Aanhef
Nadere regels voor de uitvoering van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Leiden 2020, met betrekking tot leidingen en de Telecommunicatieverordening gemeente Leiden 2012
3. Procedure tot het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in de Vfl, met betrekking tot leidingen of een instemmingsbesluit als bedoeld in de Telecommunicatieverordening
3.3 Procedurebeschrijvingen ten behoeve van het aanvragen of wijzigen van een vergunning of instemmingsbesluit
3.3.1 Reguliere procedure: voorbereiding en aanvraag vergunning of instemmingsbesluit
Leidingexploitant/rechthebbende
Gemeente Leiden
Start: initiatief van leidingexploitant om een leiding of telecomkabel van A naar B te leggen, te wijzigen of te verwijderen.
Indien de leidingexploitant de aanvraag door een derde persoon wil laten uitvoeren, dient een machtigingsformulier te worden overlegd. (In het vervolg van dit Handboek wordt het begrip ‘leidingexploitant’ gebruikt. Hiervoor kan ook gelezen worden: zijn gemachtigde).
Tijdens de ontwerpfase van een aan te leggen tracé is het raadzaam dit vooraf te bespreken met het college. Het doel van vooroverleg is om te voorkomen dat in een later stadium mogelijk stagnatie zal optreden.
Indien (mogelijk) sprake is van één of meer van de navolgende situaties wordt vooroverleg sterk aanbevolen:
a.het betreft een tracé in de binnenstad (bijlage 1) en de uitvoering duurt langer dan 2 werkdagen;
b.het tracé bevindt zich in een gebied met weinig ruimte in de ondergrond, bijvoorbeeld vooroorlogse wijken of wijken met smalle trottoirs;
c.het tracé bevindt zich in een gebied met monumentale bomen of bomen met een stamdoorsnee van 14 centimeter of meer op een hoogte van 1,30 meter,
d.de lengte van het tracé is langer dan 1 kilometer.
In de situaties als hier omschreven wordt de leidingexploitant dringend geadviseerd om tenminste zes (6) weken voorafgaande aan het te houden vooroverleg een concept-tekening in te dienen waarop het voorgestelde tracé duidelijk is weergegeven.
Optioneel: het college beoordeelt globaal het concepttracé. Wanneer dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is, zal de leidingexploitant worden uitgenodigd om het concepttracé mondeling toe te lichten.
De leidingexploitant stemt zijn intentie / voorlopig ontwerp af met derde partijen (onder andere private grondeigenaren, naastliggende en boven of onder liggende leidingexploitanten, andere publieke instellingen).
De leidingexploitant verwerkt de eventueel ontvangen opmerkingen en stelt een definitief tracé op volgens de eisen uit dit Handboek.
De leidingexploitant vraagt een leidingvergunning of een instemmingsbesluit aan door middel van het indienen van een complete en volledige set aanvraagdocumenten, inclusief alle bijlagen, in overeenstemming met de hiervoor opgenomen indieningsvereisten.
Na ontvangst van de aanvraag, controle op de juistheid en volledigheid stuurt het college een ontvangstbevestiging naar de leidingexploitant. Als de aanvraag incompleet wordt ontvangen stuurt het college een verzoek om aanvullende gegevens naar de leidingexploitant. De beslistermijn wordt dan opgeschort.
Indien de aanvraag niet compleet is, stuurt de leidingexploitant binnen de daarvoor gestelde termijn de aanvullende gegevens naar het college.
Het college beoordeelt de aanvraag en neemt deze in behandeling.
Als blijkt dat de behandeling van de aanvraag meer tijd vergt dan 8 weken, stuurt het college een verlengingsbericht naar de leidingexploitant. De behandelingstermijn wordt dan verlengd met maximaal 6 weken.
Het college stemt de aanvraag af met de betrokken afdeling(en) binnen de gemeente.
Indien de aanvraag wordt goedgekeurd of afgewezen stuurt het college de leidingexploitant een beschikking.
Einde: Beschikking is afgegeven.
3.3.2 Verkorte procedure: voorbereiding en aanvraag vergunning of instemmingsbesluit bij leidingen met een lengte van minder dan 25 meter of bij huisaansluitingen
De verkorte procedure is van toepassing op het maken van huisaansluitingen en op werkzaamheden in de openbare ruimte met een tracélengte van minder dan 25 meter.
Het college neemt alleen volledig ingediende aanvragen in behandeling. Vervolgens beoordeelt het college de aanvraag en geeft, indien akkoord, toestemming tot het uitvoeren van de werkzaamheden. Deze toestemming is juridisch aan te merken als een leidingenvergunning of instemmingsbesluit.
Van de verkorte procedure zijn uitgesloten:
–trafohuisjes, andere bovengrondse bouwwerken die onderdeel uitmaken van een leiding en andere bovengrondse netwerk ondersteunende objecten;
–hoogspanningskabels vanaf 50 kV;
–transportleidingen ten behoeve van stadsverwarming;
–hoge druk gasleidingen vanaf 8 bar;
–watertransportleidingen;
–bouwaansluitingen;
–huisaansluitingen met een diameter groter dan 160 millimeter.
Indien de verkorte procedure van toepassing is geldt de navolgende procedurebeschrijving.
Leidingexploitant
Gemeente Leiden
Start: initiatief om werkzaamheden uit te voeren die onder de verkorte procedure vallen.
Optioneel: leidingexploitant stemt zijn intentie af met derde partijen (onder andere private grondeigenaren, naastliggende leidingexploitanten, andere publieke instellingen).
De leidingexploitant vult het formulier “Melding ingraving” in en stuurt dit naar het college.
Het college controleert de melding op juistheid en volledigheid. Als de aanvraag incompleet wordt ontvangen, neemt het college contact op met de leidingexploitant.
Het college beoordeelt binnen vijf werkdagen de aanvraag.
Indien akkoord: het college ondertekent het formulier “Melding ingraving” en stuurt dit naar de leidingexploitant.
Indien niet akkoord: het college stelt de leidingexploitant op de hoogte. De leidingexploitant kan eventueel in overleg treden met het college en/of een reguliere aanvraag indienen.
3.3.3 Calamiteiten
Onder een calamiteit wordt in de Vfl verstaan: een storing of incident aan een leidingnetwerk of onderdeel daarvan met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving die door onmiddellijk ingrijpen kunnen worden beperkt.
Voor kabels als bedoeld in de Telecommunicatieverordening geldt daarbij het volgende:
1Indien een bestaande telecomkabel storing oplevert dan wordt dit aangemerkt als calamiteit. De telecomkabel dient in volledigheid aanwezig te zijn vanuit de kast tot en met in huis.
2Indien een bestaande telecomkabel in bebouwing is geïntegreerd en daardoor niet (direct) traceerbaar is voor de telecomexploitant wordt dit door het college niet als calamiteit aangemerkt.
3Indien een nieuwe telecomkabel dient te worden aangelegd vanuit de kast tot en met in huis, wordt dit door het college niet als calamiteit aangemerkt.
4Indien een nieuwe telecomkabel getrokken moet worden vanaf de hoofdleiding of kast geldt dit als een nieuwe aansluiting. Het college merkt dit niet aan als calamiteit.
Indien sprake is van een calamiteit als hier omschreven is het de verantwoordelijke exploitant toegelaten om de direct noodzakelijke werkzaamheden uit te voeren zonder een vooraf verkregen vergunning met inachtneming van het bepaalde in dit Handboek.
In alle gevallen dient binnen 24 uur na de aanvang van de werkzaamheden alsnog de benodigde vergunning of het benodigde instemmingsbesluit te worden aangevraagd op de wijze als hiervoor beschreven.
3.3.4. Administratieve wijziging
Een administratieve wijziging komt voor als een leidingexploitant van naam, adres, postcode en (woon)plaats is veranderd. Deze wijziging moet worden doorgegeven aan het college.
Leidingexploitant
Gemeente Leiden
Start: voorgenomen administratieve wijziging.
De (leiding)exploitant doet een aanvraag om wijziging van de administratieve gegevens op de vergunningen waarvan de exploitant vergunninghouder is. In de aanvraag zijn alle vergunningen genoemd waarop de aanvraag betrekking heeft. De aanvraag gaat vergezeld van bijlagen voor zover dat nodig is voor de doorvoering van de administratieve wijziging en is ondertekend door of namens een of meer (rechts)personen die (gezamenlijk) bevoegd zijn de leidingexploitant rechtsgeldig te vertegenwoordigen.
Bij ontvangst van de aanvraag stuurt het college een ontvangstbevestiging naar de leidingexploitant.
Het college controleert de documenten op juistheid en volledigheid. Als de aanvraag incompleet wordt ontvangen stuurt het college een verzoek om aanvullende gegevens naar de leidingexploitant.
Indien de aanvraag niet compleet is: de leidingexploitant stuurt binnen de daarvoor gestelde termijn de aanvullende gegevens naar het college.
Het college neemt de aanvraag in behandeling en voert de administratieve wijziging door in haar systemen.
Het college stelt een nieuwe beschikking op waarin de gewijzigde gegevens zijn opgenomen en verstuurt deze naar de leidingexploitant.
Einde: nieuwe beschikking.
3.3.5 Eigendomsoverdracht van een leiding
Als leidingexploitanten leidingen van elkaar overnemen dient dit ook te worden aangemeld.
Dit is eigendomsoverdracht van een leiding. De bijbehorende vergunning moet worden overgezet op de juiste rechtspersoon waardoor de vergunning op naam van de oude leidingexploitant komt te vervallen.
Leidingexploitant
Gemeente Leiden
Start: voorgenomen eigendomsoverdracht van leidingen, bijvoorbeeld bij (ver)koop of overname.
De nieuwe (leiding)exploitant doet een aanvraag om wijziging van de tenaamstelling van de vergunningen waarvan de oude exploitant vergunninghouder is. In de aanvraag zijn alle vergunningen genoemd waarop de aanvraag betrekking heeft. De aanvraag gaat vergezeld van bijlagen voor zover dat nodig is voor de doorvoering van de administratieve wijziging, waaronder bewijs van de eigendomsoverdracht, en is ondertekend door of namens een of meer (rechts)personen die (gezamenlijk) bevoegd zijn de nieuwe leidingexploitant rechtsgeldig te vertegenwoordigen.
Bij ontvangst van de aanvraag stuurt het college een ontvangstbevestiging naar de nieuwe leidingexploitant.
Het college controleert de documenten op juistheid envolledigheid. Als de aanvraag incompleet wordt ontvangen stuurt het collegeeen verzoek om aanvullende gegevens naar de nieuwe leidingexploitant.
Indien de aanvraag niet compleet is: de nieuwe leidingexploitant stuurt binnen de daarvoor gestelde termijn de aanvullende gegevens naar het college.
Het college neemt de aanvraag in behandeling en voert de wijziging door in haar systemen.
Het college verleent vergunning aan de nieuwe rechtspersoon en verstuurt deze naar de leidingexploitant. De oude leidingexploitant krijgt een beschikking waarin zijn vergunning wordt ingetrokken.
Einde: nieuwe beschikking.
4. Tracébepaling
4.2 Standaardindeling, horizontaal en verticaal
4.2.1 Categorie 1 en 2 leidingen
De gemeente Leiden maakt bij de bepaling van tracés onderscheid tussen categorie 1 en categorie 2 leidingen.
Categorie 1 leidingen betreffen:
–Leidingen die van doorslaggevend belang zijn voor het sociaal en economisch functioneren van de stad. Een disfunctionaliteit van deze leidingen zou grote maatschappelijke ontwrichting en economische schade tot gevolg hebben. Over het algemeen betreffen het leidingen die een omvangrijke kapitaalsinvestering van netbeheerders vragen. Denk hierbij aan drinkwater-transportleidingen (met een diameter groter of gelijk aan 300 mm), warmtetransportleidingen (van 304,8 mm oftewel 12 inch of groter) en hoogspanningskabels (vanaf 23 kV);
–Leidingen die een extern veiligheidsrisico kennen. Het betreft leidingen die zowel qua aard van de vervoerde stoffen als qua druk waaronder de stoffen getransporteerd worden onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen vallen.
Categorie 2 leidingen betreffen:
Alle overige kabels en/of leidingen die niet tot categorie 1 behoren.
Voor categorie 1 leidingen kan het noodzakelijk zijn dat de strook waarin de leiding ligt in het omgevingsplan wordt beschermd.
4.2.2. Horizontale indeling
In het algemeen kunnen distributieleidingen in trottoirs worden ingedeeld en transportleidingen in rijwegen. Voor grote transportleidingen zullen als eerste de grotere wegen in aanmerking komen.
Alle tot deze leiding behorende appendages dienen in het toegewezen tracé te worden geplaatst. Indien geen plaats in het tracé kan worden gevonden dan wordt door het college een andere locatie vastgesteld met zo min mogelijk verstoring van aanwezige andere leidingen.
Aansluitleidingen worden zo veel mogelijk haaks op het distributienet aangelegd om geen beslag te leggen op de ruimte voor distributieleidingen.
De locatie van straatkasten, andere bovengrondse objecten, handholes en andere onderdelen van telecomnetwerken worden in overleg met het college vastgesteld. Handholes en andere onderdelen mogen de ligging van andere leidingen niet verstoren en moeten minstens 0,30 meter dekking hebben.
Standaard dwarsprofielen:
Zie de standaard dwarsprofielen in bijlage 2.
4.2.3 Verticale indeling
De verticale indeling gaat uit van de volgende uitgangspunten:
–aanwezigheid of aanbrengen van voorzieningen ondergrondse ondersteuningsrekken (zogeheten Verticaal Kabels & Leidingen Systeem “VKLS”);
–vrijvervalleidingen hebben voorrang boven overige leidingen;
–leidingen worden in principe horizontaal gelegd behoudens vrijvervalleidingen, bodemenergiesystemen en brandputten;
–bij kruisingen van leidingen met andere leidingen in open ontgraving bedraagt de tussenruimte (verticale dagmaat) tenminste 0,20 meter;
–indien reeds leidingen van dezelfde discipline / leidingexploitant aanwezig zijn, zullen nieuwe leidingen op dezelfde diepte gelegd dienen te worden als de bestaande, teneinde een ‘wand’ in de ondergrond te voorkomen.
–bij boringen / persingen, in welke vorm dan ook, is de diepteligging afhankelijk van de situatie ter plaatse. De minimale verticale dagmaat ten opzichte van de te kruisen leidingen bedraagt tenminste 0,50 meter, waarbij de te boren / persen leiding onder de bestaande leiding(en) dient te worden gevoerd. Genoemde minimale verticale dagmaat dient aantoonbaar te worden gegarandeerd om schade aan de te kruisen leidingen te voorkomen.
Standaard dwarsprofiel:
Zie het standaard dwarsprofiel in bijlage 3.
4.3 Bovengrondse infrastructuur
4.3.1 Bovengrondse objecten (zoals bijvoorbeeld transformatorkasten en wijkkasten)
De exacte plaatsbepaling van alle bovengrondse objecten wordt getoetst door het college. De objecten dienen te voldoen aan de door het college gestelde kwaliteitseisen. De eisen staan vermeld in het Handboek kwaliteit openbare ruimte (Handboek KOR).
Trafostations, kasten, poplocaties WKO-bronnen of andere vergelijkbare bovengrondse bouwwerken met nutsvoorzieningen worden zo veel mogelijk inpandig gerealiseerd. Als dit niet mogelijk is en een locatie op eigen terrein evenmin tot de mogelijkheden behoort wordt een locatie in de openbare ruimte gezocht waar de het bouwwerk zo min mogelijk opvalt in het straatbeeld. De elektrakasten en vergelijkbare bouwwerken met nutsvoorzieningen worden uitgevoerd in de standaardkleur voor objecten in de openbare ruimte in Leiden. Het is tevens mogelijk om elektrakasten of vergelijkbare bouwwerken met nutsvoorzieningen aan te dragen die ingepast zijn in andere objecten of kunstwerken. De (her)plaatsing, het uiterlijk en de locatie van een het bouwwerk met nutsvoorziening wordt altijd getoetst in de TACOR (toetsingscommissie Openbare Ruimte).
1Als toetsingskader geldt dus voor bouwwerken met nutsvoorzieningen, zoals elektrakasten, trafostations, poplocaties WKO-bronnen of andere vergelijkbare bovengrondse bouwwerken met nutsvoorzieningen de navolgende drietraps-toets: Deze bouwwerken met nutsvoorzieningen dienen zoveel mogelijk inpandig te worden gerealiseerd (in architectuur opgenomen);
2Indien inpandige realisatie niet mogelijk is, dienen deze bouwwerken met nutsvoorzieningen zoveel mogelijk op eigen terrein te worden gerealiseerd, dat wil zeggen: niet in de (toekomstige) openbare ruimte;
3Wanneer bewezen is dat een inpandige plaatsing of op eigen terrein niet mogelijk is, wordt in derde instantie onderzocht of het object in de openbare ruimte zo verdekt mogelijk kan worden opgesteld, zodanig dat zo min mogelijk verstoring van het straatbeeld optreedt.
Voorts dient rekening gehouden te worden met:
–de Wegenverkeerswet (artikel 2 Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer);
–de Kadernota en het Handboek kwaliteit openbare ruimte;
–het vigerende omgevingsplan;
–het voorkomen van het veroorzaken van hittestress.
Randvoorwaarden uiterlijk:
–Voor de kasten geldt dat zoveel mogelijk dezelfde vormgeving aangehouden dient te worden;
–Voor de toepassing van de kleuren dienen de voorschriften uit de Kadernota respectievelijk het Handboek kwaliteit openbare ruimte in acht te worden genomen
–Uiterlijk van objecten moeten zorgvuldig ontworpen, afgestemd en overeenkomstig te zijn met de kwaliteit van de buitenruimte en de aanwezige buitenruimte;
–De objecten, waaronder ook transformatorkasten en -huisjes, mogen niet gebruikt worden voor reclame.
Overige randvoorwaarden locatie:
–Indien mogelijk plaatsing achter de rooilijn van de bebouwing;
–Indien mogelijk plaatsing tegen blinde gevel of erfafscheiding;
–Zoveel mogelijk plaatsing in de restruimtes van de openbare ruimte;
–Geen plaatsing in belangrijke zichtlijnen;
–Geen plaatsing op koppen van singels en het groene talud van de singel;
–Zo min mogelijk plaatsing op speelplaatsen, pleinen en groenvoorzieningen;
–Zo min mogelijk belemmering van het uitzicht van direct omwonenden;
–Zo min mogelijk gevaar voor het verkeer;
–Zo min mogelijk gevaar voor goederen en bezittingen van derden;
–Zo min mogelijk verstoring van het gebruik van de openbare ruimte;
–Eventueel benodigde aanpassingen gaan op kosten van de aanvrager.
Voor de bovengrondse objecten dient de plaatsbepaling in een zo vroeg mogelijk stadium plaats te vinden. Hiervoor is in sommige gevallen, naast de leidingenvergunning, tevens een (andere) omgevingsvergunning nodig, bijvoorbeeld voor de activiteit bouwen. Daarnaast zal in een aantal gevallen de omwonenden bij het proces van plaatsbepaling en afwerking binnen de door de wet gestelde beperkingen betrokken moeten worden.
Onderhoud en beheer van bovengrondse objecten:
–De eigenaar/leidingexploitant is verantwoordelijk voor het onderhoud en beheer van de bovengrondse objecten;
–De eigenaar/ leidingexploitant dient het object te voorzien van zijn contactgegevens, noodnummer en veiligheidssignalering;
–Door en voor rekening van de eigenaar/leidingexploitant moet jaarlijks voor 1 mei de kwaliteit van het onderhoud op orde zijn;
–Door en voor rekening van de eigenaar/ leidingexploitant moet jaarlijks voor 1 mei de (restant) posters en graffiti van de bovengrondse objecten verwijderd worden;
–Door en voor rekening van de eigenaar/ leidingexploitant moet jaarlijks voor 1 mei de kwaliteit van de coating op orde zijn;
–Graffiti dient bij eerste constatering binnen 48 uur te worden verwijderd door de eigenaar/leidingexploitant;
–Geadviseerd wordt om de objecten indien mogelijk te voorzien van een anti-wild-plaksysteem en/of anti-graffiticoating.
Brandkranen
De exploitant die brandkranen exploiteert wordt geadviseerd om tenminste 6 weken vóórdat zij voornemens is een leidingenvergunning aan te vragen voor de aanleg van een leiding met de daarbij behorende brandkranen, een verzoek tot vooroverleg in te dienen bij het college.
Op aangeven van de exploitant vindt vooroverleg plaats over de noodzaak van de brandkranen, de situering van de brandkranen alsmede over de met deze brandkranen gemoeide kosten.
Brandkranen dienen voor de brandweer te allen tijde bereikbaar te zijn. Daarom dient bij de inrichting van de openbare ruimte met een aantal uitgangspunten rekening gehouden worden. Tevens is het de nadrukkelijke wens van de gemeente en waterleidingsbedrijf Dunea om geen bovengrondse brandkranen toe te passen. Bestaande bovengrondse brandkranen worden ondergronds gebracht bij de herinrichting. Waterleidingbedrijf Dunea verzorgt het beheer en onderhoud.
Voor brandkranen in de openbare ruimte gelden de volgende uitgangspunten van inpassing:
–ondergronds;
–obstakelvrije ruimte rondom met een diameter van 1,8 meter, ofwel een straal van 0,9 meter gemeten vanuit het hart van de brandkraan of -deksel;
–niet in parkeervakken;
–niet in groenvlakken;
–bij voorkeur niet op plaatsen waar het risico bestaat op foutparkeren.
Details:
–Gietijzeren deksel, rechthoekig;
–Geen witte markering rondom;
–Overgebleven bovengrondse brandkranen zijn rood geschilderd.
4.3.2 Open watergangen
Open watergangen zijn beheersmatig in twee groepen te onderscheiden:
1Watergangen beheerd door waterschappen of Rijkswaterstaat. Deze worden aangemerkt als een waterstaatswerk.
2Watergangen beheerd door de gemeente Leiden.
Bij het kruisen van deze watergangen dient allereerst de feitelijke diepte van de watergang te worden opgevraagd. Dit is noodzakelijk vanwege de minimale gronddekking.
4.3.3 Houtopstanden
Het vellen van houtopstanden is (in beginsel) verboden zonder een daartoe benodigde vergunning als bedoeld in paragraaf 3.6.1 van de Vfl.
Uitgangspunt is dan ook dat bestaande houtopstanden worden behouden.
Niet alleen zijn houtopstanden (waaronder bomen) waardevol voor het aanzicht van de stad, maar ze zijn ook van grote betekenis voor de ecologie en in klimaatadaptatie.
Ter voorkoming van beschadiging of ter bescherming van houtopstanden kunnen aan een leidingvergunning of instemmingsbesluit voorwaarden worden verbonden. Als een voorgesteld leidingentracé naar verwachting tot schade aan een houtopstand leidt, kan dit een reden zijn om voor het desbetreffende tracé (of een gedeelte daarvan) geen vergunning of instemmingsbesluit te verlenen. Als er in de nabijheid van het tracé houtopstanden aanwezig zijn, is het college bevoegd om specifieke voorwaarden aan de uitvoering van de werkzaamheden te verbinden.
Onderzoek vooraf
Ter bepaling van de minimale afstand die in acht moet worden genomen tussen een boom en een leiding(tracé) is de te bereiken boomgrootte mede van belang. De boomgrootte is een aanduiding van de uiteindelijke omvang die een boomsoort reeds heeft of kan bereiken.
Bij de bepaling van een leidingentracé dient rekening te worden gehouden met de diverse gemeentelijke beleidsdocumenten gericht op de realisatie van meer houtopstanden en het waarborgen van de vitaliteit van bestaande houtopstanden. De gemeente hanteert de “Vfl, onderdeel houtopstanden”, “Bomenposter Werken rond Bomen” en het “Handboek Bomen” van het Norminstituut Bomen. Daarnaast hanteert de gemeente het “Register ecologische bomen”.
Als de verwachting is dat ten behoeve van een leidingtracé moet worden gegraven of werkzaamheden moeten worden uitgevoerd onder een boomkroon en/of binnen de afstand zoals opgenomen in de hiervoor genoemde “Bomenposter Werken rond Bomen”, is de leidingexploitant verplicht om ter voorbereiding van een aanvraag om een vergunning of instemmingsbesluit een Bomen Effect Analyse (“BEA”) uit te laten voeren op de wijze zoals geadviseerd door het Norminstituut bomen.
Uit de BEA kan voortvloeien dat de voorgenomen werkzaamheden geen invloed hebben op de houtopstand. Uit de BEA kan voortvloeien dat de houtopstand behouden kan blijven door middel van maatregelen. Die maatregelen dienen in dat geval door de leidingexploitant volledig in acht te worden genomen voor het verkrijgen van een vergunning. Uit de BEA kan tenslotte voortvloeien dat een houtopstand niet behouden kan worden. Dat kan reden zijn om de leidingvergunning te weigeren.
Schade als gevolg werkzaamheden
Indien schade ontstaat als gevolg van werkzaamheden is de leidingexploitant jegens de gemeente verplicht om aan de gemeente de schade te vergoeden die daaruit voortvloeit. Ontstaat er onduidelijkheid en mogelijk discussie over de mate van de schade dan wordt op kosten van de leidingexploitant een taxateur van de NVTB ingeschakeld, die de schade uitdrukt in een geldelijke waarde.
Nieuwe houtopstanden nabij leidingentracés
De relatie tussen kabels en leidingen en houtopstanden is wederzijds. Dit betekent dat bij het planten van houtopstanden dezelfde afstanden gelden ten opzichte van de bestaande leidingen, tenzij voorzieningen worden aangebracht ter bescherming van de kabels en leidingen.
Beplanting
Voor overige beplanting geldt eveneens dat behoud het uitgangspunt is. Als de leidingexploitant voorziet dat planten of struiken zullen moeten worden verwijderd, treedt de leidingexploitant in overleg met de gemeente. In dat overleg worden in elk geval de navolgende uitgangspunten betrokken.
Voor zover het niet mogelijk is om struiken en planten na aanleg van de leidingen terug te plaatsen heeft het de voorkeur dat deze niet worden vernietigd maar elders worden terug geplant.
Indien te handhaven struiken en vaste planten tijdelijk verwijderd moeten worden, moeten deze ruim worden uitgestoken, gescheiden worden gehouden van te ontgraven grond en tegen uitdroging worden beschermd. De struiken en planten dienen binnen 24 uur nadat is gestart met ingraven ter plaatse te zijn terug geplant. Indien terug planten pas na 24 uur geschiedt dient de uitgegraven beplanting te worden vervangen door nieuwe beplanting van dezelfde soort en omvang.
Als de terug geplante beplanting binnen 2 maanden na oplevering van de werkzaamheden alsnog niet levensvatbaar is gebleken, dient deze te worden vervangen door nieuwe beplanting van het dezelfde soort en omvang op kosten van de vergunninghouder.
6. Aanleg- en uitvoeringsregels
6.3 Communicatie
6.3.1 Verantwoordelijkheden van betrokken partijen
Betrokkene
Is verantwoordelijk voor:
Verkeersregie
De afdeling Verkeersregie van de gemeente vervult een sturende rol in het afstemmen van de planning van de werkzaamheden langs het tracé c.q. nabij het werk.
Toezichthouder
De gemeentelijk toezichthouder houdt tijdens de werkzaamheden toezicht op het naleven van de uitvoeringsvoorschriften en de vergunningsvoorschriften.
Leidingexploitant
De leidingexploitant zorgt continu voor een aan te spreken verantwoordelijke contactpersoon, wiens naam bij alle partijen bekend is. Deze persoon heeft tot taak erop toe te zien dat het werk conform de vergunning en gemaakte afspraken wordt uitgevoerd. Deze contactpersoon dient medewerking te verlenen aan gemeentelijke en andere toezichthouders.
Uitvoerders
De uitvoerders van het werk dienen over alle vereiste kwalificaties te beschikken. De uitvoering van het werk wordt begeleid door competent toezichthoudend personeel van de leidingexploitant.
6.3.2 Verplichte informatie-uitwisseling
Betrokken leidingexploitanten
Acht (8) weken voor de start van de uitvoering informeert de leidingexploitant alle nabijgelegen leidingexploitanten schriftelijk over de voorgenomen werkzaamheden. De leidingexploitant voegt minimaal een (voorlopig) werkplan toe en een tekening waarop de locatie en de aard van de voorgenomen werkzaamheden duidelijk zijn aangegeven. De aangeschreven betrokken leidingexploitanten toetsen zelf of de voorgestelde maatregelen voldoende zijn voor een ongestoorde exploitatie van hun leidingen. Ze dienen hun reactie uiterlijk twee weken voor de start van de uitvoering te hebben aangeleverd bij de leidingexploitant.
Bewoners en bedrijven
De leidingexploitant informeert ten minste twee (2) weken voor aanvang van de werkzaamheden schriftelijk bewoners en bedrijven langs het tracé c.q. nabij het werk over de start en inhoud van de werkzaamheden, voor zover voor hen van belang.
In geval van integrale werkzaamheden met andere leidingexploitanten en/of gemeentelijke werkzaamheden in de openbare ruimte zal de directievoerder van de gemeente aangeven hoe de integrale communicatie van het totaal aan werkzaamheden dient plaats te vinden.
Aan het college: ‘Melding Ingraving’
Minimaal vijf (5) werkdagen voor de start van de uitvoering meldt de leidingexploitant en/of zijn vertegenwoordiger het voorgenomen werk aan bij het college door middel van het formulier ‘Melding Ingraving’, ook indien reeds eerder een leidingenvergunning is verkregen.
Echter, indien een Verkeersplan benodigd is gelden langere meldtermijnen:
–Indien een Verkeersplan benodigd is meldt de leidingexploitant en/of zijn vertegenwoordiger tenminste 14 dagen (twee weken) voor de aanvang het voorgenomen werk aan bij het college door middel van het formulier ‘Melding Ingraving’ (ook indien reeds eerder een leidingenvergunning is verkregen);
–Indien een Verkeersplan benodigd is waarbij tijdelijke parkeerverboden moeten worden ingesteld, meldt de leidingexploitant en/of zijn vertegenwoordiger tenminste 28 dagen (vier weken) voor de aanvang het voorgenomen werk aan bij het college door middel van het formulier ‘Melding Ingraving’ (ook indien reeds eerder een leidingenvergunning is verkregen).
6.3.3 Additionele kick-off meeting / startvergadering
In de volgende gevallen is tevens een kick-off meeting / startvergadering verplicht:
–alle (leiding)werken in de leidingenstroken;
–voor werkzaamheden die worden uitgevoerd binnen een afstand van 5 meter vanaf een leidingstrook;
–alle gevallen waar het gaat om (leiding)werken met een grote impact op de omgeving.
Het overleg dient minimaal twee (2) weken voor de start van de uitvoering plaats te vinden. De leidingexploitant, zijn ingenieursbureau en zijn aannemer presenteren in dit overleg alle noodzakelijke plannen, waarna de belanghebbenden aanvullende voorwaarden kunnen stellen. Wanneer deze voorwaarden redelijkerwijs ertoe bijdragen dat schade aan de eigendommen van de belanghebbenden wordt voorkomen, dienen ze door de leidingexploitant alsnog te worden verwerkt in het werkplan.
De hierboven bedoelde, benodigde voorbereidingsinformatie dient ten minste twee (2) weken voor het overleg bij de belanghebbenden in bezit te zijn.
Van het overleg maakt de leidingexploitant of diens vertegenwoordiger een verslag en zorgt ervoor dat dit minimaal twee (2) werkdagen voor de start van de uitvoering bij alle betrokkenen is bezorgd.
Als blijkt dat de kick-off meeting / startvergadering niet volgens afspraken heeft plaatsgevonden, kan het college besluiten de start van de uitvoering op te schorten.
Bijlage 4. Nadere regels en uitvoeringsvoorschriften gemeente Leiden t.b.v. werkzaamheden aan de kabel- en leidingsleuven
Inleiding
Voor u ligt de bijlage ‘Nadere regels en uitvoeringsvoorschriften’ van de gemeente Leiden. Deze bijlage geeft invulling aan de collegebevoegdheid om op grond van de Verordening fysieke leefomgeving (onderdeel leidingen), Telecommunicatieverordening en het handboek Leidingen nadere regels te stellen omtrent de technische uitvoering van de werkzaamheden zoals omschreven in het instemmingsbesluit. Men moet hierbij denken aan de uitvoering, aanleg, verlegging en verwijdering van kabels en leidingen. Deze bijlage wordt verder NRU genoemd. Deze NRU is van toepassing in alle gevallen waarin de gemeente op grond van een vergunning, instemmingsbesluit of melding, toestemming verleent voor werkzaamheden aan of ten behoeve van kabels en/of leidingen.
1Uitvoeringsvoorschriften, algemeen
1.1Aanwezige documenten
Bij aanvang en tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient het volgende op het werk aanwezig te zijn:
–de door het college goedgekeurde (werk)tekening(en) en specificaties;
–grondmechanisch rapport;
–bemalingsadvies;
–bouwomschrijving;
–veiligheids-, gezondheids- en milieuplan (vaak V&G-plan genoemd);
–een milieukundig bodemrapport;
–de verleende leidingenvergunning en/of het verleende instemmingsbesluit en/of een goedgekeurd formulier Melding Ingraving;
–(afschriften van) de overige benodigde vergunningen;
–werkplan;
–verkeersplan;
–gegevens van de KLIC-graafmelding,
–gegevens CROW 500.
1.2Bijzondere situaties
Werken in/nabij leidingstroken
Het is verboden zich met materialen en materieel dat niet voor de uitvoering van het werk nodig is, in de leidingenstroken te bevinden. Bij transport van materiaal en materieel over de leidingenstroken en ook bij het tijdelijk opslaan van uitkomende grond kan door de leidingexploitanten van de reeds aanwezige leidingen en/of de toezichthouder worden verlangd dat de nodige (tijdelijke) voorzieningen worden getroffen. De opslag van de uitkomende grond mag nooit hoger zijn dan 1 meter boven het maaiveld.
Werken in/nabij hoogspanningsverbindingen
Bij werkzaamheden in de nabijheid van één of meer bovengrondse en/of ondergrondse hoogspanningsleidingen, zijnde transport en/of distributie van 1kV en hogere spanningen (ook bovenleidingen van spoorwegen) en zendmasten, dient over de te treffen veiligheidsmaatregelen vooraf te worden overlegd met het bedrijf onder wiens beheer de leiding (of installatie) valt. Bij het vrijgraven van een leiding dient deze in overleg met de leidingexploitant te worden beschermd.
Werken in/nabij infrastructurele voorzieningen
De eigenaar/beheerder van de infrastructurele voorziening kan per voorziening aanvullende voorschriften hebben waaraan de leidingexploitant dient te voldoen. Deze dienen in acht te worden genomen bij het opstellen van het werkplan, bedoeld in par. 6.2 van het Handboek.
1.3Aanleg- en uitvoeringsvoorschriften
Open ontgraving
Bij een open ontgraving worden de werkzaamheden in een droge, gegraven sleuf uitgevoerd of wordt de leiding ingevaren en afgezonken in een met water gevulde sleuf.
Graven sleuf
De graafwerkzaamheden dienen dusdanig te worden uitgevoerd dat beschadiging van in de grond aanwezige leidingen en overige objecten wordt voorkomen. Schade aan aanwezige (diep)drainage- of irrigatiesystemen dient te worden voorkomen of adequaat te worden hersteld na de uitvoering.
Bij het graven van de sleuf gelden de volgende eisen:
–bij machinaal ontgraven is het niet toegestaan een tandenbak te gebruiken;
–het is niet toegestaan leidingen aan te prikken met een scherp / puntig voorwerp;
–de wijze van ontgraven die wordt toegepast dient beschadigingen van naastliggende leidingen uit te sluiten. Het is verboden machinaal te graven binnen een straal van 0,50 meter vanaf de uitwendige diameter van de leiding(en) of mantelbuis (-buizen);
–het talud dient te zijn aangepast aan de sleufdiepte, de eventuele bemaling en de grondsoort, zodat de sleufwanden niet kunnen instorten en/of uitzakken. Zo nodig dient de sleufwand met aan te brengen schotten te worden gestut;
–de sleufbodem dient dusdanig uitgevoerd te worden dat de leiding wordt aangelegd zoals in het ontwerp is voorzien. Het kan nodig zijn om grondverbetering, zoals een zandlaag, onder de leiding aan te brengen;
–de sleuf dient te worden vrijgehouden van voorwerpen die de leiding zouden kunnen beschadigen. Grind, stenen en/of andere harde materialen nabij de definitieve plaats van de leiding dienen te worden verwijderd en afgevoerd;
–indien zich, ondanks de toepassing van paragraaf 4.3.3. van het Handboek bij de tracébepaling, bomen (hierna: houtopstanden) en/of (andere) planten in of in de nabijheid van het tracé bevinden, dient met inachtneming van paragraaf 4.3.3 van het Handboek, schade aan die houtopstanden of planten zoveel mogelijk te worden voorkómen. Het beschadigen van houtopstanden is verboden zonder een daartoe benodigde vergunning als bedoeld in paragraaf 3.6.1 van de Verordening fysieke leefomgeving (de zogenoemde kap- of velvergunning). Indien tijdens de uitvoering van het werk blijkt dat het onontkoombaar is dat vanwege werkzaamheden schade aan een of meerdere houtopstanden en/of planten wordt veroorzaakt, is het verplicht om daarover tijdig, met inachtneming van paragraaf 4.3.3. van het Handboek en hoofdstuk 7 van deze Nadere regels en uitvoeringsvoorschriften, met het college (de gemeente) in overleg te treden.
Voor leidingen in eigendom bij de gemeente: aanvullen van de sleuf / bouwput
Ten behoeve van het inmeten van de rioolwerken en leidingen die eigendom zijn van de gemeente moet de sleuf tot de helft van de leiding worden aangevuld zodat de leiding niet meer kan verplaatsen bij het verder aanvullen van de sleuf of bouwput.
Uitgegraven materiaal
Indien er in een te graven sleuf meerdere lagen grondsoorten zijn te herkennen dienen deze apart te worden ontgraven. Indien er geen verschillende grondsoorten in de sleuf aanwezig zijn, dient de bovengrond apart gehouden te worden van de ondergrond. Bij ontgravingen tot 1,00 meter diepte betekent dit dat de bovenste halve meter ook weer teruggezet moet worden in de bovenste halve meter. Bij ontgravingen van dieper dan 1,00 meter dient de grond dieper dan 1,00 meter ook weer teruggezet te worden op de betreffende diepte.
Opslag uitgegraven grond
De uitkomende grond dient dusdanig te worden opgeslagen dat bij het later aanvullen van de sleuf de oorspronkelijke opbouw van het bodemprofiel zo veel mogelijk wordt herkregen.
Aanwezige teelaarde dient separaat te worden opgeslagen van de onderliggende lagen in overleg met de beheerder van de grond. In bepaalde gevallen kan het nodig zijn de ondergrond gescheiden te ontgraven en op te slaan. De opslag moet zijn afgestemd op de plaatselijke grondslag.
Overgebleven grond
Grond die overblijft, dient conform de regels van het Besluit Bodemkwaliteit of conform het gebied specifieke beleid van de gemeente Leiden onderzocht en verwerkt te worden.
Voor leidingen in eigendom bij de gemeente: inspectiemeting
Algemeen geldt dat de locatie van de leiding in een open sleuf dient te worden ingemeten.
Dit dient plaats te vinden tijdens de aanleg en vóór het aanvullen van de sleuf.
Uitsluitend na overleg met het college (de gemeente) mag eventueel de sleuf gedeeltelijk worden gedicht. Ten behoeve van een goede inspectiemeting mag de sleuf minimaal om de 50 meter - of zoveel minder als noodzakelijk is bij bochten in het tracé - niet worden gedicht.
De contactpersoon van de leidingexploitant initieert een verzoek bij het college. Deze zorgt ervoor dat de ligging van de gelegde leiding(en) of het leidingdeel zo spoedig mogelijk wordt ingemeten.
1.4Voorschriften bij schade en herstel, beperking overlast en archeologische vondsten
Algemene uitgangspunten
a) Er mag geen schade aan gemeentelijke eigendommen of eigendommen van derden worden toegebracht. Mochten er toch beschadigingen optreden dan dient de leidingexploitant deze direct te melden aan de eigenaar van het beschadigde object en aan het college.
b) Uitgangspunt bij het herstel van de schade als gevolg van de werkzaamheden is dat de leidingexploitant de situatie in oorspronkelijke staat herstelt.
c) Het herstel van de schade vindt plaats in overleg met en voor rekening van de veroorzaker.
d) De leidingexploitant hoeft geen betere kwaliteit te leveren dan aanwezig was voordat de werkzaamheden werden uitgevoerd. Behoudens de normale degeneratie als gevolg van werken, hoeft de gemeente daarentegen geen verslechtering te accepteren.
e) Alle verharding dient tijdens weekenden en feestdagen gesloten en voor het verkeer bruikbaar te zijn. Er mag in weekenden en tijdens feestdagen geen puin en/of afval op het werk aanwezig zijn (zie ook de paragraaf hierna). Indien van deze algemene eis mag worden afgeweken is dit opgenomen in de aan de leidingexploitant verstrekte beschikking.
f) Al het te gebruiken materiaal dient van dezelfde kwaliteit/soort te zijn als door de gemeente gebruikelijk toe te passen materialen.
Beperking van overlast
Om overlast door graafwerkzaamheden te beperken gelden de volgende basisuitgangspunten:
1Het is niet toegestaan om op zaterdagen, zondagen alsmede nationale feestdagen opbreek- , graaf-, kabel-, aanvullings-, verdichtings-, en/of bestratingswerkzaamheden uit hoofde van regulier werk in de openbare ruimte te verrichten, tenzij in de vergunning expliciet anders is aangegeven.
2Het is niet toegestaan om op werkdagen, uitgezonderd de dag voorafgaande aan een zaterdag of nationale feestdag, vóór 07.00 uur en na 18.00 uur opbreek- , graaf-, kabel-, aanvullings-, verdichtings-, en/of bestratingswerkzaamheden uit hoofde van regulier werk in de openbare ruimte te verrichten, tenzij in de vergunning anders is aangegeven.
3De dag voorafgaande aan een zaterdag of nationale feestdag moeten om uiterlijk 18.00 uur alle (graaf)werkzaamheden gereed zijn en alle verhardingen zijn hersteld en gesloten.
4Tijdens de verkeersspits (7.30 uur tot 9.00 uur en 16.00 uur tot 18.00 uur) mogen geen (graaf)werkzaamheden op of langs hoofdwegen en gebiedsontsluitingswegen plaatsvinden. Het college kan in de vergunning bepalen dat de (graaf)werkzaamheden ‘s nachts uitgevoerd dienen te worden.
5In winkelstraten en op evenementenpleinen mogen geen opbrekingen zijn of worden uitgevoerd gedurende de door het college in het kader van de Algemene plaatselijke Verordening vergunde evenementen, inclusief de opbouw- en afbreekperiode. Hieronder vallen onder andere:
–de periode tussen eerste en tweede Kerstdag en Nieuwjaarsdag;
–Koningsdag;
–de wekelijkse markten (op woensdag en zaterdag);
–lokale evenementendagen.
Een afschrift van de evenementenkalender is te verkrijgen bij de gemeente (zie ook de gemeentelijke website).
Werken buiten reguliere tijden
Indien de leidingexploitant kan werken buiten de reguliere werktijden (werkdagen tussen 07:00 en 16:00 uur) dient de leidingexploitant ervoor zorg te dragen te worden dat overlast door bijvoorbeeld lawaai, stank, modder en dergelijke tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.
Indien een leidingexploitant een vergunning krijgt om ’s avonds en/of ‘s nachts te werken, is de leidingexploitant verplicht in verband hiermee aanwijzingen van het college op te volgen en zelf zorg te dragen voor de benodigde aanvullende instemmingen en/of vergunningen en/of ontheffingen.
Tijdelijk stilleggen werkzaamheden
1In geval van extreme weersomstandigheden (bijvoorbeeld wateroverlast, zware sneeuwval of ijzel en vorst), waarbij de uitvoering van de (graaf)werkzaamheden tot overlast voor de bewoners en/of schade voor de gemeente door bijvoorbeeld breuk van vastgevroren bestrating materiaal en/of niet goed te verdichten ondergrond kan leiden, kunnen de graafwerkzaamheden door het college stil worden gelegd zonder dat aanspraak op schadevergoeding mogelijk is. De leidingexploitant is gehouden zich aan onderstaande richtlijnen te houden, ook al heeft het college (nog) geen expliciete melding van een opbreekverbod gemaakt:
Op het weerstation KNMI in Valkenburg gelden de volgende condities:
–om 07.00 uur een geregistreerde temperatuur van -4 ºC of lager;
–om 10.00 uur een geregistreerde temperatuur van -2 ºC of lager;
–om 07.00 uur een geregistreerde temperatuur tussen 1 ºC en -3 ºC en om 10.00 uur daaropvolgend een geregistreerde temperatuur van -1 ºC of lager.
2Het stil leggen van de werkzaamheden en het mededelen dat de werkzaamheden hervat kunnen worden geschiedt door de wegbeheerder.
3Indien de leidingexploitant en het college (vooraf) overeenkomen dat tijdens een opschortingsperiode zoals bedoeld in lid 1 (zie hiervoor) reguliere werkzaamheden aan netwerken voor levering van gas, water en/of elektriciteit niet langer kunnen worden uitgesteld, kan het college onder strikte voorwaarden de werkzaamheden laten hervatten. Uitgangspunten hierbij zijn in ieder geval dat de hervatting van de werkzaamheden niet leidt tot:
–overmatige overlast voor omwonenden en het doorgaande verkeer;
–afname van de (verkeers)veiligheid en de bereikbaarheid;
–schade aan- of verminderde kwaliteit van naastliggende of kruisende belangen van de andere leidingexploitanten.
4Het tijdelijke stilleggen van werkzaamheden kan ook plaatsvinden als gevolg van demonstraties en onvoorziene omstandigheden.
Archeologische vondsten
Het kan voorkomen dat tijdens (graaf)werkzaamheden een archeologische toevalsvondst wordt gedaan. Op basis van artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet moet deze vondst worden gemeld. De leidingexploitant moet de (graaf)werkzaamheden tot nadere order staken en direct contact opnemen met het college en het bepaalde in de Erfgoedwet opvolgen. Ter plaatse zal in samenwerking met een archeoloog beoordeeld worden of een archeologisch vervolgonderzoek moet plaats vinden.
Schade aan huisaansluiting
Indien blijkt dat de zetting aan een gevel zodanig is dat verwacht kan worden dat de huisaansluiting dreigt te beschadigen of af te breken dan is de leidingexploitant verplicht hiernaar onderzoek te doen en zo nodig, op eigen kosten, maatregelen te nemen.
2WERKAFSPRAKEN EN VOORWAARDEN MET BETREKKING TOT DE UITVOERING
a) De locatie van het opslagterrein van de grondroerder dient in overleg met de gemeente bepaald te worden. De gemeente stelt de volgende voorwaarden aan inrichting en oplevering van het opslagterrein:
–een opslagterrein mag niet binnen de kroonprojectie van de te handhaven bomen liggen;
–ongestoorde ligging van aanwezige kabels en/of leidingen moet worden gewaarborgd;
–de grondroerder dient gedurende de werkzaamheden het laden en lossen en het opslaan van bouwmaterialen op het opslagterrein te laten plaatsvinden, niet daarbuiten;
–na afloop van de werkzaamheden dient het opslagterrein schoon en in oude staat opgeleverd te worden;
–de inrichting en oplevering van het opslagterrein wordt tussen de toezichthouder en de grondroerder afgestemd.
b) De leidingexploitant verzorgt de vooropname voor de op te breken openbare ruimte. Deze bestaat minimaal uit foto’s en een proces-verbaal van opname. Na controle en accordering door de gemeente wordt het proces-verbaal door beide partijen ondertekend. Bij niet akkoord initieert de leidingexploitant een overleg met de gemeente over de discussiepunten.
c) De leidingexploitant stelt de gemeente in de gelegenheid bij de vooropname aanwezig te zijn.
d) Bewijslast van een ondeugdelijke nul-situatie ligt bij de leidingexploitant. Zaken die niet vooraf geschouwd en vastgelegd zijn in de vooropname komen achteraf niet voor verrekening in aanmerking.
e) Het is alleen toegestaan om KLIC-gegevens in het veld aan te geven met wegenkrijt. Spuitbussen of andere methoden waarbij er verfresten achterblijven op de bestrating zijn niet toegestaan.
f) Het risico voor het afvoeren en aanvoeren van bouwstoffen ligt altijd bij de grondroerder. De grondroerder dient daarbij aan alle wettelijke eisen en (milieu-) voorschriften te voldoen.
g) Tenzij met de toezichthouder anders is overeengekomen, mag er per dag geen grotere sleuflengte worden opengemaakt, dan op die dag weer volledig kan worden dichtgemaakt. Ook dienen alle montage- c.q. lasgaten dicht gemaakt te worden.
h) Tijdens het werk dienen alle (bestratings-)materialen (zo mogelijk) in de nabijheid van de sleuf opgetast te worden, in ieder geval binnen de wegafzetting maar niet tegen gevels, hekwerken of bomen.
i) Zand, grond en eventueel funderingsmateriaal dient gescheiden te worden ontgraven, gescheiden te worden opgeslagen en gescheiden te worden teruggebracht in de sleuf.
j) Als er direct naast de sleuf geen ruimte is dient de plaats van tijdelijke opslag van (bestratings-) materialen vooraf in overleg met de toezichthouder te worden bepaald. Voorafgaand aan de oplevering van het werk (of tussentijds op eerste aanzegging van de gemeente binnen 5 werkdagen) dienen deze (bestratings-) materialen te worden verwijderd. Indien van toepassing dient de ondergrond te worden hersteld in de staat zoals vooraf aanwezig was.
k) Alle aanwezige onbeschadigde (bestratings-)materialen dienen onbeschadigd herplaatst te worden. De grondroerder dient bij beschadiging zelf te zorgen voor herstel en/of vervangend (bestratings-) materiaal.
Uitzondering hierop zijn situaties waarbij tijdens gezamenlijke vooropname van het tracé met de toezichthouder nadere afspraken zijn gemaakt over het leveren van (bestratings-) materiaal door de gemeente.
l) Al het te gebruiken (bestratings-)materiaal dient van dezelfde soort en minimaal dezelfde kwaliteit te zijn als het aanwezige (bestratings-)materiaal en de door de gemeente gebruikelijk toe te passen (bestratings-)materialen.
m) Indien de toezichthouder constateert dat een distributie- of mutatiepunt of bovengrondse voorziening niet conform de gemaakte afspraak is geplaatst, of dat de verdichting van de sleuf en/of het herstel van de sleufverharding niet voldoet aan de bij aanleg gestelde eisen moet dit op eerste aanzegging van de gemeente binnen 5 werkdagen door of in opdracht van de netbeheerder worden verplaatst of hersteld.
n) Nadat de werkzaamheden gereed zijn dient het tracé volledig hersteld te zijn en de werkomgeving dient opgeruimd achtergelaten te worden. Bermen en onverharde grond dienen vrij van stenen en dergelijke en indien van toepassing ingezaaid te zijn. Al het overtollige puin, grond, zand, beplantingsresten en/of afval van de werkzaamheden dient afgevoerd te worden naar een erkende, gecertificeerde verwerker. Er mag ook geen zand of vuil achterblijven in (mol)goten, lijnafwatering en straat- en trottoirkolken (indien nodig dient de grondroerder deze te reinigen). Eventueel gemaakte bronneringsgaten dienen weer opgevuld te worden. De werkomgeving moet worden opgeleverd in ten minste de oude staat.
o) Indien tijdens de uitvoering afgeweken wordt van het ingestemde tracé (in horizontale of verticale zin) dient dit altijd vooraf goedgekeurd te worden door de toezichthouder. De grondroerder stuurt daarna binnen vijf werkdagen een gewijzigde tracétekening met afwijkingsrapport naar de gemeente ten behoeve van het instemmingsdossier.
3Grondwerk
3.1Eisen grondwerk, ontgraving
a) Te handhaven struiken en vaste planten die in het kabel- of leidingtracé van een te graven sleuf voorkomen ruim uitsteken, gescheiden houden van de te ontgraven grond en tegen uitdroging beschermen.
b) Indien de werkzaamheden voorziet in het opnemen van een sleufbedekking van graszoden, de graszoden steken met een dikte van 0,03 à 0,05 meter.
c) In de sleufbodem door verwijdering van voorwerpen ontstane gaten vullen en verdichten.
d) Het naast de sleuf opslaan van uitgekomen grond dient op zodanige afstand van de sleuf plaats te vinden dat hierdoor geen inkalving ontstaat.
e) Bij de uitvoering van werkzaamheden mag niet meer uitkomend sleufmateriaal worden verplaatst dan voor de uitvoering van de werkzaamheden strikt noodzakelijk is.
f) De sleuven mogen niet breder worden gegraven dan voor de uitvoering van de werkzaamheden noodzakelijk is.
g) De sleuven moeten na de voltooiing van de werkzaamheden worden aangevuld met uitkomend sleufmateriaal / vrijkomende grond uit de sleuf.
3.2Eisen grondwerk, aanvulling
a) Een ontgraving aanvullen met de uitgekomen grond. Deze aanvulling zodanig uitvoeren dat de verschillende grondsoorten zoveel mogelijk op hun oorspronkelijke plaats terugkomen.
b) In de aanvulgrond aanwezige harde voorwerpen die een beschadiging aan de kabel, de mantelbuis, de kabelkoker of de leiding kunnen veroorzaken, verwijderen.
c) Bevroren grond niet verwerken in de aanvulling.
d) In beplantingszones geen sneeuw in de aanvulgrond verwerken.
e) Het aanvullen en het verdichten van de aanvulling ter weerszijden van een kabel of leiding gelijktijdig en gelijkmatig uitvoeren; de aanvulling en verdichting van een voorgeschreven ontgraving onder een kabel of leiding gelijkmatig uitvoeren.
f) De verdichting van de aanvulling bij ‘graven en aanvullen sleuf’ wordt bepaald met behulp van de indringingsweerstand overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 3.3.
g) De verdichting bij ‘aanbrengen grondverbetering’ en bij ‘aanvullen sleuf’ wordt bepaald met behulp van de verdichtingsgraad.
h) Als het nodig is om voor het aanvullen van de sleuf zand te leveren en aan te brengen, zal de instemmings-/vergunningshouder zorgen voor het aanvoeren hiervan.
i) Als het gaat om slechte grond waarop geen verharding kan worden aangebracht, moet deze worden afgevoerd en vervangen door zuiver zand. Dit moet door de instemmings-/ vergunningshouder worden aangeleverd.
j) Als het uitkomend sleufmateriaal niet voldoende verdichtbaar is, moet deze vervangen worden door zand.
k) De kosten van het leveren, transporteren en aanbrengen van het zand komen voor rekening van de instemmings-/vergunningshouder.
l) Daar waar op verzoek van de gemeente grondverbetering plaats moet vinden zal het materiaal (funderingsmateriaal en/of zand) kosteloos door de wegbeheerder beschikbaar worden gesteld. De instemmings-/vergunningshouder en/of netbeheerder verzorgt de afvoer van overtollig materiaal.
m) Tot het aanvullen van een sleuf wordt tevens gerekend het weer op de oorspronkelijke plaats aanbrengen van de bij het graven van die sleuf gescheiden gehouden struiken en vaste planten.
3.3Eisen verdichtingsgraad
a) Van zand dat in grondverbetering is verwerkt, moet de verdichtingsgraad ten minste 93% bedragen. De gemiddelde verdichtingsgraad moet ten minste 98% bedragen.
b) Van zand dat in aanvulling is verwerkt indien geen verharding is geprojecteerd of dat moet worden verwerkt op een diepte van meer dan 1,0 meter beneden het oppervlak van het toekomstige wegdek, moet de verdichtingsgraad ten minste 93% bedragen. De gemiddelde verdichtingsgraad moet ten minste 98% bedragen.
c) Van zand dat in aanvulling is verwerkt op een diepte van minder dan 1,0 meter beneden het oppervlak van het toekomstige wegdek, moet de verdichtingsgraad ten minste 95% bedragen. De gemiddelde verdichtingsgraad moet ten minste 100% bedragen.
4Horizontale boringen
a) Gestuurde boringen mogen uitsluitend worden toegepast na toestemming van de toezichthouder van de gemeente.
b) Alle mantelbuizen moeten reiken tot ten minste 50 cm buiten de (gesloten) wegverharding of funderingsconstructie.
c) Bij het doorboren mag niet meer grond worden weggenomen dan door de buis wordt ingenomen.
d) Als door bijzondere omstandigheden het doorboren van een mantelbuis niet mogelijk is, kan het college (de gemeente) toestaan dat de kruising tot stand wordt gebracht door middel van doorgraving. De gronddekking van kabels, buizen en mantelbuizen moet bij wegkruisingen minimaal 80 cm bedragen.
5Opbreken en (indien van toepassing) herstellen open verharding
Onder open verharding wordt verstaan alle verhardingen niet zijnde asfalt en gesloten betonwegen. Gebakken straatklinkers, betonstraatstenen en betontegens vallen onder open verhardingen.
a) Wegkruisingen in wegen met een open verharding met een (gebonden) puinfundering of met een waterdoorlatende verharding en -fundering opbouw dienen altijd gerealiseerd te worden door middel van een persing of (gestuurde) boring, tenzij met de toezichthouder anders wordt overeengekomen.
b) Wegkruisingen in wegen met een open verharding met een zandfundering mogen in open ontgraving (in 2 gedeelten) gerealiseerd worden. Ter plaatse van de wegkruising dient bij voorkeur een mantelbuis gelegd te worden waardoorheen de kabel en/of leiding moet worden gevoerd. De mantelbuis dient minimaal 0,50 meter (bij kabels) of 1,00 meter (bij leidingen) aan weerszijden van het te kruisen vlak door te lopen, tenzij met de toezichthouder anders wordt overeengekomen.
c) Indien tijdens het opbreken van open verharding elementen breken of beschadigen dient de grondroerder deze zelf te vervangen door elementen van gelijke samenstelling en hoedanigheid.
d) Indien tijdens een vooropname gezamenlijk (toezichthouder en grondroerder) geïnventariseerd is dat een verharding van een nog op te breken tracé gebroken of beschadigde elementen bevat kan het vervangende materiaal mogelijk door de gemeente beschikbaar worden gesteld. Hierover dienen afspraken gemaakt te worden met de toezichthouder.
e) Lijnafwatering heeft vaak een fundering van (stamp)beton of gestabiliseerd zand, beiden mogen nooit worden verwijderd. De lijnafwatering inclusief funderingsconstructie moet intact blijven. Ook trottoirbanden die gefundeerd zijn mogen nooit verwijderd worden. Wanneer een lijnafwatering of een gefundeerde trottoirband gekruist moet worden dient over de toe te passen werkwijze overlegd te worden met de toezichthouder.
f) Bij doorgroeibare verhardingen dient de werkwijze met betrekking tot het opbreken en herstel en de eventueel toe te passen voegvulling altijd vooraf afgestemd te worden met de toezichthouder. In ieder geval geldt dat de fundering en onderliggende lagen gescheiden ontgraven dienen te worden. De fundering en onderliggende lagen dienen na uitvoering van de kabel- en leidingwerkzaamheden weer in de oorspronkelijke opbouw teruggebracht te worden. De grondroerder dient de doorgroeibare verharding weer terug te brengen.
g) Het opbreken en herstellen van bijzondere (sier)bestrating (o.a. natuursteen) kan een specifieke werkwijze vereisen. Om ervoor te zorgen dat het zichtoppervlak van het bestratingsmateriaal niet beschadigt, dient de grondroerder de nodige beschermende maatregelen te nemen waarbij aanwijzingen van de toezichthouder altijd opgevolgd dienen te worden.
5.1Eisen aan de uitvoering
De grondroerder dient na uitvoering van de werkzaamheden zelf dicht te straten indien sprake is van open verharding, tenzij in de verleende vergunning of toestemming is bepaald dat de gemeente zorgdraagt voor het dichtstraten. Aan de bestrating worden de volgende eisen gesteld:
a) De afwijking in de hoogteligging tussen onderling aaneensluitende gelijksoortige elementen van de bestrating of de kantopsluiting mag niet meer dan 2 mm bedragen.
b) Bestratingen moeten 10 tot 20 mm boven de aansluitende kantopsluiting liggen, tenzij deze kantopsluiting deel uitmaakt van een gootconstructie.
c) Bij het straten, uitgekomen en nieuwe bestratingsmaterialen naar soort gescheiden houden en in aaneengesloten vakken verwerken.
d) Er mogen geen klinkers op z’n kant terug gestraat worden.
e) Geen passtuk van straatstenen of tegels verwerken dat kleiner is dan een halve straatsteen of tegel. In een enkele rij niet meer dan twee passtukken verwerken, behoudens in het geval van stroomlagen die in bochten verlopen.
f) Bij herbestrating dienen de elementen onderling en ten opzichte van de ongeroerde elementen even hoog te zijn gestraat. Binnen het teruggebrachte straatwerk mogen geen oneffenheden voorkomen.
g) Het straatwerk dient onder hetzelfde profiel en verband te worden gestraat als voor de werkzaamheden aanwezig was.
h) De bestrating zodanig aanbrengen dat de straatstenen of tegels niet met de voet kunnen worden bewogen voordat de voegen zijn gevuld.
i) Uitgevoerd straatwerk dient schoongeveegd afgetrild te worden en moet daarna, bij voorkeur meerdere keren en met tussenpozen van 24 uur, ingeveegd worden met schoon brekerzand (bij beton-klinkers), schoon straatzand (bij tegels) of brekerzand (bij gebakken bestratingsmateriaal). Alle voegen in het straatwerk dienen in de eindsituatie voldoende met de ter plaatse toe te passen voegvulling te zijn gevuld. Een teveel aan voegruimte dient verdeeld te worden (schiften) over de sleufbreedte.
5.2Bijbehorende verplichtingen
a) Bij het afstrooien, inwassen of invegen van een bestrating behoort tevens het leveren van het benodigde materiaal ten behoeve van het afstrooien, inwassen of invegen. Ten hoogste 1 m³ straatzand per 100 m² bestrating.
b) Tot het aanbrengen van een bestrating behoort tevens het benodigde hak- en knipwerk.
c) Tot het aanbrengen van een straatlaag op zandbed behoort tevens het verdichten daarvan.
d) Straatzand moet natuurlijk zand zijn. Het mag geen klei of grove organische bestanddelen bevatten. Een Bewijs van oorsprong wordt verlangd.
6OPBREKEN EN (INDIEN VAN TOEPASSING) HERSTELLEN GESLOTEN VERHARDING
Onder gesloten verharding wordt verstaan alle verhardingen zijnde asfalt en gesloten betonwegen. Gebakken straatklinkers, betonstraatstenen en betontegens vallen niet onder gesloten verhardingen.
a) Wegkruisingen in wegen met een gesloten verharding dienen altijd gerealiseerd te worden door middel van een persing of (gestuurde) boring. Als dit vanwege een technische reden niet mogelijk is, dan kan met de toezichthouder anders worden overeengekomen.
b) Het is in beginsel verboden ontgravingen te verrichten in wegen met een gesloten verharding, behalve wanneer in deze wegen al kabels en/of leidingen aanwezig zijn die moeten worden gerepareerd of dat er aansluitingen op moeten worden gemaakt. In die gevallen wordt er gewerkt met voorafgaande (schriftelijke) toestemming van de gemeente.
c) Voordat een gesloten verharding mag worden verwijderd dienen de grenzen van het betreffende uit te breken gedeelte op steenmaat, met een minimale breedte en lengte van 0,50 meter, tot de gewenste diepte te worden ingezaagd door middel van watergekoeld zagen.
d) Bij mechanisch te verrichten grondwerk dient de sleuf in de gesloten verharding minimaal 0,50 meter breder te zijn dan de bakbreedte van de graafmachine. Het ondergraven van de gesloten verharding is niet toegestaan.
e) Vervolgens dient de gesloten verharding, bijvoorbeeld met behulp van een compressor, te worden verwijderd. Vrijgekomen asfaltmaterialen moeten (voor zover dit mogelijk is) worden gescheiden naar teerhoudend en niet teerhoudend.
Beide moeten worden afgevoerd conform de CROW-publicatie 210: 'Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt'. Indien van toepassing dient de grondroerder zelf voor de benodigde afvalstroomnummers te zorgen. Een kopie van de acceptatie- of stortbonnen van een erkend en gecertificeerd verwerkingsbedrijf dient direct overhandigd te worden aan de toezichthouder.
f) Sleuven of montage- c.q. lasgaten in de gesloten verharding moeten nadat de kabels en/of leidingen zijn gelegd, over de volle breedte worden opgevuld en verdicht en de funderingsconstructie moet worden hersteld met menggranulaat 0/31,5 mm.
g) De te herstellen sleuf of het te herstellen montage- c.q. lasgat in de gesloten verharding moet tonrond dichtgestraat worden in een zandbed van tenminste 0,05 meter brekerzand met betonstenen (BSS KF 80mm dik, zo mogelijk in de kleur van de aanwezige verharding) in elleboogverband op een wijze die geen gevaar oplevert. De bovenzijde van de stenen dienen gelijk te liggen met de aansluitende verharding. De stenen dienen vlak ten opzichte van elkaar te worden gestraat. Voor het onderhoud van de met klinkers herstelde sleuf geldt het bepaalde in de Schaderegeling ingravingen kabels en leidingen.
h) Indien het dichtstraten van een sleuf of montage- c.q. lasgat niet op deugdelijke wijze wordt uitgevoerd kan dat tot gevolg hebben dat de aansluitende verhardingen als gevolg van het gebruik door het verkeer verzakken en/of beschadigen. Binnen de afgesproken onderhoudstermijn die geldt voor straatwerk dient dergelijke schade door de grondroerder te worden hersteld.
i) Het definitieve herstel van gesloten verharding laat de gemeente achteraf uitvoeren.
7Groenvoorzieningen
7.1Groen Algemeen
Zonder vergunning en zonder privaatrechtelijke toestemming is het niet toegestaan om snoeiwerkzaamheden aan gemeentelijke groenvoorzieningen uit te voeren of bomen of planten te rooien. Als hiervoor toestemming is verleend door de gemeente, gelden de volgende regels:
a) In relatie tot werkzaamheden ten behoeve van kabels en/of leidingen kan het noodzakelijk zijn dat er tevens snoeiwerkzaamheden aan groenvoorzieningen moeten worden uitgevoerd. Dit kan voorafgaand aan of tijdens de werkzaamheden van de grondroerder nodig zijn.
b) De grondroerder dient dit tijdig af te stemmen met de contactpersoon K&L binnen de gemeente Leiden.
c) De snoeiwerkzaamheden aan groenvoorzieningen worden altijd door of in opdracht van de gemeente uitgevoerd.
d) De snoeiwerkzaamheden aan groenvoorzieningen kunnen ook in overleg met, en na akkoord van de gemeente, uitgevoerd worden door een ‘gecertificeerd groenspecialist’ in opdracht van de grondroerder.
e) Als naar oordeel van de opzichter van de gemeente Leiden te diep teruggesnoeid moeten worden, worden deze groenvoorzieningen als verloren beschouwd.
f) Als groenvoorzieningen moeten worden verwijderd, treedt de leidingexploitant in overleg met de gemeente. Voor zover het niet mogelijk is om struiken en planten na aanleg van de leidingen terug te plaatsen heeft het de voorkeur dat deze niet worden vernietigd maar elders terug worden geplant. Indien dit niet mogelijk is, of als het groen geen waarde meer heeft, wordt het gerooid.
g) Verloren gegane groenvoorzieningen zullen na afronden van de werkzaamheden door de grondroerder door nieuw materiaal moeten worden vervangen, in opdracht van de gemeente in een hiertoe gunstig jaargetijde.
h) Het nieuwe materiaal zal moeten voldoen aan de gestelde eisen die de gemeente stelt, dit wordt overeengekomen in een overleg met de ‘groenafdeling’ binnen de gemeente.
i) Het rooien van bomen, die in eigendom zijn van de gemeente, door de grondroerder is alleen toegestaan nadat daarvoor schriftelijk toestemming is verleend door de gemeente.
j) Hiervoor zal de grondroerder moeten voldoen aan de gestelde eisen conform de ‘Verordening fysieke leefomgeving’ van de gemeente. (zie website gemeente Leiden)
7.2Opbreken en herstellen bermen, gazons en sleuven zonder bedekking
a) Bij het werken in een sleufbedekking van (berm)gras dient, indien nodig, het aanwezige gewas voorafgaand aan de werkzaamheden door de grondroerder gemaaid te worden en het maaisel moet worden afgevoerd naar een erkend verwerker.
b) Bij opname van een sleufbedekking van (berm)gras moeten ter breedte van de sleuf regelmatige zoden worden gestoken. De graszoden dienen “groen op groen” te worden opgetast.
c) Indien afgesproken is dat de gemeente zelf zorg draagt voor het herstel van de sleufbedekking dienen de vrijkomende zoden te worden afgevoerd door de grondroerder.
d) Na aanvullen van de sleuf op de vereiste hoogte moeten de graszoden binnen 48 uur weer nauwkeurig worden teruggelegd, aangerold en met teelaarde gedresd. Ten slotte dienen de zoden met schoon water zolang als nodig is bewaterd te worden. De grondroerder dient tekortkomende zoden zelf aan te leveren.
e) In bermen waar gras aanwezig is en waar het steken van regelmatige zoden niet mogelijk is dient de sleufbedekking (graspollen en dergelijke) te worden afgevoerd. Nadat de kabels en/of leidingen zijn gelegd en de sleuf tot op de juiste hoogte is aangevuld en verdicht, dient het oppervlak van de berm, vrij van stenen en dergelijke, gespitfreesd te worden tot een gemiddelde diepte van 20cm tot 30cm en ingezaaid te worden met een door de gemeente goedgekeurd grasmengsel. Na het inzaaien het oppervlakte licht en gelijkmatig aandrukken.
f) Sleuven zonder bedekking dienen, nadat de kabels en/of leidingen zijn gelegd, tot op de juiste hoogte aangevuld, verdicht en met het oppervlak vrij van stenen en dergelijke vlak afgewerkt te worden. (2cm boven huidig maaiveld ivm nazakken.)
7.3Werken nabij bomen
a) Alle werkzaamheden in de nabijheid van bomen dienen plaats te vinden met inachtneming van Hoofdstuk 2 van het Handboek Bomen van het Normeninstituut.
b) Wanneer een boom wordt beschadigd, zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning kap is verleend, dient dit direct gemeld te worden bij de toezichthouder.
c) Als ten gevolge van de werkzaamheden een boom zoveel schade oploopt dat deze gerooid moet worden dient de grondroerder dit direct te melden bij de toezichthouder. Er dient dan (indien vereist) alsnog een omgevingsvergunning kap aangevraagd te worden, tenzij noodkap noodzakelijk is. Daarnaast dient een nieuwe boom geplant te worden ter compensatie.
d) Indien de grondroerder toestemming krijgt van de gemeente om een boom te rooien dient de grondroerder tevens de stobben te verwijderen en af te voeren en het ontstane gat laagsgewijs met grond aan te vullen en te verdichten. Ten slotte dient er een laag teelaarde te worden aangebracht. De grond dient op een zodanige wijze te worden afgewerkt dat er na inklinking sprake is van een vlakke overgang naar de ongeroerde grond. Reservering voor inklinking mag max. 0,10 m bedragen. In overleg met de toezichthouder dient het eventuele inzaaien te geschieden conform artikel 7.2 lid e van deze regeling.