Hoofdstuk 1: Algemene uitgangspunten
1.1. Het Hardenbergse Model voor ondersteuning
1.1.1 Beleidsuitgangspunten
De gemeente werkt samen met aanbieders en partners in het voorliggende veld. Samen versterken we voorzieningen die preventief en voor iedereen toegankelijk zijn. Dit draagt bij aan een stevige sociale basis waarin inwoners elkaar kunnen ondersteunen en sneller passende hulp kunnen krijgen.
De beleidsregels voor maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp zijn gebaseerd op de volgende uitgangspunten:
Positieve Gezondheid
Vanuit de visie positieve gezondheid wordt uitgegaan van wat mensen wél kunnen, met minder nadruk op beperkingen of problemen. Gezondheid wordt breed benaderd: naast medische zorg is er aandacht voor zingeving, mentale veerkracht, sociale relaties en participatie. Dit vertaalt zich in welzijnsactiviteiten, ondersteuning bij zingeving, mentale gezondheid, leefomgeving en zelfregie.
Normaliseren
Niet elke kwetsbaarheid vraagt om professionele hulp. Ondersteuning wordt zoveel mogelijk geboden in de eigen leefomgeving via het sociale netwerk of algemene voorzieningen. Doel is herstel van het gewone leven. Specialistische, individuele ondersteuning wordt alleen ingezet als dat echt nodig is.
Doen wat nodig is
De ondersteuning is flexibel, kortdurend en afgestemd op de leefwereld van de inwoner. Er wordt integraal gewerkt, met oog voor werk, onderwijs en participatie als belangrijke vormen van dag invulling.
Ruimte voor professionals
Professionals krijgen vertrouwen en ruimte om maatwerk te leveren. Ze werken samen in teams, waarin ze elkaar kunnen versterken en eenvoudige werkprocessen het uitgangspunt zijn. Zo kunnen inwoners sneller en beter geholpen worden.
Hoofdstuk 2: Melding
2.1 Melding
De onderzoeksfase begint met de melding. Een inwoner die beperkingen heeft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning kan zich melden met een hulpvraag. De inwoner kan contact opnemen met Samen Doen. De melding kan schriftelijk, telefonisch, digitaal (via het meldingsformulier ‘Neem contact op met Samen Doen’ op de website van de gemeente Hardenberg) of in persoon (mondeling) gedaan worden.
De melding kan door de inwoner zelf gedaan worden, maar ook namens de inwoner door iemand anders, bijvoorbeeld een vertegenwoordiger, partner of zorgverlener.
2.2 Cliëntondersteuning
De inwoner kan zich in contact met Samen Doen bij laten staan door een onafhankelijke cliëntondersteuner. Deze cliëntondersteuner heeft als opdracht het belang van de inwoner te behartigen. Inwoners worden bij het invullen van het contactformulier op de website en bij het eerste contact met Samen Doen op de mogelijkheid gewezen om zich gratis te laten bijstaan door een onafhankelijke cliëntondersteuner. De cliëntondersteuner denkt met de inwoner mee over zorg en ondersteuning. De cliëntondersteuner beantwoordt samen met de inwoner vragen als: Wat past bij de inwoner? Welke keuzes kan de inwoner maken?
2.2 Persoonlijk plan
Na de melding kan de inwoner binnen 7 dagen zelf een persoonlijk plan indienen bij de gemeente. In dit plan beschrijft de inwoner zijn persoonlijke situatie, wat hij wil bereiken met zijn hulpvraag en welke vorm van maatschappelijke ondersteuning volgens hem het beste past bij zijn ondersteuningsbehoefte. Het indienen van een persoonlijk plan is niet verplicht. De gemeente neemt het persoonlijk plan mee in het onderzoek. Voor meer informatie over het onderzoek zie Hoofdstuk 3.1.
2.4 Informatie en identificatie
De inwoner moet aan kunnen aantonen wie hij is. Daarom moet hij zich, tijdens het keukentafelgesprek, legitimeren met een geldig identiteitsbewijs zoals bedoeld in de Wet op de identificatieplicht.
Personen met de Nederlandse nationaliteit kunnen zich in ieder geval legitimeren door middel van een: paspoort, Europese identiteitskaart of een rijbewijs.
Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit is het identiteitsbewijs van belang voor het vaststellen van de verblijfsrechtelijke status. Voor aanvragen in het kader van de Wmo 2015 accepteert de gemeente de identiteitsbewijzen die zijn toegestaan volgens de Wet op de identificatieplicht;
•Vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER.
•Verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen).
•Buitenlands paspoort.
•Vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers).
Het rijbewijs is een algemeen erkend identiteitsbewijs (artikel 1 Wet op de identificatieplicht), maar in situaties waarin gegevens over verblijfsstatus en nationaliteit belangrijk zijn, geeft een rijbewijs geen duidelijkheid. Een rijbewijs zegt namelijk niets over de nationaliteit en verblijfsstatus.
Een inwoner hoeft zich niet te legitimeren als de medewerker van de gemeente die het gesprek voert, de inwoner al kent en de inwoner zich al eerder bij die medewerker heeft gelegitimeerd.
Nadat de melding is gedaan en eventueel het persoonlijk plan is ingediend, onderzoekt Samen Doen of er hulp nodig is.
Hoofdstuk 3: Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan
3.1 Onderzoek
3.1.1 (Keukentafel)gesprek
Een belangrijk onderdeel van het onderzoek is het (keukentafel)gesprek. Het is aan Samen Doen om te bepalen welke vorm van contact het beste past bij de hulpvraag. Dit kunnen één of meerdere gesprekken bij Samen Doen of bij de inwoner thuis zijn (een huisbezoek), of een telefoongesprek.
De inwoner kan zich in het keukentafelgesprek bij laten staan door mensen uit de directe omgeving zoals mantelzorgers, vertegenwoordigers of vrijwilligers, of door een cliëntondersteuner.
Tijdens het gesprek verzamelt Samen Doen de informatie die nodig is om te bepalen of een inwoner maatschappelijke ondersteuning nodig heeft. Samen Doen onderzoekt dus de hulpvraag, de beperkingen, de persoonskenmerken, voorkeuren en behoeften van de inwoner. Daarnaast onderzoekt Samen Doen de mogelijkheden van de inwoner om zijn beperkingen te verminderen of weg te nemen met eigen kracht/mogelijkheden uit het sociale netwerk, gebruikelijke hulp of door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen of andere regelingen. Als de inwoner een persoonlijk plan heeft ingediend bespreekt Samen Doen dit persoonlijke plan met de inwoner in het gesprek.
Als de consulent van Samen Doen inschat dat de hulpvraag complexer is of meerdere problemen betreft, vindt er verder onderzoek plaats, soms met hulp van verschillende specialisten. Zie hiervoor Hoofdstuk 3.4.
Als Samen Doen vindt dat er genoeg informatie is en het duidelijk is wat de hulpvraag is, kan in overleg met de inwoner besloten worden om geen uitgebreid onderzoek te doen.
Het onderzoek richt zich op de ondersteuningsvragen die onder de Wmo 2015 vallen, maar er is ook aandacht voor vragen die niet onder deze regels vallen, zoals vragen over werk, inkomen, veiligheid of wonen. Wanneer nodig, wordt de inwoner doorverwezen naar de juiste ondersteuning.
3.3 Oplossingsmogelijkheden toegelicht
3.3.1 Eigen kracht
De Wmo 2015 stimuleert inwoners om hun eigen kracht te gebruiken bij het oplossen van beperkingen. Om te bepalen of een inwoner in aanmerking komt voor maatschappelijke ondersteuning, onderzoekt Samen Doen of iemand in staat is om op eigen kracht, eventueel met hulp van de omgeving, zijn situatie te verbeteren of beperkingen te verminderen. Hierbij wordt gekeken naar mogelijkheden zoals het aanpassen van de eigen leefstijl, aanpassen van de leefomgeving zelfregie, het gebruik van algemene voorzieningen of eigen financiële middelen. Samen Doen onderzoekt dit tijdens het (keukentafel)gesprek met de inwoner en kijkt naar de werkelijke mogelijkheden die iemand heeft, op basis van persoonlijke kenmerken en voorkeuren. De gemeente gaat uit van de eigen verantwoordelijkheid, maar beoordeelt altijd de individuele situatie.
3.3.2 Gebruikelijke hulp
Bij de beoordeling van maatschappelijke ondersteuning onderzoekt Samen Doen of gebruikelijke hulp mogelijk is. Dit is hulp die in redelijkheid verwacht mag worden van huisgenoten zoals een partner, ouder of kind. Het uitgangspunt is dat leden van een huishouden elkaar ondersteunen bij dagelijkse taken, zoals hulp bij het huishouden, verzorging of begeleiding.
Gebruikelijke hulp bij het huishouden is verplicht, met inachtneming van de leeftijd en ontwikkelingsfase van kinderen:
•Tot 5 jaar: geen bijdrage verwacht.
•5 t/m 12 jaar: lichte taken mogelijk.
•13 t/m 17 jaar: bredere huishoudelijke inzet mogelijk.
•18 t/m 20 jaar: in staat tot voeren van een eenpersoonshuishouden.
•Vanaf 21 jaar: volledige overname van huishoudelijke taken mogelijk.
Samen Doen beoordeelt dit per situatie, maar houdt geen rekening met werkdruk, lange reistijd of traditionele rolverdelingen.
Uitzonderingen
Gebruikelijke hulp wordt niet verwacht in de volgende situaties:
•De huisgenoot maakt geen deel uit van de leefeenheid (bijv. huurder).
•De huisgenoot is (dreigend) overbelast (eventueel bevestigd via medisch advies).
•De huisgenoot heeft zelf beperkingen of mist leervermogen.
•De inwoner heeft een zeer korte levensverwachting.
•Structurele afwezigheid van de huisgenoot (bijv. offshore, defensie), met verplichtend karakter.
•Van ouderen >75 jaar mag niet altijd worden verwacht dat zij nieuwe taken aanleren.
3.3.3 Sociaal netwerk/ Mantelzorg
Samen Doen onderzoekt of hulp vanuit het sociaal netwerk of mantelzorg ondersteuning kan bieden bij het verminderen van beperkingen.
Het sociaal netwerk bestaat uit personen uit de huiselijke kring (zoals familie of partner) en anderen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt, zoals buren of leden van een vereniging.
Mantelzorg is langdurige, intensieve, onbetaalde hulp vanuit de directe omgeving, die verder gaat dan gebruikelijke hulp. Mantelzorgers hoeven niet in hetzelfde huis te wonen. Zij bepalen zelf wat zij kunnen en willen doen.
Tijdens het gesprek beoordeelt Samen Doen of mantelzorg beschikbaar is, en kijkt daarbij naar de belastbaarheid van de mantelzorger, inclusief zijn gezondheid, tijd en reistijd. Bij (dreigende) overbelasting kan ondersteuning worden geboden via de Zvw, mantelzorgorganisaties (zoals Mantelzorgnetwerk Hardenberg), patiëntenverenigingen of vrijwilligersinitiatieven. Als deze ontoereikend zijn, kan een maatwerkvoorziening (bijv. respijtzorg) worden ingezet.
3.3.4 Voorliggende oplossingen
Samen Doen onderzoekt of de hulpvraag kan worden opgelost via voorliggende oplossingen. Dit zijn voorzieningen die gericht zijn op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie. Voorbeelden hiervan zijn hulp van een vrijwilliger of deelname aan activiteiten in een buurthuis. Als de hulpvraag hiermee adequaat kan worden opgevangen, komt de inwoner niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening.
3.3.5 Algemene voorzieningen
Samen Doen beoordeelt of een inwoner gebruik kan maken van algemene voorzieningen. Dit zijn vrij toegankelijke voorzieningen waarvoor geen indicatie nodig is, zoals sociaal werk, welzijnswerk of activiteiten in de wijk. De gemeente Hardenberg werkt hiervoor samen met De Stuw. Als de hulpvraag met een algemene voorziening afdoende wordt beantwoord, is een maatwerkvoorziening niet aan de orde.
3.3.6. Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Dit zijn voorzieningen die beschikbaar zijn voor iedereen, niet specifiek voor mensen met een beperking. De inwoner moet deze zelf betalen als dat mogelijk is. De algemeen gebruikelijke voorziening moet financieel gedragen kunnen worden met een inkomen op minimumniveau. Het gaat hier bijvoorbeeld om een douchekruk, toilet verhoger, muurbeugels voor in toilet of badkamer en een rollator. Als een dergelijke voorziening beschikbaar is en passend is voor de hulpvraag, wordt geen maatwerkvoorziening toegekend.
3.3.7 Wettelijke voorliggende voorzieningen (andere wetgeving)
Als de hulpvraag onder een andere wettelijke regeling valt – zoals de Wet langdurige zorg (Wlz) of de Zorgverzekeringswet (Zvw) – dan gaat die regeling voor op de Wmo 2015. De keuze van een inwoner om geen gebruik te maken van een voorliggende wettelijke voorziening is geen reden om alsnog een Wmo-maatwerkvoorziening toe te kennen (zie o.a. jurisprudentie CRvB, ECLI:NL:CRVB:2021:2054).
3.5 Het ondersteuningsplan
3.5.1 Verstrekking ondersteuningsplan
De inwoner ontvangt zo spoedig mogelijk na het laatste gesprek met Samen Doen een kopie van het ondersteuningsplan. In overleg met de inwoner wordt het plan schriftelijk, per e-mail of via het burgerportal verstrekt. Via het burgerportal kan het plan ook digitaal worden ondertekend.
De inwoner krijgt 10 dagen de tijd om het ondersteuningsplan te tekenen voor akkoord of niet akkoord en terug te sturen naar Samen Doen. Daarna zal een besluit worden genomen.
Als uit het ondersteuningsplan blijkt dat de hulpvraag opgelost kan worden door eigen kracht, het sociale netwerk/ mantelzorg, een voorliggende voorziening, een algemene voorziening, een algemeen gebruikelijke voorziening of een andere wettelijke voorziening, hoeft het plan niet ondertekend te worden. In dit geval is de hulpvraag al opgelost. Het ondersteuningsplan wordt dan gebruikt om het onderzoek weer te geven en de melding wordt afgesloten. Dit staat ook zo in de begeleidende brief bij het ondersteuningsplan. Het plan wordt gedeeld met de inwoner ter informatie.
3.5.2 Inwoner is niet eens met inhoud ondersteuningsplan
Als de inwoner het niet eens is met de uitkomst van het onderzoek (bijvoorbeeld als de inwoner vindt dat er wel compensatie noodzakelijk is via een maatwerkvoorziening), dan kan de inwoner dit binnen 10 dagen kenbaar maken, door dit te vermelden op het ondersteuningsplan. De inwoner kan aangeven welke maatwerkvoorziening hij wenst en het ondersteuningsplan voor gezien ondertekenen en terugsturen naar Samen Doen. Samen Doen gaat hierover in gesprek met de inwoner.
Hoofdstuk 5: Maatwerkvoorzieningen
5.3 Specifieke criteria voor hulp in de vorm van een maatwerkvoorziening
5.3.1 Goedkoopst compenserend
De gemeente verstrekt alleen de goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening. Het woord ‘compenserend’ wil zeggen dat het moet gaan om hulp die volgens objectieve maatstaven verantwoord, toereikend en nodig is. Dit houdt in dat de voorziening van voldoende kwaliteit moet zijn en dat de voorziening passend moet zijn voor de inwoner. De hulp moet de beperkingen van de inwoner voldoende oplossen. Ook moet de hulp nodig zijn. Alleen het wenselijk zijn van hulp of het veel baat hebben bij hulp is niet voldoende. De gemeente bepaalt (eventueel met behulp van een medisch advies) welke hulp er in een bepaalde situatie compenserend (en dus ook nodig) is.
De gemeente gaat bij de verstrekking van hulp uit van de goedkoopste maatwerkvoorziening die compenserend is. Hierbij kan ook gekeken worden naar de kosten van de hulp op de langere termijn.
Een voorziening in het kader van maatschappelijke ondersteuning hoeft er niet voor te zorgen dat de inwoner in dezelfde of wellicht betere positie terecht komt dan voordat hij de ondersteuning nodig had.
5.3.2 Inwoner van de gemeente
De gemeente Hardenberg verstrekt alleen een maatwerkvoorziening aan een inwoner van de gemeente. Het gaat hierbij om een inwoner die zijn hoofdverblijf dan wel feitelijk verblijf in de gemeente Hardenberg heeft. Dit kan onder andere blijken uit de inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente, maar is niet noodzakelijk. De feitelijke woonsituatie ten tijde van het besluit is leidend.
Uitzondering hierop geldt voor de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Op grond van artikel 1.2.1 van de Wmo 2015 kan een ingezetene in Nederland hiertoe in iedere gemeente een aanvraag indienen.
5.3.3 Andere wettelijke bepaling
De Wmo 2015 heeft raakvlakken met andere wetgeving, zoals de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet Langdurige zorg (Wlz), de Jeugdwet, de Participatiewet en de Wet kinderopvang. Elke wet heeft zijn eigen specifieke regels en doelstellingen. Als een oplossing mogelijk is via een andere wet, gaat deze voor op een oplossing op grond van de Wmo 2015.
5.3.4 Voorziening nog niet afgeschreven
De gemeente verstrekt geen maatwerkvoorziening als de hulp al eerder is verstrekt op grond van een wettelijke regeling en de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken. Met de normale afschrijvingsduur wordt de economische levensduur bedoeld:
•25 jaar voor aanpassing van de badkamer.
•15 jaar voor aanpassing van de keuken.
•10 jaar voor overige woonvoorzieningen (zoals trapliften, plafondliften, etc.).
•7 jaar voor rolstoelen en vervoersvoorzieningen.
•7 jaar voor een auto-aanpassing.
•3 jaar voor (niet elektrische) sportrolstoelen.
•6 jaar voor elektrische sportrolstoelen.
Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de eerder vergoede of verstrekte hulp niet meer passend is (en dus niet meer compenserend). Of als de maatwerkvoorziening verloren is gegaan of schade heeft opgelopen als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner toe te rekenen zijn, of als de inwoner de gemeente (gedeeltelijk) tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. Hieronder kan bijvoorbeeld worden verstaan dat de inwoner een beroep kan doen op een verzekering, zoals een opstalverzekering. Ook kan het redelijk zijn dat de gemeente eist dat de inwoner, als iemand anders de schade heeft veroorzaakt, de schadeveroorzaker aansprakelijk stelt.
De gemeente kan de aanvraag afwijzen als de inwoner zelf schuld heeft aan het verlies van de voorziening, bijvoorbeeld door onzorgvuldigheid. In dat geval is de inwoner zelf verantwoordelijk voor de kosten.
Als een inwoner door onzorgvuldig gebruik of misbruik meer reparaties dan gebruikelijk nodig heeft voor bijvoorbeeld een scootmobiel, dan schendt de gebruiker de verplichtingen die verbonden zijn aan de verstrekte maatwerkvoorziening. Schade en kosten voor reparatie die rechtstreeks de schuld zijn van de inwoner worden niet vergoed vanuit de Wmo 2015. De inwoner moet deze kosten zelf betalen. De gemeente kan de leverancier van een voorziening vragen of de schade is veroorzaakt door onzorgvuldig gebruik.
De gemeente verstrekt geen nieuwe maatwerkvoorziening als de gemeente al eerder een voorziening heeft verstrekt die al wel afgeschreven is, maar nog steeds passend is en in goede staat is. De voorziening is dan nog steeds compenserend.
5.3.5 De voorziening is grotendeels op de inwoner gericht die hulp nodig heeft
De gemeente verstrekt een maatwerkvoorziening aan de inwoner om zijn beperkingen te compenseren. De hulp moet dus bedoeld zijn voor één inwoner. Bij de beoordeling of een voorziening compenserend is, houdt de gemeente wel rekening met de gezinssituatie van de inwoner. De gezinssituatie van de inwoner hoort namelijk tot de individuele omstandigheden van de inwoner die meegewogen worden bij de beoordeling van de aanvraag.
Bij co-ouderschap wordt in beginsel maar één voorziening verstrekt. Ouders moeten onderling afspraken maken over de al verstrekte voorzieningen.
5.3.6 Langdurig noodzakelijk
De gemeente verstrekt in principe alleen een maatwerkvoorziening voor hulpmiddelen als deze langdurig noodzakelijk zijn. Langdurig noodzakelijk betekent dat de hulp niet een korte periode, maar een langere periode nodig is. Bij hulpmiddelen gaat de gemeente er van uit dat een hulpmiddel een langere periode nodig is, als deze 6 maanden of langer nodig is. Deze termijn is afgestemd op de termijn waarop een inwoner voor een korte tijd een hulpmiddel kan lenen op basis van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Op basis van de Zvw kan een inwoner maximaal 6 maanden een hulpmiddel lenen uit het hulpmiddelendepot. Soms kan de gemeente besluiten niet vast te houden aan het criterium dat een voorziening 6 maanden nodig moet zijn. Bij een inwoner die terminaal ziek is en een levensverwachting heeft van minder dan 6 maanden kan langdurig noodzakelijk bijvoorbeeld ook een periode korter dan 6 maanden zijn. Ook bij hulp bij het huishouden kan voor een kortere periode hulp worden ingezet. Zie meer hierover in hoofdstuk 6.
5.3.7 De hulp is niet te voorzien
De gemeente verstrekt alleen een maatwerkvoorziening als de hulpvraag niet te voorzien was. Dit betekent dat de inwoner vooraf geen rekening kon of had moeten houden met de noodzaak van hulp.
Was de hulp wel te voorzien, dan is het de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner om passende keuzes te maken. Bijvoorbeeld: iemand die al weet dat hij geen trappen kan lopen, kan geen woningaanpassing krijgen als hij verhuist naar een huis met veel trappen. De inwoner moet dus rekening houden met zijn beperkingen of de ontwikkeling daarvan. Maar hij hoeft geen maatregelen te nemen voor beperkingen die misschien in de toekomst ontstaan door ouder worden.
5.3.8 De voorziening is nog niet door de inwoner gerealiseerd
In de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg 2026 staat dat er geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt als de gevraagde voorziening al vóór de datum van het besluit door de inwoner is gerealiseerd.
Is de voorziening al voor dat moment geregeld, dan ervaart de inwoner op het moment van besluitvorming geen beperkingen meer. Daarom hoeft er in principe geen maatwerkvoorziening meer verstrekt te worden.
Toch moet de gemeente in sommige gevallen wél nog onderzoeken of er op dat moment sprake was van een noodzaak tot ondersteuning vanuit de Wmo. Er moet dan gekeken worden of de inwoner toen daadwerkelijk beperkingen had, en of de voorziening noodzakelijk, passend en doelmatig was. Soms blijkt uit dit onderzoek dat de voorziening alsnog vergoed kan worden. Er wordt onderscheid gemaakt op basis van het moment waarop de kosten zijn gemaakt:
Voor de melding
Zijn de kosten gemaakt vóór de melding bij de gemeente, dan wordt er geen maatwerkvoorziening verstrekt. Een uitzondering hierop is wanneer er sprake is van een acute noodsituatie waardoor de voorziening voor de inwoner dringend noodzakelijk was. Of er sprake is van een acute noodsituatie is ter beoordeling van het college.
Na melding en voor datum besluit
Zijn de kosten gemaakt na de melding maar voor de beschikking, dan kan de gemeente besluiten om een maatwerkvoorziening te verstrekken, mits het college: Vooraf uitdrukkelijk schriftelijk toestemming heeft gegeven; en De noodzaak, adequaatheid en compenserendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen.
De gemeente kan dan alsnog overgaan tot het verstrekken van de goedkoopst compenserende voorziening.
Hoofdstuk 6: Huishoudelijke ondersteuning
6.2 Uitgangspunten
6.2.1 Andere voorzieningen: bijvoorbeeld Wlz
De gemeente zet geen ondersteuning voor huishoudelijke hulp in, als deze voorziening valt onder een andere regeling. Dit geldt bijvoorbeeld wanneer een inwoner een Wlz-indicatie heeft. Dan valt huishoudelijke hulp onder de Wlz.
De gemeente moet wel altijd onderzoeken of de Wlz-voorziening ook daadwerkelijk beschikbaar is én passend is bij de hulpvraag van de inwoner. Soms is dat (nog) niet het geval. Bijvoorbeeld als:
•De Wlz-zorg nog niet is gestart.
•Hulp bij het huishouden (nog) niet is opgenomen in het Wlz-pgb of mpt.
•De inwoner nog thuis woont en wacht op opname in een instelling.
In deze situaties kan tijdelijk nog hulp bij het huishouden via de Wmo nodig zijn. Als de hulp via de Wlz niet voldoende is, moet de inwoner zich melden bij het zorgkantoor.
Hoofdstuk 7: Begeleiding
7.3 Normenkader Factum Advies
7.3.1 Bepaling vorm van begeleiding, omvang en frequentie
Bij het bepalen of een inwoner aangewezen is op individuele begeleiding, groepsbegeleiding of een combinatie daarvan, zijn de volgende factoren van belang:
•De te behalen doelen/resultaten.
•De persoonskenmerken en omstandigheden van de inwoner.
•Welke vorm van begeleiding het meest doelmatig is.
•De toekomstige mogelijkheden van de inwoner.
•De mate van beperkingen van de inwoner.
In het ondersteuningsplan wordt vastgesteld en onderbouwd welke vorm(en) van begeleiding nodig zijn, evenals de omvang en frequentie hiervan. Soms is een combinatie van individuele en groepsbegeleiding wenselijk. Hierbij wordt rekening gehouden met het feit dat deze vormen van begeleiding niet altijd gelijktijdig kunnen plaatsvinden.
Het oplossen van problematiek in het kader van de Wmo gebeurt in overleg met de inwoner, waarbij eigen regie centraal staat. Als een inwoner ervoor kiest om bepaalde problematiek niet aan te pakken, dan kan dat. Wel kan dit gevolgen hebben voor de ondersteuning die de gemeente kan bieden. Als blijkt dat deze problematiek eerst opgelost moet worden om andere hulp effectief te maken, dan zal hier eerst aan gewerkt moeten worden voordat andere ondersteuning wordt ingezet.
7.4 Begeleiding individueel
7.4.1 Begeleiding individueel ontwikkelingsgericht
De maatwerkvoorziening begeleiding individueel ontwikkelingsgericht wordt ingezet met het doel om de zelfstandigheid van de inwoner zoveel mogelijk te vergroten. De inwoner en zijn omgeving leren vaardigheden om goed te kunnen deelnemen aan de samenleving, dagelijkse dingen zelf te doen en het persoonlijke leven goed te organiseren.
De begeleiding is individueel gericht en maakt gebruik van begeleidingsmethoden die ook aandacht hebben voor de omgeving van de inwoner. In afstemming met de inwoner kan de begeleiding thuis plaatsvinden. Dit kan een positief effect te hebben op de ontwikkeling van de inwoner, zijn gezin en omgeving.
Een inwoner kan ontwikkelingsgerichte individuele begeleiding krijgen als hij aan de volgende voorwaarden voldoet:
•De inwoner heeft moeite met zelfredzaamheid en/of deelname aan de samenleving, maar kan door begeleiding verbeteren.
•De inwoner kan de beperkingen niet zelf verminderen of wegnemen, zelfs niet met gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van anderen uit zijn sociale netwerk, of vrijwilligers, of door gebruik te maken van algemeen (gebruikelijke) voorzieningen en diensten.
•Er is vastgesteld dat de inwoner nog vooruitgang kan boeken.
•Zonder begeleiding zou de situatie verslechteren.
•De inwoner komt niet in aanmerking voor voorliggende wettelijke zorgvoorzieningen (zoals de Wet langdurige zorg (Wlz).
De ontwikkelingsgerichte individuele begeleiding wordt in eerste instantie voor maximaal twee jaar gegeven. Vóór het einde van deze periode wordt onderzocht of de begeleiding kan stoppen, voortgezet moet worden of dat een andere vorm van ondersteuning nodig is.
7.4.2 Begeleiding Individueel stabilisatiegericht
Bij stabilisatiegerichte begeleiding wordt de inwoner geholpen om op het hoogst haalbare niveau van zelfredzaamheid aan de samenleving te kunnen blijven deelnemen. Het doel is om stabiliteit te creëren, participatie te stimuleren en terugval te voorkomen. De begeleiding is individueel gericht en maakt gebruik van begeleidingsmethoden die ook aandacht hebben voor de omgeving van de inwoner. In afstemming met de inwoner kan de begeleiding thuis plaatsvinden. Dit kan een positief effect te hebben op de ontwikkeling van de inwoner, zijn gezin en omgeving.
Een inwoner kan stabilisatiegerichte individuele begeleiding krijgen als hij aan de volgende voorwaarden voldoet:
•De inwoner heeft moeite met zelfredzaamheid en/of deelname aan de samenleving, maar door deze begeleiding kunnen de vaardigheden van de inwoner behouden blijven en kan achteruitgang worden voorkomen.
•De hulpvraag van de inwoner is matig tot goed voorspelbaar. Onverwachte hulpvragen kunnen worden gepland of uitgesteld naar een volgend contactmoment of telefonisch contact tijdens kantooruren.
•De hulpvraag is licht tot matig complex en kan niet worden opgelost door de lokale basiszorg of andere algemeen (gebruikelijke) voorzieningen.
•De inwoner kan de beperkingen niet zelf verminderen of wegnemen, zelfs niet met gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van anderen uit zijn sociale netwerk of vrijwilligers.
•Zonder begeleiding zou de situatie thuis verslechteren.
•De inwoner komt niet in aanmerking voor andere wettelijke voorliggende zorgvoorzieningen zoals de Wet langdurige zorg (Wlz).
7.5 Begeleiding groep
7.5.1 Begeleiding Groep ontwikkelingsgericht
Begeleiding groep ontwikkelingsgericht is gericht op het ontwikkelpotentieel van de inwoner op lange(re) termijn. Het doel is gericht op uitstroom naar een vervolgplek: (gesubsidieerde) betaalde arbeid, participatiebaan, vrijwilligerswerk óf een onderwijs- of opvangplek. Met begeleiding groep wordt gewerkt aan het aanleren van (werk)vaardigheden ter bevordering van zelfredzaamheid en participatie. Er wordt gewerkt aan persoonlijke ontwikkeling en inzet op maximaal haalbare in een arbeidsmatige omgeving of het behalen van een hogere trede op de participatieladder.
Waar nodig is begeleiding groep ontwikkelingsgericht ondersteunend aan behandeling en gericht op herstel. De inzet is groepsgericht, de sociale interactie in een groep; het leren van elkaar, steun ervaren en tips krijgen wordt in de groepsbegeleiding als instrument gebruikt.
Een inwoner kan begeleiding groep ontwikkelingsgericht krijgen als hij voldoet aan de volgende criteria:
•De inwoner heeft ondersteuning en groepsbegeleiding nodig om tot maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid te komen, de schoolgang te herstellen/starten (als er nog geen startkwalificatie is of er zonder scholing geen kans is op de arbeidsmarkt) en te profiteren van effecten op zijn welbevinden en welzijn, en
•Als het de verwachting is dat de inwoner in een groep beter de gestelde doelen kan behalen, en
•De inwoner ondersteuning nodig heeft om vaardigheden aan te leren die noodzakelijk zijn om uitstroom vanuit de maatwerkvoorziening naar een vervolgplek mogelijk te maken.
7.5.2 Begeleiding Groep belevingsgericht
Begeleiding groep belevingsgericht richt zich op dagactiviteiten die structuur en een zinvolle invulling van de dag geven. Er wordt gewerkt aan het verkrijgen en onderhouden van sociale contacten en aan het versterken van het sociaal netwerk. De dagactiviteiten zijn veelal recreatief van aard en hebben als doel ‘beleven’. Activiteiten zijn bijvoorbeeld wandelen, knutselen, klussen, gymnastiek/sporten, zingen of samen koken en andere mensen ontmoeten. Deze dagactiviteiten zorgen voor sociale contacten en voorkomen dat iemand geïsoleerd raakt. De begeleiding groep belevingsgericht kan ook worden ingezet om de mantelzorger te ontlasten.
Een inwoner kan begeleiding groep belevingsgericht krijgen als hij voldoet aan de volgende criteria:
•De inwoner specifieke behoeften heeft door chronische, psychische en/of psychosociale problemen, en
•De inwoner meer ondersteuning nodig heeft dan in een laagdrempelige ontmoetingsvoorziening, het voorliggend veld en/of andere algemene (gebruikelijke) voorzieningen geboden kan worden, en
•Begeleiding groep ontwikkelingsgericht voor deze inwoner een stap te ver of niet meer mogelijk is, en
•Beperkingen van de inwoner vragen om specialistische begeleiding door een medewerker, of
•Ontlasting van de mantelzorger noodzakelijk is.
7.5.3 Vervoer begeleiding groep
Een inwoner kan voor begeleiding groep vervoer krijgen als:
•De inwoner niet op eigen kracht, met behulp van het netwerk, met behulp van algemeen gebruikelijke voorzieningen (bijvoorbeeld openbaarvervoer) of met behulp van andere voorziening van de gemeente (bijvoorbeeld een scootmobiel) bij de locatie van begeleiding groep kan komen, en
•Er geen passende begeleiding groep geboden wordt in de nabijheid van de woonplaats van de inwoner.
7.5.4 Stages en begeleiding richting dagbesteding
De gemeente kan in bijzondere gevallen een stageplek vergoeden vanuit de Wmo. Dit geldt voor leerlingen in de laatste fase van het praktijkonderwijs (PRO) en het voortgezet speciaal onderwijs (VSO) met uitstroomprofiel dagbesteding. Deze laatste fase bestaat uit een transitiestage, die de overgang van school naar dagbesteding ondersteunt.
De stage-instelling biedt deze leerlingen, begeleiding die overeenkomt met begeleiding groep ontwikkelingsgericht: gericht op het versterken van (werk)vaardigheden, persoonlijke ontwikkeling, zelfredzaamheid en participatie.
Eindstages van leerlingen met uitstroomprofiel dagbesteding kunnen vanaf 17 jaar vanuit de Wmo worden bekostigd, mits de leerling geen beroep kan doen op een voorliggende voorziening, zoals de Wlz.
Hoofdstuk 9: Woonvoorzieningen
9.7 Het primaat van verhuizen
9.7.1 Criterium ‘primaat van verhuizen’
Het ‘primaat van verhuizen’ kan pas worden toegepast als de totale kosten van de benodigde woningaanpassing(en) meer bedragen dan het bedrag dat is vastgelegd in het geldende Financieel Besluit Wmo en Jeugd Hardenberg 2026.
9.7.2 Belangenafweging
Het toepassen van het ‘primaat van verhuizen’ is geen automatisme. Voordat de gemeente het ‘primaat van verhuizen’ oplegt en overgaat tot het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding, maakt de gemeente een belangenafweging. Dat de belangenafweging erg zwaar is, is niet vreemd vanwege het feit dat toepassing van het ‘primaat van verhuizen’ een behoorlijk ingrijpende gebeurtenis in het leven van een inwoner is. Er moeten soms veel belangen worden afgewogen, afhankelijk van de individuele situatie van de inwoner. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om:
•De aanwezigheid van een passende woning.
•De kostenvergelijking tussen de huidige woning aanpassen en verhuizen.
•De gezondheidssituatie van de inwoner en zijn huisgenoten.
•De afstand tot voorzieningen waar de inwoner gebruik van maakt.
•De wil van de inwoner om te gaan verhuizen.
•De leeftijd van de inwoner en zijn huisgenoten.
•In hoeverre is de huidige woning al aangepast.
•De medisch aanvaardbare termijn.
•De sociale omstandigheden.
•De afstemming met andere voorzieningen.
•De werksituatie van de inwoner.
•De eventuele stijging in de woonlasten.
•Of de huidige woning eigendom is van de inwoner.
•De aanwezigheid van familie, vrienden en mantelzorg.
Als de gemeente na afweging van de belangen tot de conclusie komt dat er een passende woning voorhanden is, dan kan de gemeente de inwoner compenseren door een verhuiskostenvergoeding te verstrekken. De hoogte van de verhuiskostenvergoeding is neergelegd in het Financieel Besluit Wmo en jeugd Hardenberg.
Als er geen passende woning aanwezig is, wil dat echter niet zeggen dat het ‘primaat van verhuizen’ niet kan worden toegepast. De gemeente heeft de mogelijkheid om, naast een verhuiskostenvergoeding, ook noodzakelijke woningaanpassingen te verstrekken, waardoor het ‘primaat van verhuizen’ in geval van een woning die niet passend is, toch kan worden toegepast omdat de niet-passende woning passend wordt gemaakt. De woningaanpassing aan de niet-passende woning wordt dan vergoed.
9.7.3 Beschikbare woning
In het geval de gemeente het ‘primaat van verhuizen’ oplegt, moet er wel een beschikbare woning zijn. De gemeente heeft de taak om te bekijken of er een woning beschikbaar is binnen de medisch aanvaardbare termijn. Voor de vraag of er een passende woning beschikbaar is of komt, overlegt de gemeente met de woningcorporatie. De gemeente hoeft niet te bemiddelen bij het verkrijgen van een andere woning.
9.7.4 Medisch aanvaardbare termijn
Om te weten wat in een individuele situatie de medisch aanvaardbare termijn is, vraagt de gemeente een medisch advies op. Beoordeeld moet worden binnen welke termijn er, ook uit medisch oogpunt, een oplossing voor het probleem gerealiseerd moet zijn. Dat zal per situatie verschillen en moet blijken uit het medisch advies.
9.7.5 Inwoner wil niet verhuizen
De gemeente past het ‘primaat van verhuizen’ niet dwingend toe. Als een inwoner niet wil verhuizen terwijl het ‘primaat van verhuizen’ wel kan worden toegepast, kent de gemeente de inwoner een verhuiskostenvergoeding toe. De inwoner kan die verhuiskostenvergoeding besteden aan het aanpassen van de huidige woning volgens het opgestelde programma van eisen. Als de gemeente een verhuiskostenvergoeding toekent terwijl de inwoner niet verhuist, worden afspraken gemaakt met de inwoner. De gemeente compenseert in dat geval geen nieuwe beperkingen in het normale gebruik van de woning meer, tenzij het gaat om beperkingen in het normale gebruik van de woning die ook zouden zijn opgetreden als de inwoner wel zou zijn verhuisd naar de passende woning.
Hoofdstuk 10: Rolstoelvoorziening
10.1 Rolstoelvoorziening
10.1.1 Kortdurende noodzakelijkheid
In principe komen alleen inwoners die door de aard van hun beperking of probleem langdurig op een rolstoel zijn aangewezen hiervoor in aanmerking op grond van de Wmo 2015. Als een inwoner maximaal 6 maanden een rolstoel nodig heeft, dan kan deze verstrekt worden op grond van de Zorgverzekeringswet.
10.1.2 Incidenteel gebruik
Een rolstoel voor incidenteel gebruik is niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Doorgaans wordt deze gebruikt als men zich elders moet verplaatsen en dat zonder een rolstoel niet kan, zoals tijdens een uitstapje. Voor dit soort rolstoelen kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots op grond van de Zorgverzekeringswet. Een rolstoel voor incidenteel gebruik kan geleend worden bij een thuiszorgwinkel voor de duur van maximaal 6 maanden. Na deze 6 maanden kunnen inwoners gebruik maken van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen, in het winkelcentrum, bij ziekenhuizen en dergelijke.
10.1.3 (Medisch) onderzoek
De gemeente kan door een (medisch) onderzoek bepalen of er een rolstoel nodig is. De gemeente onderzoekt welke soort rolstoel het beste past bij de inwoner. Bij het selecteren van een soort rolstoel wordt ook gekeken hoe de rolstoel wordt bewogen. Bij het selecteren van bijvoorbeeld een duwrolstoel kijkt de gemeente of de begeleider over voldoende kracht en uithoudingsvermogen beschikt om de inwoner in een rolstoel voort te duwen.
10.1.4 Onderhoud, keuring en verzekering
De gemeente zorgt ervoor dat door de leverancier van de rolstoel zgn. correctief onderhoud wordt verricht aan de voorziening. Dat is onderhoud nadat er een defect is opgetreden. Alle elektrische rolstoelen krijgen minimaal éénmaal per jaar een servicebeurt. Rolstoelen worden niet gekeurd.
Door de leverancier worden elektrische rolstoelen WA verzekerd.
Hoofdstuk 11: Ondersteuning bij deelname maatschappelijk verkeer
11.4 Vervoersvoorziening
11.4.1 Beroep op een andere regeling
De gemeente hoeft geen maatwerkvoorziening te verstrekken als de inwoner zijn beperkingen voldoende kan verminderen of wegnemen door een beroep op een andere regeling te doen. Voorbeelden van andere regelingen zijn:
•De Zorgverzekeringswet (Zvw) voor bijvoorbeeld:
° Zittend ziekenvervoer bij nierdialyses, chemotherapie/ radiotherapie;
° Permanente rolstoelafhankelijkheid; en
° Een zodanig beperkt gezichtsvermogen dat zonder begeleiding verplaatsen niet mogelijk is.
•Het leerlingenvervoer.
•De Jeugdwet, voor ondersteuning en zorg die valt onder jeugdhulp.
11.9 Scootmobiel
11.9.1 Onderhoud, keuring en verzekering
De gemeente zorgt ervoor dat door de leverancier van de scootmobiel zgn. correctief onderhoud wordt verricht aan de voorziening. Dat is onderhoud nadat er een defect is opgetreden. Alle scootmobielen krijgen minimaal éénmaal per jaar een servicebeurt. Scootmobielen worden niet gekeurd. Door de leverancier worden de scootmobielen WA verzekerd.
11.10 Fietsvoorziening
11.10.1 Onderhoud, keuring en verzekering
De gemeente zorgt ervoor dat door de leverancier van de fietsvoorziening zgn. correctief onderhoud wordt verricht aan de voorziening. Dat is onderhoud nadat er een defect is opgetreden.
Alle elektrische fietsvoorzieningen krijgen minimaal éénmaal per jaar een servicebeurt. Fietsvoorzieningen worden niet gekeurd. Door de leverancier worden de elektrische (gemotoriseerde) fietsvoorzieningen WA verzekerd.
Hoofdstuk 12: Financieringsvormen maatwerkvoorziening
12.5 Het kiezen van een (geschikte) pgb-beheerder
12.5.1 Mentor, curator, bewindvoerder
Als een mentor, curator of bewindvoerder het pgb gaat beheren, is het belangrijk dat alle taken die bij het pgb-beheer horen, worden uitgevoerd. Het is niet voldoende als alleen de financiële administratie wordt gedaan. De beheerder moet ook in staat zijn om de kwaliteit van de zorg te beoordelen, zodat de belangen van de inwoner goed worden behartigd. Als de bewindvoerder uitsluitend verantwoordelijk is voor de financiële administratie, dan moet er een andere persoon zijn die de overige taken van het pgb-beheer op zich neemt. Alle verantwoordelijkheden moeten dus altijd samen worden afgedekt.
De kosten voor het pgb-beheer mogen niet uit het pgb zelf worden betaald.
12.5.2 Kosten beheer pgb
Een inwoner die een bewindvoerder, mentor of curator heeft of kiest om zijn pgb te beheren, kan te maken krijgen met kosten voor dit beheer. Deze kosten mag de vertegenwoordiger bij de inwoner in rekening brengen.
Als de inwoner onvoldoende inkomen en vermogen heeft om deze kosten zelf te betalen, kan hij bijzondere bijstand aanvragen. Bij de beoordeling van de noodzaak van de kosten zal getoetst worden of de gevraagde zorg wél via ZIN geleverd kan worden. Als blijkt dat de zorg in natura geleverd kan worden, dan is een pgb niet noodzakelijk maar een keuze. In dat geval moet de inwoner er rekening mee houden dat er géén bijzondere bijstand toegekend zal worden voor het beheren van het pgb.
Daarom is het belangrijk dat de inwoner goed wordt geïnformeerd vóórdat hij kiest voor een pgb met professioneel beheer. Als hij kosten gaat maken die hij niet kan dragen en die niet vergoed worden vanuit de Wmo of bijzondere bijstand, is het mogelijk beter om te kiezen voor zorg in natura.
12.5.3 Vereisten pgb-beheerder
Een pgb-beheerder moet betrouwbaar, onafhankelijk en goed bereikbaar zijn. Daarom gelden de volgende voorwaarden:
•De pgb-beheerder mag niet dezelfde persoon zijn als de zorgverlener (pgbaanbieder) of de informele ondersteuner waarvoor het pgb wordt ingezet.
•Ook personen die verbonden zijn aan de zorgverlener, zoals medewerkers, familieleden, organisatieadviseurs of bemiddelaars van de zorgverlener, mogen geen pgb beheren.
•Er mag geen (financiële of andere persoonlijke) relatie bestaan tussen de pgbbeheerder en de zorgverlener of informele ondersteuner.
•Er mag geen sprake zijn van belangenverstrengeling tussen de pgb-beheerder en de zorgverlener.
•De pgb-beheerder moet voldoende beschikbaar zijn. Dat betekent dat hij fysiek aanwezig kan zijn als dat nodig is, en genoeg tijd heeft om het beheer goed uit te voeren.
•Als de vertegenwoordiger een bemiddelingsbureau is, dan moet dit bureau beschikken over het keurmerk voor pgb-bemiddeling van Per Saldo.
12.5.4 Bekwaamheid pgb-beheerder
Een pgb kan alleen worden verstrekt wanneer de inwoner of zijn pgb-beheerder in staat is het budget op een verantwoorde manier te beheren. Dit betekent: het kunnen voeren van de administratie, het afsluiten van contracten, het inkopen van passende en veilige zorg en het afleggen van verantwoording.
Een pgb wordt niet verstrekt als er sprake is van één of meer van de onderstaande omstandigheden.
•Schuldenproblematiek
Bij problematische schulden bestaat het risico dat het pgb wordt gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor het is toegekend. Ook bij een lopende betalingsregeling blijft dit risico bestaan (CRvB 30 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1440).
•Ernstige verslavingsproblematiek:
Verslaving kan het voeren van regie ernstig belemmeren. Indien nodig kan medisch advies worden gevraagd om dit te beoordelen.
•Fraude in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag:
Bij aangetoonde fraude, ook buiten het pgb-domein, weegt het risico op herhaling te zwaar. Dit geldt in het bijzonder als de fraude betrekking had op een pgb
•Aanmerkelijke verstandelijke beperking of blijvende cognitieve stoornis:
Beperkingen zoals dementie, niet-aangeboren hersenletsel (NAH) of Korsakov kunnen maken dat iemand de gevolgen van keuzes niet overziet en daardoor het pgb niet verantwoord kan beheren. In die gevallen kan zorg in natura passender zijn.
•Ernstig psychiatrisch ziektebeeld:
Bij ernstige GGZ-problematiek kan de regievoering onvoldoende stabiel en consistent zijn. Ook is er een verhoogd risico op afhankelijkheidsrelaties tussen inwoner en aanbieder. In die gevallen is zorg in natura vaak passender.
•Onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal:
Taalbeheersing is noodzakelijk om voorwaarden, verantwoordelijkheden en administratieve eisen te begrijpen. Dit vormt alleen een beletsel indien de verplichtingen niet, ook niet met ondersteuning of vertegenwoordiging, kunnen worden nagekomen.
•Andere zwaarwegende omstandigheden:
Ook andere feiten en omstandigheden kunnen aanleiding geven om te concluderen dat verantwoord beheer niet mogelijk is. Dit moet altijd gemotiveerd worden onderbouwd.
12.5.5 Check op pgb-vaardigheden
Een pgb kan alleen worden verstrekt als de inwoner of diens pgb-beheerder in staat is de bij het pgb horende taken op een verantwoorde wijze uit te voeren. Dit houdt in dat de pgbbeheerder:
•Overzicht houdt over de eigen situatie en de benodigde ondersteuning.
•Weet welke regels en verplichtingen bij een pgb horen.
•Een overzichtelijke pgb-administratie kan bijhouden.
•Kan communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners.
•Zelfstandig kan handelen en passende zorgverleners kan kiezen.
•Afspraken kan maken, vastleggen en naleven.
•Kan beoordelen of de zorg uit het pgb passend en kwalitatief goed is.
•De zorg met één of meerdere zorgverleners kan organiseren.
•Zorgverleners duidelijke instructies kan geven.
•Zijn rol als opdrachtgever of werkgever van zorgverleners kan invullen.
Bij elke aanvraag of verlenging levert de inwoner of pgb-beheerder een volledig pgbbudgetplan in. Op basis van dit plan en de tien pgb-vaardigheidspunten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) beoordeelt de pgb-specialist of de beheerder bekwaam is. Deze vaardigheidspunten staan toegelicht in de infographic van VWS: Infographic toetsing 10 punten pgb-vaardigheid. Wanneer de benodigde vaardigheden aanwezig zijn, wordt aangenomen dat het pgb verantwoord beheerd kan worden.
12.5.6 Eindoordeel over bekwaamheid
De pgb-specialist van Samen Doen geeft het eindoordeel over de bekwaamheid van de inwoner of diens pgb-beheerder. Als deze bekwaamheid onvoldoende blijkt, kan de gemeente besluiten het pgb te weigeren. Tegen dit besluit staat bezwaar open.
12.6 Kwaliteit van de ondersteuning
12.6.1 Bewijs van kwaliteit
De inwoner moet laten zien dat de pgb-aanbieder geschikt is. Dit gebeurt via:
•Het ingevulde budgetplan.
•Diploma’s (zie bijlage 1 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg 2026) en een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) van de zorgverlener.
De gemeente Hardenberg verplicht deze documenten. De toezichthouder Wmo controleert de documenten op verzoek van de pgb-specialist, zodat in beginsel de kwaliteit gedekt is.
12.11 Hoogte van het pgb voor diensten
12.11.1 Formele/professionele hulp
De pgb-tarieven voor formele/professionele hulp worden opgebouwd op basis van de kostprijselementmethode van Bureau HHM en bevatten de volgende elementen:
•Loonkosten: gebaseerd op relevante cao’s (GGZ, GHZ, VVT, JZ), inschaling op 90–95% van het schaalmaximum, incl. 8% vakantietoeslag, eindejaarsuitkering, 0,25% ORT en 29% werkgeverslasten.
•Overhead: gewogen opslag (3,06% – 3,30%), exclusief risico en organisatiekosten.
•Productiviteit: aantal inzetbare cliënturen per fte per jaar, volgens producttype.
•Groepsgrootte: indien van toepassing, rekening houdend met bezettingsgraad (gemiddeld 90%).
•Overige opslag: voor lichte catering, huisvesting en reiskosten – op dagdeelbasis.
Tarieven worden per uur, dagdeel of minuut berekend, afhankelijk van het product.
12.11.2 Informele/niet-professionele hulp
Voor ondersteuning door personen uit het sociale netwerk geldt dat het pgb-tarief is gebaseerd op het wettelijk minimumloon. Dit volgt uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 september 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1380).
Omdat de budgethouder als werkgever wordt aangemerkt, is het tarief opgebouwd uit twee delen:
1Het bruto uurloon ter hoogte van het wettelijk minimumloon.
2Een opslag voor werkgeverslasten, zoals sociale premies en loondoorbetaling bij ziekte.
De hoogte van deze opslag wordt jaarlijks door de gemeente vastgesteld in het financieel besluit, op basis van actuele landelijke cijfers en adviezen, onder meer van Per Saldo. Hiermee wordt geborgd dat het tarief toereikend is en dat de hulpverlener na aftrek van lasten minimaal het wettelijk minimumloon ontvangt.
12.11.3 Pgb tarieven niet toereikend
In sommige gevallen kan het blijken dat het vastgestelde pgb-tarief voor formele/ professionele hulp niet voldoende is om de noodzakelijke ondersteuning in te kopen. Op grond van individuele omstandigheden kan het pgb-tarief dan worden verhoogd, tot maximaal 100% van het ZIN-tarief. Een verhoging kan overwogen worden als:
•De budgethouder of zijn vertegenwoordiger met het vastgestelde pgb-tarief de noodzakelijke hulp niet kan inkopen.
•De kosten van de hulp hoger zijn dan het pgb-tarief, en het ZIN-tarief een passend vergelijkingspunt is.
•Het niet mogelijk of niet passend is om een goedkopere hulpverlener in te schakelen.
•De budgethouder of zijn vertegenwoordiger duidelijk maakt dat deze hulp echt nodig is en hiervoor geen andere betaalbare oplossing is.
De budgethouder of zijn vertegenwoordiger moet zelf goed onderbouwen waarom een hoger tarief nodig is.
12.11.4 Indexatie van tarieven
De tarieven worden ieder jaar geïndexeerd. Indexatie vindt plaats op dezelfde wijze als bij ZIN-tarieven. De tarieven worden, per product(groep), vastgelegd in een het financieel besluit Wmo en Jeugd Hardenberg.
12.13 Pgb voor niet-dienstverlenende voorzieningen
12.13.1 Hoogte pgb voor niet-dienstverlenende voorzieningen
Net als bij een pgb voor het inkopen van een dienst moet het pgb voor een hulpmiddel of een woningaanpassing toereikend zijn om het doel te realiseren. De hoogte van het pgb wordt gebaseerd op maximaal de kostprijs van de gecontracteerde hulpmiddelenleveranciers en/of de goedkoopste van minimaal twee offertes van aannemers (aangeleverd door de inwoner).
Bij de keuze voor een pgb, moet de inwoner de reparaties/het onderhoud en de verzekering zelf regelen. Omdat een pgb een gelijkwaardig alternatief is voor een zorg in natura voorziening, wordt er naast een bedrag voor de aanschaf van de voorziening, ook een bedrag verstrekt voor onderhoud en verzekering. Het staat de inwoner vrij om te kiezen waar hij een onderhoudscontract afsluit en waar hij de voorziening verzekert. Het verzekeren van bijv. Een scootmobiel is verplicht op grond van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen. De hoogte van het pgb voor onderhoud en verzekering van een voorziening wordt vastgesteld aan de hand van een door de gemeente goedgekeurde offerte.
Het pgb-tarief voor voorzieningen wordt verstrekt als een all-in tarief. Dit betekent dat in het toegekende bedrag ook kosten voor onderhoud en verzekering zijn inbegrepen. Voor het onderhoud wordt gerekend met een opslag van 4% per jaar van het netto aanschafbedrag.
Voor de verzekering, als dat voor de desbetreffende voorziening nodig is, wordt standaard € 75 per jaar meegenomen in het tarief.
12.13.2 Programma van Eisen (PvE)
In het PvE staat vast voor welk doel de maatwerkvoorziening als pgb wordt toegekend en waaraan de voorziening moet voldoen. Immers, deze wordt toegekend ten behoeve van het oplossen van een bepaalde ondersteuningsvraag. Als de inwoner een andere voorziening dan voorgesteld wil, kan hij daarvoor kiezen onder bepaalde voorwaarden: de voorziening roept geen (andere) belemmeringen op en de voorziening dient de beperking op hetzelfde niveau op te lossen als in het PvE wordt gesteld. Uiteraard dient de invulling ook van goede kwaliteit te zijn: veilig, doeltreffend en inwonergericht. Dat wil zeggen dat het hulpmiddel of de woningaanpassing aansluit bij datgene wat de inwoner nodig heeft, daadwerkelijk de ondersteuningsbehoefte voldoende oplost en ook veilig gebruikt kan worden. Onder veiligheid vallen ook bepaalde (brand)veiligheidskeurmerken/ISO-normeringen. De specifieke eisen die worden gesteld aan de kwaliteit worden opgenomen in het PvE.
12.13.3 Duur van de toekenning
De maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt tenminste toegekend voor de normale afschrijvingstermijn van de desbetreffende voorziening (tenzij anders beschreven in de beschikking). Onder de normale afschrijvingstermijn, wordt de technische afschrijvingsduur verstaan. Dit betekent dat een voorziening die economisch is afgeschreven, maar nog goed werkt en nog geschikt is voor de inwoner, niet wordt vervangen door een nieuwe maatwerkvoorziening. Zolang de voorziening nog goedkoopst compenserend is en volgens de normale afschrijvingstermijn nog niet is afgeschreven, kan de inwoner pas een nieuwe aanvraag doen wanneer de looptijd van de indicatie is verstreken. De situatie van de inwoner kan verslechteren, waardoor de voorziening niet meer als passend kan worden aangemerkt. Als wordt verwacht dat de situatie van de inwoner (langzaam) achteruit zal gaan, wordt dit ook opgenomen in het PvE. Een medisch onderzoek kan aan de orde zijn. Wanneer er sprake is van risico op snelle/vroegtijdige vervanging dan wordt er in principe geen pgb ingezet. Bijvoorbeeld bij kind voorzieningen of daar waar een progressieve aandoening is. Dit is omdat het risico op vroegtijdige vervanging groot is en een gecontracteerde leverancier sneller kan inspelen op de veranderende ondersteuningsvraag. Als de inwoner ervoor kiest een tweedehands hulpmiddel aan te schaffen, dan is het risico dat de voorziening binnen de looptijd van de beschikking technisch wordt afgeschreven, voor de inwoner. Dit betekent dat er binnen de looptijd van de beschikking enkel om de reden dat de voorziening technisch of economisch is afgeschreven, geen nieuwe voorziening wordt toegekend.
12.15 Uitbetaling van het pgb
12.15.1 Trekkingsrecht SVB
Sinds de invoering van de Wmo 2015 betaalt de gemeente het pgb niet meer rechtstreeks aan de inwoner of zijn vertegenwoordiger uit. In plaats daarvan beheert de Sociale Verzekeringsbank (SVB) het budget. Dit systeem heet het trekkingsrecht.
De werkwijze is al volgt:
•De gemeente stort het budget bij de SVB.
•De inwoner of zijn vertegenwoordiger sluit een zorgovereenkomst af met de persoon of organisatie die hem helpt.
•De inwoner of zijn vertegenwoordiger dient via het SVB-portaal een declaratie of factuur in.
•De SVB controleert of alles klopt:
° Is er een geldige zorgovereenkomst?
° Past de betaling binnen het afgesproken tarief en de periode?
•Als alles in orde is, betaalt de SVB rechtstreeks de zorgverlener uit het pgb van de inwoner.
Als er geen goedgekeurde zorgovereenkomst is bij de SVB, kan er geen betaling plaatsvinden. Ook mag de zorgovereenkomst niet langer lopen dan de einddatum die in de beschikking staat.
De SVB verzorgt ook de administratie, zoals het terugbetalen van niet-gebruikte bedragen aan de gemeente.
12.15.2 Uitbetaling op declaratiebasis
Betaling van de ondersteuning vindt plaats op declaratiebasis. Dat betekent dat de zorgverlener eerst de afgesproken ondersteuning levert, en dat de inwoner of zijn vertegenwoordiger daarna een declaratie indient bij de SVB.
Uitbetaling op basis van een vast maandbedrag is alleen mogelijk als er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen de inwoner en de pgb-aanbieder.
Door betaling op declaratiebasis houdt de budgethouder meer regie en beter zicht op de levering en uitgaven van de ondersteuning.
12.5.3 Bewaartermijn administratie
Inwoners zijn verplicht, op grond van de belastingwetgeving, de pgb-administratie minimaal vijf jaar te bewaren. Dit betreffen de originele documenten. Onder deze documenten vallen tenminste:
•De toekenningsbeschikking.
•Het pgb-budgetplan.
•De zorgovereenkomst(en) en wijzigingen op de zorgovereenkomst(en).
•De facturen/loonspecificaties SVB.
•Declaraties/urenverantwoordingsstaten.
Toelichting
Burgemeester en wethouders van de gemeente Hardenberg, secretaris, burgemeester,B.M. de Vries M.W. Offinga