Aanhef
Het college van de gemeente Pijnacker-Nootdorp;
gezien het advies van de afdeling d.d. 29 juni 2021;
gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, de Woningwet, het Besluit omgevingsrecht, het Bouwbesluit en het Asbestverwijderingsbesluit;
besluit:
1vast te stellen:
a.de nota VTH beleid gemeentelijke taken Omgevingsdienst Haaglanden vast te stellen;
b.de Probleemanalyse en prioriteiten milieutoezicht 2021-2024 vast te stellen;
c.het Uitvoeringsbeleid Haaglanden gemeentelijke basistaak asbest vast te stellen;
2dat de in deze documenten opgenomen beleidsregels in werking treden op de dag na bekendmaking.
2. Het kader voor het uitvoeringsbeleid
2.2 Juridische grondslag voor het beoordelen van een sloopmelding met een asbestcomponent en het toezicht houden op de uitvoering van de asbestverwijdering
2.2.1 De sloopmelding
In bijlage 1 is aangegeven welke gegevens en bescheiden de melder bij de sloopmelding moet aanleveren aan het bevoegd gezag. Een sloopmelding wordt ingediend via het Omgevingsloket Online. De melder ontvangt automatisch een ontvangstbevestiging. Het ontvangen/beoordelen van een sloopmelding is een gemeentelijke dan wel provinciale taak.
In artikel 1.26, lid 6 onder g, staan de eisen aan de sloopmelding bij verwijdering van asbest. De sloopmelding moet vergezeld gaan van een AIR. Dit AIR is daarmee het deel van de sloopmelding dat relevant is voor het toezicht door de ODH.
De eisen waaraan het AIR moet voldoen staan genoemd in artikel 1 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar artikel 4.54a lid 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. In dit laatste artikel is bepaald dat het AIR de resultaten moet bevatten van het asbestinventarisatieonderzoek. De meer concrete eisen aan de inhoud van een AIR zijn opgenomen in artikel 22 van het Certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering.
Het rapport van Pels Rijcken geeft aan dat de melding (en daarmee het AIR) moet worden getoetst op volledigheid conform artikel 4.54a van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Wanneer een AIR niet volledig is, is feitelijk de melding niet compleet en moet het bevoegd gezag aanvullende stukken vragen. Tot de melding inclusief het AIR compleet is, is er geen melding gedaan conform de eisen, en blijft het verbod op sloopwerkzaamheden gelden.
Pels Rijcken geeft tevens aan dat gemeenten en provincie de beleidsvrijheid hebben te variëren in de mate van indringendheid waarmee een sloopmelding wordt beoordeeld. Dit is conform het uitgangspunt dat een melding dient om het bevoegd gezag in staat te stellen toezicht en handhaving in te zetten (zie volgende paragraaf) als zij daar aanleiding voor ziet. Dat geldt ook voor het AIR (en het eventuele validatierapport) dat onderdeel uitmaakt van de sloopmelding. Het is mogelijk om de volledigheid van een AIR enkel te controleren op basis van een aantal vooraf overeengekomen parameters.
2.2.2 Toezicht en handhaving
Voor het toezicht op de asbestcomponent van de sloop geldt in principe hetzelfde als voor de andere componenten van sloop: het bevoegd gezag beslist hoeveel inspanningen gerechtvaardigd zijn uitgaande van het risico dat de activiteit met zich meebrengt.
Het toezicht en de handhaving door gemeenten en provincie tijdens de (bedrijfsmatige) asbestverwijdering is, gezien artikel 16 van het Asbestverwijderingsbesluit, beperkt tot de zorg dat:
a.de bedrijfsmatige asbestverwijdering alleen wordt uitgevoerd door een bedrijf in bezit van het certificaat als bedoeld in art. 4.54d, eerste lid van het Arbo-besluit;
b.direct na de asbestverwijdering een eindbeoordeling wordt uitgevoerd (binnenruimte) dan wel een visuele inspectie (buitenlucht) en dat het eindresultaat daarvan binnen twee weken wordt ingevoerd in het LAVS;
c.geen andere werkzaamheden (dan de asbestverwijdering) worden uitgevoerd zolang de eindbeoordeling/visuele inspectie niet uitgevoerd en daaruit blijkt dat alles akkoord is. Eerder mag de reguliere sloop niet aanvangen.
Gemeenten en provincies zijn dus op basis van het Asbestverwijderingsbesluit niet verplicht om erop toe te zien dat het AIR inhoudelijk juist is en dat de werkzaamheden op de juiste wijze worden uitgevoerd. Dat is geborgd middels certificeringen (het asbestverwijderingsbedrijf moet er bijvoorbeeld voor zorgen dat de DTA tijdens de asbestverwijdering op de projectlocatie inhoudelijk toezicht houdt) en valt onder de verantwoordelijkheid van de minister SZW. Ook Pels Rijcken geeft in het advies aan dat de Inspectie SZW verantwoordelijk is voor het toezicht en de handhaving vanaf het moment dat is aangevangen met de feitelijke asbestverwijderingswerkzaamheden.
In het rapport van Pels Rijcken wordt aangegeven dat de minister IenW (de Inspectie Leefomgeving en Transport) verantwoordelijk is voor de afvoer, opslag en de vernietiging van het asbest (bij het wettelijk minimum scenario stelt het gemeente geen aanvullende voorwaarden). Op termijn zal de minister IenW de bevoegdheid gezag rol overgedragen aan de gemeente.
Gemeenten en provincies hebben in het kader van de Woningwet en het Bouwbesluit wel een toezichthoudende en handhavende bevoegdheid vanuit de zorg voor de leefomgeving. De intensiteit van het toezicht is onderwerp van besluitvorming door het bevoegd gezag.
Feit is dat de leefomgeving voldoende is beschermd wanneer de werknemers voldoende beschermd zijn. In het algemeen geldt dat de werknemers een groter risico lopen dan de leefomgeving bij asbestverwijdering (zie ook paragraaf 2.1). Het uitgangspunt bij het bepalen van de omvang en diepgang van het toezicht en de handhaving door de deelnemers in de ODH is daarom dat de leefomgeving in beginsel voldoende is beschermd met het toezicht en handhaving door de Inspectie SZW. Het toezicht op de veiligheid van de leefomgeving kan daarom sterk worden beperkt.
Op welke wijze het toezicht en de handhaving in de basis wordt uitgevoerd wordt verder uitgewerkt in hoofdstuk 4.
Het toezicht van de Inspectie SZW is gericht op het veilig verwijderen van asbest door bedrijven vanuit de zorg voor werknemers. De Inspectie SZW heeft de bevoegdheid om vanuit dat oogpunt een sloop- of verwijderingswerk onmiddellijk stil te leggen.
Wanneer een situatie onveilig is vanuit het oogpunt van de zorg voor werknemers, hoeft deze zeker niet onveilig te zijn voor de leefomgeving. Andersom zal dat wel het geval zijn. Een door de gemeente (in casu haar uitvoeringsorganisatie ODH) geconstateerde onveilige situatie voor de leefomgeving kan daarmee het beste direct doorgemeld worden aan de Inspectie SZW die het werk dan kan stilleggen en daarmee ook blootstelling van (veel) asbestvezels naar de leefomgeving voorkomt.
Bijlage 1: Artikel 1.26 lid 6 sloopmelding
6Bij de sloopmelding worden de volgende gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag verstrekt:
a.naam en adres van de eigenaar van het te slopen bouwwerk en indien van toepassing, van diegene die uit andere hoofde bevoegd is tot het slopen van het bouwwerk;
b.naam en adres van diegene die de sloopwerkzaamheden zal uitvoeren, indien de uitvoerder een ander persoon is dan bedoeld onder a;
c.adres, kadastrale aanduiding en aard van het te slopen bouwwerk of onderdeel daarvan;
d.de data, de tijdstippen en een beschrijving van de wijze waarop het uitvoeren van de sloopwerkzaamheden zal plaatsvinden;
e.een veiligheidsplan als bedoeld in artikel 8.7;
f.een globale inventarisatie van de aard en de hoeveelheid van de afvalstoffen die naar verwachting zullen vrijkomen bij de sloopwerkzaamheden en een opgave van de voorgenomen afvoerbestemming van die stoffen
g.indien op grond van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 een asbestinventarisatierapport is vereist, het rapport als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van dat besluit dan wel een eindbeoordeling als bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, van dat besluit, en
h.indien bij het uitvoeren van de sloopwerkzaamheden steenachtig afval zal vrijkomen dat ter plaatse zal worden gebroken, de hoeveelheid, de naam en het adres van de eigenaar van het recyclinggranulaat.
Bijlage 2: Checklijst ODH melding (juni 2019)
1.01
Is het een gecertificeerd asbestinventarisatiebedrijf?
1.02
Is de inventarisatie door een DIA en is zijn/haar
Certificaatnummer vermeld op het titelblad?
1.03
Staat op het titelblad de naam van de technisch eindverantwoordelijke, is deze gecertificeerd (DIA) en is zijn haar certificaatnummer vermeld?
1.04
Is de naam en het certificaatnummer van het asbestinventarisatiebedrijf, de adresgegevens van de projectlocatie en de unieke projectcode met versienummer van het rapport vermeld?
1.05
Is het inventarisatierapport voorzien van een datum en ondertekening door de technisch eindverantwoordelijke?
1.06
Is het inventarisatierapport, indien sprake is van een correctie of toevoeging die plaatsgevonden heeft na ondertekening, voorzien van een onderbouwing van de wijziging(en) e opnieuw ondertekend door de technisch eindverantwoordelijke?
1.07
Is, indien er sprake is van een correctie of toevoeging in de herziene rapportage aangegeven welke toepassingen nog aanwezig zijn of welke reeds zijn verwijderd?
1.08
Is, indien er correcties of toevoegingen hebben plaatsgevonden die vooraf zijn gegaan door een bezoek op de projectlocatie, de situatie op het moment van het bezoek in de rapportage weergegeven?
1.09
Is in het inventarisatierapport aangegeven dat de rapportage geldig is tot drie jaar na ondertekening?
1.10
Zijn de reikwijdte en de geschiktheid aangegeven. Komt dit overeen met de uitwerking van de rapportage en bevat de samenvatting een nadere specificatie?
1.11
Zijn de bron gerelateerde gegevens van het aangetroffen asbesthoudende materiaal overeenkomstig art. 22 lid onder a t/m k van het certificatieschema opgenomen?
1.12
Bevat het inventarisatierapport foto’s waaronder per toepassing ten minste een overzichtsfoto en een detailfoto van de plaats waar het monster is genomen?
1.13
Zijn er asbesthoudende toepassingen geconstateerd die na verwijdering van het dak in direct contact staan met de open lucht, liggen deze toepassingen los of zijn deze doormiddel van demontage zonder breuk te verwijderen en is in de rapportage aangeven dat het dak geheel moet worden verwijderd?
1.14
Zijn er hechtgebonden asbesthoudende toepassingen geconstateerd waarbij in de ruimte één gevel geheel of gedeeltelijk open is en voldoet deze ruimte aan art 22 lid 12 onder a, b en c?
1.15
Is voor al het aangetroffen asbesthoudende materiaal aangegeven of er specifieke opmerkingen zijn voor het veilig verwijderen van het materiaal?
1.16
Is bij aangetroffen beschadigd asbestverdacht materiaal de omvang en mate van beschadiging bepaald?
1.17
Is bij aangetroffen beschadigd asbestverdacht materiaal de omvang van de verspreiding van de visueel waarneembare restanten bepaald?
1.18
Is bij aangetroffen beschadigd niet hechtgebonden asbestveracht materiaal binnen een bouwwerk het onderzoek uitgebreid middels het nemen van het nemen van representatieve kleefmonsters per ruimte of gebied overeenkomstig de NEN 2991, en zin deze geanalyseerd door een geaccrediteerd laboratorium?
1.19
Indien bij niet hechtgebonden asbesthoudend materiaal het vermoeden bestaat op een verontreiniging die kan leiden tot overschrijding van de grenswaarde is:
-onmiddellijk aan de opdrachtgever beveelt maatregelen te treffen?
-een nadere risicobeoordeling (NEN 2991 luchtmetingen) uitgevoerd?
1.20
Omvat de inventarisatie ten minste het vrij te geven gebied na verwijdering van de asbesthoudende materialen?
1.21
Is het aangetroffen type asbestverdacht materiaal, m.u.v. de toegestane uitzonderingen een representatief monster genomen?
1.22
Zijn van materialen waarin het asbest niet homogeen aanwezig is, meerdere materiaalmonsters genomen?
1.23
Zijn de genomen monsters geanalyseerd door een geaccrediteerd laboratorium en is het certificaat opgenomen in de bijlage?
1.24
Bevat het inventarisatierapport een tekening met daarop aangegeven de locaties en afmetingen van alle onderzochte ruimten, gebieden of installaties, de locaties van de aangetroffen asbesthoudende materialen en de monstername?
1.25
Bevat het inventarisatierapport de SMART-risicoclassificaties met een verwijzing naar de asbesthoudende materialen en komen de bron gerelateerde gegevens overeen
Bijlage 3: Checklijst ODH Toezicht (juni 2019)
TH ASB 01
Is de sloopmelding gedaan of op het werk aanwezig
TH ASB 02
Is er minimaal 2 dagen van te voren een startmelding gedaan bij het bevoegd gezag?
TH ASB 03
Is er een geldig procescertificaat asbestsaneerder SG-530 aanwezig?
TH ASB 04
Is er een geldig persoonscertificaat (DTA) SG-510 aanwezig?
TH ASB 05
Is er een geldig persoonscertificaat (DTV) SG-520 aanwezig?
TH ASB 06
Is er een geldig asbestinventarisatierapport aanwezig?
TH ASB 07
Worden de best bestaande technieken toegepast?
TH ASB 08
Is het werkplan aanwezig en wordt er volgens werkplan gewerkt?
TH ASB 09
Wordt er voldaan aan het veiligheidsplan i.k.v. sloopmelding = gemeente
TH ASB 10
Is het werkterrein afdoende afgezet en voorzien van aanduiding asbest
TH ASB 11
Wordt het asbest juist verzameld en ingepakt?
TH ASB 12
Wordt het asbest in een gesloten container geplaatst?
TH ASB 13
Etikettering “asbest”?
TH ASB 14
Is eventueel onverwacht aangetroffen asbest gemeld en correct behandeld?
TH ASB 15
Is er op de saneringslocatie een Deco-unit aanwezig direct gekoppeld aan het werkgebied?
TH ASB 16
Ziet het containment er deugdelijk uit en zijn er geen zichtbare lekkages?
TH ASB 17
Is er een afval/materiaalsluis gekoppeld aan het containment?
TH ASB 18
Is de onderdruk in het containment minimaal 20 Pascal (gemeten op tenminste 3m afstand)?
TH ASB 19
Wordt bij risicoklasse 2a onafhankelijke adembescherming van de omgevingslucht gebruikt?
TH ASB 20
Is voldaan aan voorwaarde: asbest binnen 2 weken afvoeren? Check aangeleverde stortbon.
TH ASB 21
Is het asbest afgevoerd door erkend verwerker?
TH ASB 22
Zijn de afvaltransporten voorzien van begeleidingsbrieven (art. 10.38 en 10.39 WM)?
TH ASB 23
Is er 1 dag na de sanering een gereedmelding gedaan?
TH ASB 24
Is de vrijgave binnen 2 weken opgestuurd?
Bijlage 4: Advies/reactie ODH inzake gemeentelijk voorstel uitvoeringsbeleid over te dragen asbesttaken aan ODH
Advies/reactie ODH inzake gemeentelijk voorstel uitvoeringsbeleid over te dragen asbesttaken aan ODH
Opmerking ODH
Reactie gemeenten
Aanpassing voorstel
1Is een uitvoeringsinstructie en geen uitvoeringsbeleid (UB)
Het voorliggende uitvoeringsbeleid is conform het besluit van het AB ODH van 26 juni 2019 opgesteld.
Dit uitvoeringsbeleid bevat in de regel de wettelijke kaders, bevoegdheden, een beeld van de risico’s daarbinnen, doelstelling en vertaling naar uitgangspunten, een concreet toetsingsprotocol, een concreet toezichtprotocol en financiële borging.
Al deze elementen zijn opgenomen in het concept uitvoeringsbeleid. In een werkinstructie zouden met name de eerstgenoemde onderdelen ontbreken.
In combinatie met het aantal meldingen zijn dan de randvoorwaarden aanwezig om de benodigde middelen te bepalen.
Geen.
2Het te realiseren maatschappelijke effect is niet aangegeven:
•Ambitie, doelstellingen en doelen ontbreken
•Bij het toezicht is geen relatie aangegeven met de tabellen voor risicoklassen bij de onderscheiden asbest-categorieën
•Er zijn geen meetbare KPI’s bepaald
•Er kan niet worden bepaald wat we er voor gaan doen
Het RIVM/GGD Haaglanden geven aan de risico’s voor de leefomgeving verwaarloosbaar zijn. De maatschappelijk winst die geboekt kan worden is gering. Er is dan ook geen noodzaak om daarvoor een kwalitatieve doelstellingen te bepalen en die te vertalen in doelstellingen, doelen en concrete acties. Evaluatie kan om deze reden gebeuren op de werkelijke aantallen en bevindingen.
In aansluiting op de verwaarloosbare maatschappelijke risico’s voor de omgeving en de doelstelling om de gemeentelijke taken proportioneel uit te voeren, worden deze op een minimaal wettelijk niveau uitgevoerd met uitzondering van de genoemde situaties.
De aangegeven risicotabellen behorende bij de onderscheidene asbestcategorieën bieden de basis om te komen tot een veilige werkomgeving en taakuitvoering bij een asbestsanering /-verwijdering. Ze hebben geen betrekking op de leefomgeving. Daarom wordt ook geen relatie gelegd tussen deze tabellen en de risico’s voor de omgeving.
Geen.
3Het UB fungeert als kader waarbinnen de ODH aangeeft op welke wijze en tegen welke kosten de uitvoering zal geschieden. Het kader UB is een afzonderlijk document evenals de uitvoerings-wijze. Hierdoor is het voorstel strijdig met punt 3 van het AB-besluit van 26 juni 2019
Zoals onder 1 is aangegeven, kan de ODH op basis van dit UB een voorstel doen voor de uitvoering.
De kengetallen die daartoe gehanteerd gaan worden, kunnen afzonderlijk worden vastgesteld. Dit, omdat deze geëvalueerd zullen worden, wat dan tot een voorstel voor aanpassing kan leiden. Zie ook opmerking 6 (financiele uitgangspunten).
Geen.
4Het voorstel is strijdig met Pels Rijckenrapport (PR), omdat de melding niet volledig wordt beoordeeld op basis van het UB
PR heeft aangegeven dat een melding op volledigheid getoetst moet worden, maar dat de gemeente kan variëren in de mate van indringendheid waarmee de sloopmelding wordt beoordeeld. De kwalitatief inhoudelijke toets behoort tot de bevoegdheid van SZW.
Geen.
Advies/reactie ODH inzake gemeentelijk voorstel uitvoeringsbeleid over te dragen asbesttaken aan ODH
Opmerking ODH
Reactie gemeenten
Aanpassing voorstel
5Onduidelijk is wat bedoeld word met grootschalige en risicovolle saneringen
De 5-10% van de meldingen waar diepgaander gekeken moet worden, betreft minder vaak voorkomende meldingen, zoals die inzake een verwijdering van spuitasbest of daar waar sprake is van een asbestbesmetting. Daarbij moet ook bezien worden of een veiligheidsplan noodzakelijk is.
Wat we verder bedoelen is dat bij asbestsaneringen in een dichtbevolkte omgeving, een omgeving met de aanwezigheid van kwetsbare groepen en / of veel persoonsbewegingen vooral bezien moet worden of een veiligheidsplan noodzakelijk is.
Uit de praktijkervaring bij enkele gemeenten blijkt dat bij 5-10% van de meldingen diepgaander naar het AIR gekeken moet worden. Het betreft dan de volgende onderdelen uit bijlage 2: 1.10, 1.12, 1.15, 1.16, 1.17 en 1.24
4.1 De melding
De ODH heeft voor de beoordeling van de volledigheid een checklist opgesteld op basis van een hoog ambitieniveau. Deze is weergegevens als bijlage 2.
Standaard volledigheidstoets AIR
Alle AIR-rapporten worden beoordeeld op volledigheid. Door een globale scan ontstaat een beeld of alles is onderzocht of dat niet alles is onderzocht wat is gemeld.
De standaardtoets van het AIR op volledigheid op basis van het wettelijk minimumniveau betreft de navolgende onderdelen (uit de checklist in bijlage 2):
1.01/02/03/04/05/06: De kwaliteitsborging binnen de private kolom is via certifice-ring en accreditering en het in- en externe toezicht daarop afdoende georganiseerd en gegarandeerd. Het gaat alleen om een visuele check op volledigheid; het is nadrukkelijk geen check op juistheid van de inhoud (beoordeling volledigheid op basis van vertrouwen).
1.03: Tekst: ‘en is zijn/haar certificaat-nummer vermeld’ vervalt: want dit is meer dan het wettelijk minimum.
1.20: Check of het onderwerp in het AIR is opgenomen, geen inhoudelijke beoordeling, dat is inhoudelijke kwaliteits-toets in het kader van artikel 22 certificatieschema.
1.25: Check of het onderwerp in het AIR is opgenomen, geen inhoudelijke beoordeling, dat is inhoudelijke kwaliteits-toets in het kader van artikel 22 certificatieschema.
Op grond van bestaande ervaringen en praktijk wordt bij het wettelijk minimum 90-95% van de meldingen alleen op deze wijze getoetst. Bij de 5-10% van de meldingen moet diepgaander naar het AIR worden gekeken. Het betreft asbestsaneringen die minder frequent voorkomen (bijvoorbeeld een verwijdering van spuitasbest) of een sanering vanwege een asbestbesmetting in / rond een gebouw met effecten voor de leefomgeving. Het RIVM en de GGD Haaglanden stellen dat de gezondheidsrisico’s voor de leefomgeving verwaarloosbaar klein zijn. Wel wordt aangegeven dat de blootstelling aan asbestvezels zo veel mogelijk moet worden voorkomen. Daarom is het tevens van belang bij deze saneringen te bezien of een veiligheidsplan noodzakelijk is (bevoegdheid gemeente).
Advies/reactie ODH inzake gemeentelijk voorstel uitvoeringsbeleid over te dragen asbesttaken aan ODH
Opmerking ODH
Reactie gemeenten
Aanpassing voorstel
5vervolg
Hetzelfde geldt voor asbestsaneringen in een gebouw gelegen in een dichtbevolkte omgeving met de aanwezigheid van kwetsbare groepen (kinderen, ouderen, zieken, enz.) of met relatief veel bezoekers/ persoonsbewegingen.
De ODH beoordeelt daarom bij asbestmeldingen die minder frequent voorkomen het AIR tevens op de volgende onderdelen uit bijlage 2:
1.10: Zijn de reikwijdte en de geschikt-heid aangegeven. Komt dit overeen met de uitwerking van de rapportage en bevat de samenvatting een nadere specificatie?
1.12: Bevat het inventarisatierapport foto’s waaronder per toepassing ten minste een overzichtsfoto en een detail-foto van de plaats waar het monster is genomen?
1.15: Is voor al het aangetroffen asbest-houdende materiaal aangegeven of er specifieke opmerkingen zijn voor het veilig verwijderen van het materiaal?
1.16: Is bij aangetroffen beschadigd asbestverdacht materiaal de omvang en mate van beschadiging bepaald?
1.17:Is bij aangetroffen beschadigd asbestverdacht materiaal de omvang van de verspreiding van de visueel waarneembare restanten bepaald?
1.24: Bevat het inventarisatierapport een tekening met daarop aangegeven de locaties en afmetingen van alle onderzochte ruimten, gebieden of installaties, de locaties van de aangetroffen asbesthoudende materialen en de monstername?
Overig
Daarnaast zal op basis van in de praktijk opgedane ervaringen met de gecertificeerde asbestsaneerders een beeld over de geleverde kwaliteit van rapporten beschikbaar zijn/komen. Bij twijfel aan de inhoudelijke juistheid van het AIR, stuurt de ODH het AIR door naar de Inspectie SZW.
Plus-optie
Een deelnemer kan er vrijwillig voor kiezen alle AIR diepgaander te laten beoordelen op bovenstaande onderdelen of op meer onderdelen. De ODH kan dit als een plus-taak aanbieden aan de deelnemers.
4.2: punt 2 is gewijzigd in: Asbestsaneringen die minder frequent voorkomen (bijvoorbeeld een verwijdering van spuitasbest) of een sanering vanwege een asbestbesmetting in / rond een gebouw met effecten voor de leefomgeving.
Na punt TH ASB 24 toegevoegd:
NB: Toezicht op de uitvoering van een Veiligheidsplan blijft een gemeente doen.
Advies/reactie ODH inzake gemeentelijk voorstel uitvoeringsbeleid over te dragen asbesttaken aan ODH
Opmerking ODH
Reactie gemeenten
Aanpassing voorstel
6Het financiële hoofdstuk hoort niet thuis in het UB en bovendien is onduidelijk wat precies word bedoeld met de opmerking over: niet de inzet van extra middelen in relatie tot herprioritering.
Wij zullen de tekst verduidelijken.
5Personele en financiële onderbouwing
De gemeenten voeren veel verschillende toezichts- en handhavingstaken uit in de fysieke leefomgeving, waarbij het niet alleen gaat om de taken die de ODH in mandaat van de gemeenten uitvoert. Gemeenten moeten daarbij voortdurende de inzet van middelen afwegen tegen de maatschappelijke risico’s waarop gemeenten kunnen worden aangesproken. De financiële middelen zijn niet onbeperkt. Dat betekent dat bij taakoverdracht, nieuwe taken of verhoging van de prioriteit van een specifieke taak, de taakuitvoering als geheel, risicogestuurd binnen het beschikbare budget moet worden uitgevoerd. Bij de taakoverdracht van asbest zal naar verwachting niet in alle gevallen aan dit uitgangspunt voldaan kunnen worden. In dat geval is het uitgangspunt dat de oplossing moet worden gezocht in herprioritering binnen het totale (overgedragen) budget. Dit principe van balans in ambitieniveau, risicogestuurde uitvoering en beschikbare middelen is een algemeen geaccepteerd principe in de taken voor toezicht en handhaving in de fysieke leefomgeving en is door meerdere gemeenten naar voren gebracht in de zienswijze op de begroting 2020 van de ODH.
De werkzaamheden moeten bij taakoverdracht (in zijn algemeenheid) binnen het overgedragen budget (door gemeente of rijk) worden uitgevoerd. Bij de taakoverdracht van asbest zal naar verwachting niet in alle gevallen aan dit uitgangspunt voldaan kunnen worden. Op basis van het gestelde in de eerdere hoofdstukken doet de ODH een voorstel voor de uitvoering van de asbesttaak inclusief het daarvoor benodigde budget. Elke gemeente bepaalt voor zich of daarvoor het gevraagde budget beschikbaar wordt gesteld. Als de kosten voor de taakuitvoering ODH hoger zijn dan het daarvoor beschikbare budget per deelnemer, wordt de taak uitgevoerd via herprioritering binnen het totale takenpakket van de ODH van de deelnemer. Bij herprioritering doet de ODH een voorstel voor de afweging tussen de asbestrisico’s en de andere milieurisico’s aan de betreffende deelnemer.
Mochten bij de uitvoering van de asbesttaken in een begrotingsjaar overschrijd-ingen dreigen te ontstaan, bijvoorbeeld bij een toename van het aantal sloopmeldingen met AIR (c.q. een hogere tijdsbesteding per meld-ing) dit in 1e instantie binnen het budget voor uitvoering van die taken opgelost moet wor-den. Dit kan dan leiden tot een minder tijds-besteding voor buitentoezicht en administratief toezicht. Bij een afname van het aantallen meldingen met AIR (c.q. de tijdsbesteding per melding) geldt het omgekeerde en kan het leiden tot een
Advies/reactie ODH inzake gemeentelijk voorstel uitvoeringsbeleid over te dragen asbesttaken aan ODH
Opmerking ODH
Reactie gemeenten
Aanpassing voorstel
6vervolg
meer tijdsbesteding aan buiten-toezicht en administratief toezicht.
Op (korte) termijn gaat de minister IenW het administratief toezicht (afvoer, opslag en vernietiging asbest) overdragen aan de gemeente. De ODH brengt de (extra) uitvoeringskosten van de taakoverdracht in beeld (cq. het bedrag dat het rijk bij taakoverdracht zal moeten overdragen aan de gemeente en de provincie).
7Voorstel is in strijd met de wet, omdat ook meldingen van niet-gecertificeerde instellingen worden getoetst. De melding moet ook getoetst worden aan activiteit 1.23 (uit bijlage 2)
Op basis van 1.01 wordt door de ODH gecheckt of het een gecertificeerd asbestinventarisatiebedrijf is. De deelnemers gaan in het verdere proces uit van vertrouwen. We vertrouwen erop dat binnen de private kolom via certificering en accreditering en het in- en externe toezicht daarop afdoende is georganiseerd en gegarandeerd. Bij twijfel kan de ODH altijd doorsturen naar SWZ voor een kwalitatief inhoudelijke toets.
Geen.
8Niet eens met voorgestelde uitgangspunten voor tijdsbesteding per onderwerp. Ze zijn ontoereikend.
De onderstaande uitgangspunten zijn gebaseerd op gemeentelijke praktijkervaringen (in combinatie met de opzet van de ODH-offerte aan de gemeente Den Haag)
Melding:
•Standaard (90%): 45 minuten
•Grootschalig (10%): 60 minuten
•Wijzigingsmelding: 15 minuten
•Tarief ODH: € 95,00
Toezicht en handhaving:
•Administratief toezicht: 30 minuten
•Toezicht buiten: 85 minuten (praktijk te laag, kengetal Westland is exclusief reistijd)
•Handhaving: 15 uur en 15% overtredingen (praktijk te hoog, op basis van het concept-uitvoerings-beleid zal tijdsbesteding voor handhaving substantieel lager zijn)
•Tarief ODH toezicht: € 89,00
•Tarief ODH handhaving: € 105,00
Vooralsnog is er geen aanleiding van andere uitgangspunten uit te gaan. De deelnemers wachten het ODH-voorstel af, mede in relatie tot de geformuleerde, financiële uitgangspunten.
Geen.