Aanhef
Deze beleidsregels zijn op 11 november 2025 door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld en treden in werking op 1 januari 2026.
Inhoudsopgave
Inleiding
Hoofdstuk 1: Algemene uitgangspunten
1.1 Het Hardenbergse Model voor ondersteuning
1.1.1 Beleidsuitgangspunten
1.2 Toegang via Samen Doen
Hoofdstuk 2: Vormen van jeugdhulp
2.1 Toegang algemene voorziening
2.2 Individuele jeugdhulpvoorzieningen
2.2.1 Begeleiding en dagbesteding
2.2.2 Ambulante jeugd- en opvoedhulp
2.2.3 Dagbehandeling
2.2.4 Jeugd-GGZ
2.2.5 Voorzieningen voor vervoer
2.2.6 Voorzieningen in het onderwijs
2.2.7 Wonen en verblijf
2.2.8 Ernstige dyslexie
Hoofdstuk 3: Toegang tot jeugdhulpvoorzieningen
3.1 Algemeen
3.2 Toegang jeugdhulp via de gemeente
3.3 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medische specialist of jeugdarts en vanuit het gedwongen kader
3.4 Crisis of spoed
Hoofdstuk 4: Behandeling van een aanvraag: onderzoek en besluitvorming
4.1 Aanvraag, onderzoek en besluitvorming
4.1.1 Stappenplan onderzoek
4.1.2 Het ondersteuningsplan
4.2 Inroepen van deskundigheid
4.3 Medewerkingsplicht
4.4 Beoordeling (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht
4.5 Afstemming met andere voorzieningen
4.6 Cliëntondersteuning
4.7 De beschikking
4.7.1 Beëindiging of verlenging beschikking voorziening jeugdhulp
Hoofdstuk 5: Persoonsgebonden budget (PGB)
5.1 Voorwaarden voor toekenning
5.2 Het bewuste keuzegesprek
5.3 Voorbereiding en budgetplan
5.4 Pgb-beheer
5.4.1 Uitsluitingsgronden van een pgb-beheerder
5.5 Kwaliteit van hulp
5.6 Hoogte van het pgb
5.7 Besteding en verantwoording
5.8 Intrekking of weigering
Hoofdstuk 6: Wijziging of beëindiging individuele voorziening
6.1 Medewerking en gevolgen van onvoldoende medewerking
6.2 Rechten en plichten jeugdigen en ouders
Hoofdsuk 7: Slotbepalingen
7.1 Hardheidsclausule
7.2 Inwerkingtreding en citeertitel
7.3 Intrekking oude beleidsregels
Hoofdstuk 1: Algemene uitgangspunten
1.1 Het Hardenbergse Model voor ondersteuning
1.1.1 Beleidsuitgangspunten
De gemeente werkt samen met aanbieders en partners in het voorliggende veld. Samen versterken we voorzieningen die preventief en voor iedereen toegankelijk zijn. Dit draagt bij aan een stevige sociale basis waarin inwoners elkaar kunnen ondersteunen en sneller passende hulp kunnen krijgen. De beleidsregels voor Jeugd zijn gebaseerd op de volgende uitgangspunten:
Positieve Gezondheid
Vanuit de visie positieve gezondheid wordt uitgegaan van wat mensen wél kunnen, met minder nadruk op beperkingen of problemen. Gezondheid wordt breed benaderd: naast medische zorg is er aandacht voor zingeving, mentale veerkracht, sociale relaties en participatie. Dit vertaalt zich in welzijnsactiviteiten, ondersteuning bij zingeving, mentale gezondheid, leefomgeving en zelfregie.
Normaliseren
Niet elke kwetsbaarheid vraagt om professionele hulp. Ondersteuning wordt zoveel mogelijk geboden in de eigen leefomgeving via het sociale netwerk of algemene voorzieningen. Doel is herstel van het gewone leven. Specialistische, individuele ondersteuning wordt alleen ingezet als dat echt nodig is.
Doen wat nodig is
De ondersteuning is flexibel, kortdurend en afgestemd op de leefwereld van de inwoner. Er wordt integraal gewerkt, met oog voor werk, onderwijs en participatie als belangrijke vormen van dag invulling.
Ruimte voor professionals
Professionals krijgen vertrouwen en ruimte om maatwerk te leveren. Ze werken samen in teams, waarin ze elkaar kunnen versterken en eenvoudige werkprocessen het uitgangspunt zijn. Zo kunnen inwoners sneller en beter geholpen worden.
Hoofdstuk 2: Vormen van jeugdhulp
2.2 Individuele jeugdhulpvoorzieningen
2.2.1 Begeleiding en dagbesteding
Begeleiding en/of dagbesteding voor jeugdigen, omvat hulp in verschillende situaties, zoals thuis, op school of op locatie. Het doel is om problemen zoals psychische, somatische, gedrags- en opvoedingsproblemen te verminderen of ermee om te (leren) gaan. Daarnaast helpt het bij het bevorderen van maatschappelijke deelname en zelfredzaamheid van de jeugdige.
2.2.2 Ambulante jeugd- en opvoedhulp
Ambulante jeugd- en opvoedhulp biedt ondersteuning, behandeling en begeleiding bij opvoeden en opgroeien, variërend van lichte tot intensieve hulp. Het richt zich op het behandelen van dagelijkse problemen zoals gedrags- en ontwikkelingsproblemen. Deze hulp omvat onder andere gezinsbegeleiding, orthopedagogische behandeling, video home training en scheidingshulpverlening.
2.2.3 Dagbehandeling
Dagbehandeling is een groepsverblijf zonder overnachting voor jeugdigen met ontwikkelings- en gedragsproblemen. Het biedt behandeling en begeleiding aan jeugdigen tot 18 jaar die tijdelijk niet kunnen deelnemen aan regulier onderwijs of kinderopvang. Het doel is om hen te ondersteunen bij dagelijkse activiteiten en hun problemen aan te pakken.
2.2.4 Jeugd-GGZ
Jeugd GGZ is primair gericht op het behandelen van psychische en psychiatrische stoornissen met als doel het voorkómen of beperken van stagnatie in de ontwikkeling en de gevolgen daarvan voor het dagelijks functioneren.
2.2.5 Voorzieningen voor vervoer
Jeugdwet vervoer is het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. Het gaat hierbij alleen om jeugdhulp en niet om vervoer van en naar onderwijs. Jeugdhulpvervoer wordt geboden als er sprake is van een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. Het vervoer heeft betrekking op de volgende voorzieningen op het gebied van jeugdhulp:
•Dagbesteding.
•(Dag)behandeling.
•Logeeropvang.
•Jeugd-ggz.
De afwegingen van het toekennen van een individuele jeugdhulpvoorziening in de vorm van vervoer wordt via dezelfde route gedaan als de andere individuele jeugdhulpvoorzieningen. Voor het onderzoek wordt gebruik gemaakt van de stappen zoals beschreven in bijlage 2. Daarnaast maken de consulenten bij de afweging gebruik van de STOMT-principe uit de visie leerlingen vervoer (Zie bijlage 1).
Ouders hebben zelf de plicht om jeugdigen te brengen en op te halen van en naar een jeugdhulplocatie. Vervoer en begeleiding naar de locatie van jeugdhulp is gebruikelijke zorg (conform bijlage 3 SVB), tenzij de noodzaak tot begeleiding voortvloeit uit de beperking of problematiek van het kind. We kijken eerst naar wat er in eigen kracht kan worden opgelost. De gemeente kan na onderzoek besluiten om vervoer te vergoeden.
Verwijzers zoals huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten en verwijzers vanuit het gedwongen kader kunnen de behoefte aan vervoer signaleren wanneer zij verwijzen naar jeugdhulp, maar zij zijn niet bevoegd om vervoer op grond van de Jeugdwet toe te kennen. Indien een verwijzer inschat dat vervoer noodzakelijk kan zijn om de hulp te bereiken, verwijst deze naar de toegang van de gemeente.
2.2.6 Voorzieningen in het onderwijs
Scholen hebben een zorgplicht en zij bieden Passend Onderwijs. Zij zijn verantwoordelijk om voor elke leerling een goede onderwijsplek te bieden. Per leerling wordt gekeken waar en hoe een passend onderwijsaanbod het beste kan worden gerealiseerd. Op welke wijze deze extra ondersteuning wordt ingezet, is afhankelijk van de visie van de school /schoolbestuur. Het kan ook zijn dat het best passende onderwijsaanbod voor de leerling op een andere basisschool of een school voor speciaal (basis)onderwijs is. Passend Onderwijs heeft betrekking op het onderwijs en de ondersteuning die aan leerlingen wordt geboden zodat zij het onderwijs beter kunnen doorlopen.
Onderwijsondersteuning is gericht op het volgen van onderwijs en de leerling verder te helpen in zijn onderwijsontwikkeling. Voorbeelden hiervan zijn:
•observatie;
•onderzoek naar oorzaken van leerproblemen door een orthopedagoog of een psycholoog;
•extra handen in de klas;
•remedial teaching;
•sociale vaardigheidstraining;
•huiswerkbegeleiding;
•plus klassen;
•speciale trajecten gericht op spraak-, taal- en motorische ontwikkeling.
Begeleiding op school
Heeft de jeugdige naast onderwijs aanvullende ondersteuning, (ver)zorg(ing) of begeleiding nodig om tot ontwikkeling/leren te komen, dan kan de gemeente hierin meedenken. Gedrag van een leerling kan het contact met andere leerlingen bemoeilijken met leerproblemen als gevolg. Is het doel van de extra ondersteuning primair gericht op het leerproces. Dan valt de ondersteuning onder de zorgplicht van de school (artikel 8 lid 4 Wet op het primaire onderwijs, artikel 2.41 lid 1 Wet voortgezet onderwijs 2020) Ook onderzoek naar oorzaken van leerproblemen door een orthopedagoog op psycholoog en/of begeleiding bij leerproblemen door een externe deskundige vallen onder deze zorgplicht. Wanneer de leerling in het algemeen problemen rondom opgroeien en de opvoeding of psychische problemen ervaart, dus ook buiten de school/buiten schooltijd en de school niet meer in staat is om een passende onderwijssituatie te creëren, doen zij met toestemming van ouders een melding bij het samenwerkingsverband waar de school onder valt. Daar zal in samenwerking met betrokken partijen, waaronder de gemeente gekeken wordt welke aanvullende vorm van ondersteuning kan worden ingezet. Het is mogelijk dat zowel school als gemeente deels verantwoordelijk zijn. In dat geval is het van belang dat de school en de gemeente overleggen over afstemming van de door hen geboden begeleiding. De gemeente bepaald over de mogelijke inzet van een individuele jeugdhulpvoorziening. Het samenwerkingsverband legt de algemene samenwerkingsafspraken tussen onderwijs en gemeente vast in hun onderwijsperspectiefplan.
2.2.7 Wonen en verblijf
Er is sprake van Wonen, Verblijf of Kortdurend verblijf als de jeugdige (deels) niet thuis slaapt in het eigen gezin. Dit betekent dat het hier gaat om de woon- en verblijfsvormen, waarbij er sprake is van een overnachting. In de regio wordt er onderscheid gemaakt tussen Wonen, Verblijf en Kortdurend verblijf.
Bij wonen ligt het accent op gezond en veilig opvoeden, opgroeien en ontwikkelen: het gewone leven.
Onder verblijf vallen alle vormen waar een jeugdige voor een korte periode verblijft. Daarbij ligt het accent op de tijdelijkheid en het gericht zijn op herstel.
Bij Kortdurend verblijf ligt de focus op het voorkomen van een uithuisplaatsing en/ of ter ontlasting van een overbelaste thuissituatie. Hieronder vallen logeerhuizen, alleen tijdens weekenden of juist door de week.
2.2.8 Ernstige dyslexie
Voor het vaststellen van dyslexie en de bijbehorende behandeling wordt aangesloten op het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling - versie 3.0. Als de diagnose Ernstige Dyslexie wordt gesteld volgens de werkwijze die in dit protocol is beschreven, wordt behandeling ingezet wanneer dit naar aanleiding van de diagnostiek wordt geadviseerd.
Voor diagnostiek en behandeling van kinderen in de basisschoolleeftijd (7 tot en met 13 jaar) met zeer ernstige leesproblemen wordt de zorg gefinancierd door de gemeente, vanuit de Jeugdwet.
Er is een gemeentelijk poortwachter dyslexie werkzaam in de gemeente. De gemeentelijk poortwachter beoordeelt op grond van het dossier of een leerling in aanmerking komt voor doorverwijzing voor diagnostiek naar een gecontracteerde aanbieder. De gemeentelijk poortwachter beoordeelt de volledigheid van het dossier en de onderbouwing van het niveau van het lezen in relatie tot de ontwikkelingsleeftijd van de leerling. Daarnaast heeft de gemeentelijk poortwachter als taak om op basis van de beleidsdoelstellingen de verbinding en samenwerking tussen het onderwijs- en het zorgveld te bevorderen. De gemeentelijk poortwachter heeft contact met scholen en stimuleert het signaleren van het vermoeden van dyslexie, zodat tijdig extra ondersteuning of zorg gegeven kan worden.
Diagnosestelling en behandeling van dyscalculie komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Hoofdstuk 4: Behandeling van een aanvraag; onderzoek en besluitvorming
4.1 Aanvraag, onderzoek en besluitvorming
4.1.1 Stappenplan onderzoek
De gemeente voert dit onderzoek uit volgens het stappenplan zoals geformuleerd door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (zie, ECLI:NL:CRVB:2017:1477).Met de jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt op basis van onderstaand stappenplan het volgende in kaart gebracht:
1Vaststellen wat de hulpvraag is.
Het onderzoek start door vast te stellen wat de hulpvraag van de jeugdig of ouders is. Dit is het uitgangspunt van het onderzoek. Wat denken ouders en de jeugdige nodig te hebben? Waarom? Wat gaat goed en wat lukt niet meer? Er wordt voldoende informatie verzameld over de feiten en omstandigheden om goed te begrijpen wat er speelt. De hulpvraag is niet leidend voor het verdere onderzoek. Het kan zijn dat na onderzoek blijkt dat andere hulpverlening dan dat wat jeugdige en of ouders vragen, meer passend is. Het kan ook zijn dat meer of minder ondersteuning nodig is dan waar om gevraagd wordt door jeugdige en of ouders.
2Onderzoeken van de problemen
Is er sprake van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zoals bedoeld in de jeugdwet. En zo ja, om welke problemen en/of stoornissen het gaat. Deze problematiek moet concreet worden vastgesteld. Samen Doen beoordeelt of het college verantwoordelijk is op basis van het woonplaatsbeginsel (artikel1.1. Jeugdwet).
3Bepalen welke ondersteuning nodig is.
Welke hulp naar aard en omvang is er nodig om de jeugdige in staat te stellen om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en/of voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren.
Met het bepalen welke jeugdhulp nodig is moet rekening worden gehouden met:
a.Leeftijd van de jeugdige.
b.Het ontwikkelniveau van de jeugdige.
c.De persoonskenmerken en behoeven van de jeugdige en de ouders (artikel 2.3 lid 4 jeugdwet).
d.De godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en de ouders (artikel 2.3 lid 4 van de Jeugdwet).
4Onderzoek naar eigen mogelijkheden en hulp uit het netwerk
Zijn de jeugdige en/of zijn ouders zelf (deels) in staat zijn om zelf de problemen op te lossen, eventueel met hulp van hun sociaal netwerk of gebruik kunnen maken van een andere- of algemene voorziening:
•Onderzoek de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Zie hiervoor ook hoofdstuk 4.3 van deze beleidsregels.
•Onderzoek of er aanspraak kan worden gemaakt op een voorliggende voorziening. Als vaststaat welke hulp de jeugdige nodig heeft en ouders/en of sociaal netwerk kunnen hierin niet voorzien dan moet worden onderzocht of de jeugdige aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening.
De volgende voorzieningen zijn voorliggend op een voorziening uit de jeugdwet
•Recht op zorg op grond van de Wet langdurige zorg
•Recht op zorg op de grond van de Wet passend onderwijs
•Recht op zorg op grond van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen
•Recht op zorg op grond van de zorgverzekeringswet. De aanvullende verzekering is geen wettelijk voorliggende voorziening. In het kader van eigenkracht wordt wel verwacht dat ouders/jeugdigen gebruik maken van een aanvullende verzekering als deze is afgesloten.
•Voorzieningen op grond van andere wetten, voor zover het college van oordeel is dat daar aanspraak op bestaat. Het college moet dan wel aantonen dat er sprake is van een voorliggende voorziening
5Bepalen of er een maatwerkvoorziening nodig is
Als na het doorlopen van stap 1 t/m 4 nog geheel of gedeeltelijk ondersteuning nodig is, kan de inwoner in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening. Hiervoor is een individuele toekenning nodig.
4.1.2 Het ondersteuningsplan
Het onderzoek wordt vastgelegd in het ondersteuningsplan. In een ondersteuningsplan wordt de hulpvraag en de mogelijke passende ondersteuning beschreven. Het ondersteuningsplan is de basis waarop de gemeente Hardenberg een besluit kan nemen op deze aanvraag. Op het moment dat het ondersteuningsplan ondertekend bij Samen Doen wordt ingediend/ingeleverd, sturen zij dit plan door naar de backoffice jeugd van de gemeente zodat deze een besluit kan nemen op de aanvraag.
De jeugdige en of ouders krijgen 2 weken de tijd om het ondersteuningsplan te tekenen voor akkoord of niet akkoord en terug te sturen naar Samen Doen. Daarna zal een besluit worden genomen.
Wanneer er nog geen officiële aanvraag is ingediend en de termijn van 2 weken om te reageren op het ondersteuningsplan is verstreken zonder ondertekening door jeugdige en/of ouders, dan wordt de aanvraag niet doorgezet naar de gemeente.
4.7 De beschikking
4.7.1 Beëindiging of verlenging beschikking voorziening jeugdhulp
De jeugdige en/of ouders nemen acht weken voor de beoogde beëindiging van de jeugdhulp contact op met Samen Doen en eventueel met de zorgaanbieder om te bespreken of verlenging van de ingezette hulp nodig is. Een contactpersoon van Samen Doen zal in overleg met de jeugdige en/of ouders, zorgaanbieder en eventuele andere betrokkenen een onderzoek doen met betrekking tot de noodzaak tot verlenging van de hulp. De gemeente neemt een besluit op basis van de inhoudelijke beoordeling die gericht is op de vooraf opgestelde gewenste resultaten. Indien de jeugdhulp voortgezet moet worden, zal een nieuwe beschikking aan de ouder en/of jeugdige en aan de zorgaanbieder verzonden worden.
Hoofdstuk 5: Persoonsgebonden budget (PGB)
5.4 Pgb-beheer
5.4.1 Uitsluitingsgronden van een pgb-beheerder
Een pgb wordt niet verstrekt als er sprake is van één of meer van de onderstaande omstandigheden.
•Schuldenproblematiek:
Bij problematische schulden bestaat het risico dat het pgb wordt gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor het is toegekend. Ook bij een lopende betalingsregeling blijft dit risico bestaan (CRvB 30 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1440).
•Ernstige verslavingsproblematiek:
Verslaving kan het voeren van regie ernstig belemmeren. Indien nodig kan medisch advies worden gevraagd om dit te beoordelen.
•Fraude in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag:
Bij aangetoonde fraude, ook buiten het pgb-domein, weegt het risico op herhaling te zwaar. Dit geldt in het bijzonder als de fraude betrekking had op een pgb.
•Aanmerkelijke verstandelijke beperking of blijvende cognitieve stoornis:
Beperkingen zoals dementie, niet-aangeboren hersenletsel (NAH) of Korsakov kunnen maken dat iemand de gevolgen van keuzes niet overziet en daardoor het pgb niet verantwoord kan beheren. In die gevallen kan zorg in natura passender zijn.
•Ernstig psychiatrisch ziektebeeld:
Bij ernstige GGZ-problematiek kan de regievoering onvoldoende stabiel en consistent zijn. Ook is er een verhoogd risico op afhankelijkheidsrelaties tussen inwoner en aanbieder. In die gevallen is zorg in natura vaak passender.
•Onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal:
Taalbeheersing is noodzakelijk om voorwaarden, verantwoordelijkheden en administratieve eisen te begrijpen. Dit vormt alleen een beletsel indien de verplichtingen niet, ook niet met ondersteuning of vertegenwoordiging, kunnen worden nagekomen.
•Andere zwaarwegende omstandigheden:
Ook andere feiten en omstandigheden kunnen aanleiding geven om te concluderen dat verantwoord beheer niet mogelijk is. Dit moet altijd gemotiveerd worden onderbouwd.
Wanneer een uitsluitingsgrond aanwezig is, onderzoekt de consulent samen met de jeugdige en/of ouders of ondersteuning in natura een passend alternatief biedt.
Indien het college besluit het pgb te weigeren of in te trekken op grond van een uitsluitingsgrond, wordt dit besluit schriftelijk gemotiveerd, met vermelding van:
a.de vastgestelde omstandigheid;
b.de reden waarom verantwoord beheer van het pgb hierdoor niet mogelijk is;
c.het mogelijke alternatief in de vorm van zorg in natura.
Met de inwerkingtreding van deze beleidsregels worden de Beleidsregels Jeugdhulp Hardenberg 2023 ingetrokken.
Bijlage 1 STOMPT principe (vervoer)
Het STOMP principe is een prioriteringskader bij het opstellen van een duurzaam mobiliteitsbeleid. STOMP is de afkorting voor Stappen, Trappen, Openbaar Vervoer, Mobiliteitsdiensten en Privéauto. In het visie document op vervoer introduceren wij het STOMPT-principe. Dit is een uitbreiding van het STOMP-principe.
Het STOMPT-principe houdt in dat onze voorkeursvolgorde van personenverplaatsingen is: Stappen, Trappen, Openbaar Vervoer, Mobiliteitsdiensten, Privéauto en tot slot het Taxivervoer. Om dit ook de voorkeursvolgorde van individuele reizigers te laten zijn, moeten Stappen en Trappen en Collectief vervoer (OV en mobiliteitsdiensten) aantrekkelijker worden. Het STOMPT-principe is naast deze voorkeursvolgorde ook een ruimtelijk inrichtingsprincipe. Hoe dit inrichtingsprincipe uitpakt, is afhankelijk van het type locatie en ambitie. Denk hierbij aan investeren in veilige fietsverbindingen en een goede dekking van openbaar vervoer in onze gemeente. Het STOMPT-principe is een goede leidraad voor gesprekken die worden gevoerd binnen het leerlingenvervoer.
Bijlage 2 Afweging vervoersvoorziening
Wanneer is een vervoersvoorziening mogelijk?
Vervoer kan geregeld worden als:
•A van toepassing is en B, of
•A samen met C t/m H.
In het tweede geval wordt een afweging gemaakt op basis van onderstaande voorwaarden.
a.Vervoersvraag:
De jeugdige heeft een jeugdhulp voorziening, maar kan niet (altijd) zelf op de locatie komen. Dit is vastgesteld door een wettelijke verwijzer of Samen Doen.
b.Medisch vervoer:
Er is vervoer nodig vanwege medische redenen, dat niet door ouders of het netwerk geregeld kan worden. Dit hoeft geen verband te hebben met de jeugdhulp en er hoeft dan geen verdere afweging gemaakt te worden.
c.Beperking in zelfredzaamheid:
De jeugdige heeft (tijdelijk of langdurig) een beperking door leeftijd, stoornis, ziekte of handicap. Financiële redenen vallen hier niet onder.
d.Intensieve jeugdhulp:
De jeugdige krijgt minstens 8 keer per maand hulp óf reist meer dan 250 kilometer per maand voor jeugdhulp.
e.Afstand:
De enkele reis naar de hulp moet minstens 6 kilometer zijn volgens de ANWBrouteplanner. Bij OV met begeleiding telt de afstand dubbel.
f.Geen andere regeling beschikbaar:
Er is geen andere vervoersvoorziening waar de jeugdige gebruik van kan maken.
g.Geen hulp dichterbij:
Er is geen geschikte jeugdhulpvoorziening op een kortere afstand.
h.Niet kunnen fietsen:
De jeugdige kan, ook niet met begeleiding, op een veilige manier fietsen naar de locatie.
Er wordt bij de beoordeling gekeken naar de afstand, leeftijd, veiligheid en de persoonlijke situatie van de jeugdige.
Bijlage 3: Richtlijnen gebruikelijke zorg
Richtlijnen voor Gebrukelijke zorg van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel bij verschillende leeftijden in relatie tot AWBZ-zorg (Paragraaf 3 bij de Beleidsregels Gebruikelijke zorg).
Kinderen van tot 3
•hebben volledige (persoonlijke) verzorging en begeleiding van een ouder nodig. Bovengebruikelijke PV en BG bij kinderen tot 3 jaar komt daarom zelden voor.
Kinderen van 3 tot 5
•kunnen niet zonder toezicht van volwassenen;
•hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
•kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;
•ontvangen zindelijkheidstraining van ouders/verzorgers;
•hebben gedeeltelijk hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;
•hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;
•zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven.
Kinderen van 5 tot 12
•kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school;
•kunnen niet zonder toezicht van volwassenen;
•hebben toezicht nodig en nog maar weinig hulp bij hun persoonlijke verzorging;
•hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
•zijn overdag zindelijk, en 's nachts merendeels ook; ontvangen zonodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;
•hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school of activiteiten ter vervanging van school gaan;
•hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week.
Kinderen van 12 tot 18 jaar
•hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;
•kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden;
•kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;
•hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;
•hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;
•hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen).