Gemeentelijke regelgeving

Milieusamenwerking en Afvalverwerking Regio Nijmegen

Gemeente Nijmegen · geldt sinds 5 juli 2024

Aanhef

Op grond van artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn Raden en de Colleges van Burgemeester en Wethouders bevoegd een gemeenschappelijke regeling te treffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen van die gemeenten. Onder het treffen van een regeling wordt mede verstaan het wijzigen van, het toetreden tot en het uittreden uit een regeling.

De Raden, de Colleges van Burgemeester en Wethouders en de Burgemeesters van de gemeenten Beuningen, Berg en Dal, Druten, Heumen, Mook en Middelaar, Nijmegen en Wijchen, ieder voor zover zij bevoegd zijn;

overwegende dat het gewenst is de gemeenschappelijke regeling Milieusamenwerking en Afvalverwerking Regio Nijmegen te wijzigen

gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen, de gemeentewet en de Wet Milieubeheer,

BESLUITEN:

Hoofdstuk 1: Algemene Bepalingen

Artikel 1: Begripsomschrijvingen

Deze gemeenschappelijke regeling verstaat onder:

•de regeling: deze gemeenschappelijke regeling

•het openbaar lichaam: het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2 van de regeling;

•een deelnemende gemeente: een aan deze regeling deelnemende gemeente;

•Gedeputeerde Staten: het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland; en Limburg

•de verwerkingsinrichting: de inrichting voor de verwerking van afvalstoffen van ARN B.V.;

•afvalstoffen: de afvalstoffen die vallen onder werking van hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer;

•de wet: de wet gemeenschappelijke regelingen;

•de A.R.N. B.V.: de, bij akte van 25 oktober 1985, opgerichte besloten vennootschap of haar rechtsopvolger, welke de verwerkingsinrichting exploiteert;

Artikel 2: Openbaar Lichaam

Er is een openbaar lichaam, genaamd Milieusamenwerking en Afvalverwerking Regio Nijmegen, afgekort MARN.

Het openbaar lichaam is rechtspersoon en is gevestigd te Nijmegen.

Artikel 3: Bestuursorganen

Het openbaar lichaam kent, onverminderd de mogelijkheid tot het instellen van commissies als bedoeld in hoofdstuk 6 van deze regeling, de volgende bestuursorganen:

a.het algemeen bestuur;

b.het dagelijks bestuur;

c.de voorzitter.

Hoofdstuk 2: Belangen, taken en bevoegdheden

Artikel 4: Belangen

De gemeenschappelijke regeling wordt getroffen ter ondersteuning van de behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de deelnemende gemeenten ter bescherming van het milieu, waaronder in ieder geval begrepen een doelmatige en milieu hygiënisch verantwoorde verwijdering van afvalstoffen.

Artikel 5: Taken en bevoegdheden

Ter verwezenlijking van de van de in artikel 4 genoemde belangen komen het openbaar lichaam de volgende taken en bevoegdheden toe:

1Afvalverwerking:

a.Het deelnemen in het aandelenkapitaal van ARN B.V. of haar rechtsopvolger.

b.Het in overleg met de gemeenten regelen van de aanvoer van de afvalstoffen, voor zover dit uit een oogpunt van doeltreffende bedrijfsvoering van de verwerkingsinrichting noodzakelijk is.

c.Elk van de gemeenten verbindt zich om:

i.de door of vanwege die gemeente ingezamelde afvalstoffen aan de verwerkingsinrichting aan te bieden van welke verplichting door het Algemeen Bestuur ontheffing kan worden verleend;

ii.de wijze van inzamelen af te stemmen op de wijze van verwerken van de verwerkingsinrichting;

iii.voor veranderingen in het inzamelsysteem, tijdig vooraf toestemming te vragen aan het Dagelijks Bestuur waaraan de voorwaarde kan worden verbonden dat de uit die veranderingen voortvloeiende nadelige gevolgen aan het openbaar lichaam of aan de ARN B.V. worden vergoed.

d.het openbaar lichaam sluit met de ARN B.V. een vuilverwerkingsovereenkomst, regelende de aanbiedingsplicht van de deelnemende gemeenten van de door of vanwege hen opgehaalde afvalstoffen, de acceptatieplicht van de aangeboden afvalstoffen door de verwerkingsinrichting en het in rekening brengen van de verwerkingskosten door ARN B.V. aan de deelnemende gemeenten.

2Beleid

Het afstemmen en/of het opzetten van gezamenlijk beleid op afval en milieuterrein.

Hoofdstuk 3: Het Algemeen Bestuur

Artikel 6: Samenstelling

1De raden van de deelnemende gemeenten wijzen een lid aan tot lid van het Algemeen Bestuur.

2Een lid van het Algemeen Bestuur kan niet tevens zijn medewerker in dienst van of op grond van een dienstverleningsovereenkomst als bedoeld in artikel 21 werkzaam voor het samenwerkingsverband.

3De leden van het Algemeen Bestuur hebben, onverminderd het bepaalde in artikel 18, derde lid, zitting gedurende de zittingsduur van de gemeenteraad. Indien zij in de nieuwe periode opnieuw burgemeester zijn dan wel benoemd wordt als wethouder, kunnen zij terstond opnieuw worden aangewezen.

4Het lidmaatschap eindigt van rechtswege zodra het lid geen lid meer van de deelnemer is die hem heeft aangewezen.

5De leden van het Algemeen Bestuur die tussentijds ontslag nemen, stellen de voorzitter van het Algemeen Bestuur, alsmede de Raad die hen heeft aangewezen, hiervan op de hoogte. Het ontslag gaat in zodra onherroepelijk in hun opvolging is voorzien.

6Elk lid van het Algemeen Bestuur heeft een plaatsvervanger.

7Het bepaalde in het eerste tot en met het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervanger.

Artikel 7 Bevoegdheden

1Het algemeen bestuur stelt de begroting en de jaarrekening vast.

2Het algemeen bestuur besluit tot deelname in organisaties als bedoeld in artikel 31a van de Wet.

3Het algemeen bestuur kan bevoegdheden overdragen aan het dagelijks bestuur tenzij de aard van de bevoegdheid zich hiertegen verzet maar in ieder geval met uitzondering van de bevoegdheid tot het vaststellen van de begroting, de wijzigingen daarvan, de jaarrekening als ook over deelname in organisaties als bedoeld in lid 2.

4Het algemeen bestuur kan instructies geven voor de werkwijze van het dagelijks bestuur.

5Het algemeen bestuur beslist over alle andere aangelegenheden waarvoor de bevoegdheid niet op grond van de Wet of deze regeling aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter toekomt.

Artikel 8: Werkwijze en besloten vergaderingen

1Het algemeen bestuur vergadert ten minste tweemaal per jaar en voorts zo dikwijls de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig oordeelt, of tenminste een vijfde van het aantal zittende leden van het algemeen bestuur daarom verzoekt.

2De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar.

3Elk lid van het Algemeen Bestuur heeft 2 stemmen, met uitzondering van het lid namens de gemeente Nijmegen dat 6 stemmen heeft.

4Tot het sluiten van de deuren en het vergaderen in beslotenheid kan worden overgegaan met inachtneming van het bepaalde in artikel 22 van de wet en artikel 23 van de Gemeentewet.

5In een besloten vergadering van het Algemeen Bestuur wordt geen besluit genomen over:

a.de begroting, de wijzigingen daarvan en de rekening;

b.het doen van een uitgaaf, voordat de begroting of de begrotingswijziging, waarbij deze uitgaaf is geraamd, is goedgekeurd;

c.het liquidatieplan.

Hoofdstuk 4: Het dagelijks bestuur

Artikel 9: Samenstelling

1Het dagelijks bestuur bestaat uit vier leden, de voorzitter inbegrepen door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen.

2Zij treden, onverminderd het bepaalde in artikel 16, vierde lid van deze regeling, af op de dag van aftreden van de leden van het algemeen bestuur. Zij kunnen, indien zij opnieuw zijn aangewezen tot lid van het algemeen bestuur, terstond opnieuw worden benoemd.

3Degene, die ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt tevens op lid van het dagelijks bestuur te zijn.

4Voor zover deze regeling niet anders bepaalt, kan het dagelijks bestuur zijn werkzaamheden verdelen over zijn leden. Het dagelijks bestuur deelt zijn besluiten terzake mee aan het algemeen bestuur.

Artikel 10. Bevoegdheden

1Het dagelijks bestuur is belast met en bevoegd tot het voeren van het dagelijks bestuur, waaronder in ieder geval wordt verstaan:

a.het voorbereiden van al hetgeen aan het algemeen bestuur ter beraadslaging en besluitvorming wordt voorgelegd;

b.het uitvoeren van de besluiten van het algemeen bestuur;

c.het voorstaan van de belangen van de regeling en het openbaar lichaam bij andere overheden, instellingen en diensten waarmee, of personen met wie contact met het dagelijks bestuur van belang is;

d.het beheer van activa en passiva van het openbaar lichaam;

e.het nemen van alle conservatoire maatregelen, zowel in als buiten rechte, en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht en eigendom;

2Het dagelijks bestuur benoemt, schorst en ontslaat het personeel. Onder benoeming van personeel wordt tevens verstaan de tewerkstelling op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

3Het dagelijks bestuur stelt een regeling vast omtrent de ambtelijke organisatie van het openbaar lichaam, alsmede de rechtspositieregelingen.

4Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het aangaan van privaatrechtelijke overeenkomsten met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 31a van de Wet.

5Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het voeren van rechtsgedingen namens de regeling.

Artikel 11: Werkwijze

1Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt, of een van de andere leden van het dagelijks bestuur dat schriftelijk, onder opgave van de te behandelen onderwerpen verzoekt, in welk laatste geval de vergadering binnen twee weken plaatsvindt.

2Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde vast voor zijn vergaderingen.

3In de vergadering van het dagelijks bestuur kan slechts worden beraadslaagd en besloten als tenminste de helft van de leden aanwezig is.

4Indien het vereiste aantal leden niet aanwezig is, schrijft de voorzitter een nieuwe vergadering uit waarop het tweede lid niet van toepassing is. Tussen de twee vergaderingen zit minimaal een werkdag.

5In een vergadering als bedoeld in het derde lid kan alleen worden beraadslaagd en besloten over andere aangelegenheden dan die waarvoor de oorspronkelijke vergadering was belegd indien meer dan de helft van de leden aanwezig is.

6De vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn niet openbaar.

7Over personen wordt schriftelijk, over zaken mondeling gestemd. Ieder aanwezig lid brengt één stem uit. Indien de stemmen staken, is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

Hoofdstuk 5: De voorzitter

Artikel 12: Voorzitter

1De voorzitter wordt door het algemeen bestuur uit zijn midden aangewezen.

2Bij afwezigheid van de voorzitter wordt hij vervangen door een lid van het dagelijks bestuur, door het Dagelijks Bestuur aan te wijzen.

3De voorzitter kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan het algemeen bestuur. Het ontslag gaat in zodra in opvolging is voorzien.

4Als tussentijds de functie van de voorzitter vacant wordt, wijst het algemeen bestuur in zijn eerstvolgende vergadering of ten spoedigste daarna de nieuwe voorzitter aan.

Artikel 13: Bevoegdheden

1De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.

2De voorzitter ondertekent de stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan.

3De voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte. Hij kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen gemachtigde.

Hoofdstuk 6: De Commissies

Artikel 14: Commissies van advies en vakberaden

1Het algemeen bestuur kan commissies van advies instellen, dat met inachtneming van artikel 24 van de wet.

2Het dagelijks bestuur kan een of meer vakberaden instellen, die met inachtneming van artikel 24 van de wet het dagelijks bestuur van advies dienen over een nader aan te geven deelterrein.

Artikel 15: Bestuurscommissies

1Het algemeen bestuur kan commissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen.

2Het algemeen bestuur gaat niet over tot het instellen van een commissie als bedoeld in het eerste lid dan na verkregen verklaring van geen bezwaar van de raden van elk van de deelnemende gemeenten

3Het algemeen bestuur regelt met inachtneming van artikel 25 van de wet hun bevoegdheden en samenstelling.

Intern

Hoofdstuk 7: Inlichtingen, verantwoording en ontslag

Artikel 16: Dagelijks bestuur en voorzitter ten opzichte van algemeen bestuur

1De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.

2Zij geven ongevraagd aan het algemeen bestuur alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is.

3Zij geven - tezamen dan wel afzonderlijk - aan het algemeen bestuur, wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoekt, alle gevraagde inlichtingen.

4Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. In dit geval zijn de artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

5Het bepaalde in het eerste tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de voorzitter voor het door hem gevoerde bestuur.

Extern

Artikel 17: Algemeen bestuur en dagelijks bestuur ten opzichte van de raden

1Het algemeen en dagelijks Bestuur geven aan de raden van de deelnemende gemeenten ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het Dagelijks en algemeen bestuur gevoerde en te voeren beleid, nodig is.

2Het algemeen en dagelijks bestuur verstrekken aan de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen die door een of meer leden van die raden worden verlangd.

3De vergaderstukken van het algemeen bestuur evenals de notulen en de besluiten van het algemeen bestuur worden openbaar gemaakt op de website van de gemeenschappelijke regeling MARN. Behoudens niet-openbare stukken als bedoeld in artikel 5.1 en 5.2 in de Wet open overheid.

Artikel 18: Leden ten opzichte van de raden

1Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur verschaft de raad die dit lid heeft aangewezen met inachtneming van artikel 16 van de wet alle inlichtingen, die door die raad of door een of meer leden van die raad worden verlangd en wel op de in het reglement van orde voor de vergaderingen van die raad aangegeven wijze.

2Een lid of plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur is de raad die dit lid heeft aangewezen met inachtneming van artikel 16 van de wet verantwoording verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid en wel op de in het reglement van orde voor de vergaderingen van die raad aangegeven wijze.

3Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur kan door de raad die hem heeft aangewezen, worden ontslagen, indien dit lid het vertrouwen van die raad niet meer bezit.

Hoofdstuk 8: Reglement van orde

Artikel 19: Reglement van orde algemeen bestuur

1Het algemeen bestuur stelt met inachtneming van de artikelen 22 en 23 van de wet voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast.

2In het reglement van orde worden onder meer regels gegeven omtrent:

3het horen van belanghebbenden ten aanzien van door het algemeen bestuur te nemen besluiten;

4de wijze van het verstrekken van inlichtingen en het afleggen van verantwoording als bedoeld in de artikelen 17 en 18.

Artikel 20: Reglement van orde dagelijks bestuur

Het dagelijks bestuur kan een reglement van orde voor zijn vergaderingen vaststellen, dat aan het algemeen bestuur wordt overgelegd.

Hoofdstuk 9: Ambtelijk apparaat

Artikel 21: Secretaris en overig personeel

1Het openbaar lichaam kan personeel aanstellen, aan het hoofd waarvan de secretaris staat.

2Voor zover het dagelijks bestuur daarin niet op andere wijze heeft voorzien, zijn op het personeel van overeenkomstige toepassing de bezoldigingsregelingen en andere algemene voorschriften en bepalingen van de gemeente Nijmegen.

3Het dagelijks bestuur benoemt een ambtelijk secretaris.

4De taken en bevoegdheden van de secretaris worden door het dagelijks bestuur vastgesteld.

5Alle stukken uitgaande van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur worden door de secretaris mede ondertekend.

6De overige ambtenaren, alsmede het personeel werkzaam op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, worden benoemd door het dagelijks bestuur.

Hoofdstuk 10: Financiële bepalingen

Artikel 22: Organisatie en controle

1Het algemeen bestuur stelt bij verordening regels vast met betrekking tot de organisatie van de administratie en het beheer van vermogenswaarden. Op deze regels is artikel 212 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

2Het algemeen bestuur stelt bij verordening regels vast met betrekking tot de controle op de administratie en het beheer zoals bedoeld in het eerste lid. Op deze regels is artikel 213 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 23. Begrotingsprocedure

1Het dagelijks bestuur zendt jaarlijks vóór 30 april een ontwerpbegroting van het openbaar lichaam voor het komende jaar, vergezeld van een behoorlijke toelichting, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten.

2Het dagelijks bestuur houdt bij het opstellen van de ontwerpbegroting rekening met de door de deelnemende gemeenten opgestelde begrotingsrichtlijnen.

3De ontwerpbegroting wordt door de deelnemende gemeenten voor eenieder ter inzage gelegd en algemeen verkrijgbaar gesteld.

4De raden kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen.

5Het dagelijks bestuur stelt de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting, door het algemeen bestuur, schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vierde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

6Het dagelijks bestuur voegt de zienswijze, voorzien van zijn reactie, toe aan de ontwerpbegroting zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

7De vaststelling van de begroting door het algemeen bestuur geschiedt niet eerder dan 12 weken nadat deze aan de raden van de deelnemers is verzonden in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.

8Terstond na de vaststelling van de begroting zendt het algemeen bestuur de begroting aan de gemeenteraden, die ter zake bij het college van Gedeputeerde Staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen.

9Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september aan het college van Gedeputeerde Staten van Gelderland.

10Dit artikel is, met uitzondering van de daarin genoemde data, van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting.

Artikel 24. Bijdragen van de gemeenten

1Indien de begroting een nadelig saldo heeft, kan in de begroting worden aangegeven, welke bijdrage elke gemeente verschuldigd is voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft. Als verdeelsleutel wordt gehanteerd het aantal inwoners volgens de door het Centraal bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari van het jaar, voorafgaande aan dat waarvoor de bijdrage is verschuldigd.

2Voor berekening van deze bijdrage wordt rekening gehouden met bijdragen van het Rijk en van anderen.

3De deelnemende gemeenten betalen bij wijze van voorschot jaarlijks voor 16 januari en 16 juli telkens de helft van de verschuldigde bijdrage.

Artikel 25: Jaarrekening

1Het dagelijks bestuur biedt de concept jaarrekening over het afgelopen jaar, onder toevoeging van een verslag van het onderzoek naar de deugdelijkheid van de rekening, ingesteld door de overeenkomstig artikel 212 van de Gemeentewet aangewezen deskundigen, en hetgeen het dagelijks bestuur te zijner verantwoording dienstig acht, met alle bijbehorende bescheiden jaarlijks vóór 30 april aan de deelnemende gemeenten.

2De raden kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de concept jaarrekening naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt deze zienswijzen, voorzien van zijn reactie, toe aan de concept jaarrekening zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

3De vaststelling van de jaarrekening door het algemeen bestuur geschiedt niet eerder dan 8 weken nadat deze aan de raden van de deelnemers is verzonden.

4Terstond na de vaststelling van de jaarrekening zendt het algemeen bestuur de jaarrekening aan de gemeenteraden, die ter zake bij het college van Gedeputeerde Staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen.

5Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli aan het college van Gedeputeerde Staten van Gelderland en Limburg.

6Vaststelling van de rekening strekt het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onrechtmatigheden.

Artikel 26 Verdeling batig resp. nadelig saldo

1Het dagelijks bestuur doet een voorstel tot verdeling van een batig exploitatiesaldo aan het algemeen bestuur en de deelnemende gemeenten toekomen tegelijkertijd met het verzenden van de jaarrekening.

2Indien besloten wordt een batig saldo geheel of deels onder de deelnemende gemeenten te verdelen geschiedt dit op basis van het inwonertal op basis van door het CBS ter beschikking gestelde inwonertallen.

3Het algemeen bestuur beslist dat een nadelig saldo van de jaarrekening:

a.Eerst geheel of gedeeltelijk ten laste van bestaande reserves wordt gebracht

b.Bij ontoereikende reserves over de termijn waarbinnen het tekort door het openbaar lichaam moet worden inverdiend en vervolgens

c.Voor welk deel het nadelig saldo ten laste van de deelnemers wordt gebracht die naar rato van het inwonertal daarin bijdragen.

Artikel 27: Vereveningsfonds

1De gemeenten zijn verplicht om bij te dragen in een fonds, strekkende tot het doen van uitkeringen aan de deelnemende gemeenten voor de kosten van transport van de afvalstoffen naar de verwerkingsinrichting. Het algemeen bestuur bepaalt welke parameters in de regeling worden meegenomen.

2Het algemeen bestuur bepaalt elk jaar hoe groot de in het eerste lid bedoelde bijdrage per gemeente zal zijn.

3De uitkeringen uit het fonds worden jaarlijks door het algemeen bestuur vastgesteld op basis van een te bepalen vergoedingsbedrag.

4De betaling van de in het eerste en derde lid bedoelde bijdragen en uitkeringen vindt plaats in de maand februari na afloop van het jaar, waarop deze betrekking hebben.

Artikel 28: Garantstelling

1De gemeenten zijn gezamenlijk garant voor de juiste betaling van rente, aflossing, boeten en kosten van de door het openbaar lichaam gesloten en af te sluiten langlopende en kasgeldleningen en in rekening courant opgenomen en op te nemen gelden, en voor de door het openbaar lichaam verstrekte garanties.

2Elke deelnemende gemeente is hierbij verbonden naar verhouding van haar inwonertal.

3Voor de vaststelling van het inwonertal zijn bepalend de laatste door het Centraal Bureau voor de Statistiek bekend gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari van het jaar.

4Alle deelnemende gemeenten, ook die welke op het moment van het ontstaan van de betalings- of garantieverplichtingen nog niet aan de gemeenschappelijke regeling deelnamen, staan naar rato van hun inwonertal garant voor de voldoening van betalingsverplichtingen en voor door het openbaar lichaam verstrekte garanties op het moment dat daarop door de betrokken rechthebbende aanspraak wordt gemaakt.

Hoofdstuk 11: Evaluatie

Artikel 29: Evaluatie

Ten aanzien van de evaluatie van de gemeenschappelijke regeling geldt dat:

a.Elke deelnemende gemeente een verzoek tot evaluatie kan indienen

b.Het algemeen bestuur bij meerderheid een besluit neemt over dit verzoek

c.Het algemeen bestuur de evaluatie-onderzoeksopdracht vaststelt

Hoofdstuk 12: Het Archief

Artikel 30: Archief

1Het Dagelijks Bestuur is belast met de zorg op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam.

2Het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de MARN is opgedragen aan de gemeentearchivaris van de gemeente Nijmegen.

3Het Algemeen Bestuur kan een regeling treffen met betrekking tot de zorg en het beheer volgens het eerste lid van dit artikel. Deze regeling wordt aan Gedeputeerde Staten meegedeeld.

4Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het Algemeen Bestuur een archiefbewaarplaats aan.

5Vanaf 1 januari 2022 voert de GR MARN uitsluitend een digitaal archief.

Hoofdstuk 13: Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing

Artikel 31: Toetreding en uittreding

1Het bestuur van een gemeente, dat wenst toe te treden of uit te treden richt het verzoek ter zake aan het algemeen bestuur.

2Het algemeen bestuur zendt het verzoek als bedoeld in het eerste lid binnen drie maanden door aan de besturen van de deelnemende gemeenten, onder overlegging van zijn advies omtrent de toetreding respectievelijk uittreding en de eventueel daaraan te verbinden voorwaarden.

3Toetreding respectievelijk uittreding vindt plaats indien de besturen van de meerderheid van de deelnemende gemeenten daarmee instemmen.

4Aan de toetreding respectievelijk uittreding kunnen bij de in het tweede lid bedoelde adviezen kaders worden verbonden die worden uitgewerkt in een toe- of uittredingsregeling en worden vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met betreffende gemeente.

a.de opzegtermijn voor uitreding bedraagt minimaal 1 jaar. De uittreding vindt plaats met ingang van 1 januari.

b.de opzegtermijn start op het moment dat de vaststellingsovereenkomst is afgesloten.

c.de hoogte van de uittredingssom wordt vastgesteld door het algemeen bestuur waarvoor een 2/3 meerderheid van het aantal uitgebrachte stemmen nodig is.

Bij uittreden worden in elk geval onderstaande zaken vastgelegd:

d.de uittredingskosten zijn de kosten die te maken hebben met (de afbouw van) de overcapaciteit die kan ontstaan in de personele en de materiële sfeer. Basis voor de uittredingskostenberekening zijn de gemiddelde realisatiecijfers (afbouw bedrijfsvoeringorganisatie, aangegane verplichtingen) van de drie jaren voorafgaand aan het jaar waarin het voornemen tot uittreden kenbaar wordt gemaakt. De kosten die niet direct aan de uittredende partij kunnen worden toegerekend, worden berekend door totalen per kostensoort naar rato te berekenen. Middelen die onderdeel uitmaken van een (algemene) reserve, worden naar rato in mindering gebracht op de te betalen uittredingskosten. Voor het bepalen van de kostenverdeelsleutel wordt aangesloten bij de kostenverdeelsleutel uit de begroting (art. 24.1).

e.de hoogte van uittredingssom wordt bepaald op de kosten die het samenwerkingsverband moet maken om de werkzaamheden uit te kunnen blijven voeren voor de deelnemende gemeenten zonder de uittredende gemeente. Tot een maximumbedrag van vijf jaar de inbreng van de uittredende gemeente in het jaar dat het besluit tot uittreding werd genomen.

f.de financiële consequenties worden op verzoek van het dagelijks bestuur door een onafhankelijke deskundige in beeld gebracht. Dit advies wordt bij het bepalen van de hoogte van de uittredingskosten betrokken.

g.Over de schade die ARN lijdt als gevolg van de uittreding worden door de uittredende partij, de MARN en ARN afspraken gemaakt. Op verzoek van het dagelijks bestuur kan hierbij een onafhankelijke deskundige betrokken worden.

h.het algemeen bestuur stelt een uittredingsregeling vast waarin bovenstaande kaders verder worden uitgewerkt.

i.het algemeen bestuur stelt een toetredingsregeling vast.

5De uitgewerkte toe- of uittredingsregeling wordt vastgesteld in het algemeen bestuur. Voorafgaand aan de vaststelling wordt een zienswijze aan de raden van de deelnemende gemeenten gevraagd .

6De toetreding respectievelijk uittreding gaat in op 1 januari van het jaar, volgende op het jaar waarin is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 9 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

7Binnen deze periode wordt de gemeenschappelijke regeling gewijzigd door alle deelnemende bestuursorganen. Een regeling kan worden gewijzigd met een meerderheid van ten minste 2/3 van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 32: Wijziging en opheffing

1De regeling kan worden gewijzigd of opgeheven bij daartoe strekkend besluit van de besturen van ten minste twee derde van het aantal deelnemende gemeenten.

2Indien het algemeen bestuur wijziging of opheffing van de regeling wenselijk acht, doet het dagelijks bestuur het daartoe strekkende voorstel van het algemeen bestuur toekomen aan de besturen van de deelnemende gemeenten.

3Voor zover bij de wijziging wettelijke bevoegdheden van het College van Burgemeester en Wethouders zijn betrokken, dient daartoe ook te worden besloten door ten minste twee derde van het aantal Colleges van Burgemeester en Wethouders van de deelnemende gemeenten.

Artikel 33: Liquidatie

1Ingeval van opheffing van de regeling, besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt daarvoor de nodige regelen. Hierbij kan van de bepalingen van de regeling worden afgeweken.

2Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, de raden van de deelnemende gemeenten gehoord, vastgesteld.

3Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de beëindiging voor het personeel, bedoeld in hoofdstuk 9, heeft.

4Het liquidatieplan geeft regels voor de wijze waarop de deelnemende gemeenten, voor zover het saldo ontoereikend is, zorgdragen voor de nakoming van de verplichtingen van het openbaar lichaam naar rato conform artikel 24.1

5Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie.

6Zo nodig blijven de organen van het openbaar lichaam ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie is voltooid.

Hoofdstuk 14: Slotbepalingen

Artikel 34: Klachtenregeling

1Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van hoofdstuk 9, titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht, een interne klachtenregeling vast.

2Het algemeen bestuur kan besluiten tot aansluiting bij een regionale ombudsfunctie in plaats van aansluiting bij de Nationale ombudsman.

Artikel 35: Duur van de regeling

De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

Artikel 36: Inwerkingtreding

De regeling of een wijziging ervan treedt in werking een dag nadat deze op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Alle voorgaande regelingen worden hiermee ingetrokken.

Artikel 37: Titel

De regeling kan worden aangehaald als Milieusamenwerking en Afvalverwerking Regio Nijmegen afgekort MARN.

Artikel 38: Toezending aan Gedeputeerde Staten

6Het bestuur van de gemeente Nijmegen draagt zorg voor de in artikel 26 van de Wet gemeenschappelijke regelingen bedoelde toezending en publicatie.

7Van alle besluiten die op grond van deze regeling worden toegezonden aan Gedeputeerde Staten, worden per gelijke post afschriften toegezonden aan Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.