Artikel 2.38 Vestiging uit buitenland
1Degene die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden, meldt zich uiterlijk op de vijfde dag na de aanvang van zijn verblijf in persoon bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn woonadres heeft om daarbij schriftelijk aangifte van verblijf en adres te doen. Indien hij geen woonadres heeft, kiest hij een briefadres en meldt hij zich binnen de gestelde termijn bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn briefadres heeft om de bedoelde aangifte te doen.
2Hij doet in de aangifte mededeling van de gegevens over zijn toekomstig verblijf in Nederland, over zijn adres in de gemeente en over het vorige verblijf buiten Nederland.
3Hij geeft bij de aangifte de inlichtingen en overlegt de geschriften ter zake van feiten betreffende zijn burgerlijke staat, zijn nationaliteit en zijn eerder verblijf in Nederland, die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders legt hij van een geschrift een door een beëdigde vertaler vervaardigde Nederlandse vertaling over. Indien hij zich in Nederland vestigt, komende vanuit Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen, overlegt hij een hem betreffend verhuisbericht, verstrekt door de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in de basisadministratie in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen, waar hij laatstelijk als ingezetene was ingeschreven.
4Degene die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden, doet aangifte van verblijf en adres overeenkomstig het eerste tot en met het derde lid, op het moment dat hij ophoudt te behoren tot een categorie als bedoeld in artikel 2.6.
5In een geval als bedoeld in het vierde lid vangt de in het eerste lid bedoelde termijn van vijf dagen aan met ingang van de dag na die waarop een in dat lid bedoelde situatie is ingetreden.
6Aangifte van verblijf en adres blijft achterwege indien: a. het verblijf aanvangt door geboorte en inschrijving plaatsvindt op grond van de geboorteakte, b. de betrokkene behoort tot een categorie van personen als bedoeld in artikel 2.6, of c. de betrokkene een vreemdeling is die geen rechtmatig verblijf geniet.
Iedereen moet op grond van artikel 2.38 BRP aangifte van verblijf en adres doen als tenminste twee derde in Nederland verblijft. Doet hij dit niet dan kan hem een bestuurlijke boete opgelegd worden. Voordat het college van B&W dit doet, roept het college van B&W betrokkene ingevolge artikel 2.47 op om te verschijnen. In deze oproep wordt een termijn genoemd. Als hij niet verschijnt op of voor deze datum, dan wordt betrokkene voor de tweede keer opgeroepen. In de oproepen wordt de waarschuwingsclausule opgenomen dat als hij niet verschijnt, dat hem dan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.
Vervolgens zijn er 4 mogelijkheden:
-Betrokkene verschijnt en doet aangifte van verblijf en adres. Er kan overwogen worden om van een boete af te zien;
-Betrokkene verschijnt of verschaft informatie. Uit de gegeven informatie blijkt dat betrokkene niet verblijft in Nederland. In dat geval besluit het college van B&W betrokkene niet in te schrijven in de BRP. Daarom wordt er geen boete opgelegd;
-Betrokkene verschijnt of verschaft informatie, die voor het college van B&W geen aanleiding is om aan te nemen dat betrokkene niet in Nederland woont. In dat geval besluit het college van B&W betrokkene ambtshalve op te nemen als ingeschreven en wordt een bestuurlijke boete opgelegd op grond van 2.38 Wet BRP;
-Betrokkene verschijnt niet en geeft geen informatie. Het college van B&W bepaalt op grond van het dossier of het aannemelijk is dat betrokkene verblijft op een adres in Nederland. Als dat het geval is, dan wordt na het doorlopen van de voornemenprocedure een besluit genomen tot ambtshalve inschrijving en wordt een boete opgelegd op grond van overtreding 2.47 en 2.38 Wet BRP.
Artikel 2.39 Adreswijziging
1De ingezetene die zijn adres wijzigt doet hiervan schriftelijk aangifte bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn nieuwe adres heeft.
2Hij doet niet eerder aangifte dan vier weken vóór de beoogde datum van adreswijziging en niet later dan de vijfde dag na de adreswijziging. Hij doet in de aangifte mededeling van de datum van adreswijziging en van de gegevens over het nieuwe en het vorige adres.
3Indien een ingezetene geen woonadres heeft, kiest hij een briefadres. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Iedereen moet op grond van artikel 2.39 BRP aangifte van verhuizing doen, als hij een ander woonadres heeft of krijgt. Doet hij dit niet dan kan hem een bestuurlijke boete opgelegd worden. Voordat het college van B&W dit doet, roept het college van B&W betrokkene ingevolge artikel 2.47 op om te verschijnen. In deze oproep wordt een termijn genoemd. Als hij niet verschijnt op of voor deze datum, dan wordt betrokkene voor de tweede keer opgeroepen. In de oproepen wordt de waarschuwingsclausule opgenomen dat, als hij niet verschijnt, hem dan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.
Vervolgens zijn er 4 mogelijkheden:
-Betrokkene doet alsnog aangifte van verhuizing. Er kan worden overwogen om van een boete af te zien;
-Betrokkene verschijnt of verschaft informatie. Uit de gegeven informatie blijkt dat betrokkene niet verhuisd is. In dat geval besluit het college van B&W betrokkene ingeschreven te laten staan op zijn adres. Daarom wordt er ook geen boete opgelegd;
-Betrokkene verschijnt of verschaft informatie, die voor het college van B&W geen aanleiding is om aan te nemen dat betrokkene op zijn adres is blijven wonen. Tevens weigert hij aangifte te doen van verhuizing. Van de weigering wordt een aantekening gemaakt. In dat geval besluit het college van B&W betrokkene ambtshalve op te nemen als vertrokken naar een onbekend adres op grond van 2.20, of als zijn nieuwe adres bekend is, hem ambtshalve te verhuizen naar zijn nieuwe adres. Er wordt een bestuurlijke boete opgelegd op grond van overtreding 2.39 Wet BRP;
-Betrokkene verschijnt niet en geeft geen informatie. Het college van B&W bepaalt op grond van het dossier of het aannemelijk is dat betrokkene is verhuisd. Als dat het geval is, dan wordt een besluit genomen tot ambtshalve verhuizing naar het nieuwe adres of tot ambtshalve opneming als vertrokken naar een onbekend adres ingevolge artikel 2.20. Er wordt een boete opgelegd op grond van overtreding 2.47 en 2.39 Wet BRP.
Artikel 2.40 Kiezen briefadres en mededeling doen van die mogelijkheid door hoofd instelling
1Degene die zijn woonadres heeft in een instelling die is aangewezen op grond van het derde of het vierde lid kan, in afwijking van de artikelen 2.38, eerste lid, en 2.39, eerste lid, in plaats van zijn woonadres een briefadres kiezen en daarvan overeenkomstig de genoemde bepalingen aangifte doen.
2Een instelling wordt slechts aangewezen indien de aard van de instelling meebrengt, dat door opneming van het adres daarvan in de basisregistratie de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen onevenredig zou kunnen worden geschaad.
3Onze Minister kan categorieën van instellingen dan wel instellingen afzonderlijk aanwijzen, voor zover het betreft: a. instellingen voor gezondheidszorg; b. instellingen op het gebied van de kinderbescherming; c. penitentiaire instellingen.
4Het college van burgemeester en wethouders kan een in de gemeente gevestigde instelling aanwijzen indien het betreft een instelling op het terrein van maatschappelijke opvang, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, onder 7°, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.
5Het hoofd van een aangewezen instelling doet aan de betrokken personen tijdig schriftelijk mededeling van de mogelijkheid tot aangifte van een briefadres.
Aanbevelingen: Bestuurlijke boete kan in beginsel worden opgelegd. In de praktijk zal het college van B&W de instelling informeren over deze verplichting. Het advies luidt dan ook: Maak hierover afspraken met de instellingen. Indien men zonder goede reden niet wil meewerken, kan gewezen worden op de mogelijkheid van een bestuurlijke boete.
Artikel 2.43 Vertrek naar het buitenland
1De ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven, doet bij het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente voor zijn vertrek uit Nederland schriftelijk aangifte van vertrek. De aangiftetermijn vangt aan op de vijfde dag voor de dag van vertrek.
2De ingezetene doet in die aangifte mededeling van de gegevens over zijn vertrek en het volgende verblijf buiten Nederland.
3Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent bijzondere gevallen waarin het eerste lid niet van toepassing is.
Iedereen moet op grond van artikel 2.43 BRP aangifte van vertrek doen, als hij emigreert. Doet hij dit niet dan kan hem een bestuurlijke boete opgelegd worden. Voordat het college van B&W dit doet, roept het college van B&W betrokkene ingevolge artikel 2.47 op om te verschijnen. In deze oproep wordt een termijn genoemd. Als hij niet verschijnt op of voor deze datum, dan wordt betrokkene voor de tweede keer opgeroepen. In de oproepen wordt de waarschuwingsclausule opgenomen dat als hij niet verschijnt, dat hem dan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.
Vervolgens zijn er 4 mogelijkheden:
-Betrokkene doet alsnog aangifte van vertrek. Er kan worden overwogen geen boete op te leggen;
-Betrokkene verschijnt of verschaft informatie. Uit de gegeven informatie blijkt dat betrokkene verblijft in Nederland. In dat geval besluit het college van B&W betrokkene ingeschreven te laten staan op zijn adres of op een ander adres in Nederland. Daarom wordt er geen boete opgelegd;
-Betrokkene verschijnt of verschaft informatie, die voor het college van B&W geen aanleiding is om aan te nemen dat betrokkene op zijn adres is blijven wonen. In dat geval besluit het college van B&W betrokkene ambtshalve op te nemen als vertrokken en wordt een bestuurlijke boete opgelegd op grond van 2.43 Wet BRP;
-Betrokkene verschijnt niet en geeft geen informatie. Het college van B&W bepaalt op grond van het dossier of het aannemelijk is dat betrokkene is vertrokken. Als dat het geval is, dan wordt een besluit genomen tot ambtshalve vertrek en wordt een boete opgelegd op grond van overtreding 2.47 en 2.43 Wet BRP.
Artikel 2.45 Na aangifte inlichtingen geven en geschriften overleggen/in persoon verschijnen
1Degene die aangifte heeft gedaan als bedoeld in de artikelen 2.38 tot en met 2.40 en artikel 2.43, geeft op verzoek van het college van burgemeester en wethouders de inlichtingen ter zake van zijn aangifte die van belang zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie. Deze verplichting is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het overleggen van geschriften. De betrokkene verschijnt hierbij desgevraagd in persoon.
2In de aangifte van een briefadres worden de redenen voor de aangifte van een briefadres medegedeeld. Bij de aangifte wordt een schriftelijke verklaring van instemming gevoegd van de briefadresgever.
3De briefadresgever draagt zorg dat voor de houder van het briefadres bestemde geschriften of inlichtingen daarover, aan hem worden doorgegeven of medegedeeld.
4De briefadresgever verstrekt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders, desgevraagd in persoon, ter zake van dat briefadres de inlichtingen en overlegt de geschriften die noodzakelijk zijn voor de bijhouding van de basisregistratie.
5Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het eerste tot en met vierde lid.
Aanbevelingen: Artikel 2.45 valt uiteen in twee onderdelen:
1het verzoek nadere informatie te vragen aan de burger die aangifte doet van een adreswijziging ten behoeve van de bijhouding van de gegevens in de BRP, dan wel betrokkene te vragen in persoon te verschijnen;
2de mogelijkheid een briefadres aan te vragen, met daarbij vermeld de voorwaarden waaronder het aangevraagd kan worden en welke verplichtingen er verbonden kunnen worden aan het hebben van een briefadres.
De bestuurlijke boete kan opgelegd worden voor het niet verstrekken van informatie of het in persoon niet verschijnen, terwijl het college van B&W betrokkene heeft opgeroepen om te verschijnen.
Ook kan de boete opgelegd worden voor de volgende verplichtingen die betrekking hebben op het hebben van een briefadres:
-aan de briefadresgever vanwege zijn verplichting om zorg te dragen voor de post van de briefadresnemer. De verplichting kan wel bij overtreding bestraft worden met een bestuurlijke boete, maar de verwijtbaarheid zal vaak moeilijk aantoonbaar zijn.
(Zie ook de circulaire van de Minister van BZK ‘Correcte inschrijving op een briefadres’ van 1 juni 2012, kenmerk 2012-0000306843, te vinden op www.bprbzk.nl);
-aan de briefadresgever in verband met het verzoek inlichtingen te verschaffen ter zake van het briefadres. Bij overtreding van lid 4 kan de bestuurlijke boete een houdbare sanctie zijn.
De briefadresgever kan wel om informatie worden gevraagd, maar deze hoeft bijvoorbeeld niet te weten waar de briefadresnemer verblijft. Als de briefadresgever aangeeft dat hij niet beschikt over bepaalde informatie, dan heeft hij voldaan aan zijn verplichting om inlichtingen te geven. Hem kan geen bestuurlijke boete opgelegd worden, als hij aangeeft geen informatie te hebben. Hij kan niet beboet worden voor hetgeen hij niet weet. Als aannemelijk is dat de briefadresgever wel degelijk weet waar de gezochte persoon verblijft en dit niet meedeelt, dan is dit wel sanctioneerbaar met een bestuurlijke boete.
Ook kan het zijn dat de briefadresgever deze functie niet meer kan uitoefenen. Het college van B&W stelt dit vast. De verplichtingen voor de briefadresgever vervallen in dat geval.
Artikel 2.47 Na vermoedelijk verzuim aangifte inlichtingen geven en geschriften overleggen/in persoon verschijnen
Degene ten aanzien van wie het college van burgemeester en wethouders het redelijke vermoeden heeft dat hij in gebreke is met het doen van een aangifte als bedoeld in de artikelen 2.38 tot en met 2.43, verstrekt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders, desgevraagd in persoon, binnen een door het college in het verzoek te noemen termijn, ter zake de inlichtingen en overlegt de geschriften die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie.
Aanbeveling: Artikel 2.47 Wet BRP verplicht de ingeschrevene om informatie te verstrekken over zijn adres, wanneer het college van B&W het redelijke vermoeden heeft dat de ingeschrevene geen aangifte heeft gedaan van verblijf en adres, adreswijziging of vertrek. Ook kan de burger op grond van dit artikel verplicht worden om in persoon te verschijnen.
Tijdens het adresonderzoek vraagt het college van B&W om aanvullende informatie over het adres, dan wel vraagt het college van B&W betrokkene om in persoon te verschijnen om aangifte te doen. Hiervoor geeft het college van B&W betrokkene een termijn. Als de termijn verstreken is, wordt aan betrokkene een voornemenbrief gestuurd. Hierin wordt betrokkene een tweede mogelijkheid gegeven om alsnog te verschijnen dan wel de gevraagde informatie te verstrekken. Voldoet betrokkene hier niet aan, dan kan betrokkene een bestuurlijke boete opgelegd worden voor het niet verstrekken van informatie of het niet in persoon verschijnen.
Artikel 2.48 Anderen op wie verplichtingen ook rusten
De verplichtingen, vermeld in de artikelen 2.38, 2.39 en 2.43 tot en met 2.47, rusten op: a. ouders, voogden en verzorgers voor minderjarigen jonger dan 16 jaar; b. ouders, voogden en verzorgers voor inwonende minderjarigen van 16 jaar of ouder, tenzij de minderjarige zelf de verplichting vervult; c. curatoren voor onder curatele gestelden.
In artikel 2.48 Wet BRP staan de personen genoemd, op wie de verplichting van het doen van aangifte rust, namens minderjarigen en onder curatele gestelden. Aan de in dit artikel genoemde personen kan de bestuurlijke boete opgelegd worden, als ze geen aangifte doen van de adreswijziging namens personen, die ze vertegenwoordigen.
Ten aanzien van de aangifte van adreswijziging van een kind zijn er meerdere mensen, die verplicht zijn om aangifte te doen namens het kind. Als er meerdere personen zijn die verplicht zijn tot aangifte, moet bepaald worden op welke persoon in de betrokken situatie de verplichting van aangifte het meest rust. Dit zal/zullen in het algemeen de persoon/personen is/zijn bij wie het kind gaat wonen, dan wel de persoon/personen die verantwoordelijk is/zijn voor de opvoeding en verzorging van het kind.
Als er meerdere personen verplicht zijn tot aangifte, dan zijn ze wel hoofdelijk aansprakelijk voor het betalen van de bestuurlijke boete.
Ten aanzien van het opleggen van bestuurlijke boete op de personen, die in dit artikel worden genoemd, worden de volgende aanbevelingen gedaan:
-Eén boete kan aan twee ouders gezamenlijk worden opgelegd. Zij zijn hoofdelijk aansprakelijk;
-Als het gaat om ouders van een minderjarig kind waarvoor aangifte gedaan moet worden, dan de boete opleggen aan de ouder bij wie het kind verblijft;
-Als het kind niet bij de ouders verblijft dan de boete opleggen aan de ouders of de voogd of de verzorger, een en ander afhankelijk van de situatie blijkens het dossier. Voor de hand ligt dat degene die het kind feitelijk dagelijks verzorgt het meest in aanmerking komt.
Artikel 2.50 Instellingen of bedrijven verstrekken informatie over verblijvende personen op aanwijzing van het college van B&W
Het hoofd van een instelling of bedrijf waar personen verblijf plegen te houden, de instellingen, bedoeld in artikel 2.40 daaronder begrepen, verstrekt, indien de instelling of het bedrijf ter zake door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen, op door het college te bepalen tijdstippen aan het college de door het college gevraagde inlichtingen over de personen die naar redelijke verwachting in de instelling of het bedrijf voor onbepaalde tijd verblijf zullen houden dan wel gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd zullen overnachten.
Het college van B&W kan instellingen en/of bedrijven aanwijzen die deze verplichting opgelegd krijgen. In dat geval vermeldt het college van B&W in die aanwijzing wanneer de informatie moet worden verstrekt en kan bij overtreding van die verplichting uiteindelijk een bestuurlijke boete worden opgelegd.
Het college van B&W kan het beperken tot zogenaamde risico-adressen, zoals bijv. pensions of kamerverhuurbedrijven.
Bij niet-aanwijzing is het wel aan te bevelen om in overleg met de instellingen en/of bedrijven werkafspraken te maken, bijvoorbeeld dat zij personen informeren over de aangifteplicht.
Bij het aanwijzen van instellingen of het maken van afspraken is het raadzaam de instellingen te informeren over het gemeentelijke boetebeleid.
1.24 Overig
Artikel 2.44 Spontaan inlichtingen geven en geschriften overleggen over burgerlijke staat
Op grond van artikel 2:44 Wet BRP is de betrokkene verplicht om brondocumenten of inlichtingen te verstrekken of in persoon te verschijnen.
Een bestuurlijke boete voor deze overtreding zal in de regel samen gaan met artikel 2.46. Als de burger iets niet spontaan doet en het college van B&W komt hier achter, dan zal zij de burger vragen dit alsnog te doen. Dit laatste valt dan direct onder de werking van artikel 2.46. Het advies is om geen dubbele boete (zowel voor 2.44 als voor 2.46) op te leggen.
Artikel 2.46 Op verzoek inlichtingen geven en geschriften overleggen over burgerlijke staat/in persoon verschijnen
De ingezetene verstrekt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders over feiten betreffende zijn burgerlijke staat en nationaliteit, desgevraagd in persoon, de inlichtingen en overlegt de geschriften die noodzakelijk zijn voor de bijhouding van de basisregistratie. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders legt hij van een geschrift een door een beëdigde vertaler vervaardigde Nederlandse vertaling over.
Het verzoek zal vaak worden gedaan bij de aangifte van verblijf en adres. Als de burger dan verklaart welke gegevens er bij zijn burgerlijke staat horen en hij niet direct de noodzakelijke brondocumenten kan overleggen, zal het college van B&W hem verzoeken daar alsnog binnen een redelijke termijn mee te komen. Die termijn kan uiteenlopen afhankelijk van hoeveel tijd het naar verwachting kost om de documenten te verkrijgen.
De procedure wordt beschreven in het werkproces Inleveren Brondocumenten Burgerzaken Heusden
Het kan voorkomen dat de oproep wordt gedaan op basis van een lopend onderzoek dat ook als zodanig is terug te vinden op de persoonslijst. De betreffende gegevens staan dan in onderzoek. Indien tijdens het onderzoek de burger verhuist naar een andere gemeente, luidt het advies aan de vertrekgemeente om dan het onderzoeksdossier spontaan aan de volgende bijhoudingsgemeente toe te sturen.
-Wanneer er geen gegevens op de persoonslijst in onderzoek staan, dan wordt ook geadviseerd het dossier toe te sturen aan de volgende bijhoudingsgemeente. Voorbeeld: de burger heeft bij zijn aangifte van verblijf en adres verklaard gehuwd te zijn maar had daar geen document van bij zich. Hij krijgt van het college van B&W de verplichting opgelegd alsnog binnen een termijn te komen met het brondocument. Wanneer de burger binnen die termijn verhuist naar een andere gemeente, dan zal die volgende bijhoudingsgemeente het proces kunnen oppakken aan de hand van het toegestuurde dossier.
-Indien de vorige bijhoudingsgemeente al gedreigd had met een bestuurlijke boete, dan wordt aangeraden aan de volgende bijhoudingsgemeente zelf ook eerst een waarschuwing af te geven alvorens de bestuurlijke boete op te leggen.
Artikel 2.51 Inlichtingen en geschriften overleggen over een overlijden van een familielid
De echtgenoot, de geregistreerde partner en andere nabestaanden tot en met de tweede graad van een ingezetene die in het buitenland is overleden, verstrekken op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene is ingeschreven, aan het college, voor zover mogelijk, de inlichtingen over dat overlijden en overleggen de geschriften die noodzakelijk zijn voor de bijhouding van de basisregistratie.
Hanteer de volgende uitgangspunten:
Belangrijk is dat het college van B&W redelijk zeker weet dat de betreffende persoon is overleden, maar zelf niet ondanks eventuele pogingen daartoe (via bijv. ambassade) de beschikking heeft gekregen over de overlijdensakte.
Er is gebrek aan een goed brondocument om de overlijdensgegevens aan te ontlenen.
Het niet overleggen van stukken of niet geven van inlichtingen is verwijtbaar.
Kies zorgvuldig het familielid aan wie de verplichting wordt opgelegd. De mogelijkheid een boete opleggen kan hier fungeren als middel om de BRP goed op orde te brengen. De boete wordt alleen opgelegd als zeker is dat het familielid de akte heeft of daar eenvoudig de beschikking over kan krijgen.
Artikel 2.52 Identificatieplicht bij in persoon verschijnen
1Degene die ter uitvoering van ingevolge deze paragraaf op hem rustende verplichtingen in persoon bij het college van burgemeester en wethouders verschijnt, overlegt desgevraagd met het oog op de vaststelling van zijn identiteit een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
2.De in artikel 2.48 bedoelde ouders, voogden, verzorgers en curatoren van minderjarigen of onder curatele gestelden, laten desgevraagd de minderjarige of de onder curatele gestelde met het oog op de vaststelling van de identiteit verschijnen bij het college van burgemeester en wethouders en overleggen desgevraagd een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in het eerste lid.
Bij de weigering om een ID-bewijs te overleggen kan de bestuurlijke boete worden opgelegd.
Opleggen van de bestuurlijke boete kan lastig zijn wanneer het college van B&W niet weet met wie zij te maken heeft.
Indien duidelijk is dat een burger ID-fraude pleegt (hij zich bewust voor een ander uitgeeft (bijvoorbeeld in het kader van een aangifte, als bedoeld in de wet BRP), dan luidt het advies niet de weg van de bestuurlijke boete te nemen, maar hiervan aangifte te doen bij de politie. Het sanctioneren van ID-fraude past beter in het strafrecht.
1.25 De gelegenheidsgever
Onder gelegenheidsgever kan worden verstaan: degene die bewust verklaart of toelaat dat een persoon zich op zijn adres als wonend laat inschrijven zonder de intentie daar feitelijk te gaan wonen. Deze situatie moet bij beiden bekend zijn.
Verwijtbaar gedrag
Daarnaast moet het wel gaan om verwijtbaar gedrag. Hierover zegt paragraaf 2.4.3 van de nota van toelichting op dit artikel het volgende:
“In onderdeel b is de mogelijkheid opgenomen om degene die bewust toelaat dat een ander ten onrechte op zijn woonadres is opgenomen, een bestuurlijke boete op te leggen. Het gaat om die gevallen waarin een ingezetene weet dat zijn woonadres door een ander wordt misbruikt, in die zin dat die ander ook met dat woonadres is ingeschreven (bijvoorbeeld omdat die ander daar voordeel bij heeft in verband met uitkering of studie), terwijl hij ook weet dat die ander daar niet woont. Voorwaarde is wel dat de betrokkene dit bewust toelaat, hij moet op enigerlei wijze met de situatie hebben ingestemd. Voorkomen moet immers worden dat iemand die post op zijn woonadres ontvangt voor iemand (al dan niet bij hem bekend) die niet op zijn adres woont met een bestuurlijke boete wordt geconfronteerd, enkel en alleen omdat hij geen actie heeft ondernomen, bijvoorbeeld de gemeente heeft ingelicht..”
In de toelichting wordt aangegeven dat de verwijtbaarheid bewezen moet worden. Het bewijs van de verwijtbaarheid begint bijvoorbeeld bij het ondertekend hebben van een verklaring over de inwoning op het adres. Hierbij moet de toestemmingsgever verklaren dat hij naar waarheid verklaart dat betrokkene op zijn adres gaat wonen of woont. Tevens moet in de verklaring opgenomen worden dat als hij deze verklaring aflegt, terwijl betrokkene niet op dit adres woont, hij riskeert dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd.
Bewust gelegenheid geven
De gelegenheidsgever moet zich bewust zijn dat hij de gelegenheid geeft aan iemand om zich in te schrijven op een adres als woonadres, terwijl hij er feitelijk niet woont. Het begin van bewustzijn begint bij het ondertekend hebben van een verklaring, waarin staat dat iemand woont of gaat wonen op zijn adres. Vervolgens kan uit het geheel van omstandigheden afgeleid worden in hoeverre hij de gelegenheid heeft gegeven dat betrokkene zich kon inschrijven op een adres, waar hij feitelijk niet woonde.
Ten eerste is het bewijs dat betrokkene feitelijk ergens anders heeft gewoond van belang. Dit kan afgeleid worden uit bewijsstukken die aan betrokkene tijdens een adresonderzoek worden gevraagd, zoals bankafschriften, persoonlijke poststukken, loon en uitkeringsstroken, abonnementen. Daarnaast kan het ter plaatse geconstateerd zijn. Het kan ook uit een terugmelding van een bestuursorgaan afgeleid worden. Ook kan het afgeleid worden uit verklaringen van betrokkene, degene die de verklaring inwoning aflegde of anderen.
Ten tweede is het van belang om vast te stellen of het aannemelijk is dat de situatie dat betrokkene er niet woont al bestond toen de verklaring inwoning werd gegeven of dat betrokkene er eerst heeft gewoond en later weg is gegaan. In het eerste geval moet er altijd nagegaan worden of er nog andere omstandigheden zijn op grond waarvan het aannemelijk is dat bewust de gelegenheid is gegeven. In het laatste geval zal eerst vastgesteld moeten worden hoe lang de periode is dat betrokkene niet meer woont op het adres en of degene die de verklaring inwoning aflegde heeft gemeld dat betrokkene niet langer op dit adres woont. Als de periode al een aantal maanden of langer voortduurt en de degene die de verklaring inwoning aflegde heeft de situatie laten voortbestaan, moet bepaald worden of er nog andere omstandigheden zijn op grond waarvan het aannemelijk is dat er bewust gelegenheid is gegeven.
Ten derde moet bepaald worden of er andere omstandigheden die aanleiding zijn voor het feit dat iemand bewust gelegenheid heeft gegeven voor een onjuiste inschrijving op het adres. Hierbij kunnen een aantal omstandigheden een rol spelen, waaronder:
-de relationele- of familieband tussen betrokkene en de degene die de verklaring inwoning aflegde. Hoe beter het contact of beter de familieband, des te aannemelijker is het dat degene die de verklaring inwoning aflegde weet waar betrokkene feitelijk woont;
-De feitelijke afspraken over het doorsturen of afhalen van de post;
-De feitelijke woonsituatie op het adres van de toestemmingsgever, zoals de oppervlakte en indeling van de woning, het aantal kamers, het aantal personen, de gestelde verblijfplaats van betrokkene, de aanwezigheid van een slaapplaats of persoonlijke spullen van betrokkene.
Als de gelegenheidsgever stelt dat het wél de bedoeling was geweest voor de ander om op zijn adres te komen wonen, maar dat dit door omstandigheden niet door is gegaan, zal aan de hand van het bovenstaande beoordeeld moeten worden of dit aannemelijk is. Als dit aannemelijk is, kan de bestuurlijke boete niet worden opgelegd. Als dit niet aannemelijk is, dan kan de bestuurlijke boete wel opgelegd worden. Overigens kan de gelegenheidsgever vrijgesteld worden van de boete, wanneer hij alsnog informatie over het adres van de burger geeft.
Aangenomen wordt dat de mogelijkheid van het opleggen van een boete al een afschrikkende werking zal kunnen hebben op mensen die er over denken hun familieleden behulpzaam te zijn bij het plegen van onder meer studiefinancieringsfraude. Van belang is dat dit voor de burger duidelijk is. Zie ook bijlage 5, model C.
Bijlage 1
Stappenplan
De mogelijkheid van een bestuurlijke boete wordt gebruikt om ervoor te zorgen dat de burger zijn verplichtingen zoals deze in de Wet BRP zijn genoemd nakomt. Voordat een bestuurlijke boete wordt opgelegd, waarschuwt het college van B&W de burger eerst over de mogelijkheid dat de bestuurlijke boete kan worden opgelegd, als hij niet alsnog aan zijn verplichting voldoet.
Het kan gaan om het niet voldoen aan verplichtingen die te maken hebben met aangiften van vestiging (verblijf en adres), adreswijziging of vertrek, het overleggen van documenten waaraan gegevens over de identiteit, de burgerlijke staat en nationaliteit moeten worden ontleend, de verplichting om in persoon te verschijnen of het verstrekken informatie.
Hieronder zijn de stappen beschreven in het proces dat leidt naar het opleggen van de bestuurlijke boete en het opleggen zelf.
1Gemeente constateert dat de burger mogelijk een verplichting in de zin van de wet BRP overtreedt, waarvoor de bestuurlijke boete kan worden opgelegd.
2Gemeente stuurt aan de burger een brief waarin wordt gewezen op zijn verplichting. In de brief is opgenomen:
a.de termijn waarbinnen alsnog de verplichting moet zijn vervuld;
b.een clausule, die vermeldt dat als de burger niet aan de verplichting voldoet, hem een bestuurlijke boete kan worden/wordt opgelegd.
Als de gemeente tijdens een gesprek ter plaatse of in persoon aan de balie of tijdens een telefoongesprek van de burger hoort dat hij niet aan de verplichting wil voldoen, dan kan er ook een boeterapport opgesteld worden. In dat geval kunt u gebruik maken van het model boeterapport (zie bijlage 5.).
3Burger voldoet niet binnen de gestelde termijn aan de verplichting.
4Gaat het om een verplichting op het terrein van aangifte van vestiging, adreswijziging of vertrek: Ga verder naar stap 5.
Gaat het om een de verplichting tot het overleggen van documenten waaraan gegevens over de identiteit, de burgerlijke staat en nationaliteit moeten worden ontleend, de verplichting om in persoon te verschijnen of het verstrekken informatie:
Ga verder naar stap 9.
5Er is een onderzoekdossier waaruit blijkt wat de aanleiding is van het onderzoek en welke stappen in dit onderzoek gezet zijn. De brief waarbij de burger gewezen wordt op zijn verplichting met vermelding van de bestuurlijke boete (zie stap 2) maakt deel uit van/ is terug te vinden in dit dossier.
6Het college van B&W stuurt een voornemen dat er een ambtshalve beslissing genomen wordt over het opnemen van persoonsgegevens wanneer de burger niet alsnog binnen in deze brief gestelde termijn de verplichting vervult.
In het voornemen is een clausule opgenomen dat de bestuurlijke boete wordt opgelegd bij gelegenheid van die ambtshalve beslissing.
7De burger reageert niet op de voornemenbrief en doet geen aangifte.
8Het college van B&W stuurt de burger twee besluiten.
a.Het besluit tot ambtshalve opname van persoonsgegevens i.v.m. de vestiging, adreswijziging of vertrek.
b.Het besluit tot het opleggen van de bestuurlijke boete.
Bij elk besluit is gemotiveerd en tevens is vermeld dat er bezwaar gemaakt kan worden op grond van 7:1 Algemene wet bestuursrecht. Deze twee besluiten kunnen in één brief worden meegedeeld of in twee afzonderlijke brieven. Als u de besluiten in één brief meedeelt, is het wel van belang dat in de brief duidelijk staat dat er afzonderlijk bezwaar gemaakt kan worden tegen de ambtshalve beslissing en tegen de bestuurlijke boete. Het bezwaar richt de burger aan het college van B&W van de gemeente. Hij moet het bezwaar binnen 6 weken na verzending van het besluit indienen bij het college van B&W.
9Na een (eventueel herhaalde) oproep om documenten te overleggen, in persoon te verschijnen of om informatie te geven, heeft de burger niet gereageerd.
10Het college van B&W stuurt de burger een brief waarin het besluit wordt meegedeeld dat aan de burger een bestuurlijke boete wordt opgelegd. Het besluit is gemotiveerd en tevens is vermeld dat er tegen het besluit bezwaar gemaakt kan worden op grond van 7:1 Algemene wet bestuursrecht. Het bezwaar richt de burger aan het college van B&W van de gemeente. Hij moet het bezwaar binnen 6 weken na verzending van het besluit indienen bij het college van B&W.
11Na een afwijzende beslissing van bezwaar kan de burger binnen 6 weken beroep in dienen bij de sector Bestuursrecht van de rechtbank in het arrondissement van de gemeente.
12De inning van de boete wordt opgeschort totdat de bezwaartermijn is verstreken dan wel wanneer er over het bezwaar of eventueel beroep is besloten en de bezwaar- en beroepstermijn is verstreken.
13Als geen bezwaar of beroep meer open staat, start de gemeente de inningsprocedure.
Bijlage 2
Casuïstiek
Ambtshalve vertrek naar onbekend land (VOW)
1.Bij een huisbezoek wordt door de bewoners ( vrouw, man, 1 kind) gezegd dat de huiseigenaar, die ook op dat adres staat ingeschreven, er feitelijk niet woont, maar alleen langskomt voor de post en de huur. Het huis wordt bekeken en er wordt vastgesteld dat er alleen een tweepersoonsbed in de ene slaapkamer staat en een kinderbed in de andere. Er worden geen persoonlijke spullen van de huiseigenaar gezien. Er wordt een huurcontract voor het hele huis getoond.
Op de vraag of zij weten waar de eigenaar dan wel woont, wordt geantwoord dat hij bij zijn vriendin (naam weten ze niet) woont, maar het adres is onbekend.
Een verzonden verzoek om informatie (uiteraard naar het GBA-adres, een ander is immers niet bekend) levert geen contact op met betrokkene. In dit verzoek is gewaarschuwd voor een bestuurlijke boete indien betrokkene hieraan geen gehoor geeft..
Er wordt nu een brief gestuurd waarin hij op grond van art. 2:47 Wet BRP opgeroepen wordt om te verschijnen en aangifte van verhuizing te doen. Ook wordt wederom meegedeeld dat er bij in gebreke blijven een boete kan worden opgelegd.
Tevens wordt een voornemen verstuurd waarin de mededeling is opgenomen dat het college van burgemeester en wethouders voornemens is gegevens over het vertrek van betrokkene naar een onbekend land op te nemen, als hij geen aangifte doet. Betrokkene reageert niet meer.
Hem kan nu een boete worden opgelegd; advies: de standaard boete.
2.Een deurwaarder stelt vast dat er op een bepaald adres geen betekening kan plaatsvinden en vraagt het college van B&W een adresonderzoek in te stellen.
Er worden achtereenvolgens een verzoek om informatie, een voornemen (ambtshalve vertrek naar een onbekend land) verzonden. Bij een huisbezoek is gebleken dat de brievenbus overvol is.
Er wordt ook een oproep om op grond van art. 2:47 Wet BRP te verschijnen verzonden.
Op geen enkele brief wordt gereageerd. Nog voor het tot een besluit tot een ambtshalve verzoek is komen, reageert een familielid van betrokkene als gemachtigde. Deze vertelt dat betrokkene tijdens een korte vakantie in het buitenland psychische problemen heeft gekregen en daar langdurig opgenomen is. Hier is geen sprake van (ernstige) verwijtbaarheid, dus wordt geen boete opgelegd.
3.Een burger is blijkens zijn persoonslijst de afgelopen tien jaar drie maal ambtshalve vertrokken naar een onbekend land. Nu is er weer een adresonderzoek naar hem gestart en wordt de eerste stap (oproep, waarschuwing) in het opleggen van een bestuurlijke boete gezet.
Als uit de dossiers blijkt dat de eerdere opschortingen reden zijn voor vermoeden van opzet of grove nalatigheid, kan overwogen worden hem een maximale boete op te leggen wegens recidive.
Verplichting opgelegd tot overleggen geboorteakte uit het buitenland
1Een Poolse man doet aangifte van zijn vestiging in Nederland bij het loket van zijn woongemeente. Hij overlegt een Pools paspoort. Een geboorteakte kan hij op dat moment niet overleggen. Het college van B&W deelt hem mee dat hij een officieel afschrift van zijn geboorteakte binnen twee maanden dient te overleggen. Hij ontvangt hiervan een formeel verzoek op schrift. Ook wordt heem meegedeeld dat bij het niet tijdig voldoen aan dit verzoek, hij een bestuurlijke boete opgelegd kan krijgen. Ook is dit vermeld in het formele verzoek. Na twee maanden is hij nog steeds niet gekomen met zijn geboorteakte. Het college van B&W stuurt hem een rappel waarin wederom gewaarschuwd wordt voor een bestuurlijke boete. De termijn is gesteld op één maand. Nadat ook deze periode voorbij is en hij nog steeds niet zijn verplichting heeft vervuld, legt de het college van burgemeester en wethouders hem een bestuurlijke boete op van 200 euro.
2Er wordt een kind geboren. De Marokkaanse vader doet aangifte van geboorte en overlegt hierbij een kopie van de Marokkaanse huwelijksakte. In de BRP is dat huwelijk niet opgenomen. Er wordt een geboorteakte opgemaakt, waarbij wordt uitgegaan van een bestaand huwelijk van de ouders. Het college van B&W deelt hem mee dat hij binnen twee maanden een originele huwelijksakte en een beëdigde Nederlandse vertaling moet overleggen. Hij ontvangt hiervan een formeel schriftelijk verzoek. Ook wordt hem meegedeeld dat bij het niet tijdig voldoen aan dit verzoek, hij een bestuurlijke boete opgelegd kan krijgen. Ook is dit vermeld in het formele verzoek. Na twee maanden is hij nog steeds niet gekomen met de gevraagde huwelijksakteakte. Het college van B&W stuurt hem een rappel waarin wederom gewaarschuwd wordt voor een bestuurlijke boete. De termijn is gesteld op één maand. Nadat ook deze periode voorbij is en hij nog steeds niet zijn verplichting heeft vervuld, legt de het college van burgemeester en wethouders hem een bestuurlijke boete op van 200 euro.
Gelegenheidsgever
1.A wordt op 15 september 2013 18 jaar. Op 1 september dient hij bij de afdeling Burgerzaken een aangifte van verhuizing in van het adres van zijn ouders naar een ander adres in dezelfde stad. Bij de aangifte overlegt hij een verklaring inwoning, ondertekend door B. In de verklaring inwoning is opgenomen, dat A daadwerkelijk bij B inwoont/ gaat inwonen en dat, mocht de inwoning van A niet plaatsvinden of worden beëindigd, B dit direct bij de gemeente meldt. Naar aanleiding van de aangifte wordt A aan het adres van B in de BRP ingeschreven.
Na een risicoanalyse wordt door de sociale recherche op verzoek van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) in januari 2014 een adresonderzoek ingesteld. Uit het onderzoek blijkt, dat A zich bij zijn oom B heeft laten registreren, maar dat hij nog steeds aan het adres van zijn ouders woont. Geconfronteerd met de onderzoeksresultaten, geven zowel A als diens ouders als B toe, dat sprake is geweest van een fictieve aangifte van verhuizing. Als reden wordt opgegeven het financiële verschil tussen de in- en uitwonende beurs. B bekent, dat hij op verzoek van diens ouders heeft verklaard, dat A bij hem inwoonde en bewust heeft verzwegen, dat dit niet het geval was.
Het college van B&W besluit om A per 1 februari 2014 ambtshalve weer in te schrijven aan het adres van diens ouders. Het college van B&W besluit om A als dader een bestuurlijke boete op te leggen van 325 euro. B wordt, als gelegenheidsgever, eveneens een bestuurlijke boete opgelegd van 325 euro.
2.Wegens daar regelmatig geconstateerde onjuiste BRP-inschrijvingen en andere overtredingen wordt het adres Vestialaan 109 opnieuw door toezichthouders van de gemeente bezocht. De aanleiding is het feit, dat het pand 7 kamers heeft en er 9 personen actueel zijn geregistreerd. Bij de pandcontrole blijkt dat, met huurcontracten van de pandeigenaar A, opnieuw 2 personen (B en C), in de BRP zijn geregistreerd, die er blijken niet te wonen. Desgevraagd geeft A toe, dat hij aan beide personen feitelijk geen kamer heeft verhuurd en dat hij niet weet, waar die wel verblijven. Hij geeft ook toe, dat het huurcontract fictief is opgesteld en alleen diende om beide personen aan het betreffende adres in de BRP te registreren. Hij bekent van beide personen elk
100euro per maand te ontvangen voor de fictieve kamerverhuur.
Het college van B&W besluit om een adresonderzoek naar B en C in te stellen. Afhankelijk van de resultaten van het adresonderzoek dient nader te worden bepaald of aan B en C een bestuurlijke boete wordt opgelegd. A kan als gelegenheidsgever voor beide fictieve inschrijvingen geen bestuurlijke boete opgelegd krijgen. Immers, hij is geen ingezetene met datzelfde adres.
Briefadres
Art 2.40 Kiezen briefadres en mededeling doen van mogelijkheid door hoofd instelling .
In de gemeente X staat een penitentiaire instelling. Gemeente X heeft middels een brief de instelling gewezen op de verplichting zoals genoemd in lid 5 van artikel 2.40. Het hoofd van een aangewezen instelling doet aan de betrokken personen tijdig schriftelijk mededeling van de mogelijkheid tot aangifte van een briefadres.
A.is opgenomen in de instelling. Hij staat nog ingeschreven op een woonadres in de gemeente X. Zijn adres staat in onderzoek. Tijdens het adresonderzoek krijgt het college van B&W het signaal dat A in de instelling verblijft. Gemeente X vraagt de instelling of de informatie klopt en zo ja, de instelling dan A op de mogelijkheid van een briefadres wil wijzen. De instelling bevestigt dat A in de instelling verblijft, maar laat na om A op de mogelijkheid van een briefadres te wijzen. Gemeente X legt de instelling een bestuurlijke boete op van 325 euro.
Voorbeeld rapport van toezichthouder BRP
Gemeente AAAA
RAPPORT VAN BEVINDING
Ik, (naam), toezichthouder voor de BRP van de gemeente AAAA verklaar het volgende:
Op 31 mei 2013, omstreeks 10.10 uur heb ik gesproken met drie buren van de (adres) te Z. Na legitimatie als toezichthouder en nadat ik de reden van het gesprek heb uitgelegd werd ik binnengevraagd bij een van de bewoners. De bewoners hebben nadrukkelijk aangegeven anoniem, te willen blijven.
Op mijn vraag wie er aan de (adres) te Z woonachtig is, kreeg ik de volgende
antwoorden. Daar wonen mevrouw X, de heer Y en twee kinderen. De jongste is van Y en X gezamenlijk.
Mw. X en de heer Y zijn daar ongeveer negen jaar geleden komen wonen.
Zij werkt bij (werkgever) in Z. Hij zou werken in (plaats) bij een bowlingbaan in de wijk (wijk). Hij maakt daar toiletten schoon. Ze hebben gezamenlijk een auto, die elke dag bij de woning staat. Die auto zien wij daar ook staan. Ze maken samen gebruik van deze auto. Het betreft een blauwige Ford Mondeo. Vanmorgen zijn ze samen nog vertrokken.
De heer Y heeft ongeveer twee jaar in een vakantiewoning gezeten, maar is het laatste jaar hier weer woonachtig. Wij zien hem dagelijks. ‘s Avonds als zijn partner laat terug komt steekt Y bij de voordeur een kaarsje aan. Dit kaarsje zit in een soort lamp. Als ze samen terugkomen, opent Y ook altijd de voordeur. Hij heeft altijd de sleutel. Wij denken dat Y een postbus heeft in de gemeente Z. Hij haalt bijna dagelijks post op. Verder weten wij dat hij de huisarts en apotheek in (plaats) heeft. Dit hebben zij zelf verteld. Ze zijn alle jaren dat ze hier wonen nog samen op vakantie geweest. Waarom Y elders een adres wil hebben is bij ons niet bekend. Hij woont gewoon hier in Z.
Opgemaakt te AAAA op 31 mei 2013.
(naam),
Toezichthouder BRP, gemeente AAAA
Bijlage 3
Tekstblokken voor aangiften en schriftelijke verzoeken (oproepen)
Waarschuwing op:
aangifte adreswijziging of vertrek (papier)
Het invullen van dit aangifteformulier met onjuiste gegevens kan gezien worden als een overtreding van de verplichting tot het doen van aangifte zoals bedoeld in de Wet basisregistratie personen en kan vervolgens beboet worden met een bestuurlijke boete van maximaal 325 euro (artikel 4.17 Wet basisregistratie personen).
aangifte adreswijziging of vertrek (internet)
Het invullen van dit webformulier met onjuiste gegevens kan gezien worden als een overtreding van de verplichting tot het doen van aangifte zoals bedoeld in de Wet basisregistratie personen en kan vervolgens beboet worden met een bestuurlijke boete van maximaal 325 euro (artikel 4.17 Wet basisregistratie personen).
voornemen ambtshalve opname gegevens
Indien dit voornemen tot ambtshalve opname van gegevens in de basisregistratie personen leidt tot een besluit waarin het voornemen ten uitvoer wordt gelegd, wordt u tevens een bestuurlijke boete van maximaal 325 euro opgelegd. Beide besluiten kunt u voorkomen door binnen de in deze brief gestelde termijn alsnog aangifte te doen.
oproep in persoon verschijnen
Indien u binnen de gestelde termijn niet verschijnt bij de balie van <bijv. de afdeling Burgerzaken + adres> riskeert u een bestuurlijke boete van maximaal 325 euro.
oproep inlichtingen te geven
Indien u binnen de gestelde termijn geen gehoor geeft aan het verzoek om inlichtingen te geven, riskeert u een bestuurlijke boete van maximaal 325 euro.
oproep geschriften overleggen
Indien u binnen de gestelde termijn geen gehoor geeft aan het verzoek om de gevraagde geschriften te overleggen, riskeert u een bestuurlijke boete van maximaal 325 euro.
Bijlage 4
Tekstblokken voor besluiten
Besluit aanwijzing instelling/bedrijf om inlichtingen over bewoning te geven
Indien u geen gehoor geeft aan deze aanwijzing en derhalve geen of onvoldoende inlichtingen geeft over de bewoning van het adres <adres waar personen verblijven>, riskeert u een bestuurlijke boete van maximaal 325 euro.
Besluit oplegging bestuurlijke boete bij:
verzuimde aangifte; persoon is spoorloos
U heeft ondanks herhaalde oproepen zich niet gehouden aan de aangifteplicht zoals bedoeld in artikel <2.38 of 2.39 of 2.43> van de Wet basisregistratie personen. Daarom besluiten wij hierbij aan u een bestuurlijke boete op te leggen van … euro. Deze oplegging en/of de betaling ervan ontslaat u overigens niet van uw aangifteplicht.
verzuimde aangifte; adres persoon is bekend
U heeft ondanks herhaalde oproepen zich niet gehouden aan de aangifteplicht zoals bedoeld in artikel <2.38 of 2.39 of 2.43> van de Wet basisregistratie personen. Daarom besluiten wij hierbij aan u een bestuurlijke b
oete op te leggen van … euro.
niet gekomen na oproep
U bent ondanks herhaalde oproepen, zoals bedoeld in artikel <2.46 of 2.47> van de Wet basisregistratie personen, niet verschenen aan de balie van <de afdeling Burgerzaken van de gemeente …>. Daarom besluiten wij hierbij aan u een bestuurlijke boete op te leggen van … euro. Deze oplegging en/of de betaling ervan ontslaat u overigens niet van uw verschijningsplicht.
weigering ID-bewijs overleggen
U heeft ondanks herhaalde verzoeken, zoals bedoeld in artikel 2.52 van de Wet basisregistratie personen, steeds geweigerd om bij de balie van <de afdeling Burgerzaken van de gemeente …> uw identiteitsbewijs te tonen. Daarom besluiten wij hierbij aan u een bestuurlijke boete op te leggen van … euro. Deze oplegging en/of de betaling ervan ontslaat u overigens niet van de bedoelde identificatieplicht.
gelegenheidsgever
Wij achten het voldoende aangetoond dat u bewust ten aanzien van <naam persoon die adresfraude pleegde> heeft verklaard dat hij/zij op uw adres woonachtig was terwijl u en <naam persoon die adresfraude pleegde> beiden wisten dat dit onjuist was. U heeft daarmee bewust toegelaten dat een andere persoon onrechtmatig op uw adres is ingeschreven in de basisregistratie personen. Daarom besluiten wij hierbij op grond van artikel 4.17b van de Wet basisregistratie personen, aan u een bestuurlijke boete op te leggen van … euro.
standaardtekst bezwaar
Indien u het niet eens bent met dit besluit kunt u binnen zes weken na verzending van dit besluit een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het college van burgemeester en wethouders van <naam gemeente, afdeling …>, Postbus <nr>, <postcode en woonplaats>.
Bijlage 5
Standaardrapporten
Rapport bestuurlijke boete MODEL A
Datum: …………………………...
Opgemaakt door: …………………………...
Plaats van constatering: …………………………...
Ik, in mijn functie als …………………………...
van de gemeente ……………………………,
heb op …………………………… <datum>
geconstateerd op …….…………………….. <plaats>
dat de heer/mevrouw .….……………………….,
geboren op ………………………….…
te …………………………….
BSN …………………………….
het volgende artikel van de Wet basisregistratie personen heeft overtreden: □ 2:38 aangifte van vestiging vanuit het buitenland
□ 2:39 aangifte van verhuizing naar een ander adres
□ 2:40 aangifte van vertrek naar het buitenland
□ 2:45 na aangifte inlichtingen geven , geschriften overleggen, in persoon verschijnen;
□ 2:47 na verzoek van het college van B&W inlichtingen geven , geschriften overleggen, in
Persoon verschijnen
□ 2:44 spontaan inlichtingen te overleggen over zijn burgerlijke staat
□ 2:46 op verzoek van het college van B&W inlichtingen verstrekken over zijn burgerlijke
staat
□ 2:51 inlichtingen geschriften overleggen over een overlijden van een familielid
□ 2:52 identificatieplicht bij het in persoon verschijnen
□ 4:17, b iemand bewust de gelegenheid bieden zich in te schrijven op zijn/haar adres als woonadres, terwijl hij/zij weet dat diegene daar niet feitelijk woont
Dat betrokkene deze bepaling overtreedt, blijkt uit het volgende:
………….
………….
Ik heb betrokkene gevraagd om aan zijn plicht ingevolge de wet BRP te voldoen. Ik heb betrokkene gewezen op zijn plicht aan deze verplichting te voldoen. Ik heb betrokkene op de hoogte gesteld van het feit dat, hem/haar een bestuurlijke boete van ten hoogste 325 euro opgelegd kan worden als hij/zij niet voldoet aan deze verplichting. Betrokkene heeft geweigerd aan deze verplichting te voldoen.
Taal en begrip van het gesprek
Het gesprek heeft plaats gevonden in het Nederlands. Betrokkene spreekt
□ goed Nederlands
□ redelijk Nederlands
□ matig Nederlands
□ slecht Nederlands
□ Het gesprek heeft plaatsgevonden in een andere taal, namelijk:
…………………….
□ Betrokkene geeft de volgende reden voor het niet voldoen aan zijn/haar verplichting
…………………….
Ondertekening rapport
Handtekening
Rapport bestuurlijke boete ouders/verzorgers en curator MODEL B
Datum: …………………………...
Opgemaakt door: …………………………...
Plaats van constatering: …………………………...
Ik, in mijn functie als …………………………...
van de gemeente …………………………...
heb op …………………………... <datum>
geconstateerd op …………………………... <plaats
dat de heer/mevrouw …………………………...
geboren op …………………………...
te …………………………...
BSN …………………………...
als wettelijk vertegenwoordiger, te weten:
□ ouder/voogd verzorger van de minderjarige:
□ curator van de onder curatele gestelde:
De heer/mevrouw …………………………...
geboren op …………………………...
niet voldaan heeft aan zijn/haar verplichting op grond van artikel 2:48 Wet basisregistratie personen om namens de minderjarige/onder curatele gestelde te voldoen aan de verplichting ingevolge de Wet basisregistratie personen:
□ art. 2:38 aangifte van vestiging vanuit het buitenland
□ art. 2:39 aangifte van verhuizing naar een ander adres
□ art.2:40 aangifte van vertrek naar het buitenland
□ art. 2:45 na aangifte inlichtingen geven , geschriften overleggen, in persoon
verschijnen
□ art. 2:47 na verzoek van het college van B&W inlichtingen geven , geschriften
overleggen, in persoon verschijnen
Dat betrokkene deze bepaling overtreedt, blijkt uit het volgende:
…………………………….
Ik heb betrokkene gevraagd om aan zijn plicht ingevolge de wet BRP te voldoen. Ik heb betrokkene gewezen op zijn plicht aan deze verplichting te voldoen. Ik heb betrokkene op de hoogte gesteld van het feit dat, hem/haar een bestuurlijke boete van ten hoogste 325 euro opgelegd kan worden als hij/zij niet voldoet aan deze verplichting Hij/Zij heeft geweigerd aan deze verplichting te voldoen.
Taal en begrip van het gesprek
□ Het gesprek heeft plaats gevonden in het Nederlands. Betrokkene spreekt
□ goed Nederlands
□ redelijk Nederlands
□ matig Nederlands
□ slecht Nederlands
□ Het gesprek heeft plaatsgevonden in een andere taal, namelijk:
□ Betrokkene geeft de volgende reden voor het niet voldoen aan zijn verplichting
………………………
Ondertekening rapport
Handtekening
Verklaring inwoning MODEL C
Ondergetekende,
Geslachtsnaam :
______________________________________________________________
Voorna(a)m(en) (voluit) :
______________________________________________________________
Geboortedatum en –plaats : ____ / ____ / ________ te
_____________________________________ ___
Adres : ______________________________________________________________
Postcode / Woonplaats : _______________ te
___________________________________ _________
Telefoonnummer (overdag) :______________________________________________________________
Emailadres : ______________________________________________________________
Verklaart dat onderstaand persoon op zijn adres woont of gaat wonen met ingang van:
Datum : _____________________________
Geslachtsnaam :
______________________________________________________________
Voorna(a)m(en) (voluit) :
______________________________________________________________
Burgerservicenummer :
______________________________________________________________
Telefoonnummer (overdag)
:______________________________________________________________
Geboortedatum en –plaats : ____ / ____ / ________ te
___________________________ _____________
Verklaart tevens dat hij/zij het college van B&W zo spoedig mogelijk meedeelt als de woonsituatie van bovenstaand persoon wijzigt en betrokkene doet daarvan geen aangifte doet.
Ondertekening
Aldus naar waarheid ingevuld,
Als er twijfel is over het feitelijke adres van de nieuwe bewoner kan er een onderzoek plaatsvinden. Hierbij kan een huisbezoek worden afgelegd om zijn/haar feitelijke adres vast te stellen. Indien deze verklaring geen juiste weergave is van de werkelijkheid riskeert u een bestuurlijke boete. Dit kan ook het geval zijn als betrokkene niet langer op uw adres woont, betrokkene daarvan geen aangifte van adreswijziging doet en u dit niet tijdig heeft doorgegeven aan het college van B&W. Op grond van artikel 4.17b van de Wet basisregistratie personen kan het college van burgemeester en wethouders een bestuurlijke boete van maximaal 325 euro opleggen aan degene met een woonadres in de gemeente die bewust toelaat dat een ander persoon met datzelfde woonadres is ingeschreven, terwijl hij weet dat dit onjuist is.
Plaats` : _____________________ Datum :____ / ____ / ________
Handtekening : ______________________________________________________________
Bij deze ingevulde en ondertekende verklaring moet een (kopie van een) geldig identiteitsbewijs worden overgelegd van degene, die de verklaring heeft ondertekend.
Bijlage 6
Bevoegdheden toezichthouder
Uit de Algemene wet bestuursrecht:
Artikel 5:15
1Een toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner.
2Zo nodig verschaft hij zich toegang met behulp van de sterke arm.
3Hij is bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen
Artikel 5:16
Een toezichthouder is bevoegd inlichtingen te vorderen.
Artikel 5:16a
Een toezichthouder is bevoegd van personen inzage te vorderen van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
Artikel 5:17
1Een toezichthouder is bevoegd inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden.
2Hij is bevoegd van de gegevens en bescheiden kopieën te maken.
3Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden, is hij bevoegd de gegevens en bescheiden voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs.
Artikel 5:18
1Een toezichthouder is bevoegd zaken te onderzoeken, aan opneming te onderwerpen en daarvan monsters te nemen.
2Hij is bevoegd daartoe verpakkingen te openen.
3De toezichthouder neemt op verzoek van de belanghebbende indien mogelijk een tweede monster, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald.
4Indien het onderzoek, de opneming of de monsterneming niet ter plaatse kan geschieden, is hij bevoegd de zaken voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs.
5De genomen monsters worden voor zover mogelijk teruggegeven.
6De belanghebbende wordt op zijn verzoek zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de resultaten van het onderzoek, de opneming of de monsterneming.
Artikel 5:19
1Een toezichthouder is bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft.
2Hij is bevoegd vervoermiddelen waarmee naar zijn redelijk oordeel zaken worden vervoerd met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft, op hun lading te onderzoeken.
3Hij is bevoegd van de bestuurder van een vervoermiddel inzage te vorderen van de wettelijk voorgeschreven bescheiden met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft.
4Hij is bevoegd met het oog op de uitoefening van deze bevoegdheden van de bestuurder van een voertuig of van de schipper van een vaartuig te vorderen dat deze zijn vervoermiddel stilhoudt en naar een door hem aangewezen plaats overbrengt.
5Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie wordt bepaald op welke wijze de vordering tot stilhouden wordt gedaan.