Gemeentelijke regelgeving

Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Gulpen-Wittem 2026

Gemeente Gulpen-Wittem · geldt sinds 1 januari 2026

Aanhef

De gemeenteraad van Gulpen-Wittem,

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 november 2025; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste tot en met vierde lid, en zesde lid, 2.1.4a, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikelen 3.8, tweede lid, en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;

gezien het advies van de DenkTank Sociaal Domein;

overwegende:

-dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;

-dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan;

-dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen;

-dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking en/of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving;

besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning Gulpen-Wittem 2026

2. De vraag van de inwoner

Stap 1: Melding bij de gemeente

2.1.1 Het probleem van de inwoner

1Inwoners kunnen bij de gemeente terecht met vragen over hun probleem. Dat wordt een melding genoemd. Inwoners kunnen deze melding schriftelijk, mondeling, telefonisch of digitaal doen. Het is ook mogelijk dat iemand anders een melding namens de inwoner doet. Daarvoor is dan toestemming nodig van de inwoner.

2De inwoner krijgt een schriftelijke bevestiging als de melding is ontvangen.

3De gemeente zorgt ervoor, dat inwoners goed worden geïnformeerd over de mogelijkheden om een melding te doen.

2.1.2 Doel en procedure melding

1Het doel van de melding is om de vragen van de inwoner te bespreken, samen te onderzoeken wat de inwoner nodig heeft, en te bespreken welke rol de gemeente en de inwoner hebben bij het oplossen van het probleem.

2De gemeente informeert de inwoner over de gratis hulp die een cliëntondersteuner kan geven.

3De inwoner kan zelf een plan opstellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is. In dat plan geeft de inwoner ook aan hoe hij zijn probleem wil oplossen (dat plan noemen wij een persoonlijk plan). De gemeente informeert de inwoner over die mogelijkheid.

4Het kan zijn dat het niet nodig is om na de melding in gesprek te gaan, bijvoorbeeld als het probleem van de inwoner al is opgelost. De gemeente overlegt hierover met de inwoner voordat die conclusie wordt getrokken.

2.1.3 Gegevens

1De gemeente verzamelt alle gegevens die nodig zijn voor het gesprek en het daaropvolgende onderzoek.

2Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde termijn te leveren.

3De inwoner zorgt ervoor, dat de gemeente alle gegevens krijgt die nodig zijn.

Stap 2: Gesprek na de melding

2.2.1 Doel en procedure van het gesprek

1De medewerker gaat met de inwoner in gesprek om een goed beeld te krijgen van het probleem van de inwoner en hoe dat probleem opgelost kan worden. De medewerker bespreekt daarbij ook wat de inwoner met zijn vraag precies wil bereiken (vraag achter de vraag). De gemeente zet zich ervoor in, dat dit gesprek zo snel mogelijk na de melding plaatsvindt.

2Om de hulpvraag goed te kunnen onderzoeken is het belangrijk dat de inwoner en alle huisgenoten die mogelijk een bijdrage kunnen leveren aanwezig zijn bij het gesprek. De inwoner en de huisgenoten verstrekken de gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van de hulpvraag.

3De medewerker overlegt met de inwoner welke personen uit zijn netwerk aan het gesprek meedoen.

4Voordat het gesprek van start gaat, kan de medewerker aan de inwoner verzoeken een geldig identiteitsbewijs te tonen, tenzij de medewerker de identiteit al eerder heeft vastgesteld. Als de inwoner een persoonlijk plan heeft gemaakt, betrekt de medewerker dit plan bij het gesprek.

2.2.2 Gesprek en onderzoek

1Het gesprek vindt bij de inwoner thuis plaats, maar kan in overleg met de inwoner ook elders plaatsvinden.

2Het gesprek kan bij wijze van uitzondering telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is voor het bespreken van de vraag.

3De medewerker onderzoekt de situatie van de inwoner. Als het nodig is vraagt de medewerker een deskundige daarbij om advies.

4Bij dit onderzoek volgt de gemeente het volgende stappenplan:

-Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de inwoner is (welke behoefte heeft de inwoner?) en wat de inwoner met zijn hulpvraag wil bereiken (gewenste effect).

-Stap 2: De gemeente stelt hierna vast welke (on)mogelijkheden, problemen of beperkingen er precies zijn die belangrijk zijn voor het beoordelen van de vraag naar hulp.

-Stap 3: De gemeente brengt in kaart welke hulp nodig is.

-Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem zelf op te lossen (eigen kracht), of met behulp van andere personen uit het sociale netwerk of van andere organisaties, of met andere mogelijkheden.

-Stap 5: De gemeente bepaalt welke aanvullende hulp de gemeente kan geven om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken.

5Voor iedere stap geldt, dat de gemeente de deskundigheid inzet die nodig is om die stap goed te kunnen afronden. Is er bijzondere deskundigheid nodig, dan zet de gemeente die in. De gemeente stelt de inwoner op de hoogte van welke deskundigheid er op welk moment nodig is en ingezet wordt.

6De medewerker informeert de inwoner over mogelijkheden die er zijn om in bepaalde gevallen te kiezen voor een persoonsgebonden budget (pgb), zie artikel 6.3.1.

7De medewerker informeert de inwoner over een eventuele eigen bijdrage in de kosten.

2.2.3 Plan en verslag

1Tijdens of na het gesprek maakt de medewerker samen met de inwoner en zijn netwerk een plan waarin staat wat er nodig is om het probleem van de inwoner op te lossen en hoe dat kan worden gerealiseerd. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de situatie nu, alsook op de lange termijn.

2Het plan bevat een verslag van het gesprek en het onderzoek. Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden in het plan verwerkt of aan het verslag toegevoegd.

3De inwoner krijgt het plan uiterlijk 6 weken nadat de melding is ontvangen.

Stap 3: Aanvraag

2.3.1 Aanvraag

1Nadat de medewerker samen met de inwoner een plan heeft gemaakt, is duidelijk of er (meer) hulp nodig is vanuit de gemeente. De inwoner kan dan een aanvraag daarvoor indienen. Deze aanvraag wordt gedaan door middel van ondertekening van het ondersteuningsplan.

2De inwoner kan een aanvraag schriftelijk en digitaal via e-mail indienen. Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente (vervolg)hulp gaat verlenen en zo ja, welke vorm die hulp dan heeft.

3De gemeente kan ook besluiten, dat voor bepaalde vormen van hulp een aanvraag met een ander aanvraagformulier wordt gedaan.

2.3.2 Voorwaarden voor maatwerkvoorziening

1Om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening, moet de inwoner in ieder geval voldoen aan de volgende voorwaarden:

a.De voorziening is noodzakelijk om (één van) de doelen van de Wmo te bereiken;

b.De inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken. Hij kan dit effect ook niet op andere manieren bereiken, zoals met de inzet van huisgenoten (gebruikelijke hulp), met mantelzorg, met hulp vanuit het persoonlijk netwerk, met algemeen gebruikelijke voorzieningen of met behulp van andere mogelijkheden of andere organisaties; en

c.Met de voorziening wordt het probleem van de inwoner effectief opgelost (het gewenste effect).

2De inwoner die een probleem op eigen kracht of met gebruikelijke hulp kan oplossen, komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening van de gemeente, ongeacht of sprake is van zorg die de gebruikelijke hulp overstijgt. Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen binnen redelijke grenzen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten, als het gaat om Wmo-hulp.

3Voor sommige vormen van hulp zijn er in de wet of in deze verordening extra voorwaarden gesteld.

4De maatwerkvoorziening is niet duurder dan nodig is en duurt niet langer dan nodig is. De gemeente kiest daarom voor de goedkoopste voorziening waarmee het probleem van de inwoner effectief opgelost kan worden.

2.3.3 Beoordeling gebruikelijke hulp

1Bij het onderzoek naar de noodzaak van een maatwerkvoorziening beoordeelt de gemeente of er sprake is van gebruikelijke hulp van huisgenoten.

2Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid verwacht mag worden van huisgenoten.

3Huisgenoten zijn verplicht om, indien daarom wordt gevraagd, hun medewerking te verlenen aan het onderzoek naar gebruikelijke hulp en aan eventueel heronderzoek.

4Indien de gemeente vaststelt dat gebruikelijke hulp mogelijk en passend is, wordt dit meegewogen in de beoordeling van de noodzaak voor een maatwerkvoorziening.

5Bij de beoordeling of gebruikelijke hulp in redelijkheid verwacht mag worden, wordt, voor zover daartoe aanleiding is, rekening gehouden met:

a.de samenstelling van de leefeenheid van de inwoner en diens huisgenoot of huisgenoten;

b.de aard van de relatie tussen de inwoner en diens huisgenoten;

c.de inhoudelijke aard, de omvang en de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de inwoner;

d.de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of huisgenoten om ondersteuning te bieden;

e.de mate waarin en de wijze waarop de inwoner voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens huisgenoot of huisgenoten;

f.overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten die van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de inwoner ondersteuning te bieden.

2.3.4 Redenen voor afwijzing maatwerkvoorziening

1De gemeente kan een maatwerkvoorziening weigeren als:

a.de hulpvraag ook opgelost kan worden met hulp uit een andere wet of regeling zoals bijvoorbeeld de zorgverzekeringswet;

b.de inwoner op eigen kracht, met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met mantelzorg of met hulp van zijn persoonlijke netwerk de beperkingen kan wegnemen of verminderen;

c.de inwoner gebruik kan maken van een algemene voorzieningen;

d.de voorziening voor de inwoner algemeen gebruikelijk is;

e.de hulpvraag het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de inwoner;

f.de inwoner de noodzaak van de hulp niet heeft aangetoond;

g.de inwoner de gevraagde hulp zelf al heeft ingeroepen of ingekocht, voordat de gemeente een besluit heeft genomen, tenzij de gemeente daarvoor toestemming heeft verleend;

h.de inwoner de gevraagde voorziening na de melding en voor het besluit heeft ingeroepen of ingekocht, tenzij de gemeente daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen;

i.er geen noodzaak voor de hulp is vastgesteld;

j.het gaat om vervanging van een voorziening die de gemeente heeft verstrekt, en de normale afschrijvingstermijn is nog niet verstreken. Een vervangende voorziening is wel mogelijk, als:

-de eerder afgegeven voorziening verloren is gegaan, zonder dat dit de inwoner te verwijten is, of

-de inwoner geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten,

of

-de eerder afgegeven voorziening geen oplossing meer is voor het probleem van de inwoner.

k.als deze niet met name bedoeld is voor de betreffende inwoner zelf;

l.als deze niet langdurig noodzakelijk is;

m.als degene die de voorziening aanvraagt geen inwoner is van de gemeente Gulpen-Wittem met uitzondering van beschermd wonen, opvang;

n.als de verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt.

o.als de voorziening niet noodzakelijk was geweest als de inwoner rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan.

2.3.5 Advisering

1De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt deskundig is om deze melding of aanvraag goed te kunnen behandelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat iemand die wel deskundig is een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente dan bij de beoordeling van de melding of de aanvraag.

2De adviseur moet aantoonbaar beschikken over de juiste deskundigheid. De deskundigheid is afhankelijk van het soort gevraagd advies, onder andere:

a.Sociaal-medische kennis op het niveau van een arts;

b.Ergonomische kennis;

c.Bouwkundige/technische kennis;

d.Gedragswetenschappelijke kennis.

2.3.6 Beoordelen aanvraag

1Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang en bekend zijn.

2Om te bepalen of de gemeente hulp toekent, volgt de gemeente het stappenplan genoemd in artikel 2.2.2 van deze verordening.

3Voor iedere stap geldt, dat de gemeente de deskundigheid inzet die nodig is om die stap goed te kunnen afronden. Is er bijzondere deskundigheid nodig, dan zet de gemeente die in. De gemeente stelt de inwoner op de hoogte van welke deskundigheid er op welk moment nodig is en ingezet wordt.

2.3.7 Beslistermijn

1De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 2 weken nadat de aanvraag is ontvangen.

2De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschort als de inwoner onvoldoende gegevens heeft verstrekt. De gemeente vraagt de inwoner dan opnieuw om de ontbrekende gegevens te verstrekken.

3Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit wordt genomen.

2.5 Uitzonderingen

2.5.1 Spoedeisende gevallen

In spoedeisende gevallen kan de gemeente afwijken van de normale procedure om ervoor te zorgen dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is. Later zal er dan een onderzoek plaatsvinden volgens de procedure.

2.5.2 Second opinion

Wanneer de medewerker en de inwoner na een melding het niet eens worden over welke hulp van de gemeente er precies nodig is, kan de inwoner eenmalig vragen om een second opinion. Dat houdt in, dat een andere medewerker of een onafhankelijk deskundige opnieuw kijkt welke hulp passend is. De gemeente neemt de second opinion mee in het definitieve besluit op de aanvraag.

5. Wonen en leven met een beperking

5.2 Zelfstandig en veilig wonen

5.2.1 Geschikte woning (woonvoorziening)

1De inwoner kan in aanmerking komen voor een bijdrage in de kosten van verhuizing, als het normale gebruik van de woning niet (meer) mogelijk is door een beperking van de inwoner en de inwoner verhuist naar een geschikte woning. De inwoner kan dan een geldbedrag krijgen voor de verhuizing en inrichting van een andere woning (financiële tegemoetkoming). De gemeente stelt de hoogte van dit bedrag vast.

2Als verhuizing naar een geschikte woning volgens de gemeente niet mogelijk is of duurder is dan een verbouwing of een hulpmiddel, kan de inwoner in aanmerking komen voor een woningaanpassing. De woning wordt dan voor de inwoner bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar gemaakt.

3De inwoner kan geen woonvoorziening krijgen in de volgende situaties:

a.De belemmeringen die de inwoner in de woning ervaart, zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt;

b.Als de voorziening wordt gevraagd voor woonruimten die niet geschikt of bedoeld zijn voor permanente bewoning. In deze gevallen kan wel mogelijk een voorziening voor verhuizing en inrichting verstrekt worden;

c.De woonvoorziening is bedoeld voor aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex. Behalve als het gaat om automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte of een bijdrage in de kosten van verhuizing;

d.voor specifiek op personen met beperkingen en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij (nieuw)bouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden;

e.Het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden;

f.De inwoner is verhuisd, zonder dat daar een aanleiding voor was op grond van zijn beperkingen tenzij daar een belangrijke reden voor was;

g.De inwoner is verhuisd naar een woning die niet de meest geschikte woning is om de beperkingen die de inwoner ervaart in de woning, te verminderen of weg te nemen, tenzij de gemeente daar vooraf toestemming voor heeft gegeven;

h.de woning waar naartoe kan worden verhuisd niet geschikter is dan de huidige woning;

i.de woning waar naartoe kan worden verhuisd niet in de gemeente Gulpen-Wittem staat, behalve als het om een verhuiskostenvergoeding gaat;

j.De belemmeringen die de inwoner ervaart, zijn het gevolg van de bouwkundige of woontechnische staat van de woning. Daaronder valt ook de toegankelijkheid van de woning;

k.De voorziening heeft een therapeutisch doel;

l.De inwoner heeft zijn hoofdverblijf niet of zal zijn hoofdverblijf niet hebben in de woning waarvoor de woonvoorziening wordt gevraagd, behalve als het gaat om het bezoekbaar maken van één woning.

m.De inwoner verhuist naar of woont in een zorginstelling op grond van de Wet langdurige zorg.

n.Wanneer de kosten van de voorziening niet meer bedragen dan de maandelijkse eigen bijdrage in het kader van de Wmo, op jaarbasis.

5.2.2. Een schone en leefbare woning

1De inwoner die zijn woning langere tijd niet schoon en leefbaar kan houden, kan in aanmerking komen voor hulp bij het huishouden.

2Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de hulp ook bestaan uit het voor een korte periode overnemen van de hulp die ouders normaal gesproken aan de kinderen moeten bieden (gebruikelijke hulp). Deze hulp is uitsluitend bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen.

3De hulp bij het huishouden zorgt voor het schoonmaken van het huis. In bijzondere situaties geeft de schoonmaakhulp extra ondersteuning bij het huishouden. Als het nodig is, ondersteunt die hulp ook bij het organiseren van het huishouden. Dat helpt de inwoner om het huishouden zelfstandig uit te voeren.

5.2.3 Terugbetalen woonvoorziening

De wooneigenaar kan, bij verkoop binnen 10 jaar na de datum van gereed melding van de werkzaamheden, verplicht worden tot terugbetaling van de woonvoorziening, verminderd met 10% per jaar en exclusief de kosten die voor rekening van de eigenaar van de woonruimte gekomen zijn, indien de kosten van die voorziening een bedrag van €10.000,00 te boven gaat. De gemeente stelt het afschrijvingsschema gedurende 10 jaar vast.

6. De vorm van de hulp

6.3 Persoonsgebonden budget (pgb)

6.3.1 Voorwaarden – algemeen

1De inwoner die in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan onder bepaalde voorwaarden soms kiezen voor een pgb. Dit kan onder de volgende voorwaarden:

a.De inwoner kan voldoende voor zijn eigen belangen opkomen. Daardoor kan hij de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier uitvoeren, eventueel met hulp van iemand uit het persoonlijke netwerk, of met iemand die hem vertegenwoordigt;

b.De inwoner maakt de gemeente duidelijk waarom hij een pgb wil ontvangen;

c.De hulp die de inwoner met het pgb wil betalen, is van goede kwaliteit.

De hulp moet veilig en doeltreffend zijn en passen bij de inwoner.

2De inwoner maakt in een door de gemeente goedgekeurd budgetplan duidelijk dat aan de voorwaarden is voldaan. In het plan staat ook:

a.hoe de inwoner zijn hulp wil organiseren,

b.wie deze hulp gaat leveren,

c.wat de kosten zijn,

d.op welke manier de kwaliteit van de hulp en de veiligheid van de inwoner zijn gegarandeerd, en

e.dat de hulpverlener calamiteiten meldt bij de toezichthouder van de gemeente en meewerkt aan een onderzoek door deze toezichthouder naar de rechtmatigheid, kwaliteit en veiligheid van de hulp.

3De gemeente kan een pgb in elk geval weigeren in de volgende situaties:

a.De inwoner wil het pgb laten beheren door de aanbieder die ook de hulp biedt of door iemand die niet geldt als gewaarborgde hulp.

b.De gemeente heeft eerder een maatwerkvoorziening of een pgb toegekend, en dit besluit is herzien of ingetrokken, omdat de inwoner:

o onjuiste of onvolledige gegevens heeft doorgegeven;

o zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden die bij het pgb of de maatwerkvoorziening horen; of

o het pgb of de maatwerkvoorziening voor een ander doel heeft gebruikt.

c.Als sprake is van een spoedeisende situatie;

d.De budgetbeheerder en de hulpverlener geen Verklaring omtrent het gedrag (VOG) kunnen laten zien;

e.De kosten van een pgb zijn voor de gemeente hoger dan de kostprijs voor een maatwerkvoorziening in natura. Het pgb kan dan geweigerd worden voor zover de kosten hoger zijn.

4Het pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het pgb kan niet besteed worden aan:

a.kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;

b.het voeren van een pgb-administratie;

c.ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie;

d.kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s); en

e.kosten aanvragen VOG.

6.3.2 Professionele of niet-professionele hulp

1Om de hoogte van het pgb voor een dienst vast te stellen, wordt onderscheid gemaakt tussen professionele en niet-professionele hulp.

2De inwoner kan het pgb besteden aan professionele hulp. Dat is hulp door een hulpverlener die:

a.in dienst is van een zorgverlenende organisatie die staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (volgens de eisen van de Handelsregisterwet 2007) en die niet behoort tot het sociaal netwerk van de inwoner, of die

b.als medisch professional staat ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG) en niet behoort tot het sociaal netwerk van de inwoner; of die

c.als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) beroepsmatig hulp verleent en niet behoort tot het persoonlijk netwerk van de aanvrager.

3De inwoner kan het pgb besteden aan hulp door een niet-professionele hulpverlener, als die hulpverlener:

a.aannemelijk heeft gemaakt dat de hulp niet tot overbelasting leidt en dat hij kwalitatief goede hulp kan bieden.

b.een opleiding heeft afgerond die nodig is om de betreffende hulp te kunnen verlenen, en

c.een VOG (VOG - specifiek screeningsprofiel 45) kan overleggen. De verklaring mag niet ouder zijn dan 3 maanden voor de datum van de aanvraag.

d.wordt ingezet voor het overnemen van taken, tenzij deze taken aangemerkt kunnen worden als zijnde gebruikelijke hulp voor huisgenoten;

4Het aanleren van vaardigheden kan niet worden uitgevoerd door een nietprofessionele hulpverlener, die op eniger wijze in relatie staat tot de inwoner.

5Hulp door iemand uit het persoonlijk netwerk wordt altijd als hulp door een niet- professionele hulpverlener gezien, los van eventuele opleiding en ervaring.

6.3.3 Hoogte en tarieven pgb

1De hoogte van het pgb wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee de inwoner veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, producten en andere maatregelen kan contracteren. De gemeente stelt de hoogte van het pgb vast op ten hoogste de kostprijs voor de gemeente van de goedkoopste vorm van hulp in natura. Een overzicht van de toepasselijke tarieven is opgenomen in de bijlage bij deze verordening. Gaat het om vervoer, dan wordt uitgegaan van ten hoogste de kostprijs van het ov als dit goedkoper is dan vervoer met een eigen vervoermiddel.

2Voor bepaalde vormen van professionele en niet-professionele hulp zijn vaste tarieven vastgesteld. Die staan in de bijlage bij deze verordening. De bedragen in die bijlage worden jaarlijks aangepast, met ingang van 1 januari. Het indexcijfer dat van toepassing is, is afhankelijk van het betreffende product of dienst.

a.De tarieven zoals wij deze hanteren, worden voor de persoonsgebonden budgetten (diensten als genoemd in bijlage 1) afgeleid van de meest recente CAO. Wijzigingen in de CAO gedurende het jaar worden per 1 januari van het volgende jaar in de tarieven verwerkt.

b.De tarieven ten aanzien van voorzieningen voor wonen, rollen en vervoer worden afgeleid van het meest recente consumentenprijsindexcijfer van het CBS (alle huishoudens - reeks 2006=100). De gemeente gaat daarbij uit van de ontwikkeling van dit prijsindexcjifer over de periode van een jaar, gerekend vanaf 1 juli het jaar daarvoor. Die wijziging wordt afgerond op één decimaal.

3De gemeente stelt de hoogte van het pgb voor een product vast op basis van een of meer offertes van aanbieder(s) uit het goedgekeurde budgetplan en/of door de gemeente opgevraagde offerte(s). De gemeente stelt de hoogte van het pgb vast op het bedrag van de laagste geschikte offerte.

4De gemeente houdt bij het vaststellen van de hoogte van het pgb voor een product rekening met de levensduur van het product en met de kosten voor onderhoud en verzekering. Als het gaat om een tweedehands product wordt de kostprijs daarop gebaseerd met een looptijd gelijk aan de overgebleven afschrijvingstermijn.

6.3.4 Verantwoording pgb

1De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe het pgb is besteed en welke resultaten de hulp voor de inwoner heeft gehad. De inwoner is verplicht die informatie te geven. De gemeente kan daarvoor een formulier vaststellen dat de inwoner moet gebruiken of dit kan door middel van een evaluatiegesprek waarbij de al dan niet behaalde doelen worden besproken.

2Als een inwoner een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb krijgt, wordt alleen de hulp uitbetaald die feitelijk geleverd is.

3Het pgb voor hulp bij het huishouden en begeleiding wordt uitbetaald door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Overige vormen van hulp die in de vorm van een pgb wordt toegekend, wordt rechtstreeks door gemeente Gulpen-Wittem uitbetaald.

6.3.5 Opschorten pgb

De gemeente kan aan de SVB vragen om de uitbetaling uit het pgb helemaal of gedeeltelijk uit te stellen totdat een besluit is genomen om het pgb weer voort te zetten of in te trekken. Dit kan de gemeente in ieder geval doen als zij een sterk vermoeden heeft dat:

a.de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft doorgegeven, terwijl de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing van de gemeente;

b.de inwoner niet voldoet aan de voorwaarden die horen bij het pgb; of als

c.de inwoner het pgb niet of voor een ander doel (heeft) gebruikt.

7. Afspraken tussen inwoner en gemeente

7.1 Hoe gaan we met elkaar om?

7.1.1 De rol van de gemeente

1De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende:

a.Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk.

b.De inwoner heeft, om zijn probleem te bespreken, altijd recht op een gesprek met een medewerker.

c.De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie.

d.De gemeente informeert de inwoner over procedures die worden gevolgd. De gemeente zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn.

e.De gemeente respecteert zoveel mogelijk de privacy van de inwoner. De gemeente maakt binnen de wettelijke mogelijkheden gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn. De gemeente vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de vraag van de inwoner.

f.De gemeente wijst de inwoner op de gratis cliëntondersteuning.

2De gemeente reageert op een professionele manier op ontoelaatbaar gedrag van de inwoner. De gemeente zorgt voor het volgende:

a.De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over:

•zijn rechten en plichten;

•wat er van hem wordt verwacht;

•welk gedrag niet deugt;

•wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en

•waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt.

De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner voldoende geïnformeerd blijft over deze punten.

b.De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren door een maatregel te nemen.

c.De aard van de reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij:

□ de ernst van het gedrag;

□ de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en

□ de persoonlijke situatie van de inwoner.

d.De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente eventueel de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).

7.1.2 De rol van de inwoner

1De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn probleem. De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende:

a.De inwoner gaat eerst na welke mogelijkheden hij zelf heeft om samen met zijn netwerk zijn probleem op te lossen.

b.De inwoner werkt mee aan de oplossing van zijn probleem.

c.De inwoner doet wat nodig is om de hulp van de gemeente tot een minimum te beperken en zo kort mogelijk te laten duren.

2De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende:

a.De inwoner informeert de gemeente direct over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner. Dit geldt ook als de hulp al is toegekend.

b.De inwoner houdt zich aan termijnen die de gemeente heeft gesteld. De gemeente geeft duidelijk aan hoeveel tijd de inwoner krijgt om alle informatie aan te leveren.

c.De inwoner brengt de gemeente direct op de hoogte van veranderingen in zijn situatie, als die van belang kunnen zijn voor de gemeente.

7.2 Beëindigen en terugvorderen van hulp

7.2.1 Beëindiging hulp

1De gemeente kan toegekende hulp geheel of gedeeltelijk beëindigen als dat in de wet of in deze verordening is aangegeven. De hulp kan in ieder geval worden beëindigd, vanaf het moment dat:

a.de hulp niet langer passend of nodig is;

b.de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan die vorm van hulp zijn verbonden;

c.de gemeente niet langer kan beoordelen of de inwoner in aanmerking komt voor hulp, omdat de inwoner onvoldoende of onjuiste informatie geeft, of onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op die hulp;

d.de hulp is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner;

e.de hulp voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld is;

f.de inwoner niet binnen een vastgestelde termijn gebruikmaakt van toegekende hulp, tenzij hem dit niet te verwijten is, of als

g.het gemeentelijk beleid is gewijzigd, en de inwoner daarom niet meer in aanmerking komt voor hulp. De gemeente houdt dan wel rekening met een redelijke overgangsperiode.

2De hulp kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken). De gemeente trekt dan het toekenningsbesluit in. De hulp kan ook gedeeltelijk worden ingetrokken (herzien). Dan blijft de hulp vanaf een bepaalde datum voor een deel in stand.

7.2.2 Terugvordering hulp

1De gemeente kan een product, of de waarde daarvan, van de inwoner terugvorderen. Dat kan de gemeente alleen doen vanaf het moment dat de maatwerkvoorziening is ingetrokken of herzien:

a.omdat de inwoner opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens aan de gemeente heeft doorgegeven; en

b.De gemeente een andere besluit zou hebben genomen als de juiste gegevens waren doorgegeven.

2Het product of de waarde daarvan kan worden teruggevorderd van:

a.de inwoner die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens aan de gemeente heeft doorgegeven;

b.degene die opzettelijk hieraan heeft meegewerkt.

3Als de hulp volledig wordt ingetrokken, vordert de gemeente de kosten terug die zijn gemaakt vanaf de ingangsdatum van de hulp, tot aan het moment dat de hulp is stopgezet. Wordt de hulp gedeeltelijk ingetrokken, dan vordert de gemeente de kosten terug die zijn gemaakt in de periode dat de inwoner ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de hulp.

7.3 Hoe controleert de gemeente of de hulp nog zinvol is?

7.3.1 Controle op de ontwikkelingen

1Het is belangrijk, dat de hulp aan de inwoner zinvol is. De gemeente controleert daarom geregeld of:

a.de inwoner die hulp nog nodig heeft,

b.de doelen van de hulp nog worden bereikt, en of

c.de hulp nog op de juiste manier wordt gegeven.

2De gemeente kan dat op verschillende manieren controleren, bijvoorbeeld door middel van een huisbezoek, een telefoongesprek of een onderzoek naar de kwaliteit van de hulp.

7.3.2 Voorkomen van fraude

De gemeente stelt alles in het werk om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een duidelijke en volledige manier over de rechten en plichten. Ook informeert de gemeente inwoners over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen.

7.3.3 Toezichthouders

De gemeente kan één of meer ambtenaren aanwijzen die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd. Voor Wmo-hulp geldt dat de gemeente verplicht is toezichthouders aan te wijzen.

7.3.4 Zorgfraude door aanbieders

Inwoners kunnen een melding doen bij het Wmo-loket van gemeente Gulpen-Wittem wanneer zij zorgen of vermoedens van fraude gerelateerd aan de zorg hebben.

8. Inspraak en inwonerparticipatie

8.3 Adviesorgaan sociaal domein

8.3.1 Inspraak bij aanbieders

1Aanbieders zijn verplicht om inwoners die gebruik maken van hun diensten of producten, inspraak te geven over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn en daarover regels vast te stellen. Aanbieders zorgen ervoor dat deze regels onder de aandacht komen bij de gebruikers.

De gemeente ziet erop toe dat de aanbieder de regels over inspraak naleeft. De gemeente overlegt regelmatig met deze aanbieders over de dienstverlening en onderzoekt jaarlijks hoe tevreden inwoners met de aanbieder zijn.

Bijlage 1 - Tarieven persoonsgebonden budget dienstverlening per 1-1-25

In de tabel hieronder staan de tarieven op grond waarvan een pgb wordt berekend. Hierbij geldt dat het PGB niet hoger mag zijn dan de kostprijs van de voorziening in natura. Als de werkelijke kosten van de voorziening lager zijn dan dit tarief, kennen wij een pgb toe ter hoogte van de werkelijke kosten.

De hoogte van het PGB is gerelateerd aan het uurloon van de hoogste periodiek van de geldende collectieve arbeidsovereenkomst (Cao), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren.

Cliënten mogen hulp inkopen die duurder is dan onderstaande tarieven. In dat geval moeten ze zelf het verschil tussen het ingekochte tarief en het maximumtarief bijbetalen aan de SVB.

PGB--tarieven 2025 Wmo nieuwe cliënten

Niet professionele (informele) hulp Wmo

Dienstverlening

Tariefbepaling

2025

Huishoudelijke hulp

per uur

€ 20,99

Individuele begeleiding

per uur

€ 24,42

Persoonlijke verzorging

per uur

€ 24,42

Groepsbegeleiding

per dagdeel

€ 23,79

Kortdurend verblijf

per etmaal

€ 35,66

Voor de formele PGB-tarieven hanteren we steeds het gemiddeld uurloon van het geldend caoloon als grondslag.

Professionele (formele) hulp Wmo

Dienstverlening

Tariefbepaling

2025

Huishoudelijke hulp

per uur

€ 29,00

Persoonlijke verzorging

per uur

€ 32,35

Individuele begeleiding

per uur

€ 43,99

Groepsbegeleiding

per dagdeel

€ 52,84

€ 58,27 met vervoer

Kortdurend verblijf

per etmaal

€ 120,07

1De bedragen in deze bijlage worden jaarlijks aangepast, met ingang van 1 januari

Bijlage 2 - Richtlijn gebruikelijke hulp

1Algemeen

Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Gebruikelijke hulp is ook alleen aan de orde als er een leefeenheid is die gemeenschappelijk een woning bewoont.

In het onderzoek wordt beoordeeld of de gevraagde hulp en ondersteuning tot de gebruikelijke hulp behoort en of de gebruikelijke hulp ook daadwerkelijk geleverd kan worden.

Afhankelijk van de individuele situaties kan hulp, die naar algemeen aanvaarde maatstaven als gebruikelijk kan worden beschouwd hier toch niet gebruikelijk zijn.

Bijvoorbeeld wanneer:

•Uit onderzoek blijkt dat een huisgenoot aantoonbare beperkingen heeft op grond van een aandoening, handicap of probleem, of dat deze kennis/vaardigheden mist en deze ook niet kan aanleren, waardoor redelijkerwijs de taken niet overgenomen kunnen worden.

•In een leefeenheid overbelasting dreigt, doordat, gegeven de voor die leefeenheid geldende gebruikelijke hulp, door de (chronische) uitval van iemand uit de leefeenheid gezinsleden alsnog onevenredig belast worden.

•De leden van een leefeenheid overbelast dreigen te raken door de combinatie van werk en verzorging van de zieke partner/huisgenoot. Ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening zal dan van korte duur zijn (3-6 maanden) om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een partner/ouder ten gevolge van het plotseling overlijden van de andere ouder overbelast dreigt te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen.

•De zieke partner/huisgenoot zich in de terminale levensfase bevindt.

Er wordt daarbij telkens onderzoek gedaan naar de verhouding tussen draagkracht en draaglast van de individuele cliënt.

Fysieke afwezigheid

Indien de huisgenoot van een hulpvrager vanwege werk fysiek niet aanwezig is, wordt hiermee bij het indiceren uitsluitend rekening gehouden, wanneer het om aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen gaat. De afwezigheid van de huisgenoot moet een verplichtend karakter hebben en inherent zijn aan diens werk; denk hierbij aan offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland. Wanneer iemand aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen van huis is, is er in die periode feitelijk sprake van een éénpersoonshuishouden en kan er geen gebruikelijke hulp worden geleverd. Wanneer de fysieke afwezigheid van de partner minder dan 7 etmalen bedraagt, zal er altijd onderzocht moeten worden of de huisgenoot feitelijk kan voorzien in het verlenen van de hulp.

Ouderlijke zorgplicht bij echtscheiding

Bij echtscheiding vervalt het samenwonen en daarmee dus ook de gebruikelijke hulp voor het huishouden en de onderlinge persoonlijke verzorging van partners. De zorgplicht voor de kinderen verdwijnt niet. Bij uitval van de verzorgende ouder moet wel onderzoek gedaan worden naar de mogelijkheid van opvang van de kinderen door de niet thuiswonende ouder door te kijken naar de voor de rechtbank vastgelegde afspraken tussen de ex-echtgenoten.

Voor die perioden dat de kinderen bij de verzorgende -uitgevallen- ouder zijn kan er dan een indicatie voor opvang zijn. Als de zorgplicht door de niet-verzorgende ouder kennelijk niet wordt nagekomen, beschouwen we de situatie als een eenoudergezin.

2Huishoudelijke taken

Huishoudelijke taken: uitstelbaar en niet uitstelbaar

Onder huishoudelijke taken vallen zowel de uitstelbare als de niet-uitstelbare taken.

•Niet-uitstelbare taken zijn maaltijd verzorgen/opwarmen, de kinderen verzorgen, afwassen en opruimen;

•Uitstelbare taken zijn wasverzorging, zwaar huishoudelijk werk: stofzuigen, sanitair, keuken, bedden verschonen.

Bijdrage van kinderen en jong-volwassenen aan het huishouden

In geval de leefeenheid van de hulpvrager mede bestaat uit kinderen en jongvolwassenen, dan gaat de consulent ervan uit, dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken.

In geval de leefeenheid van de hulpvrager mede bestaat uit kinderen en jongvolwassenen, dan gaat de consulent ervan uit, dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken.

•Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding.

•Kinderen van 5 tot en met 12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, kleding in de wasmand gooien.

•Kinderen van 13 tot en met 17 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen.

Taken van een 18-23 jarige

Van een meerderjarige gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze een gedeelte van de huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt. Een 18-23 jarige wordt verondersteld de volgende taken uit te kunnen voeren:

•schoonhouden van sanitaire ruimte,

•keuken en een kamer,

•de was doen,

•boodschappen doen,

•maaltijd verzorgen,

•afwassen en opruimen.

Dit is genormeerd naar 2 uur uitstelbare, zware huishoudelijke taken en 3 uur lichte, niet uitstelbare huishoudelijke taken per week.

Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden veren en begeleiden. Vanaf 23 jaar wordt iemand geacht de huishoudelijke taken volledig over te nemen.

3Gebruikelijke hulp bij Begeleiding

Dit hoofdstuk heeft specifiek betrekking op het bepalen van gebruikelijke hulp bij Begeleiding (BG). De richtlijn is gebaseerd op de voormalige Beleidsregels indicatiestelling AWBZ van VWS. Vanuit het oogpunt van continuïteit worden deze beleidsregels nu opgenomen in voorliggende richtlijn. Voor zover het gebruikelijk is dat partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten elkaar bepaalde hulp bieden, is de cliënt niet aangewezen op gemeentelijke maatwerkondersteuning wat betreft de functie Begeleiding. Het hangt af van de sociale relatie welke hulp mensen elkaar moeten bieden. Hoe intiemer de relatie, des te meer hulp mensen elkaar horen te geven. Als het gebruikelijk is dat mensen in een bepaalde relatie elkaar hulp bieden, bijvoorbeeld ouders aan hun kinderen, is dat niet vrijblijvend met betrekking tot de aanspraak op gemeentelijke maatwerkondersteuning.

Hoofdregels gebruikelijke hulp BG

In langdurige situaties is de hulp waarvan kan worden gezegd dat deze op basis van algemeen aanvaarde maatstaven door de sociale omgeving (ouders, partners, volwassen inwonende kinderen en andere volwassen huisgenoten) aan de cliënt moet worden geboden gebruikelijke hulp.

Hieronder een schematische weergave van de hoofdregels gebruikelijke hulp. De inhoud van dit schema wordt in de rest van het hoofdstuk verder uitgeschreven.

Langdurige situatie

Partners onderling

-Gebruikelijke BG

Ouders aan kinderen

-Gebruikelijke PV

-Gebruikelijke BG

-Beschermende woonomgeving

Volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling

-Gebruikelijke BG

Afweging gebruikelijke en niet-gebruikelijke hulp

Bij gebruikelijke hulp wordt gekeken naar wat aan tijdsbesteding bij die activiteit bij een gezond persoon gebruikelijk is.

Van niet-gebruikelijke hulp is sprake wanneer mensen elkaar bij ziekte of handicap langdurig meer zorg bieden dan wat binnen de sociale relatie gewoon is.

Algemene uitzonderingen op het bieden van gebruikelijke hulp aan volwassenen en kinderen voor BG

Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis/vaardigheden mist om gebruikelijke begeleiding voor de cliënt uit te voeren en deze vaardigheden niet kan aanleren, wordt van hen geen bijdrage verwacht. De betreffende ondersteuning kan worden geïndiceerd. Geobjectiveerde beperkingen zijn beperkingen gerelateerd aan gezondheidsproblemen. De reden dat de gebruikelijke helper de vaardigheden niet kan aanleren, moet worden gemotiveerd.

1Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot overbelast is of dreigt te raken, wordt van hem geen gebruikelijke begeleiding verwacht, totdat deze dreigende overbelasting is opgeheven. Er kan in een dergelijke situatie in eerste instantie enkel een kortdurende indicatie worden afgegeven. Hierbij geldt het volgende:

a.Wanneer voor de partner, ouder, volwassen kind en/ of andere volwassen huisgenoot eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen moeten deze eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen hiertoe worden aangewend. Als er sprake is van (dreigende) overbelasting vanwege het zelf leveren van geïndiceerde ondersteuning/hulp moet men die overbelasting opheffen door deze ondersteuning/hulp door (andere) hulpverleners uit te laten voeren/in te kopen;

a.Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke begeleiding, wel of niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke begeleiding voor op die maatschappelijke activiteiten.

2Voor zover de cliënt zich in de terminale levensfase bevindt, wordt geen bijdrage verwacht van een partner, ouder, kind en/of andere huisgenoot.

Begeleiding

Als het gaat om een chronische situatie is de Begeleiding van een volwassen cliënt gebruikelijke hulp wanneer die Begeleiding naar algemeen aanvaarde maatstaven door partner, ouder, inwonend kind en/of andere huisgenoot in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar moet worden geboden. Het gaat hierbij in ieder geval om de volgende vormen van begeleiding aan een cliënt:

•Het geven van BG aan een cliënt op het terrein van de maatschappelijke participatie.

•Het begeleiden van cliënt bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts, enzovoort.

•Het bieden van hulp bij of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie. Dit kan worden overgenomen door een niet-beperkte huisgenoot wanneer die taak altijd door de nu beperkte cliënt werd uitgevoerd.

Aanleren aan derden

Het leren omgaan van derden (familie/vrienden) met de cliënt is gebruikelijke hulp.

Richtlijn bij (dreigende) overbelasting van partner, ouder, (volwassen) kind en/of andere huisgenoten

Algemeen

De hulp voor een ziek kind, ouder, een zieke partner, of huisgenoot kan zo zwaar worden dat van overbelasting sprake is. In de meeste gevallen is de niet-gebruikelijke hulp die geïndiceerd wordt voldoende om deze overbelasting te voorkomen. Maar soms blijkt deze geïndiceerde hulp niet voldoende te zijn. In zulke gevallen kan de gebruikelijke Begeleiding zo nodig geheel of gedeeltelijk geïndiceerd worden. Voor het bieden van een beschermende woonomgeving blijven ouders, ook bij overbelasting, zelf verantwoordelijk.

Beoordeling van overbelasting

Aan het indiceren van gebruikelijke hulp gaat het beoordelen van de overbelasting vooraf. Overbelasting wijst op een verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en draaglast waardoor fysieke en/of psychische klachten ontstaan. Tekort schieten van het ‘coping mechanisme’ kan er de oorzaak van zijn; emotionele labiliteit en slapeloosheid het gevolg. Naast de aard en ernst van de overbelasting wordt ook onderzocht of deze komt doordat er iets met de gebruikelijke helper zelf aan de hand is (draagkracht vermindering) en/of dat deze gevolg is van de ernst van de ziekte van het kind, ouder, de partner of huisgenoot (draaglast verhoging).

De vraag is of in individuele situaties van een uitzondering sprake is op grond waarvan toch gebruikelijke hulptaken moeten worden overgenomen. Eén van de redenen daarvoor kan zijn dat degenen van wie wordt verwacht dat zij taken overnemen, overbelast zijn (geraakt) en niet meer in staat zijn de gebruikelijke hulp te leveren. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de huisarts over het kind, de ouder, partner of huisgenoot helpen om een oordeel te vormen. Soms is het duidelijk dat de ouder, (volwassen) kind, partner of huisgenoot overbelast is, maar soms ook niet. Er bestaat niet één, simpel af te nemen test, die hierover direct uitsluitsel geeft. Wel gebruiken behandelaars en hulpverleners vragenlijsten waarmee overbelasting (mede) onderbouwd kan worden. Niet alleen de omvang van de zorgtaken, maar ook de leveringsvoorwaarde van de zorg zijn van invloed op de belastbaarheid van de gebruikelijke helper. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele zorgtaken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde zorgtaken waarbij continue aanwezigheid en alertheid van de gebruikelijke helper noodzakelijk is.

Klachten en symptomen die bij een aanpassingsstoornis (DSM-IV-TR) optreden, kunnen op overbelasting wijzen zonder dat van een stoornis in psychiatrische zin sprake hoeft te zijn. Het gaat om klachten en symptomen zoals:

•angst of gespannenheid: nervositeit, onrust, rusteloosheid, slecht slapen;

•depressie: hopeloosheid, huilbuien, somberheid;

•gedragsproblemen: negeren van normen en regels, onaangepast gedrag;

•gecombineerd emotioneel en gedragsgestoord: depressie en/of angst gecombineerd met een gedragsstoornis of onaangepast gedrag;

•lichamelijke klachten, verminderde prestaties of concentratieproblemen.

Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de hulp die iemand (aan partner, ouder of kind) biedt. Bij overbelasting door een dienstverband van teveel uren of als gevolg van spanningen op het werk, zal de oplossing in de eerste plaats gezocht moeten worden in minder uren gaan werken of aanpak van de spanningen op het werk. Steeds zal daarom moeten worden aangegeven dat, wanneer de overbelasting bijvoorbeeld door het herinrichten van het huiselijk leven en/of werk kan worden teruggedrongen, dit dan ook van een ouder, partner of huisgenoot wordt verwacht. Wanneer de geldigheidsduur van het besluit verlopen is en een herindicatie wordt aangevraagd, zal worden gekeken of en welke inspanningen zijn gedaan om de overbelasting terug te dringen.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.