Aanhef
Overwegende, dat de raad op grond van art.151c Gemeentewet de burgemeester de bevoegdheid heeft verleend tot de inzet van cameratoezicht in de openbare ruimte;
Overwegende, dat cameratoezicht een waardevol aanvullend instrument is bij het handhaven van de openbare orde en veiligheid in de openbare ruimte;
Overwegende dat het inzetten van cameratoezicht vanuit het oogpunt van privacy een zorgvuldige afweging vraagt;
Gelet op Artikel 151 c Gemeentewet en artikel 2.90 van de Algemeen Plaatselijke Verordening Maassluis.
BESLUIT
Vast te stellen de "Beleidsregel cameratoezicht openbare ruimte"
2. Juridisch kader
2.1 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en Grondwet
Op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 10 van de Grondwet moet de persoonlijke levenssfeer van inwoners worden gerespecteerd. Met andere woorden: inwoners hebben het recht om met rust gelaten te worden en onbevangen te zijn.
Als een camera op iemand wordt gericht, en de beelden worden opgenomen, wordt diegene per definitie niet met rust gelaten.
De inzet van cameratoezicht staat dan ook altijd op gespannen voet met artikel 8 van het EVRM en artikel 10 van de Grondwet.
Maar het respecteren van de persoonlijke levenssfeer is geen absoluut recht en wordt altijd afgewogen tegen andere rechten en belangen, zoals veiligheid. Zowel het EVRM als de Grondwet bieden ruimte voor inperkingen van die rechten, mits die inperking bij wet is voorzien en noodzakelijk is voor een legitiem doel. Artikel 151c Gemeentewet (Gw) juncto artikel 2.90 van de Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis (APV) bieden een wettelijke basis voor cameratoezicht in de openbare ruimte.
3. Cameratoezicht
3.1 Doelen cameratoezicht
De doelen van cameratoezicht zijn uit te splitsen in een primair doel en subdoelen.
Primair doel: Het primaire doel van cameratoezicht op grond van de Gemeentewet is het handhaven van de openbare orde, inclusief het voorkomen van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de samenleving.
Secundaire doelen: De secundaire doelen zijn preventie, het vergroten van het gevoel van veiligheid en de efficiëntere inzet van politie en andere diensten (denk aan bijvoorbeeld handhaving).
Het bevorderen van het veiligheidsgevoel en/of opsporing vormen op zichzelf nooit een zelfstandig doel voor gemeentelijk cameratoezicht. Het enkel inzetten van camera’s voor het veiligheidsgevoel zonder dat daar ook een integrale aanpak aan ten grondslag ligt, leidt tot schijnveiligheid. De plaatsing van cameratoezicht door de burgemeester is niet bedoeld voor de opsporing van strafbare feiten. Dit is het domein van het Openbaar Ministerie (OM), waarbij andere wet- en regelgeving geldt. Dat neemt niet weg dat camerabeelden soms bruikbare informatie bevatten voor opsporingsonderzoek en daarvoor onder voorwaarden ook mogen worden gebruikt voor dit doel.
3.2 Typen cameratoezicht
3.2.1 Vast cameratoezicht
Vast cameratoezicht betreft de inzet van statische camera’s die (langdurig) toezicht houden. Vaste camera’s hangen over het algemeen in gebieden met functies die kwetsbaar zijn voor overlast en criminaliteit, denk aan uitgaansgebieden of een stationsgebied.
Die gebieden kunnen te maken hebben met een structurele problematiek. Voor vast cameratoezicht moet dan ook sprake zijn van een langdurige verstoring van de openbare orde en ondanks genomen (minder ingrijpende) maatregelen is extra handhaving noodzakelijk. De aard, omvang en duur van de problematiek legitimeert de plaatsing. Het is onderdeel van een bredere aanpak in dat gebied of op die locatie en ondersteunend aan de functionarissen om de orde te kunnen handhaven in de openbare ruimte. Vast cameratoezicht wordt ingesteld voor een vaste periode waarna verlenging op basis van een toets aan de onderhavige beleidsregel kan plaatsvinden.
3.2.2 Flexibel cameratoezicht
Flexibele camera’s worden neergezet op plekken waar de problemen niet voortkomen uit de aard van het gebied, maar uit tijdelijke veranderingen in het gedrag van mensen. Het gaat dan bijvoorbeeld om plotseling opkomende overlast of criminaliteit in een woonwijk. Het kan ook gaan om een gepland evenement, manifestatie of bijvoorbeeld een voetbalwedstrijd waarbij de gemeente vreest voor verstoring van de openbare orde en om die reden kiest voor tijdelijke inzet van camera’s. In dit soort gebieden is vast cameratoezicht niet proportioneel, maar kunnen flexibele camera’s wel kortdurend en effectief worden ingezet. Het gebruik van mobiel cameratoezicht is in dit geval ondersteunend aan een bredere aanpak. Om de inbreuk op de privacy bij het gebruik van deze tijdelijke interventie zo beperkt mogelijk te houden, is de periode van plaatsing maximaal 3 maanden. Na afloop vindt een evaluatie plaats. Op basis van deze evaluatie, met de daarbij horende toets op subsidiariteit, proportionaliteit en noodzakelijkheid, wordt bepaald of mobiel cameratoezicht nog steeds een passende maatregel is. De inzet kan dan voor 3 maanden worden verlengd. Zo niet, dan wordt de mobiele camera verwijderd.
Bij flexibel cameratoezicht is er sprake van een gebiedsbesluit. Hiermee hoeft niet voor iedere exacte locatie een aanwijzingsbesluit gegeven te worden. Het aanwijzen van een gebied is voldoende.
3.2.3 Drones
Een bijzondere vorm van mobiel cameratoezicht is het gebruik van drones. Een camera die is bevestigd aan een drone maakt een grotere inbreuk op de persoonlijke levenssfeer dan een statische camera. Drones kunnen personen namelijk gemakkelijk volgen en cameratoezicht toepassen op plaatsen waar die personen verwachten onbespied te zijn. Het cameratoezicht door middel van drones is vaak ook niet zichtbaar. Als dus het doel van het cameratoezicht ook kan worden bereikt op een voor inwoners minder ingrijpende manier, bijvoorbeeld door middel van statische camera’s, dan is de inzet van drones (of andere flexibele camera’s) niet gerechtvaardigd. Het inzetten van drones in het kader van artikel 151c van de gemeentewet is mogelijk. De beperkingen voor het gebruik van drones zijn echter wel dat er niet boven grote mensenmenigten of aansluitende bebouwing gevlogen mag worden.
5. Procedure
5.4 Voorwaarden
5.4.1 Informatieplicht / kenbaarheid
Cameratoezicht mag niet heimelijk plaatsvinden en moet altijd breed worden gecommuniceerd. Het besluit waarin de burgemeester bekendmaakt dat er camera's worden geplaatst wordt gepubliceerd via Daadkracht. Inwoners hebben de mogelijkheid om bezwaar te maken.
De aanwezigheid van cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de openbare orde moet op een duidelijke wijze kenbaar zijn voor een ieder die de desbetreffende openbare plaats betreedt (artikel 151c, lid 6, Gemeentewet). Dit betekent dat niet kan worden volstaan met het plaatsen van één bord op een centrale plek binnen het cameragebied. Aan de betrokkenen moet in ieder geval aan de randen van het cameragebied kenbaar worden gemaakt dat zij een cameragebied betreden. De camera’s zelf hoeven echter niet zichtbaar te zijn. Ook hoeft niet zichtbaar te zijn of de camera’s in werking zijn. Voorts geldt dat aan het vereiste van kenbaarheid niet alleen moet worden voldaan als er beelden worden vastgelegd, maar ook als sprake is van monitoring en er dus geen opnames worden gemaakt.
5.4.2 Duur toezicht
In het aanwijzingsbesluit bepaalt de burgemeester , conform artikel 151c, lid 2 onder b, de duur van het cameratoezicht. Om een goede beoordeling te kunnen maken, wordt in Maassluis de duur van plaatsing altijd aan een evaluatie verbonden.
Als uit de evaluatie blijkt dat na het verstrijken van het termijn het cameratoezicht nog steeds noodzakelijk is, kan de burgemeester de periode verlengen.
Flexibel cameratoezicht wordt ingezet voor een periode van maximaal drie maanden. De camera’s worden ingezet om de aanpak in een gebied een stevige impuls te geven. Na afloop van de drie maanden kan er worden verlengd met nog eens maximaal drie maanden. Voor een verlenging kan worden gekozen wanneer de openbare orde sterk onder druk heeft gestaan en sinds de inzet van cameratoezicht tot rust is gebracht. De relatieve rust kan een precair karakter hebben en om die reden kan de inzet van camera’s de integrale aanpak langer blijven ondersteunen. Een gebied kan dan opnieuw worden aangewezen.