1 Lokale maximale waarden voor hergebruik van grond of baggerspecie
1.8 LMW poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS)
1.8.1 Toelichting
PFAS is een verzamelnaam van gefluoreerde koolwaterstoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. PFAS is sinds de jaren ’50 in Nederland veel gebruikt in diverse industriële toepassingen als blusschuim, coatings (o.a. teflon), verf, kleding en cosmetica. Het heeft de eigenschappen persistent, mobiel en niet tot nauwelijks biologisch afbreekbaar te zijn. Regionaal en landelijk wordt steeds meer kennis en inzicht verkregen over PFAS en de onderliggende perfluoralkyl-verbindingen. Zo staan PFOS (perfluoroctaansulfonzuur), PFOA (perfluoroctaanzuur) en GenX op de lijst van Zeer Zorgwekkend stoffen (ZZS). Een aantal andere stoffen uit de PFAS-groep staat op de lijst van potentiële ZZS.
PFAS is niet opgenomen in bestaande regelgeving, aangezien de stof “nieuw” is ten aanzien van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. In juli van 2019 is door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een ‘Tijdelijk Handelingskader PFAS’ uitgebracht, waarna verschillende actualisaties zijn gepubliceerd. In de handelingskaders zijn de kaders aangegeven om hergebruik van PFAS-houdende grond te stimuleren en tegelijkertijd voldaan wordt aan zorgplicht. Tot op heden zijn de volgende handelingskaders gepubliceerd:
•“Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie”, d.d. 8 juli 2019;
•Geactualiseerde versie “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie”, d.d. 29 november 2019;
•Geactualiseerde versie “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie”, d.d. 2 juli 2020;
•“Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie”, d.d. 13 december 2021.
Binnen het beheergebied zijn de volgende beleidsdocumenten opgesteld t.a.v. PFAS:
•Regio Zuid-Kennermerland en IJmond:
o “Rapport Bodemkwaliteitskaart PFAS OD IJmond”, kenmerk 0458873.100, rev. 0.0, d.d. 20 mei 2020, door Antea Group, en revisie 1.0 d.d. 28 januari 2021;
o “Notitie grondverzet Bodemkwaliteitskaart PFAS OD IJmond”, kenmerk 0458873.100, revisie 1.0 d.d. 28 januari 2021 door Antea Group;
•Regio Zaanstreek-Waterland:
o “Bodemkwaliteitskaart PFAS-verbindingen regio Zaanstreek-Waterland”, kenmerk SOB011149, d.d. 8 april 2020, versie 1, door Lievense-WSP;
o “Notitie Aanvulling bodemkwaliteitskaart en nota bodembeheer gemeenten Beemster, Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland”, kenmerk SOB011149, d.d. 08 april 2020, door Lievense-WSP;
•Provincie Noord-Holland:
o Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland houdende regels omtrent de Beleidsregel PFAS Noord-Holland 2019, kenmerk: 1309449/1316340, d.d. 19 november 2019, in werking getreden: 21 november 2019.
Het doel van de bovengenoemde beleidsdocumenten is het grondverzet binnen het beheergebied van de deelnemende gemeenten te vereenvoudigen voor wat betreft de stofgroep PFAS. Voor het toepassen van grond dient de toetsing op PFAS separaat plaats te vinden aan toetsing aan de lokaal vastgestelde reguliere bodemkwaliteitskaart.
In de onderhavige Nota bodembeheer worden lokale maximale waarden voor PFAS vastgelegd. Bij het vaststellen van deze Nota stelt de gemeente tevens de basis voor de LMW vast, namelijk de betreffende Bodemkwaliteitskaarten op de stofgroep PFAS.
Uit de opgestelde bodemkwaliteitskaarten blijkt dat de mate van diffuse verontreiniging in de twee regio’s in het beheergebied van OD IJmond niet geheel overeenkomt. Om deze reden worden per regio (per “eigen beheergebied”) LWM vastgelegd.
1.8.2 LMW PFAS regio Zaanstreek-Waterland
Met het opstellen van de bodemkwaliteitskaart PFAS voor de regio Zaanstreek-Waterland
8“Bodemkwaliteitskaart PFAS-verbindingen regio Zaanstreek-Waterland”, kenmerk SOB011149, d.d. 8 april 2020, versie 1, door Lievense-WSP;
zijn de achtergrondwaarden van PFAS in de gemeenten Beemster (voormalige gemeente), Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland bepaald. Het eigen beheergebied voor deze LMW zijn derhalve uitsluitend de genoemde gemeentes.
Voor het bepalen van de kwaliteit van de actuele bodemkwaliteit is in het rapport het gemiddelde gebruikt. De P80 wordt over het algemeen en voor het landelijke beleid
9“Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie”, d.d. 13 december 2021.
gebruikt voor het bepalen van de kwaliteitsklasse van de te ontgraven grond. De P80 houdt in dat 80% van alle waarnemingen beneden of gelijk zijn aan de gegeven waarde. Deze waarde is zodanig laag dat de kans dat hiermee verslechtering zal optreden klein is. Waar voorheen in de regio Zaan-streek-Waterland gebruik is gemaakt van de P95, wordt om de bovengenoemde reden de P80 gehanteerd om de actuele ontgravingskwaliteit te bepalen In tabel 4 zijn de berekende waarden weergegeven voor PFOS, PFOA en de overige PFAS.
Tabel 4: Berekende ontgravingskwaliteit in regio Zaanstreek-Waterland op basis van de P80, PFAS in de bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) en ondergrond (0,5 - 1,0 m-mv) in µg/kg d.s.
Uit het rapport van de bodemkwaliteitskaart PFAS blijkt dat alle gemeten waarden (P80) van PFOS, PFOA en de overige PFAS voldoen aan dan de normen voor de klasse ‘Landbouw/natuur’ uit het Handelingskader van december 2021. Hierbij is onderscheid gemaakt in bovengrond (0-0,5 m -maaiveld) en ondergrond (0,5-1,0 m -maaiveld).
De deelnemende gemeenten aan de PFAS Bodemkwaliteitskaart van de regio Zaanstreek-Waterland hanteren derhalve de maximaal geldende toepassingsnorm voor de klasse ‘Land-bouw/natuur’ als maximale toepassingskwaliteit voor PFAS-houdende grond, naar aanleiding van de oproep van de minister voor milieu en wonen. In de kamerbrief van 29 november 2019 (IenW/BSK-2019/251123) (laatste alinea pagina 2) roept de Minister van milieu en wonen, gemeenten op om de landelijke achtergrondwaarden als minimum waarden te hanteren, ook als lokaal lagere waarden zijn gemeten.
Toepassingseis voor toepassen van grond/bagger in de regio Zaanstreek-Waterland
De lokale maximale waarden voor PFAS voor hergebruik van grond binnen de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland, Wormerland en de voormalige gemeente Beemster, nu Purmerend, zijn als volgt:
Tabel 5: Lokale maximale waarden PFAS voor regio Zaanstreek-Waterland in de bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) en ondergrond (0,5 - 1,0 m-mv) in µg/kg d.s.
Zonenaam
PFOS
PFOA
Overige PFAS
Bovengrond
1,4*
1,9*
1,4*
Ondergrond
1,4*
1,9*
1,4*
*: normering afgeleid uit het Handelingskader PFAS (dec 2021)
Indien op een later tijdstip nog nieuwe toepassingsnormen voor de klasse ‘Landbouw/natuur’ worden gepubliceerd welke boven de berekende landelijke achtergrondwaarden liggen (aangegeven met een asterisk in tabel 5), dan wel in een nieuw Handelingskader PFAS, dan wel als onderdeel van het generieke bodembeleid vanuit het rijk, zullen deze toepassingsnormen worden gehanteerd.
Het bovenstaande beleid is grotendeels bestaand beleid voor de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland, Wormerland en de voormalige gemeente Beemster, nu Purmerend. N.B.: het onderscheid tussen toepassen boven- of onder grondwaterniveau is vervallen in overeenstemming met het Handelingskader PFAS van december 2021.
1.8.3 LMW PFAS regio Zuid-Kennemerland-IJmond
Met het opstellen van de bodemkwaliteitskaart PFAS voor de regio Zuid-Kennemerland-IJmond zijn de achtergrondwaarden van PFAS in de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Heemstede, Heemskerk, Uitgeest, Velsen en Zandvoort bepaald. Het eigen beheergebied voor deze LMW zijn derhalve uitsluitend de genoemde gemeentes.
Voor het bepalen van de kwaliteit van de actuele bodemkwaliteit is de 80 percentiel (P80) gebruikt. De P80 wordt algemeen gebruikt voor het bepalen van de kwaliteitsklasse van de te ontgraven grond. Om deze reden wordt voor de regio Zuid-Kennemerland-IJmond tevens de P80 gebruikt om de actuele ontgravingskwaliteit te bepalen. In tabel 6 zijn de berekende waarden weergegeven voor PFOS, PFOA en de overige PFAS.
Tabel 6: Berekende ontgravingskwaliteit in regio Zuid-Kennemerland-IJmond op basis van de P80, PFAS in de bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) en ondergrond (0,5 - 1,0 m-mv) in µg/kg d.s.
Uit het rapport van de bodemkwaliteitskaart PFAS blijkt dat, met uitzondering van PFOS in de bovengrond, alle gemeten waarden (P80) van PFOS, PFOA en de overige PFAS lager zijn dan de normen voor de klasse ‘landbouw/natuur’ uit het Handelingskader van december 2021. Hierbij is onderscheid gemaakt in bovengrond (0-0,5 m -maaiveld) en ondergrond (0,5-1,0 m -maaiveld).
De deelnemende gemeenten aan de PFAS Bodemkwaliteitskaart regio Zuid-Kennemerland-IJmond hanteren derhalve de maximaal geldende toepassingsnorm voor de klasse ‘Landbouw/natuur’ als maximale toepassingskwaliteit voor PFAS-houdende grond, naar aanleiding van de oproep van de minister voor milieu en wonen. In de kamerbrief van 29 november 2019 (IenW/BSK-2019/251123) (laatste alinea pagina 2) roept de Minister van milieu en wonen, gemeenten op om de landelijke achtergrondwaarden als minimum waarden te hanteren, ook als lokaal lagere waarden zijn gemeten.
Toepassingseis voor toepassen van grond/bagger in de regio Zuid-Kennemerland-IJmond
De lokale maximale waarden voor PFAS voor hergebruik van grond binnen de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Heemstede, Heemskerk, Uitgeest, Velsen en Zandvoort zijn als volgt:
Tabel 7: Lokale maximale waarden PFAS voor de regio Zuid-Kennemerland-IJmond in de bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) en ondergrond (0,5 - 1,0 m-mv) in µg/kg d.s.
Zonenaam
PFOS
PFOA
Overige PFAS
Bovengrond
2,6
1,9*
1,4*
Ondergrond
1,4*
1,9*
1,4*
*: normering afgeleid uit het Handelingskader PFAS (dec 2021)
Indien op een later tijdstip nog nieuwe toepassingsnormen voor de klasse ‘Landbouw/natuur’ worden gepubliceerd welke boven de berekende landelijke achtergrondwaarden liggen (aangegeven met een asterisk in tabel 7), dan wel in een nieuw Handelingskader PFAS, dan wel als onderdeel van het generieke bodembeleid vanuit het rijk, zullen deze toepassingsnormen worden gehanteerd.
Het bovenstaande beleid is grotendeels bestaand beleid voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Heemstede, Heemskerk, Uitgeest, Velsen en Zandvoort. N.B.: het onderscheid tussen toepassen boven- of onder grondwaterniveau is vervallen in overeenstemming met het Handelingskader PFAS van december 2021.
1.8.4 Toepassen van PFAS-houdende grond
De lokale maximale waarden PFAS gelden uitsluitend voor grondverzet binnen het gestelde beheergebied. Met deze LMW wordt invulling gegeven aan het “stand-still” beginsel uit het Besluit bodemkwaliteit. De belasting van PFAS-houdende grond binnen het eigen beheergebied blijft gelijk.
Het opnieuw toepassen van grond afkomstig uit het beheergebied is mogelijk onder de volgende voorwaarden:
•De eigen bestuurlijk vastgestelde bodemkwaliteitskaart voor PFAS-verbindingen kan als bewijs dienen voor de kwaliteit van de toe te passen partij, in combinatie met een historisch onderzoek (overeenkomstig de NEN 5725) waaruit blijkt de ontgravingslocatie niet verdacht is voor het voor komen van PFAS-verbindingen als gevolg van een (bedrijfsmatige) activiteit.
•Een partijkeuring volgens de eisen die volgen vanuit het Besluit bodemkwaliteit (zie ook
•Onder voorwaarden een bodemonderzoek volgens de NEN 5740
De gemiddelde PFAS-kwaliteit van de grond afkomstig uit het beheergebied moet voldoen aan de Lokale Maximale Waarden die zijn benoemd de voorgaande paragrafen.
De gemiddelde PFAS-kwaliteit van de grond buiten het eigen beheergebied moet voldoen aan de normen uit het Handelingskader PFAS, ofwel de maximale waarden voor PFAS zodra verankerd in de Regeling bodemkwaliteit en/of het Besluit activiteiten leefomgeving.
Grondverzet tussen regio Zaanstreek-Waterland en Zuid-Kennemerland-IJmond
De toepassingseisen voor het toepassen van PFAS-houdende grond zijn niet geheel gelijk tussen de regio’s Zaanstreek-Waterland en Zuid-Kennemerland-IJmond. Om deze reden is vrij grondverzet tussen de regio’s m.b.t. PFAS niet in alle gevallen mogelijk.
Er is wél vrij grondverzet m.b.t. de stofgroep PFAS mogelijk wanneer de ontgravingslocatie ofwel regio Zaanstreek-Waterland ofwel de ondergrond van regio Zuid-Kennemerland-IJmond is. Deze vrijkomende grond mag in zowel in regio Zaanstreek-Waterland als in regio Zuid-Kennemerland-IJmond worden toegepast in de boven- en ondergrond.
Uitsluitend voor vrijkomende grond uit de bovengrond (0,0 - 0,5 m -mv.) van regio Zuid-Kennemerland-IJmond is er géén vrij grondverzet m.b.t. PFAS mogelijk naar regio Zaanstreek-Waterland en naar de ondergrond van regio Zuid-Kennemerland-IJmond. De actuele bodemkwaliteit van de vrijkomende bovengrond uit regio Zuid-Kennemerland-IJmond voldoet name-lijk niet aan de toepassingseisen in regio Zaanstreek-Waterland en van de ondergrond (wegens de hogere achtergrondwaarde van PFOS). Wel is het mogelijk om vrijkomende grond uit de bovengrond opnieuw elders in de bovengrond van regio Zuid-Kennemerland-IJmond toe te passen.
De toepassingsmogelijkheden van vrijkomende partijen in de regio’s Zaanstreek-Waterland en Zuid-Kennemerland-IJmond met betrekking tot de stofgroep PFAS zijn weergegeven in de on-derstaande grondstromenmatrix.
Tabel 8: Grondstromenmatrix voor de PFAS-houdende grond
Overige situaties
Voor toepassingen van grond en bagger onder andere omstandigheden dan bovenstaand bedoeld wordt in principe het landelijke beleidskader gevolgd. Het huidige beleid (Handelingskader PFAS, d.d. december 2021) is in tabel 9 samengevat.
Voor het verspreiden van baggerspecie uit watergangen op aangrenzende percelen of in een weilanddepot (artikel 35, onder f, Besluit) gelden dezelfde toepassingswaarden als voor andere vormen van toepassen van grond/baggerspecie op de landbodem
Tabel 9: Samenvatting toepassingseisen grond en baggerspecie met PFAS conform Handelingskader PFAS
Situatie
Toepassingswaarde/eis(en) (in μg/kg d.s.)
Grond en baggerspecie grootschalig toepassen
•PFOS = 3
•PFOA = 7
•Overige PFAS = 3
Grond en baggerspecie toepassen in grondwaterbeschermings-
gebieden
Gebiedskwaliteit, indien niet bekend 0,1
Verspreiden in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam of aansluitende (sediment delende) stroomafwaarts gelegen oppervlaktewaterlichaam
Bagger toepasbaar, wel meten en toetsen op uitschieters
Toepassen in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam in ophogingen in waterbouwkundige constructies, uitgezonderd de diepe plas
Bagger toepasbaar, wel meten en toetsen op uitschieters
Toepassen in een ander oppervlaktewaterlichaam in ophogingen in waterbouwkundige constructies, uitgezonderd de diepe plas
Grond en bagger:
Rijkswater:
•PFAS = 0,8
•PFOS = 3,7
Anders:
•PFAS = 0,8
•PFOS = 1,1
Toepassen in nietvrijliggende diepe plassen die in open verbinding staan net een rijkswater
Grond en bagger:
•PFAS = 0,8
•PFOS = 3,7
Toepassen in andere diepe plassen
Grond en bagger
•PFAS = 0,8
•PFOS = 1,1
20 Wettelijk kader
20.1 Huidige generieke kader
20.1.1 Wet bodembescherming
Hoe in Nederland de bodem en het grondwater beschermd wordt, is beschreven in de Wet bodembescherming (Wbb). Zo is in de Wbb beschreven wanneer en hoe sanering van (ernstig) verontreinigde bodem en grondwater dient te worden verricht of wanneer bijvoorbeeld voor beheer van de verontreiniging moet worden gekozen. Ook lozingen in of op de bodem kunnen op grond van de Wbb worden gereguleerd. De waterbodemregelgeving die voorheen was opgenomen in de Wbb is overgegaan naar de Waterwet.
Essentieel onderdeel van de bodembescherming in Nederland is de zorgplicht, welke is beschreven in artikel 13 van de Wbb. Deze bepaling verplicht ieder die handelingen uitvoert die effect kunnen hebben op de bodem, om ervoor te zorgen dat door die handelingen de bodem niet verontreinigd raakt. Indien er een verontreiniging is ontstaan, dient de veroorzaker op grond van deze zorgplicht de verontreiniging voor zo ver als redelijkerwijs mogelijk is, onge-daan te maken.
Gedeputeerde Staten zijn conform de Wbb bevoegd gezag voor alle nieuwe gevallen van bodemverontreiniging. In het geval de verontreiniging vóór 1987 is ontstaan, is het bevoegd gezag afhankelijk van de omvang van de verontreiniging. Tot 25 m3 grond/100 m3 grondwater niet-ernstige bodemverontreiniging is de betreffende gemeente het bevoegd gezag. Bij verontreinigingen met een grotere omvang, is de provincie het bevoegd gezag.
De noodzaak voor sanering en de aard van de te nemen saneringsmaatregelen wordt bepaald door de spoedeisendheid. Of een verontreiniging als spoedeisend wordt beschouwd, is afhankelijk van de humane, ecologische en verspreidingsrisico's. Een groot deel van de saneringen handelt de provincie af via het Besluit Uniform Saneren (BUS) waarbij volstaan kan worden met een melding voorafgaand aan de sanering. De grotere en meer gecompliceerde gevallen lopen via het Wbb-spoor waarvoor een saneringsplan moet worden opgesteld.
De Wet bodembescherming is daarnaast de grondslag voor een aantal besluiten en bepalingen die inhaken op het gebruik van de bodem. Voorbeeld hiervan is het voorgenoemde Besluit Uniform Saneren in het geval er sprake is van verontreinigingen in de bodem. Voor het hergebruik van (licht) verontreinigde grond en baggerspecie en voor hergebruik van bouwstoffen is het Besluit bodemkwaliteit in 2008 in werking getreden. Dit besluit wordt in navolgende paragraaf verder toegelicht.
20.1.2 Besluit bodemkwaliteit
In juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden voor het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen. Uitgangspunt bij het toepassen van partijen grond en baggerspecie is dat deze definitief onderdeel gaan uitmaken van de bodem (een zogenoemde bodemtoepassing). Er wordt ook wel gesproken over het 'beheer van grondstromen', oftewel het op die plaats toepassen van grond (of baggerspecie) waar dit geen risico's oplevert voor enerzijds de actuele bodemkwaliteit ter plaatse (standstill-principe) en anderzijds de functie die de bodem heeft.
Met de actuele bodemkwaliteit wordt de diffuse bodemkwaliteit bedoeld, ook wel achter-grondkwaliteit. Deze diffuse bodemkwaliteit is kenmerkend voor een bepaald gebied en is niet gerelateerd aan een specifieke en herkenbare bron zoals in het geval van puntverontreinigingen. Voor deze laatste vorm van verontreinigingen is het saneringsbeleid van kracht (Wet bodembescherming voor de landbodem en de Waterwet voor de waterbodem) tot het inwerking treden van de Omgevingswet.
Bij het (opnieuw) toepassen van bouwstoffen is het Bbk met name gericht op het voorkomen van een nieuwe bodemverontreiniging.
In figuur 10 is de positie van het Besluit bodemkwaliteit binnen het bodembeleid aangegeven.
Figuur 10: Positie van het Besluit bodemkwaliteit binnen het bodembeleid
Relatie met saneringsbeleid
In figuur 10 is aangegeven dat het Bbk niet van toepassing is op het saneren van bodemverontreinigingen. Dit is immers geregeld in de Wet bodembescherming. Echter, wanneer wordt gekozen voor functiegericht saneren, heeft het saneringsbeleid wél een koppeling met het Bbk. De in de bodemkwaliteitskaart bepaalde toepassingskaart bepaalt namelijk de concentratie tot waar minimaal dient te worden gesaneerd (de terugsaneerwaarde). Het gaat hierbij om de maximale waarden voor de functieklasse ‘Landbouw/natuur’, ‘Wonen’ of ‘Industrie’. Indien door de gemeente lokale maximale waarden zijn vastgesteld, gelden deze als terugsaneerwaarde.
Het bevoegd gezag voor de Wet bodembescherming zal derhalve voor de terugsaneerwaarden, maar ook voor de milieuhygiënische kwaliteit van de leeflaag of aanvulgrond, in eerste instantie uitgaan van de maximale waarden voor de functieklasse ‘Landbouw/natuur’, ‘Wonen’ of ‘Industrie’.
20.2 Generieke kader Omgevingswet
20.2.1 Intrekken Wet bodembescherming
Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de Wet bodembescherming ingetrokken. Voor sommige locaties is sprake van overgangsrecht, waarbij de Wet bodembescherming nog wel van toepassing blijft.
Het aanvullingsspoor bodem voegt het thema bodem en ondergrond toe aan de Omgevings-wet. Het aanvullingsspoor bodem zorgt ervoor dat bodem en ondergrond een integraal onderdeel worden van de Omgevingswet en heeft 3 pijlers:
1Preventie: het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting.
2Toedeling van functies: het meewegen van bodemkwaliteit als het gaat om de kwaliteit van de leefomgeving, in relatie tot het gebruik hiervan.
3Beheer historische verontreinigingen: het op een duurzame en doelmatige manier beheren van historische verontreinigingen.
Elke pijler gebruikt instrumenten uit de Omgevingswet. De nieuwe regels komen in de plaats van de bestaande regels voor het beheer van de bodemkwaliteit. Zoals de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit uniforme saneringen (BUS).
Pijler 1: Preventie
Na inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de algemene zorgplicht uit artikel 1.7 van de Omgevingswet en de specifieke zorgplicht uit artikel 2.11 Bal voor milieubelastende activiteiten. Deze zorgplichtbepalingen zijn van toepassing op situaties waarbij bodemverontreiniging na inwerkingtreding van de Omgevingswet is ontstaan. Artikel 13 Wet bodembescherming blijft van toepassing op situaties die tussen 1 januari 1987 en de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn veroorzaakt. Gemeentelijke overheden mogen in het gemeentelijk omgevings-plan zorgplichten opnemen.
Pijler 2: Toedeling van functies
De tweede pijler gaat over bodemkwaliteit als onderdeel van de afweging van alle aspecten van de fysieke leefomgeving. Deze afweging is onder andere nodig bij de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Regels over het meenemen van bodemkwaliteit in de afweging worden via het aanvullingsbesluit bodem opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het Bkl staan instructieregels voor het bouwen van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties. Eventuele andere regels over het meenemen van de bodemkwaliteit in afwegingen met betrekking tot de fysieke leefomgeving worden door de gemeente opgesteld en vastgelegd in het omgevingsplan.
Pijler 3: Beheer van historische verontreinigingen
Ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen er nog locaties ontdekt worden waar historische bodemverontreiniging aanwezig is en waar de veroorzaker vaak niet meer bekend is. Bestaande regelingen uit de Wet bodembescherming zullen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet meer gelden. In de Omgevingswet is een bepaling over "toevalsvondsten" (afdeling 19.2 van de Omgevingswet) opgenomen. De toevalsvondst-regeling houdt geen saneringsplicht in en ook het toetsingskader is aanzienlijk beperkter dan de Wet bodembescherming. Voortaan dient de gemeente in de omgevingsvisie en in het omgevingsplan of het omgevingsprogramma aan te geven welke eisen worden gesteld aan de bodemkwaliteit binnen de gemeentegrenzen. De wijze waarop met historische verontreinigingen wordt omgegaan, is bepaald voor een groot deel bepaald in het Bal. De gemeente kan hierover ook regels opnemen in het omgevingsplan.
Overgangsrecht Wet bodembescherming (Wbb)
Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er sprake van overgangsrecht van de Wbb (hoofdstuk 3 van Aanvullingswet bodem Omgevingswet) voor wanneer er bijvoorbeeld een locatie eerder onder de Wbb is beschikt als ernstig en spoedeisend of voor locaties waar vóór de inwerkingtreding nog een (deel)saneringsplan of BUS melding is ingediend. De Wbb blijft gelden totdat het besluit tot instemming met een evaluatieverslag of een nazorgplan onherroepelijk is geworden. Ook blijft de Wbb gelden voor de maatregelen of beperkingen, die in het evaluatieverslag of in het nazorgplan staan. De locatie valt dan (gedeeltelijk) onder het bevoegd gezag van de Wbb. In sommige situaties kunnen provincies hun bevoegdheid mandateren aan gemeenten.
Voor locaties waarop het overgangsrecht niet van toepassing is, gelden onder de Ow de regels uit het Bal te weten milieubelastende activiteiten graven in de bodem (paragrafen 4.119 en 4.120) en het saneren van de bodem (paragraaf 4.121), eventueel aangevuld met maatwerkregels en/of regels die gaan over grondwaterkwaliteit uit de omgevingsverordening van de provincie.
Bevoegde gezagen Omgevingswet
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is volgens artikel 2.3 van het Bal de gemeente bevoegd gezag voor de meeste milieubelastende activiteiten die met de bodem te maken hebben (zoals graven, saneren en toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie). Voor de gemeente zijn dit voor een deel nieuwe taken aangezien onder de huidige regelgeving graven en saneren valt onder de Wet bodembescherming waarvoor de provincies en 29 grotere gemeenten het bevoegd gezag zijn.
20.2.2 Besluit bodemkwaliteit (Bbk) onder de Omgevingswet
Wanneer de Omgevingswet ingaat, komen een aantal onderdelen van het Besluit bodemkwaliteit (van vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet) in het Bal. Dit zijn regels voor het toepassen van bouwstoffen en grond en baggerspecie (plaatsgebonden regels) die zijn ingebouwd in regelgeving onder de Omgevingswet. In de paragrafen 3.2.25 en 3.2.26 van het Bal zijn deze activiteiten omschreven en gedefinieerd en in paragraaf 4.123 (toepassen bouwstoffen) en 4.124 (toepassen van grond of baggerspecie) staan de betreffende regels en eisen.
De andere bepalingen uit het Bbkt van vóór de Omgevingswet, de zogenaamde niet- plaatsgebonden regels, blijven – in een sterk uitgeklede versie - in het Bbk onder de Omgevingswet. Het gaat om regels die zich richten tot de producent, importeur, transporteur, handelaar van bouwstoffen en de regels die zich richten tot degene die onderzoeken verrichten en milieuverklaringen afgeven voor bouwstoffen, grond en baggerspecie). Ook blijven de regels voor de kwaliteitsborging (voorheen kwaliboregels genoemd) in het Bbk onder de Omgevingswet.
22 Bewijsmiddelen
22.2 Gebruik van de bodemkwaliteitskaart
22.2.1 Het toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel
Een bodemkwaliteitskaart mag alleen worden gebruikt bij grondstromen tussen voor locaties die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaarten van het vastgestelde beheergebied. Dit geldt zowel voor de ontgravings- als de toepassingslocatie. Hiermee wordt voorkomen dat sterk verontreinigde grond wordt afgegraven en elders (ongewenst) wordt toegepast en/of dat een eventuele sterke grondverontreiniging illegaal wordt afgedekt. Een tweede basisprincipe is dat grond nuttig toegepast moet worden (zie ook paragraaf 21.1). Het is niet toegestaan om zich van grond te ontdoen als deze niet naar een erkend verwerker wordt getransporteerd.
Als aan voornoemde basisprincipes is voldaan, werkt de bodemkwaliteitskaart als volgt:
•De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de te verwachten ontgravingskwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ mag overal worden toegepast. In bepaalde gevallen kan de bodemkwaliteitskaart niet worden gebruikt omdat de kwaliteit van de daar toe te passen grond moet zijn aangetoond met een partijkeuring, zie hiervoor de toepassingseisen in deel 1 van deze Nota;
•De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de te verwachten ont-gravingskwaliteitsklasse ‘Wonen’ mag zonder aanvullend bewijsmateriaal worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ is. Ook hier gelden enkele uitzonderingen voor locaties met gevoelig bodemgebruik, zie deel 1 van deze Nota;
•De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de te verwachten ontgravingskwaliteitsklasse ‘Industrie’ mag zonder aanvullend bewijsmateriaal worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is. Ook hier gelden enkele uitzonderingen, zie deel 1 van deze Nota. Zo zijn in de regio Zuid-Kennemerland-IJmond extra locaties aangewezen waar partijen met de kwaliteitsklasse ‘industrie’ mogen worden toegepast. Daarnaast is voor de bodemkwaliteitszones ‘B1. Oud Volendam en Purmer’, ‘B2. Wonen B en Oud Edam’ en ‘O1. Wonen B, Oud Edam, Oud Volendam en Purmer’ vastgelegd dat grond vanuit deze bodemkwaliteits-zones voorafgaand aan de beoogde toepassing altijd moet worden gekeurd (zie hoofdstuk 6). Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast of moet worden getransporteerd naar een erkend verwerker.
Als de toe te passen grond is gekeurd volgens de gestelde eisen van het Besluit, is de in de partijkeuring vastgestelde kwaliteit leidend. Als uit de keuring/ bodemonderzoek blijkt dat de kwaliteit van de ontvangende bodem slechter is dan de bodemkwaliteitsklasse zoals die voor de bodemkwaliteitszone is vastgesteld, waarin de locatie is gelegen, geldt (ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijk gevolgen voor de toepassingseis) de toepassingseis zoals deze is weergegeven op de toepassingskaarten.
Grond afkomstig van buiten het beheergebied als beschreven in de inleiding (paragraaf I.) moet voldoen aan de generieke toepassingseisen. Uitzondering hierop zijn de gebieden met vastgestelde lokale maximale waarden. Indien strenger, geldt het gebiedsspecifieke beleid in plaats van het generieke beleid (zie hoofdstuk 1 van deze Nota voor de LMW).
22.2.2 Formulier ‘Vragenformulier NEN 5725’
Teneinde uit te sluiten dat de locatie van herkomst als 'verdacht' ten aanzien van bodemverontreiniging moet worden bestempeld, dient voorafgaand aan grondverzet altijd een historisch onderzoek overeenkomstig de NEN5725 te worden uitgevoerd. Om de procedure te vergemakkelijken werken de deelnemende gemeenten met het ‘Vragenformulier NEN 5725’. Dit formulier kan zowel worden ingevuld door een bodemadviesbureau, als door bijvoorbeeld een initiatiefnemer, eigenaar of de gemeente. Het formulier wordt volledig ingevuld en ondertekend en wordt als bijlage bij de melding ‘Besluit bodemkwaliteit’ ingediend. In bijlage 3 is het formulier opgenomen. Het formulier is zodanig ingericht dat deze voldoet aan alle eisen aan vooronderzoek die zijn gesteld in de NEN 5725.
22.3 Overige erkende bewijsmiddelen
22.3.1 Partijkeuring
Een partijkeuring betreft een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit, en daarmee de toepassingsmogelijkheden, van een partij grond of (gerijpte) baggerspecie die al dan niet is ontgraven.
Eisen
Aan een partijkeuring worden de volgende eisen gesteld (zoals onder andere ook blijkt uit artikel 4.3.3 van de Regeling bodemkwaliteit):
•Een partij kan worden gekeurd in depot of in-situ;
•De partij grond (of baggerspecie) dient door een erkende monsternemer te worden bemonsterd conform SIKB BRL 1000: VKB-protocol 1001
21Beoordelingsrichtlijn, met bijbehorend protocol, voor de monsterneming van partijen grond en baggerspecie (Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer)
;
•De voorbewerking van de monsters alsmede het laboratoriumonderzoek moeten worden verricht conform het accreditatieprogramma AP04 door een hiervoor erkend laboratorium.
Wanneer de grond of baggerspecie afkomstig is van een verdachte locatie dan dient de partij, naast de parameters van het standaard analysepakket, tevens op de desbetreffende kritische parameters te worden onderzocht.
22.3.2 Erkende kwaliteitsverklaring
Een erkende kwaliteitsverklaring bestaat uit twee delen:
•Het eerste deel is het productcertificaat dat wordt afgegeven door een erkende certificerende instelling (zoals bijvoorbeeld KIWA, Intron of BMC). Op dit productcertificaat staan de (civieltechnische) eigenschappen van de grond of baggerspecie vermeld, alsmede de milieuhygiënische classificatie (klasse ‘Landbouw/natuur’ (AW2000), klasse 'Wonen' of klasse 'Industrie');
•Het tweede deel betreft een attest, afgegeven door een erkende producent.
De eisen die aan een erkende kwaliteitsverklaring voor grond of baggerspecie worden gesteld, staan beschreven in de Regeling bodemkwaliteit. Een overzicht van afgegeven erkende kwaliteitsverklaringen wordt gepubliceerd op de website van Bodem+.
22.3.3 Fabrikant-eigen-verklaring
Dit is een milieuhygiënische verklaring die door een producent zelf kan worden afgegeven. In tegenstelling tot een erkende kwaliteitsverklaring, vindt bij een fabrikant eigenverklaring geen periodieke externe controle door een certificerende instelling plaats en is er ook geen erkenning noodzakelijk. De verantwoordelijkheid voor de milieuhygiënische kwaliteit van het product ligt dus volledig bij de fabrikant. Echter, voordat een producent een fabrikant-eigen-verklaring mag afgeven, moet hij door middel van een streng toelatingsonderzoek aantonen dat zijn product aan de gestelde milieuhygiënische eisen voldoet.
De eisen die aan een fabrikant-eigen-verklaring voor een partij grond of baggerspecie worden gesteld, staan beschreven in de Regeling bodemkwaliteit. Een overzicht van afgegeven fabrikant-eigen-verklaringen wordt gepubliceerd op de website van Bodem+.
22.3.4 (Water)bodemonderzoek
Bodemonderzoeken die voldoen aan bepaalde onderzoeksstrategieën van de NEN 5740 en NEN 5720 zijn toegestaan als milieuhygiënische verklaring op grond van het Besluit bodemkwaliteit.
Voor toe te passen grond zijn alleen de volgende onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 toegestaan als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit:
•Onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van een schone bodem;
•Onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van een schone bodem op grootschalige locaties;
•Onderzoeksstrategie voor de partijkeuring van niet-schone grond uit diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof.
Deze onderzoeksstrategieën van de NEN 5740 gaan uit van een monsternemingsintensiteit die in eenzelfde orde van grootte ligt als bij de partijkeuring en de erkende kwaliteitsverklaringen.
Als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van toe te passen of te verspreiden baggerspecie en voor de kwaliteit van de bodem onder oppervlaktewater zijn de onderzoeksstrategieën uit de NEN 5720 toegestaan.
Indien grond van buiten het beheergebied wordt aangevoerd is het generieke beleid van toepassing (d.w.z. uitvoering van dubbele toets op ontvangende bodem en functieklasse). De kwaliteit van de ontvangende bodem kan worden aangetoond met de onderstaande middelen:
1Bodemkwaliteitskaart (kwaliteit van de ontvangende bodem);
2Onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 toegestaan als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van de ontvangende bodem:
•Onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie;
•Onderzoeksstrategie voor een grootschalig onverdachte locatie;
•Onderzoeksstrategie bij een onbekende bodembelasting;
•Onderzoeksstrategie voor de toetsing of er sprake is van een schone bodem;
•Onderzoeksstrategie voor de toetsing of er sprake is van een schone bodem op grootschalige locaties;
•Onderzoeksstrategie voor de partijkeuring van niet-schone grond uit diffuus belaste gebied.
Indicatief bodemonderzoek onverharde bermen of bij graafwerkzaamheden bodemkwaliteits-zones ‘B1. Oud Volendam en Purmer’, ‘B2. Wonen B en Oud Edam’ en ‘O1. Wonen B, Oud Edam, Oud Volendam en Purmer’
Als bermgrond weer wordt toegepast in onverharde bermen (zie hoofdstuk 1 van deze Nota), moet voorafgaande aan de toepassing een indicatief onderzoek plaatsvinden. Voor het onder-zoek hoeft alleen de te ontgraven bodemlaag te worden onderzocht; onderzoek van de bodem-laag dieper dan de ontgravingsdiepte en het grondwater is niet nodig. Bij de bermgrond wordt vanwege mogelijke verschillen in kwaliteit geadviseerd om bij dit onderzoek onderscheid te maken in een bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,3 meter diepte en een diepere bodemlaag tot en met ontgravingsdiepte. Ten aanzien van de eventueel te onderscheiden partijen grond in de onverharde wegberm sluit de gemeente aan bij de nadere toelichting hierover in de BRL SIKB protocol 1001.
Bij graafwerkzaamheden voor kabels/leidingen/riolering/groenvoorziening in de bodemkwali-teitszones ‘B1. Oud Volendam en Purmer’, ‘B2. Wonen B en Oud Edam’ en ‘O1. Wonen B, Oud Edam, Oud Volendam en Purmer’ moet tevens voorafgaand een indicatief onderzoek plaatsvinden. Voor het onderzoek hoeft alleen de te ontgraven bodemlaag te worden onderzocht; onderzoek van de bodemlaag dieper dan de ontgravingsdiepte en het grondwater is niet nodig.
Het onderzoek moet conform de NEN 5740, strategie VED-HO-L zijn uitgevoerd en door voor de BRL SIKB protocol 2001 gecertificeerd bedrijf/persoon dat een ministeriële erkenning heeft.
22.3.5 Bodemkwaliteitskaart
Het beheergebied zoals beschreven in hoofdstuk I. geldt als basis voor deze Nota waarbinnen grond kan worden hergebruikt op basis van de vastgestelde bodemkwaliteitskaart. In hoofdstuk 3 is beschreven welke bodemkwaliteitskaarten worden erkend als gebruik als bewijsmiddel van de bodemkwaliteit. Om hergebruik tussen gemeenten onderling optimaal te faciliteren wordt de bodemkwaliteitskaart van een andere gemeente buiten het beheergebied toegestaan als wordt voldaan aan de onderstaande criteria:
•De bodemkwaliteitskaart moet zijn opgesteld conform de Richtlijn bodemkwaliteits-kaarten (3 september 2007) en de wijzigingsbladen;
•Stoffenpakket uit de NEN5740;
•De milieuhygiënische kwaliteit moet zijn uitgedrukt op klasseniveau;
•De kwaliteitsklasse moet zijn gebaseerd op de gemiddelde gemeten gehalten;
•De bodemkwaliteitskaart moet bestuurlijk zijn vastgesteld en mag niet ouder zijn dan 5 jaar;
•Een historisch onderzoek waaruit blijkt dat de locatie onverdacht is.
Om te voorkomen dat grond uit een verontreinigde of verdachte locatie afkomstig is, dient de melding te zijn voorzien van een vooronderzoek conform de NEN 5725. Voor de gemeenten in regio Zuid-Kennemerland-IJmond kan hiertoe teven gebruik gemaakt worden van een volledig en correct ingevuld ‘Vragenformulier NEN 5725’. Uit het vooronderzoek dient te blijken dat de locatie onverdacht is op eventuele bodemverontreiniging.
De bodemkwaliteitskaart van Tata-Steel wordt uitgesloten als wettig bewijsmiddel gezien de specifieke verontreinigingsproblematiek.
23 Meldingen en procedures
23.1 Meldingen en procedures Wet bodembescherming
23.1.1 Wanneer melden
Op grond van artikel 42 van het Besluit bodemkwaliteit moeten alle toepassingen van grond en baggerspecie worden gemeld, met uitzondering van:
•Het toepassen van minder dan 50 m3 schone grond en baggerspecie (klasse AW2000);
•Het verspreiden van baggerspecie op het aangrenzend perceel;
•Het toepassen van grond en baggerspecie door particulieren (behalve wanneer de werkzaamheden worden uitbesteedt aan een aannemer, in dat geval moet wel een melding worden ingediend);
•Het verplaatsen van grond of baggerspecie binnen één landbouwbedrijf (de grond/baggerspecie moet in dat geval wel afkomstig zijn van een binnen hetzelfde landbouwbedrijf gelegen perceel waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld).
Voor het toepassen van schone grond en baggerspecie in hoeveelheden vanaf 50 m3 moet eenmalig de toepassingslocatie worden gemeld.
23.1.2 Meldingstermijn en loket
Degene die grond of baggerspecie gaat toepassen, moet dit tenminste vijf werkdagen van tevoren melden, bij voorkeur digitaal, via het Meldpunt bodemkwaliteit
22Meldingen die in het kader van overgangsrecht nog moeten worden getoetst aan het Bouwstoffenbesluit dienen rechtstreeks bij het bevoegd gezag te worden ingediend.
(https://www.meldpuntbodemkwaliteit.nl/Voorportaal.aspx). Het meldpunt stuurt de melding vervolgens ter beoordeling door naar het betreffende bevoegde gezag.
Op de website van het meldpunt zijn de meldingsformulieren te vinden alsmede informatie over welke gegevens bij de melding moeten worden gevoegd. Men kan bij het meldpunt ook terecht voor vragen over het invullen van de meldingsformulieren of het aanvragen van een account om digitaal te kunnen melden.
Indien er onduidelijkheden of twijfels bestaan over het op een locatie mogen toepassen van een bepaalde partij, kan contact worden opgenomen met de bodemambtenaar van de desbetreffende gemeente.
23.1.3 Beoordeling
De gemeenten toetsen de voorgenomen toepassing, en de eventueel bijgeleverde stukken, aan het Besluit bodemkwaliteit en onderliggende Bodembeheernota. Hierbij wordt in ieder geval nagegaan of:
•Het meldingsformulier volledig is ingevuld en of de benodigde bewijsmiddelen zijn bijgevoegd (dus of de melding ontvankelijk is);
•De werkzaamheden onder het juiste toepassingskader zijn aangemeld;
•Terecht van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel gebruik wordt gemaakt;
•Indien gebruik wordt gemaakt van ‘vragenformulier NEN 5725’, of deze volledig en correct is ingevuld;
•Op basis van de verstrekte informatie redelijkerwijs kan worden aangenomen dat er inderdaad geen sprake is van bijzondere omstandigheden of onverwachte situaties;
•De aangeleverde bewijsmiddelen acceptabel en voldoende zijn;
•De eindconclusie over de toepasbaarheid van de partij grond of baggerspecie juist is.
De gemeente is het bevoegd gezag en heeft de taak om de melding te toetsen. De deelnemende gemeenten hebben de mogelijkheid een andere partij zoals de omgevingsdienst aan te wijzen om deze taken over te nemen. Indien de melding en/of de bijgeleverde gegevens naar het oordeel van de toetsende instantie onduidelijk, onvolledig of anderszins niet toereikend zijn, zullen door de toetser nadere gegevens van de melder worden verlangd. Dit verzoek kan telefonisch, per e-mail of per brief plaatsvinden.
Door de melder kan in principe vijf werkdagen na het melden met de werkzaamheden worden aangevangen. De gemeente neemt namelijk geen formeel besluit op de melding. Een toepasser kan zich niet beroepen op het uitblijven van een reactie van de gemeente op een melding. De toepasser is en blijft namelijk zelf verantwoordelijk voor het voldoen aan de vereisten van het Besluit bodemkwaliteit.
23.1.4 Registratie
Een goede registratie van meldingen is van belang voor het toezicht op het toepassen van grond en baggerspecie en voor het op termijn actualiseren van de bodemkwaliteitskaart.
Meldingen die digitaal worden ingediend, worden automatisch geregistreerd onder het account dat iedere gemeente heeft bij het Meldpunt bodemkwaliteit. Analoge meldingen worden door de gemeente geregistreerd. Hierbij worden onder meer de volgende gegevens vastgelegd:
•De informatie van het meldingsformulier;
•De daadwerkelijke start van het project;
•Wanneer de werkzaamheden zijn afgerond;
•Eventuele afwijkingen in de uitvoering.
23.1.5 Toezicht en handhaving
De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten in de gemeente zijn voor haar eigen grondgebied in het kader van het Besluit verantwoordelijk voor toezicht en handhaving van de toepassing van grond op of in de bodem. De Omgevingsdienst IJmond voert in opdracht van deze gemeenten die taken uit. Bij de tijdelijke opslag en de toepassingen van grond kan toezicht en handhaving plaatsvinden:
•Tijdens de melding;
•In het veld (tijdens het transport of bij de tijdelijke opslag of de toepassing);
•Na de tijdelijke opslag of de toepassing.
Bij de toezicht en de handhaving voor het Besluit maakt de Omgevingsdienst IJmond (namens de gemeenten gemeente onder meer gebruik van de Handhavings Uitvoerings Methode Besluit bodemkwaliteit (HUM Bbk).
Als de Omgevingsdienst IJmond (namens de gemeenten in de regio Zaanstreek-Waterland) constateert dat de regels van het Besluit en/of de Wet bodembescherming niet worden nageleefd, kan bestuursdwang worden uitgeoefend of een dwangsom worden opgelegd. Bestuursdwang houdt in dat de initiatiefnemer of degene die het beheer van een (grootschalige) toepassing heeft overgenomen, een aanzegging krijgt bepaalde handelingen na te laten, dan wel bepaalde maatregelen te treffen binnen een bepaalde termijn. De ODIJ kan eventueel na de verstreken termijn op kosten van de initiatiefnemer deze handelingen laten verrichten. Een dwangsom is een indirect dwangmiddel in de vorm van een geldboete die wordt opgelegd met het doel om de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel herhaling te voorkomen.
De strafrechtelijke handhaving van het Besluit en de Wet bodembescherming, wordt geregeld in de Wet op de Economische Delicten. Als strafbare handelingen niet opzettelijk zijn uitgevoerd, dan is sprake van een overtreding. Als zij opzettelijk zijn begaan, worden zij aangemerkt als misdrijven. Met de opsporing van overtredingen is in de eerste plaats de politie belast. Daarnaast kunnen bepaalde categorieën buitengewone opsporingsambtenaren (BOA) de bevoegdheid hebben om overtredingen van het Besluit en de Wet bodembescherming op te sporen.
In het kader van het Besluit is voor toepassingen van grond op of in de bodem de Inspectie Leefomgeving en Transport bevoegd gezag voor de keten van de producent tot en met de aannemer. Deze bevoegd-gezag-taken omvatten de activiteiten die onder de Kwalibo vallen. Ook is de Inspectie Leefomgeving en Transport bevoegd tot bestuurlijke handhaving van de aannemer die de grond toepast op of in de bodem.
Overtredingen zoals afwijkingen van normdocumenten en werken zonder erkenning moeten worden gemeld bij de Inspectie Leefomgeving en Transport: https://www.ilent.nl/melden. De Inspectie Leefomgeving en Transport kan bij constatering van overtredingen dwangsommen opleggen, bedrijven schorsen of zelfs erkenningen intrekken.
23.1.6 Repeterende vrachten en omvangrijke grondtoepassingen
Binnen grootschalige werken, zoals het aanleggen van een woonwijk, bedrijventerrein of het ontwikkelen van een natuurgebied, is het vaak niet praktisch om voor elke afzonderlijk toepassing van een partij grond een melding te doen. In verband hiermee bestaat de mogelijkheid om hiervoor een grondstromenplan op te stellen dat vooraf moet worden goedgekeurd door de ODIJ (namens de gemeenten in de regio Zaanstreek-Waterland). Het grondstromenplan moet worden gemeld bij het centrale meldpunt van het Ministerie van
Infrastructuur en Waterstaat: http://www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Afwijkingen van het grondstromenplan moeten direct worden gemeld aan de ODIJ.
23.1.7 Grondtransporten met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel
Als grond wordt getransporteerd met een bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond, dan moet op het transportgeleidebiljet het meldingsnummer vermeld worden waaronder de melding bij het landelijke meldpunt bodemkwaliteit is geregistreerd en aan de melder is afgegeven. Als geen meldingsnummer op het transportgeleidebiljet is geregistreerd moet een kwaliteitsverklaring aanwezig zijn.
23.2 Meldingen en procedures Omgevingswet
23.2.1 Meldingen
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen meldingen niet meer gaan via het meldpunt bodemkwaliteit, maar via Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) is de digitale ondersteuning van de Omgevingswet.
De centrale spil is het Omgevingsloket, waar digitale informatie over de leefomgeving onder de Omgevingswet samenkomt. Via het Omgevingsloket kunnen initiatiefnemers een vergunningaanvraag of een melding indienen in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).
Middels duidelijke stappen en vragen worden initiatiefnemers door het proces geleid. Door het maken en aanleveren van toepasbare regels door gemeenten kunnen gemeenten zelf de vragen en indieningsvereisten over activiteiten voor een verzoek bepalen. Wanneer er in het Omgevingsloket een melding wordt ingediend, krijgen zowel het bevoegd gezag als de behandel-dienst (indien ingesteld) hiervan een melding.
Het kan zijn dat met de inwerkingtreding van de Omgevingswet het DSO (of delen daarvan) nog niet kunnen worden gebruikt. Om tijdelijk toch nog vergunningaanvragen of meldingen te ontvangen, zijn er tijdelijke alternatieve maatregelen (TAM) beschikbaar.
In hoofdstuk 4 van het Bal staat per milieubelastende activiteit of er door de initiatiefnemer informatie moet worden verstrekt (gegevens en bescheiden) aan het bevoegd gezag en/of een melding moet worden verricht. Voor de volgende bodem-gerelateerde activiteiten is in het Bal een informatie/meldplicht geregeld:
•Informatieplicht:
o Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.119 van het Bal);
o Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120 van het Bal);
o Saneren van de bodem (paragraaf 4.121 van het Bal);
o Toepassen van bouwstoffen (paragraaf 4.123 van het Bal);
•Meldplicht:
o Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120 van het Bal);
o Saneren van de bodem (paragraaf 4.121 van het Bal);
o Opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie (paragraaf 4.122 van het Bal);
o Toepassen van grond of baggerspecie (paragraaf 4.124 van het Bal).
Voor activiteiten waarbij zowel een melding moet worden gedaan als ook gegevens en be-scheiden worden aangeleverd (informatieplicht), dienen beide onderdelen in het DSO ingevuld te worden.
23.2.2 Termijnen
De meldingstermijnen wijzigen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet en worden hieronder beknopt samengevat.
Graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit
De initiatiefnemer verstrekt gegevens en bescheiden over de voorgenomen toepassing minimaal één week voorafgaande aan de aanvang van de activiteit.
Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit
Minimaal 4 weken voor aanvang van de activiteit wordt door de initiatiefnemer de melding verricht. In het geval van tijdelijke uitname geldt een meldingstermijn van 1 week. Dezelfde termijnen gelden voor de gegevens en bescheiden die dienen te worden aangeleverd. Verder dient de initiatiefnemer binnen 1 week na afronding van de activiteit gegevens en bescheiden aan te leveren.
In het geval van spoedreparaties is het niet verplicht te voldoen aan de hierboven gestelde termijnen voor informatie- en meldplicht. Wel dient de initiatiefnemer na afronding van de werkzaamheden alsnog gegevens en bescheiden aan te leveren.
Saneren van de bodem
Voor de activiteit saneren van de bodem dient de melding minimaal 4 weken voor aanvang van de activiteit te zijn verricht. Daarnaast moeten gegevens en bescheiden worden verstrekt: ten minste 4 weken voor de aanvang dienen gegevens over de begrenzing en verwachte startdatum te zijn verstrekt. Minimaal 1 week voor het begin van de activiteit verstrekt de initiatiefnemer het bevoegd gezag met betrekking tot de uitvoerder en milieukundige begeleiding. Ten hoogste 4 weken na afronding na afronding van de activiteit verstrekt de initiatiefnemer een evaluatieverslag en eventuele aanvullende documenten.
Opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie
De initiatiefnemer meldt de activiteit minimaal 4 weken voorafgaande aan de start van de activiteit. Er gelden twee uitzonderingen:
•Over het samenvoegen van partijen is maar één keer een melding nodig. Het is niet nodig om iedere keer te melden dat er partijen worden samengevoegd;
•Wanneer er eenmalig wordt opgeslagen dient er een week voor de opslag een melding te worden gedaan (met inwerkingtreding van de Omgevingswet komt het begrip ‘tijde-lijke opslag’ te vervallen).
Toepassen van bouwstoffen
Alleen in het geval van het toepassen van de bouwstoffen AVI-bodemassen en immobilisaten geldt een informatieplicht voorafgaande aan de activiteit. Voor het toepassen van overige bouwstoffen geldt geen informatieplicht vooraf. De gegevens en bescheiden voor het toepas-sen van AVI-bodemassen en immobilisaten dienen minimaal 4 weken voor de start te zijn in-gediend.
Ongeacht de hierboven genoemde informatieplicht dient de initiatiefnemer de kwaliteit van de toe te passen bouwstoffen op moment van toepassen te kunnen aantonen. De gegevens en bescheiden dienen daarom beschikbaar te zijn tijdens de werkzaamheden. In enkele situaties is het niet noodzakelijk om de kwaliteit van het materiaal te kunnen aantonen tijdens de werk-zaamheden. Dit geldt voor het toepassen van metselmortel of een natuursteenproduct, vorm-gegeven bouwstoffen als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit 2021 die zonder verandering van eigenschappen of samenstelling onder dezelfde omstandigheden opnieuw worden toege-past, niet-teerhoudend asfalt of asfaltbeton, tijdelijk uit een werk wegnemen of wanneer een natuurlijk persoon (particulier) bouwstoffen toepast, anders dan in zijn beroep of bedrijf.
Toepassen van grond of baggerspecie
Voor het melden van een toepassing geldt een meldplicht van 1 week. In het geval het gaat om meerdere toepassingen, is een meldingstermijn van 4 weken van toepassing.
Er zijn uitzonderingen van toepassing:
Voor de volgende gevallen geldt er geen meldingsplicht:
•Toepassing door natuurlijk persoon: particulieren tot maximaal 25 m3;
•Bedrijf voor telen van gewassen: toepassen op eigen landbouwgronden;
•Maximaal 50 m3 grond kwaliteit ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’. Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn;
•Maximaal 50 m3 baggerspecie kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar: Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn (met uitzondering van toepassen in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone);
•Baggerspecie verspreiden op de landbodem, als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a van het Bal;
•Als een activiteit vergunningplichtig is volgens hoofdstuk 3 van het Bal, dan geldt er geen meldplicht. De gegevens die een melding moet bevatten, maken in dat geval onderdeel uit van de vergunningaanvraag;
•Al eerder gemeld: als er al eerder een melding is gedaan voor dezelfde toepassing, hoeft een initiatiefnemer niet opnieuw te melden. Wel moet de initiatiefnemer gegevens en bescheiden per partij aanleveren volgens artikel 4.1267.
Minimaal één week voor aanvang van de activiteit dient de initiatiefnemer het bevoegd gezag te voorzien van gegevens en bescheiden. De gegevens en bescheiden hoeven niet aangeleverd te worden in de volgende gevallen:
•Toepassing door natuurlijk persoon: particulieren tot maximaal 25 m3;
•Bedrijf voor telen van gewassen: toepassen op eigen landbouwgronden;
•Grond met kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’. Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn;
•Baggerspecie met kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar. Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn (met uitzondering van toepassen in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone);
•Baggerspecie verspreiden op de landbodem, als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a van het Bal. Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn.
Op de website https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/toepassen-grond-baggerspecie/toepassingsbereik-melding-gegevens/ zijn stroomdiagrammen opgenomen die de meldplicht en informatieplicht verduidelijken.
23.2.3 Toezicht en handhaving
Het basistakenpakket voor toezicht en handhaving is onder de Omgevingswet op een paar onderdelen gewijzigd. De omzetting van het basistakenpakket wordt zo beleidsneutraal moge-lijk gedaan. In hoofdstuk 3 van het Bal zijn de toebedeelde taken nu eenvoudiger te vinden.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn er enkele wijzigingen in het basistakenpak-ket (BTP) uitgevoerd door omgevingsdiensten. Het doel is om een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving te bevorderen.
Een aantal belangrijke wijzigingen zijn:
•De milieubelastende activiteit is nu de ingang voor het basistakenpakket en niet langer het begrip 'inrichting';
•Bodemgerelateerde activiteiten zijn onder de Omgevingswet niet langer apart geregeld. Dit is omdat deze activiteiten onder de regels van milieubelastende activiteiten vallen in hoofdstuk 3 van het Bal;
•Onder het basistakenpakket vallen nu ook de uitvoering en het toezicht en de handhaving van de regels in het omgevingsplan, als het gaat om activiteiten uit het basis-takenpakket. Wanneer een activiteit niet binnen het bereik van het basistakenpakket valt, mag deze wel als extra taak bij de omgevingsdienst belegd worden.