plint kunnen komen. Zeker rondom het centrum zitten te weinig van dat soort voorzieningen. Misschien kan de gemeente wel functies voor plinten verplicht maken, denken ze in de zaal. ‘We willen niet ontwerpen voor leegstand’, zegt Olthuis. ‘Het gaat te ver om regels op te leggen omdat je het risico loopt dat zo’n pand leeg blijft staan. We willen vooral dat plinten betekenis hebben voor de omgeving: dat kan net zo goed een fietsenmaker zijn als een sociale huiskamer. Idealiter zorgen we ervoor dat zo’n plint op verschillende manieren invulbaar is en ook aan te passen is als er een andere functie moet komen.’

Andere vragen van bewoners en professionals gaan over de leesbaarheid van de stad. Als overal torens oppoppen, weet je dan nog waar je bent? Jazeker, denkt Olthuis. ‘De Clarissentoren geeft straks wel echt een bepaalde mate van leesbaarheid. De Bankier is lager dan de Clarissentoren, alles in de Piushaven is weer lager dan de Bankier. Zo kun je aan de stad lezen op wat voor manier die is opgebouwd. Aan de randen van de stad, op bedrijventerreinen, kan straks mogelijk hoogbouw tot 30 meter komen.’

Daar zitten ook voordelen aan, weet Olthuis: die terreinen zijn vaak heel extensief gebouwd, terwijl het stapelen van functies veel voordelen kan bieden. ‘Je kunt op een bedrijf gerust een ander bedrijf zetten. Daarmee voorkom je dat je later weer nieuwe bedrijventerreinen moet ontwikkelen. De voorwaarde is wel dat hoogbouw meerwaarde voor het bedrijventerrein heeft en dat er bijvoorbeeld een vergaderlocatie of stadslandbouw in komt.’

Houden van Tilburg

Bewoners, bouwers en ontwerpers zijn tussen de bedrijven door nog in tweetallen met elkaar in gesprek gegaan. Ze spraken over een verschil van inzicht bij de herontwikkeling van het Regenboogpark: sommige inwoners willen daar een ontmoetingsplein van maken, anderen willen dat het rustig blijft. Een inwoner van de Fabriekstraat vindt dat er best een buurtsupermarkt bij haar in de buurt mag komen, een inwoner van de Reeshof hekelt de rotondes waarop regelmatig ongelukken gebeuren.

Een bewoner weet het op een hele sterke manier te verwoorden. ‘Ik woon al 25 jaar in Tilburg en betrapte me er twintig jaar geleden op dat ik van Tilburg ben gaan houden. Op een zonnige zaterdagochtend fietste ik door de Tuinstraat en bedacht: wat is dit eigenlijk een mooie stad! Het is een stad met een bepaalde gelaagdheid van verschillende identiteiten. Het heeft mooie parken en rauwe rafelrandjes.’ Zo heeft iedereen zijn eigen idee van goede omgevingskwaliteit.

Er leven overigens nog genoeg vragen aan Mirjam Steins over de Nota Omgevingskwaliteit in z’n algemeenheid. Ze zijn bijvoorbeeld benieuwd hoe participatie in deze nota is geregeld en willen weten hoe de samenspraak tussen buurten, ontwikkelaars en ontwerpers wordt geregeld. ‘Bij grotere ontwikkelingen wordt die samenspraak al geregeld in planteams’, legt Steins uit. ‘Participatie maakt buiten deze nota om al deel uit van onze gemeentelijke processen. Dat is belangrijk om kwaliteit te duiden.’

Maar de gemeente heeft ook andere instrumenten waarmee het gesprek wordt aangegaan. Stadsateliers bijvoorbeeld, waarbij op een ontwerpende manier oplossingen worden verkend. Of ontwerpend onderzoek, waarbij burgers en experts kunnen meedenken over waar de gemeente in bepaalde gebieden op zouden moeten inzetten. ‘We willen een heel breed publiek meenemen in dat gesprek over kwaliteit’, zegt Steins. ‘Deze nota kan aan de hand van die gesprekken ook nog worden verdiept een aangevuld: beleid verandert tenslotte snel. Deze nota is geen statisch document.’

De gemeente heeft een opgave in het kader van de Woonzorgvisie, geeft een bezoeker aan. Zij vraagt zich af of er in deze nota ook iets in staat over het type woningen dat gebouwd gaat worden. ‘Een van de thema’s uit deze nota gaat over de woningbouwplattegrond’, zegt de beleidsadviseur. ‘We zijn nog niet zo ver dat we woningbouwplattegronden kunnen gaan vastleggen, maar we denken wel na over hoe we gemeenschappen kunnen bouwen. Dat betekent: niet alleen blinde gevels en slaapkamers aan de straat, maar juist open omgevingen, zodat je een oogje in het zeil kan houden bij je buren.’

Inzichtelijke kaartjes

Met deze nota beoogt de gemeente om de aansluiting op de openbare ruimte vanaf het begin al zo goed mogelijk te regelen. ‘Over laad- en lossystemen en afvalverwerking moet je al nadenken als je met een project begint. Niet later, dan krijg je ad hoc-oplossingen en gaat het gewoon mis.’ Dat roept de vraag op of de gemeente geleerde lessen gaat opschrijven. ‘We gaan niet zeggen wat goed en slecht ging, maar we hebben wel een lijstje naast ons bureau liggen waarop we aangeven: goh, dit kon beter.’

Steins is groot fan van kaarten en heeft er een aantal uit de nota meegenomen om de stad te duiden. Soms zie je op kaartjes namelijk pas hoe Tilburg in elkaar steekt. ‘De Ringbanen kennen we allemaal, maar niet alle stukken van die ring zijn op dezelfde manier ingepast. Langs de Ringbaan-Zuid is het heel groen en open, maar bij de Ringbaan-Oost zitten de voordeuren juist vlak aan de ringbaan. De beleving is op beide plekken compleet anders. Dat proberen we uit te leggen.’ Naast mobiliteit zijn er nog andere thema’s die met de kaartjes geduid worden, zoals de cultuurhistorische waarde en de mate van industrie in de stad.

Een vraag die nog op de lippen van een ontwikkelaar brandt, is of er ook rekening wordt gehouden met doorwaadbaarheid van een gebied. Tussen de Trouwlaan en de Korvelseweg kun je misschien wel wat doorsteekjes maken. ‘Er zijn plekken waarop we dat kunnen proberen’, denkt Steins. ‘Maar we kiezen er ook wel voor om bepaalde plekken niet open te maken omdat dat een gevoel van onveiligheid kan creëren of reuring op andere plekken weg kan halen.’

Over de Korvelseweg gesproken: daar wordt het project Fabrieksgeheimen door meerdere aanwezigheden geroemd. Zij zien dat de gemeente veel grote gebaren lijkt te stimuleren, terwijl het de kleinere projecten zijn die de kwaliteit van een straat maken. ‘We proberen als gemeente natuurlijk die aanjagersrol op te pakken, maar we kunnen het ook niet alleen. Uiteindelijk zijn we geen ontwikkelende partij. Maar als we het gesprek zo vroeg mogelijk organiseren, heb je de meeste kans op een goed eindresultaat’, besluit Steins.

De Nota Omgevingskwaliteit moet nog definitief gemaakt worden en worden voorgelegd aan het bestuur. Dat gebeurt dit jaar nog. ‘En de nota wordt de komende jaren zeker nog doorontwikkeld. We zijn er nog lang niet mee klaar. Zoveel betrokkenheid is heel mooi om te zien.’

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.