Gemeentelijke regelgeving

Gemeenschappelijke regeling Heesch West

Gemeente 's-Hertogenbosch · geldt sinds 14 december 2024

Aanhef

De raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van de

gemeenten 's-Hertogenbosch, Oss, en Bernheze, ieder voor zoveel het hun bevoegdheden

betreft;

Overwegende dat:

1door de raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van de gemeenten ’s-Hertogenbosch, Oss, Bernheze en Maasdonk op 19 juni 2014 de Gemeenschappelijke Regeling Heesch West is aangegaan;

2als gevolg van de herindeling per 1 januari 2015 van de gemeente Maasdonk, de gemeente ’s-Hertogenbosch in de plaats is getreden van de gemeente Maasdonk;

3per 1 januari 2015 een wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Stb. 2015, 306) in werking is getreden, die tot gevolg heeft dat de Gemeenschappelijke Regeling Heesch West diende te worden aangepast;

4in afwijking van artikel 37 van de Gemeenschappelijke Regeling Heesch West en met toepassing van artikel 41, vierde lid Wet algemene regels herindeling, het besluit tot 2e herziening van de Gemeenschappelijke Regeling Heesch West tot stand is gekomen indien en nadat de raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van alle deelnemende gemeenten met het voorstel van het algemeen bestuur hadden ingestemd;

5per 1 juli 2022 is de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regeling in werking is getreden, die tot gevolg heeft dat de Gemeenschappelijke Regeling Heesch West dient te worden aangepast.

6per 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking is getreden, op basis waarvan tegelijkertijd met de voornoemde wijziging Wgr een aantal formele aanpassingen aan de Gemeenschappelijke Regeling Heesch West wordt voorgesteld;

7door het algemeen bestuur van het samenwerkingsverband Heesch-West bij besluit van 5 april 2024 een voorstel is gedaan tot 3e herziening van de Gemeenschappelijke Regeling Heesch West in relatie tot de genoemde wetswijzigingen;

gelet op het bepaalde in de Wet gemeenschappelijke regelingen en de Omgevingswet;

BESLUITEN:

tot het treffen van de navolgende Gemeenschappelijke Regeling Heesch West

Hoofdstuk 1. Algemene Bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

1In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

1bedrijventerrein (tevens rechtsgebied): het gebied, zoals aangegeven in de bij deze gemeenschappelijke regeling behorende en gewaarmerkte kaart;

2burgemeester: de burgemeester van een deelnemende gemeente;

3college van burgemeester en wethouders: het college van burgemeester en wethouders van een deelnemende gemeente

4deelnemende gemeente: een aan deze regeling deelnemende gemeente, te weten de gemeenten Bernheze, ’s-Hertogenbosch en Oss;

5evaluatieplan: het evaluatieplan als genoemd in artikel 40 van deze regeling;

6gedeputeerde staten: het college van gedeputeerde staten van provincie Noord-Brabant;

7grondgebiedgemeente: de deelnemende gemeente op wiens grondgebied (een deel van) het bedrijventerrein wordt ontwikkeld, te weten de gemeente Bernheze en ’s-Hertogenbosch;

8raad: de gemeenteraad van een deelnemende gemeente;

9regeling: de Gemeenschappelijke Regeling Heesch West;

10samenwerkingsverband: het openbaar lichaam, als bedoeld in artikel 2 van deze regeling;

11Wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen.

2Waar in deze regeling artikelen van de Gemeentewet of van enig andere wet van overeenkomstige toepassing worden verklaard, komen in die artikelen in de plaats van de gemeente, het gemeentebestuur, de raad, het college van burgemeester en wethouders, de burgemeester en de secretaris onderscheidenlijk het samenwerkingsverband, het bestuur van het samenwerkingsverband, het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur, de voorzitter en de secretaris.

Artikel 2. Het openbaar lichaam

1De realisering van de in artikel 4 van deze regeling genoemde doelen wordt opgedragen aan het samenwerkingsverband genaamd "Heesch West". Het samenwerkingsverband geldt als een openbaar lichaam zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wet. Dit openbaar lichaam bezit rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te Oss en kantoorhoudende aan de Raadhuislaan 2, te Oss.

2Het rechtsgebied waarvoor deze regeling geldt is aangeduid op de van deze regeling onderdeel uitmakende en gewaarmerkte kaart.

Artikel 3. Bestuursorganen

Het samenwerkingsverband kent, onverminderd de mogelijkheid tot het instellen van bestuurscommissies als bedoeld in artikel 19 van deze regeling, de volgende bestuursorganen:

a.het algemeen bestuur;

b.het dagelijks bestuur;

c.de voorzitter.

Hoofdstuk 2. Doel, taken en bevoegdheden

Artikel 4. Doel

Het samenwerkingsverband heeft tot doel het bevorderen van de economische ontwikkeling en werkgelegenheid in de regio “Noordoost Brabant” door middel van het duurzaam ontwikkelen, realiseren, exploiteren en beheren van een kwalitatief hoogwaardig en uit financieel-economisch oogpunt aanvaardbaar regionaal bedrijventerrein, hierna te noemen “bedrijventerrein”, op basis van de door de grondgebiedgemeenten geldende (tijdelijk deel van) omgevingsplannen (waar de vigerende bestemmingsplannen onderdeel van zijn), de nog vast te stellen bestemmingsplannen (onder het overgangsrecht van de Omgevingswet), en (binnenplanse) afwijkingen van het omgevingsplan op grond van artikel 22.32 van de Bruidsschat, in lijn met de in de hiervoor bedoelde bestemmingsplannen opgenomen regels bij een wijzigingsbevoegdheid en/of uitwerkingsplicht, , binnen het gebied als aangeduid op de bij deze regeling gevoegde kaart, met een ten tijde van de vaststelling van deze regeling gezamenlijke capaciteit van circa 100 hectare netto uitgeefbaar bedrijventerrein. De deelnemende gemeenten dragen daartoe de hierna in artikel 5 benoemde taken en artikel 6 genoemde bijbehorende bevoegdheden over aan het samenwerkingsverband en spannen zich in voor een goede samenwerking en afstemming met het samenwerkingsverband ten aanzien van de voor de realisatie van de doelstelling vereiste toepassing van niet overgedragen taken.

Artikel 5. Taken

1Het samenwerkingsverband heeft tot taak het duurzaam ontwikkelen, realiseren, exploiteren en beheren van het in artikel 4 van deze regeling bedoelde bedrijventerrein. Onder deze taak is alles begrepen wat in de ruimste zin des woords met de ontwikkeling, realisatie, exploitatie en het beheer samenhangt, inclusief het zo nodig treffen van met de uitvoering van deze taken samenhangende of daaruit voortvloeiende compenserende maatregelen. Ontwikkeling en realisatie betreffen alle procedures, regelingen en handelingen om het regionaal bedrijventerrein feitelijk, gefaseerd, te realiseren. Exploitatie en beheer omvat de toepassing en uitvoering van het totale instrumentarium dat ten behoeve van de verdere ontwikkeling en realisering van dit regionaal bedrijventerrein en de instandhouding daarvan kan worden ingezet. Als onderdeel van -en sturingsmiddel binnen- deze ontwikkeling, realisering, exploitatie en beheer is een belangrijk instrument de grondexploitatie waarmee de in artikel 4 omschreven doelstelling kan worden bereikt.

2De volgende daartoe gerekende deeltaken dragen de deelnemende gemeenten over aan het samenwerkingsverband:

1Privaatrechtelijke deeltaken:

•het verwerven van alle voor de aanleg van het bedrijventerrein benodigde en daarvoor in aanmerking komende gronden/opstallen en beperkte rechten, met dien verstande dat het samenwerkingsverband gerechtigd is om ook gronden/opstallen te verwerven die gelegen zijn buiten het toekomstige bedrijventerrein, mits die verwerving noodzakelijk is in verband met verwerving van gronden binnen het toekomstig bedrijventerrein;

•het verkopen en leveren van gronden, gelegen buiten het toekomstige bedrijventerrein, aan derden;

•de financiering van de kosten van ontwikkeling, de realisatie, de exploitatie en het beheer van het bedrijventerrein;

•het (doen) aanleggen van alle ten behoeve van het bedrijventerrein benodigde voorzieningen van openbaar nut, alsmede de voorzieningen met een semiopenbaar karakter (onder semi-openbaar wordt verstaan een voorziening ten behoeve van twee of meer individuele kavels/bedrijven, echter zonder openbare bestemming), inclusief de met deze aanleg verband houdende nazorg, waartoe in ieder geval worden gerekend het verrichten van alle werkzaamheden gericht op het bouw- en woonrijp maken, inclusief het beheer en onderhoud, van het bedrijventerrein en aanbesteding conform de (Europese) aanbestedingsrichtlijnen;

•het voorbereiden en toepassen van een privaatrechtelijk kostenverhaalsinstrumentarium, gericht op het (doen) verkrijgen van een bijdrage van particuliere grondeigenaren in de door het samenwerkingsverband, respectievelijk de grondgebied gemeenten gemaakte en te maken kosten in verband met de grondexploitatie van het bedrijventerrein conform afdeling 6.4 Wet ruimtelijke ordening (Wro) (onder het overgangsrecht van de Omgevingswet), dan wel conform afdeling 13.6 en 13.7 van de Omgevingswet.

•Tot deze taak behoort het privaatrechtelijk kostenverhaal, waaronder het voorbereiden tot het treffen en het treffen van anterieure overeenkomsten en het voorbereiden tot het treffen en het treffen van posterieure overeenkomsten, dit laatste in samenhang met een in dat geval vastgesteld exploitatieplan;

•het ontwikkelen en uitvoeren van een slagvaardig promotie- en acquisitiebeleid met betrekking tot de uitgifte van bouwkavels en daarmee verband houdende vestiging van bedrijven;

•het uitgeven van bouwkavels, (verkoop of in erfpacht uitgeven) ten behoeve van de vestiging van bedrijven;

•het op bedrijfsmatige basis (mede-)ontwikkelen en/of (mede-)exploiteren van gebouwen, bouwwerken en ander opstallen binnen het bedrijventerrein;

•het feitelijk en juridisch beheer en onderhoud van de in het samenwerkingsverband ingebrachte gronden en de daarop aangelegde wegen, riolering, groenvoorzieningen en andere voorzieningen van openbaar nut, alsmede de voorzieningen met een semi-openbaar karakter;

•het voorbereiden en oprichten van een parkmanagementorganisatie;

•het aangaan van privaatrechtelijke (samenwerkings)overeenkomsten in het kader van de in artikel 4 genoemde doelstelling;

•het voeren van het tijdelijke beheer, bestaande uit alle werkzaamheden voor aanleg en zorg van voorzieningen ten behoeve van het bedrijventerrein, het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van de in artikel 4 omschreven doelstelling.

2Publiekrechtelijke deeltaken:

•het opstellen van een programma dan wel vergelijkbaar beleidsstuk voor verkeer en vervoer ten behoeve van de grondgebiedgemeenten;

•het ten behoeve van de grondgebiedgemeenten opstellen van een conceptprocedureverordening planschadevergoeding;

•het ten behoeve van de grondgebiedgemeenten opstellen van concept programma’s, dan wel vergelijkbare beleidsstukken, voor gemeentelijk milieubeleid of uitvoering, voor riolering en voor luchtkwaliteit.

•het ten behoeve van de grondgebiedgemeenten voorbereiden van de vaststelling van de benodigde bestemmingsplannen op grond van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (onder het overgangsrecht Omgevingswet), (indien nodig) een concept-wijziging omgevingsplan op grond van artikel 2.4 Omgevingswet en concept-besluiten (waaronder afwijkingen van het omgevingsplan) op grond van artikel 5.1 van de Omgevingswet, h alsmede het voorbereiden van de voorgeschreven wettelijke voorbereidingsprocedures;

•het ten behoeve van de grondgebiedgemeenten opstellen van concept wijziging van het omgevingsplan of concept buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het regelen van kostenverhaal op grond van afdeling 13.6 Omgevingswet , alsmede het voorbereiden van de in het kader van die besluiten voorgeschreven wettelijke voorbereidingsprocedures;

•het, in daarvoor in aanmerking komende gevallen, toepassen van de onteigeningswet (onder het overgangsrecht Omgevingswet of op grond van Hoofdstuk 11 Omgevingswet), waaronder het indienen van onteigeningsverzoeken bij de Kroon;

•het, in daarvoor in aanmerking komende gevallen, coördineren, faciliteren, mede voorbereiden en mede uitvoeren van de toepassing van het voorkeursrecht door de grondgebiedgemeenten (Hoofdstuk 9 omgevingswet);

•het sluiten van planschadeverhaalsovereenkomsten;

•het doen van voorbereidende werkzaamheden door de grondgebiedgemeenten met betrekking tot het:

•in procedure brengen van een milieu-effectrapportage;

•vaststellen van de milieu-effectbeoordeling strategische beslissingen;

•uitvoering in het kader van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)onder het overgangsrecht Omgevingswet of in het kader van de Omgevingswet;

•verlenen van ontheffing van gemeenteverordeningen en vergunningverlening ten behoeve van een openbaar werk dat krachtens de wet is bevolen/erkend;

•doen van onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (onder het overgangsrecht Omgevingswet) dan wel in het kader van de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving;

•uitvoeren van onderzoek in het belang van bodembescherming en het vaststellen van verordeningen ten aanzien van bodemverontreiniging en

•sanering;

•het (doen) verrichten van de overige ten behoeve van de te nemen planologische besluiten noodzakelijke onderzoeken;

•het behandelen van en besluiten inzake bezwaar- en beroepschriften en klachten, voor zover deze betrekking hebben op door het samenwerkingsverband uitgevoerde taken en genomen besluiten;

•het uitvoeren van de Archiefwet en de Wet openbaarheid van bestuur ter zake van door het samenwerkingsverband genomen besluiten;

•het uitvoeren van overige deeltaken die met de in dit lid benoemde taken samenhangen of die verder nodig zijn voor een effectieve uitoefening van de aan het samenwerkingsverband opgedragen taak;

•het adviseren over door de grondgebiedgemeenten te nemen besluiten ingevolge de Omgevingswet, niet zijnde besluiten in strijd met het omgevingsplan, op aanvragen tot verlening van omgevingsvergunning(en);

•het verzoeken op grond van de artikelen 3.8, zesde lid en 3.26 Wro (onder het overgangsrecht Omgevingswet), dan wel op grond van respectievelijk afdeling 5.2 en artikel 16.21 van de Omgevingswet aan de provincie tot het doen van een aanwijzing of reactieve interventie, of het vaststellen van een provinciaal inpassingsplan of projectbesluit, ingeval dat wenselijk is met het oog op een goede ruimtelijke ordening dan wel evenwichtige toedeling van functies aan locaties;

•vaststellen van een leges-, precario- en retributieverordening en het heffen van leges-, precario- en retributie voor zover deze betrekking hebben op de door het samenwerkingsverband geleverde diensten en voor zover het gaat om precariobelasting, op de gronden van het samenwerkingsverband;

•het formuleren van een één-loketbeleid, waarbij administratieve be- en afhandeling van de voorbereiding van besluiten die leiden tot vergunningaanvragen, handhavingsbesluiten, reinigingsrechten, feitelijke uitvoering van ten behoeve van het bedrijventerrein te verrichten diensten (vuilophaal, etc.) zoveel als mogelijk vanuit één-loketgedachte door het samenwerkingsverband verzorgd worden;

•het aan de grondgebiedgemeenten doen van voorstellen tot de vaststelling van normen op basis van de geurverordening(en) welke voor het bedrijventerrein geldt (gelden);

•het adviseren omtrent de door de grondgebiedgemeenten eventueel te nemen besluiten op grond van de Experimentwet BI-zones (wet van 19 maart 2009, Staatsblad 2009, 165).

3De volgende met de in lid 1 van dit artikel bedoelde taak verband houdende deeltaken worden niet overgedragen aan het samenwerkingsverband en blijven bij de grondgebiedgemeenten:

•het vaststellen van, omgevingsvisies, bestemmingsplan(nen), het wijzigen van het omgevingsplan, binnenplanse omgevingsvergunningen omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, het vaststellen van beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet, het nemen van voorbereidingsbesluiten alsmede besluiten tot afwijking van het omgevingsplan;

•het vaststellen en herzien van een exploitatieplan(nen) alsmede het vaststellen van besluiten tot afrekening van deze plannen (onder het overgangsrecht Omgevingswet);

•het bij bestemmingsplan vaststellen van geluidszones bedrijventerreinen (onder het overgangsrecht Omgevingswet);

•het beslissen op verzoeken tot het verlenen, wijzigen en intrekken van omgevingsvergunningen ten behoeve van de vestiging van bedrijven in de ruimste zin van het woord;

•het beslissen op verzoeken, verlenen, wijzigen en intrekken van vergunningen tot lozing van afvalwater en verontreinigende stoffen, voor zover door de Provincie bij verordening opgedragen aan de gemeente;

•het beslissen op verzoeken en verlenen van vergunningen en ontheffingen in het kader van de Alcoholwet;

•het toezien, handhaven en het behandelen van en besluiten naar aanleiding van ingediende bezwaar- en beroepschriften en klachten, voor zover deze betrekking hebben op door de grondgebiedgemeenten uitgevoerde taken en genomen besluiten verband houdende met de realisatie van de in artikel 4 genoemde doelstelling;

•het uitvoeren van de Wegenverkeerswet en Wegenwet, dan wel de Omgevingswet (indien van toepassing voor het onderdeel wegen),waaronder onttrekken en toevoegen van wegen aan het openbaar verkeer, nemen van verkeersbesluiten en straatnaamgeving;

•het besluiten op verzoeken tot uitkering van planschade ex artikel 6.1 van de Wro (onder overgangsrecht Omgevingswet) dan wel op grond van afdeling15.1 Omgevingswet;

•het nemen van besluiten tot vestigen, bestendigen en intrekken van voorkeursrechten en het besluiten omtrent aanbiedingen, onderhandelingen, prijsbepalingsprocedures en nietigheidsakties op basis van de Omgevingswet (hoofdstuk 9);

•het vaststellen van gemeentelijke programma’s dan wel vergelijkbare beleidsstukken inzake milieubeleid of uitvoering, riolering en luchtkwaliteit;

•het beoordelen van meldingen over toepassing bouwstoffen en het onderzoeken van bouwstoffen inclusief grond;

•toezicht op naleving en handhaving inzake (bouw)stoffen en milieu -en waterveiligheid conform Besluit bodemkwaliteit, Besluit activiteiten leefomgeving, de Omgevingsweten eventueel andere van toepassing zijnde regelgeving;

•het behandelen van meldingen en verzoeken omtrent opslag vloeibare stoffen in ondergrondse tanks;

•het besluiten omtrent planologische medewerking aan ontgronding (afgraven van de bovengrond);

•het toepassen van de bevoegdheden op grond van de Wet op de bedrijventerreineninvesteringszones;

•het vaststellen en uitvoeren van de Algemene Plaatselijke Verordening;

•de algemene openbare taak die bij de grondgebiedgemeenten berust zoals de inzameling van huis-, tuin- en bedrijfsafval, het inzamelen van regen- en afvalwater, het beheer en onderhoud van wegen, riolering en andere voorzieningen van openbaar nut van door het samenwerkingsverband aan de grondgebiedgemeenten overgedragen openbaar (deel)gebied, de handhaving van de openbare orde, de uitvoering van brandweertaken en calamiteitenzorg;

•overige deeltaken die met de hiervoor in dit lid benoemde taken samenhangen;

•het in procedure brengen van het milieu-effectrapport, het vaststellen van de milieu-effectbeoordeling strategische beslissingen;

•uitvoering in het kader van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)onder het overgangsrecht Omgevingswet of in het kader van de Omgevingswet;

•het verlenen van ontheffing van gemeenteverordeningen en vergunningverlening ten behoeve van een openbaar werk dat krachtens wet is bevolen/erkend;

•het uitvoeren van onderzoek in het belang van bodembescherming en het vaststellen van verordeningen ten aanzien van bodemverontreiniging en -sanering.

4Ten behoeve van een effectieve uitoefening van de deeltaken zoals omschreven in het tweede en derde lid van dit artikel alsmede overige, niet expliciet in dit artikel benoemde, taken, hebben de deelnemende gemeenten en het samenwerkingsverband jegens elkaar de inspanningsplicht om te komen tot een goede afstemming, samenwerking, uitvoering en besluitvorming, ten dienste van de aan het samenwerkingsverband opgedragen taak, dit onverminderd de publiekrechtelijke bevoegdheden die berusten bij de grondgebiedgemeenten respectievelijk het samenwerkingsverband.

5Tot de taken, zoals omschreven in het eerste en tweede lid, kan, indien dit bijdraagt tot de realisatie van de in artikel 4 van deze regeling genoemde doelstelling tevens worden gerekend het betrekken van één of meerdere deelnemende gemeenten bij de uitvoering van een of meerdere in het tweede lid genoemde deeltaken.

Artikel 6. Bevoegdheden

1Voor zover hiervan niet in deze regeling is afgeweken, en onverminderd het bepaalde in artikel 30 van de Wet, komen aan de bestuursorganen van het samenwerkingsverband ter uitvoering van de in het eerste en tweede lid van artikel 5 van deze regeling genoemde deeltaken de bevoegdheden toe, die aan de bestuursorganen van de deelnemende gemeenten toebehoren, een en ander voor zover niet in strijd met de Wet.

2Het algemeen bestuur is bevoegd tot het oprichten van of het deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen dan wel het ontbinden daarvan of het beëindigen van de deelneming.

3Het algemeen bestuur is bevoegd tot het heffen van belastingen zoals bedoeld in artikel 228 en 228a Gemeentewet, en van de rechten zoals bedoeld in artikel 229 Gemeentewet.

4Voor zover een door het algemeen bestuur vastgestelde verordening voorziet in hetzelfde onderwerp als een verordening van een grondgebiedgemeente, regelt eerstbedoelde verordening de onderlinge verhouding. Zij kan bepalen, dat de verordening van de gemeente voor het rechtsgebied waarvoor de regeling geldt, dan wel voor een gedeelte daarvan voor wat betreft dat onderwerp ophoudt te gelden.

5Het samenwerkingsverband is bevoegd tot het aanstellen van personeel en het aangaan van detacheringovereenkomsten en overeenkomsten van opdracht zoals bedoeld in artikel 27 van deze regeling, zulks met inachtneming van hetgeen in hoofdstuk 9 van deze regeling is bepaald.

6Van de bevoegdheden genoemd in het tweede lid wordt niet eerder gebruik gemaakt dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten een ontwerpbesluit is toegezonden en zij in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen.

7Het samenwerkingsverband is bevoegd tot het aangaan van geldleningen.

Hoofdstuk 3. Het algemeen bestuur

Artikel 7. Samenstelling

1Het algemeen bestuur bestaat uit zes leden, als volgt te benoemen:

a.twee leden aangewezen door de raad uit de wethouders van de gemeente ‘sHertogenbosch en

b.twee leden aangewezen door de raad uit de leden van het college van burgemeester en wethouders, van de gemeente Oss en

c.twee leden aangewezen door de raad uit de leden van het college van burgemeester en wethouders, van de gemeente Bernheze.

2Elk lid van het algemeen bestuur heeft een plaatsvervanger. Een plaatsvervanging wordt medegedeeld aan de voorzitter op de wijze zoals bepaald in het in artikel 23 van deze regeling genoemde reglement van orde. Bepalingen in deze regeling geldende voor de leden van het algemeen bestuur zijn mede van toepassing op de plaatsvervangende leden.

3De plaatsvervangende leden van het algemeen bestuur dienen zoveel als mogelijk lid te zijn van de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten.

Artikel 8. Vereisten lidmaatschap

1Een lid van het algemeen bestuur kan niet tevens zijn medewerker in dienst van of op grond van een overeenkomst van opdracht werkzaam zijn voor het samenwerkingsverband.

2Een lid van het algemeen bestuur kan niet tevens een medewerker in dienst van, of op grond van een overeenkomst van opdracht werkzaam zijn voor één van de deelnemende gemeenten zijn.

Artikel 9. Zittingsduur en einde lidmaatschap

1De leden van het algemeen bestuur hebben – onverminderd het bepaalde in artikel 22, vierde lid van deze regeling – zitting gedurende de zittingsduur van de raad. De raad van elke deelnemende gemeente beslist in de eerste vergadering van zijn zittingsperiode over de aanwijzing van nieuwe leden van het algemeen bestuur.

2Indien de raad van een deelnemende gemeente niet kan voldoen aan het bepaalde in het tweede lid, blijven de door hem aangewezen leden van het algemeen bestuur die hadden moeten aftreden als zodanig fungeren, totdat die raad nieuwe leden heeft aangewezen.

3Het lidmaatschap eindigt zodra een lid ophoudt lid of voorzitter te zijn van de raad die hem heeft aangewezen, dan wel ophoudt wethouder van de desbetreffende deelnemende gemeente te zijn.

4Indien tussentijds een plaats van een door een raad aangewezen lid van het algemeen bestuur vacant of beschikbaar komt, wijst de raad die het aangaat in zijn eerstvolgende vergadering, of zo dat niet mogelijk zou zijn ten spoedigste daarna, een nieuw lid aan.

5Degene die ter vervulling van een tussentijdse vacature als lid van het algemeen bestuur wordt benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou hebben moeten aftreden.

6Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij deelt zijn ontslag mede aan de raad die hem heeft aangewezen. De raad doet mededeling van het ontslag aan de voorzitter van het algemeen bestuur. Het ontslag gaat in zodra onherroepelijk in de opvolging is voorzien. Tot het moment waarop in de opvolging is voorzien blijft het lid van het algemeen bestuur als zodanig functioneren, totdat de raad een nieuw lid heeft aangewezen.

7Van elke aanwijzing tot lid van het algemeen bestuur geeft de raad van de desbetreffende gemeente binnen acht dagen kennis aan de voorzitter van het algemeen bestuur.

Artikel 10. Werkwijze

1Het algemeen bestuur vergadert tenminste tweemaal per jaar en voorts zo dikwijls als de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig oordeelt, of een lid van het algemeen bestuur dit, onder opgaaf van redenen, verzoekt.

2De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar.

3Elk lid van het algemeen bestuur heeft in de vergadering één stem, zodat het totaal maximaal aantal uit te brengen stemmen zes bedraagt.

4Met uitzondering van de besluiten bedoeld in het vijfde lid, worden alle overige besluiten bij volstrekte meerderheid van stemmen genomen.

5Voor een hierna onder a in dit artikellid aangewezen besluit, voor zover dat (mede) betrekking heeft op een aangewezen aangelegenheid zoals bedoeld onder b van dit artikellid, is een gekwalificeerde meerderheid als bedoeld in artikel 13 van de Wet vereist. Onder een gekwalificeerde meerderheid wordt verstaan het totale aantal van hen die een stem hebben uitgebracht (unanimiteit).

a.Onder een aangewezen besluit, zoals bedoeld in de vorige volzin, wordt verstaan:

1de vaststelling van de begroting of de wijziging van de begroting;

2voorbereiding van de vaststelling van (bestemmingsplannen (onder overgangsrecht Omgevingswet) dan wel de vaststelling van een conceptwijziging van een omgevingsplan;

3de vaststelling van een conceptwijziging van een omgevingsplan inzake het onderdeel kostenverhaal;

4het vaststellen en actualiseren van de exploitatieopzet;

5het vaststellen en herzien van het beleidsplan als bedoeld in hoofdstuk 11 van de onderhavige regeling;

6het vaststellen van de jaarrekening als bedoeld in artikel 33 van deze regeling;

7het nemen van een delegatiebesluit, zoals bedoeld in artikel 11 van deze regeling;

8het vaststellen van een voorstel van een evaluatieplan, zoals bedoeld in artikel 40 van deze regeling;

9het vaststellen van een voorstel tot wijziging van de regeling, zoals bedoeld in artikel 37, voor zover dat betrekking heeft op de onderdelen genoemd in artikel 37, derde lid, tweede volzin van deze regeling;

10het vaststellen van een voorstel tot opheffing van de regeling, zoals bedoeld in artikel 38 respectievelijk 40 van deze regeling.

b.Onder een aangewezen aangelegenheid zoals bedoeld in de eerste volzin van dit artikellid, wordt verstaan:

1de vaststelling of uitvoering van beleid omtrent vestigingsmogelijkheden voor bedrijven die behoren tot milieucategorie 5.0 of hoger, zoals bedoeld in de VNG-Handreiking Bedrijven en Milieuzonering, binnen het bedrijventerrein voorzover dat is gelegen binnen het grondgebied van Bernheze;

2de vaststelling of uitvoering van beleid omtrent de aanleg van de westelijke ontsluitingsweg van het bedrijventerrein;

3de vaststelling of uitvoering van beleid omtrent de oprichting van windturbines binnen het bedrijventerrein voor zover dat is gelegen binnen het grondgebied van Bernheze.

6In afwijking van het tweede lid worden de deuren gesloten wanneer een vijfde gedeelte van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd.

7In een besloten vergadering van het algemeen bestuur kan niet worden beraadslaagd of besloten over:

a.het beleidsplan;

b.de begroting en de daarop betrekking hebbende wijzigingen;

c.de jaarrekening;

d.het oprichten van of het deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen dan wel het ontbinden daarvan of het beëindigen van de deelneming;

e.het doen van een uitgaaf, voordat de begroting of de begrotingswijziging waarbij deze uitgaaf is geraamd, is vastgesteld;

f.het evaluatieplan, zoals bedoeld in artikel 40 van deze regeling;

g.een voorstel tot opheffing, zoals bedoeld in artikel 37 juncto 40 van deze regeling.

h.het liquidatieplan, zoals bedoeld in artikel 39 van deze regeling.

Artikel 11. Bevoegdheden

1Aan het algemeen bestuur behoren toe de bevoegdheden die bij deze regeling worden overgedragen, tenzij bij Wet of in deze regeling anders is bepaald.

2Het algemeen bestuur kan bevoegdheden delegeren aan het dagelijks bestuur, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet, en met inachtneming van het bepaalde in artikel 33a van de Wet.

3Onverminderd het bepaalde in artikel 11, tweede lid van deze regeling kunnen de volgende bevoegdheden niet aan het dagelijks bestuur worden gedelegeerd:

i.de vaststelling van een wijziging van de begroting;

ii.voorbereiding van de vaststelling van bestemmingsplannen (onder overgangsrecht Omgevingswet) dan wel de vaststelling van een conceptwijziging van een omgevingsplan;

iii.de vaststelling van een conceptwijziging van een omgevingsplan inzake het onderdeel kostenverhaal;

iv.het vaststellen en actualiseren van de exploitatieopzet;

v.het vaststellen en herzien van het beleidsplan als bedoeld in hoofdstuk 11 van de onderhavige regeling;

vi.het vaststellen van een voorstel van een evaluatieplan, zoals bedoeld in artikel 40 van deze regeling;

vii.het vaststellen van een voorstel tot wijziging van de regeling, zoals bedoeld in artikel 37, voor zover dat betrekking heeft op de onderdelen genoemd in artikel 37, derde lid, tweede volzin van deze regeling;

viii.het vaststellen van een voorstel tot opheffing van de regeling, zoals bedoeld in artikel 38 respectievelijk 40 van deze regeling;

ix.de besluiten genoemd in artikel 156, tweede lid sub b, f, g en h Gemeentewet.

Hoofdstuk 4. Het dagelijks bestuur

Artikel 12. Samenstelling

1Het dagelijks bestuur bestaat uit drie leden, te weten:

a.de voorzitter;

b.de plaatsvervangend voorzitter;

c.een lid door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen uit hen die daarin aangewezen zijn door de raad van de gemeente Oss, tenzij de plaatsvervangend voorzitter wethouder is van de gemeente Oss;

d.een lid, door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen uit hen, die daarin aangewezen zijn door de raad van de gemeente Bernheze tenzij de plaatsvervangend voorzitter wethouder is van de gemeente Bernheze.

2De leden van het dagelijks bestuur dienen wethouder te zijn.

Artikel 13. Zittingsduur en einde lidmaatschap

1Het algemeen bestuur kiest in de eerste vergadering van elke zittingsperiode de leden van het dagelijks bestuur. De artikelen 36b, 40, 41, 46 en 47 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.

2De leden van het dagelijks bestuur treden - onverminderd het bepaalde in artikel 20, vierde en vijfde lid, van deze regeling - af op de dag van aftreden van de leden van het algemeen bestuur.

3Degene die ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt tevens op lid van het dagelijks bestuur te zijn.

4Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur openvalt, wijst het algemeen bestuur een nieuw lid aan. Gaat het openvallen van een plaats in het dagelijks bestuur gepaard met het openvallen van een plaats in het algemeen bestuur, dan zal het algemeen bestuur het kiezen van een nieuw lid van het dagelijks bestuur uitstellen totdat de opengevallen plaats in het algemeen bestuur weer is bezet.

5Degene die als lid van het dagelijks bestuur ontslag neemt of overeenkomstig het bepaalde in het derde lid bepaalde moet aftreden, blijft zijn functie waarnemen, totdat een opvolger de functie heeft aanvaard.

Artikel 14. Werkwijze

1Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt of een lid van het dagelijks bestuur dit, onder opgaaf van redenen, verzoekt.

2Elk lid heeft in de vergadering één stem, zodat het totaal maximaal aantal uit te brengen stemmen drie bedraagt.

3Met uitzondering van de besluiten bedoeld in het vierde lid, worden alle overige besluiten bij volstrekte meerderheid van stemmen genomen.

4Voor een hierna onder a in dit artikellid aangewezen besluit, voor zover dat (mede) betrekking heeft op een aangewezen aangelegenheid zoals bedoeld onder b van dit artikellid, is een gekwalificeerde meerderheid vereist. Onder een gekwalificeerde meerderheid wordt verstaan het totale aantal van hen die een stem hebben uitgebracht (unanimiteit).

a.Onder een aangewezen besluit, zoals bedoeld in de vorige volzin, wordt verstaan:

1een besluit betreffende het aangaan van een privaatrechtelijke rechtshandeling;

2een besluit krachtens delegatie, zoals bedoeld in artikel 11 van deze regeling.

b.Onder een aangewezen aangelegenheid zoals bedoeld in de eerste volzin van dit artikellid, wordt verstaan:

1de vaststelling of uitvoering van beleid omtrent vestigingsmogelijkheden voor bedrijven die behoren tot milieucategorie 5.0 of hoger, zoals bedoeld in de VNG-Handreiking Bedrijven en Milieuzonering, binnen het bedrijventerrein voorzover dat is gelegen binnen het grondgebied van Bernheze;

2de vaststelling of uitvoering van beleid omtrent de aanleg van de westelijke ontsluitingsweg van het bedrijventerrein (aansluiting);

3de vaststelling of uitvoering van beleid omtrent de oprichting van windturbines binnen het bedrijventerrein voor zover dat is gelegen binnen het grondgebied van Bernheze.

c.De artikelen 31, 54, 56 eerste lid, 58 en 59 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15. Taken en bevoegdheden

Het dagelijks bestuur is bevoegd:

a.tot uitoefening van de bevoegdheden, genoemd in artikel 33b van de Wet;

b.het voorstaan van de belangen van het samenwerkingsverband bij andere overheden, instellingen, diensten of personen, waarmee contact met het samenwerkingsverband van belang is;

c.het beheer van activa en passiva van het samenwerkingsverband;

d.de zorg voor zover deze niet aan anderen toekomt voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding;

e.het aangaan van detacheringovereenkomsten met betrekking tot personeel in dienst van een of meer deelnemende gemeenten alsmede het aangaan van overeenkomsten van opdracht met een of meer deelnemende gemeenten, een en ander voor zover de regeling niet anders bepaalt en met inachtneming van door het algemeen bestuur te stellen regelen;

f.het houden van een voortdurend toezicht op al hetgeen het samenwerkingsverband aangaat, en voorts de taken en bevoegdheden die in deze regeling aan dit bestuur zijn opgedragen.

Hoofdstuk 5. Voorzitter en plaatsvervangend voorzitter

Artikel 16. Benoeming

1De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur gekozen in de eerste vergadering van elke zittingsperiode. De voorzitter wordt gekozen uit hen die daartoe aangewezen zijn door de raad van de gemeente ’s-Hertogenbosch.

2Bij verhindering en ontstentenis van de voorzitter wordt deze vervangen door de plaatsvervangend voorzitter. De plaatsvervangend voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur gekozen in de eerste vergadering van elke zittingsperiode. De plaatsvervangend voorzitter wordt gekozen uit hen die daartoe zijn aangewezen door de raden van de gemeenten Oss en Bernheze. De plaatsvervangend voorzitter is steeds een wethouder.

3De voorzitter treedt af op de dag, waarop de zittingsperiode van de leden van het algemeen bestuur afloopt. Hij blijft echter de functie waarnemen, totdat een opvolger de functie heeft aanvaard.

4Indien tussentijds de functie van voorzitter beschikbaar komt, kiest het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuwe voorzitter. Gaat het beschikbaar komen van de functie van voorzitter gepaard met het openvallen van een plaats in het algemeen bestuur, dan zal het algemeen bestuur het kiezen van een nieuwe voorzitter uitstellen totdat de opengevallen plaats in het algemeen bestuur weer is bezet. Degene die als voorzitter ontslag neemt, blijft zijn functie waarnemen totdat een opvolger de functie heeft aanvaard.

5De leden 3 en 4 van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangend voorzitter.

Artikel 17. Taken en bevoegdheden

1De voorzitter is zowel voorzitter van het algemeen bestuur als van het dagelijks bestuur.

2Hij is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.

3Hij tekent de stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan.

4Het dagelijks bestuur kan besluiten de voorzitter toe te staan ondertekening van de stukken die van dit bestuur uitgaan op te dragen aan een ander lid van dit bestuur, aan de secretaris of aan een andere ambtenaar van het samenwerkingsverband.

5De voorzitter vertegenwoordigt het samenwerkingsverband in en buiten rechte. Hij kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen gemachtigde.

Hoofdstuk 6. Commissies

Artikel 18. Commissies van advies

Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter kunnen commissies van advies instellen, zulks met inachtneming van artikel 24, 24a en 25 van de Wgr.

Artikel 19. Bestuurscommissies

1Het algemeen bestuur kan commissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen.

2Het algemeen bestuur gaat niet over tot het instellen van een commissie als bedoeld in het eerste lid dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten van dit voornemen op de hoogte zijn gesteld en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen.

3Het algemeen bestuur regelt met inachtneming van artikel 24, 24a en 25 van de Wgr debevoegdheden en samenstelling van de bestuurscommissies.

Hoofdstuk 7. Informatie, verantwoording en ontslag

Artikel 20. Dagelijks bestuur en (plaatsvervangend) voorzitter ten opzichte van het algemeen bestuur

1De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur.

2Zij geven ongevraagd en met toepassing van artikel 19a van de Wet aan het algemeen bestuur alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is, tenzij strijdig met het openbaar belang.

3Zij geven - tezamen dan wel afzonderlijk - aan het algemeen bestuur wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoekt, alle gevraagde inlichtingen, conform het reglement van orde van het algemeen bestuur.

4Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit.

5Het bepaalde in het eerste tot en met het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter voor het door hem gevoerde bestuur.

Artikel 21. Algemeen en dagelijks bestuur ten opzichte van de raden

1Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter geven aan de raden van de deelnemende gemeenten ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is, tenzij strijdig met het openbaar belang.

2Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken aan de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen die door een of meer leden van die raden worden verlangd, tenzij strijdig met het openbaar belang.

Artikel 22. Leden algemeen bestuur ten opzichte van de raden

1Een lid van het algemeen bestuur verschaft de raad die hem als lid heeft aangewezen met inachtneming van artikel 16 van de Wet alle inlichtingen, die door die raad of door een of meer leden van die raad worden verlangd en wel op de in het reglement van orde voor de vergaderingen van die raad aangegeven wijze.

2Alvorens de gevraagde inlichtingen zoals bedoeld in het eerste lid te verstrekken, kan het lid zich daarover laten adviseren door het dagelijks bestuur.

3Een lid van het algemeen bestuur is de raad die hem als lid heeft aangewezen met inachtneming van artikel 16 van de Wet verantwoording verschuldigd voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid en wel op de in het reglement van orde voor de vergaderingen van die raad aangegeven wijze.

4Een lid van het algemeen bestuur kan, onverminderd het bepaalde in de artikel 9 van deze regeling, door de raad die hem heeft aangewezen worden ontslagen, indien dit lid het vertrouwen van die raad niet meer bezit.

Hoofdstuk 8. Reglement van orde

Artikel 23. Reglement van orde algemeen bestuur

1Het algemeen bestuur stelt met inachtneming van de artikelen 22 en 23 van de Wet voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast.

2In het reglement van orde worden onder meer regels gegeven omtrent de wijze van het verstrekken van inlichtingen en het afleggen van verantwoording als bedoeld in de artikelen 20 tot en met 22 van deze regeling.

Artikel 24. Reglement van orde dagelijks bestuur

Het dagelijks bestuur kan een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vaststellen, dat aan het algemeen bestuur wordt overgelegd.

Hoofdstuk 9. Personeel

Artikel 25. De secretaris en de directeur

1Tot het personeel van het samenwerkingsverband behoren de secretaris en de directeur. Het dagelijks bestuur beslist over de benoeming, de schorsing en het ontslag van de secretaris en de directeur. Deze functies zijn onverenigbaar. De secretaris en de directeur worden bij verhindering of ontstentenis vervangen op een door het dagelijks bestuur te bepalen wijze.

2De secretaris is het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter behulpzaam in alles wat de hen opgedragen taak aangaat. Artikel 33, eerste lid en 103 Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.

3Door de secretaris worden alle stukken die van het algemeen en van het dagelijks bestuur uitgaan, medeondertekend.

4De directeur is onder toezicht van het dagelijks bestuur verantwoordelijk voor de administratie, het beheer van vermogenswaarden en het jaarlijks opmaken van de rekening.

5Het dagelijks bestuur stelt voor de directeur een instructie vast.

Artikel 26. Rechtspositie personeel

1Het dagelijks bestuur kan, naast de in artikel 25 genoemde secretaris en directeur, met inachtneming van de door het algemeen bestuur te stellen regels, verdere personeelsleden aanstellen.

2Het dagelijks bestuur regelt de bezoldiging van de secretaris, de directeur en het eventuele overige personeel van het samenwerkingsverband, al dan niet werkzaam op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

3Op de secretaris, de directeur en de eventuele overige ambtenaren van het samenwerkingsverband en op het eventuele overige personeel werkzaam op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht zijn van overeenkomstige toepassing de door de gemeente ’s-Hertogenbosch vastgestelde of nog vast te stellen regelingen van de rechtspositie en van de arbeidsvoorwaarden met de daaruit voortvloeiende uitvoeringsvoorschriften.

4Bij de uitvoering van de in het derde lid bedoelde regelingen en voorschriften treden in de plaats van de organen en functionarissen van de gemeente ’s-Hertogenbosch, de overeenkomstige organen en functionarissen van het samenwerkingsverband.

Artikel 27. Detachering en overeenkomsten van opdracht

1Indien het samenwerkingsverband een detacheringovereenkomst - met inachtneming van de door het algemeen bestuur te stellen regels - aangaat waarbij personeel in dienst van de deelnemende gemeenten wordt gedetacheerd bij het samenwerkingsverband, worden in deze overeenkomst bepalingen opgenomen inzake het functionele werkgeverschap, de rechtspositie en de kosten.

2Indien het samenwerkingsverband een overeenkomst van opdracht aangaat, worden in deze overeenkomst bepalingen opgenomen over de met de uitvoering gepaard gaande kosten.

Hoofdstuk 10. Vergoedingen

Artikel 28.

1Het algemeen bestuur kan, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 21 en 25 van de Wet, voor de leden van een commissie als bedoeld in artikel 19 van deze regeling, die niet de functie van burgemeester, wethouder of gemeentesecretaris vervullen, een regeling inzake de vergoeding van hun werkzaamheden respectievelijk een tegemoetkoming in de kosten vaststellen.

2Het algemeen bestuur kan met inachtneming van artikel 24 van de Wet voor de leden van een commissie als bedoeld in artikel 18 van deze regeling, die niet de functie van burgemeester, wethouder, of raadslid vervullen een regeling inzake de vergoeding voor het bijwonen van vergadering vaststellen.

3Het bepaalde in de vorige leden is niet van toepassing op ambtenaren die als zodanig tot lid van een commissie zijn benoemd.

4De in het eerste en tweede lid bedoelde regelingen worden aan gedeputeerde staten gezonden.

Hoofdstuk 11. Beleidsplan

Artikel 29. Inhoud

1Het algemeen bestuur stelt een beleidsplan vast waarin het beleid dat het bestuur van het samenwerkingsverband voornemens is uit te voeren, in grote lijnen wordt aangegeven. Het algemeen bestuur kan een of meer onderdelen van het beleidsplan afzonderlijk vaststellen.

2In het beleidsplan worden in ieder geval voorstellen gedaan over

a.de wijze, het tempo alsmede de te verwachten resultaten van realisatie van de in artikel 4 van deze regeling genoemde doelstelling, te onderscheiden naar doelstelling, ontwikkeling- en exploitatiefase en beheerfase;

b.de afstemming met het door de deelnemende gemeenten te voeren beleid met betrekking tot de ontwikkeling van in de gemeenten gelegen en/of geplande bedrijventerreinen;

c.de afstemming van het door de deelnemende gemeenten te voeren ruimtelijk, economisch en milieubeleid in relatie tot de ontwikkeling en realisatie van bedrijventerreinen.

3Het beleidsplan beslaat steeds een periode van vier jaren, te rekenen vanaf het eerste jaar volgende op het jaar van vaststelling. Het beleidsplan wordt jaarlijks herzien. Het bepaalde in dit hoofdstuk is ten aanzien van de herziening van overeenkomstige toepassing.

Artikel 30. Totstandkoming

De totstandkoming van het beleidsplan geschiedt op overeenkomstige wijze als in artikel 32, eerste tot en met vijfde lid, van deze regeling, voor de begroting is aangegeven.

Hoofdstuk 12. Financiële bepalingen

Artikel 31. Organisatie administratie en controle

1Het algemeen bestuur stelt bij verordening regels vast met betrekking tot de organisatie van de administratie en van het beheer van vermogenswaarden. Op deze regels zijn de artikelen 212 tot en met 214 van de Gemeentewet, van overeenkomstige toepassing.

2Het algemeen bestuur stelt bij verordening regels vast met betrekking tot de controle op de administratie en op het beheer van vermogenswaarden. Op deze regels zijn de artikelen 213 en 214 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 32. Begrotingsprocedure

1Het dagelijks bestuur zendt jaarlijks vóór 30 april een ontwerpbegroting van het samenwerkingsverband voor het komende kalenderjaar, vergezeld van een behoorlijke toelichting en voorzien van een beschrijving van de algemene financiële en beleidsmatige kaders, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten.

2De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de besturen van de deelnemende gemeenten voor eenieder ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld.

3De raden van de deelnemende gemeenten kunnen binnen twaalf weken na toezending van de ontwerpbegroting bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijzen zijn vervat, bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

4Het algemeen bestuur stelt de begroting vast vóór 15 september van het jaar, voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor de begroting moet dienen.

5Terstond na de vaststelling zendt het algemeen bestuur de begroting aan de raden van de deelnemende gemeenten.

6Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september aan gedeputeerde staten.

7In de begroting wordt aangegeven het naar raming bepaalde batig of nadelig saldo. Het bepaalde in artikel 34 van deze regeling is van overeenkomstige toepassing.

8Het bepaalde in dit artikel is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, zulks met inachtneming van het bepaalde in het negende lid.

9Het bepaalde in het derde lid van dit artikel is niet van toepassing op begrotingswijzigingen die:

a.niet leiden tot overschrijding van het totaalbedrag van de lasten en/of baten van de begroting, en

b.niet leiden tot een daling van het geraamde batige saldo, dan wel een stijging van het nadelig saldo.

Artikel 33. Jaarrekening

1Het dagelijks bestuur biedt de voorlopige jaarrekening over het afgelopen jaar, onder toevoeging van een verslag van het onderzoek naar de deugdelijkheid van de jaarrekening, ingesteld door de krachtens artikel 31, tweede lid van deze regeling aangewezen deskundigen, en van hetgeen het dagelijks bestuur te zijner verantwoording dienstig acht, met alle bijbehorende bescheiden jaarlijks voor 30 april ter vaststelling aan het algemeen bestuur aan onder gelijktijdige toezending aan de besturen van de deelnemende gemeenten.

2Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarrekening zonder uitstel en stelt de rekening vast voor 1 juli, volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. Van de vaststelling doet het dagelijks bestuur mededeling aan de raden van de deelnemende gemeenten.

3Zij wordt binnen twee weken, doch in ieder geval vóór 15 juli, met alle bijbehorende stukken aan gedeputeerde staten aangeboden.

4Décharge van het dagelijks bestuur wordt verstrekt bij vaststelling van de jaarrekening door het algemeen bestuur, behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden.

5In de rekening wordt het werkelijke batige of nadelige saldo opgenomen. Het bepaalde in artikel 34 van de regeling is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 34. Risicoverdeling

1Het algemeen bestuur beslist, of een batig saldo van de begroting of rekening van baten en lasten:

a.geheel of gedeeltelijk zal worden toegevoegd aan (bestaande) reserve, en/of

b.geheel of gedeeltelijk aan de deelnemende gemeenten zal worden uitgekeerd.

2Het algemeen bestuur beslist, onverminderd het bepaalde artikel 35 van deze regeling,of een nadelig saldo van de begroting of rekening van baten en lasten:

a.geheel of gedeeltelijk ten laste van de volgende dienstjaar zal worden gebracht, en/of

b.geheel of gedeeltelijk ten laste van de bestaande reserves zal worden gebracht, en/of

c.geheel of gedeeltelijk ten laste van de deelnemende gemeenten zal worden gebracht.

3Indien sprake is van een verdeling van enig batig saldo ten gunste van de deelnemende gemeenten dan wel van enig nadelig saldo ten laste van de deelnemende gemeenten geschiedt de verdeling als volgt:

•58% van het batig/nadelig saldo komt ten gunste/laste van de gemeente 's-Hertogenbosch;

•30% van het batig/nadelig saldo komt ten gunste/laste van de gemeente Oss;

•12% van het batig/nadelig saldo komt ten gunste/laste van de gemeente Bernheze;

4Het uiteindelijke batig/nadelig saldo van de exploitatie van het samenwerkingsverband wordt bepaald met inachtneming van de financiële resultaten van het in voorkomende gevallen door het samenwerkingsverband te voeren (privaatrechtelijk)kostenverhaalbeleid en met inachtneming van de financiële resultaten voortvloeiende uit de rechtstreeks door de deelnemende gemeenten op grond van Wro verhaalde kosten.

Artikel 35. Voldoen aan verplichtingen

1De deelnemende gemeenten zullen er steeds zorg voor dragen dat het samenwerkingsverband te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al haar verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

2Indien aan het algemeen bestuur van het samenwerkingsverband blijkt dat een deelnemende gemeente weigert deze uitgave op de gemeentebegroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet, geldend ten tijde van het aangaan van de gemeenschappelijke regeling.

Hoofdstuk 13. Archief

Artikel 36.

1Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de bestuursorganen, ingesteld bij deze regeling overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen regeling, die aan gedeputeerde staten moet worden meegedeeld.

2De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden.

3Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de in deze regeling genoemde organen wijst het algemeen bestuur een archiefbewaarplaats aan.

4Na opheffing van de gemeenschappelijke regeling worden de in lid 3 bedoelde archiefbescheiden overgebracht naar de alsdan door het algemeen bestuur aangewezen archiefbewaarplaats.

Hoofdstuk 14. Uittreding, wijziging en opheffing

Artikel 37. Wijziging en toetreding

1Het dagelijks bestuur en/of de raad van een deelnemende gemeente kan een voorstel doen aan het algemeen bestuur tot wijziging van de regeling.

2Indien het algemeen bestuur wijziging van de regeling wenselijk acht, doet het dagelijks bestuur het door het algemeen bestuur vastgestelde voorstel toekomen aan de raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van de deelnemende gemeenten.

3Een wijziging is tot stand gekomen, wanneer de raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters, en met inachtneming van het bepaalde in artikel 1 van de Wet, van de meerderheid van het aantal deelnemende gemeenten met het voorstel van het algemeen bestuur hebben ingestemd.

Het bepaalde in de vorige volzin leidt uitzondering, indien de wijziging van de regeling betrekking heeft op de inhoud van artikel 10, vijfde lid en/of artikel 14, vierde lid van de regeling, in welke gevallen een wijziging van de regeling eerst tot stand is gekomen wanneer de raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters, met inachtneming van het bepaalde in artikel 1 van de Wet, van alle deelnemende gemeenten met het voorstel van het algemeen bestuur hebben ingestemd.

4De wijziging treedt in werking terstond nadat de bekendmaking zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet heeft plaatsgevonden. Het bepaalde in artikel 41 tweede lid van deze regeling is van overeenkomstige toepassing.

5Toetreding tot de regeling is alleen mogelijk door wijziging van deze regeling.

Artikel 38. Uittreding respectievelijk opheffing

1Een deelnemende gemeente kan gedurende de duur van de regeling, behoudens en uitsluitend in de situatie zoals bedoeld in artikel 40 van de regeling niet tussentijds uittreden.

2Een deelnemende gemeente kan, in de situatie zoals bedoeld in lid 1, uittreden uit deze regeling middels een daartoe strekkend besluit van de raad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester, een en ander met inachtneming van artikel 1 van de Wet. Een afschrift van de besluiten tot uittreding van een deelnemer wordt zo spoedig mogelijk toegezonden aan het algemeen bestuur, alsmede aan de raden van de overige deelnemende gemeenten. Een besluit tot uittreding leidt tot een wijziging van deze regeling. Daarnaast wordt financiële schade die door de uittreding is toegebracht, aan de uittredende gemeente(n) in rekening gebracht. Onder “financiële schade” wordt verstaan het financieel nadeel of verlies dat voor het samenwerkingsverband en/of voor een of meerdere deelnemende, niet-uittredende, gemeenten uit een uittreding voortvloeit, bestaande uit vermogensschade, zoals bedoeld in artikel 6:96 BW. Het samenwerkingsverband, de (achterblijvende) deelnemende gemeenten en de uittredende gemeente vragen gezamenlijk advies aan een onafhankelijke externe deskundige voor de vaststelling van de schade zoals bedoeld in de vorige volzin. Het advies van deze deskundige is voor partijen bindend.

De kosten van het inschakelen van de deskundige zijn voor rekening van de uittredende gemeente.

3De regeling wordt opgeheven wanneer de in artikel 37 lid 3 bedoelde bestuursorganen van de volstrekte meerderheid van het aantal deelnemende gemeenten, al dan niet krachtens een voorstel van het algemeen bestuur, daartoe en met inachtneming van artikel 1 van de Wet besluiten. Het bepaalde in artikel 37, lid 4 van de regeling is van overeenkomstige toepassing.

4In geval van opheffing is het bepaalde in artikel 39 van de regeling van toepassing.

Artikel 39. Liquidatie

1In geval van opheffing van de regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt daarvoor het noodzakelijke liquidatieplan op. Hierbij kan van de bepalingen van de regeling, doch niet van het gestelde in artikel 34 derde lid van deze regeling, worden afgeweken.

2Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, de raden van de gemeenten gehoord, vastgesteld. Gedeputeerde staten dienen een vastgesteld liquidatieplan goed te keuren.

3Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de beëindiging heeft voor het personeel als bedoeld in hoofdstuk 9 van deze regeling.

4Het liquidatieplan geeft regels voor de wijze waarop de deelnemende gemeenten, voor zover het saldo ontoereikend is, zorg dragen voor de nakoming van de verplichtingen van het samenwerkingsverband.

5Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie.

6Zo nodig blijven de bestuursorganen van het samenwerkingsverband na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie is voltooid.

7Een liquiditeitsplan voorziet in de verplichting van de deelnemende gemeenten alle rechten en verplichtingen van het samenwerkingsverband over de deelnemende gemeenten te verdelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 34 van de regeling.

Artikel 40. Evaluatie

1Voordat de grondexploitatie is afgerond gaat het algemeen bestuur in samenwerking met de raden van de deelnemende gemeenten over tot evaluatie van deze regeling. De grondexploitatie is afgerond indien en voor zover er 95% van de uitgeefbare kavels is verkocht, of in erfpacht is uitgegeven.

2Het doel van de evaluatie is terug te blikken op de wijze van samenwerking tijdens de grondexploitatiefase en na te gaan of en zo ja, op welke wijze, de samenwerking gedurende de dan nog niet gestarte permanente beheerfase zal worden voortgezet. De evaluatie gebeurt onder regie van het algemeen bestuur.

3De resultaten van de evaluatie worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur op te stellen voorstel tot een evaluatieplan. In het evaluatieplan wordt tevens vastgelegd of en zo ja, op welke wijze deze regeling zal worden voortgezet tijdens de permanente beheerfase.

4Ingeval de uitkomst van de evaluatie is dat de samenwerking wordt beëindigd voorziet het evaluatieplan in een opheffing van deze regeling.

5Het door het algemeen bestuur opgestelde voorstel tot een evaluatieplan heeft de kracht van een voorstel, gericht aan de raden van de deelnemende gemeenten. Een evaluatieplan is vastgesteld indien de raden van alle deelnemende gemeenten daartoe hebben besloten. Een afschrift van het betreffende raadsbesluit wordt zo spoedig mogelijk toegezonden aan het algemeen bestuur en de overige deelnemende gemeenten.

6In het geval het evaluatieplan niet wordt vastgesteld, wordt door het algemeen bestuur binnen twee maanden een voorstel tot opheffing van deze regeling, zoals bedoeld in artikel 38, derde lid, aan de raden van de deelnemende gemeenten, voorgelegd. Het bepaalde in artikel 38, vierde lid en verder is van overeenkomstige toepassing.

7Indien in de situatie, zoals bedoeld in lid 5 van deze bepaling, niet wordt besloten tot opheffing, heeft een deelnemende gemeente de mogelijkheid van tussentijdse uittreding. Het bepaalde in artikel 38 is van overeenkomstige toepassing.

8In afwijking van het bepaalde in de eerste en tweede volzin kan het algemeen bestuur, na ontvangst van een besluit tot uittreding, besluiten dat een besluit tot opheffing van deze regeling in de plaats treedt van een uittreding. Het bepaalde in lid 5 is van overeenkomstige toepassing. Indien niet wordt besloten tot opheffing, vindt effectuering van het besluit tot uittreding plaats op de wijze zoals vastgelegd in artikel 38, tweede lid.

Hoofdstuk 15. Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 41. Inwerkingtreding/toezending aan gedeputeerde staten

1De regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na bekendmaking overeenkomstig artikel 26 van de Wet.

2Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss draagt zorg voor de in artikel 26 eerste lid van de Wet voorgeschreven toezending aan gedeputeerde staten.

Artikel 42. Duur van de regeling

De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

Artikel 43. Eerste maal benoeming leden algemeen bestuur, dagelijks bestuur en (plaatsvervangend) voorzitter

1Voor zover van belang, in afwijking van artikel 9, lid 5 van deze regeling geschiedt de aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur voor de eerste zittingsperiode binnen één maand na de inwerkingtreding van deze regeling.

2Voor zover van belang, in afwijking van artikel 16, lid 4 en 5 van deze regeling geschiedt de aanwijzing van de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter voor de eerste zittingsperiode in de eerste vergadering van het algemeen bestuur.

3Voor zover van belang, in afwijking van artikel 13, lid 4 van deze regeling geschiedt de aanwijzing van de resterende leden van het dagelijks bestuur voor de eerste zittingsperiode in de eerste vergadering van het algemeen bestuur, zulks nadat de aanwijzing van de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter heeft plaatsgevonden.

Artikel 44. Eerste begroting, beleidsplan en jaarrekening

1De begroting wordt voor de eerste maal vastgesteld voor de periode aanvangende op de dag waarop de regeling in werking treedt, tot het einde van het kalenderjaar dan wel, indien het algemeen bestuur daartoe besluit, tot het einde van het daaropvolgende kalenderjaar.

2Het beleidsplan wordt voor de eerste maal vastgesteld voor de periode aanvangende op de dag waarop de regeling in werking treedt. Het einde van de eerste planperiode wordt, met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid, door het algemeen bestuur bepaald.

3De eerste jaarrekening heeft betrekking op de periode waarvoor de eerste begroting geldt.

Artikel 45. Citeertitel

De regeling wordt aangehaald als "Gemeenschappelijke regeling Heesch West".

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.