Gemeentelijke regelgeving

Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking Rivierenland 2024

Gemeente Tiel · geldt sinds 6 augustus 2025

Aanhef

Het dagelijks bestuur van het Waterschap Rivierenland, het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Avri en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Culemborg, IJsselstein, Maasdriel, Montfoort, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal en Wijk bij Duurstede;

overwegende:

dat het is gewenst om hun samenwerking bij de heffing en de invordering van waterschapsbelastingen, afvalstoffenheffing en gemeentelijke belastingen alsmede bij de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), het beheer en de uitvoering van vastgoedinformatie, de uitvoering van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken, alsmede de mogelijke uitvoering van andere basisregistraties te continueren in een gemeenschappelijke regeling;

dat de dagelijkse besturen en de colleges van burgemeester en wethouders van hun algemeen besturen respectievelijk gemeenteraden daartoe de vereiste toestemmingen hebben verkregen; gelet op de hoofdstukken V en VIII van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

besluiten: de volgende gemeenschappelijke regeling vast te stellen:

Hoofdstuk 1: Begripsbepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

a.afvalstoffenheffing: de belasting die overeenkomstig titel 15.9 van de Wet milieubeheer kan worden geheven; de BIZ bijdrage op grond van de Wet op de bedrijveninvesteringszones, en de verontreinigingsheffing op grond van de Waterwet;

b.algemeen bestuur: het algemeen bestuur van BSR;

c.ambtenaar van BSR: de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van BSR als bedoeld in artikel 232, lid 4, sub c, van de Gemeentewet en artikel 124, lid 5, sub c, van de Waterschapswet, bevoegd tot de heffing of de invordering van belastingen en tot de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ);

d.belastingdeurwaarder: de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van BSR als bedoeld in artikel 232, lid 4, sub d, van de Gemeentewet en artikel 124, lid 5, sub d, van de Waterschapswet dan wel een als belastingdeurwaarder aangewezen gerechtsdeurwaarder, bedoeld in de Gerechtsdeurwaarderswet;

e.belastingen: de in dit artikel onder a, n, x, m, n, en o genoemde belastingen;

f.belastingverordening: de verordening tot heffing en invordering van een belasting of een recht, vastgesteld door het algemeen bestuur respectievelijk de gemeenteraad van de deelnemers van BSR;

g.beleidsregels: beleidsregels in de zin van titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het gebied van de heffing en de invordering van belastingen en de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ);

h.BSR: het openbaar lichaam Belastingsamenwerking Rivierenland;

i.dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van BSR;

j.deelnemer: de aan deze gemeenschappelijke regeling deelnemende gemeenten en gemeenschappelijke regelingen alsmede Waterschap Rivierenland;

k.desintegratiekosten: alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door BSR, die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de vermindering van taakuitvoering;

l.directeur: de directeur van BSR;

m.frictiekosten: alle incidentele kosten te maken door BSR, die het directe gevolg zijn van de beslissing tot vermindering van taakuitvoering van een deelnemer.

n.gemeentelijke belastingen: de belastingen die een gemeente overeenkomstig titel IV van de Gemeentewet kan heffen;

o.grondgebied: het grondgebied van de deelnemers aan deze gemeenschappelijke regeling;

p.heffingsambtenaar: de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van BSR als bedoeld in artikel 232, lid 4, sub a, van de Gemeentewet en artikel 124, lid 5, sub a, van de Waterschapswet, bevoegd tot het heffen van belastingen en tot de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ);

q.ingezetene: persoon die zijn woonplaats heeft binnen het beheergebied van BSR;

r.invorderingsambtenaar: de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van BSR als bedoeld in artikel 232, lid 4, sub b, van de Gemeentewet en artikel 124, lid 5, sub b, van de Waterschapswet, bevoegd tot de invordering van belastingen;

s.kwijtscheldingsregels: de door de algemeen besturen en de gemeenteraden van de deelnemers van BSR vastgestelde regels als bedoeld in artikel 255, leden 3 en 4 van de Gemeentewet en artikel 144, leden 3 en 4, van de Waterschapswet;

t.liquidatieplan: document(en) waarin de stappen en de procedures worden beschreven voor de uittreding van een deelnemer, waarin onder andere de desintegratiekosten en frictiekosten worden vermeld;

u.nadere regels: nadere regels ter uitvoering van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), de Invorderingswet 1990 en van de belastingverordeningen;

v.regeling: Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking Rivierenland 2024 (GR BSR 2024);

w.voorzitter: de voorzitter van het algemeen en dagelijks bestuur van BSR;

x.waterschapsbelastingen: de belastingen die een waterschap overeenkomstig titel IV van de Waterschapswet kan heffen;

y.Wgr: Wet gemeenschappelijke regelingen.

Hoofdstuk 2: Het openbaar lichaam BSR

Artikel 2 Openbaar lichaam BSR

1Er is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam ingesteld, genaamd “Belastingsamenwerking Rivierenland” hierna te noemen BSR.

2BSR is gevestigd in Tiel.

3BSR treedt in het gehele beheergebied van de deelnemers naar buiten onder de naam BSR.

4Het beheergebied, waarvoor deze regeling geldt, omvat het grondgebied van de deelnemers.

Artikel 3 Bestuur

1Het bestuur van BSR bestaat uit:

a.het algemeen bestuur;

b.het dagelijks bestuur;

c.de voorzitter.

2Het bestuur verstrekt aan de gemeenteraden en algemeen besturen van de deelnemers de door een of meer leden van die gemeenteraden en algemeen besturen gevraagde inlichtingen.

3Het bestuur verstrekt gevraagd en ongevraagd aan de gemeenteraden en algemeen besturen van de deelnemers door toezending alle inlichtingen en informatie die nodig zijn voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde beleid.

4Besluiten die naar het oordeel van het algemeen bestuur een aanzienlijk politiek of financieel belang hebben voor de deelnemers, worden ter zienswijze voorgelegd aan de gemeenteraden en algemeen besturen van de deelnemers. Hiervoor geldt een termijn van acht weken. Met de kaders bedoeld in artikel 30, eerste lid, stuurt het algemeen bestuur aan de raden een lijst van beoogde besluitvorming en besluiten die het voornemens is ter zienswijze zoals hiervoor bedoeld, voor te leggen.

5Ten behoeve van de inbreng van leden van de gemeenteraden en algemeen besturen van de deelnemers op voorbereiding van de besluitvorming van het bestuur, neemt BSR deel aan regionale initiatieven en instrumenten . De gemeenteraden en algemeen besturen van de deelnemers gezamenlijk kunnen een verzoek indienen bij het algemeen bestuur overeenkomstig artikel 24a van de Wgr om een gemeenschappelijke adviescommissie in te stellen.

6Ingezetenen van de deelnemers en andere belanghebbenden bij de taakuitvoering door BSR kunnen, indien gewenst, via de bestaande mogelijkheden bij de bestuursorganen van de deelnemers inbreng hebben op de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. In afwijking van het voorgaande kan het algemeen bestuur besluiten om incidenteel ten behoeve van een concreet vraagstuk ten behoeve van ingezetenen en andere belanghebbenden bij de taakuitvoering middels geschikte wijze inbreng te laten op voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. Bij de inbreng hiervoor bedoeld kan een andere procedure dan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht worden gevolgd.

7De gemeenteraden en algemeen besturen van de deelnemers kunnen gezamenlijk op voorstel van een van hen een onderzoek instellen naar het gevoerde bestuur en voor dat doeleinde een onderzoekscommissie instellen. De artikelen 155g en 155h van de Gemeentewet zijn van toepassing. Een en ander onverminderd de bevoegdheid van de rekenkamers van deelnemers op grond van artikel 184 Gemeentewet.

Hoofdstuk 3: Belangen en bevoegdheden

Artikel 4 Behartigde belangen

1In het kader van deze gemeenschappelijke regeling worden de belangen van de deelnemers, elk voor zover het hun grondgebied en hun belangen betreft, behartigd op het gebied van:

a.de heffing en de invordering van de door de deelnemer aan BSR overgedragen belastingen;

b.de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) waaronder tevens wordt begrepen de administratie van vastgoedgegevens en het verstrekken van vastgoedgegevens aan de deelnemers en derden;

c.de uitvoering van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.

d.de inrichting en/of het beheer van de door de deelnemer aan BSR overgedragen andere basisregistraties;

2Bij deze regeling is een bijlage gevoegd met daarop een overzicht van de taken die door de deelnemers aan BSR zijn overgedragen als genoemd in het eerste lid.

3Het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van een deelnemer kan taken als bedoeld in het eerste lid, voor zover die niet reeds zijn overgedragen, aan BSR overdragen. De deelnemers verlenen elkaar automatisch wederzijdse toestemming voor deze overdracht. Het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van een deelnemer dient een verzoek tot overdracht van de betreffende taak in bij het algemeen bestuur. Een overdracht van taken behoeft de instemming bij unaniem besluit van het algemeen bestuur. Na instemming van het algemeen bestuur draagt het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van de betreffende deelnemer door middel van een delegatiebesluit de taak over. Indien het gelet op de taak voor de hand liggend is, kan de taak worden opgedragen door middel van mandaat, waarover het dagelijks bestuur beslist.

4Het algemeen bestuur is bevoegd om op verzoek van een deelnemer de uitvoering van taken terug te leggen bij de deelnemer, met dien verstande dat hierbij een opzegtermijn van één jaar in acht wordt genomen en deze bepaling niet geldt in geval van een wens tot uittreding van een deelnemer conform artikel 37 van de regeling.

5Het algemeen bestuur bepaalt de voorwaarden waaronder taken worden overgedragen of teruggelegd.

6Het dagelijks bestuur past bij overdracht of teruglegging de bijlage als bedoeld in het tweede lid aan, zendt deze bijlage aan de deelnemers, en draagt ervoor zorg dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tiel de bijlage zendt aan gedeputeerde staten van de provincies waarin de deelnemers zijn gelegen, en dat dit college de bijlage bekendmaakt door kennisgeving van de inhoud daarvan in de Staatscourant.

Artikel 5 Overdracht bevoegdheden

1BSR en het bestuur van BSR als bedoeld in de artikelen 3 en 24 van deze gemeenschappelijke regeling komen de bevoegdheden toe die in deze regeling aan BSR en het bestuur van BSR zijn toegekend.

2Aan BSR worden geen verordenende bevoegdheden toegekend.

Hoofdstuk 4: Algemeen bestuur

Artikel 6 Omvang en samenstelling algemeen bestuur

1Aan het hoofd van BSR staat een algemeen bestuur, bestaande uit zoveel leden als er deelnemers zijn, met dien verstande dat het aantal leden uit het Waterschap Rivierenland bestaat uit twee.

2Het dagelijks bestuur van het Waterschap Rivierenland wijst uit zijn midden twee leden aan, ieder met een meervoudig stemrecht van twee.

3Elk van de colleges van burgemeester en wethouders van de aan deze gemeenschappelijke regeling deelnemende gemeenten wijst uit zijn midden één lid aan met enkelvoudig stemrecht.

4Het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Avri wijst uit zijn midden één lid aan met enkelvoudig stemrecht.

5Voor elk aangewezen lid wijzen de dagelijkse besturen respectievelijk de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemers een plaatsvervanger aan die dat lid bij verhindering vervangt.

6Van elke aanwijzing tot lid of plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur geven de dagelijkse besturen en de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemers die het aangaan terstond daarvan kennis aan de voorzitter van BSR.

Artikel 7 Onverenigbare betrekking

1Het lidmaatschap van het algemeen bestuur is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar van BSR.

2Met ambtenaar als bedoeld in het eerste lid worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld zij die in dienst van BSR werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

Artikel 8 Einde lidmaatschap algemeen bestuur

1Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt op de dag waarop de zittingsperiode van het dagelijks bestuur of college van burgemeester en wethouders van de deelnemer dat het lid van het algemeen bestuur heeft benoemd, eindigt.

2Indien tussentijds een plaats van een lid van het algemeen bestuur vacant of beschikbaar komt, wijst het dagelijks bestuur of college van burgemeester en wethouders van de deelnemer dat het aangaat zo spoedig mogelijk een nieuw lid van het algemeen bestuur aan.

3Hij die ter vervulling van een tussentijdse vacature als lid van het algemeen bestuur wordt benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd zou hebben moeten aftreden.

4Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij deelt zijn ontslag mede aan de deelnemer die het aangaat en schriftelijk aan de voorzitter van het algemeen bestuur. Het lid houdt zitting in het algemeen bestuur totdat in de opvolging is voorzien.

5Op een plaatsvervangend lid zijn het eerste tot en met het vijfde lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9 Vergaderingen algemeen bestuur

1Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks ten minste tweemaal en voorts zo vaak als de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig oordeelt dan wel ten minste twee vijfde van de leden dit, onder opgaaf van redenen, schriftelijk aan de voorzitter verzoekt.

2Het algemeen bestuur vergadert binnen twee weken na een conform het eerste lid ingediend verzoek.

3De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn in beginsel openbaar.

4De deuren worden gesloten wanneer een vijfde gedeelte van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt.

5Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren wordt vergaderd.

6Met betrekking tot het opleggen van geheimhouding is artikel 23 van de Wgr van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10 Reglement van orde en besluitvorming

1Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden.

2Besluiten worden bij gewone meerderheid van stemmen genomen, tenzij in deze gemeenschappelijke regeling uitdrukkelijk anders is bepaald.

Artikel 11 Informatie en verantwoordingsplicht

1Het algemeen bestuur geeft aan de dagelijkse besturen en colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemers gevraagd dan wel ongevraagd alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het algemeen bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig zijn.

2Het reglement van orde voor het algemeen bestuur regelt de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde inlichtingen worden verstrekt.

3Een lid van het algemeen bestuur geeft aan het dagelijks bestuur of college van burgemeester en wethouders dat hem heeft aangewezen alle inlichtingen die door dat dagelijks bestuur of college van burgemeester en wethouders, of een of meer leden daarvan, worden verlangd.

4Een lid van het algemeen bestuur geeft aan een of meer leden van de gemeenteraden en algemeen besturen van de deelnemers waaruit het afkomstig is de door dat lid of die leden gevraagde inlichtingen.

5Een lid van het algemeen bestuur is aan het dagelijks bestuur of college van burgemeester en wethouders dat hem heeft aangewezen verantwoording verschuldigd voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.

6Een lid van het algemeen bestuur kan door de gemeenteraad of het algemeen bestuur van de deelnemer waaruit het afkomstig is, te allen tijde ter verantwoording worden geroepen voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.

Artikel 12 Bestuur, kaderstelling en controle

Het algemeen bestuur is belast met het algemeen bestuur van BSR, waaronder kaderstelling en controle van het dagelijks bestuur.

Artikel 13 Bevoegdheden algemeen bestuur

1Tot de bevoegdheden van het algemeen bestuur behoren, onverminderd het bepaalde in artikel 66 van de Wgr, onder meer:

a.het vaststellen en wijzigen van de begroting;

b.het vaststellen van de jaarrekening;

c.het vaststellen van de bijdragen van de deelnemers van BSR;

d.de benoeming, de schorsing of het ontslag van de leden van het dagelijks bestuur en de voorzitter;

e.het besluiten tot het toetreden tot een werkgeversvereniging en tot deelneming in een belangenvereniging ter behartiging van een of meer belangen van BSR, onverminderd het bepaalde in artikel 64a van de Wgr.

2Het algemeen bestuur kan aan het dagelijks bestuur bevoegdheden overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen overdracht verzet en met inachtneming van artikel 66a, derde tot en met vijfde lid Wgr.

3Het algemeen bestuur kan aan het dagelijks bestuur niet overdragen de bevoegdheden zoals vastgelegd in artikel 66a, tweede lid Wgr.

Hoofdstuk 5: Dagelijks bestuur

Artikel 14 Samenstelling, verkiezing en einde lidmaatschap dagelijks bestuur

1Het dagelijks bestuur bestaat uit drie leden, te weten:

a.een voorzitter;

b.twee leden.

2De voorzitter en de leden van het dagelijks bestuur worden door en uit het midden van het algemeen bestuur gekozen.

3Ten minste één van de leden van het dagelijks bestuur wordt gekozen uit de in artikel 6, lid 2, van deze gemeenschappelijke regeling bedoelde leden.

4Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt van rechtswege, zodra men ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur.

5Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur vacant of beschikbaar komt, kiest het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid van het dagelijks bestuur.

6Gaat het openvallen van een plaats in het dagelijks bestuur gepaard met het openvallen van een plaats in het algemeen bestuur, dan wordt het kiezen van een nieuw lid van het dagelijks bestuur uitgesteld, totdat de opengevallen plaats in het algemeen bestuur is bezet.

7Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit.

8Een lid van het dagelijks bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet hiervan schriftelijk mededeling aan het algemeen bestuur. Een lid dat ontslag heeft genomen, blijft zijn functie waarnemen totdat zijn opvolger zijn benoeming heeft aanvaard.

9Op een plaatsvervangend lid zijn het vierde tot en met het achtste lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15 Vergaderingen van het dagelijks bestuur

1Het dagelijks bestuur vergadert ten minste zes keer per jaar en zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt of een lid van het dagelijks bestuur daarom verzoekt.

2De leden van het dagelijks bestuur hebben ieder één stem. Besluiten worden bij gewone meerderheid van stemmen genomen. Indien bij een stemming de stemmen staken, wordt opnieuw gestemd. Staken de stemmen andermaal over hetzelfde voorstel, dan beslist de stem van de voorzitter.

3In de vergaderingen van het dagelijks bestuur kan slechts worden beraadslaagd en besloten indien ten minste twee leden aanwezig zijn.

4Indien het vereiste aantal leden niet aanwezig is, belegt de voorzitter een nieuwe vergadering.

5De vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn niet openbaar, voor zover het dagelijks bestuur niet anders heeft bepaald.

6Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast. Dit reglement wordt ter kennis gebracht van het algemeen bestuur.

Artikel 16 Algemene taken van het dagelijks bestuur

1Het dagelijks bestuur is belast met de dagelijkse aangelegenheden van BSR, tenzij de voorzitter bij of krachtens de Wgr of krachtens deze gemeenschappelijke regeling daarmee is belast.

2Het dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van al hetgeen in de vergadering van het algemeen bestuur ter overweging en besluitvorming moet worden gebracht.

3Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de besluiten van het algemeen bestuur, tenzij de voorzitter daarmee krachtens deze gemeenschappelijke regeling is belast.

Artikel 17 Specifieke taken van het dagelijks bestuur

Het dagelijks bestuur is in ieder geval belast met:

1de organisatorische inrichting en de bedrijfsvoering van BSR en de personele aangelegenheden;

2het beheer van de inkomsten, de uitgaven en het vermogen van BSR;

3de zorg, voor zover niet aan anderen opgedragen, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding;

4het houden van toezicht op de uitoefening van de bevoegdheden door de heffingsambtenaar, de invorderingsambtenaar, de ambtenaar van BSR en de belastingdeurwaarder;

5de behartiging van de belangen van BSR bij andere overheden, instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor BSR van belang is;

6het beheer van een register met de belastingverordeningen en de kwijtscheldingsregels die BSR voor de deelnemers uitvoert.

Artikel 18 Bevoegdheden van het dagelijks bestuur

Het dagelijks bestuur is in ieder geval bevoegd tot:

a.het nemen van conservatoire maatregelen;

b.het voeren van rechtsgedingen en het instellen van beroep;

c.benoeming, schorsing en ontslag van de directeur en het personeel van BSR;

d.het regelen van de rechtspositie en de arbeidsvoorwaarden van de directeur en het personeel van BSR met inachtneming van het bepaalde in artikel 29, lid 2, van deze gemeenschappelijke regeling;

e.uitoefening van de bevoegdheden en de verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Waterwet, de Wet milieubeheer en de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) zijn toegekend aan de Minister van Financiën, het bestuur van ’s-Rijkbelastingdienst en de directeur respectievelijk het dagelijks bestuur of het college van burgemeester en wethouders van de deelnemers;

f.de aanwijzing van een of meer ambtenaren van BSR als heffingsambtenaar en als invorderingsambtenaar;

g.de aanwijzing van een of meer ambtenaren van BSR of een gerechtsdeurwaarder als belastingdeurwaarder;

h.het aanwijzen van een of meer ambtenaren van BSR als ambtenaar van BSR als bedoeld in artikel 1, sub c, van deze gemeenschappelijke regeling;

i.het vaststellen van instructies en beleidsregels voor de heffingsambtenaar, de invorderingsambtenaar, de ambtenaar van BSR en de belastingdeurwaarder voor de uitoefening van hun bevoegdheden;

j.het stellen van beleidsregels en nadere regels met betrekking tot de heffing en de invordering van de belastingen;

k.het geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren van de belastingen;

l.het besluiten tot het aanbesteden van leveringen en diensten;

m.het besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van BSR, waaronder mede begrepen het sluiten van dienstverleningsovereenkomsten;

n.het doen van aangifte van strafbare feiten, waarvan het kennis heeft genomen.

Artikel 19 Informatie aan algemeen bestuur

1Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden verstrekken aan het algemeen bestuur de door één of meer leden van dit bestuur gevraagde inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft, waarvan het verstrekken niet in strijd is met het openbaar belang.

2Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden leggen op verzoek van het algemeen bestuur verantwoording af over het door het dagelijks bestuur of door een der leden gevoerde bestuur.

Artikel 20 Verslag van werkzaamheden

1Het dagelijks bestuur biedt het algemeen bestuur jaarlijks voor 1 juli van het kalenderjaar ter vaststelling aan een verslag van de werkzaamheden van BSR over het afgelopen kalenderjaar.

2Het dagelijks bestuur zendt het verslag binnen 14 dagen na vaststelling aan de dagelijkse besturen en colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemers.

Hoofdstuk 6: De voorzitter

Artikel 21 Verkiezing voorzitter en plaatsvervangend voorzitter

1Het algemeen bestuur kiest uit zijn midden de voorzitter van het algemeen bestuur.

2De voorzitter van het algemeen bestuur is tevens voorzitter van het dagelijks bestuur.

3Het algemeen bestuur kiest uit de in artikel 14, lid 1, sub b, van deze gemeenschappelijke regeling bedoelde leden van het dagelijks bestuur een plaatsvervangend voorzitter, die de voorzitter bij afwezigheid vervangt.

Artikel 22 Taken en bevoegdheden voorzitter

1De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur van BSR.

2De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan.

3De voorzitter vertegenwoordigt BSR in en buiten rechte. De voorzitter kan deze vertegenwoordiging met instemming van het dagelijks bestuur aan een door deze aan te wijzen gemachtigde opdragen.

4Indien de voorzitter behoort tot het bestuur van een deelnemer die partij is bij een geding waarbij BSR is betrokken, oefent de plaatsvervangend voorzitter met betrekking tot dat geding de in lid 3 van dit artikel genoemde bevoegdheid uit.

5Indien ook de deelnemer van welks bestuur de plaatsvervangend voorzitter deel uitmaakt bij het in lid 4 van dit artikel bedoelde geding betrokken is, wordt een ander lid van het dagelijks bestuur gemandateerd om BSR met betrekking tot dat geding te vertegenwoordigen.

Hoofdstuk 7: De directeur

Artikel 23 Directeur

1BSR heeft een ambtelijke organisatie met aan het hoofd een directeur.

2De directeur handelt in overeenstemming met de door het algemeen bestuur vastgestelde instructie.

3De directeur staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter bij de uitoefening van hun taak terzijde en is bij de vergaderingen van algemeen bestuur en dagelijks bestuur aanwezig.

4Alle stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan worden door de directeur medeondertekend.

5Het dagelijks bestuur regelt de vervanging van de directeur.

Hoofdstuk 8: De heffingsambtenaar, de invorderingsambtenaar, de ambtenaar van BSR en de belastingdeurwaarder

Artikel 24 Ambtenaren BSR

BSR heeft een of meer heffingsambtenaren, invorderingsambtenaren, ambtenaren van BSR en belastingdeurwaarders.

Artikel 25 Bevoegdheden heffingsambtenaar

1De heffingsambtenaar is bevoegd tot heffing van de belastingen waarvoor door de algemeen besturen en gemeenteraden van de deelnemers van BSR een belastingverordening is vastgesteld en waarvan de heffing en de invordering door de dagelijkse besturen en colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemers is opgedragen aan BSR.

2De heffingsambtenaar heeft de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Waterwet, de Wet milieubeheer en de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) zijn toegekend aan de inspecteur respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing van de deelnemers.

3Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in lid 1 en lid 2 van dit artikel neemt de heffingsambtenaar de nadere regels van het dagelijks bestuur in acht en houdt hij rekening met de beleidsregels die het dagelijks bestuur heeft vastgesteld ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

Artikel 26 Bevoegdheden invorderingsambtenaar

1De invorderingsambtenaar is bevoegd tot invordering van alle belastingen die overeenkomstig deze gemeenschappelijke regeling door de door het dagelijks bestuur aangewezen heffingsambtenaar worden geheven.

2De invorderingsambtenaar heeft de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn toegekend aan de ontvanger respectievelijk de ambtenaar belast met de invordering van de deelnemers.

3De invorderingsambtenaar beslist niet tot het voeren van een executieprocedure in eerste aanleg, hoger beroep en in cassatie dan nadat hij het dagelijks bestuur van zijn voornemen op de hoogte heeft gesteld.

4Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in lid 1 en lid 2 van dit artikel neemt de invorderingsambtenaar de kwijtscheldingsregels van de desbetreffende deelnemer en de nadere regels van het dagelijks bestuur in acht alsmede houdt hij rekening met de beleidsregels van het dagelijks bestuur ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

5De invorderingsambtenaar is bevoegd het dagelijks bestuur gemotiveerd te verzoeken tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 18, sub k, van deze gemeenschappelijke regeling.

Artikel 27 Bevoegdheden ambtenaar BSR

1De ambtenaar van BSR oefent de bevoegdheden en verplichtingen uit die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Waterwet, de Wet milieubeheer en de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) zijn toegekend aan de ambtenaren van de Rijksbelastingdienst respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing of invordering van de deelnemers als bedoeld in artikel 231, lid 2, sub d, van de Gemeentewet en artikel 123, lid 3, sub d, van de Waterschapswet.

2Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in lid 1 van dit artikel neemt de ambtenaar van BSR de nadere regels van het dagelijks bestuur in acht alsmede houdt hij rekening met de beleidsregels van het dagelijks bestuur ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

Artikel 28 Bevoegdheden belastingdeurwaarder

1De belastingdeurwaarder oefent de bevoegdheden en verplichtingen uit die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn toegekend aan de belastingdeurwaarder.

2Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in lid 1 van dit artikel neemt de belastingdeurwaarder de nadere regels van het dagelijks bestuur in acht en houdt hij rekening met de beleidsregels die het dagelijks bestuur heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

Hoofdstuk 9: Ambtelijk apparaat BSR

Artikel 29 Ambtelijk apparaat BSR

1De cao Werken voor waterschappen is van toepassing op het personeel van BSR.

2De ambtenaren en de directeur alsmede het personeel werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden benoemd door het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur stelt de bezoldiging dan wel het loon vast.

3BSR heeft ten behoeve van de medezeggenschap van de werknemers een ondernemingsraad op basis van de Wet op de ondernemingsraden.

Hoofdstuk 10: Begroting, rekening administratie en controle

Artikel 30 Kadernota en begroting

1Het dagelijks bestuur zendt de algemene financiële en beleidskaders uiterlijk 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan de algemene besturen dan wel de gemeenteraden van de deelnemers van BSR.

2Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden toe aan de algemene besturen c.q. de raden van de deelnemers van BSR.

3De ontwerpbegroting wordt door de zorg van ieder der deelnemers voor eenieder ter inzage gelegd en tegen betaling van kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Artikel 190, lid 2 en lid 3, van de Gemeentewet en artikel 100, lid 2 en lid 3, van de Waterschapswet zijn van overeenkomstige toepassing.

4De algemeen besturen en de gemeenteraden van de deelnemers kunnen omtrent de ontwerpbegroting bij het dagelijks bestuur hun zienswijzen naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin de zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

5Het dagelijks bestuur stelt de gemeenteraden en de algemeen besturen van de deelnemers voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

6Het algemeen bestuur stelt jaarlijks voor 1 juli voorafgaande aan het jaar waarvoor deze geldt de begroting vast.

7Nadat de begroting is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur de begroting aan de algemeen besturen en gemeenteraden van de deelnemers, die ter zake bij gedeputeerde staten van Gelderland hun zienswijze naar voren kunnen brengen.

8Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, toe aan gedeputeerde staten van Gelderland.

9Het bepaalde in lid, 2, lid 4 en lid 7 van dit artikel is mede van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting.

10Het bepaalde in lid 7 van dit artikel is niet van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, waarbij de totale bijdrage voor de deelnemers met minder dan 3 procent wijzigt ten opzichte van de vastgestelde primitieve begroting.

Van het bepaalde in het achtste lid alsmede van het bepaalde in artikel 191 van de Gemeentewet en artikel 101 Waterschapswet kan worden afgeweken ten aanzien van begrotingswijzigingen die het totaalbedrag van de begroting en de deelnemersbijdrage niet aantasten, alsmede geen afwijking inhouden van het algemeen en financieel beleid.

Artikel 31 Bijdrage deelnemers

1In de begroting wordt aangegeven de door elke deelnemer, voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft, verschuldigde bijdrage.

2De berekeningswijze van de bijdrage van de deelnemers wordt door het algemeen bestuur vastgesteld met een versterkte meerderheid van ten minste tweederde van het aantal stemmen. Zolang naast Waterschap Rivierenland het aantal deelnemers van de regeling minder dan 20 bedraagt, vereist het besluit tot vaststelling van de berekeningswijze van de bijdrage de instemming van de bestuursleden, aangewezen door Waterschap Rivierenland. Bij, naast Waterschap Rivierenland, meer dan 20 deelnemers of toetreding van een of meer gemeenten met meer dan 100.000 inwoners vervalt het in de vorige zin genoemde instemmingsvereiste van de bestuursleden van Waterschap Rivierenland.

3De deelnemers betalen bij wijze van voorschot jaarlijks voor 16 januari, voor 16 april, voor 16 juli en voor 16 oktober telkens een kwart van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde bijdrage.

4De deelnemers dragen er zorg voor dat BSR te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al haar verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

5De deelnemers zijn gezamenlijk garant voor de juiste betaling van rente, aflossing, boeten en kosten van de door BSR af te sluiten langlopende leningen, kasgeldleningen en in rekening-courant op te nemen gelden, naar verhouding van de in lid 1 van dit artikel bedoelde bijdrage op 1 januari van het jaar waarin de rente en aflossing is verschuldigd.

Artikel 32 Jaarstukken

1Het dagelijks bestuur zendt de voorlopige jaarstukken voor 30 april van het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking hebben, aan de algemene besturen dan wel de gemeenteraden van de deelnemers van BSR.

2De algemeen besturen en de gemeenteraden van de deelnemers kunnen omtrent de voorlopige jaarstukken bij het dagelijks bestuur hun zienswijzen naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin de zienswijze is vervat bij de jaarstukken, zoals deze ter vaststelling aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

3Het algemeen bestuur stelt jaarlijks voor 1 juli volgende op het jaar waarop deze betrekking hebben, de jaarstukken vast.

4Het dagelijks bestuur zendt de jaarstukken binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarstukken betrekking hebben, toe aan gedeputeerde staten van Gelderland.

Na vaststelling van de jaarstukken zendt het algemeen bestuur deze aan de algemeen besturen en de gemeenteraden van de deelnemers.

Artikel 33 Definitieve bijdrage

1In de jaarrekening wordt de door elk van de deelnemers over het betreffende dienstjaar werkelijk verschuldigde bijdrage opgenomen.

2Verrekening van het verschil tussen het op grond van artikel 31, lid 1, van deze gemeenschappelijke regeling bepaalde bedrag en de werkelijk verschuldigde bijdrage vindt plaats terstond na de in artikel 32, lid 5, van deze gemeenschappelijke regeling bedoelde mededeling.

Artikel 34 Rekening administratie

1Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de organisatie van de administratie en het beheer van vermogenswaarden. Deze regels dienen te waarborgen dat aan de eisen van rechtmatigheid, doelmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan.

2BSR houdt de administratie van de opgelegde aanslagen en de ingevorderde belastingen gescheiden van de administratie voor de bedrijfsvoering van BSR.

3De ingevorderde belastingen worden beheerd op een uitsluitend daartoe bestemde rekening.

4Het is BSR niet toegestaan te ontvangen of ontvangen belastingbedragen te verrekenen met de bijdragen van de deelnemers.

5Ingevorderde belastingbedragen worden periodiek overgemaakt naar de rekening van de betreffende deelnemer. Het algemeen bestuur bepaalt de duur van de periode.

6Het dagelijks bestuur zendt periodiek aan de dagelijks besturen en de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemers een overzicht van de te heffen en de geheven belastingen alsmede de in te vorderen en ingevorderde belastingbedragen. Het algemeen bestuur bepaalt de duur van de periode.

7BSR verstrekt aan de deelnemers de informatie die deze opvragen om hun beleid te kunnen vormen ten aanzien van de in artikel 4 van deze gemeenschappelijke regeling bedoelde onderwerpen.

Artikel 35 Controle

1Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de controle op de administratie en op het beheer van de vermogenswaarden. De regels dienen onder meer te waarborgen dat de rechtmatigheid en doelmatigheid van de administratie en het beheer worden getoetst.

2De regels, bedoeld in lid 1 van dit artikel, voorzien onder meer in de aanwijzing van een registeraccountant als bedoeld in artikel 2:393 van het Burgerlijk Wetboek (BW) belast met het onderzoek van de jaarrekening alsmede het ter zake uitbrengen van een verslag, dat behalve de verklaring bij de rekening bevindingen bevat over de vraag of de administratie en het beheer voldoen aan de eisen van rechtmatigheid en doelmatigheid.

Hoofdstuk 11: Toetreding en uittreding

Artikel 36 Toetreding

1Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente of het dagelijks bestuur van een gemeenschappelijke regeling of van een waterschap dat wenst toe te treden tot de regeling dient het verzoek tot toetreding, met inbegrip van de verkregen toestemming van de gemeenteraad of het algemeen bestuur, in bij het dagelijks bestuur.

2Het dagelijks bestuur legt het verzoek tot toetreding ter advisering voor aan het algemeen bestuur. Vervolgens zendt het dagelijks bestuur het verzoek tot toetreding met het advies van het algemeen bestuur aan de colleges van burgemeester en wethouders en dagelijks besturen van de deelnemers.

3Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente of het dagelijks bestuur van een gemeenschappelijke regeling of van een waterschap treedt toe tot de regeling, indien alle deelnemers aan deze gemeenschappelijke regeling, na verkregen toestemming van hun gemeenteraden dan wel algemeen besturen, hebben ingestemd met de verzochte toetreding.

4De toetreding gaat in op de eerste dag van het jaar volgende op het jaar waarin de in lid 3 van dit artikel vermelde instemming tot de toetreding is verleend, met dien verstande dat tussen de toetreding en de in lid 3 van dit artikel bedoelde instemming een periode van ten minste 6 maanden is gelegen. Een kortere termijn is mogelijk indien het dagelijks bestuur van BSR daarmee instemt.

5Het dagelijks bestuur van de toegetreden organisatie doet zo spoedig mogelijk de nodige benoemingen overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 van deze gemeenschappelijke regeling.

Artikel 37 Uittreding

1Een deelnemer kan uittreden uit de regeling.

2Gedurende 3 jaren na de datum van toetreding tot de regeling is het niet mogelijk om uit deze gemeenschappelijke regeling te treden.

3Voor uittreding uit deze gemeenschappelijke regeling wordt een opzegtermijn van ten minste één jaar in acht genomen.

4Uittreding uit deze gemeenschappelijke regeling vindt plaats aan het einde van het kalenderjaar.

5Een deelnemer die uit deze gemeenschappelijke regeling wenst te treden maakt, na verkregen toestemming van het algemeen bestuur dan wel de gemeenteraad, zijn voornemen tot uittreding bij aangetekend schrijven kenbaar aan het algemeen bestuur van BSR en aan de overige deelnemers. De deelnemers besluiten omtrent de uittreding na verkregen toestemming van het algemeen bestuur dan wel de gemeenteraad.

6Na ontvangst van het in lid 5 van dit artikel vermelde schrijven wordt een in overleg met de uittredende deelnemer aan te wijzen onafhankelijke registeraccountant opdracht verleend een liquidatieplan op te stellen, overeenkomstig artikel 39, lid 4 als ware tot opheffing van deze gemeenschappelijke regeling besloten.

7De opdracht tot het opstellen van een liquidatieplan wordt verstrekt door het dagelijks bestuur.

8Voorafgaand aan de opdrachtverstrekking wordt de uittredende deelnemer in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de opdracht. Het liquidatieplan wordt vastgesteld, nadat de uittredende deelnemer in de gelegenheid is gesteld een zienswijze te geven. Voor de zienswijze geldt een termijn van acht weken voor vaststelling.

9Het liquidatieplan wordt vastgesteld door het algemeen bestuur en de daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen zijn bindend. Het liquidatieplan wordt vastgesteld uiterlijk acht kalendermaanden nadat de deelnemer zijn voornemen tot uittreding overeenkomstig het vorige lid bekend heeft gemaakt.

10BSR, de uittredende deelnemer en de blijvende deelnemers spannen zich gezamenlijk in om frictiekosten en desintegratiekosten zo laag mogelijk te houden.

11Het liquidatieplan vermeldt de verdeling van desintegratiekosten en frictiekosten. Financieel uitgangspunt voor de bepaling van kosten en prijzen vormt de meest recente vastgestelde jaarrekening op dat moment. Daarbij komen in ieder geval, maar niet uitsluitend, de volgende aspecten aan de orde:

a.overname door deelnemers van geactiveerde goederen dan wel vergoeding wegens niet overnemen;

b.overname van contractuele verplichtingen jegens leveranciers, dan wel vergoeding wegens niet overname;

c.overname door deelnemers van personeelsleden, dan wel vergoeding wegens niet overname;

d.eventuele nadelige financiële consequenties ten gevolge van de liquidatie;

e.eventuele fiscale consequenties in verband met omzetbelasting en/of vennootschapsbelasting.

12Nadat het liquidatieplan is vastgesteld is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen aan BSR te voldoen. BSR stelt de uittredende deelnemer desgewenst in de gelegenheid om door de overname van personeel, materieel, activa, passiva de hoogte van de desintegratiekosten te verminderen.

13De kosten voor het opstellen van het liquidatieplan komen voor rekening van de deelnemer die het voornemen heeft om uit te treden.

14Bij geschillen over het liquidatieplan, de totstandkoming of de toepassing ervan is de geschillenregeling van Artikel 41 Geschillen van overeenkomstige toepassing.

15Lid 2 tot en met 11 zijn van overeenkomstige toepassing op de vermindering van taakuitvoering of de vermindering van volume van taakuitvoering, door een deelnemer anders dan als gevolg van demografische ontwikkelingen of wijziging van wetgeving.

Hoofdstuk 12: Wijziging en opheffing

Artikel 38 Wijziging van de regeling

1De regeling kan door de deelnemers worden gewijzigd op voorstel van het algemeen bestuur. Het dagelijks bestuur van BSR en de dagelijks besturen en colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemers kunnen het algemeen bestuur van BSR oproepen om een wijzigingsvoorstel vast te stellen.

2Het dagelijks bestuur zendt de deelnemers het voorstel tot wijziging alsmede het advies van het algemeen bestuur en verzoekt de deelnemers tot het nemen van een besluit omtrent de voorgestelde wijziging.

3De dagelijkse besturen en de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemers besluiten omtrent de voorgestelde wijziging nadat zij daartoe toestemming hebben verkregen van hun algemene besturen c.q. de raden. Voorafgaan hieraan kunnen de raden van de gemeenten een zienswijze uitbrengen op het tekstvoorstel. Van hun besluit stellen zij het algemeen bestuur van BSR schriftelijk in kennis.

4Een wijziging van deze gemeenschappelijke regeling is tot stand gekomen wanneer alle dagelijkse besturen en colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemers zich op de wijze als vermeld in lid 3 van dit artikel daarvoor hebben verklaard.

5Tenzij in een daartoe strekkend besluit anders is bepaald treedt een wijziging van de regeling in werking op de dag volgende op die waarop is voldaan aan het bepaalde van lid 4 van dit artikel.

Artikel 39 Opheffing en liquidatie

1De regeling wordt opgeheven bij gelijkluidend besluit van alle dagelijkse besturen en colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemers.

2Artikel 38 van deze gemeenschappelijke regeling is van overeenkomstige toepassing.

3Ingeval een besluit tot opheffing volgens lid 1 van dit artikel is genomen, besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt het, gehoord de deelnemers, een liquidatieplan vast.

4Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing. Voorts voorziet het liquidatieplan in de regeling van de personele gevolgen. Artikel 37 Uittreding 6 tot en met 15 zijn van overeenkomstige toepassing

5Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van het liquidatieplan.

6Zo nodig blijft het dagelijks bestuur ook na het tijdstip van opheffing in functie totdat het liquidatieplan is uitgevoerd.

Hoofdstuk 13: Overige bepalingen

Artikel 40 Archief

1Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van BSR overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de wettelijke voorschriften.

2Het algemeen bestuur stelt regels vast betreffende de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde zorg dient te worden verricht, welke regels worden medegedeeld aan gedeputeerde staten van Gelderland.

3Gedeputeerde staten van Gelderland oefenen toezicht uit op de in het eerste lid bedoelde zorg.

4De zorg voor de archiefbescheiden die ontstaan uit hoofde van de door de deelnemende organen gemandateerde taken berust bij deze organen.

5Voor de bewaring van archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam is aangewezen de archiefbewaarplaats van het Regionaal Archief Rivierenland te Tiel, of diens opvolger.

6De in het vierde lid bedoelde archiefbescheiden worden beheerd door de streekarchivaris van het Regionaal Archief Rivierenland.

7De Streekarchivaris van het Regionaal Archief Rivierenland oefent toezicht uit op het beheer van de archiefbescheiden voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.

8De directeur is belast met de bewaring en het beheer van de in het eerste lid bedoelde archiefbescheiden voor zover deze niet zijn overgebracht naar Regionaal Archief Rivierenland (RAR).

9Bij opheffing van de regeling worden alle onder beheer van de directeur staande archiefbescheiden overgebracht naar de bewaarplaats van het Regionaal Archief Rivierenland (RAR).

Artikel 41 Geschillen

1Over geschillen tussen de deelnemers onderling of tussen een of meer deelnemers en het bestuur van BSR omtrent de toepassing, in de ruimste zin, van deze gemeenschappelijke regeling wordt beslist door Gedeputeerde Staten. Voorafgaande aan het nemen van een besluit omtrent het geschil wordt dit ter advisering voorgelegd aan een door het algemeen bestuur samengestelde geschillencommissie. Nadat advies is uitgebracht neemt het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een besluit.

2Het eerste lid is niet van toepassing indien het gevallen betreft behorende tot die vermeld in artikel 112, lid 1, van de Grondwet of tot die waarvan de beslissing krachtens artikel 112, lid 2, van de Grondwet is opgedragen aan het zij de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren.

Hoofdstuk 14: Slotbepalingen

Artikel 42 Inwerkingtreding

1Deze gemeenschappelijke regeling treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking ervan in de Staatscourant.

2De bevoegdheden van het dagelijks bestuur, de heffingsambtenaar, de invorderingsambtenaar, de ambtenaar van BSR en de belastingdeurwaarder hebben betrekking op de bevoegdheden met betrekking tot de belastbare feiten die zich voordoen vanaf het belastingjaar 2008 dan wel op de belastingjaren vanaf de datum van toetreding tot de regeling.

3Deze regeling vervangt de voorgaande Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking Rivierenland. Na de inwerkingtreding van deze regeling berusten de op grond van de voorgaande gemeenschappelijke regeling genomen besluiten op deze regeling.

Artikel 43 Aanwijzing bestuursleden

Binnen één maand na toetreding tot deze gemeenschappelijke regeling wijst het dagelijks bestuur dan wel het college van burgemeester en wethouders van de nieuwe deelnemer op grond van artikel 6 van deze gemeenschappelijke regeling het lid en het plaatsvervangend lid voor het algemeen bestuur aan.

Artikel 44 Duur en evaluatie

1Deze gemeenschappelijke regeling wordt aangegaan voor onbepaalde duur.

2Deze regeling wordt op verzoek van één of meer van de deelnemers geëvalueerd, met dien verstande dat evaluatie niet vaker plaatsvindt dan eens in de drie jaar. Het algemeen bestuur beslist over de evaluatiecriteria en legt deze ter zienswijze voor aan de gemeenteraden en algemeen besturen van de deelnemers, overeenkomstig Artikel 3 Bestuur lid 3. Het algemeen bestuur beslist over inhoud, proces en werkwijze van een evaluatie.

Artikel 45 Bekendmaking regeling

1Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tiel wordt belast met de inzending van deze gemeenschappelijke regeling aan gedeputeerde staten van de provincies waarin de deelnemers zijn gelegen.

2Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tiel draagt zorg voor bekendmaking van deze gemeenschappelijke regeling door kennisgeving van de inhoud daarvan in de Staatscourant.

Artikel 46 Naam van de regeling

Deze gemeenschappelijke regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking Rivierenland 2024”.

Bijlage 1 Overzicht door deelnemers aan GR BSR overgedragen taken

(als genoemd in artikel 4, lid 2 van de GR BSR)

Naam deelnemer

Overgedragen taken/belastingen

Datum overdracht

Gemeente Culemborg

Wet WOZ

1januari 2008

Onroerendezaakbelastingen

1januari 2008

Hondenbelasting

1januari 2008

Rioolheffing

1januari 2008

Gemeente IJsselstein

Wet WOZ

1januari 2013

Wet BAG

1januari 2013

Wet KPB

1januari 2013

Afvalstoffenheffing/reinigingsrechten

1januari 2013

Onroerendezaakbelastingen

1januari 2013

Rioolheffing

1januari 2014

Bedrijveninvesteringszone

1januari 2017

Gemeente Maasdriel

Wet WOZ

1januari 2008

Onroerendezaakbelastingen

1januari 2008

Hondenbelasting

1januari 2008

Rioolheffing

1januari 2008

Verblijfsbelasting

1januari 2023

Watertoeristenbelasting

1januari 2023

Gemeente Montfoort

Wet WOZ

1januari 2013

Wet BAG

1januari 2013

Wet KPB

1januari 2013

Afvalstoffenheffing/reinigingsrechten

1januari 2013

Onroerendezaakbelastingen

1januari 2013

Rioolheffing

1januari 2013

Roerendezaakbelastingen

1januari 2013

Gemeente Tiel

Wet WOZ

1januari 2008

Onroerendezaakbelastingen

1januari 2008

Hondenbelasting

1januari 2008

Rioolheffing

1januari 2008

Reclamebelasting

1januari 2012

Gemeente West Betuwe

Wet WOZ

1januari 2008

Onroerendezaakbelastingen

1januari 2008

Rioolheffing

1januari 2008

Reclamebelasting

1januari 2017

Gemeente West Maas en Waal

Wet WOZ

1januari 2010

Onroerendezaakbelastingen

1januari 2010

Forensenbelasting

1januari 2010

Hondenbelasting

1januari 2010

Rioolheffing

1januari 2010

Roerendezaakbelastingen

1januari 2010

Reclamebelasting

1januari 2018

Gemeente Wijk bij Duurstede

Wet WOZ

1januari 2012

Afvalstoffenheffing/reinigingsrechten

1januari 2012

Onroerendezaakbelastingen

1januari 2012

Rioolheffing

1januari 2012

GR Avri

Afvalstoffenheffing

1januari 2016

Waterschap Rivierenland

Verontreinigingsheffing

1januari 2008

Watersysteemheffing

1januari 2008

Wegenheffing

1januari 2008

Zuiveringsheffing

1januari 2008

Retributie voor zuiveringsfilter

1januari 2021

Bommelerwaard

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.