Gemeentelijke regelgeving

Algemeen (Materieel) Controleplan Jeugdwet 2026 Holland Rijnland voor de Leidse regio

Gemeente Leiden · geldt sinds 10 maart 2026

Aanhef

Besluiten:

1Het Algemeen (Materieel) Controleplan Jeugdwet 2026 Holland Rijnland voor de Leidse regio vast te stellen;

Van de bij de Serviceorganisatie Zorg Holland Rijnland aangesloten gemeenten

3. Controleprocessen en -typen

3.1 Aanleiding tot controle en controleproces

3.1.1 Aanleiding tot controle: treden

Bij elke trede vindt een beoordeling plaats om te bepalen of dit de geschikte trede is voor het controleren van de rechtmatigheid en doelmatigheid. Algemene controles zoals formele controles, controle van de jaarrekening en controle op naleving van contracten worden altijd (steekproefsgewijs) uitgevoerd, ongeacht signalen of uitkomsten van eerdere treden. Het trapsgewijze principe geldt uitsluitend voor verdiepende controles (zoals materiële controle, detailcontrole en fraudeonderzoek). Deze worden pas ingezet wanneer de voorafgaande treden onvoldoende zekerheid bieden of wanneer er specifieke signalen zijn die aanleiding geven tot een zwaardere vorm van onderzoek.

Het college stelt op basis van de algemene risicoanalyse een algemeen controleplan vast waarin de objecten van materiele controle en de in te zetten controle-instrumenten zijn opgenomen. Er wordt pas een detailcontrole uitgevoerd wanneer uit de materiele controle of uit een andere controles of signalen aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat er sprake is van onvoldoende zekerheid (Regeling, artikel 6b.3). Voorafgaand hieraan wordt een specifieke risicoanalyse uitgevoerd en op basis daarvan een specifiek controleplan vastgesteld. Als een detailcontrole noodzakelijk is, dan wordt deze uitgevoerd.

Als er tijdens een onderzoek aanwijzingen zijn dat mogelijk sprake is van opzettelijk onrechtmatig handelen, wordt een fraudeonderzoek opgestart. Wanneer er signalen buiten het onderzoek om zijn die wijzen op opzettelijk onrechtmatig handelen, dan kunnen voorliggende treden worden overgeslagen en kan er direct een fraudeonderzoek worden opgestart. Een aanbieder moet bij een fraudeonderzoek, net zoals bij een detailcontrole, geïnformeerd worden, tenzij het onderzoeksbelang of het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de jeugdige of degene die het gezag over hem uitoefent zich hier tegen verzet (Regeling artikel 6b.7, lid 1).

3.1.2 Aanleiding tot controle: andere signalen

Naast de signalen die voortkomen uit de algemene controles zijn er andere signalen die aanleiding kunnen zijn om een aanbieder te onderzoeken, zoals bijvoorbeeld:

•signalen vanuit het Informatie Knooppunt Zorgfraude (IKZ);

•signalen vanuit het meldpunten voor vermoeden van zorgfraude binnen Holland Rijnland;

•signalen vanuit het contractmanagement SOZ;

•signalen van de toezichthouders;

•signalen van verwijzers;

•signalen uit de toegang;

•signalen uit cliëntbelevingsonderzoeken;

•signalen uit contractmanagementgesprekken;

•signalen van cliënten, mantelzorgers e.a.

Niet ieder signaal is aanleiding om een controle uit te voeren. Meerdere signalen kunnen er echter wel voor zorgen dat een aanbieder sneller te maken krijgt met een controle ten opzichte van een aanbieder waarover geen signalen bekend zijn.

Cliëntbelevingsonderzoek

Een cliëntbelevingsonderzoek heeft voornamelijk een kwalitatief component, maar kan ook signalen opvangen ten aanzien van rechtmatigheid. Een cliëntbelevingsonderzoek kan de volgende vormen hebben:

•Door of namens gemeenten opgezet algemeen onderzoek, gericht op alle aanbieders of een groep van aanbieders;

•Door of namens gemeente opgezet gericht onderzoek, gericht op een specifieke aanbieder (alleen op indicatie);

•Beoordeling van door aanbieder uitgevoerd onderzoek.

3.1.3 Verloop controleproces

Hieronder is het controleproces richting de aanbieder op hoofdlijnen weergegeven.

Figuur 2 Hoofdlijnen verloop controleproces

3.2 Typen controles

3.2.1 Algemene risicoanalyse

De algemene risicoanalyse wordt in Hoofdstuk 4 Algemene risicoanalyse verder toegelicht.

3.2.2 Formele controle

De formele controle wordt in de Regeling Jeugdwet (artikel 1) als volgt omschreven:

Een onderzoek waarbij het college of een door het college aangewezen persoon nagaat of:

1het gedeclareerde bedrag:

a.een prestatie betreft die is geleverd ten behoeve van een jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen de gemeente van het college;

b.een prestatie betreft voor een in de wet bedoelde dienst;

c.een prestatie betreft tot levering waarvan degene die de declaratie indient jegens de gemeente bevoegd is;

d.overeenkomt met daartoe door of namens het college gemaakte afspraken of subsidievoorwaarden dan wel in hoogte aansluit bij hetgeen in de Nederlandse marktomstandigheden in redelijkheid passend is te achten; of

2het gedeclareerde bedrag een verrekening als bedoeld in artikel 8.2.1, derde lid, van de wet betreft.

Formele controles omvatten onder meer de toetsing van (een deel van) de rechtmatigheid van de ingediende declaraties. De gemeenten streven ernaar om door middel van formele controlewerkzaamheden zelf vast te stellen of de uitgaven onder de Jeugdwet rechtmatig zijn. Deze controles vinden hoofdzakelijk geautomatiseerd plaats tijdens de standaardverwerking van facturen. Signalen die uit de formele controles naar voren kunnen komen, zijn onder andere:

•opvallende verschillen tussen dezelfde typen aanbieders;

•opvallende verschillen in de tijdigheid, juistheid en volledigheid van het declaratieproces;

•fouten of oneigenlijke zaken;

•onverklaarbare bevindingen.

Dergelijke bevindingen uit de formele controles kunnen aanleiding zijn om een verdiepend onderzoek uit te voeren, zoals een materiële controle, een detailcontrole of een fraudeonderzoek.

3.2.3 Controle jaarrekening

De controle van de jaarrekening ziet toe op de rechtmatige verwerking van de door aanbieders gedeclareerde prestaties. Hierbij wordt gebruikgemaakt van accountantsverklaringen, financiële productieverantwoordingen en interne controlemaatregelen. Deze controle vindt jaarlijks plaats en vormt een basis voor het oordeel van de accountant over de rechtmatigheid van de uitgaven onder de Jeugdwet. Signalen die hier kunnen worden opgevangen zijn bijvoorbeeld niet (volledig) goedgekeurde accountantsverklaringen, onverklaarbaar hoge winsten en overige onverklaarbare afwijkingen van vergelijkbare zorgaanbieders. Deze signalen kunnen aanleiding zijn voor een verdiepend onderzoek, zoals een materiële controle of detailcontrole.

3.2.4 Intern onderzoek

Aanleiding

De gemeenten (samen met de SOZ) kunnen een intern onderzoek starten. Voorbeelden van een aanleiding voor een dergelijk onderzoek kunnen zijn: een vermoeden van onrechtmatigheid bij één aanbieder of een groep aanbieders, of omdat de gemeente een algemeen beeld van de werking van interne processen en de risico's die daarmee gepaard gaan wenst.

Uitvoering

Het intern onderzoek kan zich richten op de ervaringen in het samenwerken met één of meer aanbieders en/of het werken met het gekozen stelsel (incl. regelgeving, overeenkomst, protocollen, producten en processen). Dit kan onder ander gaan over kwetsbaarheden, signalen en risico’s in relatie tot rechtmatigheid. Analyses en/of uitvragen kunnen plaatsvinden bij functionarissen werkzaam bij de:

•Toegang, inclusief inzet van bijvoorbeeld:

–algemeen onderzoek naar processen;

–algemeen onderzoek naar producten;

–onderzoek van algemene gegevens (niet herleidbaar tot cliënt);

–sociaal-medische ondersteuning van de toegang op cliëntniveau, met speciale aandacht voor kwaliteit en rechtmatigheid van de ondersteuning;

•Contractmanagement;

•Financiële administratie;

•Toezicht;

•Handhaving.

Indien er risico's voor de rechtmatigheid worden geconstateerd kan dit aanleiding zijn tot aanpassing van interne werkprocessen. Wanneer er signalen zijn dat concreet gebruik/misbruik wordt gemaakt van bestaande risico's door partijen kan dit aanleiding zijn voor het opstellen van een specifieke risicoanalyse.

3.2.5 Controle naleving contract

Bij de controle naleving contract wordt onderzocht of de aanbieder handelt conform de contractuele verplichtingen, zoals kwaliteitseisen, rapportageverplichtingen en administratieve voorschriften. Hiervoor kunnen onder andere door contractmanagement signalen en bevindingen aangeleverd worden. Indien contractmanagement constateert dat er sprake is van contractbreuk kan zij ervoor kiezen de zaak zelf op te pakken. Indien meer onderzoek noodzakelijk wordt geacht zal dit onderzoek plaatsvinden conform dit controleprotocol.

3.2.6 Materiële controle

De materiële controle wordt in de Regeling Jeugdwet (artikel 1) als volgt omschreven:

Een onderzoek waarbij het college of een door het college aangewezen persoon nagaat:

1of de gedeclareerde prestatie is geleverd en, indien het college de materiële controle daar ook toe wenst uit te strekken,

2of die prestatie:

a.aansluit bij een door of namens het college afgegeven beschikking, inhoudende dat recht bestaat op preventie of jeugdhulp,

b.indien het college een aanbieder heeft gemandateerd om namens hem preventie of jeugdhulp te verstrekken, binnen dat mandaat valt,

c.past binnen een verwijzing door een huisarts, medisch specialist of jeugdarts,

d.aansluit op een door de gecertificeerde instelling genomen beschikking als bedoeld in artikel 3.5 van de wet, inhoudende dat jeugdhulp aangewezen is;

e.aansluit op een rechterlijke uitspraak, inhoudende dat de jeugdige is aangewezen op een kinderbeschermingsmaatregel of op jeugdreclassering; of

f.aansluit bij een verrekening als bedoeld in artikel 8.2.1, derde lid, van de wet.

Aanleiding

Voor een materiële controle moet een aanleiding zijn. De aanleiding voor een materiële controle kan voortkomen uit eerdere treden van het algemene controleproces. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer onvoldoende zekerheid is verkregen over de rechtmatigheid van declaraties of onregelmatigheden in de jaarrekening of er kunnen signalen van derden zijn ontvangen. Materiële controles en specifieke controles worden pas uitgevoerd indien:

•de rechtmatigheid en doelmatigheid van zorg niet met de eerste vier treden van de algemene controle is of kan worden vastgesteld; en/of

•uit de eerste vier treden van de algemene controle signalen voortkomen die het wenselijk maken om zwaardere vormen van onderzoek in te zetten; en/of

•er andere signalen zijn die aanleiding vormen om een aanbieder te onderzoeken.

Uitvoering

Het college stelt voorafgaand aan de uitvoering van de materiele controle het doel ervan vast door te bepalen wanneer voldoende zekerheid is verkregen dat de door de in rekening gebrachte prestatie is geleverd en, indien het college de materiele controle daar ook toe wenst uit te strekken, of die prestatie aansluit bij a t/m f zoals hierboven in de definitie benoemd.

Bij een materiële controle kijken gemeenten of hulp feitelijk is geleverd, of er passende hulp (artikel 4.1.1. lid 1 Jeugdwet) is geleverd en of de aanbieder op een professionele wijze (artikel 4.1.1. lid 2 en 3 Jeugdwet) hulp levert. De feitelijke levering van de hulp kan op verschillende manieren worden onderzocht. Naast een materiële controle kan dit bijvoorbeeld ook via een controle op de naleving van het contract. Er wordt gekeken of de gedeclareerde prestatie is geleverd en of die prestatie aansluit bij de toekenning. Daarbij staat de vraag centraal: Is er recht op een voorziening en dus op het declareren van jeugdhulp door de aanbieder? Bij een materiële controle kan aan de (gecontracteerde) aanbieder worden gevraagd om te laten zien hoe deze zelf zijn administratieve processen beheerst. De aanbieder kan bijvoorbeeld verzocht worden om het controleplan te overleggen of om het zorgplancyclus te beschrijven. Andere stukken die gemeenten kunnen opvragen zijn:

•werkinstructies over het registreren van gewerkte uren;

•de urenregistratie van werkelijk gewerkte uren;

•registratie van de uitbetaalde uren (verloning);

•rapportages over de werking van administratievoering;

•rapportages over eventuele verbeteracties.

Uitvoerder

De uitvoering van materiële controles kan plaatsvinden door de gemeenten zelf of door externe toezichthouders, mits zij daartoe bevoegd en gemandateerd zijn. Dit waarborgt dat toezicht en handhaving onafhankelijk en conform wettelijke kaders worden uitgevoerd.

Hercontrole

Naar aanleiding van een materiële controle kan eventueel een hercontrole plaatsvinden, bijvoorbeeld om te controleren of een afgesproken verbeterplan of andere maatregelen daadwerkelijk hebben geleid tot verbetering van de rechtmatigheid en/of doelmatigheid.

Gevolgen

De materiële controle wordt beëindigd na de inzet van algemene controle-instrumenten of na de inzet van een detailcontrole. Vervolgmaatregelen zijn afhankelijk van de bevindingen waartoe de controles hebben geleid. Vanuit het perspectief van de aanbieder zijn twee uitkomsten mogelijk:

•controles hebben geen gevolgen voor de aanbieder;

•controles hebben gevolgen voor de aanbieder.

Controles hebben geen gevolgen voor de aanbieder

De materiële controle wordt zonder gevolgen voor de aanbieder beëindigd als het controledoel is behaald en er voldoende zekerheid is over de rechtmatigheid en/of doelmatigheid van de gecontroleerde declaraties.

Controles hebben gevolgen voor de aanbieder

De materiële controle kan worden beëindigd met gevolgen voor de aanbieder als het controledoel niet is behaald;

–én voldoende vaststaat dat er sprake is geweest van onrechtmatigheden;

o maar partijen het eens worden over een acceptabele compensatie en/of andere maatregelen,

▪︎ waardoor het risico op financiële schade voor de gemeenten voldoende verlaagd is;

▪︎ en het risico op schade voor cliënten in het heden en naar de toekomst voldoende verlaagd is;

–én de aanbieder accepteert dat de gemeente eenzijdig overgaat tot oplegging van één of meer maatregelen.

De gemeente beschikt over een breed palet aan handhavingsmaatregelen, die afhankelijk van de ernst en aard van de situatie kunnen worden ingezet. Deze maatregelen variëren van informele adviezen en verbetertrajecten tot formele waarschuwingen, terugvordering van middelen, cliëntenstop, contractbeëindiging of – in ernstige gevallen – het doen van aangifte bij bevoegde instanties. De keuze voor een maatregel wordt bepaald op basis van factoren zoals de ernst van de situatie, de kans op herhaling, de mate van verwijtbaarheid, en eerdere interventies. Daarbij worden de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid zorgvuldig afgewogen.

Doordat voldoende vaststaat dat er sprake is van onrechtmatigheden, kan de gemeente eenzijdig besluiten tot het terugvorderen van declaraties en, indien relevant, het inzetten van andere repressieve maatregelen.

3.2.7 Specifieke risicoanalyse

Een specifieke risicoanalyse wordt uitgevoerd wanneer signalen of bevindingen uit materiële controles of andere bronnen daar aanleiding toe geven. De analyse richt zich op een afgebakend proces, aanbieder of transactie en vormt de basis voor het opstellen van een specifiek controleplan en eventueel een detailcontrole.

Het college legt de specifieke risicoanalyse en de uitvoering van detailcontrole in zijn administratie vast om toetsing door en verantwoording aan toezichthouders mogelijk te maken. Daarbij worden niet meer persoonsgegevens, waaronder over gezondheid, verwerkt dan voor dit doel noodzakelijk is (Regeling Jeugdwet, artikel 6b.6, lid 1).

3.2.8 Detailcontrole

De detailcontrole wordt in de Regeling Jeugdwet als volgt omschreven:

Een onderzoek door het college of door het college aangewezen persoon naar bij een zorgaanbieder berustende persoonsgegevens met betrekking tot jeugdigen die hun woonplaats hebben in de gemeente waarvoor het desbetreffende college werkzaam is, ten behoeve van materiële controle of fraudeonderzoek.

Aanleiding

Een detailcontrole is een vervolgstap c.q. een verdiepend onderzoek in het proces van materiële controle (of een fraudeonderzoek). De gemeente zet detailcontrole uitsluitend in conform artikel 6b.5 uit de Regeling Jeugdwet waarbij aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a.het college heeft een specifieke risicoanalyse verricht op de bevindingen uit het uitgevoerde algemene controleplan, bedoeld in artikel 6b.3, tweede lid;

b.het college heeft naar aanleiding van de specifieke risicoanalyse een specifiek controleplan en specifiek controledoel opgesteld, waarin de objecten van materiële controle en de methoden van detailcontrole zijn opgenomen;

c.het overeenkomstig onderdeel b vastgestelde specifieke doel van de materiële controle kan zonder detailcontrole niet worden bereikt;

d.uit het specifieke controleplan blijkt dat in het kader van de detailcontrole niet meer persoonsgegevens worden verwerkt dan gelet op het met het onderzoeksdoel en de omstandigheden van het te onderzoeken geval noodzakelijk is;

e.het college heeft de aanbieder voorafgaand aan de uitvoering van de detailcontrole toereikende en – op verzoek van de aanbieder schriftelijke – informatie verstrekt waarin wordt gemotiveerd hoe is voldaan aan de in dit lid genoemde voorwaarden.

Conform artikel 6b.3, lid 4 kan er daarnaast ook een detailcontrole worden uitgevoerd als er signalen uit andere bronnen zijn die ertoe leiden te vermoeden dat er sprake is van onvoldoende zekerheid om het controledoel van de materiele controle te bevestigen.

Er hoeft niet aan voorwaarde a t/m e te worden voldaan bij detailcontrole ten aanzien van verleende hulp, preventie, kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering indien (Regeling Jeugdwet artikel 6b.5, lid 3):

–de jeugdige niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake (of indien de jeugdige jonger is dan twaalf jaar);

–degene die het gezag over hem uitoefent of zijn curator of mentor ten behoeve van de materiële controle schriftelijk toestemming aan de aanbieder heeft gegeven voor verstrekking van gegevens over de gezondheid van de jeugdige aan de gemeente.

Informeren van de aanbieder

De gemeente informeert de aanbieder over de zakelijke inhoud van de voorgenomen uitkomsten van de detailcontrole en stelt hem in de gelegenheid daarop binnen een twee weken, op verzoek met twee weken te verlengen, te reageren. De gemeente betrekt de reactie van de aanbieder bij de vaststelling van de definitieve uitkomsten van de detailcontrole en stelt de aanbieder van deze uitkomsten op de hoogte (artikel 6b.5, lid 4).

Uitvoering

Voor een detailcontrole is geen toestemming vereist van cliënten. De controle kan zowel op afstand als op locatie bij een aanbieder plaatsvinden. Na afloop van de controle informeert de gemeente de aanbieder over de voorlopige uitkomsten van de detailcontrole. De aanbieder krijgt de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn op de voorlopige uitkomst te reageren. Onder een redelijke termijn verstaan wij twee weken. Op verzoek kan deze termijn eenmalig met twee weken worden verlengd. De gemeente heeft vervolgens twee weken de tijd om het definitieve controleverslag op te stellen. Indien nodig kan deze termijn met twee weken worden verlengd. In het definitieve controleverslag is de reactie van de aanbieder opgenomen en wordt aangegeven of, en zo ja, hoe de reactie van de aanbieder van invloed is geweest op de eindconclusie(s). De aanbieder ontvangt een kopie van het controleverslag.

De gemeente kan zowel tijdens als na afloop van de controle afstemming zoeken met andere toezichthouders zoals de toezichthouders van de GGD en de IGJ.

Uitvoerder

Detailcontroles worden uitgevoerd door de gemeenten of door externe toezichthouders die hiervoor bevoegd en gemandateerd zijn. Deze mandatering moet expliciet zijn vastgelegd om te voldoen aan de Regeling Jeugdwet en om de onafhankelijkheid van het toezicht te borgen.

Hercontrole

Net als bij een materiële controle kan ook naar aanleiding van een detailcontrole eventueel een hercontrole plaatsvinden.

Omgang met persoonsgegevens

Het college verwerkt bij de detailcontrole niet meer gegevens dan gelet op het onderzoeksdoel en de omstandigheden van het geval noodzakelijk is.

Een detailcontrole is het zwaarste onderzoeksinstrument. Bij een detailcontrole wordt gebruik gemaakt van persoonsgegevens van cliënten (dan wel medewerkers) welke door de gemeente worden verwerkt. Er zijn daarom expliciete regels omtrent persoonsgegevens opgenomen in de Regeling Jeugdwet, artikel 6b.5, lid 2. Wanneer er persoonsgegevens van de jeugdige of degene die het gezag over hem uitoefent worden verwerkt, geschiedt dit in opdracht van het college:

–in geval van aan een jeugdige verleende geestelijke gezondheidszorg:

o door of onder verantwoordelijkheid van een persoon op wie het medisch beroepsgeheim van toepassing is, of

–in geval van aan een jeugdige verleende andere jeugdhulp, preventie, een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering:

o door of onder verantwoordelijkheid op wie het medisch beroepsgeheim van toepassing is, of

o een persoon die op grond van artikel 7.3.11 Jeugdwet een geheimhoudingsplicht heeft, of

o een persoon die op grond van artikel 88 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg een geheimhoudingsplicht heeft.

De gemeente legt de specifieke risicoanalyse en de uitvoering van detailcontrole in zijn administratie vast om toetsing daarvan en verantwoording daarover mogelijk te maken. Daarbij worden niet meer persoonsgegevens, waaronder over gezondheid, verwerkt dan voor dit doel noodzakelijk is (Regeling Jeugdwet, artikel 6b.6, lid 1).

Het college bewaart na detailcontrole de daarbij verwerkte persoonsgegevens niet langer dan noodzakelijk is voor het doel waarvoor zij zijn verkregen (Regeling Jeugdwet, artikel 6b.6, lid 2). Het college verwerkt bij de detailcontrole verkregen persoonsgegevens slechts verder voor zover dat noodzakelijk is voor:

•het verrichten van werkzaamheden die uit de detailcontrole voortvloeien, of

•het verrichten van fraudeonderzoek.

(Regeling Jeugdwet, artikel 6b.6, lid 3).

Aanwezigheid persoon met medisch beroepsgeheim of geheimhoudingsplicht

Op voorafgaand verzoek van de aanbieder, is de persoon met medisch beroepsgeheim of geheimhoudingsplicht, aanwezig bij dit deel van de controle.

Indien voor de beoordeling van de inhoud of kwaliteit van het cliëntdossier specifieke beroepsinhoudelijke kennis noodzakelijk is, kan de gemeente besluiten om een deskundige met een relevante BIG- of SKJ-registratie (bv. proces en/of casusregisseur binnen de jeugdteams) te betrekken. Dit gebeurt uitsluitend indien de inhoudelijke beoordeling niet op andere wijze kan worden uitgevoerd en waarborgt dat de uitkomsten van de detailcontrole professioneel verantwoord tot stand komen.

3.2.9 Fraudeonderzoek

Het fraudeonderzoek wordt in de Regeling Jeugdwet (artikel 1) als volgt omschreven:

Een onderzoek waarbij het college of een door het college aangewezen persoon nagaat of degene die bij de gemeente een bedrag, als bedoeld in artikel 6a.1 van de Regeling Jeugdwet, in rekening brengt, valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering pleegt of tracht te plegen ten nadele van de gemeente, met het doel een betaling of een ander voordeel te verkrijgen waarop hij geen recht heeft of kan hebben.

In het geval van een fraudeonderzoek wordt onderzocht of de aanbieder opzettelijk in strijd met de wet- en regelgeving handelt, met het oog op eigen- of andermans financieel gewin.

Aanleiding

Een fraudeonderzoek kan plaatsvinden naar aanleiding van de voorgaande controles in het controleproces of ontvangen signalen. De gemeente mag direct overgaan tot een fraudeonderzoek indien hiervoor (voldoende) serieuze signalen zijn. Deze signalen worden opgenomen in het betreffende controleplan zodat hier controle op kan plaatsvinden en verantwoording over kan worden afgelegd. Dit zorgt ervoor dat goed beargumenteerd, en alleen als dit proportioneel wordt geacht, direct een fraudeonderzoek wordt gestart.

Uitvoering

De gemeente moet een specifieke risicoanalyse, een specifiek controleplan en een specifiek controledoel vaststellen waarin de objecten en methoden van de controle zijn opgenomen. Uit het controleplan moet blijken dat er niet meer persoonsgegevens worden verwerkt dan gelet op het onderzoeksdoel en de omstandigheden van het te onderzoeken geval noodzakelijk is (Regeling Jeugdwet artikel 6b.7 lid 1).

Daarnaast is het de gemeente toegestaan om de aanbieder niet te informeren over de uitvoering van het onderzoek, indien het belang van het onderzoek of dat van de jeugdige of degene die gezag over hem uitoefent dit rechtvaardigt.

Er hoeft niet aan de hiervoor genoemde voorwaarden onder Uitvoering te worden voldaan bij detailcontrole ten aanzien van verleende hulp, preventie, kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering indien (Regeling Jeugdwet artikel 6b.7, lid 2):

–de jeugdige niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake (of indien de jeugdige jonger is dan twaalf jaar);

–degene die het gezag over hem uitoefent of zijn curator of mentor ten behoeve van de materiële controle schriftelijk toestemming aan de aanbieder heeft gegeven voor verstrekking van gegevens over de gezondheid van de jeugdige aan het college.

De gemeente verwerkt ten behoeve van de detailcontrole niet meer gegevens dan gelet op het onderzoeksdoel en de omstandigheden van het geval noodzakelijk is.

Uitvoerder

Fraudeonderzoeken kunnen worden uitgevoerd door de gemeenten zelf of door externe toezichthouders, mits zij bevoegd en gemandateerd zijn. De inzet van externe toezichthouders draagt bij aan een zorgvuldige en onafhankelijke uitvoering van toezicht en handhaving.

Gevolgen

Indien uit het fraudeonderzoek geen indicaties van fraude naar voren komen, maar er nog steeds onbeantwoorde vragen zijn betreffende de rechtmatigheid of doelmatigheid, dan sluit de gemeente het fraudeonderzoek af en start een materiële controle.

De gemeente kan zelfstandig of bijvoorbeeld in overleg met bijvoorbeeld de Inspectie SZW, besluiten aangifte te doen. Het juridisch aantonen van fraude is complex, aangezien bewijs van dubbel opzet vereist is. Er moet zowel bewezen dat er opzettelijk en doelbewust regels werden overtreden en er moet worden aangetoond dat het doel hiervan is gelegen in het verkrijgen van financieel voordeel.

Bijlage 1

Bronnenlijst:

–Jeugdwet, artikel 4.1.1, lid 2,

–Jeugdwet, artikel 4.1.1, lid 3, artikel 7.3.8, lid 1

–Jeugdwet, artikel 4.1.3, lid 2, en artikel 7.3.2

–Jeugdwet, artikel 4.1.4, lid 1 en lid 2

–Besluit Jeugdwet, artikel 5.1.1,

–Regeling Jeugdwet, artikel 6a.7, lid 2

–Regeling Jeugdwet, artikel 6b

–Regeling Jeugdwet, artikel 6b.1, lid 3

–Regeling Jeugdwet, artikel 6b.3

–Regeling Jeugdwet, artikel 6b.5

–SKJ Kwaliteitskader Jeugd, Toepassen van de norm van de verantwoorde werktoedeling in de praktijk, versie 2.1 september 2016

–Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst (WGBO)

–EX-19-2358 Risicolijst en toelichting cGGZ 2020’ gepubliceerd op de site van Zorgverzekeraars Nederland

–www.zn.nl

–Regionaal Ondersteuningsbureau (ROB) van Rijk van Nijmegen

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.