Aanhef
De raad van de gemeente Noordwijk,
gelezen het voorstel van het college van 11 november 2025,
gelet op artikel 223 van de Gemeentewet;
BESLUIT:
vast te stellen de navolgende verordening:
VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN FORENSENBELASTING NOORDWIJK 2026
Artikel 1 Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder woning:
een gemeubileerde woning als bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet.
Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplicht
1Onder de naam “forensenbelasting“ wordt een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.
2Of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
Artikel 3 Vrijstellingen
Niet belastingplichtig is degene die ter tijdelijke waarneming van een openbare betrekking of ter bijwoning van de vergaderingen van een algemeen vertegenwoordigend lichaam, waarvan hij het lidmaatschap bekleedt, dan wel ingevolge last of bevel van de overheid, buiten de gemeente van zijn hoofdverblijf vertoeft.
Artikel 4 Ontheffing
Indien een belastingplichtige in het belastingjaar meer dan één gemeubileerde woning in de gemeente elk gedurende meer dan 90 dagen beschikbaar houdt als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt ontheffing verleend van de belasting voor de woning(en) met de laagste heffingsmaatstaf/heffingsmaatstaven als bedoeld in artikel 5.
Artikel 5 Maatstaf van heffing
1De belasting wordt geheven naar de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen of de belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten zoals die voor het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt, voor het tijdvak waarbinnen het belastingjaar valt, is vastgesteld.
2In afwijking van het eerste lid wordt de belasting geheven naar de waarde, indien de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen voor het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt voor het belastingjaar is vastgesteld met toepassing van artikel 16, onderdeel e, van de Wet waardering onroerende zaken.
3In geval geen heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen of belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten is vastgesteld, wordt de belasting geheven naar de waarde.
4De vaststelling van de waarde bedoeld in het tweede en derde lid geschiedt overeenkomstig de artikelen 220 tot en met 220d van de Gemeentewet als het belastingobject onroerend is (met dien verstande dat daarbij artikel 16, onderdeel e, van de Wet waardering onroerende zaken niet wordt toegepast) en overeenkomstig artikel 221 als het belastingobject roerend is.
Artikel 6 Belastingtarief
De belasting bedraagt bij een maatstaf van heffing die valt in:
tariefklasse:
waarde:
tarief:
a.
I
minder dan € 81.000
€ 531,00
b.
II
€ 81.000 of meer, maar minder dan € 139.000
€ 717,00
c.
III
€ 139.000 of meer, maar minder dan € 207.000
€ 788,00
d.
IV
€ 207.000 of meer, maar minder dan € 347.000
€ 1.125,00
e.
V
€ 347.000 of meer, maar minder dan € 739.000
€ 1.432,00
f.
VI
€ 739.000 of meer, maar minder dan € 1.220.000
€ 2.479,00
g.
VII
€ 1.220.000 of meer
€ 3.307,00
Artikel 7 Belastingjaar
Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 8 Wijze van heffing
De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld
De belasting is verschuldigd op het moment dat de gemeubileerde woning meer dan 90 dagen in het belastingjaar beschikbaar is gehouden als bedoeld in artikel 2.
Artikel 10 Termijnen van betaling
1In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald binnen 2 maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.
2In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, zolang de aanslagen zijn geheven van natuurlijke personen en de verschuldigde bedragen door middel van een automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in 7 gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt 2 maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, zolang de aanslagen zijn geheven van niet-natuurlijke personen en het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 10.000,---, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in 7 gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt 2 maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
4De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 11 Kwijtschelding
Bij de invordering van de forensenbelasting wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 12 Overgangsrecht
De “Verordening forensenbelasting Noordwijk 2025” van 19 december 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 13, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 13 Inwerkingtreding
1Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking.
2De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.
Artikel 14 Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening forensenbelasting Noordwijk 2026”.