Aanhef
De burgemeester van de gemeente Nijmegen,
Overwegende dat de wetgeving en jurisprudentie op het gebied van de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet sinds de laatste vaststelling van de beleidsregels aanzienlijk is gewijzigd, waardoor aanpassing van de beleidsregels wenselijk is;
Gelet op:
artikel 13b Opiumwet;
Besluit:
1deze ‘Beleidsregels artikel 13b Opiumwet Nijmegen’ vast te stellen;
2de op 5 september 2019 vastgestelde en op 10 september 2019, Gemeenteblad Nr. 221530 gepubliceerde Beleidsregel Bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet in te trekken;
3te bepalen dat deze beleidsregels in werking treden op de dag na de bekendmaking.
Beleidsregels artikel 13b Opiumwet Nijmegen
Voor de bestuursrechtelijke handhaving van bepalingen van de Opiumwet, is in deze wet artikel 13b opgenomen.
4. Juridisch kader
4.1. Bevoegdheid
4.1.1. Wettekst 13b, eerste lid, van de Opiumwet
De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a.een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
b.een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.
4.1.2 Daartoe aanwezig
De Afdeling legt de woorden ‘daartoe aanwezig’ in artikel 13b Opiumwet zo uit dat de burgemeester reeds bevoegd is om een herstelsanctie op te leggen, indien in een pand een handelshoeveelheid drugs aanwezig is. Het is dus niet noodzakelijk dat de drugs daadwerkelijk worden verhandeld. De handelshoeveelheid als zodanig schept al de gerechtvaardigde aanname dat de drugs (mede) bestemd zijn om te worden verhandeld. Indien er een hoeveelheid drugs wordt aangetroffen die groter is dan de gedoogde hoeveelheid voor eigen gebruik wordt in beginsel aangenomen dat sprake is van een handelshoeveelheid en (dus) dat die drugs (mede) bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Dit volgt o.a. uit de uitspraak van 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:738.
Volledigheidshalve wordt erop gewezen dat de bevoegdheid ook bestaat als er feitelijk geen drugs in een woning, lokaal en/of daarbij behorend erf worden aangetroffen, maar op grond van andere feiten en omstandigheden aannemelijk is dat drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt in of vanuit de betreffende woning, het lokaal en/of het daarbij behorende erf (zie o.a. ABRvS 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2593 en ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2400).
4.1.3 Aantasting openbare orde wordt bij handelshoeveelheid aangenomen
Gelet op de tekst van artikel 13b van de Opiumwet is voor het ontstaan van de hierin neergelegde bevoegdheid niet noodzakelijk dat de burgemeester aannemelijk maakt dat de aanwezigheid van drugs overlast heeft veroorzaakt. Door de aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs, wordt de aantasting van de openbare orde aangenomen. De openbare ordeverstoring in de vorm van druggerelateerde overlast in de omgeving hoeft voor het ontstaan van de bevoegdheid dan ook niet door middel van feiten en omstandigheden te worden aangetoond. De algehele afwezigheid van een merkbare openbare ordeverstoring kan wel een te betrekken omstandigheid zijn bij de vraag of de bevoegdheid ook mag worden gebruikt, in het kader van de evenredigheidstoets.
4.1.4. Voorbereidingshandelingen
De bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet heeft sinds 1 januari 2019 ook betrekking op zogenoemde voorbereidingshandelingen. Het betreft het voorhanden zijn van voorwerpen of stoffen zoals bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a van de Opiumwet.
Op grond van artikel 10a betreft het voorwerpen of stoffen, bestemd tot het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren of verstrekken van harddrugs.
Op grond van artikel 11a van de Opiumwet betreft het stoffen of voorwerpen, bestemd voor beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepteelt.
De aangetroffen situatie c.q. de aangetroffen voorwerpen en stoffen moeten van dien aard zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de voorhanden zijnde voorwerpen gebruikt zullen worden om strafbare voorbereidingshandelingen te plegen. Dat vereist een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals door bijvoorbeeld de politie vastgesteld. Dan gaat het bijvoorbeeld om de ter plekke aangetroffen situatie, de aard en de hoeveelheid van de in beslag genomen stof, de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie en andere uit het opsporingsonderzoek blijkende feitelijkheden zoals resultaten van tapgesprekken of observaties.
Bij deze beoordeling kan ook de Aanwijzing Opiumwet worden betrokken. Bijvoorbeeld bij een (in aanbouw zijnde) hennepplantage, waarbij aan de hand van het aantal (beoogde) planten, de mate van de professionaliteit en het doel van de teelt, het beroeps- of bedrijfsmatige karakter kan worden gewaardeerd. Dat geldt ook voor het Opiumwetbesluit als het gaat om de beoordeling van de grootschaligheid (artikel 1, tweede lid, van het Opiumwetbesluit).
Uit onder andere de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:617), volgt dat om bevoegd te zijn op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet, het niet nodig is dat alle aangetroffen voorwerpen tegelijk geschikt zijn om een drugsproductiepunt op te zetten. Voldoende is dat de burgemeester aannemelijk maakt dat de betrokkene wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de voorhanden zijnde voorwerpen voor dat doel bestemd waren. Ook indien slechts een deel van de voorwerpen voorhanden is die nodig zijn voor de productie van drugs, kan de burgemeester bevoegd zijn, mits de voorhanden zijnde voorwerpen daartoe bestemd zijn. Van belang is of het pand een schakel vormt in de productie of distributie van drugs.
Verder hoeft de burgemeester blijkens de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2523), niet aannemelijk te maken dat de aangeschreven persoon zelf wetenschap dan wel een ernstig vermoeden had dat de in het pand aanwezige stoffen of voorwerpen bestemd zijn voor onder meer het telen of bereiden van drugs. De bevoegdheid bestaat als op basis van de feitelijke situatie voldoende aannemelijk is dat er in het pand voorwerpen aanwezig waren waarvan kan worden geweten of ernstig worden vermoed dat deze bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig of grootschalig opzetten van een hennepplantage. Of de aangeschreven persoon wetenschap had, en of deze verwijtbaar heeft gehandeld, kan wel relevant zijn bij de vraag of de burgemeester van zijn bevoegdheid gebruik mag maken, in het kader van de evenredigheidstoets.
Het in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf voorhanden zijn van de genoemde voorwerpen of stoffen die tot voorbereidingshandelingen strekken, verschaft de burgemeester de bevoegdheid tot toepassing van een herstelsanctie.
Bij de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet wordt een andere (bewijs)maatstaf gehanteerd dan in het strafrecht. De bevoegdheid van de burgemeester is er niet van afhankelijk of een strafrechtelijke bewezenverklaring van overtreding van artikel 11a van de Opiumwet kan volgen. (ECLI:NL:RVS:2022:3378). Hetzelfde geldt als artikel 10a Opiumwet van toepassing is.
4.1.5. Discretionaire bevoegdheid
Het toepassen van een herstelsanctie is een discretionaire bevoegdheid. Dit houdt in dat als de bevoegdheid bestaat, de burgemeester niet verplicht is om van deze bevoegdheid gebruik te maken. Het toepassen van een herstelsanctie in de vorm van een sluiting kan ingrijpende gevolgen hebben voor de betrokkenen. Als uitgangspunt van deze beleidsregels geldt daarom dat de bestuursdwangbevoegdheid (sluiting) in beginsel alleen wordt toegepast indien dat in redelijke verhouding staat tot de aard, ernst en omvang van de overtreding (zie verder paragraaf 4.2 over de evenredigheidstoets).
4.2. Gebruik maken van de bevoegdheid (evenredigheidstoets)
4.2.1 Noodzakelijkheid
Een maatregel moet in het specifieke geval noodzakelijk zijn. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet worden beoordeeld of bijvoorbeeld de sluiting van een pand noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Daarbij moeten alle relevante omstandigheden in ogenschouw worden genomen. Hoewel herstel van de openbare orde niet op zichzelf een doel is van toepassing van de bevoegdheid, hebben overtredingen van de Opiumwet gevolgen voor het woon- en leefklimaat en gaan in meerdere of mindere mate gepaard met openbare ordeverstoringen. Die effecten op de omgeving worden betrokken in de beoordeling van de noodzakelijkheid aan de hand van de concrete omstandigheden.
Op de eerste plaats zijn de aard en hoeveelheid van de aangetroffen drugs van belang.
Ook is relevant of de drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld en of het pand feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Met een sluiting wordt de bekendheid van het pand als drugspand weggenomen en wordt de "loop" naar het pand eruit gehaald. Daarmee wordt beoogd om het pand aan het drugscircuit te onttrekken.
Dat drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij o.a. de politie of onderzoek van de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit het pand zoals gripzakjes, ponypacks, een (grammen)weegschaal en grote hoeveelheden contant geld en/of wapens.
Wanneer sprake is van toeloop, overlast of gevoelens van onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van het pand ongedaan te maken. Hierbij kan ook van belang of in de nabije omgeving in het recente verleden vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit.
Verder kan sluiting van het pand noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat het pand een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teelt /productielocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang wordt verschaft tot het pand aan derden om er te gebruiken. Met sluiting wordt het pand aan de keten van drugshandel onttrokken.
Tot slot is het relevant of het pand eerder betrokken is geweest bij Opiumwetovertredingen en er dus sprake is van herhaling. Sluiting draagt dan bij het structureel beëindigen van de overtreding en de voorkoming van nieuwe overtredingen.
4.2.2 Evenwichtigheid
Als blijkt dat een sluiting van een pand noodzakelijk is, dient onderzocht te worden of de duur van de sluiting evenwichtig is, ook als de duur in overeenstemming is met de duur die volgt uit deze beleidsregels. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals (maar niet uitputtend) de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, het bestaan van een bijzondere binding met een pand, de mogelijkheid om het pand na de sluitingsperiode weer te kunnen gebruiken, of – ingeval van een woning – de overtreder door sluiting op een zwarte lijst komt te staan bij een woningcorporatie als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio en of er – ook bij een woning – minderjarige en in het bijzonder jonge kinderen in de woning wonen.
De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat een sluiting noodzakelijk geacht wordt. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig, bijvoorbeeld als de betrokkene een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de overtreding of gezien de ernst en omvang van de overtreding.
5. Handhaving
5.2. Onderscheid woningen en lokalen
5.2.1 Ernstig geval woning
In de beleidsregels wordt ervan uitgegaan dat er bij Opiumwetdelicten in een woning sprake is van een ernstig geval, waardoor bij een eerste constatering van verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van drugs, dan wel voorwerpen of stoffen voorhanden zijn voor het bereiden, bewerken of vervaardigen van harddrugs of grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt de woning wordt gesloten.
Bij aanwezigheid van verzachtende indicatoren, zonder dat hier verzwarende feiten tegenover staan, is er geen sprake meer van een ernstig geval en moet op grond van jurisprudentie dus eerst gewaarschuwd worden.
Door deze beleidsregels wordt voldaan aan de wens van de wetgever en zijn de uitgangspunten in overeenstemming met de jurisprudentie.
5.2.2 Verzachtende indicatoren
Onder andere de volgende indicatoren kunnen worden beschouwd als verzachtend en kunnen ertoe leiden dat de burgemeester besluit een kortere woningsluiting op te leggen of te kiezen voor een waarschuwing of een last onder dwangsom:
•gezinssituatie met minderjarige, in het bijzonder jonge, kinderen. Bij een sluitingsmaatregel kan dit tevens aanleiding zijn een langere begunstigingstermijn te geven om vervangende woonruimte te zoeken;
•de hoeveelheid drugs die aangetroffen is;
•het aantal ruimten in de woning dat wordt gebruikt voor het verkopen, afleveren of verstrekken, dan wel daartoe aanwezig zijn van drugs dan wel de voorbereidings-handelingen daarvoor;
•het feit dat de woning dermate is aangepast dat de bewoner geen geschikte andere woonruimte kan vinden op korte termijn.
5.2.3 Verzwarende indicatoren
Onder andere de volgende indicatoren worden beschouwd als verzwarend en kunnen ertoe leiden dat de burgemeester besluit een langere woningsluiting op te leggen dan wel een verzachtende indicator weg te strepen:
•er is sprake van gevaarzetting: risico op brand, risico op instorting en/of schade in de omgeving door ondergraving;
•er is sprake van gebruik van chemische stoffen en daardoor van explosiegevaar en/of milieurisico’s;
•grote impact op de (leef)omgeving en/of grote criminele betrokkenheid;
•de hoeveelheid drugs die aangetroffen is;
•het aantal ruimten in de woning dat wordt gebruikt voor het verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van drugs dan wel de voorbereidings-handelingen daarvoor, is zodanig groot, dat de woonfunctie nog wel aanwezig is, maar ondergeschikt van aard is geworden;
•de bedrijfsmatigheid van het verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van drugs;
•de periode van overtreding: er is (bijvoorbeeld) sprake van meerdere oogsten.
Naast bovenstaande aspecten kan de burgemeester andere omstandigheden die voor het concrete geval relevant zijn, meewegen.
5.2.4 Woningcorporaties uitzonderingspositie
In geval van woningen in eigendom van een woningcorporatie wordt op basis van deze beleidsregels in beginsel niet overgegaan tot sluiting van de woning.
Woningcorporaties en de gemeente hebben een bijzondere verantwoordelijkheid op grond van de Huisvestingswet waardoor een andere belangenafweging voorligt (ECLI:NL:RVS:2020:1147).
Dat neemt niet weg dat de burgemeester van dit uitgangspunt kan afwijken, bijvoorbeeld door de ernst van de situatie, en gebruik kan maken van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
6. Handhavingsmatrixen
6.1 Coffeeshops
6.1.1 Experiment gesloten coffeeshopketen
Nijmegen is een van de experimentgemeenten in het kader van een gesloten coffeeshopketen. Sinds 17 juni 2024 is dit experiment formeel gestart. Op dit experiment is landelijke wetgeving van toepassing, inclusief handhavingsbevoegdheden. Daarvoor is de Beleidsregel handhaving experiment gesloten coffeeshopketen gemeente Nijmegen vastgesteld en in werking getreden op 16 juni 2024. Zolang Nijmegen deelneemt aan dit experiment en de deelnemende, toegelaten coffeeshops onder de werking van de experimentwetgeving vallen, heeft de genoemde Beleidsregel handhaving experiment gesloten coffeeshopketen gemeente Nijmegen voorrang op deze beleidsregel en blijft deze beleidsregel op dit punt buiten toepassing.
6.1.2 Illegale coffeeshops
Voor inrichtingen die feitelijk fungeren als coffeeshop, maar niet beschikken over een expliciete verklaring van de burgemeester zoals bedoeld in artikel 6a, tweede lid van de Wet Experiment gesloten coffeeshopketen, blijft de Opiumwet en artikel 13b onverkort van toepassing. Tegen deze lokalen wordt opgetreden volgens de matrix voor lokalen (zie 6.2)
6.1.3 Werkingssfeer waarschuwing
Bij een waarschuwing wegens overtreding van een van de AHOJ-G-I criteria , dan volgt ook een maatregel als vervolgens een ander AHOJ-G-I criterium wordt overtreden.
6.1.4 Matrix coffeeshops
•Het voeren van niet toegestane vormen van Affichering door coffeeshop (gedoogcriterium):
Een coffeeshop mag enkel een summiere aanduiding op de betreffende lokaliteit hebben zonder te vermelden dat er softdrugs worden verkocht. Het expliciet tonen van of verwijzen naar prijslijsten voor softdrugs en/of het tonen van een opsomming en/of een beschrijving van producten en/of afbeeldingen, ook als het via het internet gebeurt, is niet toegestaan:
1econstatering: schriftelijke waarschuwing;
2econstatering: sluiting gedurende een periode van drie maanden;
3econstatering: sluiting gedurende een periode van zes maanden.
•Het verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig hebben van Harddrugs (zijnde Opiumwetmiddelen anders dan de gedoogde softdrugs) in of vanuit de coffeeshop (gedoogcriterium):
1econstatering: sluiting gedurende een periode van een jaar;
2econstatering: sluiting gedurende een periode van wee jaar.
•Overlast, o.a. parkeren, geluidshinder, vervuiling, rondhangende klanten (gedoogcriterium):
1econstatering: schriftelijke waarschuwing;
2econstatering: sluiting gedurende een periode van drie maanden;
3econstatering: sluiting gedurende een periode van zes maanden.
•Verkoop of toegang aan Jeugdigen (gedoogcriterium):
1econstatering: schriftelijke waarschuwing;
2econstatering: sluiting gedurende een periode van drie maanden;
3econstatering: sluiting gedurende een periode van een jaar.
•Verkoop van Grote hoeveelheden, d.w.z. meer dan 5 gram per persoon per dag, maar minder dan 30 gram (gedoogcriterium):
1econstatering: schriftelijke waarschuwing;
2econstatering: sluiting gedurende een periode van drie maanden;
3econstatering: sluiting gedurende een periode van een jaar.
•Verkoop van Grote hoeveelheden, d.w.z. meer dan 30 gram per persoon per dag, maar minder dan 5 kilo (gedoogcriterium):
1econstatering: sluiting gedurende een periode van drie maanden.
2econstatering: sluiting gedurende een periode van een jaar;
3econstatering: sluiting gedurende een periode van twee jaar.
•Verkoop van Grote hoeveelheden, meer dan 5 kilo per transactie (gedoogcriterium):
1econstatering: sluiting gedurende een periode van een jaar;
2econstatering: sluiting gedurende een periode van twee jaar.
•Meer dan 500 gram aan handelsvoorraad aanwezig. Maximale handelsvoorraad is 500 gram (gedoogcriterium):
1econstatering: schriftelijke waarschuwing;
2econstatering: sluiting gedurende een periode van drie maanden;
3econstatering: sluiting gedurende een periode van een jaar.
•Overtreding van het Ingezetenen-criterium (gedoogcriterium):
1econstatering: schriftelijke waarschuwing;
2econstatering: sluiting gedurende een periode van drie maanden;
3econstatering: sluiting gedurende een periode van een jaar.
•Schijnbeheer of het niet aanwezig zijn van de op de exploitatievergunning vermelde beheerder (coffeeshopbeleid):
1econstatering: schriftelijke waarschuwing;
2econstatering: sluiting gedurende een periode van drie maanden;
3econstatering: sluiting gedurende een periode van één jaar.
•Gebruik inrichting in strijd met de vergunningvoorschriften, nadere of beleidsregels of andere bepalingen van het lokale coffeeshopbeleid:
1econstatering: schriftelijke waarschuwing;
2econstatering: tijdelijke sluiting of last onder dwangsom;
3econstatering: sluiting gedurende een periode van een jaar.
6.2 Matrix Lokalen (anders dan een gedoogde coffeeshop)
6.2.1 Last onder Dwangsom
Zoals vermeld onder 4.3 is het uitgangspunt van deze beleidsregels dat gekozen wordt voor een last onder bestuursdwang in de vorm van een sluitingsmaatregel. Indien op grond van de evenredigheidstoets een sluitingsmaatregel ten aanzien van een lokaal onevenredig wordt geacht, kan worden gekozen voor het opleggen van een last onder dwangsom aan de overtreder.
Bij een hennepkwekerij met of ingericht voor minder dan 200 planten geldt als uitgangspunt dat voor een dwangsombedrag van € 25.000,- (ineens) wordt gekozen. Bij een kwekerij met of ingericht voor 200 tot 500 planten bedraagt de hoogte van de dwangsom in beginsel € 50.000,- (ineens) en bij een kwekerij met of ingericht voor 500 planten of meer is de hoogte van het dwangsombedrag in beginsel € 75.000, - (ineens). Voor alle andere overtredingen geldt een dwangsombedrag van € 50.000, - (ineens) als uitgangspunt.
Van de hoogte van een dwangsom dient een voldoende financiële prikkel uit te gaan om een nieuwe overtreding te voorkomen. Indien specifieke omstandigheden daartoe aanleiding geven kan in de genoemde gevallen voor een hoger of lager dwangsombedrag gekozen worden dan de hiervoor genoemde.
6.3. Matrix Woningen
6.3.1 Waarschuwing/last onder dwangsom
Zoals vermeld onder 4.3 is het uitgangspunt van deze beleidsregels dat gekozen wordt voor een last onder bestuursdwang in de vorm van een sluitingsmaatregel. Voor woningen geldt hetzelfde uitgangspunt, mits er sprake is van een ernstig geval. Als daar geen sprake van is, wordt gekozen voor een waarschuwing.
Is er wel sprake van een ernstig geval, maar wordt op grond van de uitgevoerde evenredigheidstoets een sluitingsmaatregel onevenredig geacht, maar een waarschuwing als te licht (in verhouding tot de ernst en omvang van de overtreding en/of de mate van verwijtbaarheid), dan kan gekozen worden voor het aan de overtreder opleggen van een last onder dwangsom.
Bij een hennepkwekerij met of ingericht voor minder dan 200 planten geldt als uitgangspunt dat wordt gekozen voor een dwangsombedrag van € 25.000, - (ineens). Bij een kwekerij met of ingericht voor 200 tot 500 planten bedraagt de hoogte van de dwangsom € 50.000,- (ineens) en bij een kwekerij met of ingericht voor 500 planten of meer voor een bedrag van € 75.000, - (ineens). Voor alle andere overtredingen geldt een dwangsombedrag van € 50.000,- (ineens) als uitgangspunt.
Van de hoogte van een dwangsom dient een voldoende financiële prikkel uit te gaan om een nieuwe overtreding te voorkomen. Indien specifieke omstandigheden daartoe aanleiding geven kan in de genoemde gevallen voor een hoger of lager dwangsombedrag gekozen worden dan de hiervoor genoemde.