Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Loon op Zand houdende regels omtrent Wet aanpak woonoverlast Loon op Zand 2019

Gemeente Loon op Zand · geldt sinds 18 april 2019

Aanhef

De burgemeester van Loon op Zand,

Gelet op:

•artikel 2:79 Algemene Plaatselijke Verordening;

•artikel 1:3, lid 4 Algemene wet bestuursrecht;

•titel 4.3 Algemene wet bestuursrecht;

Overwegende dat:

•Op 1 juli 2017 de Wet aanpak woonoverlast in werking is getreden;

•de gemeenteraad op 13 december 2018 heeft besloten om toepassing te geven aan de in artikel 151d, eerste lid, van de Gemeentewet bedoelde bevoegdheid;

•het – mede gezien het bepaalde in artikel 2:79 Algemene Plaatselijke Verordening, tweede lid – wenselijk is beleidsregels vast te stellen met betrekking tot de toepassing van artikel 151d Gemeentewet wat betreft de bevoegdheden bij ernstige en herhaaldelijke woonoverlast;

B E S L U I T:

vast te stellen de ‘Beleidsregels Wet aanpak woonoverlast 2019’ inzake het gebruik van de bevoegdheid ex artikel 2:79 Algemene Plaatselijke Verordening om toepassing te geven aan de in artikel 151d Gemeentewet bedoelde bevoegdheid.

3. Doel en uitgangspunten

3.1.1 Doel

De beleidsregels scheppen enerzijds meer duidelijkheid over de in artikel 2:79 van de APV opgenomen zorgplicht, zodat burgers (beter) in staat zijn hun gedrag hierop af te stemmen. Anderzijds maken de beleidsregels inzichtelijk in welke gevallen en onder welke voorwaarden de burgemeester toepassing kan geven aan haar in artikel 2:79 van de APV opgenomen discretionaire bevoegdheid tot het geven van een gedragsaanwijzing. Het doel van de integrale aanpak is:

De ernstige en herhaaldelijke hinder van woonoverlast te beëindigen teneinde het woongenot van alle betrokken partijen te verbeteren of te herstellen.

3.1.2 Ondersteunende doelen:

» Op hoofdlijnen inzichtelijk maken wat de aard en reikwijdte is van de in artikel 2:79 opgenomen zorgplicht.

» Transparantie bieden over acties en maatregelen die betrokkenen kunnen verwachten bij overtreding van de zorgplicht m.b.t. het voorkomen van ernstige woonoverlast, waarbij het onderscheid tussen een huurwoning en een koopwoning van invloed kan zijn op de keuze voor een bepaalde aanpak, maatregel of gedragsaanwijzing (voorzienbaarheid).

» Verduidelijken dat gemelde of geconstateerde vormen van (ernstige) woonoverlast eerst op zorgvuldige wijze in kaart worden gebracht, onder regie van het sociaal wijkteam (zorgvuldigheid).

» Inzichtelijk maken dat ernstige en herhaaldelijke woonoverlast wordt bestreden met op de kenmerken van het individuele geval toegesneden specifieke maatregelen of gedragsaanwijzingen, die qua aard en intensiteit zo goed mogelijk aansluiten bij de aard en de ernst van de overtreding van de zorgplicht, teneinde te bewerkstellingen dat er door de gekozen maatregel(en) een einde komt aan de ernstige en herhaaldelijke woonoverlast (proportionaliteit en subsidiariteit).

3.2 Uitgangspunten

» De gedragsaanwijzing wordt door de burgemeester slechts ingezet indien de ernstige en herhaaldelijke hinder niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan (ultimum remedium).

» De beleidsregel kan uitsluitend worden toegepast indien er sprake is van ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden in of vanuit een woning of een bij die woning behorend erf, of in de onmiddellijke nabijheid van de woning of dat erf.

» De toepassing van de beleidsregel en de gedragsaanwijzing is maatwerk, afhankelijk van de omstandigheden van de casus en de integrale aanpak van de woonoverlast c.q. de zorg voor de overlastgever met de gezamenlijke partners.

» Met inachtneming van de proportionaliteit en subsidiariteit is het uitgangspunt van de interventie of maatregel het zo snel mogelijk beëindigen van de hinder om het woongenot van alle betrokken partijen te verbeteren of te herstellen.

3.3 Juridisch kader

Artikel 151d Gemeentewet

De basis van de aanpak woonoverlast is gelegen in artikel 151d van de Gemeentewet. Deze bepaling luidt als volgt:

1De raad kan bij verordening bepalen dat degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, er zorg voor draagt dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

2De in artikel 125, eerste lid, bedoelde bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het in het eerste lid bedoelde voorschrift wordt uitgeoefend door de burgemeester. De burgemeester oefent de bevoegdheid uit met inachtneming van hetgeen daaromtrent door de raad in de verordening is bepaald en slechts indien de ernstige en herhaaldelijke hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan.

3Onverminderd de laatste volzin van het tweede lid kan de last, bedoeld in de eerste volzin van dat lid, een verbod inhouden om aanwezig te zijn in of bij de woning of op of bij het erf. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen. De artikelen 2, tweede lid, en vierde lid, aanhef en onder a en b, 5, 6, 8, eerste lid, aanhef en onder a en b, 9 en 13 van de Wet tijdelijk huisverbod zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de burgemeester bij ernstige vrees voor verdere overtreding de looptijd van het verbod kan verlengen tot ten hoogste vier weken.

Artikel 2:79 APV

Artikel 2:79 van de APV bepaalt het volgende.

1Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

2De burgemeester is overeenkomstig artikel 151d van de Gemeentewet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang, indien de in het eerste lid bedoelde zorgplicht wordt geschonden.

De Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat regels over het opleggen van een last onder bestuursdwang en over de bevoegdheid tot vaststellen van beleidsregels. Verder kan ook de Wet tijdelijk huisverbod deels van toepassing zijn bij het uitvoeren van de beleidsregel.

Samenhang overige bevoegdheden

De Wet aanpak woonoverlast is een aanvulling op bestaande instrumenten om woonoverlast/hinder tegen te gaan. De belangrijkste instrumenten zijn:

» Artikel 174a Gemeentewet: de burgemeester kan een woning sluiten indien de woonoverlast/hinder een gevaar is voor de veiligheid, gezondheid en de openbare orde. Uit de jurisprudentie blijkt dat zeer zware eisen worden gesteld aan de toepassing van deze bevoegdheid: de woonoverlast/hinder moet nadelig zijn voor de veiligheid èn de gezondheid en geluidsoverlast kan geen reden zijn voor sluiting. Deze strenge eisen maken dat de bepaling eigenlijk niet meer goed toepasbaar is.

» Artikel 7:231, lid 2, Burgerlijk wetboek, artikel 14 Woningwet en artikel 77 Onteigeningswet. Deze bepalingen regelen dat een gesloten woning snel weer in gebruik kan worden genomen om de leefbaarheidsproblematiek (overlast) tegen te gaan door leegstand.

» Artikel 17 woningwet: een woning kan gesloten worden als de fysieke staat van het gebouw dusdanig slecht is dat de leefbaarheid en gezondheid in het geding komt.

» Artikel 13b Opiumwet (Wet Damocles): een woning kan gesloten worden als er sprake is van drugshandel vanuit de woning.

Deze bevoegdheden zien vooral toe op de fysieke staat van de woning, en op ernstige overtredingen waarbij de openbare orde en veiligheid in het geding is. De Wet aanpak woonoverlast vult deze bevoegdheden aan omdat zij zich vooral richt op gedragingen die worden gecategoriseerd als ‘sociale overlast’, zoals geluidsoverlast.

5. Stappenplan aanpak ernstige en herhaaldelijke woonoverlast

5.1 Stappenplan

Stap 1: Goed gesprek

Signalen of meldingen van woonoverlast kunnen de gemeente via diverse wegen bereiken. Omwonenden of anderen kunnen woonoverlast zelf rechtstreeks melden. Maar meldingen kunnen ook binnenkomen via buurtbemiddeling, politie, woningcorporatie, gemeentelijke bijzonder opsporingsambtenaren, sociaal team, spreekuur van het wijkteam, meldpunt Woonomgeving (RS8) of een van de samenwerkingspartners van de gemeente.

Als eerste stap in de aanpak van woonoverlast wordt gecheckt welke stappen al genomen zijn, om de woonoverlast te stoppen. Is er door een of meerdere bij de woonoverlast betrokken partijen (wijkbeheerder, de wijkagent, de boa, het sociaal team) getracht in gesprek te gaan met de overlastgever(s) en de communicatie tussen de partijen te stimuleren? In eerste instantie worden eenvoudige interventies van het wijkteam ingezet. Bijvoorbeeld de inzet van Farent, verhurende partijen en/of ContourdeTwern.

Ook de mogelijkheid van het inzetten van eventuele zorg of hulp kan aan de orde komen, bijvoorbeeld in het geval van schuldenproblematiek, psychische problemen, verslaving, vervuiling van de woning etc. De overlastgever kan in dit stadium laten zien geen zorgmijder te zijn door de aangeboden hulp te accepteren. In het geval van een zorgmijder wordt team bemoeizorg betrokken in de behandeling van de casuïstiek.

Verder kunnen ook strafbare feiten gepleegd zijn waartegen de politie optreedt of strijd met wettelijke bepalingen waartegen de gemeente handhavend kan optreden, zoals hennepteelt, over bewoning of illegale kamerverhuur.

Hulpverlening

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat hulpverlening geen standaard stap is in het proces van de aanpak van woningoverlast. In de aanpak van woonoverlast wordt hulpverlening ingezet in die casussen waarbij dit ook daadwerkelijk nodig is. Daar waar sprake is van een hulpvraag, moet er goede afstemming zijn tussen zorg en handhaving op vormen van woonoverlast zodat een juiste interventie kan worden ingericht. Deze afstemming vindt plaats in de sociale wijkteams.

•Bij het bepalen van de interventie van een (woon)overlastsituatie wordt rekening gehouden met de hulpvraag van de overlastgever. Als er naar oordeel van de partner(s) een hulpvraag is en de betrokken persoon openstaat voor hulpverlening kan de casus integraal in behandeling worden genomen in het sociaal wijkteam. Het sociaal wijkteam maakt een eerste inschatting van de casuïstiek en kan, indien indicering van zorg nodig is, opschalen naar het servicepunt.

•Acute gevallen van personen met verward gedrag, waarmee veelal de politie wordt geconfronteerd, worden afgehandeld via de richtlijn zoals uitgewerkt in het plan van aanpak ‘zorg voor personen met verward gedrag’.

Zie ook 5.1.3 Maatregelen bij psychische of psychiatrische aandoening’

Stap 2: buurtbemiddeling

Als stap 1 onvoldoende resultaat heeft opgeleverd kan buurtbemiddeling ingeschakeld worden. Buurtbemiddeling kan overlastsituaties door middel van mediation tussen beide partijen verminderen of zelfs helemaal oplossen. Een voorwaarde voor een geslaagde bemiddeling is dat beide partijen meewerken.

Als buurtbemiddeling leidt tot een succesvol resultaat kan worden besloten om een casusverantwoordelijke aan te wijzen die de situatie monitort.

Stap 3: Opschalen tot MDO

Als buurtbemiddeling niet tot een oplossing heeft geleidt, wordt een MDO gepland met alle betrokken instanties. Tijdens dit overleg wordt een casusverantwoordelijke aangewezen. Dit wordt de partij die inhoudelijk de grootste betrokkenheid heeft of de partij die de oorspronkelijke melding heeft ontvangen.

De overlastgever wordt door team veiligheid middels een brief geïnformeerd over het bespreken van de casus in een MDO en mogelijke vervolgstappen. Conform de AVG krijgt de overlastgever de mogelijkheid om een reactie te geven op het schrijven.

Stap 4: Vaststelling ernstige woonoverlast & dossiervorming

Als de woonoverlast voortduurt wordt de aanpak om de woonoverlast tegen te gaan vervolgd. Dit vervolg is afhankelijk van de situatie (maatwerk); moet hulpverlening worden betrokken? Is er sprake van een huur- of koopwoning? Wordt de woning verhuurd door een particuliere verhuurder? Deze situatie worden hier onderstaand nader toegelicht.

Zie Artikel 2:79, lid 2, van de APV voor de definitie van ernstige en herhaaldelijke woonoverlast. Criteria voor de beoordeling van ernstige en herhaaldelijke woonoverlast, en mogelijke inzet van de bevoegdheden van artikel 2:79 APV zijn:

•De overlast is gerelateerd aan wonen, en levert ernstige verstoring van het woongenot;

•Er is sprake van regelmatige en herhaaldelijke overlast (tijdspad van minimaal 3 maanden);

•Er zijn meerdere klachten;

•De ernstige woonoverlast kan niet met andere instrumenten tot een einde worden gebracht (andere passende en minder ingrijpende instrumenten staan niet ter beschikking, zijn tevergeefs toegepast of niet toepasbaar);

Voor deze afweging, en het vervolgtraject, is een gedegen dossier nodig, met beschrijving van o.a.

•Klachten, meldingen, concreet omschreven waarnemingen, registraties en (sfeer)rapportages van betrokken partners;

•Contactgegevens van betrokken bewoner(s), omwonenden en (professionele) partijen en instanties;

•Gespreksverslagen, beoordelingen en evaluaties en adviezen van bij de bestrijding van woonoverlast betrokken partijen;

•Correspondentie tussen (keten)partners en omwonenden;

•Waarschuwingsbrieven die door één of meerdere (keten)partners naar de overlastgever(s) is verstuurd;

•Foto’s , beeldmateriaal, geluidsopnames of de uitkomsten van bepaalde metingen;

•Brieven van hulpverlenende instanties, zoals GGZ, GGD, maatschappelijk werk en verslavingszorg, met inachtneming van privacywetgevingen.

Deze dossiervorming wordt gecoördineerd door de overlastregisseur en na afronding overgedragen aan team veiligheid van de gemeente Loon op Zand. Team veiligheid van de gemeente Loon op Zand is verantwoordelijk voor de volgende stappen en bewaakt de (AVG) waarborgen die beschreven staan onder 8.

stap 5: Inventarisatie en uitvoering (andere) interventies

Na dossieropbouw (door de gemeente) wordt bekeken welke interventies of maatregelen kunnen worden ingezet om de geconstateerde ernstige woonoverlast te de-escaleren, normaliseren en te beëindigen. Hierbij rekening houdend met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit én met de specifieke kenmerken van de casus. In dit stadium (in de aanpak ernstige woonoverlast) is de inzet van interventies op vrijwillige basis (aantoonbaar en vastgelegd in een dossier) een gepasseerd station, en worden gedwongen interventies ingezet. In bepaalde situaties kan een gesprek met de burgemeester ingezet worden, alvorens over te gaan tot gedwongen interventies. Daarbij geldt in beginsel een opbouw van licht naar zwaar. Een volgende interventie komt pas aan de orde indien de aanpak van de overlastsituatie met toepassing van andere wettelijke instrumenten niet mogelijk is of niet effectief is gebleken én een eerdere, minder ingrijpende interventiemaatregel niet tot het gewenste resultaat heeft geleid.

5.1 Mogelijke interventies

5.1.1 Interventie(s) bij woningcorporatie (bij huurwoningen)

In geval van huurwoningen is in eerste instantie de woningcorporatie in de lead voor de aanpak van ernstige en herhaaldelijke woonoverlast. De woningcorporatie kan bijvoorbeeld huurrechtelijke gedragsaanwijzingen opleggen.

Een huurder die ernstige en herhaaldelijke woonoverlast veroorzaakt, kan een “laatste kans” aangeboden krijgen, om de overlast te staken. De huurder krijgt nog een kans om, door middel van een verplicht begeleidingstraject, zijn gedrag te veranderen. Leeft de huurder de afspraken niet na, of blijft hij overlast veroorzaken, dan kan de verhuurder overgaan tot huisuitzetting.

Indien de bevoegdheden van de woningcorporatie niet afdoende zijn, of niet toepasbaar zijn voor de specifieke situatie, wordt gezocht naar andere interventies en/of opgeschaald naar het inzetten van de gedragsaanwijzing door de burgemeester.

5.1.2 Interventie(s) bij particulier verhuurder

Een eerste beoordeling van de overlastmelding vindt plaats door de partner waar de melding is ingediend. In het geval van particulier verhuur vindt afstemming plaats met de verhuurder. Deze moet in eerste instantie alles doen wat in zijn macht ligt om de woonoverlast te beëindigen. Mogelijkheden zijn onder andere: waarschuwingen, vrijwillige gedragsaanwijzing, gedragsaanwijzing via de rechter, fysieke maatregelen of uiteindelijk het beëindigen van de huurovereenkomst. Als de particuliere verhuurder alle instrumenten heeft ingezet om de woonoverlast te beëindigen en er is nog steeds sprake van woonoverlast, dan kan de particuliere verhuurder, voordat hij de huurovereenkomst wil beëindigen, de casus aanmelden bij het sociaal wijkteam. Let wel, de particuliere verhuurder is zelf verantwoordelijk voor het aanleveren van een dossier waarin voorgaande maatregelen staan opgenomen.

5.1.3 Interventie(s) bij psychische of psychiatrische aandoening (zie ook stap 1)

Bij veel overlastgevallen spelen psychische problemen of psychiatrische aandoeningen een rol. Overlastgevers zijn dan niet altijd redelijkerwijs aanspreekbaar op hun gedrag. De overlast moet echter wel gestopt worden, zeker als die ernstig is. In dit soort situaties is een nauwe samenwerking tussen gemeente, het sociaal domein, hulpverlening, politie en (in geval van huurwoning) woningcorporatie essentieel om deze mensen passende zorg of maatregelen te bieden, en aldus de woonoverlast te beëindigen.

In acute gevallen kan een burgemeester op verzoek van een geneeskundige verklaring besluiten tot in bewaringstelling (IBS, gedwongen opname, Wet Bopz/Wet verplichte GGZ). In andere – minder spoedeisende - situaties kan een direct betrokkene of (huis)arts een procedure tot rechterlijke machtiging (RM) starten. Op basis van de geneeskundige verklaring bepaalt de rechter of de overlastgever gedwongen opgenomen kan worden.

In situaties waarin IBS of RM niet geschikt of toepasbaar is kan een bestuursrechtelijke gedragsaanwijzing zoals verplichting tot hulpverlening of vrijwillige opname in psychiatrische kliniek een oplossing bieden. Daarbij wordt in bepaalde gevallen ook ingezet (moeten) op verhuizing naar een andere, meer beschutte/beschermde woonvorm.

5.1.4 Interventie(s) bij verloedering, vervuiling en brandgevaar

Hinder/woonoverlast als gevolg van of in combinatie met een overtreding van de wet- en regelgeving op het gebied van bouwen en wonen (Woningwet, Bouwbesluit, Huisvestingswet, bestemmingsplan), kan aangepakt worden met handhaving.

De Woningwet biedt diverse mogelijkheden tot aanpakken van woonoverlast, waaronder sluiting van woningen. Sluiting van woningen of panden is toepasbaar bij zowel koopwoningen als huurwoningen.

•Woningwet; artikel 1a geeft de verplichting voor de eigenaar of gebruiker van een woning om er voor te zorgen dat de staat van de woning geen gevaar oplevert voor de gezondheid of veiligheid.

•Woningwet; artikel 13b (Wet Victor) biedt grondslag om een pand na sluiting versneld in gebruik te (laten) nemen en zo leefbaarheidsproblemen als gevolg van langdurige leegstand te voorkomen (mogelijkheid om huurcontract te ontbinden bij woningsluiting; art.7:231 lid 2 Burgerlijk Wetboek), de eigenaar van een gesloten pand te verplichten om de woning in beheer te geven aan een instantie naar keuze van het bevoegde gezag (artikel 14 Woningwet), en over te gaan tot onteigening van een woning (art.77 Onteigeningswet).

•Woningwet; artikel 17 verleent de gemeente de bevoegdheid om een woning te sluiten indien de staat of het gebruik ervan dusdanig is dat het een bedreiging van de leefbaarheid of een gevaar voor de veiligheid of de gezondheid tot gevolg heeft.

•Gemeentewet; artikel 174a (Wet Victoria) geeft bevoegdheid tot sluiting van een woning bij verstoring van de openbare orde rond de woning als gevolg van gedragingen in de woning.

•Opiumwet; artikel 13b (Wet Damocles) biedt de mogelijkheid woningen of voor het publiek toegankelijke inrichtingen te sluiten als daar sprake is van drugshandel.

5.1.5 Interventie(s) uit overige wettelijke kaders

Voorbeelden van andere wettelijke kaders, in te zetten bij vormen van woonoverlast:

•Naast de hierboven beschreven mogelijke interventies door hogere wetgeving, beschrijft de Algemene Plaatselijke Verordening een aantal lokale bepalingen ten aanzien van diverse vormen van aan wonen verbonden overlast, zoals:

° Artikel 2.59; betreffende gevaarlijke honden (o.a. muilkorfverplichting);

° Artikel 2.60; betreffende overlast dieren;

° Artikel 4.13; betreffende opslag afvalstoffen.

•Wet tijdelijk huisverbod; de wet die o.a. bepaalt dat een pleger van huiselijk geweld in een bepaalde tijd zijn of haar woning niet meer in mag.

•Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz ).

Naast direct op woonoverlast gerichte wettelijke kaders zijn er diverse wettelijke kaders, gericht op de fysieke leefomgeving (bijv. de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht; Wabo, Milieuwet). Naar verwachting in 2021 wordt de Omgevingswet ingevoerd, die een groot aantal huidige wetten en bijbehorende regelgeving, gericht op de leefomgeving, vervangt.

5.1.6 Interventie(s) uit strafrecht

Bij ernstige normschendingen, bedreiging en discriminatie of bij escalatie in de vorm van geweld tegen personen of goederen bestaat de mogelijkheid te handhaven op basis van het strafrecht. Het Openbaar Ministerie kan de overlastveroorzaker stafrechtelijk vervolgen. Lopende het strafrechttraject kan het nodig worden geacht om maatregelen in het kader van de wet aanpak woonoverlast in te zetten.

5.2 Inzet bevoegdheden artikel 2:79 APV

Als blijkt dat de stappen op vrijwillige basis, de bevoegdheden van de woningcorporatie èn andere wettelijke kaders niet afdoende of toepasbaar zijn voor de specifieke situatie, kan de burgemeester besluiten tot inzetten van bevoegdheden op grond van artikel 2:79 APV (artikel 151d Gemeentewet).

5.2.1 Juridische procedure

De eerste stap daarbij is het afgeven van een op schrift gestelde ‘officiële waarschuwing’ van de burgemeester. In deze waarschuwing wordt gewezen op de bevoegdheid van de burgemeester tot het geven van een gedragsaanwijzing, staat beschreven wat de overlastgever moet doen of juist moet nalaten, zodat de overlast ophoudt, en de dwangsom die opgelegd wordt dan wel bestuursdwang die toegepast wordt indien de overlast niet ophoudt.

Indien ook deze stap (waarschuwing door de burgemeester) niet tot het gewenste resultaat leidt, besluit de burgemeester tot al dan niet opleggen van een gedragsaanwijzing of het daadwerkelijk toepassen van bestuursdwang.

In beginsel wordt gekozen voor een last onder dwangsom. Daarbij wordt exact omschreven wat van de betrokken overlastgever wordt verwacht, welke begunstigingstermijn daarvoor geldt en wat de gevolgen zijn bij het niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de opgelegde last. De last wordt afgestemd op de aard van de overtreding en op de individuele omstandigheden van het geval. In bepaalde gevallen, bijvoorbeeld als direct optreden van overheidswege nodig wordt geacht, of wanneer op voorhand duidelijk is dat een last onder dwangsom niet of niet voldoende effectief zal zijn, kan direct worden gekozen voor het daadwerkelijk toepassen van bestuursdwang.

Voordat een last wordt opgelegd, wordt het voornemen om een last op te leggen kenbaar gemaakt aan de betrokkene. De betrokkene wordt vervolgens in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over het voornemen kenbaar te maken. De aangevoerde feiten of omstandigheden kunnen al dan niet aanleiding geven om af te zien van het opleggen van een last.

Het opleggen van een last is een besluit als bedoeld in artikel 1:3 lid van de Awb. Dit houdt in dat de algemene procedures uit de Awb moeten worden gevolgd. Nadat het voornemen om een last op te leggen kenbaar is gemaakt en de betrokkene is gehoord, moet een definitief besluit worden opgesteld en kenbaar worden gemaakt aan de betrokkene. Het besluit moet gericht zijn aan een persoon en kan niet gericht zijn aan een groep.

Bij de voorbereiding van het besluit moet de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen worden vergaard (zorgvuldigheidsvereiste). Om aan te kunnen tonen dat een zorgvuldig besluit is genomen, moeten de volgende onderwerpen in het besluit over het opleggen van een gedragsaanwijzing worden opgenomen:

-de bevoegdheid om een gedragsaanwijzing op te leggen (artikel 2:79 van de APV);

-wanneer de overlast heeft plaatsgevonden;

-waar de overlast heeft plaatsgevonden;

-de gedragingen waar de gedragsaanwijzing op is gebaseerd;

-de ernst van de gedragingen;

-periode van de gedragsaanwijzing;

-eventuele tijdsduur van de gedragsaanwijzing;

-bezwaarschriftenclausule;

-clausule inzake de procedure voorlopige voorziening.

5.2.2 Criteria voor de maatregelen of gedragsaanwijzingen artikel 2:79 APV

» De opgelegde maatregelen of gedragsaanwijzingen zijn toegesneden op de kenmerken van het individuele geval, en sluiten qua aard en intensiteit zo goed mogelijk aan bij de aard en de ernst van de overtreding van de zorgplicht.

» Het moet in het vermogen van de betrokkene liggen om de hinderlijke gedragingen te beëindigen. Ook moet het in diens vermogen liggen om aan de eventueel opgelegde last te kunnen voldoen. Dit vloeit voort uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Soms wordt de woonoverlast veroorzaakt door mensen met psychische problemen. Het is mogelijk dat zij, door hun psychische gesteldheid, niet bij machte zijn de woonoverlast gevende gedragingen te staken. Een gedragsmaatregel op grond van deze wet is dan mogelijk niet voldoende of geen passende maatregel ter beëindiging van de woonoverlast.

» Bij het opleggen van een dwangsom wordt rekening gehouden met de prikkel die moet uitgaan om de opgelegde maatregel uit te voeren.

» De nadelige gevolgen van de last mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de last te dienen doelen. De hoogte van de last moet in verhouding staan tot de overtreding.

Het besluit treedt onmiddellijk in werking nadat het op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.