Aanhef
SAMENVATTING
Voorliggende Nota bodembeheer van de gemeente Katwijk zet de regels voor grondverzet binnen het beheergebied uiteen. De Nota bodembeheer geeft regels en richtlijnen voor iedereen die bij het voorbereiden van projecten of het uitvoeren van bodemwerken rekening moet houden met de kwaliteit van de bodem en is bedoeld voor professionele partijen. Voordat werkzaamheden of maatregelen op of aan de bodem worden uitgevoerd, is een milieuhygiënische verklaring nodig. Ten aanzien van grondverzet kan deze Nota bodembeheer met bijbehorende bodemkwaliteitskaarten worden ingezet als milieuhygiënische verklaring.
Met de nieuwe bodemfunctieklassenkaart, de nieuwe bodemkwaliteitskaart en deze Nota bodembeheer komen de eerder bestuurlijk vastgestelde bodemkwaliteitskaarten en Nota’s bodembeheer te vervallen.
Uitgangspunten
Na het vaststellen van de bodembeleid zoals omschreven in deze Nota bodembeheer wordt gefaciliteerd dat:
–er op verantwoorde wijze wordt omgegaan met grondstromen binnen het beheergebied van de gemeente Katwijk, zonder dat er risico’s kunnen optreden voor mens of milieu;
–er meer grondstromen kunnen plaatsvinden zonder aparte vaststelling van de milieuhygiënische kwaliteit van de grond. Dit resulteert in besparing van kosten en tijd;
–grondverzet op meer circulaire wijze wordt ingestoken doordat er meer toepassingslocaties beschikbaar komen voor vrijkomende grond en minder nieuwe primaire grondstoffen moeten worden aangevoerd; en
–uitstoot van CO2 en fijnstof wordt gereduceerd door minder lange transportafstanden of extra productie door grondverwerker.
Grondstromenbeleid in het kort
Voorliggende Nota bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is vereenvoudigd ten opzichte van voorgaande versies, zonder dat dit de gemeentelijke ambities op het gebied van gezondheid en circulariteit schaadt. In totaal zijn vijf verschillende zones aangewezen, waarbinnen de diffuse kwaliteit van de grond is bepaald. Deze kwaliteit bepaald samen met de beoogde functie de mogelijkheden voor grondverzet. Onderstaand is een grondstromenmatrix opgenomen, die aangeeft wat de mogelijkheden qua toepassing zijn voor vrijkomende grond uit de verschillende zones. Aanvullend op deze tabel dient een toepasser van grond rekening te houden met gebiedsspecifiek beleid (maatwerk onder de Omgevingswet).
Samengevat komt het er op neer dat binnen de gehele gemeente Katwijk grondverzet met klasse Wonen mogelijk is, met uitzondering van het duingebied in deelgebied 5a (duin- en strandgebied) waar alleen grond in de klasse AW2000 mag worden toegepast. Binnen deelgebied 5a gelden strengere normen vanwege functie die het bekleed (drinkwaterwinning, natura2000 en recreatie).
PCB
Binnen de gemeente Katwijk komen verhoogde gehalten aan PCB voor. Voor PCB gelden derhalve lokale maximale waarde (LMW) die zijn bepaald aan de hand van de LAC2006-waarden. Hiermee zijn humane of ecologische risico’s uitgesloten en vormt PCB geen belemmering voor grondverzet, omdat de diffuse kwaliteit van de verschillende zones ruim onder de LMW van 0,1 µg/kg d.s. ligt. Op basis van PCB is er dus vrij grondverzet zet mogelijk binnen de beheergrens van de gemeente Katwijk.
OCB
Om soortgelijke redenen als voor PCB gelden ook voor OCB lokale maximale waarden (tabel 3.7). Alleen grond uit zone 3 moet aanvullend worden gekeurd op de aanwezigheid van OCB’s, wanneer deze wordt toegepast in een andere zone. De toepassingsmogelijkheden voor deze vrijkomende grond zijn beschreven in tabel 3.8.
PFAS
PFAS maakt integraal onderdeel uit van de huidige Nota bodembeheer met aanverwante bodemkwaliteitskaart. Op basis van een separaat onderzoek is de achtergrondwaarde aan verschillende PFAS uiteengezet. De achtergrondwaarden voor de verschillende PFAS liggen met uitzondering van PFOS allemaal beneden de maximale grens voor Landbouw/Natuur uit het Handelingskader PFAS. PFOS ligt er net boven. De gemeente Katwijk hanteert voor PFAS de toepassingseis die ook geldt voor overige parameters uit het standaard pakket bodem. Hiermee is vrijkomende grond uit de gemeente Katwijk op basis van PFAS vrij toepasbaar binnen de gemeentegrenzen. Alleen wanneer grond in deelgebied 5a wordt toegepast, dan dient deze eerst te worden gekeurd en te voldoen aan de maximale norm van 0,1 µg/kg d.s., omdat het hier een grondwaterbeschermingsgebied/Natura 2000 gebied betreft.
Minerale olie
Bij de beoordeling van bodemkwaliteit dient doorgaans te worden gerefereerd aan standaard bodems. Op basis van organisch stof en/of lutum vindt een correctie plaats. Door het relatief lage gehalte aan organisch stof in Katwijk geeft de correctie vaak een overschatting van het gehalte aan minerale olie en dit biedt vaak belemmeringen voor grondverzet. Indien er bij een partijkeuring onderzoek naar minerale olie wordt gedaan en het gehalte niet boven de 100 µg/kg d.s. uitvalt, dan hoeft er geen correctie naar standaard bodem te worden uitgevoerd. Hiermee wordt dergelijke grond op basis van minerale olie vrij toepasbaar binnen het beheergebied van de gemeente Katwijk.
Provinciale wegbermen
Grond uit provinciale wegbermen is veelal diffuus belast als gevolg van het gebruik van de weg. Hierdoor valt de grond vaak in de klasse Industrie uit. Grond uit dergelijke wegbermen mag zonder aanvullende toetsing worden hergebruikt in wegbermen. Indien vrijkomende grond uit provinciale wegbermen beoogd is voor andere gebieden in de gemeente Katwijk, dan dient een aanvullende milieuhygiënische keuring te worden uitgevoerd. Grond van buiten het beheergebied moet eveneens worden gekeurd en dient te voldoen aan de klasse Industrie.
Grond van buiten het beheergebied
Grond van buiten de gemeentegrenzen moet apart worden gekeurd om aan te tonen dat de kwaliteit van de toe te passen grond voldoet aan de bovenstaand genoemde toepassingseisen. De LMW zijn niet geldig voor grond van buiten de gemeente Katwijk. Deze moeten voor alle parameters voldoen aan toepassingsklasse Wonen met uitzondering van deelgebied 5a waar de toepassingseis AW2000 van kracht is.
Baggerspecie
Voor baggerspecie geldt dat het, zodra het permanent op landbodem wordt toegepast, als landbodem getoetst en toegepast dient te worden. Dit geldt voor zowel natte baggerspecie als gerijpte baggerspecie.
Omgevingswet
Naar verwachting treedt op 1 januari 2023 de Omgevingswet in werking en vervalt de Wet bodembescherming. De regelgeving omtrent bodemsanering en grondverzet wordt opgenomen in de Omgevingswet. Relevante regelgeving is beschreven in het Besluit activiteiten leefomgeving en het (in ontwikkeling zijnde) gemeentelijke omgevingsplan. Gebiedsspecifiek beleid met betrekking tot lokale maximale waarden en bodemvreemd materiaal wordt rechtstreeks overgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan via het overgangsrecht. Met uitzondering van het gebiedsspecifieke beleid omtrent OCB, minerale olie en toepassingsmogelijkheden van grond uit wegbermen landt het gebiedsspecifieke beleid uit voorliggende Nota bodembeheer via het overgangsrecht in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Voor de uitzondering dient de gemeente aanvullende stappen te zetten om deze op te nemen in het omgevingsplan, bijvoorbeeld door het formuleren van aparte regels.
Beoordeling toepasbaarheid van grond en/of baggerspecie
Het stroomschema op de volgende pagina biedt een overzicht hoe een partij toe te passen grond moet worden beoordeeld op toepasbaarheid binnen het beheergebied van de gemeente Katwijk.
Uitbreiding van het bodembeheergebied en acceptatie bkk’s als bewijsmiddel bij toepassen grond
Het generieke kader van het Besluit gaat uit van het ‘eigen’ gemeentelijke grondgebied als bodembeheergebied voor het te voeren beleid bij het toepassen en het tijdelijk opslaan van grond. Om grondstromen tussen gemeenten mogelijk te maken en de bodemkwaliteitskaart van andere gemeenten te gebruiken als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond, moet het (generieke) gemeentelijke bodembeheergebied worden uitgebreid. Deze uitbreiding valt volgens het Besluit in het gebiedsspecifieke kader.
Met deze nota accepteert de gemeente Katwijk de bodemkwaliteitskaarten van de gemeenten Hillegom, Kaag en Braassem, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude als bewijsmiddel bij het toepassen van grond.
Het bodembeheergebied wordt hiermee vastgesteld als zijnde de grondgebieden van de gemeenten Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude. De bodemkwaliteitskaarten van deze gemeenten mogen gebruikt worden als bewijsmiddel van de chemische kwaliteit van de toe te passen, te hergebruiken grond.
Hierbij wordt overigens benadrukt dat het overige gebiedsspecifiek beleid rondom LMW’s hierop niet van toepassing is. Dit geldt enkel voor grond afkomstig van locaties binnen de eigen gemeentegrenzen.
2 WETTELIJK KADER
2.5 Omgevingswet
2.5.1 Toepassen grond en baggerspecie algemeen
Onder de Omgevingswet is het toepassen van grond- en baggerspecie als milieubelastende activiteit aangemerkt. Hiervoor zijn algemene rijksregels opgenomen om het milieu te beschermen. § 3.2.26 gaat specifiek in op het toepassen van grond- baggerspecie. In § 4.124 zijn de algemene regels nader beschreven. In onderstaande tabel zijn de relevante artikelen onder deze paragraaf genoemd.
Tabel 2.3 Relevante artikelen uit het Bal voor toepassing grond en baggerspecie
Artikel
Onderwerp
Maatwerk mogelijk?
Artikel 4.1265
toepassingsbereik
nee
Artikel 4.1265
afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift
nee
Artikel 4.1266
melding
ja
Artikel 4.1267
gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
ja
Artikel 4.1268
gegevens en bescheiden: tijdens en na afloop van het aanbrengen;
ja
Artikel 4.1269
milieu: functionele toepassing
ja
Artikel 4.1270
grondstof, afvalstof: functionele hoeveelheid
ja
Artikel 4.1271
milieu: bodemvreemd materiaal
ja
Artikel 4.1272
milieu: kwaliteitseisen
ja (zie art. 4.1273)
Artikel 4.1274
milieu: grootschalig toepassen
ja (zie art. 4.1275)
Artikel 4.1276
milieu: toepassen in een diepe plas
ja (zie art. 4.1277)
Artikel 4.1278
milieu: verspreiden baggerspecie
ja (zie art. 4.1279)
Artikel 4.1280
milieu: toepassen van tarragrond
ja
In het kader van toepassen van grond en baggerspecie is in de volgende situaties sprake van overgangsrecht:
–voorhanden houden van grond en baggerspecie in een toepassing. Is er sprake van grond en baggerspecie die zijn aangebracht vóór van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of onder overgangsrecht? Dan blijft het oude recht (Wbb + Bbk) dat gold toen de grond of baggerspecie werd toegepast van toepassing. Het overgangsrecht geldt niet voor uitbreidingen van bestaande toepassingen die plaatsvinden onder het regime van de Omgevingswet;
–melding toepassing grond of baggerspecie. Als er een melding is gedaan voor het toepassen van grond of baggerspecie volgens artikel 42 van het Besluit bodemkwaliteit (huidig recht), dan geldt die als een melding volgens artikel 4.1266 van het Bal (Omgevingswet);
–verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen. Het verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de percelen die aan de watergang grenzen, mag tot twee jaar na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onder de regels van het Besluit bodemkwaliteit (huidige recht). De waterbeheerder kan er ook voor kiezen om in bestaande situaties direct volgens het nieuwe recht te werken;
–toepassen van grond of baggerspecie in diepe plassen. Het verondiepen of dempen van een diepe plas met grond of baggerspecie, is mogelijk tot drie jaar na inwerkingtreding van de Omgevingswet, onder de regels van het Besluit bodemkwaliteit (huidige recht). Ook geldt voor dezelfde termijn van rechtswege een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit. Het overgangsrecht gaat over een toepassing in een diepe plas, die is ontstaan door zandwinning, grindwinning of kleiwinning of een dijkdoorbraak.
2.5.2 Functie bodemkwaliteitskaart onder de Omgevingswet
Milieuverklaring
De bodemkwaliteitskaart vormt één van vijf mogelijke milieuverklaringen die een initiatiefnemer kan gebruiken om grond toe te passen binnen een bepaald beheergebied. De voorwaarden waaronder de bodemkwaliteitskaart gebruikt kan worden als grondslag om deze als milieuverklaring bodemkwaliteit te gebruiken staan in de Regeling bodemkwaliteit 2021. Een van de belangrijke voorwaarden is dat degene die de bodemkwaliteitskaart als grondslag voor de milieuverklaring bodemkwaliteit wil gebruiken een vooronderzoek volgens NEN 5725 moet uitvoeren en alleen gebruik mag maken van een bodemkwaliteitskaart als deze ten hoogste vijf jaar geleden is vastgesteld of voor het laatst is bijgewerkt. In de milieuverklaring zelf moet duidelijk de relatie tussen de bodemkwaliteitskaart en de toe te passen partij of de ontvangende bodem worden gelegd.
Grondslag voor grondverzet en onderbouwing maatwerk
Net zoals onder het huidige generieke beleid van het Besluit bodemkwaliteit volgt uit artikel 4.1272 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dat de kwaliteitseisen voor een toepassing bepaald worden door de combinatie van de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem én de bodemfunctieklasse van een gebied. De strengste klasse is bepalend voor de toepassingseis in een gebied. Deze toepassingseisen kunnen op een kaart worden weergegeven (toepassingskaart), welke op termijn via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ontsloten moeten worden.
De Omgevingswet biedt ook de mogelijkheid om gebiedsspecifiek beleid te ontwikkelen. Onder de Omgevingswet heten dat maatwerkregels. De bodemkwaliteitskaart vormt de basis voor de onderbouwing van de maatwerkregels. In tegenstelling tot het huidige gebiedsspecifieke beleid is een bodemkwaliteitskaart niet verplicht, maar het ligt erg voor de hand om er wel gebruik van te maken bij de onderbouwing. Dit kan als onderdeel van het besluit waarmee het omgevingsplan gewijzigd wordt. Daarnaast is het belangrijk dat de kwaliteitseisen die bij de maatwerkregels horen via het DSO digitaal inzichtelijk zijn en aan werkingsgebieden zijn gekoppeld.
Grondslag voor overige beleidsafwegingen
De bodemkwaliteitskaart kan ook als basis dienen voor andere beleidsafwegingen, bijvoorbeeld bij het toetsen van een voorgenomen omgevingsplanactiviteit of bij de wijziging van het omgevingsplan.
Zo kan snel duidelijk worden dat in een bepaald gebied de bodemkwaliteit al voldoende is onderzocht en dat de kwaliteit aansluit bij de beoogde functie of voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw. Daarnaast kan de bodemkwaliteitskaart onder de Omgevingswet ook prima dienst doen als onderdeel van vooronderzoek of dienen als voorinformatie bij de voorbereiding van de uitvoering van grondroerende werkzaamheden/projecten (bijvoorbeeld als onderdeel van de aanbesteding).
2.5.3 Zorgplicht onder de Omgevingswet
De zorgplicht verplicht iedereen bij (dreigende) bodemverontreiniging of aantasting tot het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd. Dit gaat zowel om het voorkomen als het ongedaan maken van verontreinigingen en aantastingen. Met de komst van de Omgevingswet verandert dit niet. Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen algemene en specifieke zorgplicht. De algemene zorgplicht geldt indien er geen andere concrete gedragsbepalingen aanwezig zijn en heeft als doel om voldoende zorg te dragen voor de fysieke leefomgeving. De algemene zorgplicht is niet strafrechtelijk handhaafbaar.
De specifieke zorgplicht is omschreven in artikel 2.11 van het Bal en treedt in werking indien er bodemverontreiniging ontstaat (of dreigt te ontstaan) bij een milieubelastende activiteit. De specifieke zorgplicht uit het Bal is zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk handhaafbaar. Decentrale overheden (gemeenten) kunnen aanvullend een specifieke zorgplicht opnemen in het omgevingsplan.
2.5.4 Aangepast normenkader
Met de Omgevingswet wijzigt ook het normenkader. Er komen zogenaamde ‘Voorkeurswaarden’ en ‘Maximale waarden’. De ‘Voorkeurswaarde’ (voor een bepaalde functie) is gelijk aan de huidige normen uit de Regeling voor ‘Achtergrondwaarde (AW2000)’, ‘Wonen’ en ‘Industrie’. De voorkeurswaarde Landbouw/Natuur definieert het verschil tussen schone grond (onbelast) en verontreinigde grond (belast). De voorkeurswaarden voor Wonen en Industrie geeft de grens aan voor de geschiktheid van de betreffende functie. De ‘Maximale waarde’ is gelijk aan de huidige waarden die voor het spoedcriterium van de Wet bodembescherming worden gebruikt. Tussen de ‘Voorkeurswaarde’ en ‘Maximale waarde’ hebben gemeenten de ruimte om eigen beleid te maken (afbeelding 2.2). Indien gekozen wordt voor aangepaste voorkeurswaarden, dan moet dit worden onderbouwd door de betreffende gemeente op een soortgelijke wijze als onder het huidige recht.
Afbeelding 2.2 Normenkader onder de Omgevingswet
De huidige interventiewaarden van de Wet bodembescherming worden onder de Omgevingswet opgenomen in bijlage IIA van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal).
3 BODEMFUNCTIEKLASSENKAART & BODEMKWALITEITSKAART
3.2 Bodemkwaliteitskaart
3.2.1 Kengetallen
De bodemkwaliteitskaart geeft inzicht in de gebiedseigen bodemkwaliteit van een zone. De gebiedseigen bodemkwaliteit wordt beschreven door de gemiddelde gehalten aan stoffen in de bodem die verwacht kunnen worden in een bepaald gebied/zone. Een gehalte is alleen ‘representatief’ voor een bepaald gebied indien dit gemeten is op een voor bodemverontreiniging onverdachte locatie. De gebiedseigen bodemkwaliteit wordt uitgedrukt in diverse statistische kengetallen (bijlage IV). Hieronder zijn de belangrijkste toegelicht.
Gemiddelde
Om de gebiedseigen kwaliteit te berekenen wordt, in het generieke kader, gebruik gemaakt van het gemiddelde. Het gemiddelde wordt berekend door alle waarnemingen op te tellen en te delen door het aantal waarnemingen.
Percentielwaarde
Het gemiddelde wordt sterk beïnvloed door lage en hoge waarden in de dataset. Bij verzamelingen van gehalten met uitschieters is het daarom goed om ook percentielwaarden te berekenen. Een percentielwaarde is de waarde waaronder een bepaald percentage gehalten zijn gelegen. De 95-percentielwaarde betreft het gehalten waar 95 % van alle waarden in een zone onder liggen. De 95-percentielwaarde worden weergegeven als P95. Vanuit de Richtlijn is het verplicht om te bepalen of de P95 de interventiewaarde overschrijdt voor een stof. Voor de gemeente Katwijk (ZH) is dit niet van toepassing (zie bijlage IV).
3.2.2 Ontgravingskaart
Bij het ontgraven van een partij grond die elders wordt toegepast binnen het beheergebied kan de ontgravingskaart worden gebruikt om de kwaliteit van de vrijkomende grond te bepalen. Op de ontgravingskaart is de verwachte kwaliteit van de vrijkomende grond weergegeven. Er is daarbij onderscheid gemaakt tussen de bovengrond (0-0,5 m-mv) en de ondergrond (0,5-2,0 m-mv). Wanneer grond wordt ontgraven, gelden andere toetsingsregels (strenger), dan wanneer de kwaliteit van de ontvangende bodem wordt bepaald. Dit verkleint de kans dat onbedoeld grond van mindere kwaliteit in een schonere zone wordt toegepast.
In tabel 3.1 is de ontgravingskwaliteit voor grond in de gemeente Katwijk (ZH) weergegeven, bepaald op basis van gemiddelden.
Tabel 3.1 Ontgravingskwaliteit per zone
Zone
Ontgravingskwaliteit
Bovengrond (0,0-0,5 m-mv)
1- Wonen
AW2000
2- Bedrijvigheid / Industrie
Wonen
3- (Voormalige) kassen / onbedekte teelt
Wonen
4- Valkenhorst (voormalig vliegkamp)
Wonen
5- Buitengebied / overig
Wonen
Ondergrond (0,5-2,0 m-mv)
1- Wonen
AW2000
2- Bedrijvigheid / Industrie
Wonen
3- (Voormalige) kassen / onbedekte teelt
Wonen
4- Valkenhorst (voormalig vliegkamp)
Wonen
5- Buitengebied / overig
Wonen
3.2.3 Toepassingskaart (generiek)
Voor het toepassen van grond moet getoetst worden of de partij grond voldoet aan de kwaliteitseisen voor de functie van de ontvangende bodem. Ook mag de kwaliteit van de ontvangende bodem niet verslechteren.
De toepassingskaart betreft daarom een combinatie van de bodemfunctiekaart (zie paragraaf 3.1) en de kaart met de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem. Deze twee kaarten zijn als het ware over elkaar heen gelegd waarbij de strengste klasse uiteindelijk bepalend is voor de kwaliteitsklasse grond of baggerspecie die mag worden toegepast (zie tabel 2.1).
Op de toepassingskaart is weergegeven welke kwaliteit toegepast mag worden op een bepaalde locatie. Grond van betere kwaliteit is ook bruikbaar, het gebruik van grond van slechtere kwaliteit is niet toegestaan. Zo kan grond met klasse AW2000 in alle zones van de bodemkwaliteitskaart worden toegepast, terwijl grond met klasse industrie maar beperkt toepasbaar is.
In tabel 3.2 zijn de zones van de bodemkwaliteitskaart weergegeven, evenals de functies, de kwaliteit van de ontvangende bodem (op basis van het gemiddelde gehalte) en de daaruit voortvloeiende toepassingseis (strengste van functie en kwaliteit).
Tabel 3.2 Bodemkwaliteitszones en toepassingseisen (generiek)
Zone
Functie
Kwaliteit ontvangende
bodem
Toepassingseis
Bovengrond (0,0-0,5 m-mv)
1- Wonen
Wonen
Landbouw/Natuur
Landbouw/Natuur
2- Bedrijvigheid / Industrie
Industrie
Wonen
Wonen
3- (Voormalige) kassen / onbedekte teelt
Industrie
Wonen
Wonen
4- Valkenhorst (voormalig vliegkamp)
Wonen
Wonen
Wonen
5a- Buitengebied / duinen+strand
Landbouw/Natuur
Wonen
Landbouw/Natuur
5b, 5c, 5d, 5e - Buitengebied / overige
Landbouw/Natuur
Wonen
Landbouw/Natuur
Wegen en bermen
Industrie
Onbekend
Industrie
Ondergrond (0,5-2,0 m-mv)
1- Wonen
Wonen
Landbouw/Natuur
Landbouw/Natuur
2- Bedrijvigheid / Industrie
Industrie
Wonen
Wonen
3- (Voormalige) kassen / onbedekte teelt
Industrie
Wonen
Wonen
4- Valkenhorst (voormalig vliegkamp)
Wonen
Wonen
Wonen
5a- Buitengebied / duinen+strand
Landbouw/Natuur
Wonen
Landbouw/Natuur
5b, 5c, 5d, 5e - Buitengebied / overige
Landbouw/Natuur
Wonen
Landbouw/Natuur
Wegen en bermen
Industrie
Onbekend
Industrie
3.2.4 Conclusie generiek beleid
Op basis van tabel 3.2 volgt dat de kwaliteit van de boven- en ondergrond in zone 1 schoner is, dan op basis van de functie wordt verlangd. Hierdoor moet er, volgens het generieke kader, schonere grond of baggerspecie worden toegepast, dan voor de bodemfunctie strikt noodzakelijk is. Dit leidt tot stagnatie in de gemeentelijke grondafzet, waardoor eventuele projectontwikkeling onnodig tegen knelpunten aanlopen.
Het omgekeerde geldt voor zone 5. Hier is de gemiddelde bodemkwaliteit lager dan op basis van functie wordt verlangd. De kwaliteitsbepaling in zone 5 geeft echter een vertekenend beeld, omdat het gros van de meetpunten zich op de grens met andere zones bevinden. Het duingebied is minder toegankelijk voor bodemanalyses en zijn in het verleden ook niet aan bodemonderzoek onderhevig geweest. Gezien beschermde status, de functie en de historische activiteiten is de verwachting dat de kwaliteit ter plaatse van de duinen zelf voldoet aan AW2000.
3.3 Gebiedsspecifiek beleid
3.3.1 Zone 1
Binnen zone 1 is de gemiddelde bodemkwaliteit schoner dan de functie verlangt. Dit betreft vooral relatief nieuw woongebied of buitengebied dat ontwikkeld wordt tot woongebied. De generieke toepassingseis in deze gebieden is veelal AW2000. Om de mogelijkheden tot grondverzet te vergroten bij herontwikkeling en/of bouwrijp maken van deze gebieden, is ervoor gekozen om de toepassingseis aan te laten sluiten bij de (toekomstige) functie, namelijk Wonen. De versoepelde toepassingseis levert geen risico voor de volksgezondheid of de ecologie.
3.3.2 Zone 5
Zone 5 is opgedeeld in 5 deelgebieden. Een van deze deelgebieden valt samen met het duingebied (5a; natura 2000 en drinkwaterbeschermingsgebied). Voor dit deelgebied is geen gebiedsspecifiek beleid van toepassing en geldt dat de toepassingseis van AW2000 aansluit bij de functie (Landbouw/Natuur). Dit deelgebied heeft een betrekkelijk beperkte ruimtelijke spreiding van meetpunten, omdat in het duingebied zelf en op het strand het aantal meetpunten nihil is. De meeste meetpunten bevinden zich aan de rand van het deelgebied en de vastgestelde bodemkwaliteit levert daarom vermoedelijk een vertekend beeld. Gezien het hoge beschermingsniveau binnen de duinen is het de verwachting dat de kwaliteit van de grond ter plaatse schoner is dan op basis van de data-analyse mag worden verwacht. De gemeente wil - gezien de functie - daarom uitsluitend grond toepassen in deelgebied 5a met een schone kwaliteit (AW2000).
In de overige deelgebieden van zone 5 geldt wel een versoepeling ten opzichte van het generieke beleid. Door de vele woongebieden in deze deelgebieden, staat de gemeente de toepassing van grond in de klasse Wonen (aansluitend bij de ontgravingskwaliteit) toe. Het buitengebied is relatief intensief gebruikt en heeft in die zin meer gelijkenissen met woongebieden dan de natuurgebieden in de duinen. De ontgravingskwaliteit ter plaatse is ingedeeld in de klasse wonen, waardoor met de toepassingseis wonen feitelijk een standstill principe in werking treed voor deze deelgebieden.
3.3.3 PFAS
PFAS is een stofgroep dat momenteel veel aandacht vereist. Deze stoffen komen van nature niet voor in het milieu en zijn sinds de jaren ’60 van de vorige eeuw op grote schaal geproduceerd omwille van de unieke oppervlakte-actieve eigenschappen die deze stoffen bezitten. Recente ontwikkelingen en inzichten omtrent de schadelijkheid voor mens en milieu van deze stofgroep hebben geleid tot stagnatie van ruimtelijke ontwikkelingen. Door het wijdverbreide gebruik en door emissies en incidenten worden PFAS inmiddels op globale schaal - niet alleen bij puntbronnen - maar ook als diffuse verontreiniging in bodem, grondwater en oppervlaktewater aangetroffen. PFAS zorgt voor verhoogde druk op het milieu en is het belangrijk hier zorgvuldig mee om te gaan bij beleid omtrent grondverzet.
PFAS is een niet-genormeerde stof, waarvoor het voorzorgsbeginsel actief is. Dit houdt in dat elke gemeten gehalten boven de bepalingsgrens als verontreiniging dient te worden beschouwd. De metingen die tot op heden zijn uitgevoerd in België, tonen aan dat PFAS veelal boven de bepalingsgrens wordt gemeten (zijnde een diffuse verontreiniging). Vanuit de zorgplicht betekent dit dat hergebruik en/of toepassing van grond waarin PFAS boven de bepalingsgrens wordt gemeten, niet is toegestaan. Dit resulteert in veel stagnatie van projecten waarbij grondverzet aan de orde is.
Om na te gaan in hoeverre PFAS aanwezig is binnen de gemeente Katwijk heeft de gemeente een achtergrondwaarde-onderzoek laten uitvoeren in 2019 [ref. 8]. Het bepalen van de actuele bodemkwaliteit inzake PFAS is uitgevoerd overeenkomstig de Richtlijn voor het opstellen van bodemkwaliteitskaarten [ref. 4] met wijzigingsblad van 1 januari 2016 [ref. 5] en de eisen uit bijlage M van de Regeling bodemkwaliteit [ref. 6]. Met het aanpassen van de NBB en BKK op PFAS is invulling gegeven aan het gebiedsspecifiek bodembeleid zoals beschreven in het Handelingskader PFAS van december 2021 [ref. 7].
Generiek toetsingskader PFAS
Het Handelingskader PFAS bevat de generieke normen voor toepassing van PFAS en GenX. Tabel 3.3 toont deze normen.
Tabel 3.3 Generiek toetsingskader PFAS voor grond in µg/kg ds in standaard bodem
PFOS
PFOA
GenX
overige PFAS
Landbouw/Natuur 1
1,4
1,9
1,4
1,4
Wonen 1
3
7
3
3
Industrie 1
3
7
3
3
in grondwaterbeschermingsgebied 2
gebiedskwaliteit, indien niet bekend 0,1
gebiedskwaliteit, indien niet bekend 0,1
gebiedskwaliteit, indien niet bekend 0,1
gebiedskwaliteit, indien niet bekend 0,1
ad-hoc Interventiewaarde in grond 3
110
1.100
100
-
ad-hoc Interventiewaarde in grondwater 3 (in µg/L)
0,2
0,39
0,66
-
Toelichting:
1toepassingsnormen voor het toepassen van grond en baggerspecie boven grondwaterniveau, afhankelijk van de bodemfunctieklasse [ref. 7].
2toepassingsnormen voor het toepassen van grond en baggerspecie onder grondwaterniveau [ref. 7].
3afgeleide risicogrenswaarden voor PFOS, PFOA en GenX op interventiewaardeniveau [ref. 9] Deze waarde komen overeen met de indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging (INEV’s), zoals afgeleid door het RIVM [ref. 10].
Achtergrondwaarde Katwijk
De gebiedsspecifieke achtergrondwaarde van de gemeente Katwijk is afgeleid van de 95 % percentielwaarde (P95). Dit is daarmee in grote lijnen vergelijkbaar met de wijze waarop de landelijke achtergrondwaarden voor PFAS zijn vastgesteld, maar wijkt af van de vaststelling van de achtergrondwaarde van de parameters uit het standaard pakket bodem.
In tabel 3.4 zijn de achtergrondwaarden voor de gemeente Katwijk opgenomen. Hieruit blijkt dat alleen voor PFOS in de bovengrond sprake is van een lokaal verhoogde achtergrondwaarde ten opzichte van de landelijke vastgestelde grens voor de klasse Landbouw/Natuur (tabel 3.3). Ook is duidelijk waarneembaar dat er onderscheid is te maken tussen boven- en ondergrond. De sterkere PFAS belasting in de bovengrond houdt verband met de dominante wijze van verspreiding van PFAS (atmosferische depositie).
Tabel 3.4 Achtergrondwaarden voor PFAS in de gemeente Katwijk
Parameter
Achtergrondwaarde PFAS bovengrond
Achtergrondwaarde PFAS ondergrond
som PFOS
1,98
0,86
som PFOA
1,77
0,77
PFBA
0,31
0,07
PFPeA
0,20
0,07
PFHxA
0,20
0,07
PDHpA
0,20
0,07
PFNA
0,20
0,07
PFDeA
0,20
0,07
PFUnDA
0,07
0,07
PFDoDA
0,07
0,07
PFTrDA
0,07
0,07
PFTeDA
0,07
0,07
PFHxDA
0,07
0,07
PFODA
0,07
0,07
PFBS
0,07
0,07
PFPeS
0,07
0,07
PFHxS
0,07
0,07
PFHpS
0,07
0,07
PFDS
0,07
0,07
4:2 FTS
0,07
0,07
6:2 FTS
0,07
0,07
8:2 FTS
0,07
0,07
10:2 FTS
0,07
0,07
N-MeFOSAA
0,07
0,07
N-EtFOSAA
0,07
0,07
PFOSA
0,07
0,07
N-MeFOSA
0,07
0,07
8:2 diPAP
0,07
0,07
Toepassingseisen
De gemeente Katwijk kiest ervoor om de toepassingseis voor PFAS aan te laten sluiten bij de maximale norm voor Wonen/Industrie (tabel 3.3) en neemt hiermee PFAS als integraal onderdeel mee in het grondverzetsbeleid. Voor de ondergrond hanteert de gemeente hiermee een soepelere norm, omdat geen van de gemeten PFAS de maximale norm voor Landbouw/Natuur overschrijdt. Door de keuze om de klasse Wonen/Industrie als toepassingseis te stellen is PFAS geen klassebepalende parameter voor het grootste deel van het beheergebied. Voor grondwaterbeschermingsgebieden gelden echter wel strengere normen. Alleen in de grondwaterbeschermingsgebieden, het duingebied (deel van zone 5) hanteert de gemeente een strengere norm en dient het gehalte aan PFAS niet boven 0,1 µg/kg d.s. te liggen. Hiermee is het niet zonder meer toegestaan dat grond van elders uit de gemeente Katwijk wordt toegepast in de duingebieden. Een geldig bewijsmiddel op grond van het Besluit bodemkwaliteit is vereist alvorens grond wordt toegepast in de duingebieden. De gebiedsspecifieke toepassingseisen voor PFAS houdende grond zijn samengevat in tabel 3.5.
Tabel 3.5 Toepassingseisen PFAS
Zone
Functie
Achtergrondwaarde PFOS
Achtergrondwaarde overige PFAS
Toepassingseis PFAS
Bovengrond (0,0-0,5 m-mv)
1- Wonen
Wonen
Wonen/Industrie
Landbouw/Natuur
Wonen/Industrie
2- Bedrijvigheid / Industrie
Industrie
Wonen/Industrie
Landbouw/Natuur
Wonen/Industrie
3- (Voormalige) kassen / onbedekte teelt
Industrie
Wonen/Industrie
Landbouw/Natuur
Wonen/Industrie
4- Valkenhorst (voormalig vliegkamp)
Wonen
Wonen/Industrie
Landbouw/Natuur
Wonen/Industrie
5a- Buitengebied/ duinen+strand
Landbouw/Natuur
Wonen/Industrie
Landbouw/Natuur
Landbouw/Natuur
5b, 5c, 5d, 5e - Buitengebied / overige
Landbouw/Natuur
Wonen/Industrie
Landbouw/Natuur
Wonen/Industrie
Wegen en bermen
Industrie
Wonen/Industrie
Landbouw/Natuur
Wonen/Industrie
Ondergrond (0,5-2,0 m-mv)
1- Wonen
Wonen
Wonen/Industrie
Landbouw/Natuur
Wonen/Industrie
2- Bedrijvigheid/ Industrie
Industrie
Wonen/Industrie
Landbouw/Natuur
Wonen/Industrie
3- (Voormalige) kassen/ onbedekte teelt
Industrie
Wonen/Industrie
Landbouw/Natuur
Wonen/Industrie
4- Valkenhorst (voormalig vliegkamp)
Wonen
Wonen/Industrie
Landbouw/Natuur
Wonen/Industrie
5a- Buitengebied/ duinen+strand
Landbouw/Natuur
Wonen/Industrie
Landbouw/Natuur
Landbouw/Natuur
5b, 5c, 5d, 5e - Buitengebied / overige
Landbouw/Natuur
Wonen/Industrie
Landbouw/Natuur
Wonen/Industrie
Wegen en bermen
Industrie
Wonen/Industrie
Landbouw/Natuur
Wonen/Industrie
GenX
Omdat er binnen de gemeente Katwijk en directe omgeving geen indicaties zijn dat er sprake is van verhoogde gehalten aan GenX is voor het hergebruik van grond binnen Katwijk onderzoek naar GenX niet noodzakelijk, tenzij er sprake is van een mogelijke bron. De normen voor GenX zijn gelijk gesteld aan die van ‘overige PFAS’.
3.3.4 PCB
Bij bestudering van de kengetallen (bijlage IV) valt op dat de bodemkwaliteit binnen de gemeente Katwijk (ZH) voor de meeste onderzochte stoffen te typeren is als achtergrondwaarde of wonen, maar dat de verhoogde gehalten aan PCB’s er een aantal keren voor zorgen dat de bodemkwaliteit als lager is beoordeeld. Desondanks is het niet zo dat de gehalten in zone 3 significant afwijken van de overige zones.
Dit heeft ertoe geleid dat de gemeente Katwijk (ZH) heeft besloten om voor enkele zones ten aanzien van PCB’s Lokale Maximale Waarden (LMW) vast te stellen.
Voor het afleiden van deze LMW wordt gebruik gemaakt van de motivatie zoals deze ook door grote gemeenten als Rotterdam en Amsterdam is gehanteerd en zoals deze in de voorgaande Nota bodembeheer [ref. 1] ook is gehanteerd.
Voor PCB’s geldt dat er landelijk geen humane deelnormen zijn afgeleid en alleen een indicatie deelnorm ecologisch risico (zie ook het NOBO-rapport, [ref. 11]). Wel zijn er Landbouw Adviescommissie (LAC)-waarden, die in de jaren ’90 van de vorige eeuw nog indicatief waren en in 2006 zijn vervangen door formele normwaarden.
De bescherming van de landbouwproductie wordt overwegend geregeld via de Warenwet, en veevoedernormen en dus niet door specifieke bodemnormen. Er zijn wel advieswaarden afgeleid (de LAC2006-waarden). Deze LAC2006-waarden hebben geen juridische status als bodemnorm, maar dienen als kennisbron om te beoordelen of er mogelijk sprake is van landbouwrisico’s. De LAC2006-waarden geven aan dat er mogelijk sprake is van overschrijding van Warenwet- of veevoedernormen, van meer dan 10 % opbrengstdaling voor gewassen of van ongewenste effecten op de diergezondheid. Er zijn LAC2006-waarden voor drie bodemtypen en voor zes vormen van landbouwkundig gebruik.
Deze LAC-waarden bedragen 0,1 mg/kg voor een tweetal individuele PCB’s (PCB153 en PCB138, bij het bodemgebruik grasland). Er is geen LAC-waarde voor de som van de individuele PCB’s vastgesteld. Voor de LMW wordt voor som-PCB’s gekozen om uit te gaan van maximaal de individuele norm die voor PCB153/PCB138 is vastgesteld, zijnde 0,1 mg/kg voor standaard bodem.
Tabel 3.6 Gemiddeld gehalte PCB1,2
Zone
Gehalte PCB bovengrond3
Gehalte PCB ondergrond4
1- Wonen
0,02 µg/kg d.s.
0,03 µg/kg d.s.
2- Bedrijvigheid / Industrie
0,03 µg/kg d.s.
0,02 µg/kg d.s.
3- (Voormalige) kassen / onbedekte teelt
0,03 µg/kg d.s.
0,02 µg/kg d.s.
4- Valkenhorst (voormalig vliegkamp)
0,03 µg/kg d.s.
0,02 µg/kg d.s.
5- Buitengebied / overig
0,03 µg/kg d.s.
0,03 µg/kg d.s.
Toelichting:
1de waarden zijn omgerekend naar standaard bodem (10 % humus en 25 % lutum);
2de streefwaarde van PCB bedraagt: 0,02 µg/kg d.s. De interventiewaarde van PCB bedraagt 1,0 µg/kg d.s.
30,0 - 0,5 m-mv;
40,5 - 2,0 m-mv.
Bij een LMW van 0,1 mg/kg d.s. wordt grondverzet met gebiedseigen grond mogelijk gemaakt. Immers, in alle gezoneerde zones blijft het gehalte PCB in ruime mate onder deze waarde. Er worden meer mogelijkheden voor grondverzet gecreëerd, zonder dat de bodemkwaliteit in de gemeente verslechterd. Er wordt immers onder voorwaarden het schuiven met gebiedseigen grond mogelijk gemaakt.
3.3.5 OCB
Als gevolg van het historisch gebruik is de bodem ter plaatse van (voormalige) kassengebieden vaak verontreinigd geraakt met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB's). De generieke normen voor bestrijdingsmiddelen zijn hierdoor vaak beperkend voor grondverzet. Hierdoor kan vrijkomende grond niet worden hergebruikt binnen het beheergebied, en moet daardoor worden afgevoerd naar een erkende verwerker. Dit resulteert in lange transportafstanden en hoge verwerkingskosten, wat vanuit milieurendement niet duurzaam is en wat vanuit gezondheidsoogpunt niet noodzakelijk is.
In Katwijk komen deze belemmeringen voor bij de ontwikkelingen van (nieuwe) woningbouwlocaties en bedrijventerreinen in het (voormalige) kassengebied (delen van zone 3). In de boven- en ondergrond van deze zone zijn verhoogde gehalten aan OCB’s aangetroffen. De wens bestaat om grondverzet binnen en tussen de gebieden met functies Wonen en Industrie (Zones 1 t/m 4) mogelijk te maken.
Uitgangspunten hergebruik
Voor bestrijdingsmiddelen geldt dat bij relatief lage gehalten sprake is van een ecologisch risico. Dit is logisch, omdat bestrijdingsmiddelen juist worden gebruikt voor bestrijding van ongedierte en het verdelgen van onkruid. De grenswaarden voor humane risico´s zijn aanzienlijk hoger dan de grenswaarden bij ecologische risico’s. De grenswaarde voor humane risico’s ligt voor alle OCB’s boven de klasse industrie en voor sommige stoffen zelfs boven de interventiewaarden. Belangrijk uitgangspunt is dat een locatie na grondverzet of sanering geschikt is voor het toekomstig gebruik. Gezien het huidig en toekomstig gebruik (wonen en industrie), zijn de humane risico’s hierbij leidend. Ook is het streven om zoveel mogelijk grondverzet binnen de gemeente te faciliteren en grondverzet tussen verschillende zones met de functie wonen en het voormalige kassengebieden mogelijk te maken. Op gebiedsniveau wordt hiermee aan het standstill principe voldaan.
Lokale Maximale Waarden (LMW)
Om bovenstaande uitgangspunten te kunnen realiseren worden Lokale Maximale Waarden (LMW) opge- steld. Hiervoor is een beleidsmatige afweging gemaakt, omdat er in de dataset niet voldoende waarnemin- gen zijn voor een statistische onderbouwing. De gemeente Katwijk hanteert voor bestrijdingsmiddelen de Humaan Toxicologische (HumTox) maximale waarde als LMW. Als de HumTox voor een parameter hoger is dan de interventiewaarde, dan is de interventiewaarde als LMW gehanteerd. Met deze regeling liggen alle Lokale Maximale Waarden onder de HumTox en dus is geen sprake van humane risico’s bij het gebruik wonen met tuin. Dit is eveneens gecontroleerd en bevestigd door een risicobeoordeling in Sanscrit. In tabel 3.7 is voor bestrijdingsmiddelen per stof de LMW weergegeven en de gehanteerde referentie.
Tabel 3.7 Lokale Maximale Waarden voor OCB’s in de gemeente Katwijk (met uitzondering van het zone 5)
Stof
Gehalte mg/kg.ds1
Referentie2, 3
DDT
1,7
interventiewaarde
DDE
2,3
interventiewaarde
DDD
34
interventiewaarde
Aldrin
0,2
HumTox
Dieldrin
4
interventiewaarde som Drins
Endrin
4
interventiewaarde som Drins
Somn Drins
4
interventiewaarde som Drins
alfa-HCH
17
interventiewaarde som Drins
beta-HCH
0,77
HumTox
gamma-HCH
0,67
HumTox
heptachloor
4
interventiewaarde
heptachloorepoxide
2
HumTox
hexachloorbenzeen
2
interventiewaarde
chloordaan
4
interventiewaarde
Toelichting tabel:
1gehalten in standaardbodem (10 % humus, 25 % lutum);
2de humaan toxicologische waarde voor heptachloorepoxide is overgenomen uit advies van de GGD aan Regio Rivierenland (referentie: memo Advies met betrekking tot de concept nota bodembeheer Regio Rivierenland, d.d. 09-09-2011);
3HumTox = Humaan Toxicologische maximale waarde.
Met de LMW worden de risico’s op ongecontroleerd verzet van ernstig verontreinigde grond en onaanvaardbare humane risico’s tegengegaan. Deze LMW gelden voor zowel toekomstige als bestaande woon- en industriegebieden. De LMW zijn niet van toepassing op al gesaneerde woon- en industriegebieden. Hier gelden de in het saneringsplan opgenomen terugsaneerwaarden en eisen voor de leeflaag.
Onderzoek en toetsing op OCB’s
In verband met de heterogeniteit van de bodemverontreiniging in het (voormalig) kassengebied (zone 3) zal in dit gebied bij grondverzet en herinrichting altijd een bodemonderzoek moeten plaatsvinden op het te ontgraven perceel. Hiermee wordt voorkomen dat ernstig verontreinigde grond wordt verspreid. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden volgens de laatste versie van de NEN 5740, aangevuld met analyse op OCB’s voor de bovengrond.
In geval van bedekte teelt, inclusief vakken van rolkassen, dient een aangepaste strategie gehanteerd worden. Op dergelijk perceel dient de toplaag (van 0-0,2 m-mv) en de onderliggende laag (van 0,2-0,5 m-mv) separaat bemonsterd te worden. Hiervoor worden per 1.000 m2 met een guts 20 steken geplaatst. Van deze 20 steken dient een mengmonster van de toplaag en een mengmonster van de onderliggende laag samengesteld te worden. Deze monsters dienen geanalyseerd te worden op organisch stof gehalte en OCB’s. De resultaten van het onderzoek moeten getoetst worden aan de LMW. Indien de gemeten gehalten aan bestrijdingsmiddelen onder de LMW liggen, dan kan de grond hergebruikt worden conform tabel 3.8. Let wel: deze tabel geldt alleen voor OCB’s. Voor de overige parameters moet eveneens getoetst worden of de gemeten waarden voldoen aan de toepassingseisen (tabel 3.9).
Tabel 3.8 Toepassingsmogelijkheden met betrekking tot OCB voor ontgraven grond1
Toepassingsmogelijkheden te ontgraven grond gemeten waarden
Toepassingsmogelijkheden
kwaliteit OCB’s > LMW
grond is mogelijk sterk verontreinigd. Als de omvang meer dan 25 m3 is, is sprake van een geval van ernstige verontreiniging en dient op basis van een goedgekeurd saneringsplan ontgraven en afgevoerd te worden
kwaliteit OCB’s < LMW
grond mag worden toegepast binnen een zone met functie wonen of industrie
kwaliteit OCB’s < AW2000
grond mag overal worden toegepast
Toelichting:
1deze tabel betreft alleen hergebruik op basis van toetsing op OCB’s. De toepassingsmogelijkheden gelden enkel MITS de grondstromenmatrix voor de overige parameters (standaardpakket grond) ook voldoet.
3.3.6 Minerale olie in zandgronden
Bij zandige bodems met een laag organische stof gehalte komt het voor dat een partij grond beperkt toepasbaar is of wordt afgekeurd enkel op basis van het gehalte aan minerale olie. Hierdoor wordt de afzet voor geschikte grond beperkt wat leidt tot onnodige kostenverhoging bij projecten. De gemeente Katwijk heeft afgesproken dat bij gemeten gehalten voor minerale olie onder 100 mg/kg.ds de normstelling voor organische stof niet wordt gecorrigeerd. Daarmee is de partij grond vrij toepasbaar (voor wat betreft het gehalte minerale olie). Vanzelfsprekend geldt dat ook voor de overige stoffen wel toetsing dient plaats te vinden.
Onderbouwing
Bij minerale olie is de achtergrondwaarde gelijk aan de grens voor klasse wonen. Bij overschrijding van de achtergrondwaarde, wordt de grond dus direct beoordeeld als kwaliteitsklasse industrie. Bij een zandige grond met een laag gehalte aan minerale olie resulteert de correctie voor organische stof er toe dat relatief schone grond wordt beoordeeld als klasse industrie grond. In de bovengrond in de gemeente Katwijk is het gemiddelde gehalte aan organische stof circa 2,5 %. De correctie naar standaard bodem van een gemeten gehalte van 100 mg/kg.ds resulteert in een gecorrigeerd gehalte van 400 mg/kg ds.
Dit ligt nog onder de grens voor kwaliteitsklasse industrie (500 mg/kg.ds) en ruim onder de interventiewaarde (5.000 mg/kg.ds).
Bij een dergelijk gehalte is geen sprake van een humaan of ecologisch risico en daarmee wordt hergebruik acceptabel geacht. Bovengenoemde geldt expliciet niet:
–op verdachte locaties;
–als olie zintuiglijk wordt waargenomen (geur en/of zicht).
Indien sprake is van een verdachte locatie en/of als olie zintuiglijk wordt waargenomen, dan geldt de standaard toetsmethode en dient dus wel gecorrigeerd te worden voor organische stof.
3.3.7 Grond onder wegen en wegbermen
De wegbermen langs wegen zijn veelal heterogeen diffuus verontreinigd, omdat de bodem in bermen langs rijkswegen wordt belast door erosie van autobanden, afstromend hemelwater, via spray van voertuigen en overloop bij hevige regenval. Daarnaast kan de aanwezigheid van zinkhoudende geleiderails resulteren in verhoogde gehalten aan zink in de bodem. Over het algemeen heeft dit geleid tot een heterogene, diffuse bodembelasting, waarbij licht tot sterk verhoogde gehalten aan met name zink, lood, PAK en minerale olie worden gemeten. De sterkte van de belasting hangt af van diverse factoren, zoals de manier waarom afstromend water wordt afgevangen en afgevoerd, het soort geleiderails, de ouderdom van de weg, de verkeersdrukte en het type transport dat plaatsvindt op de betreffende wegen.
Om werkzaamheden langs provinciale en gemeentelijke wegen en bermen te vergemakkelijken, heeft de gemeente gebiedsspecifiek beleid opgesteld. Met dit gebiedsspecifieke beleid wordt het mogelijk om klasse industriegrond toe te passen onder wegen en in bermen. Hierdoor worden de hergebruiksmogelijkheden van vrijkomende grond bij wegwerkzaamheden vergroot en is minder af- en aanvoer van grond nodig. Uitgangspunt hierbij is dat bij de functie van deze locaties (weg, berm) geen tot zeer beperkt contact optreedt met de bodem. Klasse industriegrond levert daarmee geen humane risico’s op.
Bij werkzaamheden in/onder de weg en berm (bijvoorbeeld bij het werken aan kabels en leidingen) levert de kwaliteit van deze grond eveneens geen risico op. Wel dienen de standaard persoonlijke beschermingsmiddelen genomen te worden, zoals is beschreven in de CROW 132.
Indien redelijkerwijs bekend is dat de betreffende weg en/of berm in de nabije toekomst wordt heringericht (als woongebied), dan is toepassing van grond met klasse industrie niet toegestaan.
Onderzoekseisen
Indien vrijkomende bermgrond als bermgrond of onder het wegtracé wordt toegepast, dan is geen onderzoek nodig. Indien vrijkomende bermgrond niet kan worden hergebruikt binnen een berm of onder een weg, dan is een partijkeuring nodig om de kwaliteit en de hergebruiksmogelijkheden vast te stellen. Als grond nodig is bij een nieuw aan te leggen weg, dan mag grond met kwaliteitsklasse industrie worden toegepast.
3.3.8 Conclusie toepassingseisen
Het bovenstaande leidt tot de toepassingseisen zoals beschreven in tabel 3.9.
Tabel 3.9 Toepassingseisen
Zone
Functie
Toepassingseis (generiek)
Toepassingseis (gebiedsspecifiek)
Bovengrond (0,0-0,5 m-mv)
1- Wonen
Wonen
AW2000
Wonen1,2
2- Bedrijvigheid / Industrie
Industrie
Wonen
Wonen1,2
3- (Voormalige) kassen / onbedekte teelt
Industrie
Wonen
Wonen1,2
4- Valkenhorst (voormalig vliegkamp)
Wonen
Wonen
Wonen1,2
5a- Buitengebied / duinen+strand
Landbouw/Natuur
AW2000
AW2000
5b, 5c, 5d, 5e - Buitengebied / overige
Landbouw/Natuur
AW2000
Wonen1,2
Wegen en bermen
Industrie
Afhankelijk van de zone waar de weg ligt
Industrie1,2
Ondergrond (0,5-2,0 m-mv)
1- Wonen
Wonen
AW2000
Wonen1,2
2- Bedrijvigheid / Industrie
Industrie
Wonen
Wonen1,2
3- (Voormalige) kassen / onbedekte teelt
Industrie
Wonen
Wonen1,2
4- Valkenhorst (voormalig vliegkamp)
Wonen
Wonen
Wonen1,2
5a- Buitengebied / duinen+strand
Landbouw/Natuur
AW2000
AW2000
5b, 5c, 5d, 5e - Buitengebied / overige
Landbouw/Natuur
AW2000
Wonen1,2
Wegen en bermen
Industrie
Afhankelijk van de zone waar de weg ligt
Industrie1,2
Toelichting
1Bij de gebiedsspecifieke toepassingseisen gelden LMW’s voor PCB (§3.3.4) en OCB (§3.3.5). PFAS volgt de gebiedsspecifieke normen zoals opgenomen in de tabel, met inachtneming dat de klasse Wonen gelijk staat aan de norm Wonen/Industrie conform het PFAS Handelingskader.
2In geval van minerale olie worden gehalten onder 100 mg/kg.ds niet gecorrigeerd op basis van het gehalte organische stof en de grond op basis van minerale olie vrij toepasbaar.
Toepassen grond afkomstig vanuit de gemeente
Voor het toepassen van grond of baggerspecie die afkomstig is vanuit de gemeente Katwijk (ZH) geldt het gebiedsspecifiek kader. Dit betekent dat de in tabel 3.9 weergegeven gebiedsspecifieke toepassingseisen gelden. Samengevat komt het er op neer dat binnen de gehele gemeente Katwijk grondverzet met klasse Wonen mogelijk is, met uitzondering van het duingebied in deelgebied 5a en rekening houdend met de LMW’s voor PCB en OCB.
Voor baggerspecie geldt dat het, zodra het permanent op landbodem wordt toegepast, als landbodem getoetst en toegepast dient te worden. Dit geldt voor zowel natte baggerspecie als gerijpte baggerspecie.
Voor de mogelijkheden van het grondverzet tussen de zones binnen de gemeente Katwijk is een grondstromenmatrix opgesteld. Hieruit is eenvoudig af te leiden in welke zone vrijkomende grond kan worden toegepast, en waar eventueel nog onderzoek nodig is voorafgaand aan het grondverzet. Deze grondstromenmatrix is bijgevoegd in bijlage V.
Toepassen grond afkomstig van buiten de gemeente/het beheergebied
Voor het toepassen van grond of baggerspecie die afkomstig is van buiten het beheergebied geldt de gebiedsspecifieke klasse. Echter de LMW’s voor PFAS, PCB’s en OCB’s, alsmede de uitzondering voor minerale olie gelden niet. Dit betekent dat binnen de gemeente Katwijk, met uitzondering van het duingebied in deelgebied 5a, grond of baggerspecie met kwaliteit Wonen mag worden toegepast. Voor wegen en bermen geldt dat hier klasse Industrie kan worden toegepast.
Wanneer een partij van buiten de gemeente afkomstig is, dient deze voorzien te zijn van een geldige partijkeuring of erkende milieuhygiënische verklaring. Dit kan ook zijn een bodemkwaliteitskaart waarvan de gemeente Katwijk (ZH) de bodemkwaliteitskaart als geldig bewijsmiddel heeft geaccepteerd (mits voorzien van historisch onderzoek).
De keuzevrijheid van perceeleigenaren
Met het gebiedsspecifieke beleid stelt de gemeente de kaders vast, die de wetgeving biedt, om grondverzet te optimaliseren. Hierbij is rekening gehouden met bestaande kwaliteit, functies en risico’s. Iedere perceeleigenaar heeft een eigen verantwoordelijkheid om te toetsen of zij voldoen aan het gemeentelijk beleid bij grondverzet. Daarnaast kan een perceeleigenaar strengere eisen stellen ten aanzien van de toepassingskwaliteit, het aandeel bijmengingen of de grondslag (percentage klei, zand, etc.) van toe te passen grond op zijn eigendom. Het is niet mogelijk om slechtere kwaliteit dan de toepassingseis gebiedsspecifiek toe te staan en de aanvullende regels van grond afkomstig van buiten de gemeente.
5 PROCEDURES
5.1 Verplichting voorafgaand aan grondverzet
5.1.1 Beoordeling of sprake is van een verdachte locatie
Indien uit het historisch onderzoek blijkt dat de grond afkomstig is van een verdachte locatie, kan geen gebruik gemaakt worden van de bodemkwaliteitskaart. De gemeente Katwijk (ZH) definieert een verdachte locatie als volgt:
–een verontreiniging of een vermoeden van een verontreiniging veroorzaakt door een lokale (bedrijfs)activiteit (bijvoorbeeld een ondergrondse tank);
–aanwezigheid van zintuiglijk afwijkend en bodemvreemd materiaal (bijvoorbeeld puin of asbest, zie ook paragraaf 4.6);
–indien sprake is van een lokale bron/(bedrijfs)activiteit met een potentieel (bodem)risico;
–gesaneerde locaties (tenzij kan worden onderbouwd dat de bodemkwaliteit van de locatie voldoet aan de (gebiedsspecifieke) kwaliteitsklasse van de zone;
–indien tijdens de uitvoering van het grondverzet blijkt dat de grond zintuiglijk verontreinigd is met bijvoorbeeld minerale olie;
–indien de locatie asbestverdacht is.
Tarragrond en grond uit penenwasserijen
Bij de wijziging van de Regeling Besluit bodemkwaliteit d.d. 1 januari 2015 is een speciale regeling opgenomen voor tarragrond afkomstig van aardappelen die zijn behandeld met chloorprofam. Naar aanleiding van onderzoek is de toepassing van tarragrond van aardappelen verruimd onder de voorwaarde dat de chloorprofam in de volgens de Wet op gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) toegestane dosering wordt gebruikt. Hiervan zijn toepassingen waarbij tarragrond in grondwater of oppervlaktewater terecht kan komen uitgesloten. Daarom dient voorkomen te worden dat tarragrond wordt toegepast langs waterkanten en onder de grondwaterspiegel. Dit om te voorkomen dat dergelijke toepassingen van tarragrond kunnen leiden tot verhoogde concentraties van chloorprofam en 3-CA in het grondwater.
De gemeente Katwijk heeft aanvullend onderzoek gedaan naar de kwaliteit van grond die vrijkomt bij penenwasserijen. Uit dit onderzoek blijkt dat deze grond voldoet aan de achtergrondwaarde voor de stoffen uit het standaard analysepakket.
Deze grond kan dus hergebruikt worden, mits deze zintuiglijk niet verontreinigd is. Geconcludeerd wordt dat tarragrond en grond uit penenwasserijen binnen de gemeente Katwijk kan worden hergebruikt met inachtneming van wat is beschreven in bovenstaande alinea. Voor tarragrond en grond uit penenwasserijen uit andere gemeentes is een geldig bewijsmiddel nodig.
Indien uit het historisch onderzoek blijkt dat ter plaatse van de herkomstlocatie een kas aanwezig was, moet ook bodemonderzoek naar OCB’s worden uitgevoerd.
Asbest
Voordat grondverzet plaatsvindt, moet een uitspraak gedaan worden over de hypothese verdacht of onverdacht met betrekking tot asbest. Locaties worden in ieder geval asbestverdacht geacht in de volgende gevallen:
–er is sprake van de aanwezigheid van oude verhardingslagen (dat wil zeggen aangebracht vóór 1990), bestaande uit puin- of menggranulaat, dan wel ophogingen/dempingen met bouw en sloopafval;
–er zijn asbestresten zichtbaar in de bodem aan het oppervlak, dan wel in proefsleuven of gaten;
–er is sprake van een voormalige stortplaats;
–het gaat om een (voormalig) glastuinbouwgebied met oude verhardingen en afval van kassen;
–uit het historisch onderzoek blijkt dat er sprake is van een asbestverdacht bedrijf;
–er is sprake van informatie over asbestresten op/in het terrein, afkomstig van buurtbewoners, oud-werknemers, et cetera;
–er is sprake van sterk puinhoudende grond in een oud-stedelijk gebied;
–er is/was sprake van asbesthoudende beschoeiingen langs watergangen.
Wat betreft stedelijke ophooglagen is vaak onduidelijk in hoeverre deze als asbestverdacht moeten worden beschouwd. Bij twijfel geldt daarom dat de grond als asbestverdacht dient te worden beschouwd en dat er onderzoek moet volgen conform de NEN-5707 (voor grond), dan wel de NEN-5897 (voor verhardingsmaterialen).
5.1.2 Omgaan met grond van een verdachte locatie
Indien uit het historisch onderzoek blijkt dat de grond vrijkomt ter plaatse van een verdachte locatie, kan geen gebruik gemaakt worden van de bodemkwaliteitskaart. In dat geval is een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 nodig om een verontreiniging uit te sluiten of een partijkeuring van de vrijkomende grond. Als de resultaten van het onderzoek voldoen aan de toetsingswaarden van de ontvangende zone, is alsnog grondverzet toegestaan.
Asbest
Indien uit het historisch onderzoek blijkt dat een locatie asbestverdacht is, moet een onderzoek conform NEN 5707 worden uitgevoerd. Er moeten bodemmonsters worden genomen en deze moeten worden geanalyseerd op asbest.
Bij grondverzet mag de grond maximaal 100 mg/kg.ds asbest bevatten (interventiewaarde/hergebruiksnorm voor asbest). De eigenaar van de toepassingslocatie kan en zal waarschijnlijk strengere eisen stellen.
5.1.3 Melden toepassing grond of baggerspecie
Een ieder die voornemens is om grond of baggerspecie toe te passen op een locatie dient dit 5 werkdagen van te voren te melden aan de Minister (Besluit, artikel 42, lid 1), via het meldpunt bodemkwaliteit. Dit kan middels de website: https://meldpuntbodemkwaliteit.agentschapnl.nl/Voorportaal.aspx
Dit geldt niet voor (artikel 42, lid 8):
–natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf;
–degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen binnen een landbouwbedrijf, indien de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie wordt toegepast;
–degene die voornemens is schone grond of baggerspecie (voldoet aan achtergrondwaarden) toe te passen in een omvang van minder dan 50 m3.
Degene die voornemens is om schone grond of baggerspecie toe te passen (voldoet aan achtergrondwaarde) in een omvang van ten minste 50 m3, meldt eenmalig de toepassingslocatie.
De gemeente Katwijk (ZH) (bevoegd gezag) beoordeelt de melding. Indien de melding niet strookt met het gemeentelijk beleid, of als er nog gegevens missen, dan maakt de gemeente dat kenbaar aan de melder.
5.1.4 Tijdelijke uitname
Tijdelijke uitname van grond, voor bijvoorbeeld de aanleg van kabels en leidingen, is uitgezonderd van veel verplichtingen uit het Besluit bodemkwaliteit, waaronder de meldingsplicht. Om te voldoen aan de criteria voor tijdelijke uitname, moet sprake zijn van het terugplaatsen van grond op of nabij dezelfde locatie, in dezelfde toepassing, onder dezelfde omstandigheden en zonder dat de grond is bewerkt.
Hoewel het uitzeven van bodemvreemd materiaal normaal gesproken als een bewerking wordt gezien, is in de toelichting van het Besluit bodemkwaliteit expliciet opgenomen dat in het geval het uitzeven van bodemvreemd materiaal voor civieltechnische doeleinden niet als bewerking wordt gezien. De gemeente Katwijk staat het bovendien toe dat grond gemengd mag worden alvorens deze - na tijdelijke uitname - wordt teruggeplaatst. De boven- en ondergrond hoeven niet gescheiden ontgraven en teruggeplaatst te worden.