Aanhef
De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Beek, Beekdaelen, Beesel, Bergen, Brunssum, Echt-Susteren, Eijsden-Margraten, Gennep, Gulpen-Wittem, Heerlen, Horst aan de Maas, Kerkrade, Landgraaf, Leudal, Maasgouw, Maastricht, Meerssen, Nederweert, Peel en Maas, Roerdalen, Roermond, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul, Venlo, Venray, Voerendaal en Weert, ieder voor zover zij voor de eigen gemeente bevoegd zijn:
Overwegende
•dat de colleges van de gemeenten Beek, Echt-Susteren, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Schinnen, Sittard-Geleen, Stein, Vaals en Valkenburg aan de Geul per 8 december 2005 de gemeenschappelijke regeling Omnibuzz zijn aangegaan;
•dat de colleges van de gemeenten Beek, Beekdaelen, Beesel, Bergen, Brunssum, EchtSusteren, Eijsden-Margraten, Gennep, Gulpen-Wittem, Heerlen, Horst aan de Maas, Kerkrade, Landgraaf, Leudal, Maasgouw, Maastricht, Meerssen, Nederweert, Peel en Maas, Roerdalen, Roermond, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul, Venlo, Venray, Voerendaal en Weert of hun rechtsvoorgangers, per 11 mei 2016 de gemeenschappelijke regeling Omnibuzz hebben gewijzigd dan wel daartoe zijn toegetreden;
•dat de samenwerking is gericht op het gezamenlijk nu en in de toekomst uitvoering geven aan het door die gemeenten te verzorgen doelgroepenvervoer in de provincie Limburg;
•dat na de totstandkoming van de hiervoor vermelde samenwerking gebleken is, dat het nodig is om artikel 18 in de gemeenschappelijke regeling aan te passen naar aanleiding van besluitvorming over de verdeelsleutel van de kosten van personeel en beheer die voortvloeien uit het te behartigen belang en de werkzaamheden;
•dat de voormelde aanpassing per 16 mei 2023 in werking is getreden;
•dat voorts de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen noodzaakt tot aanpassing van de gemeenschappelijke regeling Omnibuzz;
•dat daarom door het algemeen bestuur besloten is een wijzigingsvoorstel aan de colleges voor te leggen;
•dat de hiervoor genoemde colleges, na zienswijzen en na verkregen toestemming van de gemeenteraden, besloten hebben in te stemmen met het wijzigingsvoorstel.
Gelet op
•de Wet gemeenschappelijke regelingen;
•de Gemeentewet.
BESLUITEN
vast te stellen de derde wijziging van de gemeenschappelijke regeling Omnibuzz met ingang van 1 juli 2024, waardoor deze als volgt komt te luiden:
HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN
Artikel 1 Begripsbepalingen
In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. regeling: de gemeenschappelijke regeling Omnibuzz;
a.wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen;
b.college(s): het/de college(s) van burgemeester en wethouders die de regeling heeft/hebben getroffen;
c.de gemeente(n): de gemeente(n) waarvan het/de college(s) de regeling heeft/hebben getroffen;
d.de ra(a)d(en): de gemeentera(a)d(en) van de gemeente(n);
e.gedeputeerde staten: het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg;
f.gebruiker: een door het college geïndiceerde inwoner van de betreffende gemeente die gebruik kan maken van het doelgroepenvervoer en in het bezit is van een Omnibuzz vervoerspas;
g.doelgroepenvervoer: het niet openbaar vervoer voor de gebruikers waarvoor de gemeenten verantwoordelijk zijn.
Artikel 2 Openbaar lichaam
1Voor de uitvoering van de regeling wordt een openbaar lichaam in de zin van artikel 8, eerste lid van de wet ingesteld.
2Het openbaar lichaam is genaamd “Omnibuzz” en is gevestigd te Sittard.
HOOFDSTUK 2 BELANG, TAKEN EN BEVOEGDHEDEN
Artikel 3 Te behartigen belang
1Het openbaar lichaam is ingesteld in het belang van een kwalitatief hoogwaardige, klantgerichte en een zo doelmatig en doeltreffend mogelijke gezamenlijke operationele regie op en uitvoering van het doelgroepenvervoer.
2De colleges dragen de operationele regie over en de uitvoering van het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 op aan Omnibuzz.
3Voor wat betreft de andere onderdelen van het doelgroepenvervoer kunnen de colleges de operationele regie en de uitvoering daarvan op nader door de colleges te bepalen tijdstippen opdragen aan Omnibuzz.
4Gelet op het belang en de ambitie van de samenwerking kunnen de colleges in beginsel ook toekomstige taken met betrekking tot het doelgroepenvervoer opdragen aan Omnibuzz.
5Het dagelijks bestuur kan, met toestemming van het algemeen bestuur, besluiten andere vormen van vervoer voor derden te regelen en uit te voeren. Hiertoe zullen afzonderlijke dienstverleningsovereenkomsten gesloten worden tussen de betreffende derde(n) en het openbaar lichaam.
Artikel 4 Werkzaamheden
1Ter behartiging van het in artikel 3 genoemde belang verricht Omnibuzz voor de gemeenten, de volgende werkzaamheden:
a.het uitvoeren van aanbestedingen;
b.het aangaan van contracten;
c.het uitvoeren van contractmanagement en contractbeheer;
d.het voeren van operationele regie (onder andere de ritaannames);
e.het gevraagd en ongevraagd ondersteunen van de colleges met betrekking tot hun beleidsvorming met betrekking tot het doelgroepenvervoer;
f.alle overige werkzaamheden welke ter behartiging van het in artikel 3 van de regeling genoemde belang noodzakelijk zijn.
2De in het voorgaande lid vermelde werkzaamheden zullen nader worden uitgewerkt in dienstverleningsovereenkomsten tussen de betreffende gemeenten en het openbaar lichaam Omnibuzz.
3Het algemeen bestuur zal daartoe algemene uitgangspunten voor en voorwaarden van die dienstverleningsovereenkomsten vaststellen.
HOOFDSTUK 3 BESTUUR: ORGANEN, SAMENSTELLING, WERKWIJZE, BEVOEGDHEDEN
Artikel 5 Algemeen bestuur: samenstelling
1Het algemeen bestuur bestaat uit één lid per gemeente, dat evenals diens plaatsvervanger, door het college van die gemeente uit zijn midden wordt aangewezen.
2De colleges beslissen in de eerste vergadering van hun wettelijke zittingsperiode over de aanwijzing als bedoeld in het vorige lid.
3Indien tussentijds een vacature in het algemeen bestuur ontstaat, wijst het betreffende college zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.
4Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt als de zittingsperiode van het college afloopt, of indien de zittingsperiode van het college tussentijds beëindigd wordt of indien het lidmaatschap van het college, waaruit het betreffende lid afkomstig is, tussentijds beëindigd wordt.
5Een college kan een door hem aangewezen lid ontslaan door het vertrouwen op te zeggen.
6In geval van het bestaan van een of meer vacatures blijft het algemeen bestuur bevoegd besluiten te nemen.
Artikel 6 Algemeen bestuur: werkwijze
1Het algemeen bestuur vergadert ten minste tweemaal per jaar en voorts zo dikwijls als de voorzitter dit nodig acht of ten minste zestien leden dit vragen onder schriftelijke opgave van de te behandelen onderwerpen.
2Op de vergaderingen van het algemeen bestuur is artikel 22 van de wet van toepassing.
3In de vergaderingen heeft ieder lid één stem. Voor leden die een gemeente vertegenwoordigen waarvan het inwonertal meer dan 50.000 bedraagt, wordt het stemmenaantal vermeerderd met één stem voor iedere 20.000 inwoners meer. Voor berekening van het aantal inwoners wordt uitgegaan van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek opgemaakte bevolkingscijfers per 1 januari van het betreffende jaar.
4De besluiten van het algemeen bestuur worden genomen bij meerderheid van stemmen.
5Stemmen zijn niet overdraagbaar.
6Het algemeen bestuur stelt voor zijn werkzaamheden een reglement van orde vast.
Artikel 7 Algemeen bestuur: bevoegdheden
1De bevoegdheden die bij de regeling worden opgedragen, berusten bij het algemeen bestuur, tenzij bij wet of in de regeling anders is bepaald.
2Het algemeen bestuur kan besluiten tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. Het besluit wordt niet genomen dan nadat de raden van de gemeenten een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam te brengen.
3Het algemeen bestuur besluit niet tot het vaststellen van meerjarige strategische plannen dan nadat de raden van de gemeenten gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk hun zienswijzen op het concept bij het dagelijks bestuur naar voren te brengen.
4Het algemeen bestuur beslist niet over een voorstel alvorens de raden om zienswijzen zijn gevraagd, wanneer ten minste een vijfde van de gemeenteraden het dagelijks bestuur hierom verzoekt. In spoedeisende gevallen kan het dagelijks bestuur afzien van het vragen van zienswijzen. Het dagelijks bestuur stelt de raden hiervan schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte.
5Indien het vierde lid wordt toegepast, dan hebben de raden twaalf weken de tijd hun zienswijzen bij het dagelijks bestuur naar voren te brengen. Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijzen gegeven zijn, stelt het dagelijks bestuur de raden en het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijzen, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
6Het algemeen bestuur kan met toepassing van de artikelen 24 en 25 van de wet commissies van advies dan wel commissies belast met de behartiging van bepaalde belangen instellen.
Artikel 8 Algemeen bestuur: informatie en verantwoording
1Een lid van het algemeen bestuur kan door het college en door de raad van zijn gemeente ter verantwoording worden geroepen voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.
2Een lid van het algemeen bestuur geeft aan het college van zijn gemeente alle inlichtingen die door het college, of één of meer leden daarvan, worden verlangd op de in die gemeente gebruikelijke wijze.
3Het algemeen bestuur verstrekt aan de raden van de gemeenten de door één of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen.
4Het algemeen bestuur geeft de raden van de gemeenten schriftelijk alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.
Artikel 9 Dagelijks bestuur: samenstelling
1Het dagelijks bestuur bestaat uit zeven leden, waaronder de voorzitter.
2De leden van het dagelijks bestuur worden door en vanuit het algemeen bestuur op de volgende wijze aangewezen:
-drie leden op voordracht door en uit de leden van het algemeen bestuur die zijn aangewezen door de colleges van de gemeenten uit Noord- en Midden-Limburg en - vier leden op voordracht door en uit de leden van het algemeen bestuur die zijn aangewezen door de colleges van de gemeenten uit Zuid-Limburg;
-bij de bepaling van het aantal voor te dragen leden in de voorgaande verdeling wordt rekening gehouden met de gemeente waaruit het lid afkomstig is, die als voorzitter is aangewezen overeenkomstig het bepaalde in artikel 13, eerste lid van de regeling.
3Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt, indien een lid als zodanig ontslag neemt of ontslagen wordt door het algemeen bestuur en zodra hij ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn.
4Het algemeen bestuur draagt in geval van een vacature zo snel mogelijk zorg voor de vervulling daarvan overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid van dit artikel.
Artikel 10 Dagelijks bestuur: werkwijze
1Het dagelijks bestuur vergadert in beginsel vier keer per jaar en verder zo dikwijls als de voorzitter dit nodig acht of ten minste twee der leden daarom verzoeken onder schriftelijke opgave van de te behandelen onderwerpen.
2Indien in de vergaderingen van het dagelijks bestuur gestemd wordt over zaken en/of personen heeft ieder lid één stem. Indien in geval van een stemming de stemmen staken, beslist de stem van de voorzitter.
3Het dagelijks bestuur kan de uitoefening van een of meer van zijn bevoegdheden opdragen aan een of meer van zijn leden. Het algemeen bestuur wordt over de eventueel verleende mandaten geïnformeerd.
4Het dagelijks bestuur stelt voor zijn werkzaamheden een reglement van orde vast. Dit reglement wordt ter kennis gebracht van het algemeen bestuur.
Artikel 11 Dagelijks bestuur: bevoegdheden
1Het dagelijks bestuur is in ieder geval bevoegd om:
a.al hetgeen aan het algemeen bestuur ter overweging en beslissing zal worden voorgelegd, voor te bereiden;
b.besluiten van het algemeen bestuur uit te voeren;
c.toe te zien op de voortgang van de realisering van het bedrijfsplan;
d.beheer en administratie van de inkomsten en uitgaven van het openbaar lichaam te voeren;
e.de uitvoeringsorganisatie in te richten en de werkwijze van de uitvoeringsorganisatie te bepalen en in dat kader instructies uit te vaardigen;
f.tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het openbaar lichaam te besluiten, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 7, tweede lid van de regeling;
g.te besluiten namens het openbaar lichaam, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist;
h.zowel in als buiten rechte conservatoire maatregelen te nemen en alles te doen wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht of bezit;
i.klachten te behandelen zoals bedoeld in titel 9.1 Algemene wet bestuursrecht.
2Het dagelijks bestuur oefent, indien het algemeen bestuur daartoe besluit en naar door dit bestuur te stellen regels, de aan het algemeen bestuur toekomende bevoegdheden uit met uitzondering van:
a.het vaststellen en wijzigen van de begroting;
b.het vaststellen van de rekening.
Artikel 12 Dagelijks bestuur: informatie en verantwoording
1De leden van het dagelijks bestuur verstrekken zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk de door het algemeen bestuur of door een of meer leden daarvan gevraagde inlichtingen. Schriftelijk gevraagde inlichtingen worden zo mogelijk schriftelijk gegeven.
2De leden van het dagelijks bestuur leggen zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk verantwoording af aan het algemeen bestuur voor het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur.
3Het dagelijks bestuur verstrekt aan de raden van de gemeenten de door één of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen.
4Het dagelijks bestuur geeft de raden van de gemeenten schriftelijk alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.
5Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer geniet.
Artikel 13 Voorzitter
1De voorzitter, alsmede zijn plaatsvervanger, wordt in de eerste vergadering van elke zittingsperiode door het algemeen bestuur uit zijn midden aangewezen.
2De voorzitter leidt de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.
3Het algemeen bestuur kan de voorzitter ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit.
4De voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte.
5De voorzitter tekent alle stukken die van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan.
6De voorzitter verstrekt aan de raden van de gemeenten de door één of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen.
7De voorzitter geeft de raden van de gemeenten schriftelijk alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.
8Bij afwezigheid van de voorzitter wordt deze vervangen door zijn plaatsvervanger.
9In afwijking van het gestelde in de leden 1 en 2 van dit artikel wordt de eerste vergadering van het algemeen bestuur in een nieuwe zittingsperiode bijeengeroepen en voorgezeten door de aftredende voorzitter of zijn aftredende plaatsvervanger. Indien zulks niet mogelijk is treedt de burgemeester van de plaats van vestiging van het openbaar lichaam op als tijdelijk voorzitter. In deze vergadering vinden de benoemingen van de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van het algemeen bestuur plaats, alsmede de benoemingen van de leden van het dagelijks bestuur.
Artikel 13a Inspraak
1Ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden kunnen via het door het algemeen bestuur ingestelde cliëntenpanel betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid.
2In afwijking van het eerste lid kan het dagelijks bestuur besluiten dat bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid met ingrijpende gevolgen een apart participatietraject wordt doorlopen.
3Het tweede lid vindt ook toepassing wanneer ten minste een vijfde van de gemeenteraden het dagelijks bestuur hierom verzoeken.
4Het dagelijks bestuur informeert de deelnemers zo spoedig mogelijk omtrent zijn voornemen tot het mogelijk maken van inspraak als bedoeld in het tweede of het derde lid en de wijze waarop deze inspraak voor ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden zal worden vormgegeven.
HOOFDSTUK 4 ORGANISATIE EN PERSONEEL
Artikel 14 Directeur
1Aan het hoofd van de organisatie van het openbaar lichaam staat een directeur. Hij is belast met de dagelijkse leiding daarvan.
2Het dagelijks bestuur stelt voor de taken en bevoegdheden van de directeur een directiestatuut vast. Dit statuut wordt aan het algemeen bestuur ter kennisneming verstrekt.
3In het directiestatuut wordt de vervanging van de directeur geregeld.
4De directeur staat het algemeen en dagelijks bestuur bij in hun functioneren. Hij woont als adviseur de vergaderingen van beide bestuursorganen bij.
5De directeur ondertekent mede alle stukken die van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan.
6De directeur is verantwoording verschuldigd aan het dagelijks bestuur.
Artikel 15 Inrichting organisatie en personeel
1Het dagelijks bestuur stelt de inrichting en werkwijze van de organisatie vast.
2Op het personeel van de organisatie is de Cao Gemeenten van toepassing alsmede de binnen de organisatie vastgestelde personele regelingen, inclusief alle toekomstige wijzigingen daarvan. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de uitvoering van de arbeidsvoorwaarden en de personele regelingen en kan daartoe volmacht verlenen aan de directeur;
HOOFDSTUK 5 FINANCIËN
Artikel 16 Algemeen
De artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing op de financiën van het openbaar lichaam, voor zover daarvan bij of krachtens de wet niet is afgeweken.
Artikel 17 Financiële en beleidsmatige kaders
1Het dagelijks bestuur zendt vóór 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting geldt, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de gemeenten.
2Bij het opstellen van de beleidsmatige kaders handelt het dagelijks bestuur volgens het door het algemeen bestuur vastgestelde bedrijfsplan.
Artikel 18 Financiering
1De kosten van personeel en beheer die voortvloeien uit het te behartigen belang en de werkzaamheden, zoals vermeld in de artikelen 3 en 4 van de regeling, met uitzondering van het bepaalde in de leden 3 tot en met 5 van artikel 3, zullen gedragen worden door de gemeenten op basis van de volgende verdeelsleutel:
a.Overhead: De totale overhead kosten, conform de definities van de Notitie Overhead Commissie BBV/IV3 systematiek, worden gedragen door de gemeenten naar rato van het aantal inwoners per gemeente op 1 januari van het jaar waarop die kosten betrekking hebben. Het aantal inwoners wordt bepaald op de cijfers van het CBS.
b.Indirecte vervoerskosten: alle kosten verband houdende met de uitvoering van het vervoer binnen de organisatie Omnibuzz op basis van deze regeling worden gedragen door de gemeenten op basis van het werkelijk aantal ritten dat gemaakt wordt door de inwoners van die gemeenten. Het aantal ritten wordt achteraf vastgesteld op basis van het gerealiseerd aantal ritten van klanten van die gemeenten van het jaar waarop de kosten betrekking hebben.
2Alle kosten verband houdende met de uitvoering van het vervoer op basis van deze regeling worden gedragen door de gemeenten op basis van het werkelijk gebruik daarvan door de inwoners van die gemeenten.
3De kosten met betrekking tot de andere vormen van vervoer voor derden, zoals vermeld in artikel 3, vijfde lid van de regeling, worden in de betreffende dienstverleningsovereenkomsten doorberekend op basis van de integrale kostprijs.
4De colleges zullen er steeds zorg voor dragen dat het openbaar lichaam te allen tijde over voldoende middelen beschikt om al zijn verplichtingen te kunnen voldoen.
5Indien het algemeen bestuur blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de gemeentebegroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 193 en 194 van de Gemeentewet.
6Het algemeen bestuur bepaalt de wijze van facturering aan de gemeenten.
Artikel 19 Begroting
1Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting en bijbehorende stukken ten minste twaalf weken voordat deze aan het algemeen bestuur worden aangeboden, doch uiterlijk 30 april van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de ontwerpbegroting geldt, toe aan de colleges en raden.
2De ontwerpbegroting wordt door de colleges voor eenieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, ook algemeen verkrijgbaar gesteld.
3De raden kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur ter vaststelling wordt aangeboden.
4Het dagelijks bestuur stelt de raden van de gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
5Het algemeen bestuur stelt jaarlijks de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.
6Binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september zendt het dagelijks bestuur de begroting aan gedeputeerde staten en zo nodig aan de raden van de gemeenten die hun zienswijze kenbaar hebben gemaakt zoals bepaald in het derde lid van dit artikel.
7Nadat de begroting is vastgesteld zendt het algemeen bestuur de begroting aan de raden van de gemeenten, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen.
8Het bepaalde in het eerste, derde, vierde en zesde lid van dit artikel is, met uitzondering van de in het zesde lid genoemde termijn, van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting.
Artikel 20 Jaarrekening en jaarverslag
1Van de baten en lasten van het openbaar lichaam wordt door het dagelijks bestuur over elk begrotingsjaar verantwoording afgelegd aan het algemeen bestuur, onder overlegging van de conceptjaarrekening, het jaarverslag met daarbij behorende bescheiden, zoals vermeld in artikel 213 van de Gemeentewet. Na de eigen oordeelsvorming zendt het dagelijks bestuur de voorlopige jaarrekening jaarlijks vóór 30 april toe aan de raden.
2De voorlopige jaarrekening en het jaarverslag worden door de gemeenten voor eenieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. Artikel 197, tweede en derde lid van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.
3Nadat een daartoe aangestelde accountant een controleverklaring over de jaarrekening heeft afgegeven, wordt de jaarrekening door het algemeen bestuur vastgesteld.
4Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft aan gedeputeerde staten en voorts aan de raden.
5Behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ontlast de vaststelling van de jaarrekening de leden van het dagelijks bestuur ten aanzien van het daarin verantwoorde financieel beheer.
HOOFDSTUK 6 TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING
Artikel 21 Toetreding
1Toetreding door een niet aan de regeling deelnemend college kan plaatsvinden bij een besluit van het betreffende college en met toestemming van de betreffende raad. Ten minste drie vierde van de deelnemende gemeentebesturen dienen in te stemmen met een toetreding.
2Het algemeen bestuur bepaalt de voorwaarden voor en de gevolgen van een toetreding.
3Het algemeen bestuur bepaalt het moment waarop een toetreding van kracht wordt.
Artikel 22 Uittreding
1Een college van een gemeente kan besluiten tot uittreding uit de regeling, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de wet.
2Een college zendt het besluit tot uittreding aangetekend aan het algemeen bestuur. Daarbij wordt een opzegtermijn van 2 jaar, ingaande op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar, in acht genomen, tenzij de colleges unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen.
3Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding, welke nadien worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan.
4Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan vast. De daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen zijn bindend.
5Nadat het uittredingsplan is vastgesteld, is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen aan de regeling te voldoen.
Artikel 22a Procedure en inhoud van het uittredingsplan
1Het in artikel 22 bedoelde uittredingsplan bevat de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens bevat het uittredingsplan de uittreedsom die betaald moet worden door de uittredende deelnemer.
2Voor het opstellen van het uittredingsplan wijst het algemeen bestuur een onafhankelijke adviseur aan die in opdracht van het algemeen bestuur het conceptuittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het uittredingsplan komen voor rekening van de uittredende deelnemer.
3Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke adviseur aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en de voorzitter. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke adviseur aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het algemeen bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger in het algemeen bestuur van de uittredende deelnemer.
4De onafhankelijke adviseur neemt bij het bepalen van de uittreedsom het bepaalde in dit artikel en in artikel 22 in acht en baseert zich daarbij op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding. Tevens past de onafhankelijke adviseur bij de berekening van de uittreedsom een risico-opslag van 5% op de uittreedsom toe om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten.
5Het algemeen bestuur is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittreedsom zo laag mogelijk te houden. Het algemeen bestuur onderzoekt in dat kader met de uittredende deelnemer de mogelijkheid tot overname van personeel, activa en contracten. Het voorgaande behoeft echter niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.
Artikel 23 Wijziging
1Het dagelijks bestuur en de colleges kunnen aan het algemeen bestuur voorstellen tot wijziging doen.
2Indien het algemeen bestuur instemt met een wijzigingsvoorstel, doet het daarvan mededeling aan de raden en de colleges.
3Een wijzigingsbesluit komt vervolgens tot stand, indien ten minste drie vierde van de colleges een gelijkluidend besluit daartoe genomen hebben, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de wet.
Artikel 24 Opheffing en liquidatie
1De regeling kan worden opgeheven bij een daartoe strekkend besluit van alle colleges van de gemeenten minus één. Het besluit tot opheffing wordt niet genomen voordat de raden van de gemeenten gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op de voorgestelde opheffing hun zienswijze bij het college naar voren te brengen.
2In geval van een opheffingsbesluit draagt het algemeen bestuur zorg voor de opstelling en vaststelling van een liquidatieplan. Alvorens dit plan vast te stellen legt het algemeen bestuur dit voor aan de colleges en raden die daarover hun zienswijzen kenbaar kunnen maken.
3De gemeentebesturen verbinden zich in het geval van opheffing van het openbaar lichaam in het liquidatieplan de verplichting op te nemen dat zij alle rechten en verplichtingen van het openbaar lichaam over de gemeenten verdelen op een in het plan te bepalen wijze.
4Het dagelijks bestuur zal als vereffenaar optreden en belast worden met de uitvoering van het liquidatieplan.
5Het openbaar lichaam en zijn bestuur blijven na het opheffingsbesluit bestaan voor zover dit voor de uitvoering van het liquidatieplan nodig is.
HOOFDSTUK 7 SLOTBEPALINGEN
Artikel 25 Onvoorziene gevallen
In alle gevallen waarin de regeling niet voorziet, beslist het algemeen bestuur, met inachtneming van de ter zake geldende bepalingen uit de wet.
Artikel 26 Geschillenregeling
1Voordat een geschil als bedoeld in artikel 28 van de wet ter beslissing wordt voorgelegd aan gedeputeerde staten, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan een geschillencommissie.
2De geschillencommissie bestaat uit drie leden. Eén lid wordt aangewezen door het algemeen bestuur en één lid door het college van de betrokken gemeente(n). Deze leden wijzen gezamenlijk een derde lid aan dat tevens zal optreden als voorzitter van de commissie.
3De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken bestuursorganen en zo nodig derden die van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de aard van het geschil en/of het feitencomplex.
4De geschillencommissie brengt in beginsel binnen drie maanden na het begin van haar werkzaamheden aan de betrokken bestuursorganen advies uit over de mogelijkhe(i)d(en) tot een overeenstemming over de oplossing van het gerezen geschil te komen. Bij acceptatie van het advies zullen partijen ter zake van de oplossing een vaststellingsovereenkomst sluiten.
5Indien het advies van de commissie niet leidt tot een oplossing van het geschil, wordt dit voorgelegd aan gedeputeerde staten overeenkomstig het bepaalde in artikel 28 van de wet. Aan gedeputeerde staten wordt eveneens het dossier van de geschillencommissie overgelegd.
Artikel 27 Toezending en bekendmaking regeling
1Het college van de gemeente Sittard-Geleen maakt de regeling tijdig in alle gemeenten bekend door kennisgeving van de inhoud daarvan in het door de gemeente Sittard-Geleen uitgegeven Gemeenteblad.
2Het voorgaande lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging of opheffing van de regeling, alsmede op besluiten tot toetreding en uittreding.
3Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de registratie van de regeling overeenkomstig artikel 26, tweede lid, van de wet.
Artikel 28 Archief
1Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de bestuursorganen van Omnibuzz.
2De directeur is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van Omnibuzz, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
3Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van Omnibuzz, die niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht.
4Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de bestuursorganen van Omnibuzz wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van de gemeente Sittard-Geleen.
5Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van Omnibuzz, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van de gemeente Sittard-Geleen.
6De archivaris van de gemeente Sittard-Geleen brengt tweejaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van Omnibuzz, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
7Het dagelijks bestuur brengt tweejaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de bestuursorganen van Omnibuzz.
Artikel 29 Inwerkingtreding, duur, evaluatie en citeertitel
1De regeling treedt in werking op 1 januari 2023, echter niet eerder dan de dag nadat de regeling bekend is gemaakt overeenkomstig artikel 27, tweede lid van de regeling.
2De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.
3De werking van de regeling zal om de vijf jaar geëvalueerd worden, voor het eerst in 2026. Het dagelijks bestuur zal daartoe een onderzoeksvoorstel en de daarmee gepaard gaande financiële consequenties aan de deelnemers voorleggen.
4De regeling kan worden aangehaald als “gemeenschappelijke regeling Omnibuzz”.