Aanhef
De burgemeester van Sliedrecht
Overwegende dat:
De burgemeester op grond van artikel 151c van de Gemeentewet en artikel 2:77 van de Algemene plaatselijke verordening Sliedrecht 2025 (in verband met de Omgevingswet) in het belang van de handhaving van de openbare orde de bevoegdheid heeft om publiek cameratoezicht op openbare plaatsen in te zetten;
Besluit:
1De "Beleidsregels publiek cameratoezicht gemeente Sliedrecht" vast te stellen
2De beleidsregels "publiek cameratoezicht gemeente Sliedrecht" in werking te laten treden op de dag na publicatie.
2. Algemene Informatie
2.1 Vormen van cameratoezicht
Tegenwoordig worden op diverse plaatsen camera’s geplaatst. Dit gebeurt door de overheid, ondernemers maar ook inwoners en andere particulieren. Deze camera’s zijn onder te verdelen in twee categorieën. Daarbij is de doelbinding (waarom is de camera geplaatst) en het gebied waarop de camera is gericht van belang. Het gaat om de volgende categorieën:
1Publiek cameratoezicht;
2Privaat cameratoezicht;
Bij beide vormen van cameratoezicht is er een stelregel. Het cameratoezicht moet in verhouding staan tot de ernst van de situatie én ook andere minder ingrijpende maatregelen moeten eerst, zonder succes, zijn ingezet (proportionaliteit en subsidiariteit). In deze beleidsregels wordt enkel ingegaan op publiek cameratoezicht.
2.2. Vast en flexibel cameratoezicht
Publiek cameratoezicht is te verdelen onder vast en flexibel cameratoezicht.
Vast
Bij vast cameratoezicht op grond van artikel 151c van de Gemeentewet gaat het om camera’s die gedurende een vooraf bepaalde tijd én voor langere duur op een specifieke ('vaste') plek worden aangebracht. Voor vast cameratoezicht dient een aanwijzingsbesluit gemaakt te worden.
Flexibel
Bij flexibel cameratoezicht op grond van 151c Gemeentewet gaat het om camera’s die in een vooraf door de burgemeester aangewezen gebied op wisselende locaties (kunnen) worden ingezet. Vaak worden hier mobiele (verplaatsbare) camera’s voor gebruikt. Het gebied dat wordt aangewezen mag niet groter zijn dan strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde. Denk hierbij aan een gebied waar bijvoorbeeld overlastproblematiek zich niet uitsluitend op één locatie voordoet, maar zich telkens verplaatst. Voor flexibel cameratoezicht dient een gebiedsaanwijzing opgemaakt te worden van het gebied waarbinnen cameratoezicht verplaatst wordt.
2.3 Verwerking camerabeelden
De verwerking van camerabeelden brengt een hoog privacy-risico met zich mee. Om die reden is het uitvoeren van een Data Protection Impact Assessment (DPIA) verplicht voor het proces van verwerking van de camerabeelden (persoonsgegevens). Een DPIA is een instrument om vooraf de privacy-risico's van een gegevensverwerking in kaart te brengen zodat de organisatie maatregelen kan nemen om deze risico's te verkleinen tot op een acceptabel risiconiveau. Camerabeelden worden uitgekeken en verwerkt door het basisteam Drechtsteden Buiten op het politiebureau in Papendrecht. De gemeente Sliedrecht levert enkel de camera's en de fysieke infrastructuur. De gemeente heeft geen toegang tot de camerabeelden. Voor de verwerking van de gemaakte camerabeelden is de korpschef van de politie verwerkingsverantwoordelijke. De politie heeft voor het proces cameratoezicht een DPIA uitgevoerd.
2.4 Wettelijk kader publiek cameratoezicht
Grondslag voor inzet van publiek cameratoezicht komt voort uit artikel 151c Gemeentewet (juncto artikel 2:77 APV) of artikel 3 Politiewet.
2.4.1 Artikel 151c Gemeentewet en artikel 2:77 APV
De burgemeester heeft op grond van artikel 151c van de Gemeentewet in combinatie met artikel 2:77 Algemene Plaatselijke Verordening de bevoegdheid om in het belang van de handhaving van de openbare orde cameratoezicht in te stellen op openbare plaatsen. Uit deze wetgeving volgt een aantal voorwaarden waaraan de burgemeester moet voldoen bij de inzet van cameratoezicht:
•De inzet van cameratoezicht is in het belang van de handhaving van de openbare orde;
•De inzet van cameratoezicht voldoet aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit;
•De inzet van cameratoezicht geldt voor een (beperkt) openbaar gebied en een afgebakende periode;
•De aanwezigheid van cameratoezicht is kenbaar voor iedereen die de openbare plaats betreedt waar het cameratoezicht plaatsvindt;
•De periode waarin daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van de camera’s en de periode waarin de met de camera’s gemaakte beelden rechtstreeks worden bekeken wordt vastgesteld na overleg met de officier van justitie;
•De burgemeester trekt het besluit tot de inzet van cameratoezicht in indien cameratoezicht niet langer noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de openbare orde;
•De camerabeelden mogen maximaal 28 dagen worden opgeslagen waarna ze verwijderd dienen te worden;
•Indien er concrete aanleiding bestaat te vermoeden dat camerabeelden noodzakelijk zijn voor de opsporing van een strafbaar feit kunnen camerabeelden ten behoeve van de opsporing van dat strafbaar feit veiliggesteld worden.
2.4.1.1 Handhaving openbare orde
De burgemeester is belast met het handhaven van de openbare orde. Onder handhaving van de openbare orde wordt verstaan het voorkomen van onrechtmatige gedragingen in de publieke ruimte die hinder of gevaar voor één of meerdere personen of goederen veroorzaakt en het voorkomen van strafbare feiten die een nadelige invloed hebben op de rust in de samenleving en de beleving van veiligheid. Cameratoezicht heeft als doel het de handhaving van de openbare orde. De (opgenomen) camerabeelden kunnen als secundair doel ook gebruikt worden voor het tegengaan van leefbaarheidsproblemen en voor opsporings- en vervolgingsdoeleinden (bijvangst). Ook hiervoor geldt dat moet worden voldaan aan bovengenoemde voorwaarden.
2.4.1.2 Proportionaliteit en subsidiariteit
Cameratoezicht kan ingesteld worden ter handhaving van de openbare orde als dit noodzakelijk is. Dit noodzakelijkheidsvereiste omvat de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De openbare ordeverstoring moet ernstig genoeg van aard zijn (proportionaliteit) én andere minder vergaande maatregelen hebben nog niet tot het gewenste resultaat geleid (subsidiariteit). Deze voorwaarden volgen uit de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
Proportionaliteit
De inzet van cameratoezicht dient gerechtvaardigd te zijn ten opzichte van de omvang van de criminaliteit, de onveiligheid en/of de overlast. Dit betekent dat de burgemeester per geval beoordeelt of de inbreuk die het cameratoezicht maakt op de persoonlijke levenssfeer van inwoners en bezoekers van Sliedrecht evenredig is aan het te bereiken doel. Onder het maken van een inbreuk wordt niet alleen verstaan het filmen van de personen in het cameragebied, maar ook de bewaartermijn van de beelden en het blurren van de ramen van woningen.
Subsidiariteit
Daarnaast dient de inzet van cameratoezicht gerechtvaardigd te zijn doordat de verstoring van openbare orde niet met andere minder ingrijpende maatregelen voldoende teruggedrongen kan worden. Voorbeelden van alternatieve maatregelen kunnen zijn: het intensiveren van surveillance door de politie en gemeentelijke handhaving, de inzet van straatcoaches, het aanpassen van de openbare ruimte (verlichting, groenvoorziening), een groeps- of persoonsgerichte aanpak voor overlastgevers, het opleggen van gebiedsverboden en het organiseren van bewonersbijeenkomsten. Dit wordt per geval afgewogen.
2.4.1.3 Een openbare plaats
Het begrip openbare plaats is ontleend aan artikel 1 van de Wet openbare manifestaties (WOM). Een openbare plaats wordt verstaan als een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. Het gebied of de openbare plaats waar cameratoezicht plaatsvindt dient beperkt te blijven tot wat voor de handhaving van de openbare orde noodzakelijk is.
2.4.1.4 Afgebakende periode
Afhankelijk van de aard en omvang van de problematiek stelt de burgemeester cameratoezicht in. De duur van de periode mag niet oneindig zijn. Om cameratoezicht te verlengen moet de noodzaak voor cameratoezicht weer geëvalueerd en verantwoord worden voor het einde van de inzetperiode.
2.4.1.5 Kenbaarheid
Heimelijk cameratoezicht is niet toegestaan. Aan eenieder die een cameratoezichtgebied betreedt dient dit op duidelijke wijze kenbaar te zijn gemaakt. Dit gebeurt doormiddel van het plaatsen van een bord aan de randen van het cameragebied. Daarnaast worden omwonenden en ondernemers in het betreffende gebied geïnformeerd over het besluit om cameratoezicht in te stellen en bij beëindiging van het cameratoezicht. Ook wordt het aanwijzingsbesluit voor het instellen van cameratoezicht in een bepaald gebied gepubliceerd met een officiële bekendmaking. Hiertegen kunnen burgers rechtsmiddelen aanwenden.
2.4.1.6 Bewaartermijn
Alle camerabeelden worden in beginsel gedurende maximaal 28 dagen opgeslagen. Als deze wettelijke bewaartermijn is verstreken, worden de beelden automatisch overschreven. Als de camerabeelden gebruikt worden voor opsporing van een strafbaar feit, dan kunnen de beelden, conform de Wet politiegegevens, zolang bewaard worden als nodig is voor de opsporing en vervolging van het strafbare feit.
2.4.2 Artikel 3 Politiewet
Naast inzet op grond van artikel 151c Gemeentewet, kunnen camera’s van de gemeente en/of politie kortstondig door de politie worden ingezet op grond van artikel 3 van de Politiewet ter handhaving van de rechtsorde. Inzet van publiek cameratoezicht op grond van artikel 3 Politiewet is géén burgemeester bevoegdheid. In de praktijk wordt vooraf de inzet wel afgestemd binnen de lokale driehoek van Openbaar Ministerie, Politie en burgemeester.
Het kan daarbij gaan om onvoorziene ordeverstoringen of (de vrees voor) ordeverstoringen van tijdelijke aard, zoals bijvoorbeeld bij een risico-evenement, bij (de vrees voor) een excessief geweld incident of bij een demonstratie. Cameratoezicht is toegestaan zolang het kortdurend (dus niet stelselmatig) plaatsvindt, het ter handhaving van de rechtsorde (dit is inclusief openbare orde) noodzakelijk is en slechts een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer oplevert.
De randvoorwaarden voor de toepassing van cameratoezicht op grond van de Politiewet zijn:
•Enkel inzetbaar bij onvoorziene ordeverstoringen of (de vrees voor) ordeverstoringen van tijdelijke aard;
•Veelal kortstondige inzet (in beginsel 3 t/m 14 dagen, met een mogelijkheid tot verlenging) en kan binnen 24 uur te plaatsen zijn;
•Er moet een veiligheidsanalyse aan ten grondslag liggen, waarin de noodzaak van de inzet beargumenteerd wordt;
•De politie toetst op proportionaliteit en subsidiariteit en past het gebruik op grond van art. 3 Politiewet toe;
Afhankelijk van het doel worden de camerabeelden verwerkt op grond van artikel 8 Wet politiegegevens (Wpg) of artikel 9 Wpg. De politie is verwerkingsverantwoordelijk. De termijn om camerabeelden te verwerken is bepaald in de Wpg.
3. Afwegingskader
3.1 Doel en veiligheidsanalyse
Cameratoezicht op grond van artikel 151c Gemeentewet heeft als doel het handhaven van de openbare orde. Hieronder valt zowel de daadwerkelijke voorkoming en beëindiging van zich concreet voordoende of dreigende verstoringen van de openbare orde, alsook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Denk hierbij aan bijvoorbeeld drugs- of jeugd overlast, of (fietsen)diefstal. In het Integraal Veiligheidsprogramma van de gemeente Sliedrecht wordt nader ingegaan op openbare orde en veiligheidsproblematiek waar de gemeente Sliedrecht mee te maken heeft.
Daarnaast kan gemeentelijk cameratoezicht ook voor opsporingsdoeleinden gebruikt worden. Zo biedt artikel 151c lid 9 Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen camerabeelden te gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
Opsporingsdoeleinden met cameratoezicht op grond van artikel 151c Gemeentewet kan als subdoel dienen naast het primaire doel om de openbare orde te handhaven.
Uit een analyse van de veiligheidssituatie in het aan te wijzen gebied, moet duidelijk worden waarom cameratoezicht noodzakelijk is in dat gebied.
In een veiligheidsanalyse worden de objectieve en de subjectieve veiligheid in kaart gebracht.
•Bij objectieve veiligheid gaat het voornamelijk om feiten en cijfers. De politie heeft een rol in informatieverstrekking voor deze analyse.
•Bij subjectieve veiligheid gaat het voornamelijk om de veiligheidsbeleving of veiligheidsgevoelens bij buurtbewoners. De Veiligheidsmonitor of een enquête kan bijvoorbeeld als bron dienen.
De informatie die wordt gebruikt voor de veiligheidsanalyse moet in een systeem of document zijn vastgelegd, zodat op een later tijdstip duidelijk is waar de gebruikte informatie vandaan komt. Dit dient ter onderbouwing van de noodzakelijkheid. In de veiligheidsanalyse worden verder de probleembeschrijving, de analyse en het incidentenbeeld omschreven.
Een randvoorwaarde van cameratoezicht op grond van artikel 151c lid 5 van de Gemeentewet is dat het gekoppeld is aan een bepaalde duur. Het ligt dus voor de hand om het doel te koppelen aan deze periode en een duidelijke start- en einddatum te formuleren. Er moet altijd een evaluatie plaatsvinden.
3.2 Afwegingskwadrant
Om een goede afweging te kunnen maken wanneer cameratoezicht ingezet wordt, wordt gebruik gemaakt van een afwegingskwadrant. Hierin worden de ingeschatte bijdragen aan de objectieve en subjectieve veiligheid in de daarvoor bestemde kwadranten geplaatst. Dit helpt om de te verwachten effecten inzichtelijk te maken. Daarbij komen aanbevelingen op welke aspecten het accent kunnen liggen naar voren.
Afwegingskwadrant:
1Objectief en subjectief beide positief: Als er positieve effecten op de objectieve én op de subjectieve veiligheid aanwezig of te verwachten zijn, ligt een eerste conclusie voor de hand: De inzet of continuering van cameratoezicht kan doorgang vinden.
2Objectief en subjectief beide negatief: Het tegenoverliggende kwadrant levert een vergelijkbaar helder beeld op: als de effecten op de objectieve én de subjectieve veiligheid beperkt of zelf afwezig zijn, is er geen reden om cameratoezicht in te voeren of te continueren.
3Objectief is positief, subjectief negatief: Als cameratoezicht wordt beschouwd als positief voor de objectieve veiligheid, maar niet specifiek voor de subjectieve veiligheid, is het verstandig deze vorm van toezicht in te bedden in een beter zichtbaar pakket van maatregelen en voorlichting. Daarmee wordt aan de inwoners aangetoond dat de veiligheid is gediend bij cameratoezicht. Daarbij kan worden gedacht aan het bekendmaken van preventie- en opsporingsresultaten, lokale borden dat cameratoezicht wordt ingezet en andere gerichte voorlichtingsactiviteiten. Daarnaast is het van belang de objectieve resultaten te maximaliseren, bijvoorbeeld door extra inspanningen te leveren en de effecten ook daadwerkelijk te verzilveren.
4Objectief is negatief, subjectief positief: Wanneer cameratoezicht enkel ingezet wordt voor het verhogen van het (subjectieve) veiligheidsgevoel, dan wordt inzet van cameratoezicht afgeraden. Het afbreukrisico wat enkel een subjectief oordeel met zich meebrengt is vrij groot. Er wordt dan geadviseerd om andere maatregelen te nemen die de subjectieve veiligheid kunnen vergroten.
3.3 Kostenraming
Kosten (inclusief tijd en capaciteit) zijn vooraf lastig in te schatten. Denk hierbij aan de inzet periode, de soort camera, de uitkijkintensiteit, aanleg van (digitale)infrastructuur etc. wat kan variëren. Een schatting van de kosten dient wel meegenomen te worden in de afweging om wel of geen cameratoezicht in te richten.
3.4 Evaluatie
Na afstemming in de driehoek wordt het cameragebied opgenomen in het aanwijzingsbesluit van de burgemeester. Dit aanwijzingsbesluit wordt voor een bepaalde periode vastgesteld en wordt voor het aflopen van deze periode geëvalueerd.
6. Uitvoering cameratoezicht
6.1 Informeren cameratoezicht
Direct omwonenden worden doormiddel van een brief geïnformeerd over het inrichten van cameratoezicht. Verder moet eenieder die de openbare plaats betreedt op duidelijke wijze kenbaar worden gemaakt dat op de openbare plaats cameratoezicht van toepassing is. Dit moet kenbaar worden gemaakt aan de randen van het cameragebied. Camera's zelf hoeven niet zichtbaar te zijn en het hoeft niet zichtbaar te zijn of de camera's in werking zijn.
Wanneer cameratoezicht op grond van artikel 3 Politiewet wordt ingericht zullen omwonden ingelicht worden doormiddel van een brief. Borden zullen in dit geval niet geplaatst worden. Op de mobiele camera-unit staat duidelijk vermeld dat er cameratoezicht van toepassing is.
6.2 Cameratoezicht door de politie
De politie heeft de operationele regie over het cameratoezicht. Camera's in de gemeente Sliedrecht worden uitgekeken op het politiebureau in Papendrecht (Burgemeester Keijzerweg 26) van het basisteam Drechtsteden Buiten. Enkel personen binnen de politie die bevoegd zijn tot het inzien van de beelden hebben toegang tot deze beelden.
De politie heeft technische en organisatorische maatregelen genomen om met de privacy van belanghebbenden zo zorgvuldig mogelijk om te gaan. De politie heeft een Data Protection Impact Assessment (DPIA) uitgevoerd en hiermee de privacy risico's naar een acceptabel niveau gebracht.