3. School
3.2. Schooltijden
3.2.1. Afwijkende schooltijden
Het komt voor dat kinderen vanwege hun beperkingen niet in staat zijn de gehele dag onderwijs te volgen. Ouders verzoeken dan vaak om hun kind eerder op te (laten) halen.
Regel
Uitsluitend als de structurele handicap van ten minste zes maanden van een leerling noodzaakt tot het volgen van slechts een deel van het onderwijsprogramma, dient het college de leerling wel tijdens de schooltijd te vervoeren. Dit gebeurt steeds op basis van een medisch advies en na overleg met de leerplichtambtenaar.
Het college streeft ernaar om in overleg met de school het vervoer in de ochtend of in de middag gelijktijdig te laten plaatsvinden met het reguliere leerlingenvervoer. Het college vervoert zoveel mogelijk de leerlingen met afwijkende schooltijden van één of meerdere scholen gezamenlijk.
3.2.2. Stagevervoer
Regel
Is de stage een onderdeel van het onderwijsprogramma en krijgt de leerling dagelijks leerlingenvervoer naar school, dan bestaat aanspraak op leerlingenvervoer naar het stageadres als voldaan is aan de overige eisen van de verordening.
Regel
Een verzoek om vervoer naar een stageplek moet vergezeld gaan van een stageovereenkomst en een stageplan. Voor het VSO is dit opgenomen Onderwijskundig Besluit WEC.
Naar analogie van de ‘dichtstbijzijnde toegankelijke school’ hanteert het college het begrip ‘dichtstbijzijnde toegankelijke stage’. Het college gaat ervan uit dat scholen dit aspect mee laten wegen in de plaatsing van leerlingen en dat zij stageplekken zoveel mogelijk zoeken in de buurt van het woonadres van de leerling.
Het gehanteerde uitgangspunt houdt in dat het college alleen vervoer naar een stageplek buiten de gemeente bekostigt, als de school toereikend motiveert waarom in het betreffende geval een stage binnen de gemeente niet voldoet en een stage buiten de gemeente een duidelijk meerwaarde heeft voor de leerling. De motivering dient specifiek op de betreffende leerling geschreven te zijn.
Om het plannen van stageritten beter mogelijk te maken, vindt aangepast vervoer naar en van een stageadres op schooldagen plaats op vaste uren in de ochtend (tussen 07:30 uur en 09:00 uur) en de middag (tussen 15:00 uur en 17:30 uur) of aansluitend aan de schooltijden zoals die in de schoolgids zijn opgenomen, met een marge van plus of min 30 minuten.
Aangepast vervoer naar stageadressen vindt niet plaats tijdens het weekend en gedurende schoolvakanties. Op het moment dat een school een studie(mid)dag heeft en de stage doorgang vindt, biedt het college vervoer naar het stageadres.
Stagevervoer vindt alleen plaats in het kader van een arbeidsgericht uitstroomprofiel. Als de leerling een ander, niet arbeidsgericht uitstroompofiel volgt is geen beroep op het leerlingenvervoer mogelijk. De ouders zullen dan een beroep moeten doen op een andere (voorliggende) voorziening. In uitzonderlijke situaties kan het college hiervan afwijken.
3.4. Leerlingen
3.4.1. Schoolgewenningsdagen
Kinderen vanaf drie jaar en tien maanden mogen ten hoogste vijf dagen de basisschool bezoeken (schoolgewenningsdagen, artikel 39, derde lid, WPO).
Regel
De kinderen zijn pas leerling in de zin van de WPO als zij de leeftijd van vier jaar hebben bereikt (artikel 39, eerste lid, WPO). Het college verstrekt bekostiging van het vervoer naar de basisschool of speciale school voor basisonderwijs vanaf het moment dat een kind de leeftijd van vier jaar heeft bereikt en aan de voorwaarden uit de verordening is voldaan.
De toelatingsleeftijd voor kinderen in het speciaal onderwijs is geregeld in artikel 39 van de WEC. Voor leerlingen die op grond van de onderwijswetgeving toegelaten zijn op een school voor speciaal onderwijs, ongeacht of zij de leerplichtige leeftijd hebben bereikt, of al voorbij zijn, kunnen de ouders, als zij voldoen aan de voorwaarden van de gemeentelijke verordening leerlingenvervoer, aanspraak maken op bekostiging van de vervoerskosten.
3.4.2. Asielzoekerskinderen
Voor kinderen die in een AZC verblijven en daar naar school toe gaan bestaat de Richtlijn schoolvervoer asielzoekers. Deze richtlijn houdt in dat het AZC het vervoer betaalt van het AZC naar de school. Dit betaalt het AZC uit de middelen die het via het COA ontvangt. Overige asielzoekersleerlingen die niet in een AZC verblijven, vallen onder de gemeentelijke regeling leerlingenvervoer.
3.4.3. Schakelklas of Taalklas
Een schakelklas (ook wel bekend als Taalklas) is een klas waarin leerlingen extra les krijgen in taal, lezen en nieuwe woordenschat.
Bij de plaatsing van kinderen in een schakelklas houdt het samenwerkingsverband zo veel mogelijk rekening met de school die het meest dichtbij ligt, maar door de urgentie die vaak gepaard gaat met een plaatsing, lukt dat niet altijd. Er ontstaat dan een beroep op het leerlingenvervoer op basis van het afstandscriterium. Betreffende leerlingen komen in aanmerking voor leerlingenvervoer voor de kortst mogelijk periode. Op het moment dat een plek vrijkomt op een dichterbij gelegen schakelklas en daarmee geen beroep meer nodig is op het leerlingenvervoer, veronderstelt het college dat de ouders hiervan gebruik maken. Als een plek dichterbij beschikbaar is vervalt de aanspraak op leerlingenvervoer naar de verder weggelegen schakelklas.
Regel:
Voor kinderen die vallen onder de gemeentelijke regeling leerlingenvervoer en die naar een schakelklas gaan, bestaat aanspraak op leerlingenvervoer voor zover het de dichtstbijzijnde toegankelijke schakelklas is, en aan de overige vereisten in de verordening is voldaan. Als een plek dichterbij beschikbaar komt vervalt de aanspraak op leerlingenvervoer naar de verder weggelegen schakelklas. Het college biedt leerlingenvervoer naar de schakelklas aan voor de periode van maximaal één jaar.
3.4.4. Illegale leerlingen
Het recht op onderwijs, ook voor illegaal in ons land verblijvende leerlingen is gebaseerd op het principe dat de overheid jongeren, waar ook ter wereld, moet toerusten om aan het maatschappelijke leven deel te nemen. Nederland is hiertoe ook internationale verdragsrechtelijke verplichtingen aangegaan. Scholen en gemeenten hoeven leerplichtige leerlingen niet te vragen naar de verblijfsstatus.
3.4.5. Hoogbegaafde leerlingen
Regel
De ouders moeten aantonen door een verklaring van het schoolbestuur van dichterbij gelegen scholen dat hun kind in de dichtstbijzijnde school niet tot het onderwijs is toegelaten. Hoogbegaafdheid alleen is geen reden om vervoer te verstrekken naar een verder weg gelegen school voor primair onderwijs. Vervoer van hoogbegaafde leerlingen is alleen mogelijk als de ouders aantonen dat de leerling is aangewezen op voltijds hoogbegaafden onderwijs, en aan de overige vereisten van de verordening is voldaan.
4. Woning
4.1. Woning
4.1.1. Tweede opstap- of afzetadres
Regel
Het college verstrekt alleen bekostiging van een tweede opstap- of naar een tweede afzetadres als is voldaan aan de volgende criteria:
•de leerling heeft recht op bekostiging van het vervoer van de woning (zie onder 3.1) naar school en/of vice versa;
•het tweede adres voldoet aan het afstandscriterium uit de verordening;
•het opstap- of afzetadres is structureel. Structureel betekent in dit verband dat er sprake moet zijn van een vast, (twee-)wekelijks terugkerend patroon;
•het tweede adres bevindt zich binnen de gemeente Hilvarenbeek;
•er is geen voorliggende voorziening die het vervoer van het tweede adres naar school of van school naar het tweede adres voor haar rekening neemt of zou moeten nemen.
4.1.2. Twee woningen
Een leerling kan twee woningen hebben in de zin van de verordening. Wanneer er bijvoorbeeld sprake is van co-ouderschap, waarbij het kind zowel bij de ene als de andere ouder verblijft, is er sprake van twee hoofdverblijven. Waar de leerling staat ingeschreven doet niet ter zake, doorslaggevend is de feitelijke verblijfplaats van de leerling.
Om aanspraak te maken op bekostiging van leerlingenvervoer moeten beide ouders afzonderlijk een aanvraag indienen bij de gemeente waar hij of zij woonachtig is.
Het college toetst de aanvraag aan de eigen verordening, waarbij het college onder meer bekijkt of er sprake is van een woning in de zin van de verordening, of de school wel de dichtstbijzijnde toegankelijke is en of voldaan is aan de afstandsgrens. Het komt voor dat slechts in één van beide gemeenten aanspraak op leerlingenvervoer bestaat, doordat de school niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school is.
Regel
Om aanspraak te maken op bekostiging van leerlingenvervoer moet iedere ouder afzonderlijk, voor de dagen dat het kind doordeweeks bij hen verblijft, een aanvraag indienen bij de gemeente waar hij of zij woonachtig is.
4.1.3. Tijdelijk verblijf
Regel
Als vooraf vaststaat dat een leerling gedurende een korte periode (niet meer dan zes weken) in een andere gemeente (B) verblijft en zijn oude school blijft bezoeken, dan merkt het college dit verblijf aan als verblijf in de oorspronkelijke gemeente (A). Deze gemeente (A) zal dan ook het vervoer gedurende deze weken blijven verzorgen. Hierbij gaat het college er van uit dat het kind naar zijn eigen school blijft gaan. Is de afstand van het tijdelijk verblijf van de leerling naar school kleiner dan de kilometergrens die gemeente A hanteert, dan zal uiteraard (tijdelijk) geen aanspraak op bekostiging van vervoerkosten bestaan.
Een andere gemeente (buiten de regio) hoeft dit beleid niet te hanteren. In dat geval bepaalt het college van de gemeente waar de leerling feitelijk (kortdurend) verblijft of zij het leerlingenvervoer van de leerling wel of niet vergoedt.
5. Vervoer algemeen
5.1. Afstand
5.1.1. Fietsafstand
Regel
Als tijdens de afhandeling van een aanvraag voor leerlingenvervoer de vraag aan de orde komt of een kind of een ouder het vervoer naar school per fiets kan doen dan geldt het volgende uitgangspunt.
•Primair onderwijs : zes kilometer (eventueel de ouder met kind achterop)
•Voortgezet onderwijs : twaalf kilometer
5.1.2. Loopafstand
Regel
Als tijdens de afhandeling van een aanvraag voor leerlingenvervoer aan de orde komt wat het college van een leerling mag verwachten als het gaat om de afstand die een leerling lopend moet kunnen afleggen, dan geldt het volgende uitgangspunt.
•4 tot en met 8 jaar : anderhalve kilometer
•9 jaar en ouder : twee kilometer
Als de afstand van de woning naar school niet voldoet aan het afstandscriterium dienen de ouders, ook als de route onveilig is, zelf voor begeleiding zorg te dragen.
5.2. Soorten vervoer
5.2.1. Openbaar vervoer, openbaar vervoer met begeleiding
a.Bekostiging van openbaar vervoer
Regel
Het college berekent de kosten van het openbaar vervoer met behulp van de reisplanner op www.9292.nl en de informatie die het openbaar vervoerbedrijf verstrekt op haar eigen website.
b.Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf uur per enkele reis
Als de leerling, met gebruikmaking van het openbaar vervoer, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer is terug te brengen, verstrekt het college bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer.
Het is daarbij niet zo dat de ouders, als zij op basis van het criterium reistijd aanspraak op bekostiging van aangepast vervoer maken, van het college kunnen eisen dat zij de totale reistijd ook daadwerkelijk tot 50% of minder kan terugbrengen in het geval dat het college het vervoer zelf organiseert.
Regel
Om te bepalen of het tijdscriterium van anderhalf uur is overschreden, is slechts van belang dat via individuele meting de conclusie valt te trekken, dat de totale reisduur van die leerling met het openbaar vervoer meer dan anderhalf uur bedraagt en deze met het aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer is terug te brengen. Is hiervan sprake dan kunnen ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer.
Bij de reistijd telt het college vijf minuten wachttijd bij de bushalte per rit op. Bij de bepaling van de reistijd van het openbaar vervoer gaat het college uit van de dienstregeling zoals deze is vermeld op www.9292.nl.
Als de goedkoopst adequate manier van vervoer bestaat uit een combinatie van verschillende vormen van vervoer (bus en trein, fiets en trein et cetera), staat het de gemeente vrij om de wijze van bekostiging te kiezen.
Als de gemeente gebruik gaat maken van centrale opstapplaatsen gelden de volgende richtlijnen:
•de leerlingen dienen van huis naar een opstapplaats te lopen, te fietsen of te worden gebracht. Hiermee mag een reistijd gemoeid zijn van ten hoogste dertig minuten enkele reis;
•de vertrektijden van de bus moeten zodanig zijn afgestemd op de aanvangs- en eindtijden van de lessen dat er niet of nauwelijks sprake is van wachttijden;
•wanneer de leerling begeleiding nodig heeft bij het vervoer van huis naar de opstapplaats moeten de ouders zelf voor de begeleiding zorgdragen.
5.2.2. Eigen vervoer in de vorm van auto of (brom)fiets
Ten behoeve van het stimuleren van zelfredzaamheid is eigen vervoer de aangewezen vervoersvorm, mits de ouders in staat zijn eigen vervoer te organiseren en de leerling in staat is daarvan gebruik te maken. Of van bekostiging van eigen vervoer sprake kan zijn is ter beoordeling van het college. Bepalend hiervoor is dat dit vervoer voor de gemeente de goedkopere wijze van vervoer is.
a.Vervoer per fiets
Voor de bekostiging van vervoer per fiets geldt een vergoeding van € 0,09 (9 eurocent) per kilometer.
b.Eigen vervoer per auto
Voor eigen vervoer per auto geldt dat de bekostiging van het eigen vervoer is gerelateerd aan de bekostiging waar de ouders op basis van de bepalingen in de verordening voor in aanmerking komen: voor openbaar vervoer of voor aangepast vervoer. Als het college besluit aan ouders een kilometervergoeding voor eigen vervoer toe te kennen, verstrekt zij een vergoeding volgens de artikelen 13 en 19 van de verordening, die is afgeleid van hoofdstuk 10.2 van de CAO Rijk.
Ten aanzien van de vergoeding van autokosten kan het college kiezen voor een schijvenmodel. Als zij deze systematiek hanteert, vergoedt zij de heen- en terugreis tweemaal. De vergoeding is dan als volgt:
Aantal kilometers
Kilometervergoeding in Euro’s
0-5000 kilometer
€ 0,24 (65% * € 0,37) per kilometer
5.001 – 10.000 kilometer
€ 0,18 (48% * € 0,37) per kilometer
10.001 – 20.000 kilometer
€ 0,14 (37% * € 0,37) per kilometer
20.001 kilometer en verder
€ 0,12 (33% * € 0,37) per kilometer
Ten aanzien van de vergoeding op basis van openbaar vervoer geldt de berekening zoals opgenomen onder paragraaf 5.2.1.
Opmerking 1: vergoeding tussen de middag
Het college vergoedt maximaal twee enkele reizen per dag: aan het begin en aan het einde van de schooldag. Het college verstrekt geen bekostiging voor de kosten die ontstaan als de ouders de leerling ook tussen de middag vervoeren.
Opmerking 2: twee of meer leerlingen
Als ouders twee of meer leerlingen vervoeren die aangepast vervoer behoeven, gaat het college uit van de rijafstand, uitgaande van de woning van de te vervoeren leerling die het verst van de school verwijderd woont.
6. Aangepast vervoer
6.2. Ophaal- en afzetplaats
6.2.1. Woning en school
Bij aangepast vervoer haalt de vervoerder de leerlingen aan huis op, tenzij een leerling de indicatie ‘opstapplaats’ heeft. Aan huis ophalen betekent dat de vervoerder de leerling ophaalt bij de voordeur. Bij een flat of instelling geldt de hal of centrale receptie als ophaalplaats. Voor alle schoollocaties geldt dat per school is bepaald waar de vervoerder de leerlingen afzet, bijvoorbeeld bij de toegang van het schoolterrein of in de centrale hal van de school.
6.2.2. Opstapplaats
De gemeente kan opstapplaatsen hanteren. Als de vervoerder een leerling op een opstapplaats moet ophalen, geldt dat het college de ligging van de opstapplaats bepaalt.
6.2.3. Overstapplaatsen
Het college kan beslissen dat zij bij de uitvoering van het vervoer, gebruik maakt van overstapplaatsen.
6.6. Vervoer
6.6.1. Kleinschalig vervoer
Met kleinschalig vervoer wordt bedoeld dat het om medische en/of psychosociale redenen niet mogelijk is om een leerling anders dan met een gelimiteerd aantal leerlingen te vervoeren. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan het voorkomen dat het nodig is een leerling om medische en/of psychosociale redenen met een gelimiteerd aantal leerlingen te vervoeren. Het college kent dit kleinschalig vervoer alleen toe op basis van een medisch advies en legt dit vast in een beschikking. Het college toetst de indicatie voor individueel vervoer jaarlijks bij de ontvangst van een nieuwe aanvraag.
6.6.2. Individueel vervoer
Met individueel vervoer wordt bedoeld dat het om medische en/of psychosociale redenen niet mogelijk is om een leerling samen met andere leerlingen te vervoeren. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan het voorkomen dat het nodig is een leerling om medische en/of psychosociale redenen individueel te vervoeren. Het college kent individueel vervoer alleen toe als groepsvervoer en kleinschalig vervoer niet mogelijk is. Het college kent individueel vervoer alleen toe op basis van een medisch advies en legt dit vast in een beschikking. Het college toetst de indicatie voor individueel vervoer jaarlijks bij ontvangst van een nieuwe aanvraag.
9. Drempelbedrag en draagkracht
9.1. Drempelbedrag
9.1.1. Fietsvergoeding
Ten aanzien van het heffen van een drempelbedrag voor leerlingen die in aanmerking komen voor een fietsvergoeding, geldt dat de fietsvergoeding in een aantal gevallen lager is dan het door de ouders verschuldigde drempelbedrag.
Regel
Bij een fietsvergoeding brengt het college geen drempelbedrag in rekening.
9.1.2. Terugval in inkomen
Als peiljaar voor het inkomen geldt volgens artikel 4, zevende lid, WPO het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar, waarvoor de ouder bekostiging van de vervoerskosten vraagt, begint.
Als het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar waarin het inkomen is bepaald, en het jaar waarin de aanvraag is ingediend, op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 23 van de verordening. Door het kiezen van een later peiljaar kan het voorkomen dat ouders in dat latere peiljaar niet voldoen aan de inkomensgrens en dus geen drempelbedrag hoeven te betalen.
Regel
Op aanvraag van de ouder gaat het college bij de toepassing van artikel 15 uit van het inkomen van een ander jaar dan het inkomen over het tweede jaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor de bekostiging is gevraagd als:
a.sprake is van een terugval in inkomen over het voorafgaande jaar waarvoor bekostiging is gevraagd, in welk geval het college uitgaat van het jaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor de bekostiging is vastgesteld; of
b.sprake is van een terugval in inkomen over het jaar waarvoor de bekostiging is vastgesteld, in welk geval het college uitgaat van het jaar waarvoor de bekostiging is vastgesteld.
Voor de toepassing van het eerste lid verstaat het college onder een terugval in inkomen een vermindering van het toetsingsinkomen van de ouder van ten minste 15% ten opzichte van het tweede jaar, voorafgaande aan het jaar waarvoor de bekostiging is vastgesteld.
9.1.3. Pleegouders en voogdijinstellingen
Regel
Het college legt geen drempelbedrag op aan pleegouders en voogdijinstellingen.