Gemeentelijke regelgeving

Besluit nadere regels Maatschappelijke Ondersteuning Renswoude

Gemeente Renswoude · geldt sinds 8 juni 2021

Aanhef

Vastgesteld op 18 mei 2021 door het College van burgemeesters en wethouders van de gemeente Renswoude.

Inleiding

Vanaf 2015 is de Wet maatschappelijke ondersteuning ingrijpend veranderd. De Wmo 2015 gaat uit van de eigen verantwoordelijkheid van mensen om hun vragen en beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid thuis en maatschappelijke participatie op te lossen, daarnaast wordt uitgegaan van de verantwoordelijkheid van gemeenten om aanvullende ondersteuning te bieden waar nodig.

In de Verordening maatschappelijke ondersteuning geeft de gemeente Renswoude zijn juridische kaders voor invulling van de Wmo in Renswoude aan. Deze verordening is door de gemeenteraad vastgesteld vanuit zijn kaderstellende bevoegdheid.

In onderhavig Besluit maatschappelijke ondersteuning zijn de rechten en plichten van de betrokkenen bij de uitvoering van deze wet verder ingevuld. Onderdelen van de wet die in de verordening afdoende zijn beschreven komen niet terug in de regels. Zowel de rechten en plichten van de gemeente in de uitvoering van de Wmo staan omschreven, als de rechten en plichten van inwoners en andere betrokkenen.

In dit document worden eerst de nadere regels en beleidsregels maatschappelijke ondersteuning beschreven. De Toelichting neemt de lezers mee in het denkkader van het college.

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1 - Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

1accommodatie voor beschermd wonen: een door de instelling bestemde ruimte voor het bieden van de noodzakelijke ondersteuning en bijbehorend toezicht, waaronder de ruimte die is bedoeld voor wonen. Onder noodzakelijk verblijf wordt de beschermende woonomgeving verstaan met (in overwegende mate) 24-uurs toezicht en beschikbaarheid van ondersteuning/begeleiding en zo nodig hotelmatige diensten die door de instelling in de accommodatie wordt geboden.

2aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren.

3aanvraag: verzoek om een maatwerkvoorziening van een belanghebbende aan het college waarop een besluit wordt gevraagd, nadat het onderzoek conform artikel 2.3.2 van de wet is afgerond binnen 6 weken, dan wel nadat door het college verzuimd is dit onderzoek binnen 6 weken af te ronden.

4algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder dan vergelijkbare producten.

5algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie, of op opvang.

6belanghebbende (artikel 1:2, eerste lid, Awb): degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

7beschermd wonen: wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van: zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

8bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet. 8.

9budgetplan: een overzicht van de door de cliënt voorgenomen besteding van het te verlenen persoonsgebonden budget.

10budgetperiode: betalingsperiode van het persoonsgebonden budget (is gelijk aan de periode die het CAK hanteert voor inning van eigen bijdragen).

11CAK: het CAK, genoemd in artikel 48, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

12cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet.

13college: college van burgemeester en wethouders.

14eenmanszaak: onderneming geleid door en eigendom van één persoon.

15gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.

16gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet.

17HHM-normenkader: tijdsnormering voor schoonmaakondersteuning, die ontwikkeld is door bureau HHM (2019) en is gebaseerd op onafhankelijk en objectief onderzoek.

18hulpmiddel: roerende zaak die bedoeld is om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen.

19individuele begeleiding: maatwerkvoorziening die activiteiten omvat voor en met cliënten met beperkingen ten gevolge van een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of een verstandelijke of lichamelijke beperking en is gericht op het bevorderen, het behoud of het compenseren van zelfredzaamheid van de cliënt.

20logeeropvang: opvang gericht op respijtzorg, bedoeld om overbelasting bij mantelzorgers te voorkomen of te verminderen.

21Dorpsteam / lokaal team: het team in Renswoude wat de toegang geeft tot jeugdhulp en ondersteuning vanuit de Wmo.

22maatschappelijke ondersteuning:

a.bevorderen van de sociale samenhang, mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld;

b.ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psycho-sociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving;

c.bieden van beschermd wonen en opvang.

23maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: a) ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen; b) ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen; c) ten behoeve van beschermd wonen en opvang.

24mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.

25melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet.

26niet-professionele ondersteuner: iemand die:

•aan een ouder of familielid zorg levert, ook als diegene hiervoor gediplomeerd, BIG-geregistreerd is, of ingeschreven is bij de Kamer van Koophandel, of;

•niet beschikt over een zogenaamde BIG-registratie, of over een inschrijving bij de Kamer van Koophandel.

27ondersteuningsplan: een door de aanbieder van individuele en groepsondersteuning in overleg met de cliënt opgesteld document waarin is aangegeven welke activiteiten worden uitgevoerd en met welke beoogde doelen.

28opvang (als bedoeld in de definitie van de wet): onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

29participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer.

30persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid onderdeel a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen.

31persoonsgebonden budget (pgb): bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken.

32persoonsgegevens, verwerking van persoonsgegevens, bestand, verantwoordelijke en bewerker: in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) staat vermeld wat hieronder wordt verstaan.

33professionele zorgaanbieder: een zorgorganisatie die voldoet aan de kwaliteitseisen zoals gesteld in het aanbestedingsbestek van de gemeenten Veenendaal en Renswoude.

34Respijtzorg – vervangende mantelzorg: de mogelijkheid voor mantelzorgers om hun zorgtaken tijdelijk aan een ander over te dragen om overbelasting te voorkomen of te verminderen en hij of zij even tijd voor zichzelf heeft. Daardoor kunnen de mantelzorgers de zorg beter volhouden.

35sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt.

36verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning Renswoude.

37voorliggende voorziening: een voorziening anders dan ingevolge de wet, niet op grond van een wettelijke bepaling waarmee het resultaat geheel of gedeeltelijk bereikt kan worden.

38voorziening: algemene voorziening of maatwerkvoorziening.

39wet: Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015

40wlz: wet langdurige zorg, deze wet vervangt per 2015 de Algemene Wet Bijzondere ziektekosten (AWBZ).

41woningaanpassing: bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte.

42zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

43zvw: zorgverzekeringswet.

Hoofdstuk 2. Procedure

Artikel 2 - Melding ondersteuningsvraag

1Een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan door of namens een cliënt worden gemeld bij het Lokaal team. Dit kan schriftelijk, digitaal of op het spreekuur.

2Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk, telefonisch of digitaal binnen 5 werkdagen na ontvangst.

3In de ontvangstbevestiging wordt aan de melder medegedeeld dat hij of zij de mogelijkheid heeft om binnen 7 dagen na de melding een persoonlijk plan te overhandigen.

4In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet, treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Zorgaanbieders zijn gemachtigd indien nodig tijdelijk ondersteuning in te zetten voor de melding, waarbij de zorgaanbieder binnen 24 uur de bevoegd ambtenaar op de hoogte stelt van de inzet.

5Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger vóór het onderzoek op de mogelijkheid om, gedurende het hele proces van melding tot en met de eventuele inzet van ondersteuning, gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 3 - Vooronderzoek, indienen persoonlijk plan

1Het Lokaal Team verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.

2a) Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover de cliënt redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

b) De cliënt dient te beschikken over een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Beschikt de cliënt niet over een geldig identificatiedocument, dan kan deze lopende het onderzoek aangevraagd en overgelegd worden.

3Als de cliënt genoegzaam bekend is bij het college (de in het eerste en tweede lid genoemde gegevens zijn bekend en er is geen wijziging in diens leefsituatie), kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.

4Gedurende zeven dagen na de melding kan de cliënt aan het college een persoonlijk plan overhandigen als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4, onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen.

Artikel 4 - Gesprek

1Het college onderzoekt in een gesprek tussen de Wmo-consulent en degene door wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

a.de ondersteuningsbehoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;

b.of het verzoek om ondersteuning tot zelfredzaamheid, participatie, opvang of beschermd wonen leidt; Besluit nadere regels Maatschappelijke Ondersteuning, gemeente Renswoude Pagina 10 van 37 c) de mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met algemene voorzieningen de zelfredzaamheid of de participatie te handhaven of te verbeteren, zodat de cliënt zo min mogelijk een beroep hoeft te doen op een maatwerkvoorziening;

c.de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit het sociaal netwerk te komen tot verbetering van de zelfredzaamheid of participatie, zodat de cliënt zo min mogelijk een beroep hoeft te doen op een maatwerkvoorziening;

d.de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

e.de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in de toelichting, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van de zelfredzaamheid of participatie, zodat de cliënt zo min mogelijk een beroep hoeft te doen op een maatwerkvoorziening;

f.de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning;

g.de wijze waarop de zelfredzaamheid en participatie, al dan niet door middel van het verstrekken van een maatwerkvoorziening, kan worden versterkt;

h.welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet, verschuldigd zal zijn;

i.de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt wordt ingelicht over de gevolgen van deze keuze.

2Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2 tweede lid van de wet, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het gesprek, bedoeld in het eerste lid.

3Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en over de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.

4Als de ondersteuningsvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in goed overleg met de cliënt, afzien van een gesprek.

Artikel 5 - Verslag

1Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. Het verslag wordt verstuurd binnen de in de wet gestelde termijn van zes weken na melding.

2Na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek.

3Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd.

Artikel 6 - Aanvraag

1Een aanvraag kan pas worden ingediend nadat het onderzoek, als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet heeft plaatsgevonden binnen zes weken na melding.

2Het college neemt een besluit op de aanvraag binnen de in de wet gestelde termijn van twee weken.

3Een cliënt, zijn gemachtigde of vertegenwoordiger, kan schriftelijk een aanvraag om een maatwerkvoorziening indienen bij het college:

a.door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier of;

b.door middel van ondertekening van het onderzoeks- cq. gespreksverslag.

Hoofdstuk 3. Algemeen gebruikelijke voorziening

Artikel 7 - Een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel als algemeen gebruikelijk

Tijdens het onderzoek, na een melding, aan de hand van de hieronder genoemde vier punten beoordeelt het college of algemene gebruikelijke zaken of diensten tot de mogelijkheden behoort van de cliënt als deze:

a.Niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;

b.Daadwerkelijk beschikbaar is;

c.Een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is; en,

d.Financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.

Hoofdstuk 4. Schoonmaakondersteuning

Artikel 8 - Schoonmaakondersteuning als maatwerkvoorziening

1Voor eenvoudige ondersteuning op huishoudelijk gebied kan een maatwerkvoorziening schoonmaakondersteuning worden toegekend.

2Het resultaat van de maatwerkvoorziening schoonmaakondersteuning is in de basis een schoon en leefbaar huis. Wanneer het als gevolg van de (medische) beperkingen van de cliënt noodzakelijk is, worden bovenop de basisondersteuning meer schoonmaakminuten ingezet. Het gaat dan bijvoorbeeld om een hoger niveau van hygiëne of - schoonhouden realiseren en het beschikken over schone kleding.

3Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Een schoon en leefbaar huis betekent dat er gebruik gemaakt moet kunnen worden van een schone woonkamer, slaapvertrek(ken), keuken, sanitaire ruimte(s) en gang/trap. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maakt geen onderdeel uit van de maatwerkvoorziening schoonmaakondersteuning.

4Het college stelt de indicatie vast op basis van het HHM-normenkader.

Hoofdstuk 5. Woonvoorzieningen

Artikel 9 - Woonvoorziening als maatwerkvoorziening

Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen.

Artikel 10 - Vormen van een woonvoorziening

De volgende woonvoorzieningen zijn mogelijk:

1Niet-bouwkundige woonvoorzieningen, zoals douchehulpmiddelen, tilliften en trapliften.

2Bouwkundige woningaanpassingen, zoals een verbouwing of aanbouw. Bij verbouwing of aanbouw gelden de volgende elementen:

a.De aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening. Indien de voorziening door de bewoner(s) zelf wordt getroffen dan vervalt de post loonkosten en komen alleen de materiaalkosten voor vergoeding in aanmerking.

b.De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de risicoregeling woning- en utiliteitsbouw (RWU 1991).

c.Het architectenhonorarium tot ten hoogste 10 procent van de aanneemsom (inclusief BTW) voor zover het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing wordt ingeschakeld.

d.De leges voor de bouwvergunning, voor zover de bouwvergunning betrekking heeft op het treffen van de voorziening.

e.De verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting.

f.De door het college (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn.

g.De kosten in verband met noodzakelijk en technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing.

h.De kosten van (her)aansluiting op de openbare nutsvoorziening.

i.Het aantal m2 verhard pad tussen de openbare weg en de plaats waar toegang is tot de aangebrachte voorziening;

j.Dit alles is op basis van individueel maatwerk, uitgaande van de individuele situatie.

3Bezoekbaar / logeerbaar maken van een woning.

Een woonvoorziening kan getroffen worden voor de meerkosten van het bezoekbaar /logeerbaar maken van één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling.

Het bedrag dat verstrekt wordt bij het bezoekbaar / logeerbaar maken van een woning voor een cliënt die in een instelling verblijft en die de indicatie voor langdurig verblijf heeft verzilverd betreft maximaal € 2.900,-.

4Verhuizen: indien het college vaststelt dat een cliënt in verband met zijn beperkingen het beste kan verhuizen naar een geschikte woning, omdat de bestaande woning niet of moeilijk aangepast kan worden of de kosten hiervoor hoger dan € 15.000 zijn, kan een verhuisvergoeding van maximaal € 2.850,- verstrekt worden.

Artikel 11 - Terugbetaling bouwkundige woningaanpassing bij verkoop

1Wanneer een woning binnen 10 jaar na gereedmelding van de woningaanpassing wordt verkocht, wordt de meerwaarde van de woning als gevolg van de aangebrachte woonvoorziening terugbetaald volgens onderstaand afschrijvingsschema:

a.Jaar 1 en 2: 100% van de meerwaarde;

b.Jaar 3 en 4: 80% van de meerwaarde;

c.Jaar 5 en 6: 60% van de meerwaarde;

d.Jaar 7 en 8: 40% van de meerwaarde;

e.Jaar 9 en 10: 20% van de meerwaarde.

2De meerwaarde wordt bepaald op grond van een taxatie door een onafhankelijke taxateur. De taxatiekosten worden vergoed in het kader van de wet.

Hoofdstuk 6. Vervoer

Artikel 12 - Vervoersvoorziening als maatwerkvoorziening

De volgende vervoersvoorzieningen kunnen worden verstrekt als maatwerkvoorziening:

1Kortingspas voor het Collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV):

a.standaard worden 2.500 kilometers per jaar toegekend;

b.op basis van het onderzoek kan binnen de voorziening CVV meer maatwerk geboden worden, mits de geldende contracten met de aanbieder van CVV hiervoor ruimte bieden.

2Indien uit onderzoek blijkt dat een persoon ondersteuning nodig heeft voor lokaal vervoer in het kader van zelfredzaamheid en participatie, dan kan een voorziening worden toegekend zoals een scootmobiel, een aangepaste fiets of een handbike en een reparatie hiervan.

3Vervoer naar en van een groepsgerichte ondersteuning wordt, indien nodig geregeld door de gecontracteerde aanbieder van groepsgerichte ondersteuning, zoals omschreven in artikel 14 van dit Besluit.

Artikel 13 - Criteria Collectief vraagafhankelijk vervoer

1Het gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) is voorliggend aan de andere individuele vervoersvoorzieningen, als het CVV de cliënt naar het oordeel van het college in voldoende mate in staat stelt tot participatie.

2De medische begeleider, waar de cliënt naar het oordeel van het college bij het vervoer op is aangewezen, kan gratis mee reizen.

3De bestemmingsbegeleider, waar de cliënt naar het oordeel van het college bij het vervoer op is aangewezen, reist mee op de kortingspas CVV van cliënt.

Hoofdstuk 7. Rolstoelvoorzieningen

Artikel 14 - Rolstoelvoorziening als maatwerkvoorziening

Een persoon met een beperking kan voor een rolstoel in aanmerking komen wanneer:

a.aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken;

b.hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de zorgverzekeringswet of andere wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden;

c.indien een algemene voorziening niet aanwezig is of niet tot een snelle en adequate oplossing leidt.

Artikel 15 - Sportvoorzieningen

Indien uit onderzoek blijkt dat een persoon ondersteuning nodig heeft voor sporten in het kader van zelfredzaamheid en participatie, kan een PGB van maximaal € 2.750,- worden toegekend. Dit bedrag is bedoeld als tegemoetkoming in de aanschaf, onderhoud, reparatie en verzekering van de sportvoorziening voor de periode van drie jaar. Daarbij gelden de volgende voorwaarden:

a.de cliënt is aantoonbaar lid van een sportvereniging waar de voorziening nodig voor is.

b.de cliënt kan aantonen dat de sportvoorziening nodig is om te kunnen participeren.

c.de client gaat/ neemt in de praktijk (actief) deel aan de sportactiviteit waar de sportvoorziening voor nodig is.

Hoofdstuk 8. Begeleiding

Artikel 16 - Vormen van begeleiding

Een voorziening voor begeleiding kan verstrekt worden in de vorm van:

1individuele begeleiding (categorieën licht, midden en zwaar), of;

2groepsgerichte begeleiding (vormen dagbesteding en dagopvang, beiden in categorieën licht, midden en zwaar).

Artikel 17 - Individuele begeleiding

1De inzet van individuele begeleiding leidt tot één of meer resultaten op de volgende ondersteuningsgebieden:

a.Huishouden;

b.Zelfzorg;

c.Relatiemanagement;

d.Post/administratie/financiën; of

e.Uitgebreide ondersteuningsvraaganalyse.

2Individuele begeleiding, categorie licht:

a.Het college stelt de indicatie vast op basis van het HHM-Normenkader.

b.Lichte begeleiding betreft het begeleiden bij het aanbrengen van structuur, c.q. het uitvoeren van regie of het begeleiden bij praktische vaardigheden en handelingen. Er worden taken overgenomen die de cliënt zelf niet meer kan verrichten en die ook niet (meer) kunnen worden aangeleerd. Er is geen intensief toezicht nodig op het functioneren van de cliënt, bijvoorbeeld om het gedrag te kunnen bijsturen of complicaties bij een ziekte te voorkomen. Het ziektebeeld van de cliënt is ook niet dermate complex dat een hoge graad van deskundigheid nodig is voor de omgang met de cliënt.

c.Eenvoudige huishoudelijke taken worden overgenomen en de regie van het huishouden wordt geheel of gedeeltelijk overgenomen.

3Individuele begeleiding, categorie midden

a.Bij begeleiding in de categorie ‘midden’ gaat het om meer complexe ziektebeelden (er zijn zodanige stoornissen en beperkingen dat kennis van het ziektebeeld en deskundigheid in de omgang hiermee noodzakelijk is) of meer complexe activiteiten (er is bijvoorbeeld toezicht en sturing nodig op het psychisch of lichamelijk functioneren van de cliënt, of de cliënt is leerbaar en er kan geoefend worden met het aanbrengen van structuur of uitvoeren van handelingen/vaardigheden).

b.Van de begeleider wordt methodisch handelen verwacht. Hij/zij kan doelgericht werken aan het behalen van een resultaat conform het ondersteuningsplan. Het te behalen doel kan zijn: (gedeeltelijk) herstel, behoud of vertraging in mogelijke achteruitgang van de zelfredzaamheid.

4Individuele begeleiding, categorie zwaar

a.Zware begeleiding wordt ingezet in de meest complexe situaties. Te denken valt hierbij aan de aanwezigheid van ernstige gedragsstoornissen, risicovolle instabiele ziektebeelden, multiprobleemsituaties.

b.Van de begeleider wordt methodisch handelen verwacht, aangepast aan de complexiteit van de ondersteuningsvraag. Hij/zij kan doelgericht werken aan het behalen van een resultaat conform het ondersteuningsplan. Het te behalen doel kan zijn: (gedeeltelijk) herstel, behoud of vertraging in mogelijke achteruitgang van de zelfredzaamheid.

Artikel 18 - Groepsgerichte Begeleiding

1Groepsgerichte begeleiding kent twee vormen, dagbesteding en dagopvang:

a.Dagbesteding is een vorm van groepsgerichte ondersteuning gericht op het structureren van de dag, op praktische begeleiding en op het oefenen van vaardigheden die de zelfredzaamheid bevorderen. De dagbesteding houdt een structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel en methodische aanpak in, waarbij de cliënt actief wordt betrokken en die hem/haar zingeving verleent. Waar het gaat om dagbesteding als(toewerken naar) een passende vorm van maatschappelijke participatie, waar mogelijk naar (betaalde) arbeid of een re-integratietraject, is deze ondersteuning vooral bedoeld voor jongeren vanaf 18 jaar en volwassenen tot 67 jaar, waarbij sprake is van een (definitieve) arbeidsbeperking.

b.Dagopvang is een vorm van groepsgerichte begeleiding gericht op contacten en een betekenisvolle invulling van de dag, waar maatschappelijke participatie buiten de dagopvang niet mogelijk of gewenst is. Het bieden van activiteiten heeft als doel het aanbrengen van structuur, sociale participatie, het zoveel mogelijk handhaven van de zelfredzaamheid en cognitieve capaciteiten en vaardigheden, het voorkomen van sociaal isolement en het ontlasten van mantelzorgers.

2Groepsgerichte begeleiding, categorie licht:

a.Lichte groepsgerichte begeleiding betreft het begeleiden bij het aanbrengen van structuur, c.q. het uitvoeren van regie of het begeleiden bij praktische vaardigheden/handelingen.

b.Er worden taken overgenomen die de cliënt zelf niet meer kan en die ook niet (meer) kunnen worden aangeleerd.

c.Er is geen intensief toezicht nodig op het functioneren van de cliënt, bijvoorbeeld om gedrag te kunnen bijsturen of bijvoorbeeld complicaties bij een ziekte te voorkomen.

d.Het ziektebeeld van de cliënt is ook niet dermate complex dat een hoge graad van deskundigheid nodig is voor de omgang met de cliënt.

3Groepsgerichte begeleiding, categorie midden:

a.Bij groepsgerichte begeleiding in de categorie ‘midden’ gaat het om meer complexe ziektebeelden (er zijn zodanige stoornissen en beperkingen dat kennis van het ziektebeeld en deskundigheid in de omgang hiermee noodzakelijk is) of meer complexe activiteiten (er is bijvoorbeeld toezicht en sturing nodig op het psychisch of lichamelijk functioneren van de cliënt, of de cliënt is leerbaar en er kan geoefend worden met het aanbrengen van structuur of uitvoeren van handelingen/vaardigheden).

b.Van de begeleider wordt methodisch handelen verwacht. Hij/zij kan doelgericht werken aan het behalen van een resultaat conform het ondersteuningsplan. Het te behalen resultaat kan zijn (gedeeltelijk) herstel, behoud of vertraging in mogelijke achteruitgang van de zelfredzaamheid.

4Groepsgerichte begeleiding, categorie zwaar:

a.Zware groepsgerichte begeleiding wordt ingezet in de meest complexe situaties. Te denken valt hierbij aan de aanwezigheid van ernstige gedragsstoornissen, risicovolle instabiele ziektebeelden, multiprobleemsituaties.

b.Van de begeleider wordt methodisch handelen verwacht, aangepast aan de complexiteit van de ondersteuningsvraag. Hij/zij kan doelgericht werken aan het behalen van een resultaat conform het ondersteuningsplan. Het te behalen doel kan zijn: (gedeeltelijk) herstel, behoud of vertraging in mogelijke achteruitgang van de zelfredzaamheid.

Artikel 19 - Vervoer naar en van groepsgerichte begeleiding

1Indien een cliënt die gebruik maakt van groepsgerichte begeleiding niet in staat is zichzelf te vervoeren, kan een voorziening vervoer naar en van groepsgerichte begeleiding worden toegekend.

2Zorgaanbieders die gecontracteerd zijn voor groepsgerichte begeleiding dragen zorg voor het vervoer naar en van de groepsgerichte begeleiding. De randvoorwaarden hiervoor zijn geregeld in de contracten met de zorgaanbieders van groepsgerichte ondersteuning.

Hoofdstuk 9. Respijtzorg - vervangende mantelzorg

Artikel 20 - Respijtzorg – Kortdurend Verblijf

1Respijtzorg-vervangende mantelzorg kan als een tijdelijke ondersteuning van de mantelzorger of van de cliënt worden toegekend.

2Respijtzorg-vervangende mantelzorg is vooral preventief bedoeld ter ontlasting of ter voorkoming van overbelasting van de mantelzorger.

3Respijtzorg-vervangende mantelzorg:

a.is gericht op de mantelzorger van cliënt;

b.kan thuis of buitenshuis plaatsvinden;

c.kan verleend worden door professionals of door vrijwilligers.

Artikel 21 - Logeeropvang

1Indien het in de persoonlijke situatie noodzakelijk is dat de cliënt tijdelijk buiten zijn woon- en leefomgeving moet verblijven (time out), kan het gebruik maken van een logeeropvang worden toegekend.

2Het tarief per etmaal bedraagt max. € 51,00.

Hoofdstuk 10. Persoonsgebonden budget

Artikel 22 - Algemene verplichtingen persoonsgebonden budget

1Het persoonsgebonden budget (pgb) wordt uitsluitend gebruikt voor betaling van het geïndiceerde hulpmiddel, de geïndiceerde aanpassing van een hulpmiddel, de geïndiceerde woningaanpassing, dan wel de geïndiceerde dienst en de daarmee samenhangende kosten.

2Het hulpmiddel, aanpassing van een hulpmiddel, dan wel woningaanpassing, of de dienst die de cliënt inkoopt met het persoonsgebonden budget is adequaat, veilig, cliëntgericht en kwalitatief verantwoord.

3De cliënt levert vóór verstrekking van het persoonsgebonden budget, maar na bepaling van de noodzaak voor een hulpmiddel, dan wel een (woning)aanpassing, dan wel een dienst, een budgetplan aan waarin omschreven staat:

a.de reden waarom een hulpmiddel, (woning)aanpassing of dienst in natura niet geschikt geacht wordt;

b.het soort hulpmiddel, de (woning)aanpassing of dienst die ingekocht gaat worden;

c.wie de ondersteuning gaat uitvoeren of waar het hulpmiddel dan wel aanpassing gekocht wordt;

d.welk resultaat met het hulpmiddel, de (woning)aanpassing of de dienst moet worden behaald en op welke wijze;

e.hoe de veiligheid, cliëntgerichtheid en doeltreffendheid van het hulpmiddel, de (woning)aanpassing of de dienst is gewaarborgd;

f.het tarief dat betaald moet worden aan de leverancier.

4Voor het PGB dat bedoeld is voor woningaanpassingen onder € 2.500,- (excl. BTW) vraagt de eigenaar van de woning één offerte op, voor woningaanpassingen boven € 2.500,- (excl. BTW) vraagt de eigenaar 2 offertes op volgens het programma van eisen zoals vermeld in de beschikking.

5Een persoonsgebonden budget wordt door de cliënt binnen zes maanden na toekenning aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt.

6Het persoonsgebonden budget kent twee de twee soorten tarieven:

a.Het persoonsgebonden budget dat wordt ingezet voor een hulpmiddel, aanpassing van een hulpmiddel, dan wel woningaanpassing, of dienst, geleverd door een professionele aanbieder, is gelijk aan (100% van) de kostprijs van hetzelfde product/categorie ondersteuning, dat door de gemeente gecontracteerde organisatie kan worden geleverd, incl. vergoeding voor onderhoud en verzekeringen.

b.Het persoonsgebonden budget dat wordt ingezet voor diensten door niet-professionele ondersteuners (bijv. door iemand uit het sociale netwerk van de cliënt) bedraagt voor individuele ondersteuning € 16,02 per uur, voor groepsondersteuning het vast bedrag van € 22,89 per dagdeel en voor logeeropvang € 34,34 per etmaal. Het indexeringspercentage is gelijk aan ondersteuning in natura. Het pgb wordt bruto verstrekt, de eigen bijdrage wordt door het CAK berekend en geïnd.

7De budgethouder die begeleiding aanvraagt maakt gebruik van de op zijn situatie van toepassing zijnde model Zorgovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank (SVB):

a.de Zorgovereenkomst SVB wordt aan de gemeente aangeboden om deze zorginhoudelijk te laten toetsen;

b.cliënt informeert het college over de gewijzigde omstandigheden die aanleiding zijn voor een wijzigingsverzoek van de Zorgovereenkomst aan de SVB, zodat dit getoetst kan worden;

c.het college toetst of het toegestaan kan worden dat de vertegenwoordiger van de budgethouder dezelfde (rechts)persoon mag zijn als de PGB-zorgverlener;

d.in de Zorgovereenkomst SVB mag bij ”vergoeding” niet gekozen worden voor een vast maandbedrag;

e.de PGB-houder is gehouden de documenten aan te leveren die de gemeente in staat stelt om te beoordelen of de PGB-dienstverlener voldoet aan de (kwaliteits)criteria van de gemeente, om aan de hand hiervan het PGB-tarief te kunnen vaststellen.

8Ondersteuningsplan PGB bij aanvraag begeleiding:

a.Aan de PGB-houder/PGB-vertegenwoordiger wordt bij de toekenning van de voorziening met PGB-bekostigingsvorm de verplichting opgelegd om binnen zes weken na datum beschikking aan het college een door de zorgverlener ondertekend ondersteuningsplan te overleggen;

b.Het ondersteuningsplan sluit aan op de indicatie afgegeven door het college en het budgetplan PGB;

c.Het ondersteuningsplan geeft inzicht in de wijze waarop er gewerkt wordt aan de gestelde doelen uit de afgegeven indicatie door het college en hoe wordt voldaan aan de daarbij noodzakelijke kwaliteitscriteria;

d.Voldoet de PGB-houder/PGB-vertegenwoordiger niet aan de in lid 6 onder a genoemde voorwaarde binnen de gestelde termijn, dan trekt het college het besluit voor de indicatie met PGB-bekostigingsvorm in en biedt de cliënt de noodzakelijk geachte ondersteuning alsnog in de vorm van zorg in natura.

Artikel 23 - Verantwoording persoonsgebonden budget

1De budgethouder levert een Zorgovereenkomst aan voor elke gewenste inhuur van een dienst bij begeleiding, dan wel een bewijsstuk en kwaliteitsbewijs voor de aanschaf van een hulpmiddel of woningaanpassing. Het college toetst deze stukken op inhoud.

2De SVB toetst in het kader van het wettelijk verplichte trekkingsrecht de door de budgethouder ingediende stukken voor begeleiding op wettelijke en arbeidsrechtelijke aspecten en draagt zorg voor betaling van declaraties indien deze voldoen aan de genoemde toetsen.

Artikel 24 - Periode persoonsgebonden budget hulpmiddel, aanpassing van een hulpmiddel, dan wel woningaanpassing

1De budgetperiode van het PGB voor een hulpmiddel, een aanpassing van een hulpmiddel exclusief de instandhoudingskosten als onderhoud en verzekeringen, dan wel woningaanpassing komt overeen met de economische afschrijvingstermijn voor dit hulpmiddel/deze woningaanpassing.

2Na afloop van de budgetperiode beoordeelt het college of het hulpmiddel, dan wel de aanpassing, vervangen, dan wel opgeknapt wordt, afhankelijk van de technische staat.

Artikel 25 - Beschermd Wonen

De gemeente mandateert de beoordeling en toewijzing van beschermd wonen aan de centrumgemeente Ede. Cliënten kunnen zich melden bij de centrumgemeente Ede en de gemeente Renswoude.

Hoofdstuk 11. Intrekking beschikking en terugvordering

Artikel 26 - Terugvordering van de geldwaarde op de aanbieder

Het college maakt gebruik van de in de Zorgovereenkomst SVB opgenomen derdenbeding, wanneer sprake is van toerekenbaar tekortschieten van de PGB-zorgaanbieder, ook als de budgethouder niets te verwijten valt.

Artikel 27 - Schenking, vergoeding en verrekening bij niet gebruik van een voorziening door cliënt

1Indien een cliënt met een PGB een voorziening in eigendom heeft en hij de voorziening niet meer gebruikt, treedt het college in overleg over de verrekening van de restwaarde.

2Het college kan een terug te vorderen bedrag verrekenen met betalingen op grond van de wet, die nog uitgekeerd moeten worden.

Artikel 28 - Terugvordering persoonsgebonden budget bij tweedehands voorziening

1Indien een cliënt een PGB ontvangt en met de middelen uit dit budget een tweedehands voorziening wil aanschaffen, maakt hij dit bij zijn aanvraag kenbaar.

2Indien de cliënt een PGB ontvangt voor een nieuwe voorziening en met de middelen uit dit budget een tweedehands voorziening heeft aangeschaft zonder dit aan de gemeente kenbaar te hebben gemaakt, vordert de gemeente het verschil terug tussen het ontvangen PGB en de feitelijke kosten van de tweedehands voorziening.

Hoofdstuk 12. Bestrijding Misbruik of oneigenlijk gebruik

Artikel 29 - Periodiek onderzoek

Het college doet periodiek onderzoek naar:

1het rechtmatig besteden van geld en het rechtmatig gebruik van voorzieningen;

2de doelmatigheid van de verstrekte voorzieningen.

Hoofdstuk 13. Overige bepalingen

Artikel 30 - Afbakening met de Wet Langdurige Zorg

Indien een cliënt recht heeft op een voorziening vanuit de Wlz kunnen, indien nodig, aanvullende ondersteuningsvormen vanuit de Wmo worden geboden.

Artikel 31 - Afbakening met de zorgverzekeringswet

Indien een cliënt recht heeft op een voorziening vanuit de Zvw, wordt dat gezien als voorliggend op de Wmo. Indien nodig kunnen aanvullende, andere ondersteuningsvormen vanuit de Wmo worden geboden.

Artikel 32 - Uitzonderingsclausule

Het college kan besluiten in voorkomende gevallen af te wijken van het bepaalde in dit Besluit, indien het college dat noodzakelijk acht en indien dit ten gunste gebeurt van de cliënt.

Artikel 33 - Overgangsrecht

1Indien een cliënt op het moment van inwerkingtreding van dit nieuwe Besluit een PGB beschikking heeft die al in werking is getreden, dan gelden de nieuwe regels op het moment dat er sprake is van een herindicatie.

2Over meldingen en aanvragen voor eenvoudige ondersteuning op huishoudelijk gebied per 1 januari 2021, die worden ingediend voordat hoofdstuk 3 inwerking is getreden, vindt besluitvorming plaats overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 3.

Artikel 34 - Inwerkingtreding

Dit Besluit treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2021.

Artikel 35 - Intrekking

Het Besluit Nadere regels maatschappelijke ondersteuning vastgesteld op 4 november 2014, wordt ingetrokken.

Artikel 36 - Citeertitel

Dit Besluit wordt aangehaald als: Besluit maatschappelijke ondersteuning Renswoude.

Huishouden

Doel

Bijlage

DagbestedingDagopvang

Licht Licht

Midden Midden

Zwaar Zwaar

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.