Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Begripsbepalingen
De begrippen in artikel 1.1 van de Participatiewet en 1.6 van de verordening zijn ook op deze beleidsregels van toepassing.
Aanvullend hierop is het volgende bepaald:
Verordening: de Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2026;
PW: Participatiewet;
Hoofdstuk 2 Participatie en Inkomen
2.1 Hulp bij re-integratie (hoofdstuk 3 van de verordening)
1De gemeente helpt een inwoner met een bijstandsuitkering om aan het werk te gaan.
2Concrete hulp om aan het werk te gaan noemen we een voorziening.
3De route naar werk is zo lang als nodig en zo kort als mogelijk om vanuit de bijstand duurzaam aan het werk te geraken.
4Een consulent en de inwoner spreken samen af wat de inhoud van een plan van aanpak is.
5Een inwoner is verplicht om mee te werken aan het afgesproken plan.
6Het college kan projecten of trajecten organiseren voor specifieke doelgroepen.
7Als werken voor een inwoner (nog) niet kan, dan kan het college ondersteunen bij het werken aan het wegnemen van belemmeringen.
8Als werken niet (meer) kan, dan kan het college ondersteunen bij het invullen van de dag en het krijgen van gespecialiseerde zorg.
9Als een jongere naar oordeel van het college niet zelfstandig in staat is werk te zoeken, past het college de vier weken zoekperiode niet toe.
2.2 Vereenvoudigde aanvraagprocedure
1Als iemand binnen 12 maanden na uitstroom opnieuw bijstand aanvraagt, hergebruiken we bestaande gegevens bij een ongewijzigde situatie.
2Het eerste lid is ook van toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering, bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de Ioaw.
3Een verkorte aanvraagprocedure passen we niet toe bij beëindiging vanwege:
a.schending van de inlichtingenplicht;
b.het niet nakomen van verplichtingen;
c.onacceptabel gedrag zoals genoemd in de Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2026.
2.3 Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht
Aanvragen bijzondere bijstand kunnen met terugwerkende kracht tot 3 maanden voor de meldingsdatum worden toegekend als het college van oordeel is dat het noodzakelijk is vanwege individuele omstandigheden.
2.4 Ontheffing van de re-integratieverplichting
Het college kan ontheffing verlenen van de re-integratieverplichting. Dit doet het college op basis van een individueel oordeel van de situatie van de inwoner.
2.5 Doelgroep re-integratie
In de verordening bepaalt de gemeenteraad welke re-integratie instrumenten het college kan inzetten. De situatie of de analyse van een inwoner bepaalt welke voorziening het meest passend is. De situatie en de voortgang wordt opgevolgd. Hiervoor wordt iedereen die een beroep doet op een voorziening ingedeeld op de re-integratieladder. De indeling op de re-integratieladder is de basis voor de dienstverlening. Afhankelijk van een individuele beoordeling wijkt het college af van de richtlijn als dat voor een inwoner naar oordeel van het college beter past.
2.6 De dienstverlening per trede van de re-integratieladder
Inwoners worden aan de hand van de analyse ingedeeld op de stappen vanaf A1 tot en met D, zoals weergegeven in het schema hieronder. Bij een indeling op A is een inwoner het dichtst bij werk. Bij een indeling op niveau D is een inwoner hier het verst vandaan.
2.7 De voorzieningen per trede van de Zeeuws-Vlaamse werkladder
Trede ZVL werkladder
Re-integratieladder
Doelgroep
Inzet van de voorziening zoals genoemd in de verordening
Richtlijn doorlooptijd
1
A1
B1
Werkfit, direct plaatsbaar
Kansrijk, met ondersteuning
Proefplaatsing
Werkervaringsplaats
Diagnostische instrumenten (Medische) keuringen
Scholing (korte cursussen)
Werkgeverssubsidie/tijdelijke
loonkostensubsidie
Jobhunting
Bemiddeling
Jobcoaching
Nazorg
Kinderopvang
Onkostenvergoeding
Proefplaatsing
Detacheringsbaan
Diagnostische instrumenten
(Medische) keuringen
Scholing (korte cursussen)
Werkgeverssubsidie/tijdelijke
loonkostensubsidie
Jobhunting
Bemiddeling
Jobcoaching
Nazorg
Kinderopvang
Onkostenvergoeding
3maanden
6maanden
2
A2
B2
Garantiebaan
Re-integratie, zicht op werk in de toekomst
Detacheringsbaan
Diagnostische instrumenten
(Medische) keuringen
Wettelijke loonkostensubsidie
Scholing (korte cursussen)
Werkgeverssubsidie/tijdelijke
loonkostensubsidie
Jobhunting
Bemiddeling
Jobcoaching
Nazorg
Kinderopvang
Onkostenvergoeding
Werkervaringsplaats
Detacheringsbaan
Diagnostische instrumenten
(Medische) keuringen
Werkgeverssubsidie/tijdelijke loonkostensubsidie
Scholing
Jobcoaching
Kinderopvang
Onkostenvergoeding
6maanden
6maanden
3
B3
B4
Re-integratie, nog ver weg van werk
Beschut werk
Werkervaringsplaats
Basisbaan
Diagnostische instrumenten
(Medische) keuringen
Werkgeverssubsidie/tijdelijke loonkostensubsidie
Scholing
Jobcoaching
Kinderopvang
Onkostenvergoeding
Werkervaringsplaats
Beschut werk
Detacheringsbaan
Diagnostische instrumenten
(Medische) keuringen
Wettelijke loonkostensubsidie
Scholing (educatie)
Jobhunting
Bemiddeling
Jobcoaching
Nazorg
Kinderopvang
Onkostenvergoeding
9maanden
3maanden
4
C
D
Activering en Participatie, werk op (heel) lange termijn
Geen mogelijk-
heden
Participatieplaats
Maatschappelijke participatie
Vrijwilligerswerk
Diagnostische instrumenten
(Medische) keuringen
Scholing (educatie)
Jobcoaching
Kinderopvang
Onkostenvergoeding
Maatschappelijke participatie
Vrijwilligerswerk
Diagnostische instrumenten
(Medische) keuringen
Kinderopvang
Onkostenvergoeding
12maanden
36maanden
Hoofstuk 3 Individuele inkomenstoeslag
3.1 Individuele inkomenstoeslag (artikel 3.5.3 verordening)
1Inwoners moeten aan de volgende voorwaarden voldoen om in aanmerking te komen voor een Individuele Inkomenstoeslag:
•21 jaar of ouder, maar onder de pensioengerechtigde leeftijd;
•voorafgaand aan de aanvraagdatum een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen dat niet hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm;
•Inwoners hebben in de afgelopen 36 maanden niet meer dan het toegestaan vrij te laten vermogen;
•inwoners hebben geen zicht op inkomensverbetering, die leidt tot een inkomen hoger dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm.
2Gehuwden en samenwonenden moeten beiden aan de voorwaarden voldoen.
Hoofdstuk 4 Bijzondere bijstand
4.1 Aanvraag en vorm van de bijzondere bijstand
1Bijzondere bijstand wordt op (schriftelijke) aanvraag verstrekt.
2De bijzondere bijstand is om niet tenzij in de regels anders vermeld.
4.2 Bepalingen over draagkracht 4.2.1 Algemene bepalingen
1Op grond van artikel 35, lid 1, van de PW is het aan het college om de geldende draagkracht van een inwoner te bepalen voor het recht op bijzondere bijstand.
4.2.2 Draagkracht uit inkomen
1Bijzondere bijstand wordt verleend met inachtneming van de draagkracht uit het inkomen van de inwoner en/of partner.
2Als inkomen wordt in aanmerking genomen het inkomen over de drie maanden voorafgaand aan de maand waarin de kosten zijn gemaakt/waarop de verstrekking van de bijzondere bijstand betrekking heeft voor inwoners zonder een uitkering op grond van de Participatiewet.
3Bij wisselende inkomsten wordt voor het vaststellen van het jaarinkomen het gemiddeld genomen van het inkomen over de voorafgaande drie maanden.
4De draagkracht wordt opnieuw overwogen bij een daling of stijging van 10% of meer van het feitelijk besteedbaar inkomen.
5Het college merkt het inkomen (inclusief vakantietoeslag) boven de 120 % van de toepasselijke bijstandsnorm zoals genoemd in de verordening, volledig aan als draagkracht.
6Het vijfde lid geldt niet voor de kosten van bewindvoering, curatele en mentorschap en rechtsbijstand. Hierbij geldt dat het inkomen (inclusief vakantietoeslag) boven de 100% van de toepasselijke bijstandsnorm volledig als draagkracht wordt aangemerkt.
7Het meerdere wat een inwoner aan buitenlandse kinderbijslag of gezinsbijslag ontvangt ten opzichte van de Nederlandse kinderbijslag of het Kindgebonden budget wordt als inkomen meegenomen. Kinderbijslag of gezinstoeslag die lager of gelijk is aan de Nederlandse kinderbijslag of het Kindgebonden budget wordt vrijgelaten.
8De middelen als bedoeld in artikel 31, lid 2, van de PW onder c, de individuele inkomenstoeslag en de individuele studietoeslag zoals bedoeld in de artikelen 36 en 36b van de PW worden niet tot het inkomen gerekend.
9In afwijking van het voorgaande wordt in de volgende situaties het berekende Vrij te laten bedrag (VTLB) gevolgd:
a.bij de inwoner ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (Wsnp) is uitgesproken; volgens het berekende VTLB;
b.bij de inwoner die tot een minnelijk schuldregelingstraject op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) is toegelaten; volgens het berekende VTLB.
Draagkracht uit vermogen bij individuele periodieke of incidentele bijzondere bijstand
Individuele periodieke of incidentele bijzondere bijstand wordt alleen verstrekt aan inwoners van wie het vermogen niet hoger is dan € 2.100 voor een alleenstaande of alleenstaande ouder en
€ 3.000 voor gehuwden. Vermogen boven deze grens wordt volledig als draagkracht aangemerkt en leidt tot het niet verstrekken van bijstand.
4.2.4 Draagkracht uit vermogen bij categoriale bijzondere bijstand en gemeentelijke minimaregelingen
1Categoriale bijzondere bijstand en de vergoeding op basis van gemeentelijke minimaregelingen worden verleend met inachtneming van de draagkracht uit het vermogen van de inwoner.
2Voor de vaststelling van de draagkracht uit vermogen wordt aansluiting gezocht bij de grenzen voor het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, lid 3, van de PW.
3Indien en zolang het vermogen van de inwoner (en/of partner) niet hoger is dan het vrij te laten vermogen, wordt geen draagkracht uit vermogen in aanmerking genomen.
4Een schadevergoeding als genoemd in artikel 31, lid 2 onder l van de PW telt niet mee in het vermogen van de inwoner onder de volgende voorwaarden:
a.het geld staat of wordt gezet op een aparte, voor dit doel geopende, spaarrekening, en;
b.er worden na opening van de aparte rekening geen andere bedragen meer op gestort.
5Onder categoriale bijzondere bijstand verstaan we de collectieve zorgverzekering en onder de gemeentelijke minimaregelingen verstaan we de volgende regelingen, genoemd in de Verordening Sociaal Domein gemeente Terneuzen 2026: meedoen, het jeugd- en volwassenenfonds voor sport en cultuur, het zwemabonnement, het kindpakket en het minimareisproduct.
4.2.5 Vermogen bij co-ouderschap
Co-ouderschap wordt aanwezig geacht indien de feitelijke verzorging van de kinderen deels door de ene en deels door de andere ouder wordt gedaan.
Als vermogensgrens van een co-ouder wordt de grens van een alleenstaande ouder gehanteerd.
4.3 Veel voorkomende bijzondere individuele kosten 4.3.1 Aard van de bijzondere bijstand
Voor de bepaling van het recht op individuele bijzondere bijstand moet de aanvraag aan een aantal voorwaarden voldoen, conform artikel 35, lid 1 van de PW:
1de kosten moeten daadwerkelijk gemaakt worden;
2het moet gaan om noodzakelijke kosten,
3het moet gaan om kosten die voortkomen uit bijzondere individuele omstandigheden;
4de kosten kunnen niet voldaan worden uit de aanwezige middelen;
5reserveren voor deze kosten was niet mogelijk;
6er is geen recht op bijzondere bijstand als er sprake is van een voorliggende voorziening, die gezien haar aard en doelstelling passend en toereikend kan worden geacht zoals bedoeld in artikel 15 van de PW.
Eerste maand huur, waarborgsom en inrichtingskosten
1De kosten van de eerste huur, waarborgsom en inrichtingskosten behoren in beginsel tot de algemene kosten van levensonderhoud en komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand.
2Bijzondere bijstand voor de eerste huur, waarborgsom en de bijbehorende administratiekosten kan worden verstrekt indien voldaan is aan de voorwaarden genoemd in artikel 4.3.1 van deze beleidsregels.
3Bijzondere bijstand voor inrichtingskosten bedraagt maximaal € 4500 voor een eenpersoonshuishouden + € 500 per extra ingeschreven gezinslid. De lening wordt volledig afgelost.
4Bij inrichting van een woning voor hervestigers (uitgenodigde vluchtelingen die rechtstreeks in de gemeente worden gehuisvest) zijn de gemaakte arbeidskosten om niet.
5Bijzondere bijstand kan ook verstrekt worden als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden of van een niet voorzienbare, maar noodzakelijke, verhuizing.
6Bijzondere bijstand voor eerste huur, waarborgsom en inrichtingskosten wordt verstrekt in de vorm van een renteloze lening.
7Inwoners die verhuizen naar een woning buiten de gemeente Terneuzen, komen niet in aanmerking voor de kosten genoemd in het tweede lid.
4.3.3 Bijzondere bijstand voor een waarborgsom bij onderhuur via de gemeente
1We kunnen een lening verstrekken voor de waarborg van een woning of kamer als mensen huren via de gemeente.
2De waarborg als bedoeld in het eerste lid, die wordt aangesproken, verrekenen we met de bijzondere bijstand genoemd in het eerste lid van artikel 4.3.2 en in het eerste lid van artikel 4.3.3.
3De lening bedoeld in het eerste lid wordt pas afgelost als er een lening wordt verstrekt zoals genoemd in het eerste lid van artikel 4.3.2 en het eerste lid van artikel 4.3.3.
4.3.4 Reiskosten voor het afleggen van bezoek aan gedetineerden of een in een instelling opgenomen gezinsleden vanaf 18 jaar.
1Bijzondere bijstand kan worden verleend voor het afleggen van een bezoek aan een gedetineerd gezinslid of eerstegraads familie en een in een ziekenhuis/instelling opgenomen persoon behorende tot het gezin of eerstegraads familieleden. Dit geldt ook voor pleegouders en pleegkinderen.
2De hoogte van de vergoeding bedraagt de kosten van de goedkoopste vorm van openbaar vervoer. Bij gebruik van eigen vervoer wordt er een bedrag vergoed conform het tarief van de Belastingdienst. Als gebruik wordt gemaakt van de Liefkenshoektunnel worden ook deze kosten vergoed.
3De reiskosten worden maximaal vier keer per maand beschikbaar gesteld.
4.3.5 Woonkostentoeslag voor een huurwoning
1Een woonkostentoeslag voor een huurwoning kan worden verstrekt, indien en voor zover geen aanspraak kan worden gemaakt op huurtoeslag.
2De woonkostentoeslag wordt telkens voor een periode van maximaal 12 maanden toegekend.
3De woonkostentoeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag wanneer inwoner huurtoeslag zou ontvangen, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid van de Wet op de huurtoeslag.
4Indien een inwoner een woning huurt waarvan de woonkosten hoger zijn dan de maximale huurgrens, wordt de woonkostentoeslag verhoogd met het bedrag waarmee de huur de maximale rekenhuur overtreft. Hierbij wordt de verplichting opgelegd dat betrokkene naar vermogen probeert woonruimte te vinden met een rekenhuur die lager of gelijk is aan de maximale huurgrens. Bij verlenging van de periode van woonkostentoeslag als bedoeld in lid 2 van dit artikel wordt beoordeeld of de aanvrager zich voldoende heeft gehouden aan deze verplichting. Indien betrokkene naar oordeel van het college niet voldoende heeft voldaan aan deze verplichting kan de woonkostentoeslag voor een volgende periode gedeeltelijk of geheel geweigerd worden.
4.3.6 Woonkostentoeslag voor een woning in eigendom
1Een woonkostentoeslag voor een woning in eigendom kan worden verstrekt onder dezelfde voorwaarden als de woonkostentoeslag voor een huurwoning.
2De woonkostentoeslag is gelijk aan het recht op huurtoeslag indien er sprake zou zijn van een huurwoning verminderd met de belastingteruggave wegens betaalde hypotheekrente.
3Het vermogen in de woning (overwaarde) mag niet hoger zijn dan de vermogensgrens genoemd in de PW.
4Bij de beoordeling van een nieuwe periode van woonkostentoeslag als bedoeld in lid wordt een inwoner gevraagd of naar vermogen is geprobeerd om goedkopere woonruimte te vinden.
4.3.7 Uitvaartkosten
1Erfgenamen, bloed- en aanverwanten in de 1e graad kunnen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand als:
•de uitvaartkosten niet uit de nalatenschap voldaan kunnen worden;
•er geen beroep gedaan kan worden op een uitvaart-, levens- of ongevallenverzekering; en
•de erfgenamen of bloed-/aanverwanten niet over toereikende middelen beschikken om (zijn aandeel in) de uitvaartkosten te voldoen.
2Er kan enkel bijzondere bijstand worden verleend voor uitvaartkosten die in Nederland worden gemaakt. De kosten van een uitvaart in het buitenland en reiskosten naar het buitenland om een uitvaart bij te wonen komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand.
3De hoogte van de bijzondere bijstand voor uitvaartkosten bedraagt:
•maximaal € 2.750 voor een crematie;
•maximaal € 4.350 voor een begrafenis.
4In afwijking van het eerste lid wordt onder dezelfde voorwaarden bijzondere bijstand verleend voor erfgenamen, bloed- en aanverwanten in de 2e graad, maar dan in de vorm van een renteloze lening.
4.3.8 Kinder- en peuteropvangkosten
1De ouderbijdrage die aan ouders gevraagd wordt door de peuterspeelzaal wordt vergoed voor maximaal 1 dagdeel per week. Dit is aanvullend op het gratis dagdeel peuteropvang dat elke peuter ontvangt uit de gemeente Terneuzen in het kader van de voorschool.
2De vergoeding bedraagt 100% van de kosten.
3Een vergoeding voor de peuterspeelzaal wordt niet verstrekt in combinatie met een vergoeding voor kinderopvang.
4Tijdens het volgen van een re-integratie traject, werk of het volgen van een studie, vergoeden we de volledige eigen bijdrage kinderopvang ambtshalve.
4.3.9 Kosten maaltijdvoorziening
1Voedingskosten behoren tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan. Voorliggende voorzieningen voor het bekostigen van maaltijden zijn onder meer de Wmo 2015, Zorgverzekeringswet of een subsidieregeling.
2Alleen wanneer een inwoner niet in staat is om zelf maaltijden te bereiden en hiervoor is aangewezen op een maaltijdvoorziening, kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de meerkosten van deze maaltijdvoorziening.
3De hoogte van de bijzondere bijstand 50 % van de kosten met een maximum van € 5 per maaltijd.
4De bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor maximaal één warme maaltijd per dag per persoon.
5De bijzondere bijstand wordt per maand verstrekt.
4.3.10 kosten voor bewindvoering, mentorschap en curatele
1Kosten van een bewindvoerder die voortkomen uit geheel of gedeeltelijk beschermingsbewind (curatele of bewindvoering) komen voor bijzondere bijstand in aanmerking als de rechter een beschikking heeft afgegeven, de werkzaamheden daadwerkelijk worden verricht en de kosten daadwerkelijk worden gemaakt.
2Kosten van mentorschap komen voor bijzondere bijstand in aanmerking als de rechter een beschikking heeft afgegeven, de werkzaamheden daadwerkelijk worden verricht en de kosten daadwerkelijk worden gemaakt.
3Voor salariskosten van bewindvoering in het kader van de Wsnp wordt geen bijzondere bijstand verstrekt omdat er een voorliggende voorziening is (Besluit subsidiebewindvoering schuldsanering).
4In afwijking van artikel 4.2.2, lid 5 merkt het college het inkomen (inclusief vakantietoeslag) boven de 100% van de toepasselijke bijstandsnorm, volledig aan als draagkracht.
5Voor de kosten van particulier financieel (budget)beheer of particulier schuldhulpverlening wordt geen bijzondere bijstand verstrekt omdat de gemeentelijke integrale schuldhulpverlening een voorziening is die passend en toereikend is.
6Lid 3 is niet van toepassing wanneer de Wsnp van toepassing is en budgetbeheer noodzakelijk is.
7De hoogte van de bijzondere bijstand voor bewindvoering, mentorschap en curatele is gelijk aan de tarieven die jaarlijks worden vastgesteld volgens de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.
Kosten voor juridische ondersteuning/rechtsbijstand
1Voor de eigen bijdrage van juridische ondersteuning kan bijzondere bijstand worden verleend als er geen aanspraak kan worden gedaan op een rechtsbijstandverzekering en als er een toevoeging is van de Raad voor Rechtsbijstand
2Voor griffierecht kan geen bijzondere bijstand worden verleend.
3Bij iedere toekenning van bijzondere bijstand voor juridische ondersteuning geldt een eigen bijdrage voor de aanvrager van € 50.
4In afwijking van artikel 4.2.2, lid 5 merkt het college het inkomen (inclusief vakantietoeslag) boven de 100% van de toepasselijke bijstandsnorm, volledig aan als draagkracht.
5Kosten gemaakt voor juridische ondersteuning in het buitenland komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.
Legeskosten verlengen verblijfsvergunning, naturalisatie
1Legeskosten voor (verlenging van) een verblijfsvergunning behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Enkel indien de inwoner niet in staat is geweest te reserveren voor deze kosten dan wel geen lening kan afsluiten, komt men in aanmerking voor bijzondere bijstand.
2Bijzondere bijstand voor legeskosten voor verblijfsvergunningen is mogelijk voor:
a.Legeskosten voor verlengingen van vergunningen voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd en wijzigingen in verblijfsdoelen.
b.Legeskosten voor in Nederland geboren kinderen van niet-Nederlandse ouders.
Hoofdstuk 5 Giften
5.1 Giften
1We laten giften vrij tot maximaal € 1.200 per huishouden per kalenderjaar.
2Een gift tot € 1200 per huishouden per kalenderjaar kan vrij besteed worden.
3Bij overschrijding van de vrijlating genoemd in het eerste lid beschouwen we het meerdere:
a.als inkomen bij giften met een periodiek karakter;
b.als vermogen bij een incidentele gift.
4In afwijking van het tweede lid laten we giften met een specifieke bestemming vrij als de inwoner met bewijsstukken kan aantonen of op andere wijze aannemelijk kan maken:
a.dat de gift is besteed voor de noodzakelijke inrichting van de woning;
b.dat de gift is besteed aan scholing en opleiding of middelen die nodig zijn bij het volgen van scholing of opleiding die aantoonbaar bijdraagt aan de toekomstige arbeidsinschakeling;
c.dat de gift is besteed aan het aflossen van betalingsachterstanden aan te betalen huur, vaste lasten (elektra, gas en water) of zorgverzekering;
d.dat de gift is besteed aan het aflossen van een problematische schuld;
e.dat de gift is ontvangen van een charitatieve instelling zoals de Voedselbank, sociale fondsen of hulporganisaties;
f.dat de gift is ontvangen voor medisch noodzakelijke kosten.
5Het is de verantwoordelijkheid van de inwoner om de ontvangen giften te registreren en- als die er zijn – bewijsstukken te bewaren.
6Het is de verantwoordelijkheid van de inwoner om uit eigen beweging melding te maken van giften die ertoe leiden dat de maximale vrijlating per kalenderjaar is overschreden.
7We laten specifieke giften boven de € 1200 vrij als ze voldoen aan bestemmingen zoals genoemd in artikel 5.1.4.
Hoofdstuk 6 Waarde van een voertuig
6.1 Waarde voertuig
1Eén auto of motor (benzine, gas, diesel) per huishouden met een waarde tot maximaal € 4.500 wordt beschouwd als algemeen gebruikelijk. Indien de waarde meer bedraagt dan € 4.500 wordt de meerwaarde van de auto of motor volledig aangemerkt als vermogen.
2Of één elektrische of hybride auto met een waarde tot maximaal € 7.000 wordt beschouwd als algemeen gebruikelijk. Indien de waarde meer bedraagt dan € 7.000 wordt de meerwaarde van de elektrische of hybride auto volledig aangemerkt als vermogen.
3Voertuigen anders dan vermeld dan bij 1 en 2 worden niet als algemeen gebruikelijk beschouwd.
Hoofdstuk 7 Geldleningen en overbruggingsregeling
7.1 Geldleningen
We kunnen een renteloze lening verstrekken voor bijzondere kosten indien voldaan is aan de voorwaarden genoemd in artikel 4.3.1.
7.2 Overbruggingsregeling
Het kan voorkomen dat mensen de periode tot de uitbetaling van de eerste uitkering niet zelf kunnen overbruggen. Dit kan het geval zijn als het inkomen van een week- naar een maandbetaling gaat. Indien noodzakelijk kan ook hiervoor een overbruggingsuitkering worden verstrekt. De overbruggingsuitkering is in dit geval gelijk aan de uitkering voor die periode. Een overbrugging is alleen aan de orde als men op geen enkele manier in staat is om het financiële probleem zelf op te lossen. Er wordt verwacht dat men hiervoor het gehele inkomen (inclusief vakantiegeld) en (het vrij te laten) vermogen aanwendt. Wanneer bijzondere bijstand is verstrekt op grond van artikel 4.3.2, wordt dit bedrag in mindering gebracht op de overbruggingsuitkering.
Hoofdstuk 8 Slotbepalingen
8.1 Onvoorziene omstandigheden
1In gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien, beslist het college.
2Het college handelt in overeenstemming met deze beleidsregels, tenzij dat voor een of meer inwoners gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met deze beleidsregel te dienen uitgangspunten en doelen.
8.2 Overgangsrecht
We behandelen uw aanvraag op grond van de Beleidsregels Participatie en Inkomen gemeente Terneuzen 2026 (gewijzigd), als u een aanvraag heeft ingediend voor de inwerkingtreding van deze beleidsregels dan gelden de oude regels, tenzij beoordeling op basis van de nieuwe regeling voordeliger is.
8.3 Klachten
Een aanvrager kan een klacht indienen bij de het college van B&W als er ontevredenheid bestaat over een onderdeel van de beleidsregels participatie en inkomen gemeente Terneuzen 2026.
8.4 Intrekken beleidsregels
De Beleidsregels participatie en inkomen gemeente Terneuzen 2026 worden ingetrokken.
8.5. Inwerkingtreding en citeertitel
1De beleidsregels participatie en inkomen gemeente Terneuzen 2026 (gewijzigd) treden op 1 mei 2026 in werking.
2Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels participatie en inkomen gemeente Terneuzen 2026 (gewijzigd)’.
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders in zijn vergadering van 28 april 2026.