Gemeentelijke regelgeving

Beleidsnota artikel 13b Opiumwet

Gemeente Terneuzen · geldt sinds 10 juni 2021

1. Doel van Wet Damocles (13b Opiumwet)

1.1. Inleiding

Gemeenten worden geconfronteerd met illegale activiteiten gerelateerd aan verdovende middelen. Artikel 13b Opiumwet is voor de burgemeester het juridische instrument om hiertegen bestuurlijk op te treden.

De Opiumwet richt zich voor de burgemeester primair op de preventie en beheersing van de uit druggebruik voortvloeiende risico’s. Artikel 13b Opiumwet biedt de burgemeester de mogelijkheid om bestuursdwang toe te passen.

1.2. Doel van het gemeentelijk Damoclesbeleid

In het verlengde van het doel dat de wetgever nastreefde bij het opstellen van de “Wet Damocles”, beoogt dit Damoclesbeleid primair:

1de preventie en beheersing van de uit drugsgebruik voortvloeiende risico’s voor de gezondheid;

2het beheersen van de negatieve effecten van de handel in en het gebruik van drugs op het openbare leven en andere lokale omstandigheden;

3het tegengaan van het onaanvaardbare risico van gebruik van (hard)drugs;

4het effectueren van het gemeentelijk drugsbeleid.

Secundair beoogt het Damoclesbeleid in een beleid(sregel) kenbaar te maken hoe de burgemeester omgaat met de discretionaire (elementen van de) bevoegdheid, uit artikel 13b van de Opiumwet.

Dit Damoclesbeleid vervangt alle voorgaande beleidsnotities over dit onderwerp. De eerder vastgestelde beleidsregels en handhavingstabellen uit het oude Damoclesbeleid, laatst gewijzigd per 21 november 2017, worden met ingang van datum van inwerkingtreding van deze nota ingetrokken.

Handhavingsprocedures met betrekking tot de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet die zijn opgestart c.q. kwesties waarin handhavingsstappen zijn gezet ten tijde van de geldigheid van de thans in te trekken beleidsregels en bijbehorende handhavingsmatrices, worden voortgezet op basis van deze nieuwe beleidsregel met bijbehorende handhavingsmatrices.

1.3. Integraal handhavingsbeleid

Uit het enkele feit dat de Opiumwet, een Nederlandse wet met in beginsel een strafrechtelijk uitgangspunt, ook een bevoegdheid aan de burgemeester toekent blijkt dat de wetgever méér voorstaat dan alleen strafrechtelijke handhaving. Vanwege die uitdrukkelijke wettelijke koppeling, wordt bij een aantal uitgangspunten en beleidsdocumenten uit het strafrecht aangesloten. De Aanwijzing Opiumwet en de recidivetermijnen zijn voorbeelden daarvan.

In onze positie als grensgemeente zijn we van oudsher kwetsbaar voor drugstoerisme en hennepteelt. Daarom hanteren we een strikt handhavingsbeleid. Bij coffeeshops handhaven we het I-criterium.

2. Wet Damocles

2.1. Artikelen 10a, 11a en 13b Opiumwet = Wet Damocles

Dit beleid is gebaseerd op de Opiumwet [1].

De volledige tekst van artikel 10a van de Opiumwet, luidt:

1Hij die om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voor te bereiden of te bevorderen:

1°. een ander tracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,

2°. zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen,

3°. voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2Niet strafbaar is hij die de in het eerste lid omschreven feiten begaat met betrekking tot het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik.

Artikel 11a Opiumwet

De volledige tekst van artikel 11a van de Opiumwet, luidt:

Hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.

Artikel 13b Opiumwet

1De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:

a.een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;

b.een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.

2Het eerste lid is niet van toepassing indien woningen, lokalen of erven als bedoeld in het eerste lid, gebruikt worden ter uitoefening van de artsenijbereidkunst, de geneeskunst, de tandheelkunst of de diergeneeskunde door onderscheidenlijk apothekers, artsen, tandartsen of dierenartsen.

2.2. “Artikel 2 of 3 Opiumwet”

In artikel 13b Opiumwet wordt verwezen naar lijst I en II van de Opiumwet.

Artikel 2 Opiumwet

Artikel 3 Opiumwet

verwijst naar middelen

verwijst naar middelen

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II

aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van art. 2 Opiumwet

aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van art. 3 Opiumwet

aangewezen bij ministerieel besluit op grond van art. 2 Opiumwet

aangewezen bij ministerieel besluit op grond van art. 3 Opiumwet

de middelen die op lijst I staan, dan wel zijn of worden aangewezen vallen onder de categorie

de middelen die op lijst II staan, dan wel zijn of worden aangewezen vallen onder de categorie

HARDDRUGS

SOFTDRUGS

Hennepteelt

Dit beleid gaat niet alleen over drugshandel in de traditionele zin van het woord. De hennepteelt en handel in Nederland is de afgelopen 20 jaar zo geprofessionaliseerd en gecriminaliseerd dat enkel de hennepteelt al tot dusdanige overlast en verstoring van de openbare orde leidt dat hier tegen opgetreden dient te worden. Het houden van een hennepplantage waarbij er sprake is van bedrijfsmatige illegale hennepteelt, wordt in dit beleid beschouwd als drugshandel in de zin van artikel 13b Opiumwet.

Toepassing artikel 13b Opiumwet

Van belang hierbij is dat uit vaste jurisprudentie volgt dat uit het woord ‘daartoe’, zoals genoemd in artikel 13b Opiumwet, volgt dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs de bevoegdheid geeft tot toepassing van 13b Opiumwet. Het is niet nodig dat er bewijs is van daadwerkelijke verkoop, aflevering of verstrekking. Het is aan betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken. Verder is van belang dat de werking van de Opiumwet zo ver reikt dat 13b Opiumwet ook kan worden toegepast als het gaat om delen van de (hennep)plant indien de hars hier niet aan onttrokken is. Dit volgt uit artikel 1, eerste lid, sub b en lijst II van bijlage 1 van de Opiumwet. In het vervolg van deze beleidsregel dient daar waar over drugshandel, handel of illegale verkooppunten wordt gesproken ook te worden begrepen hennepplantages.

Met de wijziging van artikel 13b van de Opiumwet is de bevoegdheid voor het opleggen van een last onder bestuursdwang verruimd met voorbereidingshandelingen die strafbaar zijn op grond van artikel 10a, eerste lid, onder 3°, en/ of 11a van de Opiumwet. Hiervan is sprake als er voorwerpen of stoffen voorhanden zijn die bestemd zijn voor onder meer de productie van en/ of handel in soft- en harddrugs.

Aansluiten bij Aanwijzing Opiumwet/ Handelshoeveelheid

In de Aanwijzing Opiumwet [2] is vastgelegd wat wordt aangemerkt als een “geringe hoeveelheid voor eigen gebruik”. Een grotere hoeveelheid wordt aangemerkt als een handelshoeveelheid.

De Richtlijn voor strafvordering, softdrugs [3] heeft betrekking op alle verboden handelingen met betrekking tot softdrugs (hennepproducten, qat en paddo’s).

De Richtlijn voor strafvordering, harddrugs [4] heeft betrekking op enkele verboden handelingen met betrekking tot harddrugs. 1 tablet cq 1 pil cq 1 ampule cq 1 gemiddelde consumptie eenheid wordt gelijkgesteld met 0,5 gram. Voor GHB geldt 5 ml als gemiddelde consumptie-eenheid.

Concreet betekent dit dat er sprake is van een handelshoeveelheid/ overtreding op grond van dit beleid bij een hoeveelheid:

•harddrugs: meer dan 0,5 gram (bijvoorbeeld cocaïne/ amfetamine) (of 5 ml (GHB));

•softdrugs: meer dan 5 gram;

•hennepplanten: meer dan 5 planten;

•qat: meer dan 1 bundel (ca. 200 gram, stengel en blaadjes);

Volgens vaste jurisprudentie mag de burgemeester in beginsel wanneer er een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen in een woning of lokaal, aannemen dat het gaat om handel en hoeft er geen bewijs aanwezig te zijn van daadwerkelijke verkoop, aflevering of verstrekking.

Het bezit van 6 tot en met 30 gram hennep of 6 tot en met 20 hennepplanten als vermeld op lijst II Opiumwet wordt in het kader van dit beleid beschouwd als een “kleine handelshoeveelheid”.

Ernstig geval softdrugs in woningen

Vanuit het oogpunt van de subsidiariteit en proportionaliteit zal onder toepassing van bestuursdwang in ieder geval tot directe sluiting van een woning worden overgegaan in ernstige gevallen.

Een ernstig geval wordt op grond van deze beleidsregel in ieder geval aangenomen wanneer sprake is van een aangetroffen hoeveelheid van meer dan 20 planten en/ of meer dan 30 gram softdrugs in een woning. Bij het aantreffen van deze hoeveelheden wordt bij de eerste overtreding de woning gesloten, indien er eerder overtredingen zijn geweest wordt bij minder planten en mindere hoeveelheid drugs de woning al gesloten (zoals weergegeven in de handhavingsmatrix). In dat geval wordt aangenomen dat er sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt en/of drugshandel. Verder wordt aangenomen dat in dit soort situaties sprake is van een ernstige verstoring van de openbare orde en een verstoring van het woon- en leefklimaat en zijn er grote veiligheidsrisico’s voor de omgeving.

Ook gelet op de meest actuele jurisprudentie valt het aanmerken van meer dan 20 planten als een ernstig geval ruim binnen de marges [5]. Daarbij is opgemerkt dat het beleid voldoende mogelijkheden biedt om elke situatie op zijn eigen merites te beoordelen en in schrijnende situaties daarvan af te wijken.

Gelet op het voorgaande wordt er in ernstige gevallen niet gewaarschuwd bij een eerste overtreding van de Opiumwet, maar wordt de woning direct gesloten.

Ernstig geval harddrugs in woningen

Vanuit het oogpunt van de proportionaliteit en evenredigheid zal onder toepassing van bestuursdwang in ieder geval tot directe sluiting van een woning worden overgegaan in geval sprake is van meer dan 0,5 gram harddrugs, tenzij betrokkene aannemelijk kan maken dat de aangetroffen hoeveelheid harddrugs niet voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig is.

Definitie voorbereidingshandelingen

In deze beleidsregel wordt onder voorbereidingshandelingen verstaan: het voorhanden hebben van een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, van de Opiumwet of artikel 11a van de Opiumwet.

Het betreft voorwerpen of stoffen die duidelijk bestemd zijn voor het telen of bereiden van drugs, zoals bepaalde apparatuur (drugslaboratorium, cocaïnewasserij), chemicaliën (apaan, zoutzuur) en versnijdingsmiddelen.

Dit vereist dat degene die het voorwerp of de stof in de woning of het lokaal of op het erf voorhanden heeft, weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat het voorwerp of de stof bestemd is voor onder meer het bereiden, bewerken of vervaardigen van harddrugs, respectievelijk voor grootschalige of bedrijfsmatige illegale hennepteelt. Op zijn minst moeten de voorwerpen of stoffen het ernstige vermoeden rechtvaardigen dat zij daarvoor bestemd zijn. Onvoldoende om als voorbereidingshandeling te kwalificeren, is aantreffen van (uitsluitend) vervoermiddelen, gelden of andere betaalmiddelen.

Grootschalige en/of professionele hennepteelt

Artikel 11a van de Opiumwet stelt alleen de voorbereiding strafbaar van teelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet) dan wel de voorbereiding van teelt van een grote hoeveelheid (als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet). Bij de vaststelling van hetgeen wat beroeps- of bedrijfsmatige (hierna: professionele) teelt is, spelen de volgende factoren, terug te vinden in de Aanwijzing Opiumwet, een rol:

•De schaalgrootte van de teelt: de hoeveelheid planten; Bij een hoeveelheid van 5 planten of minder wordt in beginsel aangenomen dat er geen sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Deze situatie wordt gelijk behandeld als de situatie waarin wordt geconstateerd dat sprake is van een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik;

•De mate van professionaliteit, afgemeten aan het soort perceel waarop geteeld wordt, belichting, verwarming, bevloeiing, etc. (opgenomen in bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet);

•Indien, ongeacht de hoeveelheid planten, wordt voldaan aan twee of meer punten, genoemd in de lijst indicatoren met betrekking tot de mate van professionaliteit, zoals opgenomen in bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet, wordt aangenomen dat er sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen;

•Het doel van de teelt. Indien er sprake is van het telen van hennep om geldelijk gewin te verkrijgen, wordt, ongeacht de hoeveelheid planten, aangenomen dat er sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen.

Ernstig geval voorbereidingshandelingen in woningen

Bij het aantreffen van voorwerpen en stoffen waarvan aannemelijk is dat die bestemd zijn voor het telen en bereiden van drugs in een woning wordt, bij het aanmerken van een ernstig geval, aangesloten bij het voorgaande. Dit houdt in dat als een hoeveelheid voorwerpen of stoffen wordt aangetroffen die bestemd is voor het telen van meer dan 20 planten en/of bereiden van meer dan 30 gram softdrugs, dit aangemerkt wordt als ernstig geval.

Voor harddrugs wordt de norm van het aantreffen van voorwerpen en stoffen voor het bereiden en produceren van meer dan de handelshoeveelheid, zoals aangegeven in paragraaf 2.2. onder Aansluiten bij Aanwijzing Opiumwet/ Handelshoeveelheid, aangehouden.

2.3. Last onder bestuursdwang

In de Algemene wet bestuursrecht is een volledige paragraaf gewijd aan de last onder bestuursdwang, namelijk paragraaf 5.3.1. Deze paragraaf begint met artikel 5:21 waarin is aangegeven wat onder bestuursdwang moet worden verstaan, namelijk: de herstelsanctie inhoudende:

a.een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b.de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Proportionaliteit en subsidiariteit

Gebruikmaken van de bestuursdwang wordt in beginsel pas toelaatbaar geacht wanneer:

1er sprake is van een verboden situatie en/of een overtreding van een wettelijk voorschrift;

2én het belang van daadwerkelijk optreden zorgvuldig wordt gemotiveerd;

3én de op te leggen maatregel in redelijke verhouding staat met de overtreding (met andere woorden, dat is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit).

Bestuursdwang is een reparatoire maatregel. Anders dan een punitieve maatregel is bestuursdwang niet gericht op bestraffing of leed toevoeging, maar op het ongedaan maken, beëindigen of voorkomen van een overtreding. Gelet op de aard van de overtreding zal de overtreding onmiddellijk ongedaan wordt gemaakt of wordt beëindigd.

Uitvoering van bestuursdwang betekent - in het kader van de uitvoering van dit beleid – dat het lokaal of de woning bij sluiting ook feitelijk namens het bestuursorgaan wordt gesloten. Dit kan op verschillende manieren uitgevoerd worden.

Niet betreden

De sluiting is feitelijk van aard, en brengt met zich mee dat de woning of het lokaal door niemand mag worden betreden. Het gebouw mag alleen worden betreden als de burgemeester daartoe toestemming heeft verleend. In de regel wordt slechts toestemming verleend in geval van een dringende en/of zwaarwichtige reden. Daarom moet een schriftelijk en gedetailleerd verzoek worden ingediend, waaruit in ieder geval duidelijk moet blijken voor wie het verzoek geldt, voor welk doel en voor welke periode.

3. Handhavingarrangement

3.1. Inleiding

Uitgangspunt is dat indien is gebleken dat er sprake is van een overtreding als genoemd in artikel 13b Opiumwet, zal de burgemeester handhavend optreden.

De, in het kader van het Damoclesbeleid relevante, taak van de politie is om de burgemeester te informeren door geconstateerde overtredingen en daarvan opgemaakte proces-verbalen bij hem te melden of andere schriftelijke informatie aan hem te verstrekken, zoals het toesturen van een bestuurlijke rapportage of een Hennep Informatie Bericht.

De burgemeester is verantwoordelijk voor de uitvoering van het handhavingsbeleid ingevolge artikel 13b Opiumwet.

3.2 Begrippen en uitgangspunten Woning of lokaal

De wetgever heeft ervan afgezien het begrip woning te definiëren. De burgemeester verstaat onder woning `een pand dat (of ruimte die) in de aangetroffen staat op een normale wijze voor bewoning kan worden gebruikt en dat (die) daarvoor ook mag worden gebruikt (woongenot)`.

Of een woning wordt gebruikt als woonruimte en er dan ook sprake is van het hebben van woongenot, blijkt uit de feitelijke constatering ter plaatse en andere omstandigheden, zoals een inschrijving in de BRP.

Samengevat:

1woning: een feitelijk voor bewoning gebruikte ruimte en het daarbij behorende erf.

2lokaal: een al dan niet voor publiek toegankelijk lokaal en het daarbij behorende erf (zoals horeca-inrichtingen, winkels, loodsen, en/of bedrijfsruimten).

Voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is een schriftelijke machtiging vereist. Op basis van de Awb is het bestuursorgaan dat een last onder bestuursdwang toepast bevoegd tot het geven van een dergelijke machtiging. In het geval van artikel 13b Opiumwet is aan de burgemeester de bevoegdheid toegekend tot het opleggen van een last onder bestuursdwang. De burgemeester kan dus een schriftelijke machtiging verlenen voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Overige ruimten

Bij panden die aan verschillende personen worden verhuurd, zoals kamerverhuurpanden, kan worden overgegaan tot gedeeltelijke sluiting door sluiting van afzonderlijke kamers of een gedeelte van het pand. De rest van het pand blijft dan toegankelijk voor derden. Hierdoor worden bijvoorbeeld afzonderlijke woonruimten, die niets met de overtreding te maken hebben, niet onnodig getroffen.

Horeca – samenloop met maatregel Drank en Horecawet

Op grond van artikel 31 Drank- en Horecawet dient een vergunning te worden ingetrokken als zich in de inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. Leidinggevenden van het betreffende horecabedrijf zijn dan op grond van artikel 5, eerste lid van het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet gedurende de eerstvolgende vijf jaar niet meer gerechtigd op te treden als leidinggevende in een horecabedrijf. Intrekking van de vergunning is een definitieve situatie. De vergunning wordt in beginsel alleen ingetrokken als de ondernemer mede schuldig is aan de drugshandel. Er moet dus sprake zijn van verwijtbaarheid aan de kant van de ondernemer. De maatregelen die kunnen worden genomen bij of krachtens de Drank- en Horecawet en de Algemene Plaatselijke Verordening, kunnen worden toegepast naast de maatregelen op grond van de regeling van artikel 13b Opiumwet en vice versa.

Na traject en Wet Victor

Bij afloop van de sluitingstermijn vindt in overleg met de eigenaar en bewoners een overdracht van de woning plaats. Is er ernstige vrees voor herhaling van de verstoring van de openbare orde dan komt de betreffende woning in aanmerking voor een verlenging van de duur van de sluiting. De betrokkenen worden bij mogelijke verlenging opnieuw gehoord.

Soms is sluiting niet voldoende en zijn aanvullende maatregelen nodig om de leefbaarheid rond het gesloten pand te herstellen. De Wet Victor regelt het natraject van onder andere een sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet. De Wet Victor maakt het mogelijk om het beheer van een pand over te nemen (artikel 13b Woningwet) en daarna eventueel te onteigenen (artikel 77 Onteigeningswet). Het besluit tot beheer wordt genomen door het college van burgemeester en wethouders.

Sluiting inschrijven in openbare registers op grond van WKBP

Met het inwerkingtreden van de wet Victor is een bepaling toegevoegd aan de artikelen 13b Opiumwet en 174a Gemeentewet. Sluiting van een pand op grond van één van deze artikelen moet nu zo spoedig mogelijk worden ingeschreven in de betreffende openbare registers, conform artikel 3:16 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 3, eerste lid van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Artikel 3:24 Burgerlijk Wetboek, waarin de koper beschermd wordt tegen onvolledigheid in de registers, is echter niet van toepassing. Ook als verder geen gebruik zal worden gemaakt van het instrumentarium van de wet Victor, moeten sluitingen dus wel worden ingeschreven in de registers. In het Burgerlijk Wetboek is een bepaling opgenomen op basis waarvan men een huurovereenkomst kan ontbinden, wanneer een pand gesloten is geweest op grond van artikel 13b Opiumwet of 174a Gemeentewet.

3.3. Doel van de maatregel

De bestuursdwangmaatregel dient te bewerkstelligen:

1het teniet doen gaan van de naamsbekendheid van het lokaal/woning als lokaal/woning waar drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn, de loop naar dat pand te ontnemen, zodat klanten en dealers geen gebruik meer maken van dat pand voor de handel in drugs.

2het realiseren dat de geconstateerde overtreding wordt opgevolgd door een reactie van de burgemeester die qua intensiteit zo goed mogelijk aansluit bij de aard en de ernst van de overtreding (proportionaliteit en subsidiariteit);

3dat aan betrokken drugscriminelen en aan buurtbewoners een signaal wordt afgegeven dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit in de betrokken woning of het betrokken lokaal.

4het buiten elke twijfel verheffen dat het pand niet beschikbaar is voor de verkoop, aflevering of verstrekking van drugs;

5de eventuele loop naar de woning of het lokaal eruit te halen.

6de eventuele bekendheid van de woning of het lokaal als drugspand te doorbreken;

7herhaling van drugshandel, -opslag en/of -handel voorkomen;

8aantasting van het woon- en leefklimaat en het veiligheidsgevoel in de omgeving of het lokaal te herstellen;

9de aangifte bereidheid van overtredingen van de Opiumwet te bevorderen.

10het doen wederkeren van de rust in de omgeving, het voorkomen van herhaling van ernstige verstoring van de openbare orde voorkomen, alsmede het voorkomen van een verdere aantasting van het woon- en leefklimaat.

3.4. Voorgeschiedenis

Bij de bepaling van de duur van de sluiting is de voorgeschiedenis relevant, waaronder die van de eigenaar en/ of de bewoners. Wanneer na een sluiting van een lokaal voor de duur van bijvoorbeeld drie maanden na verloop van tijd blijkt dat er toch weer in drugs wordt gehandeld vanuit het/de lokaal/woning, dan kan daaruit worden geconcludeerd dat de “loop” er kennelijk nog niet voldoende uit is gehaald. Dat rechtvaardigt een langere sluitingsduur bij herhaling van de overtreding. Dit geldt ook indien de vorige overtreding begaan werd door een andere dan de huidige eigenaar en/ of de bewoners.

Dit betekent echter niet dat de eigenaar en/ of de bewoners tot in lengte van dagen geconfronteerd moet worden met een “misstap” in het verleden. Bij het bepalen van de termijnen van het meewegen van de voorgeschiedenis wordt aangesloten bij de termijn van vijf jaren zoals in het strafrecht wordt gehanteerd. Recidive is aan de orde binnen vijf jaar na de daaraan voorafgaande overtreding.

3.5. Arrangement

Voor de uitvoering van het beleid is onderstaand handhavingsarrangement vastgesteld waarin de diverse verschijningsvormen van drugshandel met daarop de bestuursrechtelijke maatregelen zijn opgenomen. Om de naamsbekendheid van het drugspand en de aanloop naar de betreffende locatie teniet te doen, zijn de termijnen die in dit beleid zijn genoemd noodzakelijk.

Onderscheid in hard- en softdrugs en samenloop

Bij cumulatie van op te leggen maatregelen, bijvoorbeeld bij handel in softdrugs en/ of handel in harddrugs, en/of (een) voorwerp(en) en/of (een) stof(fen) ex artikel 10a, eerste lid, onder 3°, en/of 11a van de Opiumwet, is de zwaarst gestelde maatregel van toepassing of kan voor langere tijd worden gesloten, zie de indicatorenlijst.

Indien handel in softdrugs wordt geconstateerd nadat er al een maatregel is opgelegd voor de handel in harddrugs, wordt de maatregel opgelegd die hoort bij de tweede of volgende constatering van handel in softdrugs. Indien handel in harddrugs wordt geconstateerd nadat er al een maatregel is opgelegd voor handel in softdrugs, wordt de maatregel opgelegd die hoort bij de tweede of volgende constatering voor handel in harddrugs.

Overtreding

In beginsel is het voor het bestuursrechtelijk optreden niet van belang of de betrokkene(n) de overtreding heeft begaan. De feitelijke constatering van overtreding van de Opiumwet is voldoende om over te gaan tot handhavend optreden. Daarnaast speelt de persoonlijke verwijtbaarheid van de betrokkene(n) van het pand waarin handel wordt geconstateerd geen rol bij de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting van het pand noopt.

Pand-gebonden

Voor de toepassing van de in dit beleid opgenomen handhavingstappen is ook niet vereist dat een overtreding volgend op een eerdere overtreding door dezelfde persoon wordt begaan. Uitgangspunt is dat het bestuursrechtelijk optreden niet persoonsgebonden, maar pand-gebonden is. Een uitzondering hierop vormt de situatie dat een persoon, na een eerdere constatering van drugshandel door deze persoon in een bepaald pand, zich opnieuw schuldig maakt aan drugshandel in een ander pand. In een dergelijk geval wordt bij de op te leggen maatregel de eerste constatering van drugshandel ten volle meegewogen en is de maatregel die hoort bij de 2e of volgende constatering van toepassing.

Huurwoningen/ lokalen

Het feit dat de maatregel geen maatregel is die tegen de persoon is gericht, maar betrekking heeft op het pand van waaruit de drugs verhandeld werd en het tegengaan van overlast in de buurt, betekent dat verhuurders kunnen worden geconfronteerd met sluiting van hun pand, terwijl zij met de activiteiten niets te maken hebben. De ‘niet-verwijtbaarheid’ van de verhuurder is op zichzelf geen reden om de maatregel niet te nemen. Het belang van sluiting is namelijk groot in het kader van het antidrugsbeleid en de doelstellingen van de wet. In voorkomende gevallen kan er echter aanleiding zijn om de belangen die de verhuurder aandraagt om de sluiting van zijn pand te voorkomen of te verkorten, zwaarder te laten wegen dan het belang om onverkort toepassing te geven aan het hierna beschreven handhavingsarrangement. Dit kan alleen onder strikte voorwaarden met als belangrijkste uitgangspunten dat de doelstellingen uit deze beleidsnota in voldoende mate moeten zijn behaald. De wijze waarop de burgemeester met deze belangenafweging omgaat wordt hierna aangegeven.

5. Exclusief recht voor betreding van de woning

Samenhang locatie drugsvondst met andere gebouwen of gebouwdelen

In verscheidene uitspraken is de vraag aan de orde gekomen of de locatie waar drugs zijn aangetroffen al dan niet één geheel vormde met andere delen van het gebouw of bouwwerken in de directe omgeving. Die vraag is van belang omdat bij voldoende samenhang tussen gebouwen of gebouwdelen het geheel door een sluitingsbevel kan worden getroffen. Er moet dan sprake zijn van voldoende functionele verbondenheid tussen de verschillenden gebouwen of gebouwdelen. Indien voldoende aannemelijk kan worden gemaakt, gelet op de jurisprudentie [6] dat de genoemde functionele verbondenheid aanwezig is, wordt het geheel aan gebouwen of gebouwdelen gesloten.

3.5.1. Lokalen

Uitgangspunt voor lokalen is dat bij het aantreffen van voor de handel bestemde drugs (in een grotere hoeveelheid dan voor eigen gebruik) altijd direct wordt gesloten. Indien er sprake is van (meerdere) verzwarende omstandigheden kan voor langere tijd worden gesloten, zie de indicatorenlijst.

Constatering

1eovertreding

2eovertreding (binnen 5 jaar)

3eovertreding (binnen 5 jaar)

Verkoop van dan wel aanwezigheid van een handelshoeveelheid softdrugs in een lokaal en/of op een bijbehorende erf

Sluiting voor een periode van 3 maanden

Sluiting voor een periode van 6 maanden

Sluiting voor een periode van 12 maanden

Verkoop van dan wel aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs in een lokaal en/of op een bijbehorend erf

Sluiting voor een periode van 6 maanden

Sluiting voor een periode van 12 maanden

Sluiting voor een periode van 24 maanden

Voorhanden zijn van voorwerp(en) en/ of stof(fen) ex artikel 10a en/ of 11a Opiumwet

Voor de maatregel wordt aangesloten bij het gronddelict

3.5.2. Woningen

Bij woningen grijpt een sluiting erger in op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene(n). De beginselen als ‘recht op ongestoord woongenot’ (artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)) en ‘huisvredebreuk’ rechtvaardigen een minder vergaande aanpak bij woningen. Zie paragraaf 2.2. voor de definitie van “kleine handelshoeveelheid”.

Constatering

1eovertreding

2eovertreding

(binnen 5 jaar)

3eovertreding

(binnen 5 jaar)

4eovertreding

(binnen 5 jaar)

Verkoop van dan wel aanwezigheid van een kleine handelshoeveelheid (minder dan 20 planten of minder dan 30 gram) softdrugs

Schriftelijke waarschuwing

Sluiting voor een periode van 3 maanden

Sluiting voor een periode van 6 maanden

Sluiting voor een periode van 12 maanden

Verkoop van dan wel aanwezigheid van meer dan een kleine handels-hoeveelheid softdrugs

Sluiting voor een periode van 3 maanden

Sluiting voor een periode van 6 maanden

Sluiting voor een periode van 9 maanden

Sluiting voor een periode van 12 maanden

Verkoop van dan wel aanwezigheid van een handels-hoeveelheid harddrugs

Sluiting voor een periode van 3 maanden

Sluiting voor een periode van 6 maanden

Sluiting voor een periode van 12 maanden

Sluiting voor een periode van 24 maanden

Voorhanden zijn van voorwerp(en) en/ of stof(fen) ex artikel 10a en/ of 11a Opiumwet

Voor de maatregel wordt aangesloten bij het gronddelict.

3.5.3. Verzwarende omstandigheden

Lokale feiten en omstandigheden kunnen aanleiding geven om af te wijken. De belangrijkste feiten en omstandigheden die kunnen worden aangemerkt als verzwarende omstandigheden, staan in onderstaande indicatorenlijst vermeld. De indicatorenlijst heeft een alternatief en geen cumulatief karakter. Ook op basis van enkele indicatoren kan worden aangetoond dat er verzwarende omstandigheden zijn. De indicatorenlijst is nadrukkelijk een hulpmiddel. Voor toepassing van de maatregel moet uiteraard altijd eerst gekeken worden of voldaan wordt aan de criteria van artikel 13b Opiumwet en de voorwaarden zoals gesteld in dit beleid.

Aan de afweging om af te wijken spelen onder meer de volgende indicatoren een rol:

a.de aangetroffen hoeveelheid middelen;

b.de mate van professionaliteit: wordt afgemeten aan de aanwezigheid van attributen in het lokaal die wijzen op regelmatige handel in verdovende middelen, zoals de aanwezigheid van weegschalen, grote hoeveelheden cash geld, verpakkings- en versnijdingsmaterialen en/of overige attributen die wijzen op beroeps- of bedrijfsmatige teelt zoals assimilatielampen;

c.de mate waarin de woning betrokken is geweest bij (eerdere) handel in verdovende middelen;

d.er is sprake van gewelds- of openbare orde delicten;

e.er is sprake van verboden wapenbezit en/of aanwezigheid van verboden wapens als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie;

f.er is een vermoeden van betrokkenheid van de eigenaar/bewoner(s)/betrokkene(n);

g.er is een vermoeden dat de eigenaar/bewoner(s)/betrokkene(n) verkeert/verkeren in kringen van personen met antecedenten t.a.v. de Opiumwet en/of de Wet Wapens en Munitie en/of antecedenten op het gebied van geweld tegen personen of zaken, bedreiging of diefstal en dergelijke;

h.er is sprake van recidive bij de eigenaar/bewoner(s)/betrokkene(n), daaronder in ieder geval begrepen eerdere overtredingen van de Opiumwet en/of eerdere sluiting van eigendommen op grond van artikel 13b Opiumwet;

i.er is sprake van een combinatie van middelen als bedoeld op Lijst I en II Opiumwet

j.en/of (een) voorwerp(en) en/of (een) stof(fen) ex artikel 10a, eerste lid, onder 3°, en/of 11a van de Opiumwet

k.de mate van gevaarzetting en de risico’s voor de bewoners, omwonenden en/of de omgeving;

l.de mate van overlast;

m.de aannemelijkheid dat de woning niet overeenkomstig de woonfunctie wordt gebruikt;

n.de aannemelijkheid dat behalve de woning en/of het lokaal of bijbehorende erf, nog een of meer andere locaties zijn betrokken bij de drugshandel in georganiseerd verband of als aanwezigheid van drugs hierop duidt;

o.overige feiten en omstandigheden die duiden op drugshandel in georganiseerd verband[7].

3.5.4. Bijzondere omstandigheden

Bij een besluit of hij tot sluiting van de woning overgaat, zal de burgemeester alle betrokken belangen afwegen. In geval van uitzonderlijke omstandigheden zal gebruik gemaakt worden van de afwijkingsbevoegdheid ingevolge artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht.

De Raad van State heeft in ECLI:NL:RVS:2019:2912 [8] via een zogenoemde overzichtsuitspraak meer duidelijkheid gegeven over de manier waarop zij als hoogste bestuursrechter besluiten van de burgemeester over het sluiten van woningen toetst.

De volgende omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

Bij medische omstandigheden of minderjarige kinderen, zijn de gevolgen van een sluiting voor de bewoners extra zwaar. Bijvoorbeeld als de betrokkene een bijzondere binding heeft met de woning, bijvoorbeeld om medische redenen. Dat wil overigens niet zeggen dat de burgemeester een woning in zo’n geval niet mag sluiten. Als de bewoners bijvoorbeeld zelf actief betrokken zijn bij drugshandel en er grote drugshoeveelheden worden gevonden, dan kan woningsluiting ook onder deze omstandigheden op zijn plaats zijn.

Voor de beoordeling van een geringe overschrijding van de handelsvoorraad voor bijvoorbeeld medicinale doeleinden heeft de Raad van State in haar uitspraak ECLI:NL:RVS:2018:738 een kader gegeven. Dan moet betrokkene een helder en consistent betoog hebben over zijn eigen gebruik dat een geringe overschrijding van 0,5 g grens vanwege dat gebruik aannemelijk maakt, geen andere zaken in het pand zijn aangetroffen die wijzen op drugshandel en niet is gebleken van andere relevante feiten en omstandigheden, in de regel worden geoordeeld dat het tegendeel aannemelijk is gemaakt en er geen bevoegdheid bestaat om een last onder bestuursdwang op te leggen.

4 Coffeeshopbeleid

4.1 Inleiding

Sinds 1995 is er in Terneuzen een gedoogbeleid. Sinds 2008 is er maar één coffeeshop meer, coffeeshop Miami. Met één coffeeshop kan naar huidige inzichten worden voldaan aan de lokale behoefte. Buiten dit ene gedoogde verkooppunt worden er in de gemeente geen verkooppunten gedoogd. Dit lokale beleid is bevestigd in de raadsevaluatie van 1 oktober 2015.

De burgemeester geeft voor een coffeeshop een ‘gedoogverklaring’ af. Deze gedoogverklaring is een aanvulling op de vereiste horeca-exploitatievergunning ingevolge de APV. In die vergunning staat namelijk standaard dat drugsverkoop niet is toegestaan. De ‘gedoogverklaring’ houdt in dat onder bepaalde omstandigheden geen gebruik zal worden gemaakt van de sluitingsbevoegdheid van coffeeshops op basis van artikel 13b van de Opiumwet. Indien de exploitant van de coffeeshop zich niet aan deze voorwaarden houdt, is er sprake van niet toegestane verkoop en kan bestuursrechtelijk worden gehandhaafd.

4.2 Landelijk beleid

In Nederland wordt de verkoop en het gebruik van hasj en wiet gedoogd volgens vastgestelde gedoogregels. Het landelijke kader is de Opiumwet in combinatie met de actuele Aanwijzing Opiumwet. In deze Aanwijzing staan de AHOJGI-criteria. Het afstandscriterium is geen wettelijke verplichting.

Het lokale bestuur stelt het coffeeshopbeleid vast en voert de regie. De lokale driehoek vult het beleid concreet in en stelt prioriteiten bij de dagelijkse handhaving mede in de vorm van dit handhaving arrangement.

4.3 Lokaal beleid

De burgemeester volgt de AHOJGI-criteria bij de handhaving van gedoogde coffeeshops. In de gemeente Terneuzen wordt slechts één coffeeshop toegelaten. In deze coffeeshop wordt het verhandelen van 2 (twee) gram softdrugs per persoon per dag gedoogd, mits wordt voldaan aan de landelijke en lokale voorwaarden. Doel van de 2 gram norm is om drugstoeristen en doorverkoop te ontmoedigen.

Coffeeshophouders dienen vast te stellen dat degene aan wie ze toegang verlenen meerderjarige ingezetenen van Nederland zijn. De controle van het ingezetenencriterium, dus de check of de gebruiker daadwerkelijk in Nederland woont, is de verantwoordelijkheid van de coffeeshopexploitant. Het tonen van een geldig identiteitsbewijs of verblijfsvergunning in combinatie met een uittreksel uit de basisregistratie Personen (BRP) zijn instrumenten waarmee de coffeeshophouder kan vaststellen of iemand in Nederland woont.

4.3.1 Bestuurlijke handhaving

Indien sprake is van een overtreding van de AHOJGI-criteria heeft de burgemeester informatie nodig van politie en Openbaar Ministerie. Op basis van deze informatie worden alle in het geding zijnde belangen tegen elkaar afgewogen en eventuele besluiten tot toepassing van bestuursdwang onderbouwd. Bij recidive is paragraaf 3.3 van overeenkomstige toepassing, overtredingen worden vijf jaar lang ‘meegenomen’. Bij herhaling is in eerste instantie bedoeld herhaling van eenzelfde overtreding in dezelfde inrichting. Een cumulatie van overtredingen kan leiden tot het overslaan van een "stap" in onderstaande gedragslijn en het meteen overgaan tot een sluiting zonder de stap waarschuwing of tot het sluiten van de inrichting gedurende een langere periode.

De verantwoordelijkheid voor het naleven van de gedoogcriteria ligt uitdrukkelijk bij de exploitant. Deze is degene die op de naleving moet toezien. Volgens vaste jurisprudentie speelt de persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant geen rol bij de vraag of er zich een situatie voordoet die tot sluiting van inrichting noopt. De exploitant is verantwoordelijk voor de gang van zaken in de door hem geëxploiteerde inrichting.

Bij overtredingen zal overgegaan worden tot een waarschuwing of sluiting of intrekking van de gedoogverklaring. Indien er aanleiding bestaat kan een BIBOB onderzoek worden ingesteld en wordt de gedoogverklaring zo nodig ingetrokken.

Ook een strafrechtelijke veroordeling kan een reden zijn om de gedoogverklaring in te trekken. Exploitant en beheerders mogen niet van slecht levensgedrag zijn. Hierbij raakt men al snel de zogenaamde ‘achterdeurproblematiek’. Ten aanzien van zedelijkheidseisen wordt er rekening gehouden met de omstandigheid dat er criminele antecedenten kunnen bestaan welke verband houden met overtreding van artikel 3 van de Opiumwet. Omdat men de kans loopt om een proces-verbaal te krijgen wegens een overtreding en daarbij dus ook een redelijke kans heeft op een veroordeling, worden die strafbare feiten, die rechtstreeks verband houden met het exploiteren van de coffeeshop binnen de gedoogvoorwaarden, in beginsel niet meegewogen in de beoordeling van het levensgedrag.

Voorbeelden van betrokkenheid bij handelingen welke geen verband houden met de gedoogde verkoop van softdrugs en welke wel worden aangerekend zijn:

•hoeveelheden softdrugs welke niet in verhouding staan tot het aantal bezoekers en de bijbehorende omzet van de coffeeshop, de exploitant moet aantonen dat de aangetroffen hoeveelheid past binnen de gedoogde verkoop;

•drugs met een andere bestemming dan de coffeeshop (bijvoorbeeld niet-gedoogde verkoop of export);

•teelt van softdrugs;

•harddrugs;

•witwassen / aanwezigheid van grote hoeveelheden geld waarvan de herkomst niet aanwijsbaar is.

Ongeacht het bovenstaande blijft de exploitant vanzelfsprekend wel strafrechtelijk verantwoordelijk voor zijn daden.

4.3.2 Overige vergunningen gedoogde verkooppunten

Een gedoogd verkooppunt heeft onder meer op grond van de APV een exploitatievergunning met bijbehorende gedoogverklaring nodig. Indien de voorwaarden van de exploitatie niet worden nageleefd heeft de burgemeester in beginsel de keuze om op te treden op grond van:

•overtreding van de voorwaarden als opgenomen in de exploitatievergunning, of

•AHOJGI-criteria en gedoogverklaring.

Wanneer een exploitant / leidinggevende de vergunningsvoorwaarden van de exploitatievergunning overtreedt zal in beginsel worden opgetreden via de exploitatievergunning op de wijze zoals dit bij horecabedrijven (en dus ook coffeeshops) gebruikelijk is.

4.3.3 Overtreding AHOJGI-criteria of de gedoogverklaring

Indien sprake is van het overtreden van de AHOJGI-criteria of de gedoogverklaring, met uitzondering van het H criterium (zie hierna), zal in beginsel de volgende gedragslijn worden gevolgd:

1eovertreding

Schriftelijke waarschuwing

2eovertreding (binnen 5 jaar)

Sluiting voor een periode van 3 maanden

3eovertreding

Sluiting voor een periode van 6 maanden

4eovertreding

Definitieve sluiting en/ of intrekking gedoogverklaring

4.3.4 Harddrugs

Indien in een coffeeshop of bijbehorende ervan een middel als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is, zal in beginsel de volgende gedragslijn worden gevolgd:

1eovertreding

Sluiten voor een periode van 6 maanden

2eovertreding (binnen 5 jaar)

Definitieve sluiting en/ of intrekking gedoogverklaring

4.3.5 Voorlichting & preventie

Met het oog op het beperken van gezondheidsrisico’s van het gebruik van softdrugs is preventie en voorlichting van belang. Coffeeshopexploitanten hebben op het terrein van volksgezondheid een verantwoordelijkheid bij de verstrekking van cannabisproducten aan gebruikers. Dit resulteert in de volgende verplichtingen.

Personeelsleden met klantcontacten dienen aantoonbaar deskundig te zijn op het gebied van problematisch drugsgebruik en drugsverslaving en beschikken over een bewijs hiervan, afgegeven door een verslavingszorginstelling.

In de coffeeshop dient op een zichtbare plaats voorlichtingsmateriaal over het gebruik van cannabis aanwezig te zijn waarin aandacht wordt gegeven aan de gevaren van cannabisgebruik en de mogelijkheden ten aanzien van de hulpverlening. Daarnaast dient de coffeeshophouder bij klanten ten aanzien waarvan wordt gesignaleerd dat er sprake is van risicovol gebruik en/of verslaving, actief deze gevaren onder de aandacht van de betreffende klanten te brengen en deze op de mogelijkheden van hulpverlening te wijzen.

Op het gebied van verslavingszorg in Terneuzen verzorgt Indigo Zeeland het preventieaanbod. In overleg tussen gemeente Terneuzen, coffeeshop Miami en Indigo is ten aanzien van preventie het volgende afgesproken:

a.verslavingspreventie gericht op jongeren tot 18 jaar is de verantwoordelijkheid van de gemeente en Indigo;

b.de coffeeshop is mede verantwoordelijk voor verslavingspreventie voor de doelgroep vanaf 18 jaar.

c.Miami werkt mee en laat personeelsleden trainen door Indigo.

4.4 Toewijzing nieuwe gedoogverklaring

Indien de gedoogverklaring vrij komt, is het van belang dat een zorgvuldige procedure gevolgd wordt voor het afgeven van een nieuwe verklaring. Bij het toewijzen van zo’n verklaring zijn grote gevoeligheden en belangen gemoeid, niet alleen politiek maar ook economisch. In de Nederlandse en lokale coffeeshopmarkt zijn er maar een beperkt aantal beschikbare mogelijkheden om een gedoogverklaring te verkrijgen. Dat brengt een grote concurrentie voor deze plaatsen met zich mee. Bij de verlening van zo’n schaarse vergunning hoort dan ook een zorgvuldige en transparante procedure. Bij beëindiging van de exploitatie van de bestaande coffeeshop wordt de volgende procedure gehanteerd.

Bij beëindiging van de exploitatie van de bestaande coffeeshop wordt uitgifte van een nieuwe gedoogverklaring aangehouden.

De burgemeester stelt eerst na consultatie van de gemeenteraad de bijbehorende uitgifteprocedure en nadere vestigingscriteria vast. De mogelijkheid van het aanvragen van een gedoogverklaring wordt vervolgens via een openbare bekendmaking kenbaar gemaakt. Aanvragen worden alleen in behandeling genomen, indien deze zijn ingediend binnen de in de bekendmaking genoemde periode.

De gemeente krijgt regelmatig vragen van belangstellenden voor het beginnen van een coffeeshop. Belangstellenden kunnen zich niet bij voorbaat inschrijven voor de toewijzing van een vrijkomende gedoogverklaring. De gemeente legt geen wachtlijst aan.

4.5. Lex Silencio Positivo

Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. Een coffeeshop is een gelegenheid waar het risico op criminaliteit aanwezig is. In die situaties is voorafgaande aan de vergunningverlening onderzoek nodig wat kan leiden tot een onderzoek in het kader van de Wet Bibob. Het is onwenselijk als de vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio positivo is niet wenselijk om deze dwingende reden van algemeen belang. Paragraaf 4.1.3.3 Awb wordt niet van toepassing verklaard.

[1]https://wetten.overheid.nl/BWBR0001941/2020-01-01.

[2]https://wetten.overheid.nl/BWBR0036356/2015-03-01.

[3]https://wetten.overheid.nl/BWBR0041287/2018-09-01.

[4]https://wetten.overheid.nl/BWBR0042165/2019-05-01.

[5]https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2015:130

[6]Kroniek openbare-orderecht 2018, Gst. 2018/186.

[7]Aannemelijkheid dat de aangetroffen drugs voor drugshandel in georganiseerd verband bestemd zijn, kan volgens de rechtspraak blijken uit bijvoorbeeld verklaringen van betrokkenen, onderzoek van de politie of uit ander bewijs zoals het aantreffen van verpakkingsmateriaal, sealbags gevuld met henneptoppen, vuurwapens met bijbehorende munitie, grote contante geldbedragen, een weegschaal of assimilatielampen (LJN BY5106, RvS, 5-12-2012, rechtsoverweging 2; LJN: BX5656, rechtbank Utrecht, 27-08-2012, rechtsoverweging 11).

Zie

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2012:BY5106

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBUTR:2012:BX5656

[8]https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2019:2912

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.