Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels uitvoering gemeentelijke taken Wet kinderopvang Haarlemmermeer 2025

Gemeente Haarlemmermeer · geldt sinds 1 januari 2026

Aanhef

College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer:

gelet op;

-artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht;

-artikel 1.61 lid 1, 1.65 lid 1 en 4, 1.66 en 1.72 lid 1 Wet kinderopvang

Besluiten de volgende beleidsregels vast te stellen:

5. Aanvraag tot exploitatie

5.1. Nieuwe voorziening

5.1.1. Niet gemelde kinderopvang

Het zonder toestemming van het college exploiteren van een kinderopvangvoorziening is een strafbaar feit op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet op de economische delicten. Indien dit toch gebeurt, wordt dit ook wel aangeduid als illegale kinderopvang. Wij treden streng op tegen niet gemelde kinderopvang en doen aangifte bij het Openbaar Ministerie of leggen een bestuurlijke boete op.

Ook bij een kinderopvangvoorziening waarvan de toestemming tot exploitatie is ingetrokken en die desondanks in exploitatie blijft, is sprake van niet gemelde opvang met dezelfde gevolgen als hiervoor beschreven.

5.1.2. Streng aan de poort

Wij willen dat direct vanaf de start van de exploitatie van een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang verantwoorde en kwalitatief goede opvang geboden wordt. Voor een gastouderbureau geldt dat deze direct vanaf de start de werkzaamheden zo moet kunnen uitvoeren dat zowel het gastouderbureau als de door het gastouderbureau te begeleiden gastouders, aan de kwaliteitseisen voldoen. Wij laten daarom alle nieuwe aanvragen tot exploitatie uitgebreid toetsen door de GGD.

De toezichthouder zal bij het onderzoek voor registratie toetsen of er voldoende aannemelijk is dat er vanaf datum van exploitatie kwalitatief goede opvang of begeleiding geboden wordt. Uitgangspunt hierbij is dat al bij de aanvraag tot exploitatie (voor zover mogelijk) alle eisen beoordeeld worden. Aanvullend kan een gesprek met de houder duidelijkheid geven of hij ‘redelijkerwijs aan de kwaliteitseisen’ zal gaan voldoen. Op basis van dit totaalonderzoek vormt de toezichthouder een oordeel over de aanvraag tot exploitatie.

Wij nemen in de beoordeling van de aanvraag de kwaliteit van andere kinderopvangvoorzieningen van de houder en de daarbij behorende handhavingshistorie mee. Voortdurende, ernstige en/of vele overtredingen op deze voorzieningen vormen een indicatie voor de naleving van de kwaliteitseisen op een nieuwe voorziening. Signalen buiten het advies van de toezichthouder kunnen eveneens meewegen in de beoordeling van de aanvraag.

Het college kijkt naast de toetsing van de eisen uit de Wet kinderopvang, bij een nieuwe aanvraag ook naar andere vergunningen die van belang zijn voor de veiligheid en gezondheid van de op te vangen kinderen. Wij vinden het van groot belang dat wanneer een kinderopvangvoorziening start met exploiteren, ook aan de andere benodigde eisen zoals bijvoorbeeld het brandveilig gebruik en eventuele omgevingsvergunningen is voldaan.

5.1.3. Startdatum exploitatie

Op basis van het onderzoek voor registratie nemen wij een beslissing op de aanvraag. In de beslissing op de aanvraag wordt aangegeven vanaf welke datum de exploitatie op grond van de Wet kinderopvang mag starten.

5.1.4. Onderzoek na registratie

Binnen drie maanden na de registratiedatum beoordeelt de toezichthouder of de kinderopvangvoorziening (niet zijnde een voorziening voor gastouderopvang) in de praktijk aan de kwaliteitseisen voldoet. Hierbij wordt met name gekeken naar de uitvoeringspraktijk van het veiligheids-, gezondheids- en pedagogisch beleid, de inzet van het personeel en de wijze waarop de kinderen worden opgevangen.

5.1.5. Mogelijkheden na afwijzing aanvraag tot exploitatie

Wanneer een aanvraag tot exploitatie is afgewezen, kan de houder een nieuwe aanvraag indienen. Om een nieuwe aanvraag te kunnen indienen, moet er sprake zijn van nieuwe feiten en omstandigheden. Deze moeten door de houder bij de nieuwe aanvraag worden vermeld. Alleen als dat het geval is, wordt een nieuwe aanvraag in behandeling genomen.

5.3. Verhuizing

5.3.1. Verhuizing van een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang

Wanneer een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang verhuist moet dit in behandeling worden genomen als zijnde een nieuwe aanvraag. Dit betekent onder meer dat de toezichthouder een onderzoek op locatie uitvoert.

Bij de gemeente wordt ingediend:

-Voor de oude kinderopvangvoorziening een wijzigingsverzoek tot intrekken toestemming exploitatie (uitschrijving). Hierbij moet de aanvrager op het wijzigingsformulier vermelden dat het een verhuizing betreft.

-Voor de nieuwe kinderopvangvoorziening een aanvraag tot exploitatie (inschrijving).

5.3.2. Verhuizing van een gastouderbureau

Wanneer een gastouderbureau verhuist, geldt een andere procedure. Wettelijk is vastgelegd dat een gastouderbureau geen nieuwe aanvraag tot exploitatie hoeft in te dienen wanneer het adres wijzigt. Het gastouderbureau dient bij de gemeente een wijzigingsverzoek tot wijziging van het vestigingsadres in te dienen.

Als de verhuizing naar een andere gemeente is, moet het wijzigingsverzoek gestuurd worden naar de huidige gemeente van vestiging. Deze stuurt het verzoek door (na verwerking in het LRK), waarna de beoogde gemeente van vestiging een besluit zal nemen over het verzoek. Die gemeente kan de GGD vragen advies uit te brengen over het verzoek alvorens dat besluit te nemen.

6. Handhaving

6.1. Maatwerk in handhaving

6.1.1. Herstellend en/of bestraffend handhaven

Wij hebben de mogelijkheid om zowel herstellend als bestraffend te handhaven:

•Herstellend betekent dat de gemeente de houder ertoe aanzet de overtreding van een kwaliteitseis op te heffen en opgeheven te houden;

•Bestraffend betekent dat de gemeente een bestuurlijke boete geeft voor bepaalde overtredingen.

Een herstellende en bestraffende sanctie kunnen naast elkaar worden ingezet omdat het doel van de sanctie verschillend is. In paragraaf 3.2 van dit beleid is al aangegeven dat ons primaire doel is dat de overtreding wordt opgeheven en dat wij daarom in beginsel een herstelmaatregel opleggen. Een bestraffende sanctie wordt slechts dan ingezet als de feiten en omstandigheden daar aanleiding toe geven.

6.1.2. Escalatieladder

Herstellend traject

Een herstellend handhavingstraject start met een aanwijzing met een hersteltermijn. Met de aanwijzing zetten wij in op structurele verbetering.

Na afloop van de hersteltermijn vindt een nader onderzoek plaatst. Als uit de inspectie blijkt dat de overtreding niet is opgeheven en dat de kwaliteitseis(en) nog niet of niet volledig worden nageleefd, wordt een last onder dwangsom opgelegd. Als er een last onder dwangsom wordt opgelegd zal - na afloop van de begunstigingstermijn door de GGD wederom een inspectie worden gedaan om te kijken of de overtreding is opgeheven. Als dat niet het geval is, vorderen wij de van rechtswege verbeurde dwangsom in.

Als bij een volgend onderzoek weer wordt geconstateerd dat de overtreding niet is opgeheven, wordt een verhoogde last onder dwangsom of een exploitatieverbod opgelegd. Een exploitatieverbod houdt in dat de kinderopvangvoorziening niet in exploitatie mag zijn, zolang de overtreding voortduurt. Ook bij direct gevaar voor de kinderen kunnen wij een exploitatieverbod opleggen.

Als ook het exploitatieverbod onvoldoende effect heeft gehad en de overtreding weer wordt begaan, schrijven wij de kinderopvangvoorziening uit het LRK.

Naast de handhavingsmogelijkheden van het college heeft de toezichthouder van de GGD de mogelijkheid om een bevel uit te vaardigen. De toezichthouder kan de houder een schriftelijk bevel geven als de kwaliteit van de kinderopvang zodanig tekortschiet dat het nemen van maatregelen geen uitstel kan leiden.

Bestraffend traject

Naast een herstellend traject kan er zoals in paragraaf 6.1.1 beschreven, ook een bestraffend traject worden ingezet. Dit is een bestuurlijke boete. De boete kan opgelegd worden voor het niet naleven van een bepaalde kwaliteitseis. Ook kan de boete worden opgelegd voor het niet opvolgen van een bevel of exploitatieverbod, het niet meewerken aan een vordering van de toezichthouder, niet gemelde opvang of het niet tijd doorgeven van een wijziging.

6.1.3. Handhavingsafwegingen

Om te komen tot de uiteindelijke beoordeling van de situatie en de in te zetten handhaving worden meerdere afwegingen gemaakt om te bepalen of, en zo ja, welke actie nodig is. Deze beoordeling van deze afwegingen kan leiden tot gemotiveerd afwijken van de reguliere escalatieladder.

Voor de herstellende handhaving zijn dit onder andere de volgende afwegingen:

Vraag

Toelichting/voorbeelden

Is er herstelaanbod geweest?

Als eerder herstelaanbod is geweest voor dezelfde overtreding, zal niet nogmaals een herstelaanbod worden gedaan.

Wat is de aard van de overtreding?

Is het handhavingsmiddel geschikt gezien de aard van de overtreding?

Wat is de ernst van de overtreding?

Heeft de overtreding direct gevolg voor de kwaliteit van de opvangpraktijk?

Hoeveel overtredingen zijn er in totaal?

Als een overtreding nog niet eerder is voorgekomen maar er tijdens een inspectie een veelvoud aan overtredingen wordt geconstateerd, kan een of meer stappen van de escalatieladder worden overgeslagen. Dit geldt ook als tijdens meerdere inspecties (meerdere), telkens wisselende overtredingen worden geconstateerd.

Wat zijn de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan?

Hebben de kinderen hinder ondervonden van de overtreding? Is de stabiliteit en kwaliteit van de opvang geborgd?

Komt de overtreding voort uit economisch belang?

Een economisch belang is een verzwarende factor.

Hoe is de handhaving op organisatieniveau?

Hoewel wij de handhaving in beginsel op locatieniveau uitvoeren, houden wij wel rekening met overtredingen bij andere locaties van dezelfde houder. Het doel is om de houder te stimuleren zijn brede verantwoordelijkheid te nemen.

Wij maken daarbij gebruik van de Denklijn verzachtende en verzwarende omstandigheden van GGD GHOR en VNG.

6.1.4. Recidive

De houder is verantwoordelijk voor de naleving van de kwaliteitseisen. Daarmee is de houder ook de overtreder als de kwaliteitseisen niet zijn nageleefd. Elke herhaling van een overtreding van een voorschrift, waarvoor eerder een herstelaanbod is gedaan of handhaving is ingezet, is recidive.

Bij recidive zet het college doorgaans direct een zwaarder handhavingsmiddel in.

Wanneer een houder een overtreding binnen 3 jaar na het opleggen van een aanwijzing herhaalt, dan legt het college voor nieuwe overtredingen een last onder dwangsom op. Wordt een overtreding herhaalt na het opleggen en invorderen van een last onder dwangsom of het opleggen van een bestuurlijke boete, dan legt het college een hogere dwangsom of boete op. In beginsel wordt het bedrag uit het afwegingsmodel bij iedere herhaling van een overtreding met 50% verhoogd.

Als binnen een tijdsbestek van drie jaar twee keer voor dezelfde overtreding een last onder dwangsom is opgelegd en ingevorderd, vervolgt het college de handhaving doorgaans met een exploitatieverbod. De houder voldoet immers langere tijd niet aan de minimale kwaliteitseisen; de kwaliteit van opvang schiet structureel tekort. Het belang van ouders en kinderen bij kwalitatief goede kinderopvang gaat voor het (financiële) belang van de houder en het personeel.

6.3. Handhavingsmiddelen

6.3.1. De aanwijzing

De aanwijzing zal doorgaans ingezet worden als eerste middel in het handhavingstraject. Met de aanwijzing zet het college in op structurele verbetering. Dat betekent dat de overtreding niet alleen moet worden opgeheven, maar dat een houder ook maatregelen moet nemen om te voorkomen dat hij de overtreding opnieuw begaat. Met de aanwijzing maakt het college aan een overtreder duidelijk dat die te allen tijde aan de voorschriften moet voldoen. Daarmee is de aanwijzing in de eerste plaats ook de minst ingrijpende handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken.

In de aanwijzing staat welke maatregelen de houder, binnen welke termijn, moet nemen om de wettelijke voorwaarden na te leven. Ook zal in de aanwijzing een hersteltermijn worden opgenomen. Een aanwijzing kan daarnaast ook een concretisering van wettelijke regels bevatten voor een specifieke situatie.

Na afloop van de hersteltermijn kunnen wij de GGD opdracht geven om een nader onderzoek uit te voeren. Tijdens het nader onderzoek zal worden beoordeeld of er aan de opgelegde maatregel is voldaan en daarmee de overtreding is beëindigd.

De aanwijzing blijft geldig, ook nadat de overtreding is hersteld. Het college betrekt deze aanwijzing bij handhavingsbesluiten in de opvolgende 3 jaar.

6.3.2. De last onder dwangsom

De last onder dwangsom wordt doorgaans ingezet na het niet voldoen van de maatregel(en) in een aanwijzing of bij recidive. Door middel van een last onder dwangsom krijgt de houder (wederom) de plicht opgelegd om de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. Voor het beëindigen van de overtreding wordt in de last onder dwangsom een begunstigingstermijn opgenomen. De dwangsom moet een voldoende prikkel zijn om de overtreding daadwerkelijk te beëindigen en beëindigd te houden. Wij hanteren voor het vaststellen van de hoogte van de dwangsom het bedrag dat in het afwegingsmodel staat genoemd als boetebedrag. Als de overtreding niet wordt genoemd in het afwegingsmodel, wordt aangesloten bij de overtreding die er het dichtst bij in de buurt komt.

Na afloop van de begunstigingstermijn voert de GGD een nader onderzoek uit. Als wordt vastgesteld dat een overtreding niet is opgeheven of is herhaald, verbeurt de dwangsom en moet de houder de dwangsom betalen. Daarnaast kan ervoor worden gekozen om een tweede last onder dwangsom op te leggen. Bij een tweede last onder dwangsom wordt het dwangsombedrag verhoogd ten opzichte van de eerste last onder dwangsom.

Als er binnen 3 jaar, sinds de laatste opgelegde aanwijzing, een overtreding van dezelfde kwaliteitseis is vastgesteld legt het college doorgaans een last onder dwangsom op. Ook als de kwaliteitseis in de tussenliggende periode is beoordeeld en er geen overtreding is vastgesteld.

6.3.3. De last onder bestuursdwang

Bij een last onder bestuursdwang zullen wij de overtreding zelf (laten) beëindigen als de houder dit na afloop van de begunstigingstermijn niet heeft gedaan. De kosten die hierbij gemaakt worden zijn voor de houder. Slechts een beperkt aantal voorschriften uit de Wko leent zich voor het toepassen van bestuursdwang. Dit passen wij toe wanneer de kwaliteit van de kinderopvangvoorziening niet aan de eisen voldoet, er direct en acuut gevaar dreigt voor de veiligheid en gezondheid van de kinderen en de overtreding zich leent om door een derde partij te worden opgeheven.

6.3.4. Het exploitatieverbod

De bevoegdheid om een exploitatieverbod op te leggen vloeit voort uit artikel 1.66 Wko. Bij een exploitatieverbod verbieden wij de houder om de voorziening in exploitatie te nemen of te houden. Dit is een zwaar handhavingsmiddel vanwege de verstrekkende gevolgen voor de houder, de ouders en de kinderen.

Zodra de houder de maatregelen uit het exploitatieverbod of het eventueel daaraan voorafgaande bevel of de aanwijzing heeft opgevolgd, dient hij de gemeente daarover schriftelijk te berichten. De houder geeft in dat bericht een opsomming van de genomen maatregelen waaruit moet blijken dat hij aan de kwaliteitseisen zal gaan voldoen. Wij kunnen de GGD opdracht geven om naar aanleiding van deze melding op korte termijn te onderzoeken of de kinderopvangvoorziening voldoet aan de kwaliteitseisen van de Wko en onderliggende regelgeving. Hierna informeren wij de houder of het verbod nog blijft gelden.

Als bij het verstrijken van de gestelde termijn de kwaliteitseisen niet voldoende worden nageleefd, volgt het besluit tot intrekken van de toestemming tot exploitatie.

Een exploitatieverbod kan geïndiceerd zijn als:

-er veel overtredingen ineens worden geconstateerd;

-na langdurige handhaving waarbij de verbetering uitblijft, minimaal is of wanneer steeds andersoortige overtredingen worden geconstateerd;

-er niet meer gesproken kan worden van verantwoorde kinderopvang;

-de houder een bevel van de toezichthouder niet opvolgt.

Bij gastouderopvang gaan wij sneller over tot een exploitatieverbod, omdat de kwaliteit van de opvang onlosmakelijk verbonden is aan de gastouder. Bij herhaling van overtredingen daalt het vertrouwen dat de gastouder de kwaliteit van de opvang verbetert en behoudt.

6.3.5. Intrekken toestemming tot exploitatie in vervolg op handhaving

Er zijn verschillende gronden waarop, in het kader van handhaving, de toestemming tot exploitatie kan worden ingetrokken:

-als is gebleken dat de houder de kinderopvangvoorziening niet langer exploiteert;

-als de exploitatie van de voorziening drie maanden na de inschrijving in het LRK niet daadwerkelijk is aangevangen;

-als uit een GGD-onderzoek of anderszins is gebleken dat de houder niet of niet langer zal voldoen aan de bij en krachtens hoofdstuk 1, afdeling 3, paragrafen 2 en 3 gegeven voorschriften van de Wet kinderopvang.

Het intrekken van de toestemming tot exploitatie is een uiterste handhavingsmiddel. De gemeente zal in de basis een zo licht mogelijk handhavingsmiddel inzetten om het doel (herstel) te bereiken (subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel). Het intrekken van de toestemming tot exploitatie vanwege het niet of niet langer voldoen aan de wettelijke voorschriften wordt ingezet wanneer eerder ingezette handhavingsmiddelen zoals een waarschuwing, last onder dwangsom of een exploitatieverbod niet het beoogde (blijvende) herstellende effect hebben.

Wanneer de toestemming tot exploitatie is ingetrokken, wordt de voorziening uit het LRK verwijderd. Dit betekent dat er geen sprake meer is van kinderopvang in de zin van de wet. Er mag geen opvang of bemiddeling meer plaatsvinden. Voortzetten van exploitatie leidt tot niet gemelde opvang en tot een boete of vervolging door het Openbaar Ministerie op basis van overtreding van de Wet Economische Delicten.

De gemeente publiceert het intrekken van de toestemming tot exploitatie en de uitschrijving uit het LRK in de gemeenteberichten (niet wanneer dit een voorziening voor gastouderopvang betreft).

6.3.6. De bestuurlijke boete

Een boete bestraft een overtreding die in het verleden begaan is. Er is dus een overtreding geconstateerd en dat feit wordt bestraft. Een boete kan gelijktijdig opgelegd worden met een waarschuwing, een last onder dwangsom of een exploitatieverbod.

Een boete is onvoorwaardelijk en moet altijd worden betaald. Het is, in tegenstelling tot de andere hierboven behandelde maatregelen, een punitieve (bestraffende) sanctie. De boete verschilt daarin van de dwangsom. Bij de dwangsom kan het betalen van het bedrag namelijk worden voorkomen door de overtreding tijdig te herstellen en hersteld te houden. Bij de boete is dat niet het geval.

Een boete kan worden opgelegd bij:

-Het overtreden van de kwaliteitseisen uit de Wet kinderopvang en aanverwante regelgeving.

-Het niet opvolgen van een bevel.

-Niet meewerken aan een verzoek van een toezichthouder of het bewust verkeerd informeren van een toezichthouder.

-Het starten van de exploitatie, voor de datum van ingang van de toestemming tot exploitatie.

-Het niet tijdig melden van wijzigingen van de in het LRK geregistreerde gegevens;

-Het overtreden van een exploitatieverbod.

-Notoire overtreders.

-Kinderopvangvoorzieningen met een oranje of rood risicoprofiel als de betreffende overtreding in de afgelopen 3 jaar ook al is begaan (recidive).

Hoogte van een boete en grootte van de organisatie

De Wet kinderopvang geeft ons de bevoegdheid om voor een overtreding/ het niet naleven van een kwaliteitseis uit de Wko een boete op te leggen van maximaal € 45.000. Voor de hoogte van boetes zijn in het Afwegingsoverzicht normbedragen opgesteld. Als een overtreding niet genoemd staat in het afwegingsmodel wordt aangesloten bij de categorie die er het dichtst bij in de buurt komt. Proportionaliteit en een goede dosering zijn een belangrijk uitgangspunt bij handhaving. Wij hanteren daarom vier categorieën waar de boetebedragen op worden afgestemd:

1Grote organisaties: een totale capaciteit van meer dan 150 kindplaatsen / bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang.

2Middelgrote organisaties: een totale capaciteit van 51 tot en met 150 kindplaatsen/ bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang.

3Kleine organisaties: een totale capaciteit van minder dan 51 kindplaatsen/ bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang.

4Voorzieningen voor gastouderopvang.

Ad 1. Voor een grote organisatie geldt het volledige normbedrag zoals opgenomen in het afwegingsmodel handhaving.

Ad 2. Voor een middelgrote organisatie is twee derde van het normbedrag de richtlijn.

Ad 3. Voor een kleine organisatie is dat één derde deel.

Ad 4. Voor voorzieningen voor gastouderopvang is dat één vijfde deel van het normbedrag. Dit geldt niét voor die voorwaarden in het afwegingsmodel waar specifiek gastouder staat vermeld. Daar is de hoogte van de som al afgestemd op deze voorziening.

Bij de bepaling van de grootte van de organisatie is de registratie in het LRK op het moment van begaan van de overtreding het uitgangspunt. Hierbij wordt over gemeentegrenzen heen gekeken.

Na bepaling van de categorie en het bijbehorende normbedrag kan er een verlaging of verhoging van het bedrag van toepassing zijn, afhankelijk van de ernst van het feit, de verwijtbaarheid of de omstandigheden van het geval en de eventuele verzachtende of verzwarende omstandigheden.

6.4. Handhaving na herstelaanbod

6.4.3. Herstelaanbod wordt niet aangenomen door de houder

Wij zien dit niet als verzwarende omstandigheid. Het reguliere handhavingstraject zoals genoemd onder paragraaf 6.1.2 wordt ingezet.

6.4.4. Herstelaanbod gedaan met positief resultaat

Wanneer een overtreding na herstelaanbod is opgelost treden wij niet handhavend op. De overtreding is immers verholpen.

6.4.5. Herstelaanbod aangeboden maar geen (volledig) herstel

Als de overtreding na herstelaanbod niet (volledig) is opgelost, handhaaft de gemeente in principe volgens het reguliere handhavingsbeleid.

Bijlage 1 Afwegingsmodel handhaving kwaliteit kinderopvang

Handhaving samengevat

Het college treedt handhavend op als de toezichthouder een overtreding vaststelt op een kinderopvangvoorziening. In dit afwegingsmodel geeft het college aan welke bedragen het uitgangspunt zijn bij de inzet van handhavingsmiddelen. De genoemde bedragen zijn een richtlijn. De boetes moeten proportioneel zijn en worden afgestemd op de ernst van de overtreding en de omstandigheden van de overtreder.

De toezichthouder kan een houder van een kinderopvangvoorziening de gelegenheid bieden om vastgestelde overtredingen nog tijdens de onderzoeksperiode op te heffen (het herstelaanbod). Als de houder de overtreding al heeft hersteld of redelijkerwijs snel zal herstellen, kan het college besluiten af te zien van handhaving gericht op herstel.

Het college kan bij herstellende handhaving kiezen voor de aanwijzing, daarin staat welke maatregelen moeten worden genomen om de overtreding te herstellen. Een aanwijzing kan ook een concretisering van wettelijke regels bevatten voor de specifieke situatie.

Het college kan bij herstellende handhaving ook kiezen voor de last onder dwangsom. Bijvoorbeeld wanneer blijkt dat de aanwijzing niet tot herstel van de overtreding heeft geleid.

Als ook de last onder dwangsom en de invordering daarvan niet leiden tot structureel herstel sluit het college de locatie (tijdelijk) met een exploitatieverbod. Als een houder geen verantwoorde kinderopvang aanbiedt sluit het college een kinderopvanglocatie direct.

Blijkt na (tijdelijke) sluiting dat de kwaliteit van opvang alsnog niet structureel is hersteld dan trekt het college de toestemming in. Het college kan de toestemming ook direct intrekken.

Bij enkele ernstige overtredingen legt het college altijd een boete op. Voor andere overtredingen kan het college een boete opleggen via het niet opvolgen van een aanwijzing.

De hier opgenomen bedragen gelden per overtreding van een voorschrift. Het aantal overtredingen waarvoor het college een financiële sanctie oplegt is beperkt tot 4 overtredingen van hetzelfde voorschrift per inspectieonderzoek.

Voor de bedragen sluit het college, voor zover mogelijk, aan bij de categorieën genoemd in artikel 23 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht. Gezien de ernst van het niet aanbieden van kinderopvang die voldoet aan de minimale kwaliteitseisen is met name aangesloten bij de tweede, derde en vierde categorie. Een financiële sanctie is nooit lager dan het genoemde bedrag uit de eerste categorie. Voor de gastouderopvang, met uitzondering van de gastouderbureaus, en de ouderparticipatiecrèches wordt hierop een uitzondering gemaakt. Daar gelden andere bedragen.

In de tabel is het maximale sanctiebedrag bij een eerste overtreding van het voorschrift opgenomen. Bij recidive zal dit bedrag met 50% worden verhoogd.

Hersteltermijnen

Overtredingen met grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang moeten in beginsel direct of binnen maximaal 7 dagen worden beëindigd.

Overtredingen met gemiddelde consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang moeten in beginsel binnen maximaal 14 dagen worden hersteld.

Overtredingen met lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang moeten in beginsel binnen een termijn van maximaal 21 dagen worden hersteld.

Voor elke overtreding beoordeelt het college welk hersteltermijn passend en geboden is.

Dwangsommen Kindercentrum

Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving

Administratie

de derde categorie

Maatregelen aanpak A-ziekten

de derde categorie

Schenden medewerkingsplicht

de derde categorie

Overtredingen in het domein Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Pedagogisch klimaat

Pedagogisch beleid

de derde categorie

Pedagogische praktijk

de tweede categorie

Voorschoolse educatie

de tweede categorie

Inzet pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie

de tweede categorie

Overtredingen in het domein pedagogisch klimaat hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Personeel en groepen

Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang

de tweede categorie per ontbrekende VOG, inschrijving en/of koppeling

Opleidingseisen

de tweede categorie

Aantal beroepskrachten

de derde categorie

Eisen aan de inzet van beroepskrachten in opleiding en Stagiairs

de tweede categorie

Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers

de tweede categorie

Stabiliteit van de opvang voor kinderen

de tweede categorie

Voertaal

de tweede categorie

Overtredingen in het domein Personeel en groepen hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Veiligheid en gezondheid

Veiligheids- en gezondheidsbeleid

de tweede categorie

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

de tweede categorie

Meld- overleg- en aangifteplicht

de tweede categorie

Overtredingen in het domein Veiligheid en gezondheid hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Accommodatie

Eisen aan ruimtes

de tweede categorie

Overtredingen in het domein Accommodatie hebben, bij het ontbreken van een acute situatie, gemiddelde consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang. Bij acute situaties hebben overtredingen grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Ouderrecht

Informatie

de tweede categorie

Oudercommissie

de tweede categorie

Klachten en geschillen

de tweede categorie

Overtredingen in het domein Ouderrecht hebben lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Dwangsommen Gastouderbureau

Personeel

Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang

de tweede categorie per ontbrekende VOG, inschrijving en/of koppeling

Personeelsformatie per gastouder

de tweede categorie

Overtredingen in het domein Personeel hebben grote consequenties voor de kwaliteit van opvang.

Veiligheid en gezondheid

Risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid

De tweede categorie

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

de tweede categorie

Meld- overleg- en aangifteplicht

de tweede categorie

Overtredingen in het domein Veiligheid en gezondheid hebben grote consequenties voor de kwaliteit van opvang.

Ouderrecht

Informatie

de tweede categorie

Oudercommissie

de tweede categorie

Klachten en geschillen

de tweede categorie

Overtredingen in het domein Ouderrecht hebben Lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht

Kwaliteitscriteria

de tweede categorie

Administratie gastouderbureau

de tweede categorie

Schenden medewerkingsplicht

de derde categorie

Overtredingen in het domein Kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht hebben grote consequenties voor de kwaliteit van opvang.

Dwangsommen Gastouder

Het maximale dwangsombedrag voor een voorziening voor gastouderopvang is gelijk aan het bedrag genoemd bij de eerste categorie artikel 23 lid 4 Wetboek van Strafrecht en bij recidive wordt dat bedrag met 50% verhoogd.

Dwangsommen Ouderparticipatieopvang

Het maximale dwangsombedrag voor een ouderparticipatiecrèche is gelijk aan het bedrag genoemd bij de tweede categorie artikel 23 lid 4 Wetboek van Strafrecht en bij recidive wordt dat bedrag met 50% verhoogd.

Bestuurlijke boete

Voor enkele overtredingen kan het college, naast een herstelsanctie, in beginsel altijd een boete opleggen. Deze overtredingen staan in de eerste tabel: Directe boete. Voor de overige overtredingen kan naast een herstelsanctie ook een boete worden opgelegd. In de tabel is het maximale boetebedrag bij een eerste overtreding van het voorschrift opgenomen. Bij recidive verdubbelt het college het maximale boetebedrag.

Bij het opleggen van een bestuurlijke boete stemt het college de hoogte van de boete altijd af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij houdt het college rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Om tot matiging over te gaan, verwacht het college een actieve houding van de overtreder. Het is belangrijk dat een houder niet alleen stelt dat bepaalde (bijzondere) omstandigheden zich hebben voorgedaan, maar dat de houder dit ook aantoont.

Als met 1 feitelijke gedraging 2 of meer overtredingen zijn begaan legt het college alleen een bestuurlijke boete op voor de overtreding met het hoogste boetebedrag. Daarnaast matigt het college een boete aan de hand van de omvang van de organisatie.

Directe boete

algemeen

kindercentrum en GOB

gastouders

Exploitatie zonder toestemming college

de vierde categorie

de derde categorie

Niet opvolgen bevel

de vierde categorie

de derde categorie

Overtreden exploitatieverbod

de vierde categorie

de tweede categorie

Hiervoor kan, bij recidive, een boete worden opgelegd

Personeel en groepen

kindercentrum en GOB

Verklaring omtrent Gedrag (VOG)

de tweede categorie per ontbrekende VOG

Personenregister kinderopvang

de tweede categorie per ontbrekende inschrijving en/of koppeling

Beroepskrachtkind-ratio (BKR)

de tweede categorie per ontbrekende beroepskracht

Op de uren dat niet tenminste de helft van het conform de BKR benodigde aantal beroepskrachten is ingezet.

de helft van het bedrag genoemd bij de tweede categorie per ontbrekende beroepskracht

Kwalificatie

Het benodigde diploma, certificaat, enz.

de tweede categorie per ontbrekende kwalificatie

Gastouders - Personeel en groepen

Verklaring omtrent Gedrag (VOG)

de eerste categorie per ontbrekende VOG

Groepsgrote en groepssamenstelling

de eerste categorie per overtreding

Kwalificatie

Het benodigde diploma, certificaat, enz.

de eerste categorie per ontbrekende kwalificatie

Kwaliteit gastouderbureau

Pedagogische praktijk

Begeleiding en ondersteuning van de Gastouder:

Uitvoering pedagogisch beleid door gastouders leidt tot verantwoorde gastouderopvang.

de tweede categorie per VGO waar onvoldoende is toegezien op de kwaliteit van opvang en/of de begeleiding tekortschiet

Het gastouderbureau voldoet niet aan zijn zorgplicht:

De samenstelling van de groep kinderen bij de gastouder

de tweede categorie per VGO waar de groepsgrootte en/of samenstelling niet voldoet

Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang:

Inschrijving en koppeling gastouder, huisgenoten en structureel aanwezigen

de tweede categorie per ontbrekende inschrijving en/of koppeling

Veiligheid en gezondheid:

Inventarisatie van risico’s voorzieningen voor gastouderopvang

de tweede categorie

Overige kwaliteitseisen

Niet opvolgen aanwijzing

de derde categorie, voor gastouder tweede categorie

Eisen ruimtes gastouderopvang:

De houder van een gastouderbureau toetst aantoonbaar jaarlijks op naleving van deze eisen

de tweede categorie per VGO waar niet is voldaan aan deze kwaliteitseisen en niet aantoonbaar is getoetst op de naleving

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

de tweede categorie per gastouder waar de kennis en het gebruik van de handelwijze uit de meldcode niet is bevorderd.

Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers

de derde categorie

Aanbieden kinderopvang zonder schriftelijke overeenkomst

de derde categorie

Niet (tijdig) melden wijzigingen

de tweede categorie

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.