Gemeentelijke regelgeving

Handboek kabels en leidingen Oosterhout

Gemeente Oosterhout · geldt sinds 19 juli 2025

Aanhef

Het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout;

gelet op artikel 3 van de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren Oosterhout (AVOI) alsmede artikel 3:4, tweede lid en het bepaalde in Titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht;

besluit:

vast te stellen het

HANDBOEK KABELS EN LEIDINGENOOSTERHOUT

2. BEGRIPSBEPALINGEN, ROLVERDELING EN VERWIJZINGEN

2.2. Rolverdeling

2.2.1 Gemeente, netbeheerder, grondroerder

In de praktijk kan een rolverdeling bestaan tussen de netbeheerder en de grondroerder. Soms worden die twee rollen door een en dezelfde partij vervuld.

De gemeente handelt in het algemeen veel zaken rechtstreeks af met de grondroerder, maar de netbeheerder is ook aansprakelijk en verantwoordelijk voor het (doen) opvolgen van de bepalingen in dit Handboek. Dit geldt met name als er gebruik wordt gemaakt van (een) grondroerder(s) die middels een machtiging werkzaamheden verricht(en) voor de netbeheerder.

De gemeente behoudt zich desondanks wel het recht voor om in dringende gevallen ook handhavingsmaatregelen rechtstreeks met de grondroerder af te handelen en de netbeheerder daarvan zo snel mogelijk in kennis te stellen.

2.2.2 Gemeentelijke toezichthouder-, vergunningverlener-, coördinator- en adviseur kabels en leidingen

De gemeentelijke organisatie rondom kabels en leidingen is verdeeld over vier rollen. Deze rollen zijn toegewezen aan één of meerdere medewerkers van de gemeente. Het is mogelijk dat bij afwezigheid van personen de rollen door andere personen overgenomen worden.

•De toezichthouder kabels en leidingen is onder andere verantwoordelijk voor:

•toezicht op de werkzaamheden aan kabels en leidingen van de netbeheerders;

•deelname aan het projectmatig of tactisch overleg of aan het projectmatig uitvoeringsoverleg.

•het beoordelen van meldingen voor aanvang van werkzaamheden, spoedeisende werkzaamheden en werkzaamheden van minder ingrijpende aard.

•De vergunningverlener kabels en leidingen is onder andere verantwoordelijk voor:

•het verlenen van vergunningen of instemmingsbesluiten voor werkzaamheden van netbeheerders ten aanzien van kabels en leidingen.

•De coördinator kabels en leidingen is onder andere verantwoordelijk voor:

•coördineren en ondersteunen van het geheel aan vergunningverlening en toezicht op het vlak van kabels en leidingen;

•het er (samen met de adviseur kabels en leidingen) voor zorgen dat de juiste mensen (die ter zake bevoegd zijn) vanuit de diverse organisaties (gemeente en netbeheerders) aan het tactisch overleg deelnemen;

•het initiëren van het tactisch overleg, is voorzitter en verzorgt de verslaglegging.

•De adviseur kabels en leidingen is als ‘spin in het web’ (helicopterview) o.a. verantwoordelijk voor:

•alle relevante zaken die op beleidsmatig, juridisch, technisch en financieel gebied te maken hebben met kabels en leidingen;

•het proactief oppakken van zaken en verzorgt de informatievoorziening naar interne medewerkers en externe partijen (o.a. netbeheerders);

•het algemeen overzicht op ontwikkelingen rondom kabels en leidingen en zet hiervoor de strategie uit.

4. COMMUNICATIE, MELDINGEN, GRAAF- EN BREEKVERBOD EN INSTEMMING NIET-OPENBARE NETWERKEN

4.4. Instemming niet-openbare netwerken

4.4.1 Algemeen

1De aanleg van een openbaar netwerk wordt standaard toegestaan in de openbare ruimte door de gemeente. De gemeente is op basis van de Telecommunicatiewet en de AVOI niet verplicht om ook de aanleg van niet-openbaar netwerk toe te staan. Voorbeelden van niet-openbare netwerken zijn warmtenetten en point-to-point (glasvezel)verbindingen.

2In het algemeen gaat de gemeente terughoudend om met het geven van toestemming voor de aanleg van niet-openbare netwerken. Indien het gewenste netwerk ook gerealiseerd kan worden via een openbaar netwerk wat beheerd wordt door een bij wet aangewezen netbeheerder, heeft dit altijd de voorkeur. Als echter de aanleg van een niet-openbaar netwerk het algemeen belang dient en dit belang zwaarder weegt dan de nadelen, dan kan de gemeente beslissen hier aan mee te werken. Bijvoorbeeld ontwikkelingen rondom de energietransitie kunnen aanleiding zijn om de aanleg van niet-openbare netwerken toe te staan.

3Voor het beoordelen van aanvragen voor de aanleg van niet-openbare netwerken heeft de gemeente een procedure opgesteld. De aanvraag hiervoor moet minstens twaalf weken voor aanvang van de gewenste werkzaamheden via een aanvraagformulier private kabels c.q. leidingen ingediend worden.

4In afwijking van het bepaalde in het eerste tot en met derde lid, kan de gemeente eveneens toestemming verlenen voor de aanleg van een niet-openbaar netwerk, wanneer dit in bijzondere omstandigheden, in het algemeen (nationaal) belang, noodzakelijk blijkt te zijn.

4.4.2 Criteria en voorwaarden

1Instemming voor de aanleg van niet-openbare netwerken in de openbare ruimte wordt verleend, indien:

-dit nodig is om te voldoen aan beleid dat door de gemeente is vastgesteld;

-er sprake is van de aanleg van netwerken ten behoeve van warmtevoorzieningen in een straat, wijk of stadsdeel (dit moet een logisch aaneengesloten gebied zijn) voor bijvoorbeeld de aanleg van een warmtenet en alle gebouweigenaren, huurders, utiliteitsgebouwen en bedrijven binnen het aanleggebied hebben de mogelijkheid om een aansluiting te krijgen op het netwerk;

-de belangen van de aanvrager opwegen tegen de publieke belangen én de gewenste voorziening de enige (reële) oplossing is.

2Naast bovengenoemde criteria moet ook aan de onderstaande voorwaarden voldaan worden:

-de netbeheerder is een betrouwbare en bestendige partij;

-de netbeheerder zorgt ervoor dat de kabel(s) of leiding(en), conform het bepaalde in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (WIBON), worden geregistreerd bij Kadaster sectie KLIC;

-de netbeheerder voldoet aan alle voorwaarden van het Handboek;

-de netbeheerder is verantwoordelijk voor de kabel of leiding en de herkenbaarheid daarvan;

-de netbeheerder staat borg voor vakkundig graafwerk;

-de veiligheid in de openbare ruimte komt niet in het geding;

-er is (voldoende) ruimte in de ondergrond om de aanleg van het netwerk toe te staan;

-de overlast van de werkzaamheden en het tijdsbestek waar binnen deze gaan plaatsvinden is acceptabel;

-de netbeheerder zal de gemeente niet aansprakelijk stellen bij optredende schade aan de kabel of leiding, tenzij deze schade door de gemeente zelf veroorzaakt wordt.

3Indien de aanvraag positief beoordeeld wordt en de aanvrager toestemming krijgt voor de aanleg van het netwerk, zal er een overeenkomst tussen gemeente en aspirant netbeheerder opgesteld en ondertekend gaan worden.

5. ZORGVULDIGHEID, SCHADE, VERZEKERINGEN EN VEILIGHEID

5.2. Schade en kosten

5.2.1 Algemeen

1De grondroerder neemt alle redelijkerwijs mogelijke maatregelen om te voorkomen dat schade wordt toegebracht aan eigendommen van de gemeente of derden.

2Wordt desondanks schade aan eigendommen van de gemeente of derden (bijvoorbeeld: kabels en leidingen van andere netbeheerders, verkeersborden, eigendommen van particulieren, bodemverontreiniging tijdens het werk enzovoort) toegebracht dan moet de grondroerder dit zo spoedig mogelijk, in elk geval binnen 24 uur, schriftelijk doorgeven aan de toezichthouder of aan betrokken derden.

5.2.2 Herstel van schade en vergoeding van kosten

1Voor de schade die ten gevolge van werkzaamheden ontstaat of de schade die aan andere eigendommen van de gemeente wordt toegebracht, moet de gemeente door of namens de netbeheerder gecompenseerd worden.

1De gemeente beslist zelf of zij de schade door of namens de netbeheerder laat herstellen of dat de marktconforme herstelkosten van de schade (inclusief eventuele kosten die de gemeente daarbij moet maken) door of namens de netbeheerder vergoed moeten worden.

2Bij voorzienbare schade ten gevolge van werkzaamheden is het uitgangspunt dat de situatie van de ondergrond, de verharding (inclusief bijzondere (sier)bestrating) en groenvoorzieningen teruggebracht moet worden in de oude staat. De gemeente accepteert geen vermindering van kwaliteit.

3De met de werkzaamheden verband houdende marktconforme herstel-, onderhouds-, degeneratie- en beheerkosten komen voor rekening van de netbeheerder. De voorwaarden, tarieven en onderhoudstermijnen zijn vastgelegd in de Schaderegeling ingravingen kabels en leidingen.

4Ook alle overige (extra) kosten die door de grondroerder (of de gemeente) gemaakt moeten worden vanwege werkzaamheden of een gevolg zijn van de voorwaarden en eisen die zijn opgenomen in de AVOI, het instemmingsbesluit of de vergunning en dit Handboek komen in principe voor rekening van de grondroerder c.q. de netbeheerder (zie ook artikel 3 van de Schaderegeling ingravingen kabels en leidingen).

5.2.3 Onderhoud kabels of leidingen en bovengrondse voorzieningen

1Bovengrondse voorzieningen die eigendom zijn van netbeheerders en zich bevinden in de openbare ruimte moeten door de netbeheerder onderhouden worden. Aanstootgevende graffiti, leuzen, posters en dergelijke die aangebracht zijn op voornoemde bovengrondse voorzieningen moeten worden verwijderd.

2Verharding die door of vanwege de netbeheerder is aangebracht ten behoeve van de bereikbaarheid van bovengrondse voorzieningen moet door de netbeheerder onderhouden worden. Indien de verharding op enig moment niet meer voldoet aan de bij aanleg gestelde eisen moet deze worden hersteld.

3Markeringen die ten behoeve van de maatvoering van kabels of leidingen of ter aanduiding van kruisingen van watergangen (zinkers) worden aangebracht moeten op een deugdelijke wijze geplaatst of bevestigd worden en altijd goed zichtbaar zijn. Indien de markeringen op enig moment niet meer voldoen aan de bij plaatsing gestelde eisen moeten deze worden hersteld of op initiatief van de netbeheerder worden verwijderd.

4Indien de hoogte van de deksel van een op maaiveldhoogte geplaatst distributie- of mutatiepunt door verzakking niet meer op hoogte ligt met het omringende maaiveld en daardoor niet meer voldoet aan de bij aanleg gestelde eisen moet dit worden hersteld.

5Herstel of verwijdering van de in het eerste tot en met het vierde lid van dit artikel genoemde punten moeten op eerste aanzegging van de gemeente binnen vijf werkdagen uitgevoerd worden door of in opdracht van de netbeheerder, tenzij anders is overeengekomen met de toezichthouder. De in het eerste tot en met het vierde lid van dit artikel genoemde gebreken is geen limitatieve opsomming. De genoemde termijn geldt voor elk door de toezichthouder geconstateerd gebrek als gevolg van werkzaamheden of in situaties die niet meer voldoen aan de bij aanleg gestelde eisen.

6Kabels of leidingen (inclusief de aansluitingen), die meer dan 0,40 m ten opzichte van het uitgiftepeil zijn verzakt moeten worden gerezen (het verticaal omhoog brengen van kabels of leidingen zonder onderbreking). Die werkzaamheden moeten zoveel mogelijk gelijktijdig met een straatophoging worden uitgevoerd. De gemeente en de netbeheerders moeten hier gezamenlijk afspraken over maken.

7Gelet op de artikelen 6:174 en 6:175 van het Burgerlijk Wetboek, moet de netbeheerder ervoor zorgen dat de in de openbare ruimte aanwezige kabels of leidingen die in zijn eigendom of beheer zijn te allen tijde in een goede staat verkeren.

5.4. Veiligheid en Calamiteiten

5.4.1 Bodemverontreiniging

1Voor werkzaamheden in of met verontreinigde grond is de Wet bodembescherming (Wbb), of de Omgevingswet, onverkort van toepassing. Werkzaamheden moeten worden uitgevoerd conform de bepalingen in de Arbeidsomstandighedenwet en ook minimaal conform de vigerende CROW richtlijn “Werken in en met verontreinigde bodem” (publicatie 400), aangevuld met voldoende veiligheidsmaatregelen per specifieke situatie.

2De initiatiefnemer van een project moet vooraf een vooronderzoek uitvoeren (CROW-publicatie 400) om te bepalen of een locatie al of niet verdacht is op een verontreinigde bodem. De omvang van het vooronderzoek wordt bepaald door de in NEN 5725 opgenomen onderzoeksaanleiding. Voor dit onderzoek kunnen uiteenlopende (digitale) bronnen worden geraadpleegd, zoals websites www.bodemloket.nl (initiatief van gemeenten, provincies en het Rijk) en www.rwsleefomgeving.nl (Rijkswaterstaat). Indien de grondroerder initiatiefnemer is kan hij voor de meest recente bodeminformatie contact opnemen met de gemeente via bodeminfo@oosterhout.nl. De voorwaarden voor het opvragen van de bodeminformatie zijn te vinden op de website van de gemeente Oosterhout (www.oosterhout.nl/inwoners/milieu-en-duurzaamheid/algemeen-over-bodeminformatie.

3Indien een grondroerder een kabel- c.q. leidingtracé wil aanleggen in een gebied waarvan vooraf is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is ligt een eventuele saneringsplicht bij de grondroerder.

4Behalve het onderzoek als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, zorgt de grondroerder er conform het bepaalde in artikel 5.4, eerste lid, voor dat de juiste noodzakelijke (beschermings-) maatregelen in acht worden genomen en legt daarvoor voorwaarden vast in een VG&M-plan.

5Indien de gemeente initiatiefnemer is neemt zij die maatregelen die wettelijk noodzakelijk zijn of eventueel aanvullende eisen vanuit gemeentelijk beleid om de bodem milieutechnisch geschikt te maken voor de beoogde functie. De gemeente is niet gehouden te voldoen en geeft geen invulling aan milieutechnische kwaliteitseisen die netbeheerders zelf stellen aan de milieutechnische bodemkwaliteit.

7. RICHTLIJNEN VOOR DE (TRACÉ)ENGINEERING EN ONDERGRONDSE ORDENING

7.2. Ondergrondse ordening bij de aanleg van kabels of leidingen

7.2.1 Uitgangspunten tracébepaling

1Bij de tracébepaling wordt voor alle disciplines boven- en ondergronds ruimte gereserveerd.

2Bij de tracébepaling moet tevens rekening gehouden worden met de uitvoerbaarheid van de eisen die gesteld worden in dit Handboek.

3Kabels of leidingen mogen niet binnen het ontgravingsprofiel van andere kabels of leidingen aangelegd worden. Het ontgravingsprofiel is opgenomen in de LIOR en op te vragen bij de gemeente.

4Indien er onvoldoende ruimte is voor de aan te leggen kabels of leidingen, dan is overleg met alle netbeheerders, de grondeigenaar en de gemeente nodig. Mogelijke maatregelen zijn:

•reserveren van meer ruimte voor tracé;

•bundelen/stapelen van kabels voor telecommunicatie;

•het boven elkaar leggen van elektriciteitskabels;

•retour en afvoerleiding van warmtenetten dichter bij elkaar leggen;

•de onderlinge afstand van kabels of leidingen verkleinen;

•enkelzijdige aanleg van kabels of leidingen, waardoor beide kanten van de weg voor verschillende kabels of leidingen benut kan worden;

•het leggen van kabels of leidingen in kabelgoten of leidingtunnels.

7.2.2 Uitgangspunten horizontale ligging

1Distributieleidingen liggen zoveel mogelijk in het trottoir.

2Rioleringen, warmtenetten en transportleidingen worden in het overige deel van de openbare weg gesitueerd.

3De volgorde van kabels en leidingen vanaf de perceelsgrens:

a.telecommunicatie;

b.elektra;

c.gas;

d.water;

e.warmte;

f.riool.

4De onderlinge afstand tussen kabels of leidingen moet conform de dwarsprofielen in de LIOR zijn.

5De afstand vanaf de perceelsgrens tot aan de eerste kabel of leiding is weergegeven in de dwarsprofielen van de LIOR.

6In bermen langs wegen moet de afstand van de ligging van de kabels of leidingen tot aan de verharding ten minste gelijk zijn aan de diepteligging ervan.

7Distributie- of mutatiepunten mogen niet aangebracht worden in rijbanen, parkeerplaatsen, uitwegen, op kruisingen, ter plaatse van de in- en uitritten van percelen, binnen de kroonprojectie van bomen en (tenzij het vanwege netwerk technische redenen niet anders kan) in kabel- en leidingtracés. De distributie- of mutatiepunten dienen bij voorkeur geplaatst te worden in voetpaden, bermen of groenvoorzieningen.

8Bij de bepaling van het tracé moet rekening gehouden worden met bestaande bovengrondse voorzieningen, bomen of andere groenvoorzieningen (zie de bomenposter in de LIOR).

7.2.3 Uitgangspunten verticale ligging

1Kabels en leidingen moeten vanaf bovenkant leiding tot bovenkant maaiveld de juiste afstand hebben conform de in de LIOR opgenomen dwarsprofielen. Indien kabels en leidingen elkaar kruisen:

•distributiekabels of -leidingen liggen ondieper dan transportleidingen;

•vrijvervalleidingen hebben voorrang op drukleidingen;

•bij kruisingen van kabels of leidingen bedraagt de onderlinge tussenruimte (verticale afstand) tenminste 0,20 m.

2Er moet conform de dwarsprofielen in de LIOR een strook vrijgehouden worden in verband met kruisende vrijverval rioolaansluitingen.

10. BIJLAGEN

10.1. Gebieden uitgesloten van werkzaamheden van niet-ingrijpende aard

10.1.1 Risicogebied vandalisme centrum

10.1.2 Risicogebied vandalisme ontsluitingswegen

10.1.3 Risicogebied vandalisme winkelcentrum Arkendonk

10.1.4 Risicogebied vandalisme winkelcentrum Zuiderhout

10.1.5 Inventarisatiekaart straten oude bebouwing centrum

Deze regeling wordt aangehaald als: Handboek kabels en leidingen Oosterhout.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.