Aanhef
De raad van de gemeente Meerssen;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14 november 2023;
gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste tot en met vierde lid, en zesde lid, 2.1.4a, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikelen 3.8, tweede lid, en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;
gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein;
overwegende:
–dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;
–dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan;
–dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen;
–dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving;
besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Meerssen 2026.
2. De vraag van de inwoner
2.1.1 Het probleem van de inwoner
1Inwoners kunnen bij de gemeente terecht met vragen over hun probleem. Dat wordt een melding genoemd. Inwoners kunnen deze melding schriftelijk, mondeling, telefonisch of digitaal doen. Het is ook mogelijk dat iemand anders een melding namens de inwoner doet.
2De inwoner krijgt een schriftelijke bevestiging als de melding is ontvangen.
3De gemeente zorgt ervoor, dat inwoners goed worden geïnformeerd over de mogelijkheden om een melding te doen.
2.1.2 Doel en procedure melding
1Het doel van de melding is om de vragen van de inwoner te bespreken, samen te onderzoeken wat de inwoner nodig heeft, en te bespreken welke rol de gemeente en de inwoner hebben bij het oplossen van het probleem.
2De gemeente informeert de inwoner over de gratis hulp die een cliëntondersteuner kan geven.
3De inwoner kan zelf een plan opstellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is. In dat plan geeft de inwoner ook aan hoe hij zijn probleem wil oplossen (dat plan noemen wij een persoonlijk plan). De gemeente informeert de inwoner over die mogelijkheid.
4Het kan zijn dat het niet nodig is om na de melding in gesprek te gaan, bijvoorbeeld als het probleem van de inwoner al is opgelost. De gemeente overlegt hierover met de inwoner voordat die conclusie wordt getrokken.
2.1.3 Gegevens
1De gemeente verzamelt alle gegevens die nodig zijn voor het gesprek en het daaropvolgende onderzoek.
2Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde termijn te leveren. Bij de uitnodiging voor het gesprek wordt duidelijk gemaakt welke gegevens dat zijn.
3De inwoner zorgt ervoor, dat de gemeente alle gegevens krijgt die nodig zijn.
2.2.1 Doel en procedure van het gesprek
1De medewerker gaat met de inwoner in gesprek om een goed beeld te krijgen van het probleem van de inwoner en hoe dat probleem opgelost kan worden. De medewerker bespreekt daarbij ook wat de inwoner met zijn vraag precies wil bereiken (vraag achter de vraag). De gemeente zet zich ervoor in, dat dit gesprek zo snel mogelijk en maximaal binnen 6 weken na de melding plaatsvindt.
2Als de hulpvraag van de inwoner over begeleiding gaat geldt een andere procedure. Na de melding wordt in de inwoner aangemeld bij de algemene voorziening begeleiding. Zie hiervoor verder hoofdstuk 4 en artikel 4.3.1 van deze verordening.
3Om de hulpvraag goed te kunnen onderzoeken moet de inwoner en alle huisgenoten die mogelijk een bijdrage kunnen leveren aanwezig zijn bij het gesprek. De inwoner en de huisgenoten verstrekken de gegevens informatie die nodig zijn voor de beoordeling van de hulpvraag.
4De medewerker overlegt met de inwoner welke personen uit zijn netwerk aan het gesprek meedoen.
5Voordat het gesprek van start gaat laat de inwoner een geldig identiteitsbewijs zien, tenzij de medewerker de identiteit al eerder heeft vastgesteld. Als de inwoner een persoonlijk plan heeft gemaakt, betrekt de medewerker dit plan bij het gesprek.
2.2.2 Gesprek en onderzoek
1Het gesprek vindt bij de inwoner thuis plaats, maar kan in overleg met de inwoner ook elders plaatsvinden.
2Het gesprek kan bij wijze van uitzondering telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is voor het bespreken van de vraag.
3De medewerker onderzoekt de situatie van de inwoner. Als het nodig is vraagt de medewerker een deskundige daarbij om advies.
4De medewerker informeert de inwoner over mogelijkheden die er zijn om in bepaalde gevallen te kiezen voor een persoonsgebonden budget (pgb), zie artikel 6.3.1.
5De medewerker informeert de inwoner over een eventuele eigen bijdrage in de kosten.
2.2.3 Plan en verslag
1Tijdens of na het gesprek maakt de medewerker samen met de inwoner en zijn netwerk een plan waarin staat wat er nodig is om het probleem van de inwoner op te lossen en hoe dat kan worden gerealiseerd. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de situatie nu maar ook straks (korte en lange termijn).
2Het plan bevat een verslag van het gesprek en het onderzoek. Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden in het plan verwerkt of aan het verslag toegevoegd.
3De inwoner krijgt het plan uiterlijk 6 weken nadat de melding is ontvangen.
2.3.1 Aanvraag
1Nadat de medewerker samen met de inwoner een plan heeft gemaakt, is duidelijk of er (meer) hulp nodig is vanuit de gemeente. De inwoner kan dan een aanvraag daarvoor indienen.
2De inwoner kan een aanvraag schriftelijk en digitaal via e-mail indienen. Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente (vervolg)hulp gaat verlenen en zo ja, welke vorm die hulp dan heeft.
3Een ondertekend plan, eindverslag of deskundigenverslag geldt ook als aanvraag.
4De gemeente kan ook besluiten, dat voor bepaalde vormen van hulp een aanvraag met een ander aanvraagformulier wordt gedaan.
2.3.2 Voorwaarden voor maatwerkvoorziening
1Om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening, moet de inwoner in ieder geval voldoen aan de volgende voorwaarden:
a.De voorziening is noodzakelijk om (één van) de doelen van de Wmo te bereiken;
b.De inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken. Hij kan dit effect ook niet op andere manieren bereiken, zoals met de inzet van huisgenoten (gebruikelijke hulp), met mantelzorg, met hulp vanuit het persoonlijk netwerk, met algemeen gebruikelijke voorzieningen of met behulp van andere mogelijkheden of andere organisaties; en
c.Met de voorziening wordt het probleem van de inwoner effectief opgelost (het gewenste effect).
2Voor sommige vormen van hulp zijn er in de wet of in deze verordening extra voorwaarden gesteld.
3De maatwerkvoorziening is niet duurder dan nodig is en duurt niet langer dan nodig is. De gemeente kiest daarom voor de goedkoopste voorziening waarmee het probleem van de inwoner effectief opgelost kan worden.
2.3.3 Beoordeling gebruikelijke hulp
1Bij het onderzoek naar de noodzaak van een maatwerkvoorziening beoordeelt het college of er sprake is van gebruikelijke hulp van huisgenoten.
2Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid verwacht mag worden van huisgenoten.
3Huisgenoten zijn verplicht om, indien daarom wordt gevraagd, hun medewerking te verlenen aan het onderzoek naar gebruikelijke hulp en aan eventueel heronderzoek.
4Indien het college vaststelt dat gebruikelijke hulp mogelijk en passend is, wordt dit meegewogen in de beoordeling van de noodzaak voor een maatwerkvoorziening.
5Bij de beoordeling of gebruikelijke hulp in redelijkheid verwacht mag worden, wordt, voor zover daartoe aanleiding is, rekening gehouden met:
a.de samenstelling van de leefeenheid van de inwoner en diens huisgenoot of huisgenoten;
b.de aard van de relatie tussen de inwoner en diens huisgenoten;
c.de inhoudelijke aard, de omvang en de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de inwoner;
d.de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of huisgenoten om ondersteuning te bieden;
e.de mate waarin en de wijze waarop de inwoner voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens huisgenoot of huisgenoten;
f.overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten die van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de inwoner ondersteuning te bieden.
2.3.4 Redenen voor afwijzing maatwerkvoorziening
1Het college kan een maatwerkvoorziening weigeren als:
a.de hulpvraag ook opgelost kan worden met hulp uit een andere regeling zoals bijvoorbeeld de zorgverzekering;
b.de inwoner op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van zijn persoonlijke netwerk de beperkingen kan wegnemen of verminderen;
c.de inwoner gebruik kan maken van een algemene voorzieningen;
d.de voorziening voor de inwoner algemeen gebruikelijk is;
e.de inwoner de gevraagde hulp zelf al heeft ingeroepen of ingekocht, voordat de gemeente een besluit heeft genomen, tenzij de gemeente daarvoor toestemming heeft verleend;
f.de inwoner de gevraagde voorziening na de melding en voor het besluit heeft ingeroepen of ingekocht, tenzij de gemeente daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen;
g.er geen noodzaak voor de hulp is vastgesteld;
h.het gaat om vervanging van een voorziening die de gemeente heeft verstrekt, en de normale afschrijvingstermijn is nog niet verstreken. Een vervangende voorziening is wel mogelijk, als:
–de eerder afgegeven voorziening verloren is gegaan, zonder dat dit de inwoner te verwijten is, of
–de inwoner geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten, of
–de eerder afgegeven voorziening geen oplossing meer is voor het probleem van de inwoner.
i.als deze niet met name bedoeld is voor de betreffende inwoner zelf;
j.als deze niet langdurig noodzakelijk is;
k.als degene die de voorziening aanvraagt geen inwoner is van de gemeente Meerssen, met uitzondering van beschermd wonen, opvang;
l.als de verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt.
m.als de voorziening niet noodzakelijk was geweest als de inwoner rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan.
2.3.5 Advisering
1De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt deskundig is om deze melding of aanvraag goed te kunnen behandelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat iemand die wel deskundig is een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente dan bij de beoordeling van de melding of de aanvraag.
2De adviseur moet aantoonbaar beschikken over de juiste deskundigheid. De deskundigheid is afhankelijk van het soort gevraagd advies, onder andere:
a.Sociaal-medische kennis op het niveau van een arts;
b.Ergonomische kennis;
c.Bouwkundige/technische kennis;
d.Gedragswetenschappelijke kennis.
2.3.6 Beoordelen aanvraag
1Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang en bekend zijn.
2Om te bepalen of de gemeente hulp toekent, volgt de gemeente de volgende stappen:
•Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de inwoner is (welke behoefte heeft de inwoner?) en wat de inwoner met zijn hulpvraag wil bereiken (gewenste effect).
•Stap 2: De gemeente stelt hierna vast welke (on)mogelijkheden, problemen of beperkingen er precies zijn die belangrijk zijn voor het beoordelen van de vraag naar hulp.
•Stap 3: De gemeente brengt in kaart welke hulp nodig is.
•Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem zelf op te lossen (eigen kracht), of met behulp van andere personen uit het sociale netwerk of van andere organisaties, of met andere mogelijkheden.
•Stap 5: De gemeente bepaalt welke aanvullende hulp de gemeente kan geven om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken.
3Voor iedere stap geldt, dat de gemeente de deskundigheid inzet die nodig is om die stap goed te kunnen afronden. Is er bijzondere deskundigheid nodig, dan zet de gemeente die in. De gemeente stelt de inwoner op de hoogte van welke deskundigheid er op welk moment nodig is en ingezet wordt.
2.3.7 Beslistermijn
1De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 2 weken nadat de aanvraag is ontvangen.
2De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschoven als de inwoner onvoldoende gegevens heeft verstrekt. De gemeente vraagt de inwoner dan opnieuw om de ontbrekende gegevens te verstrekken.
3Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit wordt genomen.
2.4.1 Inhoud besluit
1De gemeente legt in een brief (beschikking) uit wat het besluit is, en stuurt deze brief naar de inwoner. Als de inwoner een wettelijk vertegenwoordiger heeft, dan wordt de brief naar die persoon gestuurd. In het besluit staat of de gemeente wel of geen hulp geeft. Ook blijkt uit het besluit welke rol de gemeente en de inwoner spelen bij het uitvoeren van het besluit. Als de gemeente hulp toekent, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een pgb, in geld of op een andere manier wordt gegeven. Hulp in natura betekent dat de hulp gegeven wordt door een aanbieder waar de gemeente een contract mee heeft.
2Geeft de gemeente de hulp ‘in natura’ (een product of een dienst), dan staat in het besluit in ieder geval:
a.wat de hulp inhoudt en wat het doel van de hulp is;
b.wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt;
c.welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden.
3Geeft de gemeente de hulp in de vorm van een pgb, dan staat in het besluit in ieder geval:
a.voor welke hulp het pgb bedoeld is;
b.wat het doel is van die hulp;
c.hoe hoog het pgb is;
d.wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb eindigt;
e.hoe de besteding van het pgb verantwoord wordt; en
f.welke voorwaarden en verplichtingen er voor het pgb gelden.
4Geeft de gemeente de hulp in de vorm van geld (financiële tegemoetkoming), dan staat in het besluit in ieder geval:
a.Hoe hoog het bedrag is;
b.voor welk doel het geld wordt gegeven;
c.wanneer het geld wordt betaald;
d.hoe vaak het geld wordt betaald; en
e.welke voorwaarden en verplichtingen er gelden voor het uitgeven van geld.
5De gemeente informeert de inwoner in het besluit ook over een eventuele bijdrage in de kosten.
2.5 Uitzonderingen
2.5.1 Spoedeisende gevallen
In spoedeisende gevallen kan de gemeente afwijken van de normale procedure om ervoor te zorgen dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is.
2.5.2 Second opinion
Wanneer de medewerker en de inwoner na een melding het niet eens worden over welke hulp van de gemeente er precies nodig is, kan de inwoner eenmalig vragen om een second opinion. Dat houdt in, dat een andere medewerker of een onafhankelijk deskundige opnieuw kijkt welke hulp passend is. De gemeente neemt de second opinion mee in het definitieve besluit op de aanvraag.
4. Begeleiding
4.3 Voorziening begeleiding
4.3.1 Algemene voorziening begeleiding
1Na de melding (zie stap 1 van hoofdstuk 2) wordt in de inwoner die de normale dagelijkse taken niet zelf kan doen aangemeld bij de algemene voorziening begeleiding.
2Met de aanbieder gaat de inwoner direct aan de slag met zijn hulpvraag. Dit gebeurt gedurende maximaal 13 weken of korter als blijkt dat de hulpvraag opgelost is of er toch een maatwerkvoorziening nodig is.
3De aanbieder maakt samen met de inwoner een eindverslag. Uit dit eindverslag blijkt dat:
a.de hulpvraag is opgelost; of
b.de hulpvraag is niet of maar deels opgelost en er is een maatwerkvoorziening nodig.
4Een ondertekend eindverslag geldt als aanvraag in de situatie van lid 3 sub b.
5Voor de algemene voorziening begeleiding wordt geen bijdrage in de kosten gevraagd.
5. Wonen en leven met een beperking
5.2 Zelfstandig en veilig wonen
5.2.1 Geschikte woning (woonvoorziening)
1De inwoner kan in aanmerking komen voor een bijdrage in de kosten van verhuizing, als het normale gebruik van de woning niet meer mogelijk is door een beperking van de inwoner en de inwoner verhuist naar een geschikte woning. De inwoner kan dan een geldbedrag krijgen voor de verhuizing en inrichting van een andere woning (forfaitair bedrag/tegemoetkoming). Het college stelt de hoogte van dit bedrag vast.
2Als verhuizing naar een geschikte woning volgens de gemeente niet mogelijk is of duurder is dan een verbouwing of een hulpmiddel, kan de inwoner in aanmerking komen voor een woningaanpassing (primaat van verhuizen). De woning wordt dan voor de inwoner bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar gemaakt.
3De inwoner kan geen woonvoorziening krijgen in de volgende situaties:
a.De belemmeringen die de inwoner in de woning ervaart, zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt;
b.Als de voorziening wordt gevraagd voor woonruimten die niet geschikt of bedoeld zijn voor permanente bewoning. In deze gevallen kan wel mogelijk een voorziening voor verhuizing en inrichting verstrekt worden;
c.De woonvoorziening is bedoeld voor aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex. Behalve als het gaat om automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimt of een bijdrage in de kosten van verhuizing;
d.voor specifiek op personen met beperkingen en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij (nieuw)bouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden;
e.Het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden;
f.De inwoner is verhuisd, zonder dat daar een aanleiding voor was op grond van zijn beperkingen;
g.De inwoner is verhuisd naar een woning die niet de meest geschikte woning is om de beperkingen die de inwoner ervaart in de woning, te verminderen of weg te nemen, tenzij de gemeente daar vooraf toestemming voor heeft gegeven;
h.de woning waar naartoe kan worden verhuisd niet geschikter is dan de huidige woning;
i.de woning waar naartoe kan worden verhuisd niet in de gemeente Meerssen staat, behalve als het om een verhuiskostenvergoeding gaat;
j.De belemmeringen die de inwoner ervaart, zijn het gevolg van de bouwkundige of woontechnische staat van de woning. Daaronder valt ook de toegankelijkheid van de woning;
k.De voorziening heeft een therapeutisch doel;
l.De inwoner heeft zijn hoofdverblijf niet of zal zijn hoofdverblijf niet hebben in de woning waarvoor de woonvoorziening wordt gevraagd, behalve als het gaat om het bezoekbaar maken van één woning.
m.De inwoner verhuisd naar of woont in een zorginstelling op grond van de Wet langdurige zorg.
5.2.2 Een schone en leefbare woning
1De inwoner die zijn woning langere tijd niet schoon en leefbaar kan houden, kan in aanmerking komen voor hulp bij het huishouden.
2Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de hulp ook bestaan uit het voor een korte periode overnemen van de hulp die ouders normaal gesproken aan de kinderen moeten bieden (gebruikelijke hulp). Deze hulp is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen.
3De hulp bij het huishouden zorgt voor het schoonmaken van het huis. In bijzondere situaties geeft de schoonmaakhulp extra ondersteuning bij het huishouden. Als het nodig is, ondersteunt die hulp ook bij het organiseren van het huishouden. Dat helpt de inwoner om het huishouden zelfstandig uit te voeren.
6. De vorm van de hulp
6.3 Persoonsgebonden budget (pgb)
6.3.1 Voorwaarden – algemeen
1De inwoner die in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan kiezen voor een pgb. De gemeente moet er wel van overtuigd zijn, dat de inwoner voldoet aan de volgende voorwaarden:
a.De inwoner kan voldoende voor zijn eigen belangen opkomen. Daardoor kan hij de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier uitvoeren, eventueel met hulp van iemand uit het persoonlijke netwerk, of met iemand die hem vertegenwoordigt.
b.De inwoner maakt de gemeente duidelijk waarom hij een pgb wil ontvangen.
c.De hulp die de inwoner met het pgb wil betalen, is van goede kwaliteit. De hulp moet veilig en doeltreffend zijn en passen bij de inwoner.
2De inwoner maakt in een budgetplan duidelijk dat aan de voorwaarden is voldaan. In het plan staat ook:
a.hoe de inwoner zijn hulp wil organiseren,
b.wie deze hulp gaat leveren,
c.wat de kosten zijn,
d.op welke manier de kwaliteit van de hulp en de veiligheid van de inwoner zijn gegarandeerd, en
e.dat de hulpverlener calamiteiten meldt bij de toezichthouder van de gemeente en meewerkt aan een onderzoek door deze toezichthouder naar de rechtmatigheid, kwaliteit en veiligheid van de hulp.
Het budgetplan moet worden goedgekeurd door de gemeente.
3De gemeente kan een pgb in elk geval weigeren in de volgende situaties:
a.De inwoner wil het pgb laten beheren door de aanbieder die ook de hulp biedt.
b.De gemeente heeft eerder een maatwerkvoorziening of een pgb toegekend, en dit besluit is herzien of ingetrokken, omdat de inwoner:
o onjuiste of onvolledige gegevens heeft doorgegeven;
o zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden die bij het pgb of de maatwerkvoorziening horen; of
o het pgb of de maatwerkvoorziening voor een ander doel heeft gebruikt.
c.Als er sprake is van een spoedeisende situatie.
d.De budgetbeheerder en de hulpverlener geen Verklaring omtrent het gedrag (VOG) kunnen laten zien.
e.De kosten van een pgb zijn voor de gemeente hoger dan de kostprijs voor een maatwerkvoorziening in natura. Het pgb kan dan geweigerd worden voor zover de kosten hoger zijn.
4Het pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het pgb kan niet besteed worden aan:
a.kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;
b.het voeren van een pgb-administratie;
c.ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie;
d.kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s); en
e.kosten aanvragen Verklaring omtrent gedrag (VOG).
6.3.2 Professionele of niet-professionele hulp
1Om de hoogte van het pgb voor een dienst vast te stellen, wordt onderscheid gemaakt tussen professionele en niet-professionele hulp.
2De inwoner kan het pgb besteden aan professionele hulp. Dat is hulp door een hulpverlener die:
a.in dienst is van een zorgverlenende organisatie die staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (volgens de eisen van de Handelsregisterwet 2007) en die niet behoort tot het sociaal netwerk van de inwoner, of die
b.als medisch professional staat ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG) en niet behoort tot het sociaal netwerk van de inwoner; of die
c.als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) beroepsmatig hulp verleent en niet behoort tot het persoonlijk netwerk van de aanvrager.
3De inwoner kan het pgb besteden aan hulp door een niet-professionele hulpverlener, als die hulpverlener:
a.aannemelijk heeft gemaakt dat de hulp niet tot overbelasting leidt en dat hij kwalitatief goede hulp kan bieden,
b.een opleiding heeft afgerond die nodig is om de betreffende hulp te kunnen verlenen, en
c.een Verklaring omtrent gedrag natuurlijke personen (VOG - specifiek screeningsprofiel 45) kan overleggen. De verklaring mag niet ouder zijn dan 3 maanden voor de datum van de aanvraag.
4Hulp door iemand uit het persoonlijk netwerk wordt altijd als hulp door een niet- professionele hulpverlener gezien, los van eventuele opleiding en ervaring.
6.3.3 Hoogte en tarieven pgb
1De hoogte van het pgb wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee de inwoner veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, producten en andere maatregelen kan contracteren. De gemeente stelt de hoogte van het pgb vast op ten hoogste de kostprijs voor de gemeente van de goedkoopste vorm van hulp in natura. Een overzicht van de toepasselijke tarieven is opgenomen in de bijlage. Gaat het om vervoer, dan wordt uitgegaan van ten hoogste de kostprijs van het ov als dit goedkoper is dan vervoer met een eigen vervoermiddel.
2Voor bepaalde vormen van professionele en niet-professionele hulp zijn vaste tarieven vastgesteld. Die staan in de Bijlage bij deze verordening.
a.Bij formele hulp geldt een gewogen prijsindexcijfer dat bestaat uit de Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA, 90%) en het Prijsindexcijfer Particuliere Consumptie (PPC, 10%). Het toe te passen prijsindexcijfer is de som van het voorlopig prijsindexcijfer OVA-PPC voor het komende jaar en een correctie van het prijsindexcijfer OVA-PPC van het lopende jaar. Als deze bedragen wijzigen draagt het college zorg voor de kenbaarheid van de meest recente bedragen.
b.Bij informele hulp geldt dat de tarieven worden geïndexeerd volgens de Wet Minimumloon en minimumvakantietoeslag. Als deze bedragen wijzigen draagt het college zorg voor de kenbaarheid van de meest recente bedragen.
3De gemeente stelt de hoogte van het pgb voor een product vast op basis van een of meer offertes van aanbieder(s) uit het goedgekeurde budgetplan en/of door de gemeente opgevraagde offerte(s). De gemeente stelt de hoogte van het pgb vast op het bedrag van de laagste geschikte offerte.
4De gemeente houdt bij het vaststellen van de hoogte van het pgb voor een product rekening met de levensduur van het product en met de kosten voor onderhoud en verzekering. Als het gaat om een tweedehands product wordt de kostprijs daarop gebaseerd met een looptijd gelijk aan de overgebleven afschrijvingstermijn.
6.3.4 Verantwoording pgb
1De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe het pgb is besteed en welke resultaten de hulp voor de inwoner heeft gehad. De inwoner is verplicht die informatie te geven. Het college kan daarvoor een formulier vaststellen dat de inwoner moet gebruiken.
2Als een inwoner een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb krijgt, wordt alleen de hulp uitbetaald die feitelijk geleverd is.
3Het pgb wordt uitbetaald door de Sociale Verzekeringsbank (SVB).
6.3.5 Opschorten pgb
De gemeente kan aan de SVB vragen om de uitbetaling uit het pgb helemaal of gedeeltelijk uit te stellen totdat een besluit is genomen om het pgb weer voort te zetten of in te trekken. Dit kan de gemeente in ieder geval doen als zij een sterk vermoeden heeft dat:
a.de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft doorgegeven, terwijl de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing van de gemeente;
b.de inwoner niet voldoet aan de voorwaarden die horen bij het pgb; of als
c.de inwoner het pgb niet of voor een ander doel (heeft) gebruikt.
7. Afspraken tussen inwoner en gemeente
7.1 Hoe gaan we met elkaar om?
7.1.1 De rol van de gemeente
1De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende:
a.Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk.
b.De inwoner heeft, om zijn probleem te bespreken, altijd recht op een gesprek met een medewerker.
c.De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie.
d.De gemeente zorgt voor eenvoudige aanvraagformulieren, als de inwoner voor bepaalde vormen van hulp een aanvraagformulier kan gebruiken. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn.
e.De gemeente informeert de inwoner over procedures die worden gevolgd. De gemeente zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn.
f.De gemeente respecteert zoveel mogelijk de privacy van de inwoner. De gemeente maakt binnen de wettelijke mogelijkheden gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn. De gemeente vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de vraag van de inwoner.
g.De gemeente wijst de inwoner op cliëntondersteuning.
2De gemeente reageert op een professionele manier op ontoelaatbaar gedrag van de inwoner. De gemeente zorgt voor het volgende:
a.De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over:
•zijn rechten en plichten;
•wat er van hem wordt verwacht;
•welk gedrag niet deugt;
•wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en
•waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt.
De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner voldoende geïnformeerd blijft over deze punten.
b.De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren door een maatregel te nemen.
c.De aard van de reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij:
•de ernst van het gedrag;
•de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en
•de persoonlijke situatie van de inwoner.
d.De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente eventueel de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).
7.1.2 De rol van de inwoner
1De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn probleem. De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende:
a.De inwoner gaat eerst na welke mogelijkheden hij zelf heeft om samen met zijn netwerk zijn probleem op te lossen.
b.De inwoner werkt mee aan de oplossing van zijn probleem.
c.De inwoner doet wat nodig is om de hulp van de gemeente tot een minimum te beperken en zo kort mogelijk te laten duren.
2De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende:
a.De inwoner informeert de gemeente direct over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner. Dit geldt ook als de hulp al is toegekend.
b.De inwoner houdt zich aan termijnen die de gemeente heeft gesteld. De gemeente geeft duidelijk aan hoeveel tijd de inwoner krijgt om alle informatie aan te leveren.
c.De inwoner brengt de gemeente direct op de hoogte van veranderingen in zijn situatie, als die van belang kunnen zijn voor de gemeente.
7.2 Beëindigen en terugvorderen van hulp
7.2.1 Beëindiging hulp
1De gemeente kan toegekende hulp geheel of gedeeltelijk beëindigen als dat in de wet of in deze verordening is aangegeven. De hulp kan in ieder geval worden beëindigd, vanaf het moment dat:
a.de hulp niet langer passend of nodig is;
b.de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan die vorm van hulp zijn verbonden;
c.de gemeente niet langer kan beoordelen of de inwoner in aanmerking komt voor hulp, omdat de inwoner onvoldoende of onjuiste informatie geeft, of onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op die hulp;
d.de hulp is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner;
e.de hulp voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld is;
f.de inwoner niet binnen een vastgestelde termijn gebruikmaakt van toegekende hulp, tenzij hem dit niet te verwijten is, of als
g.het gemeentelijk beleid is gewijzigd, en de inwoner daarom niet meer in aanmerking komt voor hulp. De gemeente houdt dan wel rekening met een redelijke overgangsperiode.
2De hulp kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken). De gemeente trekt dan het toekenningsbesluit in. De hulp kan ook gedeeltelijk worden ingetrokken (herzien). Dan blijft de hulp vanaf een bepaalde datum voor een deel in stand.
7.2.2 Terugvordering hulp
1Het college kan een product, of de waarde daarvan, van de inwoner terugvorderen. Dat kan het college alleen doen vanaf het moment dat de maatwerkvoorziening is ingetrokken of herzien:
a.omdat de inwoner opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens aan de gemeente heeft doorgegeven; en
b.Het college een andere besluit zou hebben genomen als de juiste gegevens waren doorgegeven..
2Het product of de waarde daarvan kan worden teruggevorderd van:
a.de inwoner die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens aan de gemeente heeft doorgegeven;
b.degene die opzettelijk hieraan heeft meegewerkt.
3Als de hulp volledig wordt ingetrokken, vordert de gemeente de kosten terug die zijn gemaakt vanaf de ingangsdatum van de hulp, tot aan het moment dat de hulp is stopgezet. Wordt de hulp gedeeltelijk ingetrokken, dan vordert de gemeente de kosten terug die zijn gemaakt in de periode dat de inwoner ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de hulp.
7.3 Hoe checkt de gemeente of de hulp nog zinvol is?
7.3.1 Check op de ontwikkelingen
1Het is belangrijk, dat de hulp aan de inwoner zinvol is. De gemeente checkt daarom geregeld of:
a.de inwoner die hulp nog nodig heeft,
b.de doelen van de hulp nog worden bereikt, en of
c.de hulp nog op de juiste manier wordt gegeven.
2De gemeente kan dat op verschillende manieren checken, bijvoorbeeld door middel van een huisbezoek, een telefoongesprek of een onderzoek naar de kwaliteit van de hulp.
7.3.2 Voorkomen van fraude
De gemeente stelt alles in het werk om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een duidelijke en volledige manier over de rechten en plichten. Ook informeert de gemeente inwoners over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen.
7.3.3 Toezichthouders
De gemeente kan een of meer ambtenaren aanwijzen die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd. Voor Wmo-hulp geldt dat de gemeente verplicht is toezichthouders aan te wijzen.
8. Inspraak en inwonerparticipatie
8.3 Adviesraad Sociaal Domein
8.3.1 Inspraak bij aanbieders
1Aanbieders zijn verplicht om inwoners die gebruik maken van hun diensten of producten, inspraak te geven over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn en daarover regels vast te stellen. Aanbieders zorgen ervoor dat deze regels onder de aandacht komen bij de gebruikers.
2De gemeente ziet erop toe dat de aanbieder de regels over inspraak naleeft. De gemeente overlegt regelmatig met deze aanbieders over de dienstverlening en onderzoekt jaarlijks hoe tevreden inwoners met de aanbieder zijn.
Bijlage 1 – Tarieven persoonsgebonden budget dienstverlening 2026
In de tabel hieronder staan de tarieven op grond waarvan een pgb wordt berekend. Hierbij geldt dat het PGB niet hoger mag zijn dan de kostprijs van de voorziening in natura. Als de werkelijke kosten van de voorziening lager zijn dan dit tarief, kennen wij een pgb toe ter hoogte van de werkelijke kosten.
De hoogte van het PGB is gerelateerd aan het uurloon van de hoogste periodiek van de geldende collectieve arbeidsovereenkomst (Cao), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren.
Cliënten mogen hulp inkopen die duurder is dan onderstaande tarieven. In dat geval moeten ze zelf het verschil tussen het ingekochte tarief en het maximumtarief bijbetalen aan de SVB.
Tabel 1a: Tarieven vanaf inwerkingtreding Verordening maatschappelijke ondersteuning 2026 voor nieuwe aanvragers en na herindicatie bestaande cliënten
Informele hulp
Dienstverlening
Tariefbepaling
2026
Huishoudelijke hulp
per uur
€ 18,20
individuele begeleiding
per uur
€ 18,20
Persoonlijke verzorging
per uur
€ 18,20
Groepsbegeleiding
per dagdeel
€ 18,20
Kortdurend verblijf
per etmaal
€ 45,50
Formele hulp
Dienstverlening
Tariefbepaling
2026
Huishoudelijke hulp
per uur
€ 31,38
individuele begeleiding
per uur
€ 46,97
Persoonlijke verzorging
per uur
€ 35,96
Groepsbegeleiding
per dagdeel
€ 46,97
Groepsbegeleiding met vervoer
€ 51,97
Kortdurend verblijf
per etmaal
€ 132,43
De tarieven van bovenstaande ambulante dienstverlening zijn als volgt tot stand gekomen:
–Huishoudelijke hulp informeel: het wettelijk minimumloon te vermeerderen met vakantietoeslag (8%) en de tegenwaarde van de verlofuren (237 uren). In dit tarief is geen rekening gehouden met mogelijke aanpassing per 1 januari 2026 van de Regeling dienstverlening aan Huis (zie hieronder).
–Begeleiding individueel informeel: het wettelijk minimumloon te vermeerderen met vakantietoeslag (8%) en de tegenwaarde van de verlofuren (237 uren). In dit tarief is geen rekening gehouden met mogelijke aanpassing per 1 januari 2026 van de Regeling dienstverlening aan Huis (zie hieronder).
–Persoonlijke verzorging informeel: het wettelijk minimumloon te vermeerderen met vakantietoeslag (8%) en de tegenwaarde van de verlofuren (237 uren). In dit tarief is geen rekening gehouden met mogelijke aanpassing per 1 januari 2026 van de Regeling dienstverlening aan Huis (zie hieronder).
–Groepsbegeleiding informeel: het informeel uurtarief begeleiding individueel als dagdeeltarief. Hulpverlener is zelf verantwoordelijk voor een minimale groepsgrootte van 4 personen.
–Kortdurend verblijf informeel: 2 uur informele begeleiding/ADL per etmaal (informeel begeleidingstarief) + 0,5 uur informeel toezicht per etmaal (informeel begeleidingstarief). Verblijfskosten worden niet vergoed.
–Huishoudelijke hulp formeel: het uurloon van de gemiddelde periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag (8%), eindejaarsuitkering (8%), opslag sociale lasten (27%) en de correctie voor productiviteit (79%).
–Begeleiding individueel formeel: het uurloon van de periodiekmix van de gemiddelde periodiek behorende bij begeleiding individueel van de voor de betreffende periode geldende cao SW (Sociaal Werk, 50%) en cao GGZ (Geestelijke Gezondheidszorg, 50%), te vermeerderen met vakantietoeslag (8%), eindejaarsuitkering (8%), opslag sociale lasten (27%) en de correctie voor productiviteit (79%).
–Persoonlijke verzorging formeel: het uurloon van de gemiddelde periodiek behorende bij persoonlijke verzorging (FWG30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag (8%), eindejaarsuitkering (8%), opslag sociale lasten (27%) en de correctie voor productiviteit (79%).
–Groepsbegeleiding formeel (inclusief of exclusief vervoer): het formeel uurtarief begeleiding individueel als dagdeeltarief. Hulpverlener is zelf verantwoordelijk voor een minimale groepsgrootte van 4 personen. Indien vervoer naar de locatie waar groepsbegeleiding plaatsvindt aan de orde is, geldt een forfaitaire opslag van €5,- per dagdeel.
–Kortdurend verblijf formeel: 2 uur formele begeleiding/ADL per etmaal (formeel begeleidingstarief) +0,5 uur formeel toezicht per etmaal (formeel begeleidingstarief) + verblijfskosten forfaitair tarief (€15,-)
–Opslag werkgeverslasten i.v.m. aanpassing Regeling Dienstverlening aan Huis: indien de Regeling Dienstverlening aan Huis wordt aangepast met als gevolg dat informele pgb’s worden belast met werkgeverslasten, dan worden de in de tabel opgenomen tarieven verhoogd met de van toepassing zijnde opslag werkgeverslasten (in het individuele geval). Dit kan een laag of een hoog tarief zijn. De SVB stelt gemeente en inwoner in kennis van het van toepassing zijnde percentage.
Tabel 2a: Tarieven voor bestaande cliënten die op het moment van inwerkingtreding van voorliggende verordening reeds een pgb ontvangen op basis van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Meerssen 2024
Informele hulp
Dienstverlening
Tariefbepaling
2026
Huishoudelijke hulp
per uur
€ 20,47
individuele begeleiding
per uur
€ 20,47
Persoonlijke verzorging
per uur
€ 20,47
Groepsbegeleiding
per dagdeel
€ 24,48
Kortdurend verblijf
per etmaal
€ 39,69
Formele hulp
Dienstverlening
Tariefbepaling
2026
Huishoudelijke hulp
per uur
€ 20,47
individuele begeleiding
per uur
€ 43,99
Persoonlijke verzorging
per uur
€ 33,13
Groepsbegeleiding
per dagdeel
€ 54,37
Groepsbegeleiding met vervoer
€ 59,96
Kortdurend verblijf
per etmaal
€ 123,55