Aanhef
Actualisatie van de archeologische verwachtings- en beleidskaart advieskaart
3 Inventarisatie van gegevens
3.1 Archeologische Inventarisatiekaart
3.1.1 Bronnen
De gegevens voor de archeologische inventarisatiekaart zijn geraadpleegd, zijn afkomstig uit verschillende bronnen:
-Landelijke databank Archis;
-Archeologische MonumentenKaart (AMK);
-CultuurHistorische Atlas (CHAT) van de provincie Utrecht;
18Blijdestijn 2005; https://webkaart.provincie-utrecht.nl/viewer/app/Webkaart.
-Archeologische onderzoeksrapporten;
-Publicaties van/door de Historische Kring IJsselstein.
19https://www.hkij.nl/index.php/nl/schatkamer/publicaties
Het ARCHeologisch Informatie Systeem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) is geraadpleegd voor de inventarisatie van (nieuwe) archeologische waarnemingen en vondstmeldingen.
20Bij archeologische vondsten moet gedacht worden aan materiële resten, zoals aardewerk, vuursteenartefacten of organische artefacten al dan niet in combinatie met antropogene grondsporen.
Ook de terreinen van de Archeologische MonumentenKaart ('AMK-terreinen') en uitgevoerde archeologische onderzoeken zijn ontleend aan Archis.
21Aanvullende informatie van AMK-terreinen die voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Valletta (circa 2000/2004) zijn vastgesteld, is mogelijk aanwezig in de (thans niet meer toegankelijke) Livelink dossiers. Het kan bij ontwikkelingen op dergelijke AMK-terreinen zinvol zijn deze dossiers bij de RCE op te vragen en te raadplegen.
De gegevens zijn aangevuld met waarnemingen van amateurarcheologen en De Historische Kring IJsselstein (HKIJ).
22Informatie over waarnemingen van amateurarcheologen zijn aangeleverd door dhr. T. van der Tier (AWN) namens de HKIJ. De informatie is verwerkt in de vindplaatsencatalogus, de catalogus met onderzoeken en de kaartbijlagen 1, 2 en 5 en 6. De literatuur waarnaar in
Alle bekende archeologische waarden zijn weergegeven op de archeologische informatiekaart (kaartbijlage 1). De gegevens uit Archis vormen de basis voor de vindplaatscatalogus. Ook de archeologische onderzoeken zijn op de inventarisatiekaart weergegeven. Hierbij zijn de onderzoeksgebieden onderscheiden op basis van het soort onderzoek dat is uitgevoerd (bijv. bureauonderzoek, booronderzoek, opgraving). De rijksmonumenten, AMK-terreinen, archeologische vindplaatsen en archeologische onderzoeken die op de informatiekaart staan weergegeven zijn tevens opgenomen in de catalogi (bijlagen 1 t/m 4).
3.1.2 Archeologische gegevens
Archeologische monumenten
De Archeologische Monumenten Kaart (AMK) bevat archeologische terreinen waaraan door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) op grond van toetsing (op kwaliteit, zeldzaamheid en contextwaarde) een archeologische waarde is toegekend.
23De Archeologische Monumentkaart werd bijgehouden en geactualiseerd door de RCE, sinds deze daar echter in 2014 mee is gestopt is de AMK een statisch bestand geworden.
De terreinen zijn onderverdeeld in vier categorieën die in grote lijnen het archeologisch belang dat de terreinen vertegenwoordigen, weerspiegelen. In de gemeente IJsselstein gaat het om de volgende terreinen (Tabel 3.1):
status AMK-terrein / waardering
aantal
Zeer hoge archeologische waarde, wettelijk beschermd ('archeologisch rijksmonument')
2
Zeer hoge archeologische waarde, niet-wettelijk beschermd
4
Hoge archeologische waarde
6
Archeologische waarde
2
Totaal
14
Tabel 3.1 Overzicht van AMK-terreinen in de gemeente IJsselstein.
De AMK-terreinen omvatten archeologische resten uit de ijzertijd, Romeinse tijd, middeleeuwen en nieuwe tijd.
24Voor informatie over IJsselstein in de prehistorie en Romeinse tijd, zie T. van der Tier 2020 & 2022.
Verschillende terreinen omvatten meerdere complexen en/of archeologische perioden. De twee archeologische rijksmonumenten (rijksmonumentnummers 46200 en 46201) bevatten overblijfselen van het kasteel IJsselstein en het Cisterciënklooster Onze Lieve Vrouwenberg, die beide teruggaan tot de late middeleeuwen. De overige AMK-terreinen vallen grofweg uiteen in twee categorieën: nederzettingsterreinen uit de ijzertijd/Romeinse tijd en sporen die samenhangen met het activiteiten in het laatmiddeleeuwse centrum van IJsselstein. De volledige beschrijving van de AMK-terreinen is opgenomen in bijlagen 2 en 3). Provinciale of gemeentelijke archeologische monumenten komen niet voor in de gemeente IJsselstein.
Archeologische vindplaatsen
In Archis staan voor de gemeente IJsselstein 1600 'archeologische records' geregistreerd (peildatum 1 mei 2022). Deze records omvatten individuele vondsten/-sporen en/of archeologische complexen, die zijn aangetroffen bij archeologische onderzoeken en/of andersoortige waarnemingen.
25Het contacteren van lokale historische/heemkundige verenigingen heeft geen aanvullende archeologische vindplaatsen opgeleverd.
De records zijn o.a. voorzien van een locatie (RD-coördinaten), het specifieke vondsttype en een (vermeende) begin- en einddatering.
Het aantal archeologische records ligt evenwel aanzienlijk hoger dan het daadwerkelijke aantal (bekende) archeologische vindplaatsen. Dit komt doordat een vindplaats waar bijvoorbeeld fragmenten kogelpot-, Pingsdorf- en Badorfaardewerk en baksteen zijn aangetroffen, vier afzonderlijke archeologische records oplevert. Bovendien kan eenzelfde vindplaats meerdere keren in Archis voorkomen omdat de archeologische onderzoekscyclus gefaseerd is opgezet: een vindplaats die tijdens een booronderzoek is ontdekt, vervolgens is gewaardeerd met een proefsleuvenonderzoek en uiteindelijk is opgegraven, komt - nog zonder rekening te houden met afzonderlijke vondstcategorieën - al drie keer voor.
Om tot een eenduidig en overzichtelijk vindplaatsenbestand te komen zijn de archeologische records geanalyseerd en daar waar nodig samengevoegd of juist opgesplitst. Voor zover mogelijk is op basis van omschrijvingen (in Archis) aan elke vindplaats een ouderdom en complextype (het soort vindplaats) gekoppeld. Meerder meldingen op dezelfde locatie, die qua ouderdom en type, op een vergelijkbare archeologische vindplaats duiden, zijn in principe samengevoegd. Ook komt het voor dat op een locatie zowel een nederzetting uit de ijzertijd/Romeinse tijd als een nederzetting uit de late middeleeuwen liggen; deze vindplaatsen zijn dan niet samengevoegd. Voor het buitengebied van IJsselstein (buiten de historische kern) zijn vondstmeldingen met eenzelfde complextype en datering die dichter dan 50 meter bij elkaar liggen, samengevoegd tot één vindplaats. Dit was bijvoorbeeld verschillende keren het geval bij meldingen van nederzettingsterrein uit de ijzertijd/Romeinse tijd in het gebied IJsselveld.
26Zie bijvoorbeeld de losse vondstmeldingen in en direct rondom de AMK-terreinen 1972, 113844 en 11385. In de vindplaatscatalogus staan de oorspronkelijke, samengevoegde zaakidentificatienummers vermeld. (vgl. vindplaatscatalogusnr. 92).
Onder het desbetreffende vindplaatscatalogusnummer staan de oorspronkelijke zaakidentificatienummers wel vermeld. Voor de middeleeuwse stadskern van IJsselstein is deze werkwijze dus niet toegepast. Na deze filtering/opschoning zijn de circa 1600 records teruggebracht tot 162 vindplaatsen (Tabel 3.2, bijlage 1).
Complextype
ouderdom (begindatering)
neolithicum
bronstijd
ijzertijd-Romeinse tijd
(vroege) middeleeuwen
late middeleeuwen
Nieuwe tijd
totaal
Begraving
-
-
1
-
2
-
3
Bewoning
1
5
27
7
12
4
56
Kasteel
-
-
-
-
6
1
7
Religie
-
-
-
1
6
-
7
Industrie
-
-
-
-
-
1
1
Infrastructuur
-
-
-
-
1
3
4
Losse vondsten
-
-
3
-
1
1
5
Scheepswrak
-
-
-
-
-
1
1
Onbekend
2
3
17
4
40
12
78
Totaal
3
8
48
12
68
23
162
Tabel 3.2 Overzicht van vindplaatsen naar complextype en begindatering.
Archeologische onderzoeken
Uit Archis zijn de gegevens van uitgevoerde archeologische onderzoeken geïnventariseerd (peildatum 1 mei 2022). In de periode 1993 – 2022 zijn binnen de gemeente IJsselstein 224 archeologische onderzoeken uitgevoerd (Tabel 3.3). De onderzoeken zijn gecategoriseerd naar het type onderzoek (bureauonderzoek, booronderzoek, proefsleuven, opgraving e.d.) en weergegeven op de archeologische inventarisatiekaart (kaartbijlage 1).
Type onderzoek
Periode
1993-2010
2011-2022
Totaal
Bureauonderzoek
14
(6%)
36
(16%)
50
(22%)
Booronderzoek
44
(20%)
63
(28%)
107
(48%)
Proefsleuven
10
(5%)
14
(6 %)
24
(11%)
Begeleiding
11
(5%)
21
(9%)
32
(14%)
Opgraving
4
(2%)
1
(0%)
5
(2%)
Overig*
3
(1%)
3
(1%)
6
(3%)
Totaal
86
(38%)
138
(62%)
224
100%
Tabel 3.3 Overzicht van uitgevoerde AMZ-onderzoeken in IJsselstein, de percentages geven het relatieve aandeel over alle 224 onderzoeken weer (*: geofysisch, inspectie of onbekend).
Hoewel de eerste, in Archis geregistreerde onderzoeksmelding uit 1993 dateert, komt het archeologisch onderzoek feitelijk pas op gang vanaf 2005 (Figuur 3-1: staafdiagram). In de periode tot 2011 zijn 86 onderzoeken uitgevoerd, waarvan grofweg de helft uit booronderzoeken bestond. Het aantal onderzoeken dat sinds 2011 is uitgevoerd (138 onderzoeken) ligt aanzienlijk hoger dan in de voorafgaande periode. Met name de bureau- en booronderzoeken nemen in absolute zin sterk toe, een patroon dat al vanaf 2008/2009 is waar te nemen. Verder laten de gegevens zien dat bureau- en booronderzoeken vaker dan voorheen als twee afzonderlijke onderzoeken bij Archis worden geregistreerd (ook wanneer beide uiteindelijk in één rapport zijn beschreven). De verdeling van de verschillende onderzoekstypen laten geen wezenlijke verandering zien tussen de beschouwde perioden (1993-2010 en 2011-2022; Figuur 3-1: cirkeldiagrammen). Zo schommelt het gezamenlijk aandeel van de gravende onderzoeken (proefsleuven, begeleidingen en opgravingen) rond 25 à 30%.
Figuur 3-1 Aandeel van de verschillende typen onderzoek over de periode 1993-2022 (boven), 1993-2010 (linksonder) en 2011-2022 (rechtsonder).
Bevindingen archeologische onderzoeken
Een overzicht van de onderzoeken met een rapportverwijzing (voor zover achterhaald kon worden) staat in bijlage 4. Van alle veldonderzoeken waarvan de rapportage ná 2010 is verschenen, zijn de archeologische en landschappelijke bevindingen beknopt weergegeven in de catalogus.
3.2 Landschappelijke eenhedenkaart
3.2.1 Bronnen
De aardwetenschappelijke gegevens die zijn geraadpleegd om de landschappelijke eenhedenkaart te vervaardigen betreffen in hoofdzaak analoge kaarten. Deze informatie is aangevuld met bevindingen uit bodemkundige en/of geologische studies (regionaal en landelijk), hoogtegegevens en historische kaarten. Het gaat om de volgende bronnen:
-Geologische Kaart van Nederland, schaal 1:50.000 (bladen 31 Oost en 38 Oost);
27Rijks Geologische Dienst, 1970; 1988.
-(supra-)regionale geologische studies;
o Palaeogeographic development of the Rhine-Meuse delta, the Netherlands;
28Berendsen & Stouthamer 2001; Cohen et al. 2011.
o Genese van het landschap in het zuiden van de provincie Utrecht;
29Berendsen 1982.
o Atlas van Nederland in het Holoceen;
30Vos et al. 2011.
-Gedetailleerde bodemkaarten:
31Bles & Zegers, 1970, Bles & Zegers, 1971.
o Bodemkaart van de ruilverkaveling Lopikerwaard (schaal 1:25.000);
o Bodemkaart van de ruilverkaveling Lopikerwaard-Oost (schaal 1:10.000);
-Topkaart Pleistoceen;
32beheerd door de RCE
-Boorgegevens uit het DINOloket;
33https://www.dinoloket.nl
-het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3);
-Landschappelijke resultaten van uitgevoerde archeologische veldonderzoeken;
-Saneringsgegevens aangeleverd door de ODRU;
-Historische kaarten.
3.2.2 Landschappelijke eenheden
Pleistocene landschap
De pleistocene ondergrond in de gemeente IJsselstein bestaat uit afzettingen van grove zanden en grind die werden afgezet door voorlopers van de Rijn.
34De sedimenten worden gerekend tot de Formatie van Kreftenheye (Busschers & Weerts 2003).
In de noordelijke helft van de gemeente zijn deze rivierafzettingen bedekt door een dun pakket eolische dekzanden.
35Het dekzand wordt gerekend het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel (Schokker et al. 2003).
Voor de opbouw en diepteligging van de pleistocene ondergrond zijn verschillende bronnen/datasets beschikbaar. De 'top pleistoceenkaart' van de RCE/Deltares, geeft een globaal beeld van de diepteligging van de pleistocene ondergrond (Figuur 3-2: linksboven). Omdat niet bekend is op welke data de kaart is gebaseerd, is niet duidelijk wat de betrouwbaarheid ervan is. In het DINOloket is een dataset met de hoogteligging van de bovenzijde van de dekzandafzettingen (Formatie van Boxtel) en van de Formatie van Kreftenheye beschikbaar ('GeoTOP-model'; Figuur 3-2: rechtsboven). Dit is een driedimensionaal geologisch model van de ondiepe ondergrond (tot maximaal 50 m -NAP) dat de grondsoort en laagopbouw bevat. De resolutie van het model is 100 x 200 m (horizontaal) en 0,5 m (verticaal).
36Stafleu et al. 2019.
Als alternatief is gekozen voor een interpolatiemodel, waarbij gebruik is gemaakt van de afzonderlijke datasets met boorgegevens die ook aan het GeoTOP-bestand ten grondslag liggen (Figuur 3-2: linksonder).
37Voor de interpolatie van het dekzandoppervlak is gebruik gemaakt van de inverse distance-interpolatie van Mapinfo/Vertical Mapper (met de volgende parameters, cellgrootte: 25 meter, zoekstraal: 2000 meter, exponent: 6).
Het gaat om boringen waarin de afzettingen van de Formatie van Boxtel of de Formatie van Kreftenheye zijn aangetroffen.
Figuur 3-2 Hoogteligging van de pleistocene ondergrond (ten opzichte van NAP) volgens verschillende modellen.
De gehanteerde dataset omvat voor de gemeente IJsselstein slechts 63 boringen.
38Verder staan in het DINOloket nog circa 150 boringen in de gemeente IJsselstein geregistreerd, die niet tot in de pleistocene ondergrond reiken.
Uit de boringen en het geïnterpoleerde hoogtemodel blijkt dat de bovenzijde van de pleistocene afzettingen tussen 4 en 8 m -NAP ligt. De afzettingen liggen het hoogste in het noordelijk deel van de gemeente en dalen zeer geleidelijk in zuid(westelijk)e richting. Omdat het maaiveld in de komgebieden tussen 0 en 1 m -NAP varieert, kan het laat-pleistocene oppervlak in het delen van de gemeente plaatselijk al binnen 3 m -mv worden aangetroffen. Het aantal beschikbare geologische waarnemingen (boringen) is evenwel te gering om een voldoende betrouwbaar beeld van de intactheid, opbouw en reliëf van het pleistocene landschap te krijgen.
Uit de (beperkte hoeveelheid) geologische boringen die tot in de pleistocene ondergrond zijn doorgezet, blijkt dat delen van het pleistocene oppervlak zijn afgedekt met basisveen (Figuur 3-3).
39DINO-loket: boringen B31G0403, B31G0409, B38E1396, B38E1399, B38E1458, B38E1459, B38E1468, B38E1470, B38E1475, B38E1476, B38F1468 ,B38F1529, B38F1530, B38F1531, B38F1532, B38F1533, B38F1534, B38F1535, B38F1542, B38F1580, B38F1583 en B38F1752.
Dit impliceert dat het onderliggende pleistocene dekzandlandschap ter hoogte van deze boringen hoogstwaarschijnlijk nog intact is. Verder suggereren de boringen dat het pleistocene landschap ter hoogte van de holocene stroomgordels waarschijnlijk is geërodeerd en niet meer intact is. (Figuur 3-3).
40Vgl. DINO-boringen B38E1468, B38E1775, en B38E1776.
Figuur 3-3 Hoogteligging van de pleistocene ondergrond met geologische boringen. Ter hoogte van de holocene meandergordels is het pleistocene oppervlak waarschijnlijk geërodeerd en niet meer intact.
Meandergordels
Gedurende het Holoceen is een groot aantal (meer dan 20) verschillende rivierlopen actief geweest op het grondgebied van de gemeente IJsselstein (Figuur 3-4). De afzettingen van deze stroomgordels kunnen op verschillende dieptes worden aangetroffen. De doorgaande opvulling van de riviervlakte zorgde ervoor dat de afzettingen van deze rivieren niet alleen naast, maar ook boven elkaar liggen. Voor de begrenzing van de meandergordels (de zandbanen) is uitgegaan van de publicatie van de Universiteit Utrecht uit 2012, die de meest betrouwbare, vlakdekkende gegevensset vormt.
De vroegere rivierlopen betreffen verschillende afwateringstakken van het Rijnsysteem en zijn op grond van onder meer ouderdom, brongebied, afwateringsrichting en debiet onderverdeeld in een viertal stroomstelsels, te weten het Benschopse, Graafse, Linschotense en Krimpense stroomstelsel. Een overzicht van de verschillende stroomgordels en meandergordels/stroomgordels is weergegeven in Figuur 3-4 en Tabel 3.4).
Oeverzones en crevassen
Direct grenzend aan de meandergordels zijn op de kaart op enkele plaatsen oeverzones te onderscheiden. In deze zones zijn vanuit de meandergordel bij hoge waterstanden relatief zandige en/of siltrijke sedimenten afgezet, terwijl verder van de meandergordels af voornamelijk alleen het fijnste sediment in de vorm van klei is afgezet. Het gaat om ‘zwevende’ of ook wel ‘ongefundeerde’ oeverpakketten, met daaronder weer zwaardere komklei-afzettingen. De oeverzones zijn herkenbaar aan een relatief hoge ligging van het maaiveld, wat deze zones in het verleden aantrekkelijk maakte voor bewoning en andere activiteiten. De op de kaart weergegeven oeverzones zijn in hoofdzaak gebaseerd op de gedetailleerde geomorfogenetische kaart.
41Berendsen 1982: de ongefundeerde oeverzones komen op deze kaart overeen met kaarteenheid Fs5.
Dezelfde kaart vormt het uitgangspunt voor de door Pierik weergegeven ongefundeerde oeverzones.
42Pierik 2017: digitale bijlage.
Aanvullend zijn op basis van het AHN-beeld en/of boorgegevens uit het DINO-loket kleine oppervlakken met oeverzones toegevoegd. Daarnaast is langs de Noord IJsseldijk een door Berendsen als dijkdoorbraakafzetting gekarteerde zone, geherinterpreteerd als omvangrijke oeverzone. Er zijn namelijk geen aanwijzingen voor een dijkdoorbraak.
Opvallend is dat binnen de gemeente IJsselstein de meeste oeverzones maar zeer beperkt in breedte zijn. Op veel plaatsen zijn zelfs helemaal geen oeverzones aan het maaiveld te herkennen en/of in boringen vastgesteld. Dit lijkt erop te duiden dat de top van de meandergordels in eerste instantie niet of maar nauwelijks boven het omliggende komgebied uitkwamen. Als gevolg van differentiële klink is dit hoogteverschil in de loop van de tijd toegenomen.
Overigens moet worden opgemerkt dat ook ter hoogte van de meandergordels overal oeverafzettingen voorkomen. Deze dekken de zandige beddingafzettingen af en zijn afgezet vanuit de actieve Rijngeul van betreffende meandergordel. Oeverafzettingen kennen doorgaans een aflopend profiel met van beneden naar boven steeds zwaardere (kleiigere) afzettingen. Deze opbouw weerspiegelt het geleidelijk steeds rustigere sedimentatiemilieu samenhangend met de grotere afstand tot de actieve geul en met afnemende overstromingskans naarmate het oeverpakket in dikte toeneemt. De top van de oeverafzettingen vormt veelal een oud stabiel bodemniveau en daarmee een archeologisch niveau.
Behalve oeverzones zijn ook enkele crevassen en crevasse-complexen gekarteerd. Het betreft duidelijke, veelal dwars op de meandergordel georiënteerde relatief zandige en/of siltrijke banen, die zijn ontstaan als gevolg van plaatselijke oeverwaldoorbraken. De meeste crevassen lopen na enige honderden meters dood in het komgebied. Ook crevassen zijn in deze regio ongefundeerd met daaronder komklei-afzettingen. Vanwege de relatief zandige opbouw hebben de crevassen een hogere ligging en waren daarmee aantrekkelijke voor bewoning en andere activiteiten. Binnen de oeverzones kunnen ook crevassen voorkomen.
De meeste op de kaart weergegeven crevassen zijn afkomstig van de gedetailleerde geomorfogenetische kaart.
43Berendsen 1982.
Een enkele is als antropogene vergraving herkend en niet opgenomen in het kaartbeeld.
Komgronden
Buiten de meandergordels, oeverzones en crevassen, wordt het bodemprofiel gedomineerd door dikke pakketten met zware klei, al dan niet met venige insluitingen. Deze pakketten zijn gevormd op enige afstand van de actieve rivier waar bij hoge waterstanden alleen het lichtste sediment; de kleifractie, kon reiken en sedimenteren. In periode zonder noemenswaardige overstromingen kon hier ook veenvorming optreden. Door fixatie van de rivierstromen binnen bepaalde delen van de riviervlakte kon het pakket met veen en komkleien in de loop van de tijd verder toenemen. Aangezien een komkleipakket een hoge weerstand heeft, werden de riviertaken steeds meer gefixeerd binnen de bestaande zandbanen, naarmate dit kleipakket in dikte toenam.
Figuur 3-4. Ligging van de verschillende fossiele meandergordels in de gemeente IJsselstein (naar Cohen et al. 2012.
naam meandergordel
begin- en eindsedimentatie
hoogste voorkomen
(14C jaren BP)
(cal 14C jaren BP)
beddingzand (in m NAP)
Benschopse systeem
Benschop
(7600-5800)
(8368-6125)
-4,0 tot -7,0
Tienhoven
(7350-6260)
(7788-7175)
-0,9 tot -1,4
Kortenhoeven
(7100-6260)
(8368-7175)
-2,3 tot -5,5
Willeskop
(6950-6300)
(7274-6635)
-4,0 tot -6,4
Wiersch
(6500-5800)
(7582-6636)
-2,5 tot -4,0
Autena
(6110-5350)
(6974-6125)
0,4 tot 0,1
Graafse sysyeem
Kapel
(5350-4920)
(6125-5650)
-1,0 tot -2,1
Vuylkop
(5350-3795)
(6125-4148)
1,1 tot 0,2
Buitenzorg
(4900-4455)
(5619-5020)
-1,1 tot -1,4
Linschotense systeem
Lage Dijk
(4900-3795)
(5619-4148)
-0,5 tot 0
Neder-Oudland
(4455-3950)
(5020-4424)
-0,3 tot 0
Lampsin
(4365-3100)
(4872-3309)
-0,4 tot 0
Over-Oudland
(4365-3000)
(4872-3187)
-0,1 tot -0,2
Vechgel
(4000-3450)
(4437-3831)
-0,1 tot -0,2
Stuivenberg
(3960-3180)
(4414-3379)
-0,2 tot -0,8
Blok
(3795-3000)
(4148-3187)
-0,1 tot -0,6
Jutphaas
(3795-2715)
(4148-2784)
1,7 tot -0,6
Meijerberg
(2800-760)
(2871-669)
Hagestein
(2514-1050)
(2634-943)
2,8, tot 2,2
Hollandse IJssel (boven 2)
(2514-665)
(2634-650)
Krimpen systeem
Lek (onbedijkt)
(1950-850)
(1879--50)
10,2 tot 3,0
Hollandse IJssel
(1900-665)
(1617-650)
2,1 tot 1,6
Tabel 3.4 Overzicht van stroomgordels in de gemeente IJsselstein. $: de vermelde zandhoogtes gelden voor de gehele stroomgordel, niet specifiek het deel dat binnen de gemeente ligt (gegevens ontleend aan Cohen et al. 2012).
Figuur 3-5 Doorsnede van een rivierenlandschap (naar Heunks & Van Hemmen 2016).
3.2.3 Verstoringen
Met behulp van het AHN3 zijn op perceelsniveau verstoringen geïnventariseerd. Hierbij moet vooral gedacht worden aan afgegraven (afgetichelde) terreinen die op zeer grote schaal in de uiterwaarden van de Hollandse IJssel hebben plaatsgevonden. Ook is hiervoor gebruik gemaakt van de gedetailleerde bodemkaarten waarop afgegraven percelen zijn gekarteerd.
44Bles & Zegers 1970; 1971.
De saneringsgegevens die door de ODRU zijn aangeleverd zijn hier aan toegevoegd.
Figuur 3-6 Uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3) voor de gemeente IJsselstein.
3.3 Historisch-geografische waardenkaart
3.3.1 Bronnen
Voor het inventariseren van de historisch-geografische waarden en elementen zijn zowel digitale databronnen als oude kaarten geraadpleegd. Het gaat om de volgende gegevens:
-Databanken van bestaande en verdwenen molens;
-CultuurHistorische Atlas (CHAT) van de provincie Utrecht;
-Gebouwde monumenten;
-Dijkenkaart van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (https://services.rce.geovoorziening.nl/dijken/wfs?);
-Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3);
-Regionale historisch-geografische studies;
-Historische kaarten:
45Geraadpleegd via: https://webkaart.provincie-utrecht.nl/viewer/app/Webkaart of het Utrechts Archief (https://hetutrechtsarchief.nl/).
o 'Stadsplattegrond IJsselstein' door Jacob van Deventer (1560);
o ‘Ultrajectum / Dominium’ (Kaart van de provincie Utrecht met aangrenzend gebied; met weergave van steden, wegen en watergangen en gestyleerde weergave van heuvels, dorpen, kastelen en kloosters) door W.J. Blaeu uit 1630-1635;
o 'Comitatus Hollandiae et Dominii Ultraiectini Tabula' door Jacob Aertsz. Colom uit 1680;
o 'Kaart van de Baronie IJsselstein' door David Willem Carel Hattinga uit 1770 (kopie van de kaart van Petrus Adan uit 1738;
o 'Nieuwe Kaart van den Lande van Utrecht' door Bernard Du Roy uit 1743;
o 'Kaart van de rivier de Lek met zijn uiterwaarden, noorder- en zuiderdijken, van de Merwede beneden Krimpen tot het schoor van Hagestein boven Vianen' door Melchior Bolstra uit 1751-1764;
o ‘Topographische kaart van een gedeelte van de provincies Holland en Utrecht begrepen tussen de rivier de Lek bij Schoonhoven en Nieuwpoort en de Zuiderzee’ door Pieter Ketelaar uit 1769;
o 'Oude Hollandse Waterlinie' door Pieter Ketelaar uit 1770-1781;
o 'Generaale Land-Kaarte van den Loopicker-Waard' door David Willem Carel Hattinga uit 1771;
o 'Kaart van het land van IJsselstein' (anoniem) uit omstreeks 1775;
-Bonnekaarten en topografische kaarten vanaf ca. 1850;
-Kadastrale kaarten uit de periode 1811-1832:
o Gemeente IJsselstein, sectie A (blad 2), sectie B (blad 1, 2 en 3), sectie C (blad 1, 2 en 3), sectie D (blad 1), sectie E (blad 1 en 2), sectie F (blad 1 en 2) en sectie G (blad 1 en 2);
o Gemeente Jutphaas, sectie C, blad 1;
o Gemeente Vreeswijk, sectie B, blad 1.
De geïnventariseerde gegevens zijn verwerkt tot een historisch-geografische waardenkaart (kaartbijlage 3). De digitale gegevens (met name de al dan niet verdwenen dijktracés en de locaties van verdwenen molens) zijn met behulp van de gegeorefereerde kadastrale minuutplannen, recentere topografische kaarten en/of het AHN gecorrigeerd.
Naast de historisch-geografische relicten en elementen omvat de kaart ook de onderliggende, historisch-landschappelijke eenheden. De (verdwenen) molens zijn tevens opgenomen in een afzonderlijke catalogus (bijlage 5).
Figuur 3-7 Militaire kaart van de Provincie Holland (vestingen, forten en posten)’ door Pieter Ketelaar uit 1769 (bron: Nationale archief met inventarisnummer H50, H50.1 t/m H50).
Figuur 3-8 Uitsnede van de 'Kaart van de Baronie van IJsselstein' door David Hattinga uit 1770 (bron: Utrechts Archief, catalogusnr. 203).
Figuur 3-9 Uitsnede van de 'Kaart van het land van IJsselstein' van omstreeks 1775 met daarop goed zichtbaar het patroon van dijken (bron: Utrechts Archief, catalogusnr. 203).
3.3.2 Historisch-geografische elementen
Historisch-landschappelijke eenheden
Aan de hand van oude kaarten en de CHAT zijn buiten de middeleeuwse stad, drie historische hoofdlandschappen te onderscheiden:
-Het blokverkavelingslandschap;
-Het cope-ontginningslandschap;
-De uiterwaarden van de Lek.
Dijken en kades
Met behulp van de CHAT van de provincie Utrecht en de dijkenkaart van de RCE zijn historische dijken en kaden geïnventariseerd en op kaart gezet. Omdat de bestaande datasets voor de gewenste kaartschaal vaak een te grof en onnauwkeurig beeld gaven, is de ligging van de dijktracés gecontroleerd en verfijnd door deze te vergelijken met kadastrale minuutplannen en te projecteren op de huidige topografie en het AHN.
Historische bewoning en bebouwing
Aan de hand van oude kaarten, recent en oud topografisch kaartmateriaal, archeologische waarnemingen en de CHAT van de provincie Utrecht zijn de zones met historische bewoning in kaart gebracht. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen
-De middeleeuwse stadskern van IJsselstein;
-De vermeende en globale ligging van de vroegmiddeleeuwse nederzetting Eiteren;
46Eiteren komt als ‘Aiturnon’ voor op een lijst met goederen bij de Zuiderzee van het klooster Werden (bij Essen in Duistland) uit ca. 900 AD: ”Te Aiturnon Sancti Liudgeri”. Een andere vroegmiddeleeuws goed betreft de villa Ubburon/Opburen die op een lijst met goederen van de St. Maartenskerk (uit Utrecht), opgesteld tussen 777 en 866, wordt genoemd. Vermoedelijk lag de villa nabij het Hoge Land in het gebied Over-Oudland, aan de oostzijde van de A2 in de gemeente Nieuwegein. Zie oo vindplaatscatlogusnr. 63.
-De nog bestaande gehuchten Klaphek, Looije Brug en Knollemanshoek;
-De bebouwing op Militaire kaart door Pieter Ketelaar uit 1769 en de kadastrale minuutplans uit de periode 1811-1832 (als puntlocaties weergegeven op kaartbijlage 3).
Bewoningslinten uit de late middeleeuwen en Nieuwe tijd
Binnen de gemeente IJsselstein zijn twee laatmiddeleeuwse ontginningsassen onderscheiden, de Achtersloot-Hogebiezendijk van waaruit Meerlo, Broek, Lage Biezen en Hoge Biezen zijn ontgonnen, en Noord-IJsseldijk, de (vermoedelijke) ontginningsbasis van IJsselveld. Langs beide ontginningsassen is in de late middeleeuwen en Nieuwe tijd lintbebouwing ontstaan. De historische bewoningslinten stonden op de kaart van 2011 al afgebeeld. Getracht is de archeologische verwachting van deze linten te verfijnen door aan de hand van redelijk tot goed te georefereren historische kaarten (de oudste kadastrale minuutplans uit de periode 1811-1832, de Militaire kaart van de Provincie Holland door Pieter Ketelaar uit 1769 en de Kaart van de Baronie van IJsselstein door David Hattinga uit 1770) te onderzoeken of in de 18e en 19e eeuwse bebouwing veel veranderingen optreden of dat uit deze kaarten juist continuïteit van bebouwing valt af te leiden.
Het blijkt dat bij beide ontginningsassen sprake is van tweezijdige boerderijstroken, waarbij de boerderijstrook aan de oostzijde van Achtersloot-Hogebiezendijk onregelmatiger is en enkele onderbrekingen kent, en de beide stroken lang de Noord-IJsseldijk een wat grilliger verloop hebben en meer uit “plukjes” bebouwing bestaat. Tevens valt uit de geraadpleegde kaarten af te lezen dat er in de bebouwing van de boerderijstroken vrijwel geen verschuivingen optreden.
Op kaartbijlage 3 is voor de bewoningslinten een breedte van 100 meter aan weerszijden van het hart van de dijk aangehouden. Met deze breedte wordt het grootste deel van de bebouwing op de 18e en 19e eeuwse kaarten ‘afgedekt’.
Gebouwde rijksmonumenten en MIP-objecten
De locaties van MIP-objecten (Monumenten Inventarisatie Project; waardevolle gebouwde objecten uit de periode 1850-1940) en de gebouwde rijksmonumenten zijn afkomstig van de datasets van de RCE. Deze objecten zijn als puntlocaties weergegeven op kaartbijlage 3.
Molens
Gegevens over verdwenen en nog bestaande molens zijn geïnventariseerd via de landelijke molendatabases.
47Respectievelijk www.molendatabase.org (verdwenen molens) en www.molendatabase.nl (bestaande molens).
De gegevens zijn opgenomen in bijlage 5.
In de gemeente IJsselstein staat nog één historische molen, De Windotter. Deze korenmolen is in 1732 gebouwd ter vervanging van een oudere korenmolen in de stad IJsselstein.
In de molendatabase staat ter hoogte van het klooster O.L. Vrouwenberg ook een molen vermeld. De juistheid hiervan is onzeker, zo staat de molen niet afgebeeld op de kaart van Jacob van Deventer (uit dezelfde periode). Om deze reden staat de molen niet weergegeven op kaartbijlage 3. Verder hebben in het verleden vermoedelijk op nog acht andere locaties molens gestaan, deze zijn inmiddels verdwenen. Het betreft drie molens die in de stad hebben gestaan – en gebruikt werden voor het malen van graan of grutten – en een vijftal poldermolens die overwegend in het buitengebied lagen. Voor drie locaties is tevens bekend dat sprake is geweest van meerdere opeenvolgende molens. Per locatie hebben de verschillende molenfases in de catalogus hetzelfde nummer gekregen maar zijn de opeenvolgende fases met een a en b of c van elkaar onderscheiden (catalogusnummers 1a/b, 2a/b en 10a/b/c).
3.4 Historisch centrum
3.4.1 Bronnen
Het historische centrum wordt voor wat betreft het aspect archeologie apart behandeld vanwege de hoge dichtheid en het specifieke karakter van de bekende en te verwachten archeologische resten. Detailkaarten van de historische kern (met resp. vondstmeldingen en archeologische onderzoeken, landschappelijke verwachtingszones, historische relicten en verstoorde cq. vrijgegeven zones) zijn als kaartbijlagen 5 tot en met 8 bijgevoegd. De detailkaart 5 is gebaseerd op (nieuwe) archeologische onderzoeken en vondstmeldingen uit Archis. Voor de onderbouwing van de andere vier kaarten wordt verwezen naar paragrafen 3.1 - 3.3 en hoofdstuk 4.
3.4.2 Kader
Tijdens het opstellen van de eerste archeologische verwachtings- en beleidskaart uit 2004 omvatte de historische binnenstad de historische stadskern (AMK- terrein met monumentnr. 12071), het kasteel IJsselstein ((AMK 1224 en beschermd Rijksmonument 46201) en het klooster Onze-Lieve-Vrouweberg (AMK 1223 en beschermd Rijksmonument 46200), met in de diepere ondergrond kom- en oeverafzettingen. De (mislukte) middeleeuwse stadsuitbreiding Nieuwepoort is toen buiten beschouwing gebleven en tot het buitengebied gerekend. Ook bij de actualisatie van 2011 heeft men deze begrenzing van de historische binnenstad gehanteerd. Bij de inventarisatie van de nieuwe archeologische gegevens nemen we Nieuwpoort wel mee, om te onderzoeken of de kenmerken ervan aanleiding geven om het gebied alsnog aan de historische binnenstad toe te voegen.
De vroegste vondsten die tot 2011 in de binnenstad zijn aangetroffen, dateren uit de Romeinse tijd en zijn afkomstig uit de top van de kom- en oeverafzettingen. Bijbehorende bewoningssporen zijn echter niet bekend. Uit naamkundige gegevens is duidelijk dat in ieder geval vanaf de vroege middeleeuwen sprake is van bewoning bij Eiteren (gelegen direct ten noordwesten van de binnenstad).
De historische stadskern van IJsselstein stamt uit de late middeleeuwen en Nieuwe tijd. Aan de basis van het ontstaan ervan liggen de heren Van Amstel die in de 13e eeuw de omgeving van IJsselstein als leen in bezit hebben. In een document uit 1279 wordt het Stein (stenen bouwwerk of kasteel) voor het eerst genoemd. Dat is het jaar waarin Gijsbrecht van Amstel tot Gijsbrecht van IJsselstein benoemd wordt: heer van IJsselstein. Kasteelheer Gijsbrecht van Amstel stimuleerde omstreeks 1300 de groei van de nederzetting die mogelijk snel na de bouw van het kasteel was ontstaan. In die tijd was de nederzetting omgeven door een gracht en mogelijk ook een omwalling met palissade. Omstreeks 1344 werd het stadsgebied in zuidoostelijke richting uitgebreid met de Nieuwpoort. Deze uitbreiding was niet heel succesvol omdat het grotendeels onbebouwd is gebleven. Eind 14e eeuw liet Arnold van Egmond de stad versterken met een ommuring voorzien van torens en poorten. Vermoedelijk is Nieuwpoort vanwege de spaarzame bewoning maar deels ommuurd geweest. In 1394 stichtte hij op de Nieuwpoort een Cisterciënzer monnikenklooster, genaamd Onze-Lieve-Vrouweberg. Omdat was gebleken dat de eerdere uitbreiding van de stad te groot was geweest, werd omstreeks 1470 de stadsgrens naar binnen aangepast waarbij de huidige stadsgracht is verbreed. In 1495 werd vervolgens het klooster, dat door de aanpassingen buiten de stad was komen te liggen, verplaatst naar de westkant van de Kloosterstraat in de binnenstad. Het oude klooster werd afgebroken.
48Dijkstra e.a., 2004. Van Rooij & De Boer, 2011.
Hoewel IJsselstein door de aanwezigheid van verdedigingswerken, een kerk, een klooster en een gasthuis een stedelijk karakter bezat, blijkt uit de oudste historische kaarten van Jacob van Deventer (uit 1575) en Blau (uit ca. 1650) dat nog veel percelen binnen de stadsmuren in de 15e en 16e eeuw een agrarische functie hadden. Daarmee past IJsselstein in het algemene beeld wat van historische steden in Nederland bestaat. Uit historische bronnen is al langere tijd bekend dat kleinschalige landbouw veel voorkwam in middeleeuwse- en vroeg-moderne steden. Een studie van 1380 archeologische rapporten van opgravingen in Nederland uit de periode 1997 tot en met 2017 toont aan dat de stadslandbouw ook in het archeologisch bodemarchief zijn sporen heeft nagelaten. Zo zijn in verschillende historische steden resten van boerderijen, afgedekte akkers, bodemverbeteringssporen, mestkuilen, paarden- en veestallen en dierenkooien vastgesteld. Uit deze archeologische resten kan worden afgeleid dat verschillende vormen van stedelijke landbouw (veeteelt, akkerbouw en tuinbouw) hebben bijgedragen aan een zekere mate van zelfredzaamheid voor veel stadsbewoners.
49Fischer e.a., 2021.
IJsselstein werd regelmatig door branden en plunderingen geteisterd waardoor gebouwen werden verwoest of afgebroken en opnieuw opgebouwd. Hierdoor zijn in IJsselstein, net als in de meeste andere oude Nederlandse steden, ophogingspakketten op de natuurlijke afzettingen ontstaan. Enkele waarnemingen geven de indruk dat de basis van het ophogingspakket ter plaatse van de oeverafzettingen op ca. 1,0 m + NAP ligt (ca. 1,8 m -mv) en ter plaatse van de komafzettingen rond 0,3 m +NAP (ca. 1,7 m- mv).
50Dijkstra e.a., 2004.
3.4.3 Archeologische gegevens
Sinds 2011 zijn in het onderzoeksgebied 32 onderzoeken aangemeld in Archis.
51Zie kaartbijlage 1 en bijlage 4 (catalogus met onderzoeken).
Het gaat met name om bureauonderzoeken, verkennende booronderzoeken en opgravingen in de variant archeologische begeleiding. Hieronder worden de resultaten van deze onderzoeken kort besproken. Voor de ligging en omschrijving van de hierbij genoemde vindplaatsen, AMK-terreinen en onderzoeken wordt verwezen naar de bijlagen 1 tot en met 4 en kaartbijlage 5.
Binnen de historische stadskern (AMK 12071) zijn verschillende waarnemingen gedaan. Het merendeel van de onderzoeken van na 2011 zijn in het zuidwestelijke kwart van de stadskern gelokaliseerd. Op basis van twee booronderzoeken (onderzoekscatalogusnrs. 83 en 115), zes archeologische begeleidingen (onderzoekscatalogusnrs. 97, 112, 128, 155, 180 en 195) en een proefsleuvenonderzoek (onderzoekscatalogusnr. 193) kan de bodemopbouw hier als volgt worden gereconstrueerd: de top bestaat uit het ophogingspakket uit de late middeleeuwen en Nieuwe tijd. De dikte van dit pakket varieert, maar kan wel zo’n 1,5 m dik zijn en tot 1,8 m onder het maaiveld (2,7 m -NAP) reiken.
52De Boer 2019.
Hieronder bevinden zich doorgaans kleiige en venige komafzettingen die op 3,5 tot 4,5 m – mv over gaan in oeverafzettingen van de Wiersch stroomgordel. Soms bevinden zich tussen het ophogingspakket en de komafzettingen een enkele decimeters dikke laag oeverafzettingen van waarschijnlijk de Hollandse IJssel.
53Van Rooi, 2011; Beckers, 2013; Jezeer, 2014.
De gravende onderzoeken beperkten zich voornamelijk tot het ophogingspakket. In enkele smalle sleuven en een kleine bouwput zijn muurresten van waarschijnlijk 19e eeuwse gebouwen en de fundering van een brandspuithuisje uit de eind 19e, begin 20e eeuws gevonden. Het brandspuithuisje bleek gefundeerd op – en opgebouwd is uit bakstenen van – de voormalige hoektoren van de stadsmuur.
54Pijpelink & Jaspers, 2014; Van Engeldorp Gastelaars, 2023.
In proefsleuven langs de Molenstraat zijn (delen van) twee ronde torenfunderingen uit de 14e/15e eeuw en een deel van de stadsmuur teruggevonden (op 0,66 en 0,19 m +NAP).
55Van Engeldorp Gastelaars 2020.
Op ongeveer dezelfde locatie zijn bij een begeleiding funderingen van verschillende huizen uit de 16e - 20e eeuw en een rosmolen van een grutterij uit de eerste helft van de 19e eeuw aangetroffen.
56Van Engeldorp Gastelaars, 2023.
Ter plaatse van het Koningshof zijn in de natte en slappe veen- en kleiafzettingen (0,7 tot 1,2 m -mv) de oudste sporen gevonden: 13e en 14e eeuwse percelering in de vorm van vlechtwerkwanden en een sloot met bijbehorende aardewerk- en metaalvondsten. Dit duidt erop dat het gebied toen al wel in gebruik was, waarschijnlijk als weiland en erf. Vanaf waarschijnlijk het midden van de 14e eeuw wordt het gebied (net als de rest van historisch IJsselstein) beter geschikt gemaakt voor bewoning door een ophogingspakket aan te brengen. Uit deze periode tot in de 17e eeuw zijn enkele restanten van muurfunderingen gevonden. Daarnaast zijn in totaal veertien beerputten uit de 17e tot 19e eeuw gevonden, waarvan tien vondsten van huisraad bevatten die als afval zijn weggegooid.
57Jezeer, 2014; Van Engeldorp Gastelaars, 2023.
Tijdens begeleidingen langs de Walkade zijn 23 begravingen en resten van een muur aangetroffen. De begravingen maken deel uit van het kerkhof van de Rooms‐Katholieke (schuil)kerk aan de Havenstraat dat teruggaat tot 1635. Het kerkhof dateert evenwel pas uit de periode 1822‐1829.
58Jacobs 2018.
Bij de meeste in het zuidwestelijke kwart gelegen onderzoeken is sprake van een beperkte onderzoeksdiepte waardoor het merendeel van de archeologische resten in situ bewaard is gebleven (kaartbijlage 8).
In het noordoosten zijn aan de Walkade een verkennend booronderzoek (onderzoekscatalogusnr. 161) en een archeologische begeleiding (onderzoekscatalogusnr. 164) uitgevoerd. Binnen 3,0 m ‐mv bestaat de bodemopbouw uit antropogene lagen (grachtvullingen, omgewerkte en laatmiddeleeuwse stadsophogingspakketten), natuurlijke afzettingen zullen dieper dan 3,0 m liggen.
59Hanemaaijer, 2016.
Bij het uitgraven van de bouwput zijn binnen 1,5 m -mv een gedeelte van de stadsmuur, afgebroken muurrestanten en twee bakstenen poeren aangetroffen. De restanten zijn gelegen tussen 0,78 en 0,52 m +NAP. De verwachte stadsgracht ligt waarschijnlijk dieper dan de ontgravingsdiepte en is niet in beeld gekomen.
60Pels‐Ouweneel, 2019.
Een booronderzoek in het westen (onderzoekscatalogusnr.: 102) laat zien dat hier het bovenste deel van de bodem bestaat uit laatmiddeleeuwse en Nieuwetijdse ophogingslagen (met o.a. houtskool, fragmenten puin, aardewerk, leisteen en glas) die rond 1,5 m ‐mv overgaan in komklei.
61Huizer, 2013.
De hierop volgende archeologische begeleiding (onderzoekscatalogusnr.: 171) betrof werkzaamheden die niet dieper gingen dan 0,3 m en leverde daardoor geen nieuwe informatie op.
62Weerheijm en Van Heeringen, 2018.
Centraal in de historische kern is bij de archeologische begeleiding van de herinrichting van Vingerhoekhof (aanleg nieuwe riolering en afvalcontainers) een voormalig achtererf middels enkele zeer smalle sleuven onderzocht (onderzoekscatalogusnr.: 196). De bodem ter plaatse bestaat uit historische ophogingslagen met vanaf 1,3 m -mv kleiige en venige komafzettingen. Aangetroffen is een kuil (uitbraaksleuf?) uit de 16e‐17e eeuw. Eerdere bouw‐ en sloopwerkzaamheden (eind 20e eeuw) hebben er waarschijnlijk voor gezorgd dat ondiepe sporen niet meer aanwezig zijn. Diepere sporen (beer‐ en waterputten, afval‐/mestkuilen en diepe paalkuilen kunnen in de omgeving nog wel verwacht worden.
63Van Engeldorp‐Gastelaars, 2022. In de nabijheid staan nog twee onderzoeken in Archis geregistreerd (Onderzoekscatalogusnr.: 204 & 209) die nog niet zijn gerapporteerd of niet zijn uitgevoerd.
Ter hoogte van het kasteelterrein en omgeving zijn enkele inventariserende onderzoeken uitgevoerd. Op het kasteelterrein zelf, dat een beschermde status heeft, gaat het om een verkennend booronderzoek (onderzoekscatalogusnr. 152) en een archeologische begeleiding van de herinrichting van het kasteelpark (onderzoekscatalogusnr. 170). Tijdens het booronderzoek zijn -niet geheel onverwachts- resten van funderingen van het kasteel en ondoordringbare puinresten vastgesteld.
64Verschoof-Van der Vaart 2016.
De archeologische begeleiding heeft een goed beeld van de bodem en de aanwezige archeologische resten opgeleverd. De natuurlijke bodemopbouw ter hoogte van het kasteel bestaat uit oeverafzettingen waarvan de top rond 1,6 m NAP ligt. Hierop is een 1,2 m dik ophogingspakket aanwezig dat vanaf de 12 eeuw is ontstaan. Binnen het pakket zijn onderin een brandlaag uit de 12e‐13e eeuw) en rond 0,7 m -mv een bodem/laklaag (uit 13e/ begin14e eeuw) aangetroffen op 2,1 m NAP. De oudste sporen zijn ongeveer vanuit het midden van het ophogingspakket ingegraven (waterput en uitbraaksporen). Centraal in het onderzoeksgebied gebied zijn bewoningssporen aangetroffen (waterput, afvalkuilen, paalspoor en uitbraaksporen) uit de oudste fase van het kasteel IJsselstein (vlak voor de verwoesting in 1417). Daarnaast zijn funderingsresten en twee waterputten aangetroffen die samenhangen met de herbouw uit ca. 1477 (Gevangenentoren, poortgebouw en woonvertrekken), de kasteelommuring uit ca. 1478 en latere ommuringen (tussen de Gevangenentoren en de Loyertoren:15e eeuw tot 1765 en tussen de Kleine toren en de Gevangenentoren: 19e eeuw?), alsmede van latere dichtzettingen (bij het poortgebouw). Met betrekking tot de archeologische kwaliteit van het kasteelterrein is vastgesteld dat met name centraal sprake is van een min of meer intact spoorniveau uit de kasteelfase van vóór de verwoesting in 1417. Van de herbouwfase zijn ondank een grondige uitbraak van de funderingen toch relatief veel funderingsresten overgebleven. Met name in het zuidoosten lijken de fundering van het poortgebouw met woonvertrekken relatief goed bewaard gebleven. De waterputten zijn vrijwel intact en zeker de dieper vullingen daarvan.
65Jordanov 2020.
In het gebied ten noorden van het kasteelterrein staan in Archis een verkennend booronderzoek (onderzoekscatalogusnr. 174) en een archeologische begeleiding van de sloop van een schoolgebouw (onderzoekscatalogusnr. 192) geregistreerd. Uit het booronderzoek blijkt dat onder de recent geroerde bovengrond (dikte ca. 0,5 m) een antropogeen ophogingspakket ligt dat stamt uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd. De basis van dit pakket ligt tussen 0,95 en 1,8 m -mv, eronder bevinden zich oeverafzettingen van de stroomgordel van Buitenzorg. In het historische ophogingspakket en de top van de oeverafzettingen kunnen archeologische resten aanwezig zijn die samenhangen met de historische kern van IJsselstein, kasteel IJsselstein, de nabijgelegen Touwslagerij ‘De Drie Vrienden’ en de Hofkamp (moestuinen). In de top van de oeverafzettingen zijn daarnaast resten uit het neolithicum tot de vroege middeleeuwen te verwachten.
66Nales, 2018.
De archeologische begeleiding van de sloop van de in het plangebied aanwezige gebouwen heeft aangetoond dat ter plaatse van de Fatimaschool de bodem over grote delen tot in de oeverafzettingen was verstoord waardoor geen intacte archeologische resten meer te verwachten zijn. Elders in het plangebied kunnen deze nog wel aanwezig zijn, bijvoorbeeld de oude kasteelgracht in het zuiden van het plangebied.
67De Hoop & Scheeringa, 2022.
Bij een archeologische begeleiding direct te noordwesten van het kasteelterrein zijn de kasteelgracht en enkele paalsporen en puinconcetraties uit de Nieuwe tijd aangetroffen (onderzoekscatalogusnr. 212). De archeologische niveaus bleken hier nog goed bewaard gebleven.
Bij de inventarisatie zijn ook enkele onderzoeken in de Nieuwpoort meegenomen. In dit deel van de stad zijn vanaf 2012 een bureauonderzoek (onderzoekscatalogusnr. 154)
68Ten Broeke 2016a.
, twee verkennende booronderzoeken (onderzoekscatalogusnr. 96 en 163),
69Hanemaaijer 2013,Ten Broeke 2016b. Een derde in Archis geregistreerd booronderzoek betreft onderzoekscatalogusnr. 207. Waarschijnlijk is dit onderzoek (nog) niet uitgevoerd omdat eerste bevindingen en eindrapport ontbreken.
en een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (onderzoekscatalogusnr. 121).
70Van der Mark 2014.
Het verkennende onderzoek in het zuiden van Nieuwpoort geeft aan dat de bodem hier in (sub) recente tijden tot 0,7-1,0 m -mv sterk is geroerd. Daaronder bevinden zich oeverafzettingen van de stroomgordel van Wiersch, vanaf 1,6 m -mv komafzettingen met veenlagen en vanaf ca. 3,3 m -mv oeverafzettingen van de Benschop stroomgordel. Het boor- en proefsleuvenonderzoek in het noordoosten laat zien dat de oeverafzettingen van Wiersch hier vanaf 0,7 m – mv voorkomen en worden afgedekt door een ophogingspakket dat waarschijnlijk samenhangt met de nieuwbouw in de jaren ’50 en ’60. De bovenste 0,5 – 1,0 m van de oeverafzettingen waren zwaar verstoord. Bij geen van de onderzoeken in Nieuwstad zijn resten van historische ophogingslagen aangetroffen. Ook andere archeologische indicatoren ontbreken.
Uit onderzoek (onderzoekscatalogusnrs. 106 en 114) op het voormalige kloosterterrein in het noordelijk deel van Nieuwpoort zijn de historische ophogingslagen nog redelijk tot goed intact aangetroffen. De bovenzijde van deze archeologische laag ligt rond 0,5 m ‐mv.
71Huizer 2013; Bouma 2013.
3.4.4 Historisch centrum
Tijdens het bureauonderzoek dat als basis diende voor de eerste archeologische verwachtingenkaart van de historische kern van IJsselstein (uit 2004), is vastgesteld dat hier de kans om archeologische resten aan te treffen in principe groot is. Op basis van de bekende archeologische gegevens en de verwachte archeologische waarden is op de verwachtingskaart wel een nuancering aangebracht tussen zones met een lage en een hoge archeologische verwachting.
Het grootste gedeelte van het onderzoeksgebied is aangegeven als gebied met een hoge archeologische verwachting. In dit gebied kunnen sporen uit verschillende perioden worden aangetroffen. Hierin kan een tweedeling worden gemaakt: de pre-stedelijke bewoning en de stedelijke bewoning (inclusief het kasteel en het klooster). De pre-stedelijke bewoning (vermoedelijk agrarische nederzettingen) kan op dieper gelegen oevers worden verwacht (kaartbijlage 6). Omdat deze natuurlijke afzettingen relatief diep liggen (vanaf ca 1,8 m -mv) is de kans aanwezig dat archeologische resten op dit niveau in grote delen nog goed zijn geconserveerd. Uit de stedelijke bewoningsfase kunnen daar waar in het recente verleden geen bodemverstorende activiteiten hebben plaatsgevonden overal bewoningsresten worden aangetroffen, daterend vanaf het eind van de 13e eeuw (kaartbijlage 9). Bewoningsresten kunnen direct onder het maaiveld tot een diepte van grofweg 1,8 m aanwezig zijn. Het gaat dan om kasteel, kerk- en kloostergebouwen, begravingen rondom de N.H. Nicolaaskerk, woonhuizen, ambachtshuizen, moestuinen en dergelijke. Bij de huizen hebben bijgebouwen, waterputten, beerputten, perceelsgreppels en afvalkuilen gelegen.
De gebieden met een lage archeologische verwachting betreffen allereerst gebieden waar recent nieuwbouw is gepleegd. Deze nieuwbouw is gedeeltelijk dieper gefundeerd (na 1950 door middel van heipalen) waardoor het bodemarchief ter plaatse (vrijwel) is verstoord. Ten tweede hebben de delen van de stads- en kasteelgracht die in de 19e eeuw zijn gedempt een lage verwachting omdat hier alleen stadsafval uit de (late) 19e eeuw worden aangetroffen. Als laatste hebben oude opgravingsputten een lage verwachting op de kaart meegekregen omdat op deze plaatsen het bodemarchief tot op de natuurlijke ondergrond al is verdwenen.
Tijdens het bureauonderzoek in het kader van de actualisatie 2011 van het archeologiebeleid, is de verwachtingswaarde van de wegen binnen de stadskern waar riolering onder de weg aanwezig is, naar ‘laag’ bijgesteld omdat tussen 2004 en 2011 archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat bij de aanleg van de riolering de meeste archeologische resten verloren zijn gegaan.
De onderzoeken van na 2011 bevestigen het beeld dat uit eerdere onderzoeken van de bodemopbouw bestaat. In de hele historische binnenstad (historische kern, kloosterterrein en kasteelterrein) is sprake van een ophogingspakket uit de late middeleeuwen en Nieuwe tijd. De dikte ervan varieert, maar kan wel zo’n 1,8 m bedragen. Hieronder bevinden zich in het westen oeverafzettingen van de stroomgordel van Buitenzorg en in het oosten oeverafzettingen van de Wiersch stroomgordel. Tussen en onder beide stroomgordels zijn komafzettingen vastgesteld. In het westen gaan de komafzettingen tussen 3,5 tot 4,5 m – mv over in oeverafzettingen van de stroomgordel van Benschop (zie kaartbijlage 6). Soms bevinden zich tussen het ophogingspakket en de centrale komafzettingen een enkele decimeters dikke laag oeverafzettingen van waarschijnlijk de Hollandse IJssel.
De onderzoeken van na 2011 bevestigen ook de hoge archeologische waarde van de historische binnenstad. Bij het merendeel van het hier uitgevoerde gravende onderzoek zijn sporen en vondsten aangetroffen die samenhangen met de bewoning uit de late middeleeuwen en Nieuwe tijd. Op basis van de resultaten van drie onderzoeken kan de archeologische verwachting van betreffende onderzoeksgebieden van hoog naar laag worden bijgesteld (zie kaartbijlage 8). Het gaat om het gebied van onderzoekscatalogusnr. 121 waar diepe verstoringen tot ver in de natuurlijke afzettingen zijn vastgesteld, de locatie van de voormalige Fatimaschool die door de aanleg ervan eveneens diepe bodemverstoringen kent (onderzoekscatalogusnr. 192), en een deel van het onderzoeksgebied Koningshof dat tot in de natuurlijke afzettingen is onderzocht (onderzoekscatalogusnr. 180). De resultaten van de andere onderzoeken geven geen aanleiding om de verwachtingswaarde ook elders in de historische binnenstad aan te passen.
De onderzoeken van na 2011 maken het als laatste niet noodzakelijk om het gebied van Nieuwstad aan het historische centrum toe te voegen. Geen van de onderzoeken heeft voor deze mislukte stadsuitbreiding aanwijzingen voor een historisch ophogingspakket of andere aanwijzingen voor stedelijke bebouwing opgeleverd.
3.5 Modern oorlogserfgoed
3.5.1 Inleiding
De laatste decennia is steeds meer aandacht gekomen voor archeologische resten van modern oorlogserfgoed. Hiermee wordt vooral dat erfgoed dat aan oorlog of de voorkoming daarvan of voorbereiding op kan worden gekoppeld. Met name wordt hier met modern de periode tussen 1870 en 1991 bedoeld. Dit is de periode die aanvangt met nieuwe fortenbouw en een verandering in het verdedigend concept van Nederland. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Nieuwe Hollandsche Waterlinie. Tevens is dit de periode van de toenemende industrialisatie, wat zijn effecten heeft op bewapening, munitie en vervolgens wijze van oorlogsvoeren. En tenslotte is het de eerste van een reeks van algemene mobilisaties van het Nederlandse leger. De eerste vanwege de Frans-Duitse oorlog.
De periode eindigt in 1991 met het eindigen van de Koude Oorlog na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, de belangrijkste macht binnen het Warschaupact oftewel het Oostblok. Sinds 1949 was er een constante dreiging, vanwege een veronderstelde aanval van dat Oostblok op de vrije Westerse wereld, dat zich had samengebundeld binnen de NAVO. De dreiging heeft geleid tot voorbereidingen op een strijd, die gelukkig niet gekomen is.
Anders was dat voor de twee mobilisaties na de eerste. Tijdens de Eerste Wereldoorlog is de Nederlandse krijgsmacht vier jaar lang gemobiliseerd geweest. Er zijn voorbereidingen geweest tegen een eventuele inval van elk der strijdende partijen. Niet alleen is door de wereldoorlog de internationale handel en voedselvoorziening ernstig in de war gelopen, de langdurige afwezigheid van jonge gemobiliseerde en economisch van vitaal belang zijnde mannen, is ook een ernstige inbreuk geweest op de welvaart.
De mobilisatie en voorbereiding in augustus 1939 zou wel leiden tot strijd in mei 1940. Vervolgens is Nederland nadat het bezet werd door de Duitsers oorlogsterrein geweest. Niet dat er constant op het land gevochten werd, dat was wel het geval in de lucht boven ons en in de territoriale wateren. In de periode ná mei 1940 tot aan vijf jaar later zouden met name de Duitsers, al dan niet bijgestaan door Nederlandse ondernemers en werklui zich voorbereiden om de macht in handen te houden.
Alle bovengenoemde perioden hebben geleid tot bijvoorbeeld bouwwerken, stellingen, inundatievoorbereidingen, opslagplaatsen, kazernes en oefenterreinen. De strijd heeft daarnaast ook zijn sporen achter gelaten. Al heel lang is er aandacht voor gebouwde monumenten. Maar dat daaraan of soms zelfs geheel los daarvan ook sporen in de bodem al dan niet voorzien van vondsten, gekoppeld kunnen worden, is pas recent erkend. Op basis van enkele wetenschappelijke studies is het belang van behoud en beheer van dergelijke sporen en vondsten, om ze te kunnen veiligstellen voor (toekomstig) onderzoek, expliciet gemaakt.
72Bosman e.a. 2014; Bosman & Willemsen 2019.
Het bureauonderzoek waarin het modern oologserfgoed in de gemeente IJsselstein is geïnventariseerd, is als bijlage 6 achter in het rapport opgenomen.
3.5.2 Kaartlaag Relicten modern oorlogserfgoed
Op basis van de in bijlage 6 beschreven historische feiten en locaties is de kaartlaag “Relicten modern oorlogserfgoed” voor het gemeentelijk archeologisch beleid van IJsselstein opgesteld (kaartbijlage 10). Er is geen laag voor de periode 1870-1914, noch voor die van 1914-1918 of de Koude Oorlog. Alle aangegeven locaties hebben betrekking op de periode 1939-1945. Voor de verschillende elementen geldt de volgende verwachting op de aanwezigheid van archeologische sporen en vondsten.
Element
Te verwachten resten
Opmerkingen
1Aarden wal
Niet of nauwelijks
Op AHN niet te zien
2Inundatiegebied 1944-1945
Niet of nauwelijks
3Anti- tankgracht
Gracht met vondsten
4Luchtafweerstelling 8,8 cm
Ingegraven stellingen met vondsten
5Crashlocatie
Vliegtuigresten
7-8 Zones met bominslagen mogelijke versterkingen bij bruggen
Bomkraters met resten en ingegraven stellingen met vondsten
Buiten gemeentegrens
4 De Archeologische verwachtingskaart
4.2 Archeologische verwachtingen
4.2.1 Laat-pleistocene landschap
Het pleistocene oppervlak in de ondergrond bestaat in het noordelijk deel van de gemeente IJsselstein uit dekzanden die als een dunne laag uitwiggen op de onderliggende pleistocene rivierafzettingen. De bovenzijde van de pleistocene afzettingen bevindt zich tussen 4 en 8 m -NAP, de afzettingen liggen het hoogst in het noordelijk deel van de gemeente en hellen geleidelijk af in zuid(westelijk)e richting.
Op basis van de hoogteligging van het pleistocene oppervlak en de grondwatercurves voor West-/Midden-Nederland kan een globale indruk worden verkregen van het 'tijdstip' (periode) waarop het laat-pleistocene landschap als gevolg van de zeespiegelstijging vernatte en overgroeide raakte met veen.
76Berendsen et al. 20007, Van de Plassche et al. 2005, Van de Plassche et al. 2010.
Logischerwijs begon de verdrinking in de laagste delen en schoof deze in de loop van de tijd op naar de hoger gelegen delen van het (dek)zandlandschap. Aangenomen kan worden dat de verdronken gebiedsdelen ongeschikt (want te nat) waren voor bewoning. Uitgaande van de hoogteligging van de pleistocene ondergrond (4 tot 8 m -NAP), is het pleistocene landschap globaal tussen 7000 en 5000 jaar geleden verdronken en overgroeid geraakt met veen. Dit betekent dat de laagste delen van het (dekzand)landschap aan het einde van het mesolithicum ongeschikt raakten voor bewoning. De hoogste delen waren mogelijk nog bewoonbaar tot in de loop van het neolithicum.
De archeologische verwachting voor vindplaatsen van jager-verzamelaars wordt bepaald door de morfologie (en intactheid) van het laat pleistocene (dek)zandlandschap. Met name ecologische gradiëntzones (overgangen van nat naar droog, zoals bijvoorbeeld dekzandruggen grenzend aan depressies of langs de randen van beekdalen) hebben een hoge correlatie met de ligging van vindplaatsen van jager-verzamelaars. In dergelijke zones kunnen in principe zowel nederzettingsterreinen met een dichte strooiing van vuursteenmateriaal, als kleine jachtkampementjes met een ijle vondststrooiing aanwezig zijn. Bij dergelijke vindplaatsen wordt voornamelijk strooiing van houtskool, (bewerkt) vuursteen en (ander) natuursteen verwacht. De resten bevinden zich in de top van het (ongestoorde) natuurlijke dekzand.
De beschikbare geologische gegevens (boringen) zijn te gering om een voldoende betrouwbaar beeld van (de intactheid, opbouw en het reliëf van) de pleistocene ondergrond te krijgen (vgl. paragraaf 3.2.2). Desondanks is het zeker dat (delen van) het afgedekte dekzandlandschap bewoond zijn geweest door jager-verzamelaars. Verschillende geologische boringen laten zien dat het dekzand ter hoogte van de komgebieden (en de “zwevende” oevers en crevassen; zie paragraaf 3.2.2) is afgedekt door een dunne laag basisveen, wat impliceert dat het onderliggende pleistocene landschap hier vermoedelijk nog grotendeels intact is (paragraaf 3.2.2; Figuur 3-3). Voor deze gebieden geldt (afhankelijk van de specifieke ligging binnen het paleoreliëf van het dekzandlandschap) een lage tot hoge archeologische verwachting. Omdat het verloop van het reliëf slechts globaal bekend is, gaan we voor deze zones in kaartbijlage 2 uit van een middelhoge archeologische verwachting voor vindplaatsen van jager-verzamelaars.
Ter hoogte van de holocene stroomgordels (Figuur 4-1) is het laat-pleistocene landschap, ten gevolge van erosie, zeer waarschijnlijk niet meer intact (Figuur 3-3). Voor deze zones wort uitgegaan van een lage archeologische verwachting.
Figuur 4-1 Globale verwachtingskaart jager-verzamelaars: gemodelleerde hoogteligging en intactheid van het Laat-pleistocene landschap.
Los van (het probleem ten aanzien van) de specifieke archeologische verwachting, geldt in algemene zin dat de (met een meters dik pakket veen en klei) afgedekte vindplaatsen van jager-verzamelaars relatief lastig zijn op te sporen. Behalve de relatief grote diepteligging zijn ook de vindplaatskenmerken – het ontbreken van een cultuur-/vondstlaag, de geringe omvang en de veelal lage vondstdichtheid – hier debet aan. Tegenover deze beperkingen staat dat het dieper gelegen niveau zelden door (omvangrijke) bodemingrepen wordt bedreigd (funderingspalen uitgezonderd). De kans dat eventueel aanwezige archeologische resten van jager-verzamelaars worden aangetast is dan ook beperkter dan bij vindplaatsen uit recentere perioden die zich ondiep onder het maaiveld bevinden. Om deze reden is onderscheid gemaakt tussen relatief ondiep (binnen circa 5 m -mv) en diep gelegen dekzandlandschap (Figuur 4-1 en kaartbijlage 2). Dit onderscheid impliceert geen principieel verschil in archeologische verwachting. Wel is het een (grove) indicatie voor de kans dat het onderliggende pleistocene landschap wordt aangetast bij bodemingrepen (uiteraard hangt dit vooral af van de specifieke ingreep) en is deze (diepte)maat ingegeven door praktische onderzoeksmogelijkheden/-beperkingen.
4.2.2 Rivierenlandschap
Het rivierenlandschap in de gemeente IJsselstein omvat de meandergordels, crevassen en komgebieden van de rivieren die gedurende het Holoceen op het grondgebied van de gemeente IJsselstein stroomden. Feitelijk gaat het om een stapeling van verschillende landschappen die door de tijd heen (kleine) veranderingen hebben ondergaan. In het onbedijkte rivierenlandschap vormden de hoger gelegen meandergordels preferente bewoningslocaties. De top van het boven de beddingafzettingen gelegen oeverpakket vormde, samen met aangrenzende oeverzones en crevassen, veelal een oud stabiel bodemniveau en daarmee een archeologisch niveau. Bij de op dit niveau te verwachten vindplaatsen kan het gaan om resten van relatief grote nederzettingsterreinen. De (omvangrijkere) vindplaatsen kenmerken zich doorgaans door een archeologische (cultuur)laag met een lage tot hoge vondstdichtheid (houtskool, bot, aardewerk, natuursteen en – afhankelijk van de bewoningsperiode – ook baksteen, metaal of glas).
77Nederzettingen uit de Romeinse tijd en middeleeuwen kenmerken zich doorgaans vaker door een duidelijk herkenbare archeologische (cultuur)laag, dan terreinen uit de bronstijd of ijzertijd.
De archeologische niveaus kunnen al dicht onder het maaiveld aanwezig zijn, maar kunnen zich ook op een diepte van enkele meters bevinden. Verder kunnen vindplaatsen/ bewoningsniveaus aanwezig zijn die zich niet manifesteren door een herkenbare archeologische laag. Tot slot kunnen ook sporen van landgebruik, begravingen en losse sporen aanwezig zijn. Zowel dergelijke losse sporen, als vindplaatsen zonder archeologische laag, zijn met een (prospectief) booronderzoek vrijwel niet of nauwelijks op te sporen.
Het grondgebied van de gemeente IJsselstein wordt doorsneden door een complex van stroomgordels die opeenvolgend gedurende een periode van 7500 jaar actief waren. In die zin is ook met recht sprake van gestapelde landschappen (zie paragraaf 3.1.2). Op basis van de (vermeende) diepteligging van de bovenzijde van de (oever- en) beddingafzettingen en de ouderdom (einddatering) van de stroomgordels zijn de stroomgordels onderverdeeld in vier archeo-landschappen. De indeling is bovendien zo gekozen dat deze grotendeels samenvalt met het onderscheid in archeologische 'samenlevingen' (jager-verzamelaars, vroege landbouwers, late landbouwers en staatssamenlevingen):
-Het oudste rivierenlandschap;
-Het oude rivierenlandschap;
-Het jonge rivierenlandschap;
-De actieve meandergordel van de Lek (uiterwaarden)het .
Binnen elk archeo-landschap is onderscheid gemaakt tussen de (op dat moment) actieve stroomgordels, de verlande stroomgordels en de kommen. Voor de ondiepere stroomgordels (het oude, het jonge en het “actieve” rivierenlandschap) zijn tevens (delen van) restgeulen onderscheiden.
Oudste rivierenlandschap (laat mesolithicum - vroeg neolithicum)
Gedurende het laat mesolithicum en/of een deel van het vroeg neolithicum kwamen op het grondgebied van IJsselstein de eerste stroomgordels op gang. Deze maakten deel uit van het Benschopse stroomstelsel, met de volgende deelstroomgordels: Tienhoven, Kortenhoeven, Wiersch, Willeskop, Benschop, Autena en Kapel. Deze 'vroeg-neolithische' stroomgordels bepaalden de bewoningsmogelijkheden voor de bewoners die rond de overgang van de jager-verzamelaars naar de vroegste landbouwers leefden in dit deel van het rivierengebied. De zandige meandergordels vormden hogere en aantrekkelijke plekken voor bewoning en gebruik. Mogelijk dat (met name) de jongere stroomgordels uit deze groep ook gedurende de bronstijd nog aantrekkelijk waren voor bewoning. Na verlanding werden de stroomgordels overslibd met komklei van jongere rivierlopen en werden ze onderdeel van het komkleilandschap uit een volgende periode. Vermoedelijk vanaf de ijzertijd – maar mogelijk ook al gedurende een deel van de bronstijd – waren de vroeg-neolithische stroomgordels niet meer aantrekkelijk voor bewoning. De bovenzijde van de beddingafzettingen kan aangetroffen worden vanaf circa 2,0 m -NAP en dieper (ca. 2,5 m -mv en dieper).
Ten aanzien van die delen van het oudste rivierenlandschap die gedurende latere perioden niet zijn geërodeerd of verspoeld door jongere stroomgordels geldt:
-Een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode laat mesolithicum – (midden) neolithicum;
-Een middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de bronstijd;
-Een lage archeologische voor vindplaatsen uit latere perioden (ijzertijd-vroege middeleeuwen).
Figuur 4-2 Ouderdom en actieve fasen van de verschillende meandergordels in de gemeente IJsselstein.
Oude rivierenlandschap (midden/laat neolithicum en bronstijd)
Gedurende het midden/laat neolithicum en de bronstijd waren op het grondgebied van IJsselstein de Graafse en aansluitende Linschotense stroomstelsels actief. Deze stroomgordelcomplexen kennen de volgende deelstroomgordels: Buitenzorg, Lopik, Vuylkop, Neder-Oudland, Lage Dijk, Vechgel, Stuivenberg, Lampsin Over-Oudland, IJsselveld-Schuurenburg, Blok en Jutphaas. De zandige meandergordels van de rivieren vormden hogere en aantrekkelijke plekken voor bewoning en gebruik. Mogelijke vormden de zandbanen na verlanding ook nog aantrekkelijke locaties voor bewoning in de ijzertijd en de Romeinse tijd. Ook aangrenzende hoger gelegen oeverzones waren geschikt als woonlocatie en andere activiteiten. Het Linschotense systeem wordt behalve door een wirwar van stroomgordels gekenmerkt door veel smaller crevassen. De meest zijn op de gedetailleerde kaarten van Berendsen (1982) terug te vinden. Ze blijken ook in het AHN-beeld te herkennen aan een iets hogere ligging. Het kaartbeeld is op basis van AHN aangevuld met een enkele smalle crevasse.
De bovenzijde van de beddingafzettingen kan aangetroffen worden tussen circa 1,0 tot 0,0 m -NAP (ca. 1,5 – 0,5 m -mv). Ter hoogte van de meandergordels van het oude rivierenlandschap is het oudste rivierenlandschap weg geërodeerd.
Ten aanzien van die delen van het oude rivierenlandschap die gedurende latere perioden niet zijn geërodeerd of verspoeld door jongere stroomgordels en corresponderende oeverzones en crevassen geldt:
-Een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode (midden) neolithicum - bronstijd);
-Een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode ijzertijd-Romeinse tijd;
-Een middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de vroege middeleeuwen.
Figuur 4-3 Landschappelijke ontwikkeling met archeologische vindplaatsen voor vier archeologische perioden.
Jonge rivierenlandschap (ijzertijd - vroege middeleeuwen)
Bepalend voor het landschapsbeeld gedurende de ijzertijd, Romeinse tijd en vroege middeleeuwen (tot aan de bedijking) waren de activiteiten van de Hollandse IJssel en van de Lek. De zandige meandergordels vormden hogere en aantrekkelijke plekken voor bewoning en gebruik. De bovenzijde van de beddingafzettingen kunnen al worden aangetroffen binnen 1,0 m -mv. Opvallend is dat de Hollandse IJssel vrijwel geen oeverafzettingen buiten de meandergordel heeft afgezet. Op het AHN-beeld, maar ook uit de gedetailleerde paleogeografische kaarten van Berendsen (1982) is op te maken dat de zandbaan op de meeste plaatsen direct grenst aan zware komkleiafzettingen. Het lijkt er dan ook op dat de Hollandse IJssel zich in de actieve fase zich maar weinig verticaal heeft opgebouwd en dan enkele binnen de meandergordel. De grote hoogteverschillen met direct aangrenzende komgebieden zijn vermoedelijk het resultaat van latere differentiële klink. Slecht op één locatie (polder IJsselveld) is op basis van AHN-beeld en boringen uit het DINO-loket een oeverzone gekarteerd buiten de meandergordel van de Hollandse IJssel. Op de kaart van Berendsen is hier een dijkdoorbraakafzetting weergegeven, maar daarvoor zijn op historische kaarten, noch uit beschikbare boorprofielen aanwijzingen te vinden.
Ten aanzien van die delen van het jongste rivierenlandschap die gedurende latere perioden niet zijn geërodeerd of verspoeld door jongere stroomgordels geldt:
-Een lage verwachting voor vindplaatsen uit de periode laat mesolithicum – (midden) neolithicum;
-Een lage verwachting voor vindplaatsen uit de periode (midden) neolithicum - bronstijd);
-Een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode ijzertijd-Romeinse tijd;
-Een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de vroege middeleeuwen.
Grote delen van de meandergordel van de Hollandse IJssel zijn in de Nieuwe tijd afgeticheld voor de steenbakkerijen (zie verstoringen).
De actieve meandergordel van de Lek (uiterwaarden) (volle middeleeuwen - heden)
Na de afdamming van de Hollandse IJssel in 1285 (De Dam bij het Klaphek) waren er behalve de Lek geen stroomgordels meer actief binnen de gemeente IJsselstein. Samenhangend met de jaarlijkse overstromingen waren (en zijn) de uiterwaarden van de Lek na bedijking niet bewoonbaar. De bedijkte geul van de Lek heeft oudere afzettingen binnen de dijken volledig opgeruimd.
78Zie ook archeologische verwachtingskaart van de uiterwaarden: Cohen et al 2014.
Derhalve geldt voor de uiterwaarden:
-Een lage verwachting voor vindplaatsen uit de periode laat mesolithicum – (midden) neolithicum;
-Een lage verwachting voor vindplaatsen uit de periode (midden) neolithicum - bronstijd);
-Een lage verwachting voor vindplaatsen uit de periode ijzertijd-Romeinse tijd;
-Een lage verwachting voor vindplaatsen uit de middeleeuwen en Nieuwe tijd.
Komgebieden
Algemeen wordt aangenomen dat de komkleigebieden zich vanwege hun lage ligging en natte omgeving slecht leenden voor (prehistorische) bewoning. Op grond hiervan geldt voor deze landschappelijke eenheden een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen (nederzettingen) uit de periode neolithicum - middeleeuwen. Wel kunnen in komgebieden vondstcomplexen aanwezig zijn die juist specifiek zijn voor dergelijke natte gebieden (overblijfselen van transport of economische activiteiten, al dan niet rituele deposities e.d.). Dergelijke resten zijn met reguliere prospectiemethoden (booronderzoek) nauwelijks of moeilijk op te sporen. In de loop van de middeleeuwen zijn de komgebieden ontgonnen en in cultuur gebracht. Relicten (ontginningsassen en -linten) die hiermee samenhangen staan op kaartbijlage 3 (historisch-geografische waarden- en relictenkaart) weergegeven.
De bovenstaande uiteenzetting van archeologische verwachtingen is samengevat in Tabel 4.1 (zie ook kaartbijlage 2):
Algemeen wordt aangenomen dat de komkleigebieden zich vanwege hun lage ligging en natte omgeving slecht leenden voor (prehistorische) bewoning. Op grond hiervan geldt voor deze landschappelijke eenheden een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen (nederzettingen) uit de periode neolithicum - middeleeuwen. Wel kunnen in komgebieden vondstcomplexen aanwezig zijn die juist specifiek zijn voor dergelijke natte gebieden (overblijfselen van transport of economische activiteiten, al dan niet rituele deposities e.d.). Dergelijke resten zijn met reguliere prospectiemethoden (booronderzoek) nauwelijks of moeilijk op te sporen. In de loop van de middeleeuwen zijn de komgebieden ontgonnen en in cultuur gebracht. Relicten (ontginningsassen en -linten) die hiermee samenhangen staan op kaartbijlage 3 (historisch-geografische waarden- en relictenkaart) weergegeven.
Aan de basis van het pakket met veen- en komkleiafzettingen dient rekening te worden gehouden met een intact dekzandlandschap (zie paragraaf 4.2.1).
Zoals hierboven aangegeven vormde de top van de oeverafzettingen en crevassen veelal een oud stabiel bodemniveau waarop bewoning mogelijk was. Daarmee zijn deze niveaus in potentie de archeologische niveaus van de meandergordels. Op basis van de profielen bij de geomorfogenetische kaart blijkt dat dit niveau binnen 1 m boven de top van het beddingzand ligt.
79Berendsen 1982.
Op basis van de diepteligging van het beddingzand is in tabel 4.2 per rivierenlandschap de hoogste ligging van het archeologische niveau aangegeven.
Landschappelijke eenheid
Archeologische periode en verwachting
Laat mesolithicum-midden neolithicum
Laat neolithicum - bronstijd
IJzertijd-Romeinse tijd
(Vroege) middeleeuwen
Oudste rivierenlandschap (jager-verzamelaars/vroege landbouwers)
meandergordel
hoog
middelhoog
laag
laag
komgebied
laag
laag
laag
laag
Oude rivierenlandschap (vroege landbouwers)
meandergordel
laag
hoog
hoog
middelhoog
komgebied
laag
laag
laag
laag
oeverzone en crevasse
laag
hoog
hoog
middelhoog
Restgeul
laag
hoog*
hoog*
middelhoog*
Jonge rivierenlandschap (late landbouwers)
meandergordel
laag
laag
hoog
hoog
komgebied
laag
laag
laag
laag
oeverzone
laag
laag
hoog
hoog
Restgeul
laag
laag
hoog*
hoog*
De actieve meandergordel van de Lek (uiterwaarden) (staatssamenlevingen)
stroomgordel
laag
laag
laag
laag
restgeul (huidige loop)
laag
laag
laag
laag
Tabel 4.1 Overzicht van de gehanteerde archeologische verwachtingen per periode per landschappelijk eenheid (*: de verwachting voor restgeulen heeft betrekking op watergerelateerde archeologische resten).
Rivierenlandschap
Top beddingzand (m -mv/ NAP)
Top potentieel archeologisch niveau (m -mv/ NAP)
Oudste
2,0 m -NAP (2,5 m -mv) en dieper
1,0 m -NAP (1,5 m -mv) en dieper
Oude
tussen 1,0 en 0,0 m -NAP (1,5 – 0,5 m -mv)
0tot 0,5 m +NAP (0 – 0,5 m -mv)
Jonge
tussen +0,5 en -0,5 m NAP (0 – 1 m -mv)
0,5 m +NAP (0 m -mv)
Lek
-
n.v.t.
Tabel 4.2 Gereconstrueerd hoogste voorkomen van de het potentieel archeologische niveau per rivierenlandschap.
4.2.3 AMK-terreinen
Van de AMK-terreinen is de archeologische waarde in de regel vastgesteld. Het gaat om terreinen van archeologische waarde, hoge archeologische waard en zeer hoge archeologische waarde. De wettelijk beschermde terreinen (de twee in IJsselstein gelegen Rijksmonumenten) vallen in de categorie terreinen van zeer hoge archeologische waarde. De overige AMK-vindplaatsen zijn gerekend tot de terreinen van hoge archeologische waarde.
4.2.4 Historische kern en historisch-geografische relicten
Op basis van historisch kaartmateriaal staat vast dat historisch-archeologische resten in de bodem van de gemeente IJsselstein aanwezig zijn, namelijk ter plaatse van historische bebouwing en andere historisch-geografische elementen. Het gaat om:
-De historische gehuchten Klaphek, Looije Brug en Knollemanshoek;
-De versterkte huizen/boerderijen Stenen Kamer en Rijpickerwaard;
-Historische erven in bewoningslinten;
-Waterstaatkundige, religieuze en overige historisch-geografische elementen (kerk, kapel, molen, steenoven, galg, brug, dam en duiker)
-Historische bebouwing (buiten de bewoningslinten, gehuchten en historische kern) op de 18e eeuwse kaarten van Ketelaar (1769), Hattinga (1770) en de vroeg 19e eeuwse kadastrale minuutplans
-De locaties van gebouwde rijksmonumenten en MIP-objecten.
De historische kern en de historisch-geografische relicten zijn gerekend tot de terreinen van hoge archeologische waarde omdat de archeologische resten ervan, gecombineerd met historische bronnen, een hoge informatiewaarde hebben.
De begrenzing van de historische kern is uitgebreid behandeld in paragraaf 3.3.4. De versterkte huizen/boerderijen Stenen Kamer en Rijpickerwaard, en de historische erven in de bewoningslinten zijn zoveel mogelijk begrensd aan de hand van de percelering op de vroeg-19e eeuwse kadastrale minuutplannen.
Bij de waterstaatkundige, religieuze en overige historisch-geografische elementen, en de historische bebouwing (buiten de bewoningslinten, gehuchten en historische kern) kunnen in de bodem funderingen van de bebouwing worden verwacht maar ook resten van bijbehorende sporen (bijvoorbeeld graven ter plaatse van de kerken en kloosters, of bewoning bij een sluis). Omdat de locatie van de historisch-geografische elementen (door de soms beperkte nauwkeurigheid vroeg-19e eeuwse kadastrale minuutplannen) niet altijd met 100% zekerheid bepaald kan worden, en de ligging van de bijbehorende resten niet exact te voorspellen is, is bij de begrenzing van de historische objecten een bufferzone met een straal van 50 m rondom het object gehanteerd.
Ook rondom de gebouwde rijksmonumenten en de MIP-objecten kunnen bijbehorende archeologische resten aanwezig zijn. Hierbij is een bufferzone met een straal van 25 m gebruikt omdat de locatie van deze objecten wel exact bekend is.
De historische dijken en kades kunnen zelf als goed geconserveerde archeologische resten beschouwd worden. Omdat historische dijken en kades vaak over grote lengten bewaard zijn gebleven, en hun opbouw naar verwachting relatief uniform is, is aan deze lineaire elementen een iets lagere informatiewaarde toegekend. Daarom zijn de dijken en kades gerekend tot de terreinen van archeologische waarde. Voor de begrenzing een buffer van 20 m gehanteerd (= 10 m aan weerszijden van centrale as).
Naast de historische elementen waar in de bodem (vrijwel) zeker archeologische resten aanwezig zijn, zijn er enkele historische zones waar archeologische resten verwacht kunnen worden, maar dit niet zeker is. Allereerst gaat het om de globale locatie van de vroegmiddeleeuwse nederzetting Eiteren. Deze zone heeft een hoge verwachtingswaarde meegekregen. Verder is aan de buiten de historische woonerven gelegen delen van de bewoningslinten een middelhoge verwachting toegekend. Weliswaar laten de 18e en 19e eeuwse kaarten hier geen bebouwing zijn, maar de aanwezigheid van oudere resten is niet uit te sluiten.
4.2.5 Historische waterbodems
De eenheid ‘historische waterbodems’ omvat die delen van het oppervlaktewater waar sporen van water-gerelateerde activiteiten en/of historisch gebruik verwacht kunnen worden in de waterbodem (kaartbijlagen 3 en 4). De verwachting heeft dus betrekking op archeologische resten in watergangen die gerelateerd zijn aan het historisch gebruik van het water of aan de bewoning in de onmiddellijke omgeving ervan. Hierbij kan gedacht worden aan resten van waterstaatkundige elementen (bruggen, dammen, sluisjes e.d.) en scheepsresten, maar ook aan materiaal van menselijke activiteiten die samenhangen met aangrenzende historische bewoning in de directe omgeving (afvaldumps, deposities, verloren objecten). Een belangrijk aspect bij de waterbodems is dat dergelijke ‘natte’ archeologische resten over het algemeen goede conserveringsomstandigheden kennen ten aanzien van organisch materiaal, waardoor het archeologisch informatiepotentieel hoog is.
Ondanks het beperkte aantal vondsten dat tot op heden in waterbodems is gedaan lijken deze niettemin relevant omwille van bovengenoemd informatiepotentieel. Door de verwachting voor (historische) waterbodems - met een daaraan gekoppeld regime – als eenheid toe te voegen aan de verwachtings- en beleidskaart, biedt in elk geval de mogelijkheid om het behoud van deze waarden bij ingrepen beter te reguleren.
Een hoge verwachting voor historische waterbodems is toegekend aan:
-De historische stadsgrachten van de IJsselstein;
-De grachten van de versterkte huizen/boerderijen in het buitengebied (Stenen Kamer en Rijpickerwaard);
-Watergangen direct rondom en binnen historische erven in bewoningslinten;
-De watergangen direct rondom (al dan niet) verdwenen historische waterstaatkundige elementen (molens, sluizen, bruggen, dammen etc.). Hierbij is met betrekking tot de watergangen een bufferzone van 50 meter aangehouden rondom het desbetreffende element.
80Een bufferzone van 50 m wordt vaker gehanteerd bij dergelijke objecten. Zie o.m. de archeologische beleidsnota van Woerden.
Een middelhoge verwachting voor historische waterbodems is toegekend aan:
-De watergangen in de delen van ontginnings- en bewoningsassen zonder aanwijzingen voor bewoning.
Het onderscheid tussen de zones met een hoge en middelhoge verwachting is gebaseerd op de verwachte kans op het aantreffen van archeologische resten in de waterbodem. In de zones met een hoge verwachting zijn de historische (bewonings-)activiteiten aangetoond op de locatie. Voor de ontginnings-/bewoningsassen met een middelhoge verwachting geldt dat historische (bewonings-)activiteiten niet overal zullen hebben plaatsgevonden.
Ten aanzien van het overige oppervlaktewater in de gemeente IJsselstein geldt geen afzonderlijke verwachting voor historische waterbodems, maar geldt de archeologische verwachting van de omliggende eenheid.
4.2.6 Modern oorlogserfgoed
In paragraaf 3.5 is aangegeven dat op het grondgebied van de gemeente IJsselstein archeologische resten van mogelijk drie elementen uit de periode 1939-1945 in de bodem aanwezig zijn. Deze elementen zijn gerekend tot de categorie terreinen van hoge archeologische waarde.
Element
Te verwachten resten
Toelichting
3Anti- tankgracht
Gracht met vondsten
Buffer van 10 m aan beide zijden
4Luchtafweerstelling 8,8 cm
Ingegraven stellingen met vondsten
5Crashlocatie
Vliegtuigresten
Literatuur
Alterra, 2006, Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000, digitaal bestand.
Berendsen H.J.A., B. Makakase, O. van de Plassche, M.H.M. van Bree, S. Das, M. van Dongen, S. Ploumen & W. Schoenmakers, 2007, New groundwater-level rise data from the Rhine-Meuse delta - implications for the reconstruction of Holocene relative mean sea-level rise and differential land-level movements. Netherlands Journal of Geosciences / Geologie en Mijnbouw 86: 333-354.
Berendsen, H.J.A. & E. Stouthamer, 2001, Palaeogeographic development of the Rhine-Meuse delta, the Netherlands, Assen.
Berendsen, H.J.A., 1982, De genese van het landschap in het zuiden van de provincie Utrecht (Utrechtse Geografische Studies 25), Utrecht.
Bles, B.J. & H.J.M. Zegers, 1970, De bodemgesteldheid van het ruilverkavelingsgebied Lopikerwaard – oostelijk deel. Stiboka-rapport 872, Wageningen.
Bles, B.J. & H.J.M. Zegers, 1970, De bodemgesteldheid en de bodemgeschiktheid in het toekomstige ruilverkavelingsgebied Lopikerwaard. Stiboka-rapport 922, Wageningen.
Boer, A., de, B. Meijlink & M. Kocken, 2006, De archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente IJsselstein (ADC Heritage Rapport H011), Amersfoort.
Braun, T. (2023), IJsselstein, Lage Dijk-Noord. Gemeente IJsselstein (UT). Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO). Transectrapport 4929.
Busschers, F.S. & H.J.T. Weerts, 2003, Formatie van Kreftenheye, Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond, Utrecht.
Cohen, K.M. & E. Stouthamer, 2012, Vernieuwd digitaal basisbestand paleogeografie van de Rijn-Maasdelta. Beknopte toelichting bij het digitaal basisbestand paleogeografie van de Rijn-Maasdelta, Utrecht.
Cohen, K.M., E. Stouthamer, H.J. Pierik en A.H. Geurts, 2012, Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn-Maas Delta, Utrecht (http://persistent-identifier.nl/?identifier=urn:nbn:nl:ui:13-nqjn-zl).
Fischer, A.D., H. van Londen, A.L. Blonk-van den Bercken, R.M. Visser & J. Renes, 2021, Urban farming and ruralisation in the Netherlands (1250 up tot the nineteenth century), unravelling farming practice and the use of (open) space by synthesising archaeological reports using text mining (Nederlandse Archeologische Rapporten 68), Amersfoort.
Leusen, M. van & H. Kamermans (red.), 2005, Predictive modelling for Archaeological Heritage Management: A research agenda. Nederlandse Archeologische Rapporten 29, Amersfoort
Dinter, M. van., 2013, The Roman Limes in the Netherlands: how a delta landscape determined the location of the military structures. Netherlands Journal of Geosciences - Geologie en Mijnbouw 92 (1): 11-32.
Engeldorp Gastelaars, H.E.G. van, 2023,IJsselstein: Koningshof, Schuttersgracht & Molenstraat, Drie archeologische begeleidingen (ADC-rapport 5867).
Gottschalk, M.K.E., 1971, Stormvloeden en rivieroverstromingen in Nederland, I, De periode vóór 1400, Assen/Amsterdam.
Nederlands Normalisatie-instituut, 1989, Nederlandse Norm NEN 5104, Classificatie van onverharde grondmonsters, Delft.
Muller, A., 2003a, Plangebied Lage Dijk-Oost, gemeente IJsselstein; een inventariserend archeologisch onderzoek (RAAP-notitie 438).
Muller, A., 2003b, Plangebied Lage Dijk-West, gemeente IJsselstein; een inventariserend archeologisch onderzoek (RAAP-notitie 440).
Oude Rengerink, J.A.M., 1996, N210, Omlegging Zenderpark IJsselstein; een archeologische kartering (RAAP-rapport 193).
Pierik, H.J., Stouthamer, E. & Cohen, K.M., 2017, Natural levee evolution in the Rhine-Meuse delta, the Netherlands, during the first millennium CE. Geomorphology 295: 215-234.
Pierik, H.J., 2017, Past human-landscape interactions in the Netherlands: Reconstructions from sand belt to coastal-delta plain for the first millennium AD, Utrecht.
Plassche, O. van de, S. Bohncke, B. Makaske & J. van der Plicht, 2005, Water-level changes in the Flevo area, central Netherlands (5300-1500 BC): implications for relative mean sea-level rise in the Western Netherlands, Quaternary International 133-134: 77-93.
Plassche, O. van de, B. Makaske, W.Z. Hoek, M. Konert & J. van der Plicht, 2010, Mid-Holocene water-level changes in the lower Rhine-Meuse delta (western Netherlands): implications for the reconstruction of relative mean sea-level rise, palaeoriver-gradients and coastal evolution, Netherlands Journal of Geosciences - Geologie en Mijnbouw 89(1): 3-20.
Projectteam gemeente IJsselstein/ KuiperCompagnons, 2021. Omgevingsvisie IJsselstein: Behoud én ontwikkeling.
Rijks Geologische Dienst, 1988, Geologische kaart van Nederland 1:50000 blad 31 Oost, Utrecht, Haarlem.
Rijks Geologische Dienst, 1970, Geologische kaart van Nederland 1:50000 blad 38 Oost Gorinchem, Haarlem.
Rooij, J.A.G. van, 2011, Lage Dijk-Noord 28 te IJsselstein. Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek (ADC-rapport 2767).
Rooij, J.A.G. van & A. de Boer, 2011, Onderbouwing bij het geactualiseerde archeologiebeleid van de gemeente IJsselstein (ADC-rapport 2743), Amersfoort.
Schokker, J., F.D. de Lang, H.J.T. Weerts, C. den Otter, S. Passchier, 2005, Formatie van Boxtel, Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond, Utrecht.
Stafleu, J., D., Maljers, F. Busschers, J. Gunnink, J. Schokker & J. Hummelman, 2019: Totstandkomingsrapport GeoTOP. TNO-rapport 2019 R11655, TNO, Utrecht.
Tier, T. van der 2020: Het leven in IJsselstein in de prehistorie, Wat de archeologie te zeggen heeft over het gebied van IJsselstein in de late steen-, brons- en ijzertijd, in Bijdragen tot de geschiedenis van IJsselstein stad land nr. 169, 3-21.
Tier, T. van der 2022: Imperium sine fine, De effecten van de opname in een wereldrijk op de plattelandsbevolking in IJsselstein, in Bijdragen tot de geschiedenis van IJsselstein stad land nr. 173, 9-25.
Tol, A., P. Verhagen & M. Verbruggen, 2012, Leidraad inventariserend veldonderzoek; deel: karterend booronderzoek, Gouda.
Verniers, L.P., 2012, Grafheuvels in IJsselstein. Een archeologische opgraving van een Romeins grafveld uit de 2e eeuw (ADC-rapport 3012).
Vos, P.C., J. Bazelmans, H.J.T. Weerts & M.J. van der Meulen (red.), 2011, Atlas van Nederland in het Holoceen, Amsterdam.
Weerts, H.J.T. & F.S Busschers, 2003a, Formatie van Nieuwkoop, Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond, Utrecht.
Weerts, H.J.T. & F.S. Busschers, 2003b, Formatie van Echteld, Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond, Utrecht.
Bronnen Modern oorlogserfgoed
Abbink Spaink, J.J., 1963, IJsselstein, verleden en heden, IJsselstein.
Bosman, A.V.A.J., 2010, Militair archeologisch erfgoed te Valkenburg ZH, Een historisch overzicht en verwachtingsmodel, Past2Present rapport 510, Woerden.
Bosman, A.V.A.J., E.J. van Ginkel, J. Verweij & W. Waldus, 2014, De archeologie van modern oorlogserfgoed, Rapportage SIKB project 204 Modern oorlogserfgoed in relatie tot de archeologische uitvoering fase 1, ADC rapport 3595, Amersfoort.
Bosman, A.V.A.J., R.C.A. Geerts & D. Sam, 2017, Een brug te ver onderzocht, Archeologisch onderzoek in Stadsblokken-Meinerswijk, gemeente Arnhem, ADC Monografie 22, Amersfoort.
Bosman, A.V.A.J. & M. Willemsen, 2019, De archeologie van modern oorlogserfgoed 2, Waarderen en selecteren, een inventarisatie en voorstel archeologie, Rapportage SIKB project 204 Modern oorlogserfgoed in relatie tot de archeologische uitvoering fase 2, Military Legacy rapport 85, Dordrecht.
Brandhof, W. van den, 2019, Vooronderzoek CE, Dijkverbetering Gekanaliseerde Hollandsche IJssel – Noord, AVG rapport 1962026-VO-01, Heijen.
Braven, G. den, 2018, Vooronderzoek CE, IJsselstein de Kroon, AVG rapport 1862022-VO-02, Heijen.
Copier – Van den End, R., 1995, Vreeswijk in de Tweede Wereldoorlog, Stichting Oudheidskamer Vreeswijk 9, Nieuwegein.
Dijk, T.A. van, 2015, Belgische vluchtelingen en militairen in IJsselstein, Historische Kring IJsselstein 147/148, 37-48.
Eversteijn, T., 2003, Bombardementen en verongelukte vliegtuigen in de periode 10 mei 1940 - 5 mei 1945, z.pl.
Fleischer, W., 2015, Deutsche Abwurfmunition in Zweiten Weltkrieg, Basiswissen über Bomben, Behälter, Lufttorpedos, Minen, Verpackungen und Zünder, Aken.
Grimm, P., E. van Loo & R. de Winter, 2009, Vliegvelden in oorlogstijd, Nederlandse vliegvelden tijdens bezetting en bevrijding 1940-1945, Amsterdam.
Kleijn, H.C.M., R.J.A. van Suchtelen van de Have, D.A. Hierck, B.A. van Tilburg & A. de Vries (red.), 2004, Op weerstand gebouwd, Verdedigingslinies als militair erfgoed, Zwolle.
Klep, C. & B. Schoenmaker (red.), 1995, De bevrijding van Nederland 1944 – 1945. Oorlog op de flank, Den Haag.
Klep, C., 2020, De bevrijding van Oost- en Noord-Nederland, Militaire Spectator 4-2020, 226-227.
Koen, D.T., 1990, Utrecht verdedigd, Fortificatie en mobilisatie 1914-1940, Utrecht.
Koen, D.T., 1995, Een onuitdoofbaar vuur, Betonnen verdedigingswerken in de Nieuwe Hollandse Waterlinie, Bunnik.
Korthals Altes, A., 1984, Luchtgevaar: luchtaanvallen op Nederland 1940-1945, Amsterdam.
Michels, J, 2021, ‘…de fictie dat Holland een vesting is.’, Vestingbouw door het wapen der genie, 1914-’40, Oirschot.
Molenaar, F.J., 1970, De luchtverdediging in de meidagen van 1940, De strijd op Nederlands grondgebied tijdens de Wereldoorlog II, Hoofddeel III, deel 7, Band I en II, Den Haag.
89Tevens uitgebracht als De Geschiedenis van de Koninklijke Luchtmacht, Hoofddeel I, deel 2.
Murk, L., 1995, De inundatie in de Lopikerwaard, 1944-1945, in: Historische Kring IJsselstein 72/73, 267-278.
Nierstrasz, V.E., 1955, De operatiën van het veldleger en het Oostfront van de Vesting Holland, mei 1940,De strijd op Nederlands grondgebied tijdens de Wereldoorlog II, Hoofddeel III, deel 3, Den Haag.
Palma, J, 2009, Rapportage van het historisch vooronderzoek naar de aanwezigheid van conventionele explosieven ter plaatse van het plangebied van het project ‘Ruimte voor de Lek’, T&A Survey rapport 0908-GPR1505, Amsterdam.
Rolf, R. & H. Sakkers, 2005, Duitse bunkers in Nederland, Middelburg.
Schuring, H.A., 1958, De invloed van het landschap op de militaire operaties tijdens de Tweede Wereldoorlog, proefschrift Rijksuniversiteit Utrecht, Aalten.
Veenstra, S.L., 1992, In de schaduw van de glorie: overzicht van vliegtuigbergingen in Nederland: 1960-1977, Zutphen.
Vliet, J. van, 1979, Het relaas van de IJsselsteinse Heinkel HE III, Historische Kring IJsselstein 5, IJsselstein.
Volkers, K., 2009, Geheim landschap, 200 jaar militairen op de Heuvelrug, Utrecht.
Will, C., 2002, Sterk Water, De Hollandse Waterlinie, Utrecht.
Zwanenburg, G.J., 1980-1982, En nooit was het stil….Kroniek van een Luchtoorlog, Deel 1, 2 en bijlage, Den Haag.
Zijlstra, G, 1977, Diary of an air war, New York.
Websites
https://beeldbankwo2.nl/nl/
https://defensiefotografie.nl/mob-complex/mob/lopik/
http://hkij.asuscomm.com/
https://nl.wikipedia.org/wiki/Inundatie_(1944-1945)
https://nl.wikipedia.org/wiki/Nieuwe_Hollandse_Waterlinie
https://nl.wikipedia.org/wiki/Noodstudio_Lopik
https://rhcrijnstreek.nl/bronnen/lokale-historie/ijsselstein/ijsselstein/tweede-wereldoorlog/
https://rhcrijnstreek.nl/bronnen/lokale-historie/hoogheemraadschap-de-stichtse-rijnlanden/hoogheemraadschap-de-stichtse-rijnlanden/tweede-wereldoorlog/ https://www.museumijsselstein.nl/bezet-vrij-de-herinneringen/
http://verliesregister.studiegroepluchtoorlog.nl
https://vng.nl/nieuws/nieuw-handreiking-erfgoedverordening-en-omgevingsplan
https://www.canonvannederland.nl/nl/utrecht/regio-zuidwest/ijsselstein/tweede-wereldoorlog
https://www.entoen.nu/nl/utrecht/regio-zuidwest/ijsselstein/tweede-wereldoorlog
https://www.rtvutrecht.nl/nieuws/3094156/explosievenonderzoek-bij-lekbrug-er-kunnen-nog-oude-vliegtuigbommen-liggen
Archieven
Kadaster, Emmen
Military Legacy, Dordrecht
NIMH, Den Haag
NIOD, Amsterdam
NMM, Soesterberg
Universiteit Wageningen
Historische kern
IJsselstein : historie - verval - toekomst
AuteursGerry Herbst-Verkerk(Redacteur)
IJsselstein, opgraving. Projectnummer dendrochronologie (Stichting RING): 2001046
AuteursElsemieke Spoor- HanraetsTamara VernimmenEsther Jansma
Bijdragen tot de geschiedenis van IJsselstein stad en land
AuteursStichting Historische Kring IJsselstein.(Uitgevende instantie)
Ontmoet historisch IJsselstein
AuteursJasper van Muijden(Auteur)(Redacteur)Marian Wessels(Auteur)(Redacteur)Marcel Berkien(Auteur)(Redacteur)Bart Rietveld(Auteur)(Redacteur)
Integraal plan kasteelcomplex IJsselstein
AuteursWim van Sijl 1955-(Auteur)Adviesgroep BB+W.(Auteur)
Canon van de geschiedenis van IJsselstein
AuteursCharles BurghardTA van Dijk
De straatnamen van IJsselstein : herkomst en relatie tot de historie van de stad.
AuteursJoop Tamboer(Auteur)
Vestingstad IJsselstein : inspiratiedocument met als doel: aanwijzing Gemeentelijk Monument Vestingstad IJsselstein en realisatie van een aaneengesloten reeks markeringen, reconstructies en visualiseringen die herinneren aan de middeleeuwse vestingwerken van Vestingstad IJsselstein
AuteursWim van Sijl 1955-(Auteur)Adviesgroep BB+W.(Uitgever)Stichting Historische Kring IJsselstein.(Uitgever)
Two draft building specifications from 1538 for the construction of a roof on a monastery church in IJsselstein
AuteursWillem AnnemaGeertruida de Moor
... als mantels om de stad ... : of hoe de IJsselsteiners tussen 1814 en 1940 hun oude vesting een nieuw aanzicht gaven
AuteursPWA Broeders (Petrus Wilhelmus Adrianus), 1936-(Auteur)Stichting Historische Kring IJsselstein.(Uitgever)
Figurenlijst
Figuur 1-1 Ligging van de gemeente IJsselstein (rode lijn); inzet: ligging in Nederland (bron: PDOK).
Figuur 3-1 Aandeel van de verschillende typen onderzoek over de periode 1993-2022 (boven), 1993-2010 (linksonder) en 2011-2022 (rechtsonder).
Figuur 3-2 Hoogteligging van de pleistocene ondergrond (ten opzichte van NAP) volgens verschillende modellen.
Figuur 3-3 Hoogteligging van de pleistocene ondergrond met geologische boringen. Ter hoogte van de holocene meandergordels is het pleistocene oppervlak waarschijnlijk geërodeerd en niet meer intact.
Figuur 3-4. Ligging van de verschillende fossiele meandergordels in de gemeente IJsselstein (naar Cohen et al. 2012.
Figuur 3-5 Doorsnede van een rivierenlandschap (naar Heunks & Van Hemmen 2016).
Figuur 3-6 Uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3) voor de gemeente IJsselstein.
Figuur 3-7 Militaire kaart van de Provincie Holland (vestingen, forten en posten)’ door Pieter Ketelaar uit 1769 (bron: Nationale archief met inventarisnummer H50, H50.1 t/m H50).
Figuur 3-8 Uitsnede van de 'Kaart van de Baronie van IJsselstein' door David Hattinga uit 1770 (bron: Utrechts Archief, catalogusnr. 203).
Figuur 3-9 Uitsnede van de 'Kaart van het land van IJsselstein' van omstreeks 1775 met daarop goed zichtbaar het patroon van dijken (bron: Utrechts Archief, catalogusnr. 203).
Figuur 3-10. Overzicht van de naoorlogse uitbreidingswijken rondom de historische kern van IJsselstein.
Figuur 4-1 Globale verwachtingskaart jager-verzamelaars: gemodelleerde hoogteligging en intactheid van het Laat-pleistocene landschap.
Figuur 4-2 Ouderdom en actieve fasen van de verschillende meandergordels in de gemeente IJsselstein.
Figuur 4-3 Landschappelijke ontwikkeling met archeologische vindplaatsen voor vier archeologische perioden.
Figuur 6-1 Het archeologisch proces (AMZ) (bron: SIKB).
Figuur 0-1. De situatie op 14 mei 1940 op het tijdstip van de capitulatie (naar Nierstrasz 1955, schetskaart Nr. D.6).
Tabellenlijst
Tabel 3.1 Overzicht van AMK-terreinen in de gemeente IJsselstein.
Tabel 3.2 Overzicht van vindplaatsen naar complextype en begindatering.
Tabel 3.3 Overzicht van uitgevoerde AMZ-onderzoeken in IJsselstein, de percentages geven het relatieve aandeel over alle 224 onderzoeken weer (*: geofysisch, inspectie of onbekend).
Tabel 3.4 Overzicht van stroomgordels in de gemeente IJsselstein. $: de vermelde zandhoogtes gelden voor de gehele stroomgordel, niet specifiek het deel dat binnen de gemeente ligt (gegevens ontleend aan Cohen et al. 2012).
Tabel 4.1 Overzicht van de gehanteerde archeologische verwachtingen per periode per landschappelijk eenheid (*: de verwachting voor restgeulen heeft betrekking op watergerelateerde archeologische resten).
Tabel 4.2 Gereconstrueerd hoogste voorkomen van de het potentieel archeologische niveau per rivierenlandschap.
Lijst van Bijlagen
Bijlage 1. Catalogus van archeologische vindplaatsen.
Bijlage 2. Catalogus van archeologische rijksmonumenten.
Bijlage 3. Catalogus van archeologische terreinen ('AMK-terreinen').
Bijlage 4. Catalogus van archeologische onderzoeken.
Bijlage 5. Catalogus van (verdwenen) molens.
Bijlage 6. Bureauonderzoek Inventarisatie Modern oorlogserfgoed.
Bijlage 7. De Erfgoedwet, de KNA en het archeologisch onderzoekstraject.
Lijst van kaartbijlagen
Kaartbijlage 1. Inventarisatiekaart archeologische vindplaatsen en onderzoeken.
Kaartbijlage 2. Archeo-landschappelijke verwachtingskaart (neolithicum - middeleeuwen).
Kaartbijlage 3. Historisch-geografische waarden en relicten.
Kaartbijlage 4. Kaart historisch-geografische waarden en verwachtingen.
Kaartbijlage 5. Inventarisatiekaart historische centrum.
Kaartbijlage 6. Archeo-landschappelijke verwachtingskaart historisch centrum.
Kaartbijlage 7. Historische relictenkaart historische centrum.
Kaartbijlage 8. Kaart met verstoringen en vrijgegeven gebieden historische centrum.
Kaartbijlage 9. Beleidsadvieskaart.
Kaartbijlage 10. Relictenkaart Tweede Wereldoorlog.
Kaartbijlage 11. Archeologische beleidskaart gemeente IJsselstein
Kaartbijlage 12. Archeologische beleidskaart historische kern IJsselstein
Bijlage 1. Catalogus van archeologische vindplaatsen
[Deze bijlage is te raadplegen via de externe bijlage.]
Bijlage 2. Catalogus van archeologische rijksmonumenten
[Deze bijlage is te raadplegen via de externe bijlage.]
Bijlage 3. Catalogus van archeologische terreinen ('AMK-terreinen')
[Deze bijlage is te raadplegen via de externe bijlage.]
Bijlage 4. Catalogus van archeologische onderzoeken
[Deze bijlage is te raadplegen via de externe bijlage.]
Bijlage 5. Catalogus van (verdwenen) molens
[Deze bijlage is te raadplegen via de externe bijlage.]
Bijlage 6 Inventarisatie Modern oorlogserfgoed
A.V.A.J. Bosman (Military Legacy)
1Werkwijze en bronnen
Het onderzoek naar het modern oorlogserfgoed bestond uit een inventarisatie opgesteld van de belangrijkste elementen uit de periode 1870-1991 binnen het grondgebied van de gemeente IJsselstein. Vanwege het karakter van de objecten is er niet uitsluitend sprake van archeologische sporen, lees: die verborgen liggen in de bodem of onder het wateroppervlak, maar kan er ook een connectie zijn met bouwkundige elementen, die nog (deels) intact kunnen zijn. Derhalve dient de archeologische inventarisatie naadloos aan te sluiten op het bestaande (of in ontwikkeling zijnde) bestand van bouwkundige militaire objecten met of zonder monumentenstatus. Hierbij kan er sprake zijn van singuliere objecten, maar vaker komen objecten voor die een ensemble vormen binnen een stelling, linie of ander verdedigingsplan. Het gaat hierbij specifiek niet om geïsoleerde locaties waar militaire handelingen zonder een archeologische “neerslag” zich hebben afgespeeld.
Bij de inventarisatie is gebruik gemaakt van de volgende bronnen:
-Luchtfoto’s, specifiek luchtfoto’s uit de periode 1939-1945 (zie literatuur- en bronnenlijst)
-OCE-rapportages: onderzoek naar niet gesprongen explosieven
-Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH)
-Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (www.ikme.nl)
-Literatuur en kaartmateriaal (zie literatuur- en bronnenlijst)
Hoewel de inventarisatie zich heeft geconcentreerd op militaire objecten, kan er ook sprake zijn van het voorkomen van objecten van specifieke tijdens extreme crises optredende organisaties zoals de Bescherming Bevolking (B.B.) en het Nederlandsche Roode Kruis. Ook kunnen sporen voorkomen van andere tijdens oorlogsomstandigheden ontstane objecten, zoals onderduikplaatsen, schuilplaatsen ingericht door/voor het verzet en kampen voor internering of dwangarbeid of juist vanwege vrijwillige inzet zoals binnen de Nederlandsche Arbeidsdienst. Een deel van deze bouwwerken en objecten zijn gepland, soms zelfs openbaar aanbesteed. Een ander deel, zoals die als gevolg van verzetsactiviteiten zijn ontstaan, zijn vanwege hun clandestiene karakter niet of nauwelijks vastgelegd.
2Verspreiding van modern oorlogserfgoed
2.1 Algemeen
De sporen van oorlogen en voorbereidingen daarop hebben niet een gelijkmatige verdeling in Nederland. Sommige zones zijn zwaar ‘verbouwd’ of hebben ernstiger geleden onder het oorlogsgeweld. Vrijwel het gehele land is vanuit de lucht doelwit geweest of de plek waar vliegtuigen kunnen zijn gecrasht, of schepen die zijn vergaan op binnen- en buitenwater. Er is een stelregel dat de concentratie van sporen uit de periode 1870-1914 vooral in de linies en langs de kusten ligt. Dat wordt voortgezet in de periode tot 1918, waarbij de grensbewaking meer gewicht krijgt. Hierna is door de ontwikkeling van de militaire luchtvaart ook steeds meer aandacht voor het beschermen van het land achter de linies. De strijd in mei 1940 kent enkele concentraties is de linies die een vijand uit het oosten moesten stuiten. De bekendste is het Oostfront van de Vesting Holland, met daarin de beroemde Grebbelinie. Na het begin van de bezetting is de focus vooral op het verdedigen van de kust gelegd, waar na 1942 volop wordt aangevangen met de bouw van de Atlantikwall. Ook hiervoor worden in het achterland verdedigingszones ingericht met versperringen, inundaties en mijnenvelden. Na mei 1945 wordt de blik weer naar het oosten gericht. De IJssellinie wordt bijvoorbeeld uitgebouwd, en ten westen daarvan een reeks van nieuwe kazernes en mobilisatiecomplexen voor enerzijds de onderkomens van de grote scharen dienstplichtige militairen en anderzijds de opslag van oorlogsmaterieel, -materiaal en munitie.
Modern oorlogserfgoed in IJsselstein
Voor Nederland is er een aantal jaren geleden een Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) gemaakt.
90http://ikme.nl/
Deze kaart is niet compleet en mist op sommige punten essentiële details voor een juiste duiding. Maar als eerste ingang is wel enigszins bruikbaar, mits de tekortkomingen worden meegewogen.
Figuur 1. IJsselstein op de IKME (naar ikme.nl).
Op bovenstaande afbeelding ontleend aan de IKME is het gehele grondgebied van IJsselstein leeg. Er staat alleen de opmerking die voor het gehele grondgebied op het land van Nederland geldt: “In deze zone kunnen resten worden verwacht van kleinere objecten en structuren zoals crashlocaties, veldgraven en onderduikholen.” Uiteraard zijn er nog wel meer structuren en vondsten denkbaar, en dan ook uit perioden anders dan WO2 waar de IKME toch vooral op gefocust lijkt te zijn.
In de directe omgeving van IJsselstein worden wel enkele van belang zijnde objecten aangeduid, die allen op elk hun wijze een uitstraling kunnen hebben gehad op activiteiten en daarmee op het ontstaan van objecten als sporen en vondsten in de bodem van IJsselstein.
Nr. 1 is het Duitse schijnvliegveld Veldhuizen-Reijerscop (SF. 18).
91Grimm e.a. 2009, 66-70.
Deze Scheinflugplätze werden door de Duitsers aangelegd om de vijand te misleiden. Ze werden daarom zo opvallend mogelijk gemaakt om de indruk te wekken dat er een actief militair vliegveld aanwezig was. De gedachte was dat de geallieerden hierdoor juist deze locaties zouden aanvallen en de meer gecamoufleerde operationele Flugplätze zouden missen. De schijnvliegvelden werden voorzien van aanduidingen van start- en landingsbanen
92Deze banen warden opzettelijk langer gemaakt dan nodig: tussen de 2000 en 3000 m. Dit bevorderde de waarneembaarheid vanaf grotere hoogte. Ze waren daarmee zichtbaar vanaf een hoogte van 2500 m, terwijl de echte vliegvelden pas waarneembaar waren vanaf 700 m!
, (baan) verlichting, opstelplaatsen, schuurtjes en vlonders in hangar-vorm en zelfs dummy-vliegtuigen. Soms stonden die vliegtuigen op een rail zodat ze bewogen konden worden op of langs het veld.
De schijnvliegvelden zijn gebouwd door de Luftschutzdienst van het Luftgau Holland. Deze dienst zorgde ook voor onderhoud, bediening en bewaking. Per schijnvliegveld was er slechts een klein aantal, meestal oudere manschappen beschikbaar. Zij werden meestal in de buurt ondergebracht of ingekwartierd. Van SF. 18 is bekend dat hier achttien houten vliegtuigsilhouetten aanwezig waren. Ze leken op de middelzware bommenwerper Heinkel He 111.
93Saillant detail is dat veel van die gebruikte vliegtuigmodellen zijn gemaakt door de filmdecorfabriek van de Cinetone Studio aan de Duivendrechtsekade in Amsterdam en in een timmerfabriek in Haarlem.
Een van de taken van de bemanning was het vrijwaren van de locaties tegen sabotage. Maar het is duidelijk dat het verzet veel van de schijnvliegvelden al aan Londen had gerapporteerd. Hiermee waren de locaties zeker bekend. Maar dat neemt niet weg dat schijnvliegvelden wel zijn aangevallen gedurende de oorlog. Bommenwerpers die hun primaire doel hadden gemist en op de terugweg naar Engeland op zoek waren naar gelegenheidsdoelen kunnen makkelijk in de verleiding zijn geraakt om juist op deze velden hun lading te droppen. Er is wel gekscherend gedaan over het nut en noodzaak
94Zelfs gedurende de oorlog.
, maar getuige het aantal geallieerde bommen dat op of nabij deze Scheinflugplätze is gevallen, is er meer succes dan geallieerde bronnen doorgaans melden, als het vanuit hun visie slechts ging om de schijn op te houden. Overigens hadden de Duitsers geen enkele compassie met eventueel aanwezige buurtbewoning. Ze legden de schijnvliegvelden dikwijls nabij bewoonde kernen aan.
Archeologische sporen van het schijnvliegveld zelf zijn in IJsselstein niet aanwezig. Mogelijk kunnen wel manschappen zijn ondergebracht geweest in bestaande bebouwing in de buurt. In de nabijheid hiervan kunnen afvaldeposities aanwezig zijn, net als simpele verdedigingsopstellingen of schuilnissen. Eventuele bomaanvallen zullen kraters of brandvlakken hebben opgeleverd, alsmede schade aan bebouwing van destijds.
Nr. 2 is de Duitse Hintere Wasserstellung. Opmerkelijk is dat deze tweede of Hintere Wasserstellung, een Duitse verdedigingslinie, ten oosten van de eerste of Vordere Wasserstellung op de IKME alleen wordt geduid als een linie die een invasie vanuit de kuststreek moest vertragen. De linies waren echter vooral ook ingericht om een aanval in de rug van de Atlantikwall te kunnen vertragen. De naam geeft al aan dat het grootste deel van de linie bestond uit geïnundeerde terreinen. Dit zijn terreinen die tot een diepte van 30 tot 60 centimeter onder water zouden komen te staan. Dit was té diep voor oprukkende infanterie, die bovendien nergens in dekking kon, maar té ondiep voor normale vaartuigen.
De Hintere Wasserstellung volgde een groot deel van het tracé van de Oude Hollandse Waterlinie. Nadat de geallieerde landingen in Normandië geslaagd waren kwam op 21 juni 1944 het bevel dat alle schepen, van groot tot het formaat kano, die binnen de Vordere Wasserstellung lagen, verplaatst moesten worden naar het gebied ten oosten van het Merwedekanaal (tegenwoordig Amsterdam-Rijnkanaal). De reden was duidelijk: om te voorkomen dat een vijandelijke troepenmacht hiervan gebruik kon maken om over de inundaties van beide Stellungen te komen.
De Duitsers hebben overigens nog veel meer gebieden van inundaties voorzien, zoals in het Rivierengebied, Zeeland en de noordelijke provincies. In totaal werd door de Duitsers 250.000 m2 onder water gezet. Hierbij is deels gebruik gemaakt van de al veel eerder voorbereide inundatieobjecten zoals geopende sluizen en stilgelegde gemalen, maar vaker nog werden dammen en dijken eenvoudig opgeblazen. Hiermee werden bressen geslagen waardoor het water ongehinderd kon binnen vloeien. Nadeel hiervan was dat er geen systeem was voorzien om dit water weer kwijt te raken. Herstel en weer bruikbaar krijgen van veel landbouwgebied zou daarom na de bevrijding nog lang vergen.
De geïnundeerde gebieden leveren niet of nauwelijks archeologische sporen op. Het enige is een afzetting door het stilstaande water. Wel kunnen de voorbereide inundatieobjecten aanwezig zijn, of de in dijken en dammen geslagen bressen als sporen terug te vinden zijn.
Nr. 3 is de oudste van de linies, namelijk De Nieuwe Hollandse Waterlinie. Dit was een verdedigingslinie die deels het tracé van de Oude Hollandse Waterlinie volgde. Maar op een aantal essentiële punten week het af door ontwikkelingen in het belang van specifieke plaatsen, zoals Utrecht en de verbeteringen op het gebied van geschut. In beide gevallen vormden deze linies de oostelijke verdediging van de Vesting Holland.
De Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW) is de oostelijke bescherming van de Vesting Holland in de periode van 1870 tot 1945. De Nieuwe Hollandse Waterlinie was de vervanging voor de uit het einde van de 17e eeuw daterende Hollandse Waterlinie. Deze zou vanaf 1871 een nieuwe naam krijgen, met het voorvoegsel ‘Oude’. Een belangrijk verschil tussen de oude en de nieuwe linie is dat de stad Utrecht nu wel binnen de linie valt. De nieuwe waterlinie lag ten oosten en zuiden van de belangrijkste steden van Holland, is 85 kilometer lang en kent een breedte van 3 tot 5 kilometer. Met deze breedte werd er zoveel mogelijk afstand gecreëerd tussen die steden en eventuele vijandelijke artillerieopstellingen. De dracht van de granaten was dan onvoldoende om de doelen te kunnen raken. Echter de ontwikkelingen gingen snel, waarbij deze marge steeds kleiner werd en zeker door de ontwikkeling van de militaire luchtvaart, die zeer gemakkelijk linies kon overbruggen.
Met 46 forten in deze linie strekte het zich uit van forteiland Pampus in de Zuiderzee (na 1932 IJsselmeer) tot aan de Biesbosch, een natuurlijke barrière. Tevens bevat de linie vijf vestingsteden: Muiden, Weesp, Naarden, Gorinchem en Woudrichem. Vanuit de forten en vestingsteden konden de belangrijkste toegangen tot de Vesting Holland worden verdedigd, over land (weg en spoor) en over water. In het achterland van de linie zijn op diverse plaatsen opstellingen voor reservetroepen, proviandering en munitieopslag gecreëerd.
Om het waterpeil van 30 tot 60 cm in de inundatiegebieden van de Nieuwe Hollandse Waterlinie vast te houden en gegeven de verschillen in het peil van de landerijen, was een complex systeem van "onderwaterhuishouding" nodig. Het te inunderen gebied was hiertoe onderverdeeld in een fijnmazig netwerk van deelgebieden. Zo kon een klein sluisje of dijkje een even essentieel onderdeel zijn als een fort met geschut en bemanning, omdat het moest zorgen voor het exact reguleren van het inundatiepeil.
De Nieuwe Hollandse Waterlinie krijgt niet of nauwelijks een rol in de periode van de Koude Oorlog. De enige deels op inundatie ingerichte linie is in die periode de nog verder naar het oosten gelegen IJssellinie.
Figuur 2. Deze foto geeft het doel van de inundatie als vertragende tactiek heel goed weer: een Britse motorordonnans loopt in Nederland over de net niet geheel onder water staande dijk langs een van de weg gezakte Artillery tractor op 8 November 1944 (IWM, B 11816).
Figuur 3. Overzicht van alle Inundatiegebieden in de periode 1944-1945 in Nederland (wikipedia.org).
Figuur 4. Ligging van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, met inundatiegebieden (blauw) en forten en stellingen (zwart; bron: wikipedia.org).
Figuur 5. Een inundatievoorziening: de Papsluis aan de Kildijk te Nieuwendijk. (wikipedia.org).
2.2 De Eerste Wereldoorlog
Over de periode 1914-1918 kan het kort blijven. Er werden geen militaire bouwwerken aangelegd. Nederlandse gemobiliseerde militairen hadden zich nauwelijks in IJsselstein opgehouden. Wel werden in de periode oktober-november 1914 zo’n 200 Belgische vluchtelingen opgevangen in de meubelfabriek Van Rooijen. Hiervan gingen op zo’n 16 na alle weer na een maand terug naar Antwerpen. Degene die blijven worden later opgevangen in opvangkampen zoals te Nunspeet. In 1916 komen vijf in Nederland geïnterneerde Belgische militairen in IJsselstein bij dezelfde meubelfabriek te werken. Er is door de mobilisatie een groot gebrek aan werkkrachten. De Belgen waren hiervoor speciaal uit het Kamp Zeist gehaald. In november 1918 zouden in totaal zo’n 25 Belgische militairen hier werken. Naast werkzaam in de meubelfabriek, werden er ook aangesteld in de steenfabriek Overwaard en een enkeling bij een bouwbedrijf, drukkerij of wagenmaker.
95Van Dijk 2015.
Voor deze Belgen werden geen aparte onderkomens of tentenkampen opgesteld. Zij verbleven op het terrein van de fabrieken of werden heen en weer naar Kamp Zeist gehaald en gebracht.
2.3 Tweede Wereldoorlog verloop en opstellingen
Mei 1940
IJsselstein lag aan de vooravond van WO2 precies op de grens van de Groep Utrecht en de Groep Lek. Het hoofdkwartier van de eerste lag in het noordwesten van Utrecht, dit was het tweede bataljon van het 25e Regiment Infanterie (II-25 R.I.). Van Groep Lek lag dat van II-32 R.I. in Vianen. Deze troepen vormde de meest westelijke linie van de Vesting Holland. De hardnekkig te verdedigen linie lag verder naar het oosten van Spakenburg via de Grebbeberg bij Rhenen tot aan de Ochten waar het naar het westen afboog al Linge-Waalstelling tot voorbij Gorinchem. In die zone lagen voorbereide stellingen als kazematten, loopgraven en geschutsopstellingen. Dat was niet het geval in de zone van IJsselstein.
Wel zijn er op 11 en 12 mei 1940 Nederlandse troepen opgesteld bij de brug van de Rijksweg (tegenwoordig A2) over de Lek. Aan de noordzijde, deels op het grondgebied van IJsselstein zijn dit manschappen van de tweede compagnie van het derde bataljon van 25 R.I. (2-III-25 R.I.). Aan de zuidzijde op het grondgebied van Vianen staat de 9e Batterij Luchtafweer (9 Bt.Lu.A.) en 89e en 90e Peloton Luchtdoelmitrailleurs (89 en 90 Pel.Lu.Mitr.). Deze zullen in allerhaast ingegraven stellingen of op het oppervlak met zandzakken ingerichte posities hebben gestaan.
De situatie voor het Nederlandse leger verslechterd per dag en per uur. Op 14 mei staat omstreeks 12.00 uur de Duitse voorhoede gevormd door de SS Standarte der Führer al iets ten oosten van Schalkwijk, gevolgd door de 207eDivision waaronder Infanterie Regiment 374 bij Doorn. In en rond IJsselstein nestelen zich de teruggetrokken Nederlandse troepen van de Ive Divisie en Brigade B, het hoofdkwartier van de eerste wordt in IJsselstein zelf gevestigd. Verder liggen er troepen van de eerste batterij van het 16e Regiment Artillerie (I- 16 R.A.). Iets verder naar het zuiden werd luchtafweer opgesteld: het derde peloton van de 159e Batterij Luchtafweer, De Luchtdoelmitrailleurs worden van Vianen ook overgezet naar IJsselstein, en bovendien uitgebreid. Hier liggen dan 79, 80, 89 en 90 Pel.Lu.Mitr. aan de Kleine IJssel. Deze situatie blijft ongewijzigd tot het moment van de Nederlandse capitulatie later die dag.
Figuur 0-1. De situatie op 14 mei 1940 op het tijdstip van de capitulatie (naar Nierstrasz 1955, schetskaart Nr. D.6).
Tijdens de Tweede Wereldoorlog is er veel gebeurd, zo ook in IJsselstein. Wat volgt is slechts een selectie en een samenvatting van twee opvallende kwesties van de oorlog: vluchtelingenopvang en de gevolgen van de oorlog op het plaatselijk bestuur.
IJsselstein bood naast een onderkomen aan de Nederlandse militairen ook steun aan burgervluchtelingen. Al tijdens de mobilisatie waren op landelijk niveau vluchtelingencentra verordonneerd. Zo was IJsselstein aangewezen als opvangcentrum voor 1000 evacués uit de zones van de Grebbelinie (met name Rhenen) en de Nieuwe Hollandse Waterlinie (vooral Tiel). Er werd van tevoren rekening gehouden met zaken, zoals of geloofsovertuiging en beroep aansloten op de inwoners van IJsselstein. Op maandag 13 mei 1940 kwam het bericht dat het 5000 inwoners tellende IJsselstein, op 3141 vluchtelingen uit Tiel kon rekenen. Door de chaos wachtten veel deze mensen niet op vervoer en kwamen lopend de Lekbrug over. Verder kwamen ook evacués uit de omgeving van Rhenen en Veenendaal, en een schare van de Veluwe. De meesten werden zo lang bij boeren ondergebracht. Zo was er nauwelijks gebrek aan voedsel. Een tweede reden was dat sommige vluchtelingen hun eigen koeien hadden meegenomen, wat overigens wel door een overschot problemen gaf met de afvoer van de melk. Kort na de capitulatie gingen de vluchtelingen met hun hebben en houwen weer naar huis.
De strijd in de meidagen is nauwelijks op het grondgebied van IJsselstein uitgevoerd. De enige uitzonderingen zijn bombardementen (zie onder) en een Duitse luchtaanval met boordwapens op de waarnemingspost van de plaatselijke luchtbeschermingsdienst, die was gesitueerd in de zogenaamde gemeentetoren.
Bezetting
Zowel in WO1 als in WO2 was Utrecht een centrale plaats. Er waren vanouds diverse kazernes aanwezig, zoals de Hojelkazerne en de Kromhoutkazerne. De hier aanwezige Nederlandse troepen hebben in de omgeving geoefend, en mogelijk daarbij ook IJsselstein hebben doorkruist. Echter of hiervan sporen in de bodem resteren, met uitzondering van een verloren knoop of monddeksel van het geweer, is sterk de vraag.
Datzelfde geldt ook voor de bezettingsperiode. De Duitsers vestigen hier de hogere commandostaven van de Kriegsmarine. De Wehrmacht Heer (de Duitse landmacht) deed hetzelfde door hier het legerkorpscommando te vestigen aan het St. Janskerkhof in die stad. Hiervoor is in het stadscentrum en in Oog in Al een aantal bunkers gebouwd. Op 15 januari 1944 zou overigens het commandocentrum worden verplaatst naar Bilthoven.
Op het grondgebied van IJsselstein zijn er vooralsnog geen Duitse bunkers bekend. Dat is opmerkelijk aangezien er wel sprake is van enkele strategisch belangrijke punten, zoals de brug waar de Rijksweg (tegenwoordig A2) de Hollandse IJssel kruist en verder naar het zuiden de brug over de Lek. Wel is er iets bekend over een eventuele aard van de Duitse troepen in een geallieerde opgave van 16 januari 1945: IJsselstein E/1583. 55 troops of Wehrmachtskomm. Maastricht and telephone exchange 300 troops WH red, commander Hauptmann Erner and the officers Oberltn. Mueller Reinert, Oberltn. Hauser, Ltn. Elsner and Ltn. Ebmayer, left with 4 x 8,8 cm A.A.
96NIMH collectie 575, invnr. 433.
In september 1944 werd IJsselstein weer een toevluchtsoord voor vluchtelingen. Er kwamen 375 vluchtelingen uit de omgeving van Arnhem en Oosterbeek, door het oorlogsgeweld van Operatie Market Garden op drift geraakt. Nu was er echter wel een voedselprobleem, vooral omdat deze mensen voorlopig niet naar huis konden. De slag om Een brug té ver was immers verloren. Het zou nog minstens acht maanden duren eer deze mensen naar huis konden terugkeren, zo dat nog intact was.
Op luchtfoto’s van 29 november 1944 zijn een aantal actieve Duitse stellingen zichtbaar. Het betreft in ieder geval twee 8,8 cm luchtafweerstellingen in het zuidwesten, ter plaatse van de Lagedijk tussen IJsselstein en Klaphek. De batterij is bijna dagelijks actief. Eén inwoner werd op straat door een terugvallende granaatscherf gedood, enige anderen liepen lichte verwondingen op.
97Abbinks Spaink, 67.
Er is tevens een wapenopstelling aan de westzijde van de Rijksweg ten zuiden van de brug over de Hollandse IJssel, en iets ten zuiden daarvan nog een geschutstelling. Van deze beide twee is niet duidelijk wat voor type vuurmond hier is neergezet.
Ook het type vuurmonden is niet bekend van de opstellingen bij de brug over de Lek in het tracé van de Rijksweg (A2). Wat wel bekend is, is dat deze op respectievelijk op 18 en 20 september werden aangevallen met lichte afwerpmunitie, en op 24 september werd er melding van gemaakt dat het geschut had teruggeschoten. Deze luchtaanvallen hielden waarschijnlijk verband met de uitvoering van operatie Market Garden. Dergelijke aanvallen moesten eventuele Duitse versterkingen of proviandering ophouden. Op 1, 4 en 5 januari 1945 wordt de brug opnieuw aangevallen, nu door jachtbommenwerpers van het type Hawker Typhoon. Op de laatste dag is de actie succesvol. Korthals Altes beschrijft deze acties:
“Op deze gedenkwaardige Nieuwjaarsdag waren ook de geallieerden in het offensief. Zo werden de aanvallen op de rivierovergangen hervat. Gillam’s 193 Squadron had de Lekbrug bij Vianen als doel. Een 500-lbs-bom trof een pijler. Vier dagen later lukte hier, aan welgeteld niet meer dan zeven Typhoons, wat een karavaan van middelzware bommenwerpers in het afgelopen kwartaal maar zelden hadden vermocht: de totale vernietiging van een grote brug. Met een rond de 50º duik stortten zich de jagers van 2300 m omlaag om halverwege de grond hun 1000-ponders los te laten. De tweede Typhoon van de formatie plaatste een voltreffer en toen de laatste golf over het doel raasde zakte de hele overspanning in de Lek.”
98Korthals Altes 1984, 306-307.
Figuur 7. Op een RAF-luchtfoto van 22 januari 1945 is de schade aan de Lekbrug van Vianen en bomkraters op de oever goed zichtbaar (Wageningen University & Research - Library, Special Collections; RWk.2-8; RAF 540-01-0006).
Op Figuur 8 staat het inundatiegebied aangegeven ten westen van IJsselstein. Het water werd door opgeworpen kaden weggehouden bij het stadje. Dat werk werd overigens opgedrongen aan de mannelijke burgerbevolking die begin april 1944 een oproep kregen. Ieder van 16 jaar en ouder moest zich melden. Het gros diende hele dagen te werken, een aantal beroepsgroepen hoefden slechts halve dagen. Alleen de bakkers waren gevrijwaard van ‘spitten voor de Moffen’, zoals het illegale blad Trouw het in februari dat jaar al had genoemd.
Tevens is een de tankgracht ten zuiden van IJsselstein en luchtafweerstellingen ten zuidoosten van die plaats aangegeven.
99Murk 1995, 271.
In IJsselstein zelf stonden door de Duitsers aangebrachte betonblokkades onder andere op de kruising Hogebiezen – Provinciale Weg, Achtersloot-Benschopperweg en op het Eiteren ter hoogte waar tegenwoordig de winkel van Welkoop is. Rondom IJsselstein was aan de westzijde van de IJssel een tankgracht gegraven, met zeer steile taluds. Deze tankgracht liep vanaf de Lagedijk ongeveer langs het punt waar nu de TV zender van Lopik staat in de richting Hogebiezen naar het kruispunt Hogebiezen / Provinciale Weg. Van dit punt werd de Provinciale Weg gevolgd in de richting van ’t Hemeltje. Ongeveer ter hoogte van de tegenwoordige IJsbaan ging hij in een grote bocht over de Benschopper-weg en de Groenendijk naar de Achtersloot ter hoogte van de huidige trambaan, om tenslotte bij het Eiteren de Hollandse IJssel te bereiken. Op de Lagedijk en Hogebiezen waren luchtafweerstellingen opgesteld, ter verdediging van de Lek en het zendercomplex.
100Murk 1995, 275.
Figuur 8. Gearceerd: het geïnundeerde gebied ten westen van IJsselstein (naar Murk 1995, 271).
Figuur 9. Inundatie ter hoogte van Boveneind in 1945 (Collectie RHC Rijnstreek en Lopikerwaard, L0774).
In de polder Broek werd een oppervlakte van ca. 230 hectare geïnundeerd, als onderdeel van de Hintere Wasserstellung, de inundatiegordel die zich door het westen van de provincie Utrecht uitstrekte. Ook werd er een tankgracht gegraven die zich van Lopik uit in een wijde boog om de stad heen boog, daarbij Benschopperweg, Achtersloot, Zuid- en Noord-IJsseldijk doorsnijdend. De tankgracht werd spoedig na de bevrijding gedempt.
101Abbink Spaink , 65.
De geschutsopstellingen zullen zijn ingegraven of op het oppervlak hebben gestaan met een zandzakken bescherming. Tevens is rekening te houden met de aanwezigheid van schuilnissen voor de bemanning bij een directe aanval vanuit de lucht, en met de kuilen voor munitieopslag.
102Zie bijvoorbeeld Bosman, Geerts & Sam 2017 met onderzoek naar een Duitse 2 cm Flakstelling nabij de John Frost brug te Arnhem.
Op het moment van het staken van de strijd op 4 mei 1945 waren de Canadese en Britse troepen nog veel verder van IJsselstein weg vergeleken met de positie van de Duitse troepen op 14 mei 1940. Er is zo bij de bevrijding van deze plaats geen schot gelost.
Figuur 10. Overzicht van de bevrijding van Noord- en Oost-Nederland in 1945 (naar Klep 2020).
Civiel IJsselstein
Net als elders in Nederland werd in september 1941 de gemeenteraad opgeheven en de wethouders ondergeschikt gemaakt aan de burgemeester. Burgemeester Johannes J. Abbink Spaink bleef in het geniep nog wel met zijn wethouders samenwerken.
Op 1 mei 1943 vond er een staking plaats van IJsselsteinse fabrieksarbeiders. De SD greep in en wilde als afschrikkend voorbeeld drie van die stakers executeren. Burgemeester Abbink Spaink verzette zich hier openlijk tegen. Binnen twee weken werd hij zelf zonder reden ontslagen, en werd vervangen door NSB-burgemeester Henri Moot.
Veel van de verzetsdaden waren kleinschalig, maar op 13 maart 1944 werd er een grotere actie uitgevoerd. Op die dag werd het gemeentehuis overvallen. Het doel was om zoveel mogelijk persoonsbewijzen en distributiebonnen buit te maken, hetgeen lukte. Vooral de persoonsbewijzen waren lastig om na te maken. Moot en een aantal van zijn ambtenaren werden opgesloten in de kluis. Het is niet duidelijk of deze ambtenaren een aandeel hadden in de actie. De kans hierop is wel groot aangezien ze na enige tijd alle bevrijd zijn van buitenaf. Een andere verzetsdaad is het tot zinken brengen van een schip bij de gasfabriek in IJsselstein. Hiertoe werd een springlading onder de romp aangebracht.
103Copier – Van den End 19.., 66
Burgemeester Moot speelde iets later een dubieuze rol in het zogeheten verraad van Benschop, waarbij verzetsleden in het openbaar werden geëxecuteerd. Wat hieraan voorafging was dat op 13 februari 1945 Duitse soldaten het dorp binnenvielen. Ze wisten waar ze moesten zijn, mogelijk door een vermomde man die de weg wees. Sommigen nemen aan dat dit NSB-burgemeester Moot zelf was. De razzia leidde tot een schietpartij waarbij aan beide zijden slachtoffers vielen. Een groot aantal mannen werd weggevoerd, waarvan zeven enkele dagen later op het erf van een boerderij werden gefusilleerd.
Hoewel Moot op 5 mei schielijk met de noorderzon vertrok werd hij later opgepakt en tot acht jaar gevangenisstraf veroordeeld. Op 7 mei 1945 kort voor de intocht van de bevrijders, keerde Abbink Spaink terug als burgemeester.
Figuur 11. Op 5 mei 1945 verzamelden Duitse troepen zich voor de aftocht op de Plaats voor het stadhuis van IJsselstein. Rechts werden goederen op karren geladen. Links liepen stoere kinderen met de Nederlandse vlag de straat op (canonvannederland.nl).
De plaats van de Duitsers werd in IJsselstein al snel ingenomen door groep van zo'n 260 Canadese militairen van de 18th Field Company R.C.E. (Royal Canadian Engineers). Ze bleven hier gedurende de periode van 16 juli t/m 23 juli 1945. Hun aanwezigheid was kort, maar gezien hun taken waren ze ideaal voor het verlenen van herstel en noodhulp.
Figuur 12. Een Humber pantserwagen reed op 7 mei 1945 het café-restaurant Ridder Sint Joris voorbij (canonvannederland.nl).
Het was in deze zelfde periode dat veel van de jonge mannen terugkeren, die verplicht te werk waren gesteld in Duitsland. In totaal waren dat 450 personen, waaronder 50 vrijwilligers. De impact op het sociale en maatschappelijke leven was enorm door hun afwezigheid. Slechts een klein aantal was tijdens een zeldzaam verlof in IJsselstein ondergedoken, maar het gros keerde pas na de bevrijding terug.
Wie niet terugkwamen waren de twee mensen die tijdens de landelijke razzia op Roma en Sinti in IJsselstein op 16 mei 1944 zijn opgepakt. Drie dagen later waren ze al op transport naar Auschwitz gesteld.
Vliegtuigcrashes
In het SGLO-verliesregister staat voor de gemeente IJsselstein een crashlocatie vermeld.
104Verliesregister SGLO; http://verliesregister.studiegroepluchtoorlog.nl/.
Op 13 mei 1940 werd boven het nog onbebouwde Kanaleneiland bij Utrecht een Duitse Heinkel HE 111 P bommenwerper met registratie 5J + CH van 1./KG 4 door de Nederlandse 11e Batterij luchtdoelartillerie neergehaald (Figuur 13).
105KG staat voor Kampfgeschwader.
Het toestel maakte een noodlanding in een weiland naast een boomgaard van dhr. Spelt aan de Lagedijk. Het toestel bleef vrijwel intact en de bemanning overleefde de crash, maar werd al snel na een kort vuurgevecht krijgsgevangen gemaakt. Hun lot is ongewis, maar de kans is groot dat ze diezelfde dag of de dag erna via IJmuiden per schip werden afgevoerd naar Engeland om de rest van de oorlog niet meer inzetbaar te zijn. Aan boord van het toestel werden zeer belangrijke documenten gevonden, die onder gewapend geleide naar de commandant Veldleger luitenant-generaal J.J.G. Baron van Voorst tot Voorst werden gezonden.
106Nierstrasz 1955, 82.
De bewapening van deze Heinkel 111 bestond uit vier mitrailleurs MG 15, en er kon 2000 kilo aan afwerpmunitie worden meegevoerd. Er waren nog ca. 30 vliegtuigbommen in het vliegtuig aanwezig die vervolgens naast het toestel in het gras werden gelegd, onder de bewaking van Nederlandse militairen.
107Gezien het aantal betreft het mogelijk de ca. 50 kg zware Splitterbombe SD-50 (Mehrzweckbombe), Spreng- & Brandbombe C-50, Brandbombe C-50 a of B of Nebelbombe NC-50 of een combinatie hiervan.
Op 1 januari 1945, op nieuwjaarsdag, stortte tussen huis en schuur van een boerderij aan de Hoge Biezen een Duits vliegtuig neer. Het toestel, een Messerschmitt Bf109 K-4 van 11./JG 27, is geheel verbrand, zonder noemenswaardige schade aan de boerderij aan te richten.
108JG staat voor Jagdgeschwader.
Figuur 13. De op 13 mei 1940 neergehaalde Heinkel He 111 bij de Lagedijk (beeldbankwoII.nl).
Figuur 14. Locatie van de crashsite van de Heinkel 111 (naar Den Braven 2018).
Bombardementen
Op 13 mei 1940 hebben er luchtbombardementen plaatsgehad tussen de nieuwe rijksweg Utrecht – Den Bosch (huidige A2) en de Hoogen Dijk waarbij een Nederlands militair sneuvelde. Ook in de Achtersloot te IJsselstein en op de brug over de Kromme IJssel ter hoogte van de Rijksweg Utrecht-Den Bosch werden bommen gedropt. Er is geen informatie over schade. Tussen IJsselstein en Montfoort is een colonne vluchtelingen gebombardeerd door Duitse vliegtuigen.
Figuur 15. Uit het voormalige collectie Semi Statische Archiefdiensten: ‘Meldingen betreffende luchtaanvallen in het tijdvak van 10 t/m 14 mei 1940, binnengekomen bij de Rijksinspectie voor de Luchtbescherming te ’s-Gravenhage’ (naar Van den Brandhof 2019).
In de nacht van 31 juli op 1 augustus 1942 vond een bombardement plaats op IJsselstein.
In de periode tussen april 1942 en 1944 vonden er een aantal beschietingen vanuit vliegtuigen plaats boven het gebied tussen Jutphaas en IJsselstein. Het is niet duidelijk of dit luchtgevechten dan wel aanvallen op gronddoelen zijn geweest.
Aan de zuidkant van de brug over de Hollandse IJssel zijn een aantal bomkraters aanwezig. Deze komen voor op luchtfoto’s van respectievelijk 29 november 1944 (7 stuks) en 19 april 1945 (5 stuks). Gezien de data is de kans het grootst dat het geallieerde bomaanvallen betreft.
Alle bombardementen zullen sporen hebben achtergelaten, zoals bomkraters. In veel gevallen zullen deze met aanwezige stort of puin al dan niet vermengd met ander afval zijn afgevuld. In het ergste geval is de afwerpmunitie zelf nog aanwezig indien ontstekingsinrichtingen niet hebben gewerkt. Hoewel ook dit formeel modern oorlogserfgoed betreft, is omwille van de veiligheid geen advies tot behoud te geven.
2.4 Koude Oorlog
Wat betreft de periode van de Koude Oorlog komt de inrichting van IJsselstein er bekaaid van af. De enige objecten betreffen de toegangswegen over het gemeentelijk grondgebied van IJsselstein richting de noodstudio Lopik. Hier is een bunker gevestigd aan de Biezendijk in Lopikerkapel (gemeente Lopik) nabij de Gerbrandytoren. Deze bunker is in de aanloop naar de Koude Oorlog aangelegd en is een van de vier noodstudio's in Nederland die onder crisis- en oorlogsomstandigheden gebruikt zouden kunnen worden. De bunker was eigendom van en in gebruik bij de Rijksvoorlichtingsdienst.
In de bunker was een omroepstudio, versterkerstation en een omroepzender van de middengolf (747 kHz) aanwezig. De bunker was zo ingericht dat men via de ingang eerst door een ontsmettingsruimte moest gaan voordat de bunker zelf betreden kon worden. Ook waren er levenssystemen aanwezig waardoor het ook tijdens zware omstandigheden gewoon kon functioneren.
De bunker zelf ligt op een zandpakket zonder fundering, op deze manier zou hij de ontploffing van een kernwapen van 20 kiloton op een kilometer afstand kunnen weerstaan. Door het gebrek aan fundering en een speciale constructie kan de bunker elke richting op 30 meter vrij bewegen en een hoek aannemen van maximaal 35 graden. Bij het portiershuis is een aparte fundering voor luchtafweergeschut geplaatst.
Alhoewel de zendapparatuur tegenwoordig verwijderd is, functioneren de andere systemen nog wel en zou hij binnen 24 uur weer operationeel te maken zijn. Dat is althans als de huidige eigenaar, een projectontwikkelaar, het niet inmiddels rücksichtslos om zeep heeft geholpen.
Verder zijn er alleen in dezelfde buurgemeente Lopik een munitiecomplex en twee mobilisatiecomplexen bekend. Het betreft ten eerste MMC Benschop, een tussen 1957 en 1997 gebruikt munitiemagazijncomplex aan de Ingenieur F.E.D. van Enschedeweg. Het is nog grotendeels intact.
Complex Lopik is een mobilisatiecomplex aan de Reinaldaweg. Het is net als Benschop ook in 1957 in gebruik gekomen, maar functioneert nog steeds. Iets verder aan dezelfde weg ligt nog een mobilisatiecomplex: Complex Jaarsveld. Dit complex staat ook bekend als ‘Lopik (Jaarsveld)’. Op dit moment worden de loodsen verhuurd als bedrijventerrein.
Een mobilisatiecomplex of MOB-complex is de naam voor een complex van gestandaardiseerde militaire gebouwen met bijbehorende infrastructuur. De meeste complexen werden tussen 1951 en 1961 gebouwd. Rond het jaar 2000 toen de Koude Oorlog ruim voorbij werd geacht, werden veel complexen gesloten (en gesloopt). In een gemiddeld Mobilisatiecomplex ligt geen munitie, maar vooral ander materiaal en materieel. De munitie is voorbehouden aan de MMC locaties, met andere eisen aan opslag, gebouwen en bewaking.
Figuur 16. Locatie van Mobilisatiecomplexen nabij IJsselstein (defensiefotografie.nl).
Literatuur
Abbink Spaink, J. J. (1963). IJsselstein, verleden en heden. IJsselstein.
Bosman, A. V. A. J. (2010). Militair archeologisch erfgoed te Valkenburg ZH: Een historisch overzicht en verwachtingsmodel (Past2Present rapport 510). Woerden.
Bosman, A. V. A. J., Geerts, R. C. A., & Sam, D. (2017). Een brug te ver onderzocht: Archeologisch onderzoek in Stadsblokken-Meinerswijk, gemeente Arnhem (ADC Monografie 22). Amersfoort.
Bosman, A. V. A. J., van Ginkel, E. J., Verweij, J., & Waldus, W. (2014). De archeologie van modern oorlogserfgoed: Rapportage SIKB project 204 Modern oorlogserfgoed in relatie tot de archeologische uitvoering fase 1 (ADC rapport 3595). Amersfoort.
Bosman, A. V. A. J., & Willemsen, M. (2019). De archeologie van modern oorlogserfgoed 2: Waarderen en selecteren, een inventarisatie en voorstel archeologie (Rapportage SIKB project 204 Modern oorlogserfgoed in relatie tot de archeologische uitvoering fase 2, Military Legacy rapport 85). Dordrecht.
Brandhof, W. van den. (2015). Vooronderzoek NGCE Verkenning Centraal Holland (AVG-rapport 1562003-VO-03), Heijen.
Brandhof, W. van den. (2019). Vooronderzoek CE: Dijkverbetering Gekanaliseerde Hollandsche IJssel – Noord (AVG rapport 1962026-VO-01). Heijen.
Braven, G. den. (2018). Vooronderzoek CE: IJsselstein de Kroon (AVG rapport 1862022-VO-02). Heijen.
Copier - Van den End, R. (1995). Vreeswijk in de Tweede Wereldoorlog (Stichting Oudheidskamer Vreeswijk 9). Nieuwegein.
Dijk, T. A. van. (2015). Belgische vluchtelingen en militairen in IJsselstein. Historische Kring IJsselstein, 147/148, 37-48.
Eversteijn, T. (2003). Bombardementen en verongelukte vliegtuigen in de periode 10 mei 1940 - 5 mei 1945. z.pl.
Fleischer, W. (2015). Deutsche Abwurfmunition in ZweitenWeltkrieg: Basiswissen überBomben, Behälter, Lufttorpedos, Minen, VerpackungenundZünder. Aken.
Grimm, P., van Loo, E., & de Winter, R. (2009). Vliegvelden in oorlogstijd: Nederlandse vliegvelden tijdens bezetting en bevrijding 1940-1945. Amsterdam.
Kleijn, H. C. M., van Suchtelen van de Have, R. J. A., Hierck, D. A., van Tilburg, B. A., & de Vries, A. (Red.). (2004). Op weerstand gebouwd: Verdedigingslinies als militair erfgoed. Zwolle.
Klep, C. (2020). De bevrijding van Oost- en Noord-Nederland. Militaire Spectator, 4-2020, 226-227.
Klep, C., & Schoenmaker, B. (Red.). (1995). De bevrijding van Nederland 1944-1945: Oorlog op de flank. Den Haag.
Koen, D. T. (1990). Utrecht verdedigd: Fortificatie en mobilisatie 1914-1940. Utrecht.
Koen, D. T. (1995). Een onuitdoofbaar vuur: Betonnen verdedigingswerken in de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Bunnik.
Korthals Altes, A. (1984). Luchtgevaar: Luchtaanvallen op Nederland 1940-1945. Amsterdam.
Michels, J. (2021). ‘…de fictie dat Holland een vesting is.’ Vestingbouw door het wapen der genie, 1914-’40. Oirschot.
Molenaar, F. J. (1970). De luchtverdediging in de meidagen van 1940: De strijd op Nederlands grondgebied tijdens de Wereldoorlog II (Hoofddeel III, deel 7, Band I en II). Den Haag.
Murk, L. (1995). De inundatie in de Lopikerwaard, 1944-1945. Historische Kring IJsselstein, 72/73, 267-278.
Nierstrasz, V. E. (1955). De operatiën van het veldleger en het Oostfront van de Vesting Holland, mei 1940: De strijd op Nederlands grondgebied tijdens de Wereldoorlog II (Hoofddeel III, deel 3). Den Haag.
Palma, J. (2009). Rapportage van het historisch vooronderzoek naar de aanwezigheid van conventionele explosieven ter plaatse van het plangebied van het project ‘Ruimte voor de Lek’ (T&A Survey rapport 0908-GPR1505). Amsterdam.
Rolf, R., & Sakkers, H. (2005). Duitse bunkers in Nederland. Middelburg.
Schuring, H. A. (1958). De invloed van het landschap op de militaire operaties tijdens de Tweede Wereldoorlog (Proefschrift Rijksuniversiteit Utrecht). Aalten.
Veenstra, S. L. (1992). In de schaduw van de glorie: Overzicht van vliegtuigbergingen in Nederland: 1960-1977. Zutphen.
Vliet, J. van. (1979). Het relaas van de IJsselsteinse Heinkel HE III. Historische Kring IJsselstein, 5. IJsselstein.
Volkers, K. (2009). Geheim landschap: 200 jaar militairen op de Heuvelrug. Utrecht.
Will, C. (2002). Sterk Water: De Hollandse Waterlinie. Utrecht.
Zijlstra, G. (1977). Diary of an air war. New York.
Zwanenburg, G. J. (1980-1982). En nooit was het stil….Kroniek van een luchtoorlog (Deel 1, 2 en bijlage). Den Haag.
Internetbronnen
Beeldbank WO2. (z.d.). Beeldbank WO2. https://beeldbankwo2.nl/nl/
Canon van Nederland. (z.d.). Tijdvak Tweede Wereldoorlog in IJsselstein. https://www.canonvannederland.nl/nl/utrecht/regio-zuidwest/ijsselstein/tweede-wereldoorlog
Defensiefotografie. (z.d.). MOB-complex Lopik. https://defensiefotografie.nl/mob-complex/mob/lopik/
Historische Kring IJsselstein. (z.d.). IJsselstein in de Tweede Wereldoorlog. http://hkij.asuscomm.com/
Museum IJsselstein. (z.d.). Bezet & vrij: De herinneringen. https://www.museumijsselstein.nl/bezet-vrij-de-herinneringen/
RTV Utrecht. (2021, september 23). Explosievenonderzoek bij Lekbrug: ‘Er kunnen nog oude vliegtuigbommen liggen’. https://www.rtvutrecht.nl/nieuws/3094156/explosievenonderzoek-bij-lekbrug-er-kunnen-nog-oude-vliegtuigbommen-liggen
Studiegroep Luchtoorlog. (z.d.). Verliesregister. http://verliesregister.studiegroepluchtoorlog.nl
Wikipedia. (2021, maart 3). Inundatie (1944-1945).https://nl.wikipedia.org/wiki/Inundatie_(1944-1945)
Wikipedia. (2020, december 1). Nieuwe Hollandse Waterlinie. https://nl.wikipedia.org/wiki/Nieuwe_Hollandse_Waterlinie
Wikipedia. (2020, mei 17). Noodstudio Lopik. https://nl.wikipedia.org/wiki/Noodstudio_Lopik
RHC Rijnstreek. (z.d.). IJsselstein in de Tweede Wereldoorlog. https://rhcrijnstreek.nl/bronnen/lokale-historie/ijsselstein/ijsselstein/tweede-wereldoorlog/
RHC Rijnstreek. (z.d.). Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden in de Tweede Wereldoorlog. https://rhcrijnstreek.nl/bronnen/lokale-historie/hoogheemraadschap-de-stichtse-rijnlanden/hoogheemraadschap-de-stichtse-rijnlanden/tweede-wereldoorlog/
Archieven
Kadaster, Emmen.
Military Legacy, Dordrecht.
Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH), Den Haag.
NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, Amsterdam.
Nationaal Militair Museum (NMM), Soesterberg.
Universiteit Wageningen.
Bijlage 7. De Erfgoedwet, de KNA en het archeologisch onderzoekstraject
1Wettelijke eisen aan het archeologisch onderzoek en de uitvoerders
De Erfgoedwet stelt voor uitvoerders van archeologisch onderzoek certificering verplicht (artikel 5.1).
109Hierbij geldt een aantal uitzonderingen: zie het Besluit Erfgoedwet archeologie.
Volgens het “Besluit aanwijzing richtlijn op professionele wijze verrichten van opgravingen” moeten de certificaathouders voldoen aan de Beoordelingsrichtlijn 4000 Archeologie (BRL 4000) versie 4.1
110https://www.sikb.nl/archeologie/richtlijnen/brl-sikb-4000
, en het archeologische onderzoek moet voldoen aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1; zie bijlage 6). De KNA bevat verplichte protocollen en andere eisen en richtlijnen. Enkele KNA-protocollen (PvE, bureauonderzoek en specialistisch onderzoek) zijn weliswaar verplicht, maar hiervoor stelt de wet geen certificaat verplicht (vrijwillig certificaat). Om zeker te zijn van een geborgde kwaliteit wordt geadviseerd ook het uitvoeren van PvE's, bureauonderzoeken en specialistisch onderzoek door gecertificeerde uitvoerders verplicht te stellen (in navolging van enkele provincies en gemeenten).
2Onderzoeksystematiek volgens de KNA
Het archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd volgens een getrapt systeem; een zogenaamde onderzoekstrechter die van grofschalig/extensief tot fijnschalig/intensief onderzoek voert. Na elke onderzoeksfase kan op basis van het bijbehorende onderzoeksrapport blijken dat van verder onderzoek afgezien kan worden. Dit laatste is echter ter beoordeling aan de gemeente: de gemeente toetst alle archeologische onderzoeksrapporten. Zij kan deze afkeuren. Goedkeuring betekent niet automatisch dat de gemeente het onderzoeksadvies (geheel) volgt, al zal dit meestal wel het geval zijn.
Hieronder wordt een globale omschrijving gegeven van de gebruikelijke stappen bij archeologische onderzoek – die in de meeste gevallen niet alle nodig blijken te zijn. Voor de details zie de KNA https://www.sikb.nl/archeologie/richtlijnen/brl-sikb-4000.
2.1 Bureauonderzoek
Door middel van een bureaustudie, waarbij literatuur over landschappelijke ontwikkeling, historische gegevens, bekende archeologische waarden en recent uitgevoerde archeologische onderzoeken in de nabije omgeving worden geraadpleegd, wordt een gespecificeerd verwachtingsmodel opgesteld. De gemeentelijke verwachtingskaart is een goed starpunt maar is een kaart op gemeentelijk niveau. Voor een betrouwbare gespecificeerde verwachting is een nadere verfijning op perceelsniveau noodzakelijk. Het bureauonderzoek resulteert derhalve in een gedetailleerd beeld van de betreffende locatie op basis waarvan een goed onderbouwd advies kan worden gegeven. Dit advies kan zijn dat geen of wel vervolgonderzoek noodzakelijk is. Indien vervolgonderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek nodig is, dient onderbouwd aangegeven te worden welke methode hiervoor het meest geschikt is (zie paragraaf 6.4.2, karterende fase).
2.2 Inventariserend veldonderzoek
Bij het inventariserend veldonderzoek (IVO) wordt een veldonderzoek uitgevoerd dat is toegespitst op de kansrijke zones zoals deze uit het bureauonderzoek naar voren zijn gekomen. Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde verwachting middels waarnemingen in het veld, waarbij aanvullende informatie wordt verkregen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het onderzoeksgebied. Het inventariserend veldonderzoek resulteert in een rapport met een inhoudelijk (selectie-) advies. Op basis van dit rapport dient het bevoegd gezag een selectiebesluit te nemen. Het rapport dient te zijn uitgewerkt tot het niveau waarop het selectiebesluit gefundeerd genomen kan worden.
Deze onderzoeksfase kan worden onderverdeeld in een drietal substappen, te weten de verkennende, karterende en waarderende fase. Het doel van een verkennende fase is het in kaart brengen van de vormeenheden van het landschap en het vaststellen van de intactheid van de bodem. Een karterende fase is gericht op de opsporing van archeologische vindplaatsen. In de waarderende fase wordt beoordeeld of de nieuwe vindplaats wel of niet behoudenswaardig is.
Afhankelijk van de fase binnen het inventariserende onderzoek, de locatie, de bodemopbouw, de diepte van de te verwachten archeologische resten en het verwachte type vindplaats zijn verschillende onderzoeksmethoden mogelijk. Hierbij moet gedacht worden aan een oppervlaktekartering, geofysisch onderzoek, een booronderzoek, een archeologische begeleiding of een proefsleuvenonderzoek. In onderstaande alinea's zal kort worden ingegaan op de verschillende onderzoeksmethoden.
Verkennende fase
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden en om na te gaan of de verwachte bodemopbouw daadwerkelijk intact aanwezig is. Binnen de gemeente IJsselstein kan het uitvoeren van een landschappelijk gericht booronderzoek een zeer geschikte methode zijn voor de verkennende fase, gezien het feit dat in grote gebieden niet op voorhand bekend is op welke diepte de archeologisch relevante bodemlaag zich bevindt. Het doel hierbij is om binnen het plangebied kansarme zones uit te sluiten en kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek. In het geval van begraven bodems is een verkennend booronderzoek een goede methode om te achterhalen wat de dikte van de afdekkende laag is en of nog een intacte bodem aanwezig is onder de afdekkende pakketten.
Het verkennend veldonderzoek is extensief van karakter. Er dient echter rekening te worden gehouden met het feit dat een verkennend veldonderzoek kan resulteren in een vervolgonderzoek in de vorm van een karterend dan wel waarderend veldonderzoek. Indien middels een verkennend booronderzoek kan worden aangetoond dat een plangebied geheel is verstoord tot onder het niveau waarop archeologische resten worden verwacht, dan resulteert de verkennende fase in het geheel vrijgeven van een gebied.
Karterende fase
Tijdens de karterende fase wordt het plangebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen. Tot dusver bestaat een karterende fase meestal uit een proefsleuvenonderzoek of een booronderzoek, zo mogelijk aangevuld met een oppervlaktekartering. Proefsleuvenonderzoek is geschikt voor het opsporen van vindplaatsen die zich kenmerken door grondsporen en een lage dichtheid aan vondsten. Karterend booronderzoek is met name een geschikte prospectiemethode bij het opsporen van vindplaatsen die zich kenmerken door een hoge dichtheid aan vondsten, al dan niet in combinatie met grondsporen. Een oppervlaktekartering kan gebruikt worden als in een onderzoeksgebied “aangeploegde” vondstlagen zijn te verwachten.
De voordelen van karterend booronderzoek bestaan uit het feit dat het snel uitgevoerd kan worden en in verhouding tot een proefsleuvenonderzoek goedkoop is. Van belang is ook dat het een non-destructief onderzoek betreft. Eventueel aanwezige vindplaatsen worden bij dit type onderzoek niet onnodig beschadigd. Het nadeel van karterend booronderzoek is dat dit type onderzoek niet geschikt is voor het opsporen van vindplaatsen waarvan de archeologische resten voornamelijk uit grondsporen bestaan. Grondsporen zijn middels een booronderzoek vrijwel nooit te traceren. Voorbeelden van dergelijke vindplaatsen zijn grafvelden of nederzettingen waar weinig of geen mobilia (meer) aanwezig zijn, zoals nederzettingen uit de metaaltijden. Bij dergelijke vindplaatsen is proefsleuvenonderzoek de geëigende prospectiemethode. Dit geldt ook voor prospectie in stads- en dorpskernen waar de bodem doorgaans geroerd is maar met booronderzoek zeer moeilijk is vast te stellen of dit oudtijds heeft plaatsgevonden (dus een archeologisch niveau betreft) of van recente datum is (een recente verstoring). Hoewel een karterend proefsleuvenonderzoek kostbaarder is dan booronderzoek, heeft het als voordeel dat met enkele gerichte uitbreidingen tevens voldoende gegevens verzameld kunnen worden voor een waardesteling van een aangetroffen vindplaats (zie volgende subparagraaf Waarderende fase). Voor de uitvoering van een proefsleuvenonderzoek is een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch PvE vereist.
Als hulpmiddelen bij de keuze voor een geschikte prospectiemethode wordt verwezen naar de Leidraad proefsleuvenonderzoek (IVO-p) en Leidraad karterend booronderzoek (IVO-o; beide uitgegeven door de SIKB), een de website “Prospectie op Maat” van de RCE.
Waarderende fase
Indien tijdens de verkennende of karterende fase van het veldonderzoek een archeologische vindplaats is aangetroffen, is een waarderende fase noodzakelijk. Een dergelijke waarderende fase van het inventariserend veldonderzoek dient om meer duidelijkheid te verkrijgen over de aard, omvang, diepteligging, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten. Op deze wijze kan gekomen worden tot een waardebepaling van de betreffende site. Een waarderend inventariserend veldonderzoek bestaat meestal uit een proefsleuven/proefputten onderzoek.
111Bij steentijdvindplaatsen van jager-verzamelaars kan een waarderend booronderzoek wel een optie zijn, deze liggen in IJsselstein echter op een diepte van 5 m of meer**.
Bij een waarderend onderzoek dient voor zover in dit stadium mogelijk de Nationale Onderzoeksagenda (NOaA) en indien beschikbaar, de provinciale en/of gemeentelijke onderzoeksagenda te worden betrokken.
112IJsselstein heeft (nog) geen gemeentelijke onderzoeksagenda.
Op basis van de waardestelling zoals deze uit het waarderend onderzoek naar voren is gekomen volgt een selectieadvies en selectiebesluit. Dit advies/besluit heeft betrekking op de volgende stap in het traject, namelijk behoud van de vindplaats (stap 3).
2.3 Behoud
Indien op basis van de waardering van een vindplaats wordt besloten dat de vindplaats behoudenswaardig is, dan kan worden gekozen uit 2 vervolgstappen; behoud in situ of opgraven (behoud ex situ). Bij behoud in situ mag de aanwezige vindplaats niet worden verstoord. Bij behoud ex situ wordt de betreffende vindplaats niet in de bodem behouden, maar wordt de in de bodem aanwezige informatie door middel van een definitief onderzoek veiliggesteld. Hierbij moet worden gedacht aan het opgraven van de vindplaats of aan een archeologische begeleiding.
Behoud in situ
Bij behoud in situ wordt de vindplaats behouden door planaanpassing, zodat de bodem niet verstoord wordt ter plaatse van de vindplaats dan wel tot op het archeologisch relevante niveau. Een dergelijk besluit is het beste instrument dat voorhanden is om een bijzondere vindplaats te kunnen beschermen. Het is tevens het meest ingrijpende instrument, aangezien het kan betekenen dat een geplande ontwikkeling niet door kan gaan, dan wel aangepast dient te worden. Logisch vervolg op een dergelijk besluit is een aangepaste inrichting, eventueel ook beheer, waardoor duurzaam fysiek behoud wordt bereikt. Tot slot is een administratieve vervolgmaatregel nodig, zodat bescherming via het omgevingsplan (kenmerken als monument) wordt gerealiseerd.
Opgraven (Behoud ex situ)
Bij ‘definitief’ opgraven wordt de vindplaats opgegraven, waarbij alle sporen en vondsten worden gedocumenteerd, ingetekend en gefotografeerd.
113Er wordt altijd gekeken naar de voorgenomen bodemverstoringen bij het bouwplan. Dit kan betekenen dat niet de hele vindplaats (alle sporen) hoeft te worden opgegraven.
Na de opgraving is het terrein in principe archeologie-vrij en zijn er geen belemmeringen meer voor bodemverstorende activiteiten.
114Ook hiervoor geldt dat altijd wordt gekeken naar de voorgenomen bodemverstoringen bij het bouwplan. De vrijgave geldt alleen voor de voorgenomen bodemverstoringen.
Voor de uitvoering van een opgraving is een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch PvE vereist. Een dergelijke vaak kostbare stap is een goede optie indien de archeologische vindplaats van dermate belang is dat de betreffende informatie niet verloren mag gaan, maar de geplande bouwwerkzaamheden economisch en maatschappelijk dusdanig zijn dat behoud in situ geen optie is.
2.4 Archeologische begeleiding (proefsleuven- en opgraving-variant archeologische begeleiding
Bij hoge uitzondering kan een regulier proefsleuvenonderzoek of opgraving vervangen worden door een proefsleuvenonderzoek of opgraving in de variant ‘archeologische begeleiding’. In de Memorie van toelichting bij het voorstel tot wijziging van de Monumentenwet 1988 zijn een aantal mogelijke aanleidingen voor een begeleiding opgesomd:
-Wanneer als gevolg van fysieke belemmeringen geen mogelijkheid bestaat om adequaat vooronderzoek te doen;
-Wanneer op grond van beschikbare informatie geconcludeerd is dat een opgraving niet (meer) nodig is, maar er wel behoefte is om die conclusie te staven. De begeleiding moet dan als een controlerend middel worden gezien;
-Wanneer sprake is van bijzondere onderzoeksvragen bij uitvoeringstrajecten.
Om meer praktische redenen wordt soms ook gekozen voor de variant archeologische begeleiding:
-Wanneer het gaat om een ontwikkeling met een laag archeologisch risico, bijvoorbeeld als archeologische resten met een lage trefkans (lage dichtheid) en ene kleine omvang of complexiteit verwacht kunnen worden, kan een archeologische begeleiding voor de vergunningaanvrager een aantrekkelijk alternatief zijn omdat tijd- en procedurewinst te halen is en op kosten van materieel bespaard kan worden. Voorwaarde is wel dat in het PvE strikte eisen aan de uitvoering van de begeleiding worden gesteld zodat geen archeologische resten ongezien verloren gaan. Daarnaast dient de vergunningaanvrager rekening te houden met de mogelijkheid dat de duur van het onderzoek minder goed is in te plannen (planningsrisico).
-In het geval van de aanleg van kabels- en leidingensleuven met een voldoende breedte om zinvolle archeologische waarnemingen te kunnen doen, is een archeologische begeleiding een geschikte methode omdat het gaat om een lijnvormige verstoring die de kenmerken heeft van een reguliere proefsleuf.
-Wanner de bestaande bebouwing eerst nog gesloopt moet worden, en de verwachting bestaat dat de archeologische resten zich direct onder het maaiveld bevinden. In dat geval kan men er voor kiezen om de sloop tot op of net onder het maaiveld archeologisch te laten begeleiden. Als archeologische resten aanwezig blijken, dienen deze te worden gedocumenteerd of men kan ervoor kiezen om mag op die locatie de sloop stil te leggen en in een later stadium een regulier proefsleuvenonderzoek uit te voeren.
Een archeologische begeleiding kan worden uitgevoerd als een variant onder KNA-protocol proefsleuven (indien nog onvoldoende informatie beschikbaar is voor een waardestelling), of onder het KNA-protocol opgraven (indien er sprake is van een behoudenswaardige vindplaats of indien de aanwezigheid hiervan aannemelijk is).
2.5 Depotbeheer
In artikel 5.7 van de Erfgoedwet is vastgelegd dat vondstmateriaal dat tijdens archeologisch onderzoek wordt aangetroffen eigendom is van de depothouder; in het geval van IJsselstein geldt dat de provincie Utrecht de depothouder is. Het doel van depotbeheer is het duurzaam behoud van de informatie van archeologische monumenten ex situ, ten behoeve van toekomstig onderzoek en ten behoeve van de beleving van het cultureel erfgoed. Dit wordt onder meer bereikt door het op zodanige wijze bewaren en beheren van archeologische objecten en bijbehorende originele documentatie, dat de conditie van het materiaal zo stabiel mogelijk blijft en door het waarborgen van de toegankelijkheid van de ex situ bewaarde objecten en documentatie. Alle informatie die bij archeologisch onderzoek verzameld is, wordt volgens een voor professionals toegankelijk en logisch geordend systeem bewaard. Informatie bestaat uit vondsten, monsters en originele documentatie in woord en beeld. Alle materiaal staat geordend op een standplaats, waar zodanige condities heersen, dat vondsten, monsters en documentatie zo stabiel mogelijk kunnen worden bewaard. Tussen vondsten en bijbehorende documentatie moeten kruisverbanden te leggen zijn.
115KNA, protocol 4010 depotbeheer.