Gemeentelijke regelgeving

Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland 2021

Gemeente Leiden · geldt sinds 15 januari 2025

Aanhef

Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Velsen, Voorschoten, Waddinxveen, Wassenaar en Zoeterwoude.

Overwegende dat:

•het uit overwegingen van kwaliteit, continuïteit en efficiency gewenst is om hun samenwerking bij de beleidsvoorbereiding, heffing en invordering van waterschapsbelastingen en gemeentelijke belastingen, alsmede bij de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken en het beheer en de uitvoering van vastgoedinformatie vorm te geven op basis van een gemeenschappelijke regeling;

•het hoogheemraadschap van Rijnland en de gemeenten Gouda, Leiden, Oegstgeest, Voorschoten, Wassenaar en Zoeterwoude sinds 1 januari 2011 op dit gebied samenwerken in de Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de gemeenten Bodegraven-Reeuwijk en Katwijk per 1 januari 2013, de gemeente Waddinxveen per 1 januari 2016 zijn aangesloten en de gemeente Leiderdorp per 1 januari 2020 is aangesloten;

•de gemeente Velsen wil aansluiten bij de gemeenschappelijke regeling per 1 januari 2021;

•de grondslag van de gemeenschappelijke regeling is gebaseerd op Hoofdstuk V, Regelingen tussen gemeenten en waterschappen, artikel 61 en volgende, van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

•het college van dijkgraaf en hoogheemraden en de colleges van burgemeester en wethouders van hun algemeen bestuur, respectievelijk gemeenteraden daartoe de vereiste toestemming hebben verkregen;

•de gemeente Velsen en de deelnemers aan de gemeenschappelijke regeling zich verbonden hebben de samenwerking met ingang van 1 januari 2021 operationeel te hebben en de taken daadwerkelijk gezamenlijk uit te voeren;

•gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Waterschapswet, de Gemeentewet, de Algemene wet bestuursrecht, de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen en de Wet waardering onroerende zaken;

•gelet op het implementeren van de gevolgen van de wijzigingen in de Wet gemeenschappelijk regelingen in de tekst van de gemeenschappelijke regeling

ingestemd met het wijzigen van de gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland 2021’, zodat deze komt te luiden als volgt:

Hoofdstuk 1: Begripsbepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

a.algemeen bestuur: het algemeen bestuur van het samenwerkingsverband;

b.ambtenaar van het samenwerkingsverband: de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, lid 4, sub c, van de Gemeentewet en artikel 124, lid 5, sub c, van de Waterschapswet, bevoegd tot de heffing of de invordering van belastingen, en tot de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken;

c.belastingdeurwaarder: de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 232, lid 4, sub d, van de Gemeentewet en artikel 124, lid 5, sub d, van de Waterschapswet, dan wel een als belastingdeurwaarder aangewezen gerechtsdeurwaarder, bedoeld in de Gerechtsdeurwaarderswet;

d.belastingen: de in dit artikel onder l en x genoemde belastingen;

e.belastingverordening: de verordeningen van de deelnemers tot heffing en invordering van belasting als bedoeld in artikel 110 van de Waterschapswet en artikel 216 van de Gemeentewet;

f.colleges: het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap van Rijnland en de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten.

g.dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband;

h.deelnemer: de aan de regeling deelnemende gemeenten en het hoogheemraadschap;

i.deelnemende gemeenten: Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Velsen, Voorschoten, Waddinxveen, Wassenaar en Zoeterwoude

j.directeur: de door het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband benoemde directeur, die tevens de WOR-bestuurder is;

k.gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland en Zuid-Holland ;

l.gemeentelijke belastingen: de belastingen die de gemeente heft op grond van hoofdstuk XV van de Gemeentewet of krachtens specifieke wetten en waarvan de heffing op grond van de artikelen 5 en 6 is overgedragen aan het samenwerkingsverband;

m.gemeentelijke deelnemer: de aan de regeling deelnemende gemeenten;

n.grondgebied: het grondgebied van de deelnemers aan de regeling;

o.heffen: het opleggen van belastingaanslagen op basis van daartoe door de bevoegde bestuursorganen vastgestelde verordeningen;

p.heffingsambtenaar: de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, lid 4, sub a, van de Gemeentewet en artikel 124, lid 5, sub a, van de Waterschapswet, bevoegd tot het heffen van belastingen en als bedoeld in artikel 30, lid 8 juncto artikel 1, lid 2 van de Wet waardering onroerende zaken, juncto artikel 231, lid 2 sub b van de Gemeentewet, bevoegd tot de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken;

q.invorderingsambtenaar: de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, lid 4, sub b, van de Gemeentewet en artikel 124, lid 5, sub b, van de Waterschapswet, bevoegd tot invordering van belastingen;

r.kwijtscheldingsregels: de door of namens de vertegenwoordigende organen van de deelnemers vastgestelde regels als bedoeld in respectievelijk artikel 144, leden 3 en 4 van de Waterschapswet, en artikel 255, leden 3 en 4 van de Gemeentewet;

s.nadere regels: nadere regels ter uitvoering van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, van de Invorderingswet 1990 en van de belastingverordening;

t.regeling: de Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland;

u.samenwerkingsverband: het Openbaar Lichaam Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland;

v.vertegenwoordigende organen: het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap van Rijnland en de raden van de deelnemende gemeenten;

w.voorzitter: de voorzitter van het algemeen en dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband;

x.waterschapsbelastingen: de belastingen die het hoogheemraadschap heft als bedoeld in artikel 113 van de Waterschapswet en hoofdstuk 7 van de Waterwet of krachtens specifieke wetten en waarvan de heffing en de invordering zijn overgedragen aan de BSGR.

y.wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Hoofdstuk 2: Openbaar lichaam

Artikel 2 Openbaar lichaam Samenwerkingsverband en Vestigingsplaats

1Er is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam genaamd ‘Openbaar Lichaam Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland’.

2Het samenwerkingsverband is gevestigd te Leiden.

Artikel 3 Bestuur

Het bestuur van het samenwerkingsverband bestaat uit:

a.het algemeen bestuur;

b.het dagelijks bestuur;

c.de voorzitter.

Hoofdstuk 3: Belangen en bevoegdheden

Artikel 4 Behartigde belangen

1In het kader van deze gemeenschappelijke regeling worden de belangen van de deelnemers, elk voor zover het hun grondgebied en hun belangen betreft, behartigd op het gebied van:

a.de heffing en invordering van belastingen;

b.de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken, waaronder tevens wordt begrepen de administratie van vastgoedgegevens op basis van deze wet en het verstrekken van vastgoedgegevens aan de deelnemers en derden.

2Het samenwerkingsverband kan de deelnemers adviseren omtrent de belastingen waarvan de heffing en invordering bij of krachtens dit artikel is overgedragen aan het samenwerkingsverband.

Artikel 5 Overdracht bevoegdheden

1Het samenwerkingsverband en de bestuursorganen van het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 3 en artikel 25 komen de bevoegdheden toe die in deze regeling aan het samenwerkingsverband en de bestuursorganen van het samenwerkingsverband zijn toegekend.

2Aan het samenwerkingsverband wordt overgedragen de bevoegdheid tot heffing en invordering van de volgende belastingen, voor zover de deelnemer de genoemde belasting kent:

1onroerende-zaakbelastingen;

2hondenbelasting;

3rioolheffing;

4afvalstoffenheffing;

5reinigingsrechten;

6forensenbelasting;

7toeristenbelasting;

8precariobelasting;

9de waterschapsbelastingen.

Artikel 6

1De colleges van de gemeentelijke deelnemers kunnen de bevoegdheid tot heffing en invordering van andere belastingen dan bedoeld in artikel 5 overdragen aan het samenwerkingsverband.

2Het algemeen bestuur neemt de belastingen als bedoeld in het eerste lid op in een bijlage bij deze regeling.

Hoofdstuk 4: Algemeen bestuur

Artikel 7 Omvang en samenstelling algemeen bestuur

1Aan het hoofd van het samenwerkingsverband staat algemeen bestuur, bestaande uit zoveel leden als er deelnemers zijn.

2De leden van het algemeen bestuur worden door de colleges uit hun midden aangewezen.

3Het aantal stemmen van een lid van het algemeen bestuur is gerelateerd aan de in de begroting van de belastingsamenwerking voor het betreffende kalenderjaar opgenomen bijdrage van de betreffende deelnemer die het lid van het algemeen bestuur vertegenwoordigt.

4Het aantal stemmen per deelnemer wordt jaarlijks door het algemeen bestuur op de eerste vergadering van het jaar vastgesteld aan de hand van de voor dat jaar vastgestelde begroting van de belastingsamenwerking, met dien verstande dat het stemrecht van een deelnemer altijd minder dan 50% van het totale stemrecht bedraagt. Het aantal stemmen wordt afgerond op 2 cijfers achter de komma.

5In afwijking van lid 3 en 4, wegen de stemmen van de leden van het algemeen bestuur even zwaar bij de keuze van de voorzitter en de overige leden van het dagelijks bestuur (one man, one vote).

6Voor elk lid wijzen de colleges een plaatsvervanger aan die dat lid bij verhindering vervangt.

7Van elke aanwijzing tot lid of plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur geven de colleges die het aangaan terstond daarvan kennis aan de voorzitter van het samenwerkingsverband.

Artikel 8 Onverenigbare betrekkingen

1Het lidmaatschap van het algemeen bestuur is, naast het gestelde in artikel 20 van de wet onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar, aangesteld bij het samenwerkingsverband of bij één van de deelnemers.

2Met ambtenaar als bedoeld in lid 1 worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld zij die in dienst van het samenwerkingsverband of bij één van de deelnemers werkzaam zijn op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

Artikel 9 Eindiging lidmaatschap algemeen bestuur, tussentijdse vacature en ontslag nemen

1Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt op de dag waarop de zittingsperiode van het college dat het lid van het algemeen bestuur heeft aangewezen eindigt.

2Indien tussentijds een plaats van een lid van het algemeen bestuur vacant of beschikbaar komt, wijst het college dat het aangaat, zo spoedig mogelijk een nieuw lid van het algemeen bestuur aan.

3Hij die ter vervulling van een tussentijdse vacature als lid van het algemeen bestuur wordt aangewezen, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is aangewezen, zou hebben moeten aftreden.

4Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij deelt zijn ontslag mede aan de deelnemer die het aangaat en aan de voorzitter van het algemeen bestuur. Het lid houdt zitting in het algemeen bestuur totdat in de opvolging is voorzien.

5Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde worden ontslagen door het college dat hem heeft aangewezen wanneer dit college het vertrouwen in dit lid verliest.

6Wanneer niet tijdig een nieuw lid in het algemeen bestuur is aangewezen, neemt de burgemeester respectievelijk de dijkgraaf van de betreffende deelnemer deze functie waar.

Artikel 10 Vergaderingen van het algemene bestuur, openbaar, deuren sluiten en geheimhouding

1Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks ten minste tweemaal en voorts zo vaak als de voorzitter, dan wel ten minste vier tiende van de leden dit, onder opgaaf van redenen, schriftelijk aan de voorzitter verzoekt.

2De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar.

3De deuren worden gesloten wanneer drie tiende gedeelte van de aanwezigen leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt.

4Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren wordt vergaderd.

5Met betrekking tot het opleggen van geheimhouding is artikel 23 van de wet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11 Reglement van orde en besluitvorming bij gewone meerderheid, tenzij

1Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast. Dit reglement wordt ter kennis gebracht van de deelnemers.

2Besluiten worden bij gewone meerderheid van stemmen genomen, tenzij in deze regeling uitdrukkelijk anders is bepaald.

3Een lid van het algemeen bestuur kan een initiatief indienen tot wijziging of intrekking van een door het algemeen bestuur bij gewone meerderheid genomen besluit, wanneer de deelnemer die het lid vertegenwoordigt ernstig in zijn belangen wordt geschaad. Op dit initiatief is artikel 42 van deze regeling van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12 Informatieplicht en verantwoordingsplicht

1Het algemeen bestuur geeft aan de colleges gevraagd dan wel ongevraagd alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het algemeen bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig zijn. Gelijktijdig met het publiceren van de agenda en de stukken van de vergaderingen van het algemeen bestuur van het samenwerkingsverband worden deze stukken ook toegezonden aan colleges en de griffies van de deelnemers.

2Op verzoek van tenminste de helft van de leden van het algemeen bestuur kan het samenwerkingsverband een informatiebijeenkomst organiseren ten behoeve van de leden van de algemeen besturen van de deelnemers inzake ontwikkelingen die gaan of kunnen gaan spelen binnen het samenwerkingsverband.

3Het reglement van orde voor het algemeen bestuur regelt de wijze waarop de in lid 1 bedoelde inlichtingen worden verstrekt.

4Een lid van het algemeen bestuur geeft aan het college dat hem heeft aangewezen alle inlichtingen die door dat college, of één of meer leden daarvan, worden verlangd.

5Een lid van het algemeen bestuur is aan het college dat hem heeft aangewezen verantwoording verschuldigd voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde bestuur.

Artikel 13 Bestuur, kaderstelling en controle

Het algemeen bestuur is belast met het algemeen bestuur van het samenwerkingsverband, waaronder kaderstelling en controle van het dagelijks bestuur.

Artikel 14 Bevoegdheden algemeen bestuur

Tot de bevoegdheden van het algemeen bestuur behoren, onverminderd het bepaalde in artikel 66a lid 1 van de wet, onder meer:

a.het vaststellen en wijzigen van de begroting;

b.het vaststellen van de jaarrekening;

c.het vaststellen van de bijdragen van de deelnemers in het samenwerkingsverband aan de hand van de kostenverdeelsleutel;

d.de benoeming, schorsing en ontslag van de leden van het dagelijks bestuur en de voorzitter.

e.het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen dan wel het ontbinden daarvan of het beëindigen van deelname daaraan.

Hoofdstuk 5: Dagelijks bestuur

Artikel 15 Omvang dagelijks bestuur, aanwijzing, samenstelling, einde lidmaatschap, tussentijdse vacature en ontslag

1Het dagelijks bestuur bestaat uit 3 leden te weten:

a.de voorzitter;

b.twee leden.

2De leden van het dagelijks bestuur worden door en uit het midden van het algemeen bestuur aangewezen.

3Eén lid is afkomstig uit het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap van Rijnland. De overige leden zijn afkomstig uit de college van burgemeester en wethouders van de gemeenten die deel uit maken van het samenwerkingsverband.

4Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt van rechtswege, zodra men ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur.

5Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur vacant of beschikbaar komt, wijst het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid van het dagelijks bestuur aan.

6Gaat het openvallen van een plaats in het dagelijks bestuur gepaard met het openvallen van een plaats in het algemeen bestuur, dan wordt het aanwijzen van een nieuw lid van het dagelijks bestuur uitgesteld totdat de opengevallen plaats in het algemeen bestuur is bezet.

7Conform artikel 19a, lid 3 van de wet kan een lid van het dagelijks bestuur door het algemeen bestuur worden ontslagen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit.

8Een lid van het dagelijks bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet hiervan mededeling aan het algemeen bestuur. Een lid dat ontslag heeft genomen blijft zijn functie waarnemen, totdat zijn opvolger zijn aanwijzing heeft aanvaard.

Artikel 16 Vergaderingen van het dagelijks bestuur, besluitvorming, vergaderingen niet openbaar en reglement van orde

1Het dagelijks bestuur vergadert jaarlijks ten minste viermaal en voorts zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt of een lid van het dagelijks bestuur daarom verzoekt.

2De leden van het dagelijks bestuur hebben ieder één stem. Besluiten worden bij gewone meerderheid van stemmen genomen.

3In de vergaderingen van het dagelijks bestuur kan slechts worden beraadslaagd en besloten indien tenminste twee leden aanwezig zijn.

4Indien het vereiste aantal leden niet aanwezig is, belegt de voorzitter een nieuwe vergadering.

5De vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn niet openbaar, voor zover het dagelijks bestuur niet anders heeft bepaald.

6Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast. Dit reglement wordt ter kennis gebracht van het algemeen bestuur.

Artikel 17 Algemene taken van het dagelijks bestuur

1Het dagelijks bestuur is belast met de dagelijkse aangelegenheden van het samenwerkingsverband, tenzij de voorzitter bij of krachtens de wet of krachtens deze regeling daarmee is belast.

2Het dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van al hetgeen in de vergadering van het algemeen bestuur ter overweging en besluitvorming moet worden gebracht.

3Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de besluiten van het algemeen bestuur, tenzij de voorzitter daarmee krachtens deze regeling is belast.

Artikel 18 Specifieke taken van het dagelijks bestuur

Het dagelijks bestuur is in ieder geval belast met:

a.de organisatorische inrichting en de bedrijfsvoering van het samenwerkingsverband en de personele aangelegenheden;

b.het beheer van de inkomsten, uitgaven en het vermogen van het samenwerkingsverband;

c.de zorg, voor zover niet aan anderen opgedragen, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding;

d.het houden van toezicht op de uitoefening van de bevoegdheden door de heffingsambtenaar, de invorderingsambtenaar, de ambtenaar van het samenwerkingsverband en de belastingdeurwaarder;

e.de behartiging van de belangen van het samenwerkingsverband bij andere overheden, instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor het samenwerkingsverband van belang is;

f.het beheer van een register met de belastingverordeningen en de kwijtscheldingsregels die het samenwerkingsverband voor de deelnemers uitvoert.

Artikel 19 Bevoegdheden van het dagelijks bestuur

Conform artikel 66b juncto artikel 33b van de wet is het dagelijks bestuur in ieder geval bevoegd tot:

1het nemen van conservatoire maatregelen;

2het voeren van rechtsgedingen en het instellen van bezwaar en beroep;

3benoeming, schorsing en ontslag van de directeur en het personeel van het samenwerkingsverband;

4het regelen van de bezoldiging van de directeur en het personeel van het samenwerkingsverband;

5het regelen van de rechtspositie en arbeidsvoorwaarden van de directeur en het personeel;

6uitoefening van de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Wet milieubeheer en de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de Minister van Financiën, het bestuur van ‘s Rijksbelastingdienst en de directeur, respectievelijk het college van burgemeester en wethouders of het dagelijks bestuur van de deelnemers;

7de aanwijzing van één of meer ambtenaren van het samenwerkingsverband als heffingsambtenaar en als invorderingsambtenaar;

8de aanwijzing van één of meer ambtenaren van het samenwerkingsverband of een gerechtsdeurwaarder als belastingdeurwaarder;

9het aanwijzen van één of meer ambtenaren van het samenwerkingsverband als ambtenaar van het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1 sub b.;

10het vaststellen van instructies en beleidsregels voor de heffingsambtenaar, de invorderingsambtenaar, de ambtenaar van het samenwerkingsverband en de belastingdeurwaarder voor de uitoefening van hun bevoegdheden;

11het stellen van nadere regels met betrekking tot de heffing en invordering van de belastingen;

12het geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren van de belasting;

13het besluiten tot het aanbesteden van leveringen en diensten;

14het besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het samenwerkingsverband;

15het doen van aangifte van strafbare feiten, waarvan het kennis heeft genomen.

Artikel 20 Informatie aan algemeen bestuur en verantwoording

1Conform artikel 19a van de wet verstrekt het dagelijks bestuur en elk van zijn leden aan het algemeen bestuur de door één of meer leden van dit bestuur gevraagde inlichtingen.

2Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden leggen op verzoek van het algemeen bestuur verantwoording af over het door het dagelijks bestuur of door één van de leden gevoerde bestuur.

Artikel 21 Verslag van werkzaamheden

1Het dagelijks bestuur biedt het algemeen bestuur jaarlijks vóór 1 juli ter vaststelling aan een verslag van de werkzaamheden van het samenwerkingsverband over het afgelopen jaar.

2Het dagelijks bestuur zendt het verslag binnen 14 dagen na vaststelling aan de colleges.

Hoofdstuk 6: Voorzitter

Artikel 22 Aanwijzing voorzitter en plaatsvervangend voorzitter

1Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden de voorzitter aan, met inachtneming van artikel 15 van deze regeling.

2De voorzitter van het algemeen bestuur is tevens voorzitter van het dagelijks bestuur.

3Het algemeen bestuur wijst uit de in artikel 15 lid 1 sub b van deze regeling bedoelde leden van het dagelijks bestuur een plaatsvervangend voorzitter aan, die de voorzitter bij afwezigheid vervangt.

Artikel 23 Taken en bevoegdheden van de voorzitter

1De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen en het dagelijks bestuur.

2De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan.

3Conform artikel 66d van de wet vertegenwoordigt de voorzitter het samenwerkingsverband in en buiten rechte. Hij kan deze vertegenwoordiging met instemming van het dagelijks bestuur aan een door hem aan te wijzen gemachtigde opdragen.

4Indien de voorzitter behoort tot het bestuur van een deelnemer die partij is bij een geding waarbij het samenwerkingsverband is betrokken, oefent de plaatsvervangend voorzitter met betrekking tot dat geding de in lid 3 genoemde bevoegdheid uit.

5Indien ook de deelnemer van welk bestuur de plaatsvervangend voorzitter deel uitmaakt bij het in lid 4 bedoelde geding betrokken is, wordt een ander lid van het dagelijks bestuur gemachtigd om het samenwerkingsverband met betrekking tot dat geding te vertegenwoordigen.

Hoofdstuk 7: Directeur

Artikel 24 Instructie directeur, taken directeur tekenen stukken en vervanging

1Het samenwerkingsverband heeft een ambtelijke organisatie, met aan het hoofd een directeur. De directeur is tevens secretaris van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.

2De directeur handelt in overeenstemming met de door het dagelijks bestuur vastgestelde instructie.

3De directeur staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter bij de uitoefening van hun taak terzijde. Hij is bij de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur aanwezig.

4Alle stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan worden door de directeur mede ondertekend.

5Het dagelijks bestuur regelt de vervanging van de directeur.

Hoofdstuk 8: Heffingsambtenaar, Invorderingsambtenaar, ambtenaar van het samenwerkingsverband en belastingdeurwaarder

Artikel 25

Het samenwerkingsverband heeft één of meer heffingsambtenaren, invorderingsambtenaren, ambtenaren van het samenwerkingsverband en belastingdeurwaarders.

Artikel 26 Bevoegdheden heffingsambtenaar

1De heffingsambtenaar heeft de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Waterwet, de Wet milieubeheer, de Wet op de bedrijveninvesteringszones en de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de inspecteur, respectievelijk de ambtenaar bevoegd tot de heffing van belastingen van de deelnemers.

2Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in lid 1 neemt de heffingsambtenaar de nadere regels van het dagelijks bestuur in acht en houdt hij rekening met de beleidsregels die het dagelijks bestuur heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

Artikel 27 Bevoegdheden invorderingsambtenaar

1De invorderingsambtenaar heeft de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Waterwet, de Wet milieubeheer en de Wet op de bedrijveninvesteringszones zijn toegekend aan de ontvanger, respectievelijk de ambtenaar bevoegd tot de invordering van de belastingen van de deelnemers.

2De invorderingsambtenaar beslist niet tot het voeren van een executieprocedure in eerste aanleg en niet tot het instellen van hoger beroep dan nadat hij dagelijks bestuur van zijn voornemen op de hoogte heeft gesteld.

3Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in lid 1 en 2 neemt de invorderingsambtenaar de kwijtscheldingsregels van de desbetreffende deelnemer en de nadere regels van het dagelijks bestuur in acht, alsmede houdt hij rekening met de beleidsregels van het dagelijks bestuur ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

4De invorderingsambtenaar is bevoegd het dagelijks bestuur gemotiveerd te verzoeken tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 19, sub 12, van de regeling.

Artikel 28 Bevoegdheden ambtenaar van het samenwerkingsverband

1De ambtenaar van het samenwerkingsverband oefent de bevoegdheden en verplichtingen uit die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Waterwet, de Wet milieubeheer, de Wet op de bedrijveninvesteringszones en de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de ambtenaren van de Rijksbelastingdienst, respectievelijk de ambtenaar bevoegd tot de heffing of invordering van de deelnemers als bedoeld in artikel 231, lid 2, sub d, van de Gemeentewet en artikel 123, lid 3, sub d, van de Waterschapswet.

2Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in lid 1 neemt de ambtenaar van het samenwerkingsverband de nadere regels van het dagelijks bestuur in acht, alsmede houdt hij rekening met de beleidsregels van het dagelijks bestuur ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

Artikel 29 Bevoegdheden belastingdeurwaarder

1De belastingdeurwaarder oefent de bevoegdheden en verplichtingen uit die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Waterwet, de Wet milieubeheer en de Wet op de bedrijveninvesteringszones zijn toegekend aan de belastingdeurwaarder.

2Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in lid 1 neemt de belastingdeurwaarder de nadere regels van het dagelijks bestuur in acht en houdt hij rekening met de beleidsregels die het dagelijks bestuur heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

Hoofdstuk 9: Ondernemingsraad & rechtspositionele regeling

Artikel 30 Ondernemingsraad

1Het samenwerkingsverband heeft ten behoeve van de medezeggenschap van de werknemers een ondernemingsraad op basis van de Wet op de ondernemingsraden.

2De cao-SGO (Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties) is van toepassing op het personeel van het samenwerkingsverband

Hoofdstuk 10 : Begroting, rekening, administratie en controle

Artikel 31 Vaststelling, toezending ontwerp begroting aan deelnemers, ter inzage legging jaarrekening, verkrijgbaar stelling, zienwijzen deelnemers aan gedeputeerde staten, inzending begroting aan gedeputeerde staten, begrotingswijzigingen en uitzonderingen bij begrotingswijzigingen

1Het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband zendt vóór 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers.

2Het algemeen bestuur stelt jaarlijks voorafgaande aan het jaar waarvoor deze geldt met ten minste drie vierde meerderheid van stemmen de begroting vast.

3Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur ter vaststelling wordt aangeboden toe aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers. De ontwerpbegroting wordt gelijktijdig toegezonden aan de leden van het algemeen bestuur.

4De ontwerpbegroting wordt door de zorg van ieder der deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Artikel 190, leden 2 en 3, van de Gemeentewet en artikel 100, leden 2 en 3, van de Waterschapswet zijn van overeenkomstige toepassing.

5De vertegenwoordigende organen van de deelnemers kunnen omtrent de ontwerpbegroting aan het dagelijks bestuur hun zienswijzen naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin de zienswijzen zijn vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

6Nadat de begroting is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur de begroting aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijzen naar voren kunnen brengen.

7Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling aan gedeputeerde staten, doch in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient.

8Het bepaalde in lid 1, 2, voor wat betreft het gestelde ten aanzien van een meerderheid van stemmen, 4 en 5 is mede van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, behoudens de daarin genoemde data.

9Het bepaalde in lid 8 is niet van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting waarbij in de bijdrage van de deelnemers geen wijziging wordt gebracht.

Artikel 32 Bijdrage deelnemers, vaststelling berekeningswijze bijdrage, voorschotbetalingen en garantieverklaring

1In de begroting wordt aangegeven de door elke deelnemer voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft verschuldigde bijdrage.

2Het algemeen bestuur stelt met ten minste drie vierde meerderheid van stemmen een verordening vast over de wijze waarop de door de deelnemers verschuldigde bijdrage wordt berekend.

3De deelnemers betalen bij wijze van voorschot jaarlijks vóór 16 januari, vóór 16 april, vóór 16 juli en vóór 16 oktober telkens een kwart van de in lid 1 bedoelde bijdrage.

4De deelnemers dragen er zorg voor dat het samenwerkingsverband te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al haar verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

5De deelnemers staan gezamenlijk garant voor de juiste betaling van rente, aflossing, boeten en kosten van de door het samenwerkingsverband af te sluiten langlopende leningen, kasgeldleningen en in rekening courant op te nemen gelden, naar verhouding van de in lid 1 bedoelde bijdrage op 1 januari van het jaar waarin de rente en aflossing is verschuldigd.

Artikel 33 Jaarrekening, accountantsverklaring en verslag, vaststelling, Inzending aan gedeputeerde staten mededeling aan deelnemers en décharge

1Van de inkomsten en uitgaven van het samenwerkingsverband over het afgelopen jaar wordt door het dagelijks bestuur verantwoording afgelegd aan het algemeen bestuur onder overlegging van de jaarrekening met de daarbij behorende bescheiden.

2Het dagelijks bestuur voegt bij de jaarrekening een accountantsverklaring en een verslag van bevindingen van de accountant.

3Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarrekening over het afgelopen jaar en stelt haar met ten minste drie vierde meerderheid van stemmen vast.

4Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten.

5Van de vaststelling van de jaarrekening doet het dagelijks bestuur mededeling aan de vertegenwoordigende organen.

6De vaststelling van de jaarrekening strekt het dagelijks bestuur tot décharge, behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ten aanzien van het daarin verantwoorde financieel beheer.

Artikel 34 Definitieve bijdrage en verrekening definitieve bijdrage

1In de jaarrekening wordt de door elk van de deelnemers over het betreffende dienstjaar werkelijk verschuldigde bijdrage opgenomen.

2Verrekening van het verschil tussen de op grond van artikel 32, lid 1 bepaalde bijdrage en de werkelijk verschuldigde bijdrage vindt plaats terstond na de in artikel 33, lid 5 bedoelde mededeling.

Artikel 35 Regels m.b.t administratie, gescheiden administraties, gescheiden rekeningen, geen verrekening, overmakingstermijn belastinggelden, overzichten en beleidsinformatie

1Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de organisatie van de administratie en het beheer van vermogenswaarden. Deze regels dienen te waarborgen dat aan de eisen van rechtmatigheid, doelmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan.

2Het samenwerkingsverband houdt de administratie van de opgelegde aanslagen en de ingevorderde belastinggelden gescheiden van de administratie voor de bedrijfsvoering van het samenwerkingsverband.

3De ingevorderde belastinggelden worden beheerd op een uitsluitend daartoe bestemde rekening.

4Het is het samenwerkingsverband niet toegestaan nog te ontvangen of reeds ontvangen belastinggelden te verrekenen met de bijdragen van de deelnemers.

5Ingevorderde belastinggelden worden periodiek overgemaakt naar de rekening van de betreffende deelnemer. Het algemeen bestuur bepaalt de duur van de periode.

6Het dagelijks bestuur zendt periodiek aan de colleges een overzicht van de te heffen, geheven, in te vorderen en ingevorderde belastinggelden. Het algemeen bestuur bepaalt de duur van de periode.

7Het samenwerkingsverband verstrekt aan de deelnemers de informatie die deze opvragen om hun beleid te kunnen vormen ten aanzien van de in artikel 4 bedoelde onderwerpen.

Artikel 36 Controleregels en aanwijzing accountant

1Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de controle op de administratie en op het beheer van de vermogenswaarden. De regels dienen onder meer te waarborgen dat de rechtmatigheid en doelmatigheid van de administratie en het beheer worden getoetst.

2De regels, bedoeld in lid 1, voorzien onder meer in de aanwijzing van een registeraccountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek belast met het onderzoek van de jaarrekening alsmede het ter zake uitbrengen van een verslag, dat behalve de verklaring bij de rekening bevindingen bevat over de vraag of de administratie en het beheer voldoen aan de eisen van rechtmatigheid en doelmatigheid.

Hoofdstuk 11: Toetreding en uittreding

Artikel 37 Toetreding

1Het college van een gemeente of een dagelijks bestuur van een waterschap dat wenst toe te treden dient het verzoek tot toetreding, met inbegrip van de verkregen toestemming van de gemeenteraad respectievelijk het algemeen bestuur van het waterschap, in bij het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband.

2Het dagelijks bestuur legt het verzoek tot toetreding ter advisering voor aan het algemeen bestuur. Vervolgens zendt het dagelijks bestuur het verzoek tot toetreding met het advies van het algemeen bestuur aan de colleges.

3Het college van een gemeente of het dagelijks bestuur van een waterschap treedt toe tot de regeling, indien alle deelnemers aan de gemeenschappelijke regeling, na verkregen toestemming van hun vertegenwoordigende orgaan hebben ingestemd met de verzochte toetreding.

4Het algemeen bestuur kan algemene en specifieke regels stellen omtrent de toetreding van nieuwe waterschappen of gemeenten.

5De toetreding gaat in op de eerste dag van enig jaar.

6Het dagelijks bestuur van de toegetreden deelnemer doet zo spoedig mogelijk de nodige benoemingen overeenkomstig het bepaalde in artikel 7 van deze regeling.

Artikel 38 Uittreding

1Een deelnemer kan uittreden uit de regeling. De deelnemer die uit de regeling wenst uit te treden maakt, na verkregen toestemming van zijn vertegenwoordigend orgaan, zijn voornemen tot uittreding bij aangetekend schrijven kenbaar aan het algemeen bestuur van het samenwerkingsverband en aan de algemeen besturen van overige deelnemers.

2Gedurende vijf jaren na de datum van toetreding tot de regeling is het niet mogelijk om uit de regeling te treden.

3Voor uittreding wordt een opzegtermijn van ten minste één jaar in acht genomen.

4Uittreding vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar.

5Na ontvangst van het in lid 1 vermelde schrijven wordt aan de deelnemer een voorlopige inschatting gegeven welk bedrag zij als ‘uittreedfee’ verschuldigd is aan het samenwerkingsverband. De ‘uittreedfee’ bestaat uit twee componenten, te weten:

•een bedrag aan incidentele kosten die door het samenwerkingsverband en/of de achterblijvende deelnemers worden gemaakt ten behoeve van de overdracht van de belasting- en WOZ-administratie aan de uittredende deelnemer

en

•een afkoopsom bestemd om de overige financiële gevolgen van het uittreden van de deelnemer voor de achterblijvende deelnemers te compenseren.

6De in lid 5 genoemd afkoopsom bedraagt 250% van de bijdrage van de uittredende deelnemer die deze deelnemer volgens de begroting (na de laatste begrotingswijziging over dat jaar) van het samenwerkingsverband voorafgaand aan het jaar van uittreden uit het samenwerkingsverband verschuldigd was aan het samenwerkingsverband, daarop worden in mindering gebracht:

•het aandeel van de uittredende partij in de algemene reserve en eventueel een (deels) ten behoeve van de uittredende partij gevormde bestemmingsreserve;

en

•de personele kosten van personeel dat door de uittredende partij van het samenwerkingsverband wordt overgenomen.

De afkoopsom kan nooit minder dan nul euro bedragen.

7Na vaststelling van de jaarrekening over het jaar voorafgaand aan het jaar van uittreding wordt de hoogte van de ‘uittreedfee’ definitief bepaald en aan de uitgetreden deelnemer door het algemeen bestuur schriftelijk kenbaar gemaakt.

8De uittredende deelnemer voldoet de incidentele kosten zodra deze bij hem in rekening worden gebracht. De volledige afkoopsom moet uiterlijk binnen een termijn van vier jaar na uittreding zijn voldaan. Daarbij dient in het 1e jaar na uittreding door de uittredende deelnemer 100% van de bijdrage die de uittredende deelnemer conform de begroting vóór het jaar van uittreden (na de laatste begrotingswijziging) aan het samenwerkingsverband verschuldigd was te worden voldaan en in de jaren daarop respectievelijk 75%, 50% en 25%.

Hoofdstuk 12: Wijziging en opheffing

Artikel 39 Wijziging

1De regeling kan door de deelnemers worden gewijzigd op voorstel van het algemeen bestuur. De colleges en het dagelijks bestuur kunnen het algemeen bestuur oproepen om een wijzigingsvoorstel vast te stellen.

2Het dagelijks bestuur zendt de deelnemers het voorstel tot wijziging en verzoekt de deelnemers tot het nemen van een besluit omtrent de voorgestelde wijziging.

3De colleges besluiten omtrent de voorgestelde wijziging nadat zij daartoe toestemming hebben verkregen van hun vertegenwoordigend orgaan. Van hun besluit stellen zij het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling schriftelijk in kennis.

4Een wijziging van de regeling is tot stand gekomen wanneer alle deelnemers zich op de wijze als vermeld in lid 3 daarmee hebben ingestemd.

5De wijziging van de regeling treedt in werking op de eerste dag na die van de bekendmaking.

Artikel 40 Opheffing en liquidatie

1De regeling wordt opgeheven bij gelijkluidend besluit van alle deelnemers.

2Artikel 39 is van overeenkomstige toepassing.

3Ingeval een besluit tot opheffing volgens lid 1 is genomen, besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt het, gehoord de deelnemers, een liquidatieplan vast.

4Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing. Voorts voorziet het liquidatieplan in de regeling van de personele gevolgen.

5Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van het liquidatieplan.

6Zo nodig blijft het dagelijks bestuur ook na het tijdstip van opheffing in functie totdat het liquidatieplan is uitgevoerd.

Artikel 40a Overige zienswijzen

1Ieder lid van het algemeen bestuur kan een onderwerp dat speelt, gaat of kan gaan spelen binnen het samenwerkingsverband voordragen om aan de algemeen besturen van de deelnemers voor te leggen om hierop hun zienwijzen te vragen.

2Indien ten minste drie kwart van de leden van het algemeen bestuur instemt om het voorgedragen onderwerp voor zienswijzen voor te leggen aan de algemeen besturen van de deelnemers, dan wordt dit via de griffies van de deelnemers voorgelegd aan de algemeen besturen van de deelnemers.

3Indien van de algemeen besturen van de deelnemers niet binnen twaalf weken nadat het verzoek ter kennis is gebracht aan de griffies van de deelnemers een reactie is ontvangen, wordt verondersteld dat het algemeen bestuur van de betreffende deelnemer geen zienswijze wenst uit te brengen met betrekking tot het aangedragen onderwerp.

Artikel 40b Evaluatie

1Het algemeen bestuur kan besluiten het functioneren van de regeling te evalueren. Voorafgaand aan de uitvoering van de evaluatie worden het doel, de reikwijdte en de wijze van evaluatie door het algemeen bestuur bepaald, daarbij worden de algemeen besturen van de deelnemers vooraf gehoord.

2Indien van een algemeen bestuur van een deelnemer binnen twaalf weken nadat zij zijn verzocht om input te leveren voor een uit te voeren evaluatie zoals bedoeld in het eerste lid van hen geen reactie is ontvangen, wordt verondersteld dat zij geen input leveren voor de door het algemeen bestuur uit te voeren evaluatie.

Artikel 40c Betrekken ingezetenen en belanghebbenden

Voor inspraak van ingezetenen en belanghebbenden over de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid van één van de bestuursorganen van het samenwerkingsverband kunnen ingezetenen en belanghebbenden gebruik maken van de bestaande mogelijkheden volgens de regelingen van de deelnemer waarin zij woonachtig/gevestigd zijn

Hoofdstuk 13: Overige bepalingen

Artikel 41 Archief

1Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van het samenwerkingsverband overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de wettelijke voorschriften.

2Op de archiefbescheiden is van toepassing de Archiefverordening Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland.

3De directeur is belast met de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden.

Artikel 42 Geschillen

1Onverminderd het bepaalde in artikel 28 van de wet worden geschillen over de toepassing van de regeling, in de ruimste zin van het woord, onderworpen aan een niet-bindend deskundigenadvies.

2Voordat wordt overgegaan tot het vragen van het in lid 1 bedoelde deskundigenadvies, wordt het geschil besproken tussen een afvaardiging van het dagelijks bestuur en een afvaardiging van het college waarmee het geschil bestaat.

3Indien het in het lid 2 bedoelde overleg niet tot een oplossing leidt, benoemen het dagelijks bestuur en het college waarmee het geschil bestaat elk een onafhankelijke deskundige. Beide deskundigen benoemen een derde deskundige, die tevens als voorzitter van de adviescommissie optreedt. Het dagelijks bestuur treedt mede namens het betreffende college op als opdrachtgever van de commissie. In de opdracht wordt tenminste het probleem geschetst, worden de te beantwoorden vragen geformuleerd en wordt de termijn genoemd waarbinnen de commissie haar advies dient uit te brengen.

4De in het lid 3 bedoelde commissie regelt zelf de wijze waarop zij haar advies tot stand brengt. Het advies wordt tegelijkertijd toegezonden aan het dagelijks bestuur en aan het betreffende college.

5Na ontvangst van het advies treden de in het lid 2 bedoelde afgevaardigden nogmaals in overleg om te trachten tot een oplossing van het geschil te komen. Indien het overleg niet tot een oplossing leidt, is elk der partijen vrij om het geschil overeenkomstig het gestelde in artikel 28 van de wet voor te leggen aan gedeputeerde staten.

6De kosten van de adviescommissie worden door het dagelijks bestuur en het betreffende college ieder voor de helft gedragen.

Hoofdstuk 14: Slotbepalingen

Artikel 43 Inwerkingtreding

1De wijziging van de gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland treedt op 1 januari 2025 in werking.

2De besluiten die zijn genomen krachtens de gemeenschappelijke regeling zoals deze luidde vóór 1 januari 2025 worden voor zover van toepassing geacht te zijn genomen krachtens de per 1 januari 2025 gewijzigde regeling.

3De bevoegdheden van het dagelijks bestuur, de heffingsambtenaar, de invorderingsambtenaar, de ambtenaar van het samenwerkingsverband en de belastingdeurwaarder hebben betrekking op de bevoegdheden met betrekking tot belastbare feiten die zich voordoen vanaf 1 januari 2025.

Artikel 44 Eerste aanwijzing bestuursleden

Binnen één maand na het tijdstip van inwerkingtreding van de regeling wijzen de dagelijkse besturen en de colleges op grond van artikel 7 de leden en plaatsvervangend leden van het algemeen bestuur aan.

Artikel 45 Duur van de regeling

De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

Artikel 46 Inzending van de regeling

Het college van de gemeente Leiden wordt belast met de inzending van deze regeling aan gedeputeerde staten.

Artikel 47 Naam van de regeling

De regeling kan worden aangehaald als ‘Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland 2021’.

Bijlage bij Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (hierna Reglement) als bedoeld in artikel 6, lid 2 van het Reglement.

Het Openbaar Lichaam Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (hierna BSGR) voert, naast de in artikel 5, lid 2 van het Reglement genoemde belastingen, ook de navolgende belastingen ten behoeve van de genoemde deelnemers uit:

Ten behoeve van de gemeente Gouda is door het college van burgemeester en wethouders van Gouda bij delegatiebesluit van 14 december 2010 aan de BSGR overgedragen de bevoegdheid tot heffing en invordering van:

•haven- en bruggelden;

•leges;

•marktgelden;

•staangelden.

Ten behoeve van de gemeente Wassenaar is door het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar bij delegatiebesluit van 14 september 2010 aan de BSGR overgedragen de bevoegdheid tot heffing en invordering van:

•baatbelasting.

Ten behoeve van het hoogheemraadschap van Rijnland is door het college van dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland bij delegatiebesluit van 23 november 2010 aan de BSGR overgedragen de bevoegdheid tot heffing en invordering van:

•leges.

Het Algemeen bestuur is in zijn vergadering van 22 december 2010 akkoord gegaan met de voornoemde overdracht van heffings- en invorderingsbevoegdheden naar de BSGR.

Ten behoeve van de gemeente Zoeterwoude is door het college van burgemeester en wethouders van Zoeterwoude bij delegatiebesluit van 6 december 2011 aan de BSGR overgedragen de bevoegdheid tot heffing en invordering van:

•een BIZ-bijdrage.

Het Algemeen bestuur is in zijn vergadering van 21 december 2011 akkoord gegaan met de voornoemde overdracht van heffings- en invorderingsbevoegdheden naar de BSGR.

Ten behoeve van de gemeente Katwijk is met ingang van 1 januari 2013 door het college van burgemeester en wethouders van Katwijk bij delegatiebesluit van 8 januari 2013 aan de BSGR overgedragen de bevoegdheid tot heffing en invordering van:

•belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten;

•parkeerbelasting, met uitzondering van de heffing van motorvoertuigen met een niet- Nederlands kenteken;

•havengeld;

•marktgelden;

•begraafrechten.

Het Algemeen bestuur is in zijn vergadering van 23 april 2013 akkoord gegaan met de voornoemde overdracht van heffings- en invorderingsbevoegdheden naar de BSGR.

Ten behoeve van de gemeente Katwijk is met ingang van 1 januari 2021 door het college van burgemeester en wethouders van Katwijk bij delegatiebesluit van 6 november 2020 aan de BSGR overgedragen de bevoegdheid tot heffing en invordering van:

•BIZ-Zeezijde Katwijk

Het Algemeen bestuur is in zijn vergadering van 29 oktober 2020 akkoord gegaan met de voornoemde overdracht van heffings- en invorderingsbevoegdheden naar de BSGR.

Ten behoeve van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk is met ingang van 1 januari 2015 door het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk bij delegatiebesluit van 8 juli 2014 aan de BSGR overgedragen de bevoegdheid tot heffing en invordering van:

•de bouwleges.

Het Algemeen bestuur is in zijn vergadering van 24 november 2014 akkoord gegaan met de voornoemde overdracht van heffings- en invorderingsbevoegdheden naar de BSGR.

Ten behoeve van de gemeente Wassenaar is met ingang van 1 januari 2016 door het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar bij delegatiebesluit van 15 september 2015 aan de BSGR overgedragen de bevoegdheid tot heffing en invordering van:

•BIZ-bijdrage Maaldrift;

•reclamebelasting.

Het Algemeen bestuur is in zijn vergadering van 17 september 2015 akkoord gegaan met de voornoemde overdracht van heffings- en invorderingsbevoegdheden naar de BSGR.

Ten behoeve van de gemeente Voorschoten is met ingang van 1 januari 2016 door het college van burgemeester en wethouders van Voorschoten bij delegatiebesluit van 14 september 2015 aan de BSGR overgedragen de bevoegdheid tot heffing en invordering van:

•BIZ-bijdrage Dobbewijk;

•reclamebelasting.

Het Algemeen bestuur is in zijn vergadering van 17 september 2015 akkoord gegaan met de voornoemde overdracht van heffings- en invorderingsbevoegdheden naar de BSGR.

Ten behoeve van de gemeente Oegstgeest is met ingang van 1 januari 2016 door het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest bij delegatiebesluit van 16 september 2015 aan de BSGR overgedragen de bevoegdheid tot heffing en invordering van:

•BIZ De Kempenaer.

Het Algemeen bestuur is in zijn vergadering van 17 september 2015 akkoord gegaan met de voornoemde overdracht van heffings- en invorderingsbevoegdheden naar de BSGR.

Ten behoeve van de gemeente Waddinxveen is met ingang van 1 januari 2016 door het college van burgemeester en wethouders van Waddinxveen bij delegatiebesluit van 18 augustus 2015 aan de BSGR overgedragen de bevoegdheid tot heffing en invordering van:

•baatbelasting;

•leges;

•lijkbezorgingsrechten;

•marktgelden.

Het Algemeen bestuur is in zijn vergadering van 17 september 2015 akkoord gegaan met de voornoemde overdracht van heffings- en invorderingsbevoegdheden naar de BSGR.

Ten behoeve van de gemeente Wassenaar is met ingang van 1 januari 2017 door het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar bij delegatiebesluit van 8 november 2016 aan de BSGR overgedragen de bevoegdheid tot heffing en invordering van:

•BIZ-bijdrage pandeigenaren centrum Wassenaar.

Het Algemeen bestuur is in zijn vergadering van 1 december 2016 akkoord gegaan met de voornoemde overdracht van heffings- en invorderingsbevoegdheden naar de BSGR.

Ten behoeve van de gemeente Velsen is met ingang van 1 januari 2021 door het college van burgemeester en wethouders van Velsen bij besluit van 25 februari 2020 aan de BSGR overgedragen de bevoegdheid tot heffing en invordering van:

•BIZ IJmuiden centrum;

•BIZ midden havengebied;

•BIZ Santpoort-Noord;

•leges;

•lijkbezorgingsrechten;

•marktgelden;

•parkeerbelasting;

•roerende woon- en bedrijfsruimten;

•standplaatsgelden.

Het Algemeen bestuur is in zijn vergadering van 25 juni 2020 akkoord gegaan met de voornoemde overdracht van heffings- en invorderingsbevoegdheden naar de BSGR.

Ten behoeve van de gemeente Velsen is met ingang van 1 januari 2022 door het college van burgemeester en wethouders van Velsen bij besluit van 8 februari 2022 aan de BSGR overgedragen de bevoegdheid tot heffing en invordering van:

•BIZ-Kennemerlaan;

•vermakelijkhedenretribiutie.

Het Algemeen bestuur is in zijn vergadering van 31 maart 2022 akkoord gegaan met de voornoemde overdracht van heffings- en invorderingsbevoegdheden naar de BSGR.

Aldus vastgesteld op 30 mei 2024 in de vergadering van het Algemeen bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland,

de directeur,

mevrouw drs. E.T.M. van Kesteren

de voorzitter,

de heer ir. C.L. Visser

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.