2 Bodem in tijdelijk deel van het omgevingsplan
2.4 Gebiedsspecifieke toepassingseisen
2.4.1 Onderbouwing lokale normstelling
Voor een aantal zones binnen het beheergebied geldt dat indien het generieke kader wordt gevolgd, hergebruik van gebiedseigen grond niet mogelijk is. Door Lokale Maximale Waarden te definiëren wordt hergebruik van gebiedseigen grond wel mogelijk gemaakt. Onderstaand is voor de betreffende zones toegelicht welke overwegingen zijn gemaakt en wat de resulterende normstelling is.
Voor de zones “Buitengebied”, “Wonen”, “Industrie” en “Ondergrond” is het generieke kader van toepassing. Dit houdt in dat de actuele ontgravingskwaliteit en de functieklasse tezamen bepalen wat de toepassingseis is (strengste van de twee). Gezien de actuele kwaliteit in deze zones voldoet aan de Achtergrondwaarden, betreft de toepassingseis Landbouw/Natuur.
Lokale normstelling “Buitengebied Maasdal”
Uit de geactualiseerde bodemkwaliteitskaart blijkt dat de actuele bodemkwaliteit in de zone “Buitengebied Maasdal” de klasse Industrie betreft. De bodemfunctie Landbouw of Natuur is overwegend aanwezig binnen deze zone. Enerzijds is de wens om lokaal grondverzet mogelijk te maken. Anderzijds wordt gestreefd naar een verbeterde bodemkwaliteit van het gebied. Om deze reden is gekozen voor een lokale normstelling:
•In principe wordt het generieke kader gevolgd, waaruit blijkt dat de toepassingseis Landbouw/Natuur is.
•Voor gebiedseigen grond (d.w.z. afkomstig uit het beheergebied) geldt de toepassingseis Industrie.
Lokale normstelling bebouwde kommen Eijsden
In de voormalige bodemkwaliteitskaart van de voormalige gemeente Eijsden was onderscheid gemaakt tussen de bebouwde kommen en de overige delen van de gemeente. Dit hield verband met het verschil in verontreinigingsprofiel. Bij het doorrekenen van de nieuwe bodemkwaliteitskaart bleek dat de bodemkwaliteit van de “Dalkernen”, “Overige kernen” en “Eijsden - wonen na 1970 en industrie” overeenkomstig waren. Verder bleek uit de statistieken dat de bodemkwaliteit van “Eijsden kern na 1970” overeenkomstig was met die van “Eijsden wonen overig voor 1970”. De zones zijn derhalve samengevoegd tot respectievelijk zones “Oude bebouwing en kern na 1970 Eijsden” en “Eijsden kern voor 1970”.
Voor de ondergrond bleek dat de zones “Oude bebouwing voor 1970 Eijsden” en “Kern Eijsden na 1970” tevens een overeenkomstige bodemkwaliteit hadden. Deze zijn derhalve samengevoegd tot zone "Oude bebouwing en kern na 1970 Eijsden”. De ondergrondzone “Eijsden kern voor 1970” is onveranderd ten opzichte van de vorige bodemkwaliteitskaart.
Voor de beide nieuw gecreëerde bovengrond zones geldt het volgende: de actuele bodemkwaliteit voldoet niet aan de generieke Maximale Waarden voor de klasse Wonen. Dit heeft als gevolg dat de grond op basis van de bodemkwaliteitskaart niet herbruikbaar is binnen hetzelfde gebied. Derhalve moet uit een onderzoek (partijkeuring) blijken of een vrijkomende partij opnieuw toegepast kan worden binnen hetzelfde gebied (of een andere bestemming).
Binnen de zones “Oude bebouwing en kern na 1970 Eijsden” en “Eijsden kern voor 1970” is de toepassingseis voor gebiedseigen grond verruimd: voor de stof zink geldt de Maximale Waarde voor de functieklasse Industrie. Gezien de aanwezige bodemkwaliteit, zal door deze verruiming van de toepassingseis meer hergebruik van grond binnen dezelfde zone en binnen het beheergebied mogelijk zijn.
De verwachte kwaliteit van vrijkomende grond uit de bovengrondzone “Eijsden kern voor 1970” is niet gedefinieerd (uitgesloten) en ondergrondzone “Eijsden kern voor 1970” heeft de kwaliteitsklasse ‘niet toepasbaar’. Dit betekent dat de kwaliteit van de vrijkomende grond nooit kan worden bepaald aan de hand van de bodemkwaliteitskaart. Daarnaast is er sprake van sterke heterogeniteit in de boven- en ondergrondzone van “Oude bebouwing en kern na 1970 Eijsden”. Ook voor deze zone is daarom de bodemkwaliteitskaart onvoldoende bewijs van de kwaliteit van vrijkomende grond. Vrijkomende grond uit de genoemde zones moet daarom altijd worden onderzocht voordat deze opnieuw kan worden toegepast. Dit geldt ook in geval van toepassing binnen dezelfde zone.
2.4.2 Normstelling bodemlood locaties met gevoelig bodemgebruik
Risico’s van bodemlood
De schadelijkheid van lood in de bodem voor de gezondheid is al geruime tijd bekend. Echter, ook bij blootstelling aan lage concentraties, kan bodemlood al een beperkend effect hebben op de ontwikkeling van de hersenen van een kind. Vooral bij kinderen in de leeftijd van 0 tot 6 jaar kan dit op lange termijn leiden tot een verlies van enkele IQ (intelligentiequotiënt) -punten.
Dit inzicht geeft aanleiding om de blootstelling aan lood via de bodem te verminderen, met name blootstelling aan jonge kinderen. In het RIVM-rapport “Diffuse loodverontreiniging in de bodem”
(2015)
3Otte, P. F., et al. "Diffuse loodverontreiniging in de bodem: Advies voor een gemeenschappelijk beleidskader." (2016). RIVM-rapport 2015-0204, beschikbaar via https://www.rivm.nl/publicaties/diffuse-loodverontreiniging-in-bodem-advies-voor-gemeenschappelijk-beleidskader
worden gemeenten opgeroepen het bodembeheer op een dusdanige wijze in te richten, dat de kans wordt verkleind op blootstelling aan lood in de bodem.
Tabel 2.4: Risicowaarde voor lood in de bodem (mg/kg d.s .) op basis van ingeschat IQ-punten verlies
Gezondheidskundig Gezondheidskundig Gezondheidskundig
voldoende matige onvoldoende
bodemloodkwaliteit bodemloodkwaliteit bodemloodkwaliteit
Grote moestuin (> circa 200 m2)
< 60
60- 260
> 260
Wonen met tuin (kleine moestuin)
< 90
90- 370
> 370
Plaatsen waar kinderen spelen
< 100
100- 390
> 390
IQ-puntverlies door bodemlood
< 1 IQ-puntverlies
1-3 IQ-puntenverlies
>3 IQ-puntenverlies
Handelingsperspectieven voor plaatsen waar jonge kinderen (0-6 jaar) veel in contact komen met grond (gevoelig bodemgebruik: wonen met tuin, kinderspeelplekken, kinderdagverblijven e.d.)
•Goede ruimtelijke ordening: realiseer gevoelig bodemgebruik zoveel mogelijk op grond met een voldoende bodemlood-kwaliteit
•Brede communicatie over algemene gebruiksadviezen (folder, posters, website e.d.).
•Sanering bij herstructurering e.d.
•Bodemsanering
•Indien sanering niet haalbaar: specifieke, gerichte risicocommunicatie met bewoners en andere gebruikers van verontreinigde grond (brieven, informatiebijeenkomsten e.d.)
Naar aanleiding van het RIVM-rapport heeft de landelijke GGD-projectgroep bodem een gezondheidskundig advies opgesteld
4Landelijke GGD-projectgroep bodem “Toelichting Lood in bodem en gezondheid”, 18 april 2016.
. De bovenstaande tabel (tabel 2.4) is hieruit afkomstig en geeft het ingeschatte IQ-punten verlies in verhouding met de concentratie lood in de bodem aan. De deelnemende gemeenten willen hun jonge inwoners aanvullend beschermen tegen schadelijke gevolgen van bodemlood. Daarom volgen de deelnemende gemeenten het advies van het RIVM en de GGD op. Op locaties waar verwacht wordt dat kinderen in aanraking komen met de bodem, wordt een afwijkende normstelling, een lokale maximale waarde (LMW) voor lood in toe te passen grond gehanteerd op basis van de risicowaardes. Door strengere toepassingsnormen te hanteren, wordt de bodemloodconcentratie in de loop van de tijd lager. Hierdoor neemt op den duur het blootstellingsrisico af.
De deelnemende gemeenten kiezen ervoor om, in het kader van het beschermen van de volksgezondheid, de toepassingseisen voor de stof lood aan te scherpen. De motivatie en de praktische uitwerking hiervan zijn in de volgende paragrafen uitwerkt.
Het is de verwachting dat met name in gebieden met de functie ‘Wonen’, (jonge) kinderen in contact kunnen komen met de bodem. Blootstelling aan bodemlood vindt met name plaats door lood in de contactzone (tot 50 cm -mv., zie ook verderop). Om deze reden wordt de toepassingseis voor bodemlood in toe te passen grond in het bodemfunctiegebied ‘Wonen’, in de contactzone aangescherpt. Volgens het generieke beleid kan binnen een zone met bodemfunctie ‘Wonen’, grond met de maximale kwaliteitsklasse ‘Wonen’ worden toegepast. Hieraan wordt de uitzonderingsregel toegevoegd voor lood: een partij grond die binnen een zone met functieklasse ‘Wonen’ wordt toegepast in de contactzone, mag een maximaal gemeten gehalte aan lood bevatten van 90 mg/kg d.s. (ongecorrigeerd).
De contactzone
Als contactzone wordt het traject van 0,0 tot 0,5 meter onder maaiveld gehanteerd. Wanneer er geen contact met de bovengrond mogelijk is door een gesloten bovenafdichting, is er ook geen sprake van een contactzone. Onder gesloten bovenafdichtingen worden verstaan:
•Een aaneengesloten verharding (asfalt, beton) inclusief doorgroeitegels en speeltuintegels;
•Een half-verharding van ten minste 20 cm dikte;
•Kunstgras met een funderingsmateriaal (van grond of bouwstof).
Andere vormen van bodembedekking die niet in bovenstaande opsomming zijn genoemd, denk hierbij aan grind, gras of boomschors, verminderen het risico op contact met de grond in de contactzone, maar worden niet beschouwd als een gesloten bovenafdichting.
Toetsing aan de toepassingseis en de bodemtypecorrectie
Wanneer grond wordt toegepast binnen gebieden met bodemfunctie ‘Wonen’, dient de kwaliteit van de toe te passen partij bekend te zijn. Hiertoe heeft de initiatiefnemer verschillende mogelijkheden, zie ook hoofdstuk 4.10. Het bewijs van de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de toe te passen partij, wordt zoals gebruikelijk is bij de melding grondverzet gevoegd.
In het geval de kwaliteit van de toe te passen partij voldoet aan de achtergrondwaarden, kan er zonder aanvullende toetsing worden toegepast. In het geval de kwaliteit níet voldoet aan de achtergrondwaarden, dient, vóórdat de partij mag worden toegepast, door het bevoegd gezag te worden getoetst dat de loodconcentratie 90 mg/kg d.s. niet wordt overschreden. Indien de maximale bodemloodconcentratie wordt overschreden, kan de partij niet in de contactzone binnen de bodemfunctie ‘Wonen’ worden toegepast (toepassen onder een gesloten afdeklaag blijft overigens wel mogelijk).
N.B.: De toetsing aan de bodemloodconcentratie dient plaats te vinden aan de hand van de gemeten loodconcentratie en niet de gecorrigeerde waarde naar standaardbodem op basis van het humus- en lutumgehalten.
Gebruik van de bodemkwaliteitskaart bij grondverzet
Een partij toepassen binnen de bodemfunctiezone ‘Wonen’ is tevens mogelijk op basis van de bodemkwaliteitskaart van de regio. Hier zijn wel de volgende voorwaarden aan verbonden:
•De toe te passen partij is afkomstig uit een zone met de ontgravingskwaliteit Achtergrondwaarde - Landbouw/natuur;
•De bodemkwaliteitskaart is erkend door de gemeente waar de toepassing plaatsvindt;
•Uit het historisch bodemonderzoek conform NEN 5725 blijken geen verdachtmakingen.
Indien de partij niet aan alle bovengenoemde eisen voldoet, is aanvullend bewijs voor het gehalte lood noodzakelijk. Het bovenstaande geldt tevens in het geval partijen binnen de bodemfunctie ‘Wonen’ worden verplaatst. In alle gevallen waarin niet wordt aangetoond dat de partij de bodemkwaliteit achtergrondwaarden heeft, toetst het bevoegd gezag of de LMW voor lood (90 mg/kg d.s.) niet wordt overschreden.
Toepassingseis voor toepassingen in bodemfunctieklasse ‘Wonen’
Voor toepassingen binnen de bodemfunctieklasse ‘Wonen’ binnen het beheergebied geldt de volgende toepassingseis:
•Een partij die binnen een zone met functieklasse ‘Wonen’ wordt toegepast in de contactzone, mag een maximaal gemeten gehalte aan lood bevatten van 90 mg/kg d.s. (ongecorrigeerd).
Het bovenstaande beleid is nieuw voor alle deelnemende gemeenten.
2.4.3 Normstelling aangewezen wegen en wegbermen
Aanleiding
De deelnemende gemeenten willen duurzaam en efficiënt omgaan met de grondstromen van wegen en wegbermen van grote doorgaande wegen. Immers: de intensiteit van het gebruik van de weg bepaalt de verontreinigende uitstoot naar de directe omgeving. De deelnemende gemeenten hebben gekozen voor lokaal beleid waarbij grondverzet tussen rijkswegen, provinciale wegen en spoorwegen en de bijbehorende bermen wordt vergemakkelijkt. De deelnemende gemeenten hebben voor de wegen en wegbermen van doorgaande wegen en spoorwegen bepaald hoe van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor de milieuverklaring bodemkwaliteit gebruik gemaakt kan worden.
Kortweg houdt het beleid in dat:
•Aangewezen wegen en wegbermen apart worden gezoneerd en krijgen de functie industrie toegewezen;
•De wegen en wegbermen van de aangewezen wegen krijgen voor de bovengrond (traject 0,0-0,5 m -mv.) de ontgravingskwaliteitskwaliteit industrie krijgen toegewezen.
De aangewezen wegen en bijbehorende wegbermen zijn: doorgaande wegen en spoorwegen. Met doorgaande wegen wordt bedoeld: wegen met een snelheidslimiet van minimaal 80 km/u.
Met de bovenstaande uitgangspunten is het mogelijk om grond die uit wegen en wegbermen, doorgaande wegen en spoorwegen vrijkomt, ook weer binnen dergelijke wegen en wegbermen toe te passen op basis van de bodemkwaliteitskaart. Hieraan worden de volgende voorwaarden gesteld:
•De vrijkomende grond (bovengrond (traject 0,0 - 0,5 m -mv.)) kan binnen het beheergebied van de deelnemende gemeenten uitsluitend in dezelfde toepassingszone (industrie) worden toegepast. In de praktijk betekent dit dat er voornamelijk ter plaatse van andere wegen en bermen van wegen met een snelheidslimiet van minimaal 80 km/u en spoorwegen kan worden toegepast;
•Uit het vooronderzoek conform de NEN 5725 blijkt geen aanleiding tot verdachtmaking van de partij, anders dan de afspoeling van de weg.
Aan overige wegen en wegbermen die niet hierboven zijn genoemd, wordt geen afwijkend beleid toegewezen. Uitgangspunt hierbij is de verwachting dat de kwaliteit van de overige bermen overeenkomen met de kwaliteit van het omringende gebied. Vrijkomende partijen uit overige bermen zijn toepasbaar conform het generieke beleid, op basis van de bodemkwaliteitskaart en in combinatie met de regels zoals zijn opgenomen in deze Nota.
Met de bovenstaande uitgangspunten is het mogelijk om grond uit aangewezen wegen en wegbermen, weer binnen dergelijke wegen en wegbermen toe te passen op basis van de bodemkwaliteitskaart. Hieraan worden wel een aantal voorwaarden gesteld zoals dat er uitsluitend bermgrond afkomstig uit het beheergebied mag worden hergebruikt en dat er altijd een vooronderzoek overeenkomstig de NEN 5725 vereist is.
Naast weg- of bermgrond kunnen overige partijen die voldoen aan de kwaliteitsklasse industrie worden toegepast ter plaatse van wegen en wegbermen van wegen met een snelheidslimiet van minimaal 80 km/u en spoorwegen. Vrijkomende grond kan altijd conform het Besluit bodemkwaliteit worden hergebruikt binnen het project/op locatie.
Het bovenstaande beleid is nieuw voor alle deelnemende gemeenten.
2.4.4 Normstelling PFAS beheergebied
Inleiding
PFAS is een verzamelnaam van gefluoreerde koolwaterstoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. PFAS is sinds de jaren ’50 in Nederland veel gebruikt in diverse industriële toepassingen als blusschuim, coatings (o.a. teflon), verf, kleding en cosmetica. Het heeft de eigenschappen persistent, mobiel en niet tot nauwelijks biologisch afbreekbaar te zijn. Regionaal en landelijk wordt steeds meer kennis en inzicht verkregen over PFAS en de onderliggende perfluoralkyl-verbindingen. Zo staan PFOS (perfluoroctaansulfonzuur), PFOA (perfluoroctaanzuur) en GenX op de lijst van Zeer Zorgwekkend stoffen (ZZS). Een aantal andere stoffen uit de PFAS-groep staat op de lijst van potentiële ZZS.
PFAS is niet opgenomen in bestaande regelgeving, aangezien de stof “nieuw” is ten aanzien van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. In juli van 2019 is door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een ‘Tijdelijk Handelingskader PFAS’ uitgebracht, waarna verschillende actualisaties zijn gepubliceerd. In de handelingskaders zijn de kaders aangegeven om hergebruik van PFAS-houdende grond te stimuleren en tegelijkertijd voldaan wordt aan zorgplicht. Tot op heden zijn de volgende handelingskaders gepubliceerd:
•‘Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’, 8 juli 2019;
•Geactualiseerde versie ‘Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’, 29 november 2019;
•Geactualiseerde versie ‘Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’, 2 juli 2020;
•Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, 13 december 2021.
Het doel van de bodemkwaliteitskaart PFAS
5Rapport bodemkwaliteitskaart PFAS Heuvelland, projectnummer 0472570.100, versie D1, d.d. 2 december 2022, door Antea Group
en bijbehorend beleid (toepassingseisen) is om het grondverzet binnen het beheergebied van de deelnemende gemeenten te vereenvoudigen voor wat betreft de stofgroep PFAS. Voor het toepassen van grond of baggerspeicie dient naast de toetsing op PFAS, separaat getoetst te worden aan de lokaal vastgestelde reguliere bodemkwaliteitskaart.
Achtergrondwaarden PFAS
Uit het rapport van de bodemkwaliteitskaart PFAS blijkt dat alle gemeten waarden (P80) van PFOS, PFOA en de overige PFAS lager zijn dan de normen voor de klasse Landbouw/Natuur uit het Handelingskader van december 2021. Hierbij is onderscheid gemaakt in bovengrond (0-0,5 m -maaiveld) en ondergrond (0,5-2,5 m -maaiveld), zie tabel 2.5.
Tabel 2.5: Berekende ontgravingskwaliteit op basis van de P80 PFAS in de bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) en ondergrond (0,5 - 2,5 m-mv) in µg/kg d.s .
Zonenaam
PFOS (som)
PFOA (som)
Overige PFAS
Bovengrond
0,581
0,71
0,121
Ondergrond
0,41
0,31
0,11
1Voldoet aan de maximale waarde voor landbouw/natuur uit het Handelingskader PFAS (dec 2021)
Uit de vergelijking van bovenstaande tabel met de maximale waarden voor de klasse Landbouw/ Natuur uit het Handelingskader PFAS, blijkt dat bij de berekende P80-waarden voor zowel de boven- als ondergrond voldoen aan de categorie Landbouw/ Natuur.
De deelnemende gemeenten aan de PFAS Bodemkwaliteitskaart hanteren derhalve de maximaal geldende toepassingsnorm voor de klasse Landbouw/Natuur als maximale toepassingskwaliteit voor PFAS-houdende grond, naar aanleiding van de oproep van de minister voor milieu en wonen. In de kamerbrief van 29 november 2019 (IenW/BSK-2019/251123, laatste alinea pagina 2) roept de Minister van Milieu en Wonen, gemeenten op om de landelijke achtergrondwaarden als minimum waarden te hanteren, ook als lokaal lagere waarden zijn gemeten. Dit is ook benoemd in het Model Beleid toepassen PFAS houdende grond en baggerspecie voor gemeenten (kenmerk 1248710-044 C04).
Lokale Maximale Waarden PFAS
Aangezien de berekende P80-waarden lager zijn dan de landelijke maximale toepassingswaarden voor de klasse Landbouw/Natuur, hebben de samenwerkende gemeenten ervoor gekozen om aan te sluiten bij de normen voor Landbouw/Natuur uit het vigerende landelijke beleid (Handelingskader PFAS, dan wel Regeling bodemkwaliteit) zolang deze een verruiming bieden ten opzichte van de berekende achtergrondwaarden in de regio.
In tabel 2.6 zijn de huidig geldende toepassingsnormen uit het Handelingskader PFAS (versie december 2021) aangegeven. Indien op een later tijdstip nog nieuwe toepassingsnormen worden gepubliceerd welke boven de berekende achtergrondwaarden liggen, dan wel in een nieuw Handelingskader PFAS, dan wel als onderdeel van het generieke bodembeleid vanuit het rijk, worden deze toepassingsnormen gehanteerd.
Tabel 2.6: Maximale toepassingsnormen voor PFAS in de bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) en ondergrond (0,5 - 2,5 m-mv) in µg/kg d.s .
Zone
PFOS (som)
PFOA (som)
Overige PFAS
Bovengrond
1,4
1,9
1,4
Ondergrond
1,4
1,9
1,4
Grondwaterbeschermingsgebied
0,1*
0,1*
0,1*
* Toepasbaar als de kwaliteit gelijk is aan de gebiedskwaliteit of voldoet aan de eisen van (toekomstig) provinciaal beleid.
Met het oog op het beschermen van de drinkwaterkwaliteit gelden binnen grondwaterbeschermingsgebieden afwijkende normen, zoals weergegeven in tabel 2.1. Hiertoe dient de vigerende provinciale milieuverordening dan wel omgevingsverordening van de provincie Limburg gehanteerd te worden.
Het bovenstaande beleid is nieuw voor alle deelnemende gemeenten.
3 Beleidsregels bodem
3.2 Faciliteren particuliere, kleinschalige ontgravingen in kernen Eijsden
3.2.1 Uitzondering particuliere ontgravingen Eijsden tot en met 25 m3 onder het huidige stelsel
Bij projectmatige ontgravingen en ontgravingen groter dan 25 m3 dient onder het huidige stelsel het spoor van de Wet bodembescherming gevolgd te worden. Voor kleinschalige ontgravingen tot en met 25 m3 worden de regels vereenvoudigd, aan de hand van de volgende uitgangspunten:
-Uitzondering geldt uitsluitend voor de kleinschalige ontgravingen;
-De onderzoeksverplichtingen gelden voor de boven- en/of ondergrondzones “Oude bebouwing en kern na 1970 Eijsden” en “Eijsden kern voor 1970”;
-Het minimale onderzoeksplichtig (ten aanzien van de Wbb of Bbk) graafvolume is 25 m3. Vanuit de ARBO kan echter onderzoek verplicht worden gesteld bij kleinere graafvolumes;
-De kenbaarheid in het kader van de Wkpb/BRK-PB is verankerd in de meldingsprocedure.
Beleidsregel uitzondering particuliere ontgravingen Eijsden tot en met 25 m3 onder het huidigestelsel
Na inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt de onderstaande beleidsregel. De gemeente staat toe dat indien aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan, de procedure voor kleinschalig graven in de bodem door particulieren wordt versoepeld:
-De werkzaamheden vinden plaats in de boven- en/of ondergrondzones “Oude bebouwing en kern na 1970 Eijsden” en “Eijsden kern voor 1970”;
-Er is geen sprake van een saneringsdoel;
-Bij de ontgraving komt niet meer dan 25 m3 grond vrij;
-Er dient minimaal vijf dagen voor aanvang van de graafwerkzaamheden bij de gemeente een melding ingediend te worden. Hierbij dient gebruik te worden gemaakt van het in bijlage 7 opgenomen meldingsformulier;
-Bij de melding wordt aangegeven:
○ De locatie waar de grond vrijkomt;
○ Wanneer de ontgraving gaat plaatsvinden;
○ Hoeveel grond ontgraven wordt;
○ Of de grond op de locatie wordt herschikt dan wel naar welke erkende verwerker de grond wordt afgevoerd;
-Een bewijs van afvoer (begeleidingsbrief of afvoerbonnen) wordt uiterlijk twee weken na afvoer aan de gemeente overlegd te worden.
Indien aan de bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, wordt de procedure als volgt versoepeld:
-Vrijstelling voor de verplichting van milieukundige begeleiding, analoog aan de randvoorwaarden voor BUS “Tijdelijk uitplaatsen”;
-Vrijstelling voor de aannemer voor wat betreft de certificering BRL7000;
-Vrijstelling van aanleveren van een voorafgaand bodemonderzoek.
Een keer per jaar wordt door de gemeente een evaluatieverslag opgesteld voor de provincie Limburg waarin alle gegevens van de particuliere projectmatige ontgravingen vermeld staan. Indien de burgers gebruik willen maken van de regeling voor particuliere projectmatige ontgravingen tot en met 25m3, zijn zij verplicht middels het als bijlage 7 toegevoegde meldingsformulier grondverzet te melden.
Het bovenstaande is reeds bestaand beleid in de gemeente Eijsden-Margraten en is niet van toepassing op de overige deelnemende gemeenten.
3.2.2 Uitzondering particuliere ontgravingen Eijsden tot en met 25 m3 onder de Omgevingswet
Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen bij projectmatige ontgravingen en ontgravingen groter dan 25m3 de algemene regels van de Omgevingswet gevolgd te worden:
-Bij grondverzet vanaf 25 m3 gelden de algemene regels voor de milieubelastende activiteit “Graven in bodem met een kwaliteit boven interventiewaarde”
○ Melding en/of het aanleveren van gegevens en bescheiden voorafgaand aan de activiteit en informatieplicht na afloop, zie ook paragraaf 4.120 Bal.
-Voor grondverzet met een omvang van 25 m3 of minder gelden geen algemene rijksregels, maar kunnen wel decentrale regels gelden (omgevingsplan gemeente).
○ Nieuwe decentrale regels in het omgevingsplan
○ Bruidsschatregels
Bruidsschatregels zijn regels in aanvulling op de rijksregels in het Bal. Deze regels worden van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan van de gemeente. In aanvulling op de rijksregel over de activiteit Graven in bodem met een kwaliteit boven interventiewaarde, bevat de bruidsschat (onder meer) aanvullende regels bij graven in de landbodem in een omvang die kleiner is dan 25 m3 en waarbij uit een bodemkwaliteitskaart blijkt dat de grond diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (zie paragraaf 22.3.7.2 van “Bruidsschat Omgevingsplan Artikelen”.
Een dergelijke diffuse verontreiniging doet zich ook voor in de ondergrondzone “Eijsden kern voor 1970”. Bij kleinschalig graven (tot en met 25 m3) in de genoemde zone zijn derhalve de algemene regels uit de bruidsschat van toepassing, tenzij de gemeente de bruidsschatregels niet of gewijzigd overneemt in het Omgevingsplan. De betreffende bruidsschatregels (paragraaf 22.3.7.2 van de Bruidsschat) houden het volgende in:
-Informatieplicht uiterlijk één week voorafgaande aan het werk;
-Vrijgekomen materiaal wordt niet langer dan acht weken na afronding van het werk opgeslagen op/nabij de werklocatie;
-Uitsluitend verplichting tot milieukundige begeleiding (cf. BRL SIKB 6000) indien er op de locatie sprake is van een afdeklaag.
Omdat de bovenstaande bruidsschatregel voor de omgang met kleinschalige ontgravingen ter plaatse van diffuse verontreinigingen grotendeels overeenkomt met het bestaande lokale beleid onder het huidige stelsel, worden er vooralsnog geen wijzigingen aangebracht aan de algemene regels na inwerkingtreding van de Omgevingswet. Indien de gemeente de bruidsschatregel niet actief aanpast of laat vallen, wordt de regel van rechtswege onderdeel van het omgevingsplan en daarmee van kracht bij inwerkingtreding van de Omgevingswet.
3.5 Gebruik bodemkwaliteitskaart in het ruimtelijke spoor
3.5.1 Bodem in de omgevingsvergunning en het bestemmingsplan
Een bestemmingsplan bevat altijd een paragraaf over de bodemkwaliteit. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 3.1.6 lid 5c van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit artikel staat een verwijzing naar artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht. Hierin is geregeld dat het gemeentebestuur bij haar besluitvorming de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart. Hierin is geen rechtstreekse verplichting opgenomen voor het uitvoeren van bodemonderzoek of bodemsanering. De gemeente heeft daarmee onder het huidige stelsel de mogelijkheid om te beoordelen in welke gevalleen een uitgebreid of beperkt onderzoek wordt geëist.
Eenzelfde keuzevrijheid heeft de gemeente in het kader van de omgevingsvergunning. Het is niet altijd wenselijk om een bodemonderzoek te verlangen, omdat dit mogelijk een onnodige kostenpost bij het bouwen met zich meebrengt. In de bouwverordening van de gemeente legt de gemeente vast voor welke situaties en onder welke voorwaarden een vrijstelling kan worden verleend.
In het schema op de volgende pagina is aangegeven wanneer en op welke wijze de bodemkwaliteitskaart kan worden ingezet voor een aanvraag omgevingsvergunning bouwen of een aanpassing van het bestemmingsplan.
Beleidsregel bodem in de omgevingsvergunning en het bestemmingsplan
Na inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt de onderstaande beleidsregel.
De deelnemende gemeenten staan toe dat dat de bodemkwaliteitskaart in combinatie met een vooronderzoek conform NEN 5725 als bewijsmiddel mag dienen voor een bodemgeschiktheid voor een omgevingsvergunning voor bouwen en/of een bestemmingsplanwijziging. Indien uit het vooronderzoek blijkt dat sprake is van een verdachte locatie, met beïnvloeding van een lokale puntbron, kan de kaart niet als bewijsmiddel worden toegepast.
NB: uit bovenstaande beleidsregel volgt automatisch dat voor uitgesloten locaties en locaties waarvan is aangetoond dat deze sterk verontreinigd zijn of wegens heterogeniteit verdacht op verontreiniging zijn, de bodemkwaliteitskaart niet bruikbaar is als bewijsmiddel. Het gaat hierbij expliciet om de boven- en ondergrondzones van “Oude bebouwing en kern na 1970 Eijsden” en “Eijsden kern voor 1970”. Voor bodemroerende activiteiten in deze zones dient altijd een verkennend bodemonderzoek, dan wel aangevuld met asbestonderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de kwaliteit.
Dit is bestaand beleid in de gemeenten Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals en Valkenburg aan de Geul en is nieuw voor de gemeente Voerendaal.
3.5.2 Bodem in het Omgevingsplan i.h.k.v. bouwen, ruimtelijke ordening en milieu
Onder de OW verandert de systematiek: de gemeente voert een toets uit of een activiteit of functie wordt toegelaten in het gemeentelijke omgevingsplan. De gemeente maakt de afweging aan de hand van:
-Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet);
-Instructieregels vanuit het Rijk (afdeling 5.1 Bkl)
-Instructieregels vanuit de provincie (omgevingsverordening)
Specifiek voor ‘bouwen op verontreinigde bodem’ wordt verwezen naar de bruidsschatregels die van rechtswege in het tijdelijke deel van het omgevingsplan terechtkomen (artikelen 22.29, 22.30 en 22.31 van “Bruidsschat Omgevingsplan Artikelen”).
Beleidsregel bodem in het Omgevingsplan in het kader van bouwen, ruimtelijke ordening of milieu Nainwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de volgende beleidsregel:
De deelnemende gemeenten staan toe dat dat de bodemkwaliteitskaart in combinatie met een vooronderzoek conform NEN 5725 als bewijsmiddel mag dienen voor een bodemgeschiktheid voor een wijziging van het Omgevingsplan in het kader van bouwen, ruimtelijke ordening en milieu. Indien uit het vooronderzoek blijkt dat sprake is van een verdachte locatie, met beïnvloeding van een lokale puntbron, kan de kaart niet als bewijsmiddel worden toegepast.
NB: uit bovenstaande beleidsregel volgt automatisch dat voor uitgesloten locaties en locaties waarvan is aangetoond dat deze sterk verontreinigd zijn of wegens heterogeniteit verdacht op verontreiniging zijn, de bodemkwaliteitskaart niet bruikbaar is als bewijsmiddel. Het gaat hierbij expliciet om de boven- en ondergrondzones van “Oude bebouwing en kern na 1970 Eijsden” en “Eijsden kern voor 1970”. Voor bodemroerende activiteiten in deze zones dient altijd een verkennend bodemonderzoek, dan wel aangevuld met asbestonderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de kwaliteit.
De bovenstaande regel is een voortzetting van het bestaande beleid onder het oude wettelijke stelsel voor de gemeenten Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Valkenburg aan de Geul en Vaals en is nieuw voor de gemeente Voerendaal.
4 Wet- en regelgeving
4.1 Huidige generieke kader
4.1.1 Wet bodembescherming
Hoe in Nederland de bodem en het grondwater beschermd wordt, is beschreven in de Wet bodembescherming (Wbb). Zo is in de Wbb beschreven wanneer en hoe sanering van (ernstig) verontreinigde bodem en grondwater dient te worden verricht of wanneer bijvoorbeeld voor beheer van de verontreiniging moet worden gekozen. Ook lozingen in of op de bodem kunnen op grond van de Wbb worden gereguleerd. De waterbodemregelgeving die voorheen was opgenomen in de Wbb is overgegaan naar de Waterwet.
Essentieel onderdeel van de bodembescherming in Nederland is de zorgplicht, welke is beschreven in artikel 13 van de Wbb. Deze bepaling verplicht ieder die handelingen uitvoert die effect kunnen hebben op de bodem, om ervoor te zorgen dat door die handelingen de bodem niet verontreinigd raakt. Indien er een verontreiniging is ontstaan, dient de veroorzaker op grond van deze zorgplicht de verontreiniging voor zo ver als redelijkerwijs mogelijk is, ongedaan te maken.
Gedeputeerde Staten zijn conform de Wbb bevoegd gezag voor alle nieuwe gevallen van bodemverontreiniging. In het geval de verontreiniging vóór 1987 is ontstaan, is het bevoegd gezag afhankelijk van de omvang van de verontreiniging. Tot 25 m3 grond/100 m3 grondwater niet-ernstige bodemverontreiniging is de betreffende gemeente het bevoegd gezag. Bij verontreinigingen met een grotere omvang, is de provincie het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag bij nieuwe bodemverontreinigingen binnen een inrichting is vaak het bevoegd gezag Wet milieubeheer. Zie voor meer informatie Bodemplus.nl
8https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/wbb/vragen/wbb-algemeen/faq/bevoegd-gezag/
.
De noodzaak voor sanering en de aard van de te nemen saneringsmaatregelen wordt bepaald door de spoedeisendheid. Of een verontreiniging als spoedeisend wordt beschouwd, is afhankelijk van de humane, ecologische en verspreidingsrisico's. Een groot deel van de saneringen handelt de provincie af via het Besluit Uniform Saneren (BUS) waarbij volstaan kan worden met een melding voorafgaand aan de sanering. De grotere en meer gecompliceerde gevallen lopen via het Wbb-spoor waarvoor een saneringsplan moet worden opgesteld.
De Wet bodembescherming is daarnaast de grondslag voor een aantal besluiten en bepalingen die inhaken op het gebruik van de bodem. Voorbeeld hiervan is het voorgenoemde Besluit Uniform Saneren in het geval er sprake is van verontreinigingen in de bodem. Voor het hergebruik van (licht) verontreinigde grond en baggerspecie en voor hergebruik van bouwstoffen is het Besluit bodemkwaliteit in 2008 in werking getreden. Dit besluit wordt in navolgende paragraaf verder toegelicht.
4.1.2 Besluit bodemkwaliteit
In juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden voor het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen. Uitgangspunt bij het toepassen van partijen grond en baggerspecie is dat deze definitief onderdeel gaan uitmaken van de bodem (een zogenoemde bodemtoepassing). Er wordt ook wel gesproken over het 'beheer van grondstromen', oftewel het op die plaats toepassen van grond (of baggerspecie) waar dit geen risico's oplevert voor enerzijds de actuele bodemkwaliteit ter plaatse (standstill-principe) en anderzijds de functie die de bodem heeft.
Met de actuele bodemkwaliteit wordt de diffuse bodemkwaliteit bedoeld, ook wel achtergrondkwaliteit. Deze diffuse bodemkwaliteit is kenmerkend voor een bepaald gebied en is niet gerelateerd aan een specifieke en herkenbare bron zoals in het geval van puntverontreinigingen. Voor deze laatste vorm van verontreinigingen is het saneringsbeleid van kracht (Wet bodembescherming voor de landbodem en de Waterwet voor de waterbodem) tot het inwerking treden van de Omgevingswet.
Bij het (opnieuw) toepassen van bouwstoffen is het Bbk met name gericht op het voorkomen van een nieuwe bodemverontreiniging.
In figuur 4.1 is de positie van het Besluit bodemkwaliteit binnen het bodembeleid aangegeven.
Figuur 4.1: Positie van het Besluit bodemkwaliteit binnen het bodembeleid
Relatie met saneringsbeleid
In figuur 4.1 is aangegeven dat het Bbk niet van toepassing is op het saneren van bodemverontreinigingen. Dit is immers geregeld in de Wet bodembescherming. Echter, wanneer wordt gekozen voor functiegericht saneren, heeft het saneringsbeleid wél een koppeling met het Besluit bodemkwaliteit. De in de bodemkwaliteitskaart bepaalde toepassingskaart bepaalt namelijk de concentratie tot waar minimaal dient te worden gesaneerd (de terugsaneerwaarde). Het gaat hierbij om de maximale waarden voor de functieklasse landbouw/natuur, wonen of industrie. Indien door de gemeente Lokale Maximale Waarden zijn vastgesteld, gelden deze als terugsaneerwaarde.
4.2 Toekomstige generieke kader
4.2.1 Intrekken Wet bodembescherming
Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de Wet bodembescherming ingetrokken. Voor sommige locaties is sprake van overgangsrecht, waarbij de Wet bodembescherming nog wel van toepassing blijft.
Het aanvullingsspoor bodem voegt het thema bodem en ondergrond toe aan de Omgevingswet. Het aanvullingsspoor bodem zorgt ervoor dat bodem en ondergrond een integraal onderdeel worden van de Omgevingswet en heeft 3 pijlers:
a.Preventie: het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting.
b.Toedeling van functies: het meewegen van bodemkwaliteit als het gaat om de kwaliteit van de leefomgeving, in relatie tot het gebruik hiervan.
c.Beheer historische verontreinigingen: het op een duurzame en doelmatige manier beheren van historische verontreinigingen.
Elke pijler gebruikt instrumenten uit de Omgevingswet. De nieuwe regels komen in de plaats van de bestaande regels voor het beheer van de bodemkwaliteit. Zoals de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit uniforme saneringen (BUS).
Pijler 1: Preventie
Het niveau van zorgplicht wijzigt niet met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Wel is de zorgplicht op een andere manier ingericht. Namelijk, na inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de algemene zorgplicht uit artikel 1.7 van de Omgevingswet en de specifieke zorgplicht uit artikel 2.11 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) voor milieubelastende activiteiten. Deze zorgplichtbepalingen zijn van toepassing op situaties waarbij bodemverontreiniging na inwerkingtreding van de Omgevingswet is ontstaan. Artikel 13 Wet bodembescherming blijft van toepassing op situaties die tussen 1 januari 1987 en de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn veroorzaakt. Gemeentelijke overheden mogen in het gemeentelijk omgevingsplan aanvullende zorgplichten opnemen.
De specifieke zorgplicht stelt de ondernemer verantwoordelijk voor het voorkomen van bodemverontreiniging. En de specifieke zorgplicht vervangt regels die vanzelfsprekend zijn voor een goede bedrijfsvoering. De specifieke zorgplicht beperkt zich niet tot de voorschriften die in artikel 2.11 van het Bal zijn genoemd, maar is een open norm. Meer informatie over wat onder de specifieke zorgplicht valt, is te vinden via de betreffende pagina op iplo.nl
9https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/toelichting-milieubelastende-activiteiten/rijksregels-mba/specifieke-zorgplicht-milieubelastende-activiteit/bronnen-handhavers-specifieke-zorgplicht/
.
Verontreiniging of aantasting van de bodem kan ook ontstaan door een ongewoon voorval (calamiteit). Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet veranderen de betrokken regels inhoudelijk niet. Onder de Wet bodembescherming was dit geregeld in artikel 30 van de Wet bodembescherming. In de Omgevingswet komen deze regels terug in hoofdstuk 19 van de Omgevingswet. Wel is het mogelijk dat met de inwerkingtreding van de Omgevingswet het bevoegd gezag is gewijzigd.
Pijler 2: Toedeling van functies
De tweede pijler gaat over bodemkwaliteit als onderdeel van de afweging van alle aspecten van de fysieke leefomgeving. Deze afweging is onder andere nodig bij de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Regels over het meenemen van bodemkwaliteit in de afweging worden via het aanvullingsbesluit bodem opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het Bkl staan instructieregels voor het bouwen van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties. Eventuele andere regels over het meenemen van de bodemkwaliteit in afwegingen met betrekking tot de fysieke leefomgeving worden door de gemeente opgesteld en vastgelegd in het omgevingsplan.
Pijler 3: Beheer van historische verontreinigingen
Ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen er nog locaties ontdekt worden waar historische bodemverontreiniging aanwezig is en waar de veroorzaker vaak niet meer bekend is. Bestaande regelingen uit de Wet bodembescherming zullen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet meer gelden. In de Omgevingswet is een bepaling over "toevalsvondsten" (afdeling 19.2 van de Omgevingswet) opgenomen. Het gaat hier om (voor de gezondheid) risicovolle situaties. De toevalsvondst-regeling houdt geen saneringsplicht in en ook het toetsingskader is aanzienlijk beperkter dan de Wet bodembescherming. Voortaan dient de gemeente in de omgevingsvisie en in het omgevingsplan of het omgevingsprogramma aan te geven welke eisen worden gesteld aan de bodemkwaliteit binnen de gemeentegrenzen. De wijze waarop met historische verontreinigingen wordt omgegaan, is bepaald voor een groot deel bepaald in het Bal. De gemeente kan hierover ook regels opnemen in het omgevingsplan.
Overgangsrecht Wet bodembescherming (Wbb)
Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er sprake van overgangsrecht van de Wbb (hoofdstuk 3 van Aanvullingswet bodem Omgevingswet) voor wanneer er bijvoorbeeld een locatie eerder onder de Wbb is beschikt als ernstig en spoedeisend of voor locaties waar vóór de inwerkingtreding nog een (deel)saneringsplan of BUS melding is ingediend. De Wbb blijft gelden totdat het besluit tot instemming met een evaluatieverslag of een nazorgplan onherroepelijk is geworden. Ook blijft de Wbb gelden voor de maatregelen of beperkingen, die in het evaluatieverslag of in het nazorgplan staan. De locatie valt dan (gedeeltelijk) onder het bevoegd gezag van de Wbb. In sommige situaties kunnen provincies hun bevoegdheid mandateren aan gemeenten.
Voor locaties waarop het overgangsrecht niet van toepassing is, gelden onder de Ow de regels uit het Bal te weten milieubelastende activiteiten graven in de bodem (paragrafen 4.119 en 4.120 Bal) en het saneren van de bodem (paragraaf 4.121 Bal), eventueel aangevuld met maatwerkregels en/of regels die gaan over grondwaterkwaliteit uit de omgevingsverordening van de provincie.
De provincie behoudt taken op het gebied van grondwaterkwaliteit, overgangsrechtlocaties en bevoegd gezag taken bodemkwaliteit op complexe bedrijven. De beschikte spoedgevallen vallen onder het overgangsrecht. Ook voorschriften en beheersmaatregelen van Niet-spoed beschikkingen blijven van kracht. Hoe om te gaan met toevalsvondsten/nog niet eerder aangetroffen grondwaterverontreinigingen met een bodemcomponent is vooralsnog onduidelijk. Toetsingscriteria (met name voor freatisch grondwater) zijn nog niet vastgesteld. BKL voorziet wel in signaalwaarden (vergelijkbaar met de huidige interventiewaarden voor grondwater), echter deze dienen vastgelegd te worden in de omgevingsverordening van de provincie.
Bevoegde gezagen Omgevingswet
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is volgens artikel 2.3 van het Bal de gemeente bevoegd gezag voor de meeste milieubelastende activiteiten die met de bodem te maken hebben (zoals graven, saneren en toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie). Voor de gemeente zijn dit voor een deel nieuwe taken aangezien onder de huidige regelgeving graven en saneren valt onder de Wet bodembescherming waarvoor de provincies en 29 grotere gemeenten het bevoegd gezag zijn. In deze regio zijn dat Heerlen en Maastricht.
4.2.2 Besluit bodemkwaliteit onder de Omgevingswet
Wanneer de Omgevingswet ingaat, komen een aantal onderdelen van het Besluit bodemkwaliteit (van vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet) in het Bal. Dit zijn regels voor het toepassen van bouwstoffen en grond en baggerspecie (plaatsgebonden regels) die zijn ingebouwd in regelgeving onder de Omgevingswet. In de paragrafen 3.2.25 en 3.2.26 van het Bal zijn deze activiteiten omschreven en gedefinieerd en in paragraaf 4.123 (toepassen bouwstoffen) en 4.124 (toepassen van grond of baggerspecie) van het Bal staan de betreffende regels en eisen.
De andere bepalingen uit het Besluit bodemkwaliteit van vóór de Omgevingswet, de zogenaamde niet- plaatsgebonden regels, blijven – in een sterk uitgeklede versie - in het Besluit bodemkwaliteit onder de Omgevingswet. Het gaat om regels die zich richten tot de producent, importeur, transporteur, handelaar van bouwstoffen en de regels die zich richten tot degene die onderzoeken verrichten en milieuverklaringen afgeven voor bouwstoffen, grond en baggerspecie). Ook blijven de regels voor de kwaliteitsborging (voorheen kwalibo-regels genoemd) in het Besluit bodemkwaliteit onder de Omgevingswet.
4.3 Het generieke toepassingskader
4.3.1 Functionele en nuttige toepassing
Het toepassen van grond en baggerspecie als bodem is alleen toegestaan indien sprake is van een functionele en nuttige toepassing zoals bedoeld in respectievelijk artikel 5 en artikel 35 van het Besluit bodemkwaliteit. Hiermee wordt bedoeld dat het om een toepassing moet gaan in een hoedanigheid en hoeveelheid die nodig is voor het functioneren van de betreffende toepassing.
In artikel 35 van het Besluit bodemkwaliteit worden voorbeelden genoemd van wat onder een nuttige toepassing wordt verstaan. Aangezien een deel van deze toepassingen betrekking heeft op het toepassen in oppervlaktewater, zijn hieronder alleen de nuttige toepassingen weergegeven die zich binnen de regio (op landbodem) kunnen voordoen:
•Bouw- en wegconstructies (wegen, spoorwegen en geluidswallen);
•Ophoging van industrieterreinen, woningbouwlocaties en landbouw- en natuurgronden;
•Afdekken van saneringslocaties;
•Verspreiden van baggerspecie op het aan de watergang grenzende perceel;
•Tijdelijke opslag van grond en baggerspecie (voorafgaand aan het toepassen hiervan).
Functionele toepassing onder de Omgevingswet
Met inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft het toepassen van grond of baggerspecie, net
als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, alleen toegestaan in een functionele toepassing. Deze functionele toepassingen staan in het tweede en derde lid van artikel 4.1269 van het Bal.
Grond of baggerspecie wordt, voor zover de grond of baggerspecie een afvalstof is, alleen toegepast als sprake is van een nuttige toepassing als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer. Niet alleen de aanleg van een functionele toepassing, maar ook de instandhouding, het herstel, de verandering en de uitbreiding daarvan valt onder het toepassen van grond en baggerspecie.
4.3.2 Toepassen van sterk verontreinigde grond
Hergebruik van sterk verontreinigde grond is onder het Bbk niet zondermeer toegestaan. Wanneer sprake is van een gebiedseigen diffuse verontreiniging, waarbij de gehalten boven de interventiewaarden liggen, maar er geen sprake is van het overschrijden van het saneringscriterium, kan de gemeente het herschikken van deze grond binnen het geval van bodemverontreiniging namelijk toestaan door hiervoor gebiedsspecifiek beleid op te stellen. Het herschikken binnen het saneringsgeval moet daarnaast in een saneringsplan worden beschreven. De wettelijke basis hiervoor ligt in de Wet bodembescherming en bij het desbetreffende bevoegde gezag.
Toepassen van sterk verontreinigde grond onder de Omgevingswet
Voor het toepassen van sterk verontreinigde grond geldt dat dit alleen mag plaatsvinden voor zover de grond of baggerspecie afkomstig is van een diffuus sterk verontreinigde locatie en deze grond of baggerspecie ook weer wordt toegepast op een diffuus sterk verontreinigde locatie binnen het bodembeheergebied (artikel 4.1273 van het Bal).
In paragraaf 4.124 van het Bal zijn de specifieke voorwaarden en beperkingen opgenomen voor het stellen van maatwerkregels en maatwerkvoorschriften voor de kwaliteitseisen waaraan grond of baggerspecie bij het toepassen moeten voldoen. De eisen kunnen worden verscherpt (bij behoefte aan meer bescherming) maar ook worden versoepeld. Het versoepelen van kan echter alleen als de grond of baggerspecie afkomstig is uit een aangewezen bodembeheergebied (die wordt aangewezen in het omgevingsplan) en ook weer binnen dat gebied wordt toegepast.
4.3.3 Afdeklagen
In sommige verontreinigingssituaties wordt gekozen voor het afdekken van de bodemverontreiniging door een leeflaagconstructie. De leeflaag heeft in principe een dikte van 1 meter, waardoor contactrisico’s worden voorkomen. De grond of baggerspecie die wordt toegepast als leeflaag, dient voor wat betreft de kwaliteit overeen te komen met de omgevingskwaliteit, dat wil zeggen de ontgravingskwaliteit van de omliggende bodem. Hiertoe dient de bodemkwaliteitskaart geraadpleegd te worden.
Afdeklagen onder de Omgevingswet
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet moet een afdeklaag voldoen aan de eisen die in artikel 4.1241 van het Bal staan. De leeflaagconstructie moet een minimale dikte van 1,0 meter hebben en een kwaliteit die volgt uit artikel 4.1272 van het Bal (maatwerk is mogelijk). De kwaliteit van de afdeklaag komt overeen met de algemene kwaliteitseisen voor het toepassen van grond of baggerspecie op de landbodem. Dit houdt in dat de combinatie van de bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem en de bodemfunctieklasse de toepassingseis bepaalt. De initiatiefnemer die toepast toont de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem aan met een milieuverklaring bodemkwaliteit. Dit kan met de bodemkwaliteitskaart, mits de bodemkwaliteitskaart door de gemeente is vastgesteld en de toepassingslocatie op de kaart is ingedeeld. Als de gemeente geen bodemkwaliteitskaart heeft of de locatie daarop niet is ingedeeld, kan de initiatiefnemer de kwaliteitsklasse bepalen met een bodemonderzoek volgens NEN 5740. Bij het maken van een leeflaagconstructie gelden dezelfde kwaliteitseisen als voor het toepassen van grond of baggerspecie.
4.5 Toepassen op landbodem
4.5.1 Toepassen onder het huidige stelsel
Indien geen gebiedsspecifiek beleid van toepassing is gelden de generieke regels uit het Besluit bodemkwaliteit. Dit generieke toepassingskader wordt beschreven in de artikelen 54 t/m 61 van het Bbk. Tevens is er landelijk beleid voor grootschalige toepassingen (toepassen van minimaal 5000 m3) en voor de tijdelijke opslag van grond en baggerspecie. De procedure voor het melden is uitgewerkt in paragraaf 4.13 van deze Nota.
De uitgangspunten van het generieke toepassingskader zijn:
•De milieuhygiënische kwaliteit van de toe te passen partij grond of baggerspecie moet geschikt zijn voor het gebruik van de ontvangende landbodem (de zogenoemde bodemfunctieklasse) én
•Door het toepassen van de partij grond of baggerspecie mag de milieuhygiënische kwaliteit van de ontvangende bodem niet verslechteren.
Voor zowel een toe te passen partij grond of baggerspecie als voor de ontvangende bodem wordt onderscheid gemaakt in drie kwaliteitsklassen: landbouw/natuur
11Dit zijn landelijk geldende achtergrondwaarden (AW2000) die de bovengrens aangeven voor wat in de dagelijkse praktijk 'schone grond' wordt genoemd. Deze achtergrondwaarden zijn vastgesteld op basis van gehalten zoals deze voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden.
, wonen en industrie. Deze klassen zijn weergegeven in figuur 4.4.
Figuur 4.4: Overzicht kwaliteitsklassen landbodem
Voor de maximale waarden van de klassen AW2000, wonen en industrie wordt uitgegaan van de normen in tabel 1 van bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit.
Voor wat betreft het gebruik van de bodem heeft de gemeente een bodemfunctiekaart opgesteld. Op deze functiekaart is het huidige (en toekomstige) gebruik van de bodem aangegeven.
Toepassen volgens het generieke kader betekent dat de toe te passen partij grond of baggerspecie moet worden getoetst aan zowel de kwaliteitsklasse als de functieklasse van de ontvangende bodem. In figuur 4.5 is de generieke bodemtoepassing grafisch weergegeven.
Figuur 4.5: Generieke bodemtoepassing
De kwaliteit van de ontvangende bodem en de functie die deze bodem vervult vallen niet altijd in dezelfde klasse. Omdat voor beide sprake moet zijn van stand-still, wordt de kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond of baggerspecie bepaald door de strengste van de twee klassen. In tabel 4.1 is van de diverse combinaties van kwaliteits- en functieklassen aangegeven wat dit betekent voor de kwaliteitsklasse van de toe te passen partij.
Tabel 4.1: Systematiek generiek toepassingskader
Bodemfunctieklasse (op kaart)
Actuele bodemkwaliteit
Welke kwaliteit toepassen?
Landbouw
Achtergrondwaarden
Landbouw/Natuur
Landbouw
Wonen
Landbouw/Natuur
Landbouw
Industrie
Landbouw/Natuur
Natuur
Achtergrondwaarden
Landbouw/Natuur
Natuur
Wonen
Landbouw/Natuur
Natuur
Industrie
Landbouw/Natuur
Wonen
Achtergrondwaarden
Landbouw/Natuur
Wonen
Wonen
Wonen
Wonen
Industrie
Wonen
Industrie
Achtergrondwaarden
Landbouw/Natuur
Industrie
Wonen
Wonen
Industrie
Industrie
Industrie
Uitgesloten gebieden
Van een aantal gebieden binnen de deelnemende gemeenten is de kwaliteitsklasse van de ontvangende landbodem niet bekend (uitgesloten gebieden). Dit betekent dat voor iedere partij grond of baggerspecie die ter plaatse van deze locaties (generiek) wordt toegepast, de toepassingskaart niet als uitgangspunt voor de vereiste kwaliteitsklasse kan worden gehanteerd. Voor deze uitgesloten gebieden dient men zelf, aan de hand van tabel 4.1, de vereiste kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond of baggerspecie te bepalen. Hiervoor dient allereerst de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem te worden vastgesteld. Vervolgens dient van de bodemfunctiekaart van de betreffende locatie de functieklasse te worden afgelezen. Voor die gevallen dat ook geen functieklasse bekend is, dient in overleg te worden getreden met de gemeente. Voor partijen grond of baggerspecie van de klasse AW2000 (= schone grond), is de bovengenoemde dubbele toetsing niet noodzakelijk, vanwege het feit dat deze kwaliteitsklasse vrij toepasbaar is.
Lokaal onderzoek
Een lokaal bodemonderzoek en een partijkeuring geven meer zekerheid over de milieuhygiënische kwaliteit, van respectievelijk de ontvangende bodem en een partij toe te passen grond, dan de bodemkwaliteitskaart.
Dit betekent dat wanneer op de locatie van herkomst en/of de locatie van toepassing een partijkeuring of een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd dat voldoet aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit, er geen gebruik mag worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart (ontgravingskaart of toepassingskaart) als bewijsmiddel. In dat geval moet worden uitgegaan van de (eventueel afwijkende) kwaliteitsklasse van het lokaal uitgevoerde onderzoek en dient de vereiste kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond of baggerspecie zo nodig te worden afgeleid uit tabel 4.1.
Omgaan met bodemvreemd materiaal
In het Besluit bodemkwaliteit is, in de definitie van grond en baggerspecie, een bovengrens van 20% (gewichtsprocent) gesteld aan het percentage bodemvreemd materiaal. Voor het toepassen van grond en baggerspecie met bodemvreemd materiaal is voor enkele van de deelnemende gemeenten op dit thema lokaal beleid opgesteld, zie paragraaf 2.5 van deze Nota.
4.5.2 Generieke vs. gebiedsspecifieke toepassingskaart
De bodemkwaliteitskaart bevat twee typen toepassingskaarten:
•Generieke toepassingskaart (van de boven- en ondergrond).
•Gebiedsspecifieke toepassingskaart (van de boven- en ondergrond).
Op beide toepassingskaarten is de kwaliteitsklasse aangegeven waar een partij grond of baggerspecie aan moet voldoen wanneer men deze op een bepaalde locatie binnen het beheergebied wil toepassen.
De kwaliteitsklassen weergegeven op de generieke toepassingskaart volgen uit de ontgravingskwaliteit en de functieklasse van de ontvangende bodem. De strengste van beide klassen bepaalt uiteindelijk de kwaliteitsklasse waar een toe te passen partij grond of baggerspecie aan moet voldoen. Voor het toepassen van een partij grond of baggerspecie van buiten het beheergebied dient altijd de generieke toepassingskaart te worden gevolgd.
Uitsluitend voor partijen grond die uit het beheergebied (zie paragraaf 1.6 van deze Nota) afkomstig zijn, kan de toepassingseisen op de gebiedsspecifieke toepassingskaart worden gevolgd. De gebiedsspecifieke toepassingskaart is een combinatie van de generieke toepassingskaart én de gebiedsspecifieke toepassingseisen zoals beschreven in de Nota. Deze kaart bevat daarmee dus de lokale normstelling meer die ruimte biedt aan afzet van grond afkomstig uit het eigen beheergebied.
4.5.3 Toepassen onder de Omgevingswet
Het generieke beleid van voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor toepassen van grond en baggerspecie is uitgangspunt in artikel 4.1272 Bal in samenhang met artikel 25d Besluit bodemkwaliteit.
De kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie op de landbodem moet voldoen aan 2 eisen, namelijk aan:
•De kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem ter plaatse van toepassing én
•De bodemfunctieklasse ter plaatse van de toepassing.
De toe te passen grond moet bij een toepassing op de landbodem voldoen aan de strengste van bovenstaande twee eisen (dubbele toets).
De indeling in kwaliteitsklassen blijft in principe gelijk aan het stelsel van het besluit Bodemkwaliteit. Het Besluit activiteiten leefomgeving kent de volgende vijf kwaliteitsklassen (zie ook figuur 4.6):
•Landbouw/natuur;
•Wonen;
•Industrie;
•Matig verontreinigd;
•Sterk verontreinigd.
Figuur 4.6: Kwaliteitsklassen landbodem en grond onder het stelsel Omgevingswet
De maximale waarden voor de kwaliteitsklassen zijn te vinden in tabel 1 van Bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit 2021. Het maximumpercentage bodemvreemd materiaal blijft net als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet 20% voor steenachtig materiaal en hout. Materiaal, zoals plastics of piepschuim, mag alleen sporadisch in de ontgraven grond of baggerspecie voorkomen. Het gaat alleen om bodemvreemde materiaal dat al vóór het ontgraven of bewerken in de bodem aanwezig is.
Maatwerk is onder voorwaarden mogelijk (artikel 4.1273 Bal). Maatwerk is mogelijk voor:
•Grootschalig toepassen (artikel 4.1274 Bal);
•Toepassen in een diepe plas (artikel 4.1276 Bal);
•Verspreiden van baggerspecie (artikel 4.1278 Bal);
•Toepassen van tarragrond (artikel 4.1280 Bal);
•Grootschalig toepassen (artikel 4.1275 Bal);
•Toepassen in diepe plas (artikel 4.1277 Bal);
•Verspreiden van baggerspecie (artikel 4.1279 Bal).
Vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet was er al gebiedsspecifiek beleid mogelijk voor de vier eerstgenoemde maatwerkmogelijkheden, maar met de invoering van de Omgevingswet zijn er nu ook maatregelen mogelijk voor grootschalig toepassen, toepassen in diepe plas en verspreiden van baggerspecie.
4.8 Grootschalige bodemtoepassing
4.8.1 Grootschalige toepassing onder het huidige stelsel
Een grootschalige bodemtoepassing is een toepassing waarin een grote hoeveelheid grond of baggerspecie wordt toegepast. Zoals beschreven in de artikelen 62 t/m 64 van het Besluit bodemkwaliteit is de voorwaarde dat minimaal een volume van 5.000 m3 en een toepassingshoogte van 2 meter moet worden aangehouden.
Op grond van het gestelde in artikel 63 van het Bbk mogen, voor wat betreft het toepassen op landbodem, alleen de volgende toepassingen onder de noemer van een grootschalige toepassing worden gerealiseerd:
•Toepassingen van grond en baggerspecie in bouw- en wegconstructies, waaronder wegen, spoorwegen en geluidswallen;
•Toepassingen van grond en baggerspecie voor het afdekken van een saneringslocatie of een stortplaats, met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor de omgeving;
•Toepassing van grond en baggerspecie in aanvullingen, waaronder de herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen.
Omdat het niet is toegestaan dat de grootschalige bodemtoepassing definitief onderdeel gaat uitmaken van de bodem, kan bij ophogingen van industrieterreinen en woningbouwlocaties niet worden gekozen voor het toetsingskader van een grootschalige bodemtoepassing.
Criteria grootschalige bodemtoepassing
De partij grond of baggerspecie die in een grootschalige toepassing wordt verwerkt hoeft, in tegenstelling tot een generieke bodemtoepassing, niet te worden getoetst aan de kwaliteits- en functieklasse van de ontvangende bodem. Wel wordt een bovengrens gesteld aan de kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond of baggerspecie, namelijk maximaal klasse industrie.
Aangezien een partij met de kwaliteitsklasse industrie (of wonen) op een schonere bodem mag worden toegepast, moet worden voorkomen dat hierdoor de ontvangende bodem verontreinigd raakt. Vandaar dat aan de toe te passen partij grond of baggerspecie eisen worden gesteld aan de mate van uitloging die mag optreden (in de vorm van maximale emissiewaarden).
De grootschalige bodemtoepassing moet worden afgedekt met een leeflaag van grond of baggerspecie van tenminste 0,5 meter. In figuur 4.8 is de grootschalige bodemtoepassing grafisch weergegeven. Het Besluit bodemkwaliteit voorziet tevens in een verplichting tot beheer en nazorg. De aangewezen beheerder is verantwoordelijk voor het in stand houden van de vorm en de hoeveelheid waarin deze is toegepast en geregistreerd staat.
Figuur 4.8: Grootschalige bodemtoepassing
Uitzonderingsgevallen
Voor Rijkswegen, provinciale wegen en spoorwegen, waarop een aaneengesloten laag bouwstoffen wordt toegepast, geldt een minimale toepassingshoogte van 0,5 meter. Daarnaast mag, voor de aanleg van de bermen of taluds, tot maximaal 10 m uit de weg, grond of baggerspecie van maximaal de kwaliteitsklasse industrie worden gebruikt (zie figuur 4.9).
Figuur 4.9: Uitzondering Rijkswegen, Provinciale wegen en spoorwegen
4.8.2 Grootschalige toepassing onder de Omgevingswet
De voorwaarden voor grootschalige toepassing en de kwaliteitseisen zijn onder de Omgevingswet vergelijkbaar met het kader voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, maar biedt nu ook mogelijkheden voor maatwerk. Het generieke beleid van voor de Omgevingswet voor grootschalige toepassing is het uitgangspunt in artikel 4.1274 Bal in samenhang met artikel 25d Besluit bodemkwaliteit. In hoeverre maatwerk mogelijk is ten aanzien van het grootschalig toepassen is beschreven in artikel 4.1275 van het Bal.
De figuur op de volgende pagina geeft een overzicht van de regelgeving rondom grootschalige bodemtoepassing.
Figuur 4.10: Eisen aan grootschalige bodemtoepassing
Maatwerkmogelijkheden grootschalig toepassen
Als grond of baggerspecie niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor grootschalig toepassen, is toepassing alleen nog mogelijk via een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift. De voorwaarden voor maatwerk staan in artikel 4.1275 van het Bal. Alleen wanneer de toe te passen grond of baggerspecie afkomstig is uit hetzelfde bodembeheergebied als waar die weer toegepast gaat worden, zijn soepelere eisen mogelijk. Het bodembeheergebied wordt aangewezen door de gemeente of het waterschap in het omgevingsplan of de waterschapverordening. Op deze manier zal de bodemkwaliteit in het aangewezen beheergebied niet verslechteren (stand-still). Voor het grootschalig toepassen van sterk verontreinigde grond of baggerspecie gelden minimaal de volgende regels voor de grond of baggerspecie:
•De partij is afkomstig uit het beheergebied waar deze ook weer wordt toegepast;
•De verontreiniging is ontstaan door diffuse verontreiniging;
•Toepassen vindt plaats op een locatie waar de bodem reeds diffuus is verontreinigd met dezelfde stof.
Bestaande grootschalige toepassingen
Voor het in stand houden, herstellen, veranderen of uitbreiden van een eerder gerealiseerde grootschalige toepassing gelden de afwijkende kwaliteitseisen uit artikel 4.1274 van het Bal. Hiervan is sprake bij:
•Toepassen in een oppervlaktewaterlichaam na 1 januari 2008;
•Toepassen op of in de landbodem na 1 juli 2008.
4.9 Tijdelijke opslag van grond en baggerspecie
4.9.1 Tijdelijke opslag onder het huidige stelsel
Voor de tijdelijke opslag van grond en baggerspecie buiten inrichtingen gelden vanaf 1 juli 2008 de eisen van het Besluit bodemkwaliteit. Onder de tijdelijke opslag van grond en baggerspecie wordt volgens het Besluit verstaan:
“De tijdelijke toepassing van grond/baggerspecie voorafgaand aan de definitieve nuttige toepassing.”
De voorwaarden die het Besluit stelt aan de verschillende vormen van tijdelijke opslag op landbodem, zijn in tabel 4.2 opgenomen. Wanneer niet kan worden voldaan aan deze voorwaarden, dan is het Besluit bodemkwaliteit niet van toepassing en zal de opslag, wanneer deze langer dan 6 maanden duurt, binnen een inrichting moeten plaatsvinden.
Tabel 4.2: Overzicht tijdelijke opslag grond/baggerspecie op landbodem
Voorwaarden van het Besluit bodemkwaliteit
Vorm van tijdelijke opslag
Maximale duur van de opslag
Kwaliteitseisen
Meldingsplicht
Kortdurende opslag
6maanden
-
Ja
Tijdelijke opslag op landsbodem
3jaar
Kwaliteitsklasse partij grond/baggerspecie moet voldoen aan de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem
Ja, met duur van de opslag en eindbestemming*
Weilanddepot
13Vorm van tijdelijke opslag van baggerspecie op een perceel, grenzend aan de watergang van waaruit de baggerspecie is vrijgekomen, met als doel de baggerspecie te ontwateren en te laten rijpen alvorens het materiaal op dezelfde locatie of elders toe te passen.
:
opslag baggerspecie op aangrenzend perceel
3jaar
Alleenbaggerspecie die voldoet aan de generieke norm voor het verspreiden op aangrenzende percelen
Ja, met duur van de opslag en eindbestemming*
Opslag bij tijdelijke uitname
Looptijd van de werkzaamheden
-
Nee
* Het melden van de eindbestemming moet binnen 6 maanden plaatsvinden. Men heeft dus 6 maanden de tijd om een bestemming te zoeken.
Opgemerkt wordt dat, voorafgaand aan de tijdelijke opslag van grond of baggerspecie, naast een check op de milieuhygiënische eisen die vanuit het Besluit bodemkwaliteit worden gesteld, ook een toets op het bestemmingsplan dient plaats te vinden. Dit teneinde uit te kunnen sluiten dat de tijdelijke opslag overlast (te denken valt aan geluid, geur, stof, etc.) voor de omgeving oplevert.
Weilanddepots
Voor opslag van baggerspecie in weilanddepots geldt het toetsingskader voor het op de kant verspreiden van baggerspecie. Een Waterwet-vergunning, voor bijvoorbeeld het op oppervlaktewater lozen van proceswater dat vrijkomt bij de baggeropslag, is niet noodzakelijk als de tijdelijke opslag past binnen de voorschriften van het Besluit bodemkwaliteit. Voor wat betreft de lozing dient daarentegen wel, in het kader van de zorgplicht (artikel 7 Besluit bodemkwaliteit), te worden voorkomen dat er nadelige gevolgen voor het oppervlaktewater optreden.
4.9.2 Tijdelijke opslag van grond en baggerspecie onder de Omgevingswet
In de situatie vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet stonden er regels voor het opslaan van grond en baggerspecie in zowel het Besluit bodemkwaliteit als het Activiteitenbesluit. Er was namelijk een onderscheid gemaakt tussen tijdelijke opslag buiten inrichtingen en opslag binnen inrichtingen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er maar één set van regels voor het opslaan van grond of baggerspecie en bestaat het onderscheid tussen tijdelijke opslag buiten inrichten en opslag binnen inrichtingen niet meer. Het gaat om grond en om baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Onder de Omgevingswet is de opslag van grond of baggerspecie aangewezen als een milieubelastende activiteit (3.2.24 Bal). Met ‘opslaan’ wordt altijd een tijdelijke situatie bedoeld, in afwachting van een ander doel. Voor grond geldt een termijn van maximaal drie jaar en voor baggerspecie maximaal tien jaar opslag.
Samenhangende handelingen (samenvoegen van partijen, zeven en mechanisch ontwateren) bij het opslaan van grond of bagger vallen onder dezelfde activiteit. Voor deze milieubelastende activiteit gelden algemene rijksregels. Afwijken hiervan mag alleen via maatwerk. Bijvoorbeeld als de grond of baggerspecie in opslag ligt voor toepassing in een concreet werk, maar de uitvoering van dit werk door overmacht vertraagd is.
Opslag bij tijdelijke uitname (opslaan als onderdeel van de activiteit graven) valt niet onder de milieubelastende activiteit opslaan, maar onder de activiteit graven. De opslag vindt plaats gedurende de looptijd van het werk met een uitloop van 8 weken na beëindiging van het graven.
Versoepeling bodemvoorschrift voor opslag van grond van kwaliteitsklasse wonen of industrie In de algemene rijksregels komen de bodemvoorschriften voor de opslag van grond met kwaliteitsklasse wonen of industrie te vervallen. Het doen van een eindonderzoek bodem is in bepaalde gevallen nog wel verplicht. Het eindonderzoek heeft tot doel te controleren of de opslag de onderliggende bodem niet nadelig beïnvloed heeft. Het eindonderzoek gebeurt volgens paragraaf 5.2.1 van Bal.
Het eindonderzoek is verplicht in het geval dat de partij grond van de kwaliteitsklasse wonen of industrie is of baggerspecie van de kwaliteitsklasse licht of matig verontreinigd is. Een eindonderzoek is niet nodig in het geval:
•De activiteit het eenmalig opslaan van één partij grond of één partij baggerspecie is, de kwaliteit van de onderliggende bodem is vastgesteld in een milieuverklaring bodemkwaliteit; OF
•Voorafgaand aan het opslaan de kwaliteitsklasse van de bodem op de plaats van opslaan is bepaald door middel van een milieuverklaring bodemkwaliteit die is opgesteld overeenkomstig de bepalingen in het Besluit bodemkwaliteit; OF
•De grond of baggerspecie volgens artikel 4.1272 op de plaats van opslaan mag worden toegepast.
Het bevoegd gezag kan aanvullende voorwaarden stellen aan de opslag van verontreinigde grond in grond in grondwaterbeschermingsgebieden, zoals bijvoorbeeld middels een instructieregel van de provincie.
De meldingseisen zijn versimpeld
Onder de Omgevingswet is er één set aan meldingseisen in plaats van de verschillende eisen aan de melding gesteld vanuit het Besluit bodemkwaliteit en het activiteiten besluit van vóór de Omgevingswet. Dit maakt dat de meldingseisen onder de Omgevingswet zijn versimpeld.
4.10 Bewijsmiddelen
4.10.1 Gebruik van de bodemkwaliteitskaart
De bodemkwaliteitskaart kan niet als bewijsmiddel worden gebruikt als:
A. De toe te passen partij grond afkomstig is van een verdachte locatie;
B. Als sprake is van bijzondere omstandigheden; of
C. Als de grond zintuiglijk opvallende afwijkingen vertoont (onverwachte situaties).
A: Verdachte locaties
Onder 'verdachte locaties' worden verstaan: locaties waar (bedrijfs-)activiteiten hebben plaatsgevonden waarvan bekend is, of het vermoeden bestaat, dat de bodemkwaliteit op de betreffende locatie (mogelijk) afwijkt van die van de omgeving.
Voorbeelden hiervan zijn (de lijst is niet uitputtend):
•Bekende en potentiële lokale gevallen van bodemverontreiniging (Wbb-locaties), niet behorende tot de diffuse bodemverontreiniging;
•Bodemsanering in uitvoering;
•Restverontreiniging na bodemsanering;
•De ondergrond ter plaatse van saneringslocaties;
•Lokaal aangebrachte leeflagen;
•Tanklocaties;
•Erven in het buitengebied;
•Slootdempingen;
•Lokaal aanwezige (historische) ophooglagen.
Van de boven- en ondergrondzones van “Oude bebouwing en kern na 1970 Eijsden” en “Eijsden kern voor 1970” wordt verwacht dat ofwel de bodemkwaliteit niet voldoen aan de norm voor Industrie (niet toepasbaar), ofwel dat er een hoge heterogeniteit aanwezig is. Om deze reden kan de bodemkwaliteitskaart voor deze zone niet gebruikt worden als bewijsmiddel voor de ontgravingskwaliteit.
Wanneer bodemonderzoek op een verdachte locatie heeft uitgewezen dat er geen sprake is van bodemverontreiniging, en daarnaast de milieuhygiënische kwaliteit vergelijkbaar is met het omliggende gebied, wordt deze locatie niet meer aangemerkt als verdacht.
B: Bijzondere omstandigheden
Een bijzondere omstandigheid doet zich voor wanneer bekend is dat de bodemkwaliteit op de herkomstlocatie (mogelijk) afwijkt van de omgeving. Veelal zal het gaan om:
•Bekende en potentiële lokale gevallen van bodemverontreiniging, niet behorende tot de diffuse bodemverontreiniging;
•Bodemsanering in uitvoering;
•Restverontreiniging na bodemsanering;
•Lokaal aangebrachte leeflagen;
•Lokaal aanwezige (historische) ophooglagen;
•De ondergrond ter plaatse van saneringslocaties.
C: Onverwachte situaties
Het kan voorkomen dat, ondanks dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden, tijdens de graafwerkzaamheden op de locatie van herkomst alsnog een (mogelijke) afwijking van de bodemkwaliteit wordt geconstateerd. Een onverwachte situatie doet zich voor indien:
•De grond een afwijkende kleur, geur of samenstelling heeft;
•De grond een bijmenging aan bodemvreemde materialen bevat (puin, gruis, kooltjes, etc.) op basis waarvan wordt verwacht dat de bodemkwaliteitskaart niet meer representatief is voor de milieuhygiënische kwaliteit, dan wel waarvan men redelijkerwijs kan vermoeden dat deze het milieu negatief kan beïnvloeden;
•In de grond visueel asbest wordt aangetroffen.
Een onverwachte situatie dient in alle gevallen te worden geregistreerd en gemeld bij de gemeente. Als sprake is van een (vermoedelijk) geval van ernstige bodemverontreiniging, dient hiervan melding te worden gedaan bij het bevoegd gezag Wbb dan wel Omgevingswet.
Historisch onderzoek
Teneinde uit te sluiten dat de locatie van herkomst als 'verdacht' ten aanzien van bodemverontreiniging moet worden bestempeld, dient voorafgaand aan het toepassen van grond of baggerspecie altijd een vooronderzoek overeenkomstig de NEN 5725 uitgevoerd te worden.
Volgt uit het historische onderzoek dat sprake is van een situatie als hierboven beschreven, dan kan de betreffende bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel worden gebruikt voor de milieuhygiënische kwaliteit van de vrijkomende grond (en/of de ontvangende bodem). In dat geval dient de milieuhygiënische kwaliteit op een andere wijze te worden aangetoond. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van één van de bewijsmiddelen zoals beschreven in dit hoofdstuk.
Bodemkwaliteitskaart van regio Heuvelland
Het gebruik van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel bij grondverzet is mogelijk onder voorwaarden:
1Het moet aantoonbaar zijn dat de grond die wordt toegepast afkomstig is uit een van de bodemkwaliteitszones van de bodemkwaliteitskaart. De zones “Oude bebouwing en kern na 1970 Eijsden” en “Eijsden kern voor 1970” zijn hiervan uitgezonderd, vanwege ofwel een hoge heterogeniteit ofwel het niet voldoen aan de functienorm van het gemiddelde (niet toepasbaar);
2Het moet aantoonbaar zijn dat de toe te passen partij grond afkomstig is uit een bodemlaag die is gedefinieerd in de bodemkwaliteitskaart;
3Op de locatie mogen geen bodemverontreinigende activiteiten hebben plaatsgevonden (onverdachte locatie);
4Als de partij ook is voorzien van een ander geldig bewijsmiddel (partijkeuring of erkende kwaliteitsverklaring) dan geldt het andere bewijsmiddel als milieuhygiënische verklaring, omdat deze een directere uitspraak doet over de kwaliteit van de betreffende partij grond of baggerspecie.
Om aan voorwaarde 3 te voldoen dient een vooronderzoek, conform NEN5725/NEN5707 te worden uitgevoerd. Dit onderzoek dient te voorkomen dat grond afkomstig van verdachte locaties zonder onderzoek elders wordt toegepast. Op basis van dit vooronderzoek dient ook bepaald te worden of de locatie asbestverdacht is. Indien uit het vooronderzoek volgt dat sprake is van een verdachte locatie, dan dient minimaal een verkennend bodemonderzoek (conform NEN 5740/NEN5707) uitgevoerd te worden. Indien de gemeten gehalten voldoen aan de toepassingsnorm, kan aan voorwaarde 3 worden voldaan.
Ter plaatse van de verschillende zones is sprake van een verhoogde heterogeniteit of een gemiddelde kwaliteit boven interventiewaarde. Het gaat hierbij om de zones “Oude bebouwing en kern na 1970 Eijsden” en “Eijsden kern voor 1970”. Voor deze zones is het gebruik van de bodemkwaliteitskaart niet toegestaan als erkend bewijsmiddel en is altijd aanvullend bewijs noodzakelijk (zoals een onderzoek/partijkeuring).
4.10.2 Overige erkende bewijsmiddelen
Wanneer er geen gebruik mag worden gemaakt van een bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel, dient de milieuhygiënische kwaliteit van een partij grond (of baggerspecie) en/of van de ontvangende bodem op een andere wijze te worden aangetoond:
a.Partijkeuring;
b.Erkende kwaliteitsverklaring;
c.Fabrikant-eigen-verklaring;
d.(water)bodemonderzoek (waaronder in-situ partijkeuring);
e.Bodemkwaliteitskaart van andere gemeente (zie hiervoor paragraaf 2.2 van deze Nota).
In de navolgende paragrafen volgt per bewijsmiddel een korte toelichting.
A. Partijkeuring
Een partijkeuring betreft een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit en daarmee de toepassingsmogelijkheden van de partij grond of (gerijpte) baggerspecie.
Eisen
Aan een partijkeuring worden de volgende eisen gesteld (artikel 4.3.3 van de Regeling
bodemkwaliteit 2021):
•Een partij kan worden gekeurd in depot of in-situ;
•De partij grond (of baggerspecie) dient door een erkende monsternemer te worden bemonsterd conform BRL SIKB 1000: VKB-protocol 1001
14Beoordelingsrichtlijn, met bijbehorend protocol, voor de monsterneming van partijen grond en baggerspecie (Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer)
;
•De voorbewerking van de monsters alsmede het laboratoriumonderzoek moeten worden verricht conform het accreditatieprogramma AP04 door een hiervoor erkend laboratorium.
Te onderzoeken parameters
Is de herkomstlocatie van de grond of baggerspecie onverdacht, en is in het geval van baggerspecie deze afkomstig uit regionale watergangen, dan dienen de monsters van de partij te worden onderzocht op tenminste de parameters van het vigerend standaard analysepakket conform het SIKB. Het standaardpakket is na inwerkingtreding van de Omgevingswet terug te vinden in de bijlage van de Regeling bodemkwaliteit 2021
Ten tijde van het tot stand komen van deze Nota bodembeheer bestond het standaardpakket uit:
•9 metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink);
•Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (som 10 PAK);
•Polychloorbifenylen (som 7 PCB);
•Minerale olie (GC).
Wanneer de grond of baggerspecie afkomstig is van een verdachte locatie dan dient de partij, naast de parameters van het standaard analysepakket, tevens op de desbetreffende kritische parameters te worden onderzocht.
B.Erkende kwaliteitsverklaring
Een erkende kwaliteitsverklaring bestaat uit twee delen:
•Het eerste deel is het productcertificaat dat wordt afgegeven door een erkende certificerende instelling (zoals bijvoorbeeld KIWA, Intron of BMC). Op dit productcertificaat staan de (civieltechnische) eigenschappen van de grond of baggerspecie vermeld, alsmede de milieuhygiënische classificatie (klasse landbouw/natuur, klasse wonen of klasse industrie);
•Het tweede deel betreft de afgegeven erkenning.
De eisen die aan een erkende kwaliteitsverklaring voor grond of baggerspecie worden gesteld, staan beschreven in artikel 4.3.6 van de Regeling bodemkwaliteit en na het inwerkingtreden van de Omgevingswet in paragraaf 5.4 van de Regeling bodemkwaliteit 2021. Een overzicht van afgegeven erkende kwaliteitsverklaringen is te vinden op de website van Bodem+.
C.Fabrikant-eigen-verklaring
Dit is een milieuhygiënische verklaring die door een producent zelf kan worden afgegeven. In tegenstelling tot een erkende kwaliteitsverklaring, vindt bij een fabrikant-eigen-verklaring geen periodieke externe controle door een certificerende instelling plaats en is er ook geen erkenning noodzakelijk.
De verantwoordelijkheid voor de milieuhygiënische kwaliteit van het product ligt dus volledig bij de fabrikant. Echter, voordat een producent een fabrikant-eigen-verklaring mag afgeven, moet hij door middel van een streng toelatingsonderzoek aantonen dat zijn product aan de gestelde milieuhygiënische eisen voldoet.
De eisen die aan een fabrikant-eigen-verklaring voor een partij grond of baggerspecie worden gesteld, staan beschreven in artikel 4.3.7 van de Regeling bodemkwaliteit en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet in paragraaf 5.5 van de Regeling bodemkwaliteit 2021. Een overzicht van afgegeven fabrikant-eigen-verklaringen is te vinden op de website van Bodem+.
D.(water)bodemonderzoek
Landbodem of een partij grond
Bodemonderzoeken die voldoen aan bepaalde onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740
15Landbodem: Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond
zijn toegestaan als milieuhygiënische verklaring in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In de Regeling bodemkwaliteit wordt onderscheid gemaakt tussen onderzoeksstrategieën die kunnen worden gebruikt voor het aantonen van de milieuhygiënische kwaliteit van:
1De ontvangende bodem (artikel 4.3.4 lid 1 van de Regeling en na inwerkingtreding van de Omgevingswet in paragraaf 7.1 van de Regeling bodemkwaliteit 2021) en
2Een partij toe te passen grond (artikel 4.3.4 lid 2 van de Regeling en na inwerkingtreding van de Omgevingswet in paragraaf 5.2 van de regeling bodemkwaliteit 2021).
A: Voor het aantonen van de milieuhygiënische kwaliteit van de ontvangende landbodem zijn de volgende onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 toegestaan:
•onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie;
•onderzoeksstrategie voor een grootschalig onverdachte locatie;
•onderzoeksstrategie bij een onbekende bodembelasting;
•onderzoeksstrategie voor de toetsing of er sprake is van een schone bodem;
•onderzoeksstrategie voor de toetsing of er sprake is van een schone bodem op grootschalige locaties;
•onderzoeksstrategie voor de partijkeuring van niet schone grond uit diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof.
B: Voor het aantonen van de milieuhygiënische kwaliteit van een partij toe te passen grond zijn alleen de volgende onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 toegestaan:
•onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem;
•onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem op grootschalige locaties;
•onderzoeksstrategie voor de partijkeuring van niet schone grond uit diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof.
Deze onderzoeksstrategieën gaan uit van een monstername-inspanning die in eenzelfde orde van grootte ligt als bij de hiervoor beschreven partijkeuring en erkende kwaliteitsverklaring. Indien een bodemonderzoek is uitgevoerd met een andere strategie dan hierboven weergegeven, dan is het in sommige gevallen toch mogelijk om het onderzoek te gebruiken. Of het onderzoek door het bevoegd gezag geaccepteerd wordt als voldoende bewijsmiddel, is afhankelijk van de verrichte onderzoekintensiteit in samenhang met eventueel benodigd aanvullend historisch onderzoek. De gemeente of namens de gemeente de omgevingsdienst, beslist of een onderzoek met afwijkende onderzoeksstrategie wel of niet wordt geaccepteerd als bewijsmiddel.
Waterbodem of een partij baggerspecie
Als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van een partij toe te passen (of te verspreiden) baggerspecie en voor de kwaliteit van de waterbodem zijn de onderzoeksstrategieën uit de NEN 5720
16Waterbodem: Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van waterbodem en baggerspecie
toegestaan.
Is voorafgaand aan het toepassen sprake van niet-procesgestuurde rijping of tijdelijke opslag van de baggerspecie, dan mogen de in-situ onderzoeksgegevens nog voor de betreffende partij baggerspecie als bewijsmiddel worden gebruikt. Gelet echter op het feit dat het rijpingsproces in veel gevallen een verbetering van de milieuhygiënische kwaliteit van de baggerspecie zal opleveren, verdient het aanbeveling om een partij baggerspecie na het rijpen opnieuw te onderzoeken (omdat de NEN 5720 geen onderzoeksstrategie kent voor depots, dient in dat geval de partij baggerspecie aan de hand van de BRL SIKB 1000, protocol 1001 te worden gekeurd).
4.10.3 Bewijsmiddelen onder de Omgevingswet
Ook onder de Omgevingswet moet degene die een partij grond of baggerspecie toepast, de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie kunnen aantonen middels een bewijsmiddel. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt het begrip milieuhygiënische verklaring vervangen door het begrip milieuverklaring bodemkwaliteit. Dit is een verklaring over de milieuhygiënische kwaliteit van een specifieke partij of de bodem. Dit betreft een verklaring op grond van een partijkeuring, erkende kwaliteitsverklaring, fabrikanteigen verklaring, een bodemonderzoek of een bodemkwaliteitskaart.
De milieuverklaring bodemkwaliteit wordt afgegeven op grond van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit staan in hoofdstuk 3A regels voor de afgifte van milieuverklaringen bodemkwaliteit. De uitwerking van deze regels staat in de Regeling bodemkwaliteit 2021.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet moet degene die toepast, naast een milieuverklaring bodemkwaliteit, ook beschikken over een afleverbon. Een afleverbon is een begeleidend document bij een partij grond of baggerspecie dat bij de afgifte van een milieuverklaring bodemkwaliteit is verstrekt als dit volgens Regeling bodemkwaliteit 2021 verplicht is. Het doel van de afleverbon is om de relatie tussen de partij en de milieuverklaring bodemkwaliteit te leggen. De regels waaraan de milieuverklaring bodemkwaliteit en de afleverbon moeten voldoen, staan in het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit 2021.
4.10.4 Bewijsmiddelen voor met PFAS-verontreinigde grond of baggerspecie
Van partijen grond en baggerspecie die worden toegepast binnen het beheergebied dient het PFAS-gehalte bepaald te zijn. Toepassen van grond en baggerspecie binnen het beheergebied en is mogelijk na een melding bij het meldpunt bodemkwaliteit. Hierbij kan de bodemkwaliteitskaart PFAS
17Rapport bodemkwaliteitskaart PFAS Heuvelland, projectnummer 0472570.100, versie D1, d.d. 2 december 2022, door Antea Group
worden gebruikt in combinatie met een historisch bodemonderzoek conform de NEN 5725 waaruit blijkt de ontgravingslocatie niet verdacht is op het voorkomen van PFAS-verbindingen als gevolg van een (bedrijfsmatige) activiteiten op of nabij de locatie. Een lijst met activiteiten die als verdacht op de verspreiding van PFAS in het milieu worden beschouwd, kan worden geraadpleegd via het Handelingskader voor PFAS van Expertisecentrum PFAS (ISBN/EAN 978-90-815703-0-5, d.d. 25 juni 2018).
Indien uit het historisch bodemonderzoek blijkt dat de grond verdacht is op het voorkomen van PFAS door een bronlocatie, kan de bodemkwaliteitskaart PFAS niet als erkend bewijsmiddel gehanteerd worden en dient de partij middels een bodemonderzoek of partijkeuring op de aanwezigheid van PFAS onderzocht te worden. Blijkt de concentratie van één van de PFAS de toepassingsnormen uit paragraaf 2.4.4 van deze Nota te overschrijden, dan kan de grond niet worden toegepast binnen het beheergebied.
Wanneer de bodemkwaliteitskaart PFAS niet als bewijsmiddel kan worden gebruikt, dient de milieuhygiënische kwaliteit met betrekking tot PFAS van de toe te passen grond of baggerspecie op een andere wijze te worden aangetoond. Hiervoor zijn de volgende bewijsmiddelen erkend:
•Erkende kwaliteitsverklaring;
•Fabrikant-eigenverklaring;
•Een partijkeuring met analyse op PFAS (AP04, BRL SIKB 1000, protocol 1001);
•Een bodemonderzoek naar PFAS, conform de NEN 5740, mits een van de volgende onderzoeksstrategieën is gehanteerd (conform artikel 4.3.4 sub 2 van de Regeling Bodemkwaliteit):
•De toetsing of sprake is van schone bodem (TOETS-S);
•De toetsing of sprake is van schone bodem op grootschalige locaties (TOETS-S-GR);
•De partijkeuring van niet-schone grond uit een diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof (KEU-I-HE).
•Een waterbodemonderzoek conform de NEN 5720.
Andere onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 kunnen niet gebruikt worden als erkend bewijsmiddel van de kwaliteit van de grond. Deze bodemonderzoeken kunnen enkel in combinatie gebruikt worden met een vooronderzoek NEN 5725 en de bodemkwaliteitskaart.
Voor het toepassen van grond of baggerspecie op uitgesloten locaties dient de kwaliteit van de ontvangende bodem vastgesteld te worden (dubbele toets). Om de kwaliteit van de ontvangende bodem vast te stellen zijn de volgende onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 toegestaan als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit:
•Onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie (ONV);
•Onderzoeksstrategie voor een grootschalig onverdachte locatie (ONV-GR);
•Onderzoeksstrategie bij een onbekende bodembelasting (ONB);
•Onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem (TOETS-S);
•Onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem op grootschalige locaties (TOETS-S-GR);
•Onderzoeksstrategie voor de partijkeuring van niet schone grond uit diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof (KEU-I-HE).
Bij de bovenstaande onderzoeksstrategieën kan onderzoek naar de kwaliteit van het grondwater en de kwaliteit van de grond van de ontvangende bodem, indien op 0,5 m-mv en dieper, achterwege blijven.
4.13 Meldingen en procedures
4.13.1 Meldingen en procedures onder het huidige stelsel
De gemeenten zijn bevoegd gezag voor het Besluit bodemkwaliteit. In dat kader ontvangen, beoordelen en registreren de gemeenten de meldingen en verzorgen zij het toezicht op en de handhaving van het op landbodem toepassen van partijen grond of baggerspecie. Deze taken zijn in de volgende paragrafen toegelicht.
Wanneer melden
Op grond van artikel 42 van het Besluit bodemkwaliteit moeten alle toepassingen van grond en
baggerspecie worden gemeld, met uitzondering van:
•Het toepassen van minder dan 50 m3 schone grond en baggerspecie (klasse AW2000);
•Het verspreiden van baggerspecie op het aangrenzend perceel;
•Het toepassen van grond en baggerspecie door particulieren (behalve wanneer de werkzaamheden worden uitbesteedt aan een aannemer, in dat geval moet wel een melding worden ingediend);
•Het verplaatsen van grond of baggerspecie binnen één landbouwbedrijf (de grond/baggerspecie moet in dat geval wel afkomstig zijn van een binnen hetzelfde landbouwbedrijf gelegen perceel waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld).
Voor het toepassen van schone grond en baggerspecie in hoeveelheden vanaf 50 m3 moet eenmalig de toepassingslocatie worden gemeld.
Meldingstermijn en loket
Degene die grond of baggerspecie gaat toepassen, moet dit tenminste vijf werkdagen van tevoren melden, bij voorkeur digitaal, via het Meldpunt bodemkwaliteit
19Meldingen die in het kader van overgangsrecht nog moeten worden getoetst aan het Bouwstoffenbesluit dienen rechtstreeks bij het bevoegd gezag te worden ingediend.
(https://www.meldpuntbodemkwaliteit.nl/Voorportaal.aspx). Het meldpunt stuurt de melding vervolgens ter beoordeling door naar het betreffende bevoegde gezag.
Op de website van het meldpunt zijn de meldingsformulieren te vinden alsmede informatie over welke gegevens bij de melding moeten worden gevoegd. Men kan bij het meldpunt ook terecht voor vragen over het invullen van de meldingsformulieren of het aanvragen van een account om digitaal te kunnen melden.
Indien er onduidelijkheden of twijfels bestaan over het op een locatie mogen toepassen van een bepaalde partij, kan contact worden opgenomen met de bodemambtenaar van de desbetreffende gemeente.
Aanvullend op deze meldingsplicht worden particulieren verzocht om kleinschalig grondverzet temelden aan de gemeente. In bijlage 7 is dit formulier opgenomen. Dit formulier is geen verplichting vanuit het Besluit bodemkwaliteit.
Beoordeling
De gemeenten toetsen de voorgenomen toepassing, en de eventueel bijgeleverde stukken, aan het Besluit bodemkwaliteit en onderliggende Bodembeheernota. Hierbij wordt in ieder geval nagegaan of:
•Het meldingsformulier volledig is ingevuld en of de benodigde bewijsmiddelen zijn bijgevoegd (dus of de melding ontvankelijk is);
•De werkzaamheden onder het juiste toepassingskader zijn aangemeld;
•Terecht van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel gebruik wordt gemaakt;
•Op basis van de verstrekte informatie redelijkerwijs kan worden aangenomen dat er inderdaad geen sprake is van bijzondere omstandigheden of onverwachte situaties;
•De aangeleverde bewijsmiddelen acceptabel en voldoende zijn;
•De eindconclusie over de toepasbaarheid van de partij grond of baggerspecie juist is.
De gemeente is het bevoegd gezag in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. De deelnemende gemeenten hebben de mogelijkheid een andere partij zoals de omgevingsdienst aan te wijzen om deze taken over te nemen. De omgevingsdienst toetst in dat geval de melding in opdracht van de gemeente. Indien de melding en/of de bijgeleverde gegevens naar het oordeel van de toetsende instantie onduidelijk, onvolledig of anderszins niet toereikend zijn, zullen door de toetser nadere gegevens van de melder worden verlangd. Dit verzoek kan telefonisch, per e-mail of per brief plaatsvinden.
Door de melder kan in principe vijf werkdagen na het melden met de werkzaamheden worden aangevangen. De gemeente neemt namelijk geen formeel besluit op de melding. Een toepasser kan zich niet beroepen op het uitblijven van een reactie van de gemeente op een melding. De toepasser is en blijft namelijk zelf verantwoordelijk voor het voldoen aan de vereisten van het Besluit bodemkwaliteit.
Registratie
Een goede registratie van meldingen is van belang voor het toezicht op het toepassen van grond en baggerspecie en voor het op termijn actualiseren van de bodemkwaliteitskaart.
Meldingen die digitaal worden ingediend, worden automatisch geregistreerd onder het account dat iedere gemeente heeft bij het Meldpunt bodemkwaliteit. Hierbij worden onder meer de volgende gegevens vastgelegd:
•De informatie van het meldingsformulier;
•De daadwerkelijke start van het project;
•Wanneer de werkzaamheden zijn afgerond;
•Eventuele afwijkingen in de uitvoering.
4.13.2 Meldingen en procedures onder de Omgevingswet
Meldingen
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen meldingen niet meer gaan via het meldpunt bodemkwaliteit, maar via Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) is de digitale ondersteuning van de Omgevingswet.
De centrale spil is het Omgevingsloket, waar digitale informatie over de leefomgeving onder de Omgevingswet samenkomt. Via het Omgevingsloket kunnen initiatiefnemers een vergunningaanvraag of een melding indienen in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).
Middels duidelijke stappen en vragen worden initiatiefnemers door het proces geleid. Door het maken en aanleveren van toepasbare regels door gemeenten kunnen gemeenten zelf de vragen en indieningsvereisten over activiteiten voor een verzoek bepalen. Wanneer er in het Omgevingsloket een melding wordt ingediend, krijgen zowel het bevoegd gezag als de behandeldienst (indien ingesteld) hiervan een melding.
Het kan zijn dat met de inwerkingtreding van de Omgevingswet het DSO (of delen daarvan) nog niet kunnen worden gebruikt. Om tijdelijk toch nog vergunningaanvragen of meldingen te ontvangen, zijn er tijdelijke alternatieve maatregelen (TAM) beschikbaar.
In hoofdstuk 4 van het Bal staat per milieubelastende activiteit of er door de initiatiefnemer informatie moet worden verstrekt (gegevens en bescheiden) aan het bevoegd gezag en/of een melding moet worden verricht. Voor de volgende bodem-gerelateerde activiteiten is in het Bal een informatie/meldplicht geregeld:
•Informatieplicht:
○ Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.119 van het Bal);
○ Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120 van het Bal);
○ Saneren van de bodem (paragraaf 4.121 van het Bal);
○ Toepassen van bouwstoffen (paragraaf 4.123 van het Bal);
•Meldplicht:
○ Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120 van het Bal);
○ Saneren van de bodem (paragraaf 4.121 van het Bal);
○ Opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie (paragraaf 4.122 van het Bal);
○ Toepassen van grond of baggerspecie (paragraaf 4.124 van het Bal).
Voor activiteiten waarbij zowel een melding moet worden gedaan als ook gegevens en bescheiden worden aangeleverd (informatieplicht), dienen beide onderdelen in het DSO ingevuld te worden.
Termijnen
De meldingstermijnen wijzigen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet en worden hieronder beknopt samengevat.
Graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit
De initiatiefnemer verstrekt gegevens en bescheiden over de voorgenomen toepassing minimaal één week voorafgaande aan de aanvang van de activiteit.
Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit
Minimaal 4 weken voor aanvang van de activiteit wordt door de initiatiefnemer de melding verricht. In het geval van tijdelijke uitname geldt een meldingstermijn van 1 week. Dezelfde termijnen gelden voor de gegevens en bescheiden die dienen te worden aangeleverd. Verder dient de initiatiefnemer binnen 1 week na afronding van de activiteit gegevens en bescheiden aan te leveren.
In het geval van spoedreparaties is het niet verplicht te voldoen aan de hierboven gestelde termijnen voor informatie- en meldplicht. Wel dient de initiatiefnemer na afronding van de werkzaamheden alsnog gegevens en bescheiden aan te leveren.
Saneren van de bodem
Voor de activiteit saneren van de bodem dient de melding minimaal 4 weken voor aanvang van de activiteit te zijn verricht. Daarnaast moeten gegevens en bescheiden worden verstrekt: ten minste 4 weken voor de aanvang dienen gegevens over de begrenzing en verwachte startdatum te zijn verstrekt. Minimaal 1 week voor het begin van de activiteit verstrekt de initiatiefnemer het bevoegd gezag met betrekking tot de uitvoerder en milieukundige begeleiding. Ten hoogste 4 weken na afronding na afronding van de activiteit verstrekt de initiatiefnemer een evaluatieverslag en eventuele aanvullende documenten.
Opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie
De initiatiefnemer meldt de activiteit minimaal 4 weken voorafgaande aan de start van de activiteit. Er gelden twee uitzonderingen:
•Over het samenvoegen van partijen is maar één keer een melding nodig. Het is niet nodig om iedere keer te melden dat er partijen worden samengevoegd;
•Wanneer er eenmalig wordt opgeslagen dient er een week voor de opslag een melding te worden gedaan (met inwerkingtreding van de Omgevingswet komt het begrip ‘tijdelijke opslag’ te vervallen).
Toepassen van bouwstoffen
Alleen in het geval van het toepassen van de bouwstoffen AVI-bodemassen en immobilisaten geldt een informatieplicht voorafgaande aan de activiteit. Voor het toepassen van overige bouwstoffen geldt geen informatieplicht vooraf. De gegevens en bescheiden voor het toepassen van AVI-bodemassen en immobilisaten dienen minimaal 4 weken voor de start te zijn ingediend.
Ongeacht de hierboven genoemde informatieplicht dient de initiatiefnemer de kwaliteit van de toe te passen bouwstoffen op moment van toepassen te kunnen aantonen. De gegevens en bescheiden dienen daarom beschikbaar te zijn tijdens de werkzaamheden. In enkele situaties is het niet noodzakelijk om de kwaliteit van het materiaal te kunnen aantonen tijdens de werkzaamheden. Dit geldt voor het toepassen van metselmortel of een natuursteenproduct, vormgegeven bouwstoffen als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit 2021 die zonder verandering van eigenschappen of samenstelling onder dezelfde omstandigheden opnieuw worden toegepast, niet-teerhoudend asfalt of asfaltbeton, tijdelijk uit een werk wegnemen of wanneer een natuurlijk persoon (particulier) bouwstoffen toepast, anders dan in zijn beroep of bedrijf.
Toepassen van grond of baggerspecie
Voor het melden van een toepassing geldt een meldplicht van 1 week. In het geval het gaat om meerdere toepassingen, is een meldingstermijn van 4 weken van toepassing.
Er zijn uitzonderingen van toepassing:
Voor de volgende gevallen geldt er geen meldingsplicht:
•Toepassing door natuurlijk persoon: particulieren tot maximaal 25 m3;
•Bedrijf voor telen van gewassen: toepassen op eigen landbouwgronden;
•Maximaal 50 m3 grond kwaliteit landbouw/natuur. Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn;
•Maximaal 50 m3 baggerspecie kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar: Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn (met uitzondering van toepassen in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone);
•Baggerspecie verspreiden op de landbodem, als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a van het Bal;
•Als een activiteit vergunningplichtig is volgens hoofdstuk 3 van het Bal, dan geldt er geen meldplicht. De gegevens die een melding moet bevatten, maken in dat geval onderdeel uit van de vergunningaanvraag;
•Al eerder gemeld: als er al eerder een melding is gedaan voor dezelfde toepassing, hoeft een initiatiefnemer niet opnieuw te melden. Wel moet de initiatiefnemer gegevens en bescheiden per partij aanleveren volgens artikel 4.1267.
Minimaal één week voor aanvang van de activiteit dient de initiatiefnemer het bevoegd gezag te voorzien van gegevens en bescheiden. De gegevens en bescheiden hoeven niet aangeleverd te worden in de volgende gevallen:
•Toepassing door natuurlijk persoon: particulieren tot maximaal 25 m3;
•Bedrijf voor telen van gewassen: toepassen op eigen landbouwgronden;
•Grond met kwaliteitsklasse landbouw/natuur. Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn;
•Baggerspecie met kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar. Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn (met uitzondering van toepassen in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone);
•Baggerspecie verspreiden op de landbodem, als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a van het Bal. Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn.
Op de website https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/toepassen-grond-baggerspecie/toepassingsbereik-melding-gegevens/ zijn stroomdiagrammen opgenomen die de meldplicht en informatieplicht verduidelijken.
4.14 Toezicht en handhaving
4.14.1 Toezicht en handhaving onder het huidige stelsel
Proactieve handhaving
De melding geeft de RUD Zuid-Limburg (namens de betreffende gemeente) de mogelijkheid om te verifiëren of de toe te passen partij en de voorgenomen toepassing voldoen aan de vereisten van het Besluit bodemkwaliteit. Door de gemeente worden bij de melder aanvullende gegevens opgevraagd indien de melding en/of de bijgeleverde gegevens onduidelijk, onvolledig of anderszins niet toereikend zijn.
Actieve handhaving
Een deel van de gemelde toepassingen wordt in het veld gecontroleerd. Hierbij wordt onder andere aandacht besteedt aan:
•Komt de toepassingslocatie overeen met wat in de melding is aangegeven?
•Komt het toegepaste volume overeen met de melding?
•Komt het toegepaste materiaal overeen met wat is gemeld?
Om het toepassen (hergebruik) van grond en baggerspecie op zorgvuldige wijze te kunnen laten plaatsvinden, alsmede het toezicht hierop te vereenvoudigen, gelden een aantal procedurele voorschriften:
•Indien de uitvoeringsdatum ten tijde van de melding nog niet kon worden aangegeven, dient de gemeente uiterlijk vijf werkdagen vóór aanvang van de werkzaamheden op de hoogte te worden gesteld;
•De eigenaar of erfpachter van de locatie waarop de toepassing plaatsvindt dient tijdens de uitvoering van de werkzaamheden een kopie van het meldingsformulier, en de bijbehorende ontvangstbevestiging van de gemeente, aan een toezichthoudend ambtenaar te kunnen overleggen;
•De uitvoerder van het project dient de voor de aan te voeren c.q. toe te passen partij grond of baggerspecie relevante bewijsmiddelen te kunnen overleggen;
•Afwijkingen van de oorspronkelijke melding dienen terstond te worden gemeld;
•Wanneer tijdens de uitvoering van het ontgraven of toepassen van grond of baggerspecie uit zintuiglijke waarnemingen blijkt dat de grond of baggerspecie mogelijk is verontreinigd, mag deze grond/baggerspecie niet zonder nader onderzoek of nadere bewerking worden hergebruikt. Indien een dergelijke waarneming wordt gedaan, dient de grond/baggerspecie in depot te worden gezet en dient contact te worden opgenomen met de gemeente.
Als blijkt dat de toepassing niet overeenkomt met de melding zullen de toezichthouders er op toezien dat de ongewenste situatie ongedaan wordt gemaakt. Hierbij zal gebruik worden gemaakt van de beschikbare wettelijke hulpmiddelen.
Afhankelijk van de geconstateerde tekortkoming, zal melding worden gedaan bij het Toezichtloket Bodem van de Inspectie Leefomgeving en Transport (https://www.ilent.nl/onderwerpen/bodemtoezicht).
Naast gerichte inspecties in relatie tot gemelde toepassingen, worden door de toezichthouders surveillances uitgevoerd teneinde te controleren op niet gemelde toepassingen van grond en baggerspecie.
Post-actieve handhaving
Tot slot is het mogelijk om handhavend op te treden door het uitvoeren van een handhavingsonderzoek. Indien het noodzakelijk wordt geacht om tot monsterneming over te gaan, bijvoorbeeld wanneer wordt betwijfeld of de kwaliteit van de toegepaste partij grond of baggerspecie overeenkomt met de gemelde kwaliteit, moeten de bemonstering en het laboratoriumonderzoek plaatsvinden overeenkomstig het daarvoor van toepassing zijnde kaders.
Daarnaast kan strafrechtelijk en/of bestuursrechtelijk worden opgetreden bij geconstateerde overtredingen. Wat hierbij bepalend is, is of sprake is van een aandachtspunt zoals beschreven in de HandhavingsUitvoeringsMethode Besluit bodemkwaliteit (HUM-Bbk)
20De HUM-Bbk is een uitgave van SenterNovem Bodem+, in opdracht van het ministerie van VROM (kenmerk 3BODM0906, augustus 2009).
. Deze HUM-Bbk is bedoeld om alle handhavende overheidsinstanties, die toezicht houden in het kader van het Besluit Bodemkwaliteit, ondersteuning te bieden bij het signaleren, beëindigen, ongedaan maken of terugdraaien van een overtreding.
Transport
Voor het transport van (vrijkomende) grond en baggerspecie moet worden voldaan aan de Wegenverkeerswet, het Reglement verkeersregels en verkeerstekens en de wetgeving met betrekking tot het transporteren van afvalstoffen. (Vrijkomende) grond of baggerspecie is in principe een afvalstof, tenzij door de eigenaar aantoonbaar voldoende garanties kunnen worden gegeven dat de betreffende partij binnen afzienbare tijd direct nuttig kan worden hergebruikt op een andere locatie.
In het geval van afvalstoffen dienen de volgende documenten bij het transport aanwezig te zijn:
1Een volledig ingevulde en ondertekende ‘standaard begeleidingsbrief’
a.Het vermelden van een afvalstroomnummer is afhankelijk van de bestemming (gaat de partij wel of niet naar een inrichting);
2Een gewaarmerkt kopie van het certificaat voor vervoer (NIWO: Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie);
3Een verwijzing naar kwaliteitsgegevens (deze kwaliteitsgegevens moeten op de locatie van herkomst of de locatie van toepassing aanwezig zijn).
Indien kan worden aangetoond dat de partij grond of baggerspecie op korte termijn wordt hergebruikt, dan wel rechtstreeks van een leverancier vandaan komt, zijn voor het transport de volgende documenten vereist:
1Een vrachtbrief in het kader van transportwetgeving (de eerdergenoemde begeleidingsbrief is ook als vrachtbrief te gebruiken);
2Een gewaarmerkt kopie van het certificaat voor vervoer (NIWO);
3Een verwijzing naar kwaliteitsgegevens.
Opgemerkt wordt dat voor wat betreft grond en baggerspecie het Besluit bodemkwaliteit alleen betrekking heeft op het toepassen hiervan. Derhalve is het bevoegd gezag voor het Besluit bodemkwaliteit niet bevoegd voor het uitvoeren van controles in het kader van transport (- of afvalstoffen) wetgeving. Het bevoegd gezag in relatie tot transport zijn de politie en de provincie. Daarnaast zijn de Inspectie van Verkeer en Waterstaat en de ILenT inspectie eerstverantwoordelijke voor ketentoezicht in relatie tot het Besluit bodemkwaliteit.
Wel mag een toezichthouder van de gemeente die transporten controleren die gerelateerd zijn aan een toepassing conform het Besluit bodemkwaliteit. Bij het controleren van transporten is samenwerking met de provincie of de politie echter altijd aan te bevelen.
4.14.2 Toezicht en handhaving onder de Omgevingswet
Het basistakenpakket voor toezicht en handhaving is onder de Omgevingswet op een paar onderdelen gewijzigd. De omzetting van het basistakenpakket wordt zo beleidsneutraal mogelijk gedaan. In hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn de toebedeelde taken nu eenvoudiger te vinden.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn er enkele wijzigingen in het basistakenpakket (BTP) uitgevoerd door omgevingsdiensten. Het doel is om een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving te bevorderen.
Een aantal belangrijke wijzigingen is:
•De milieubelastende activiteit is nu de ingang voor het basistakenpakket en niet langer het begrip 'inrichting';
•Bodemgerelateerde activiteiten zijn onder de Omgevingswet niet langer apart geregeld. Dit is omdat deze activiteiten onder de regels van milieubelastende activiteiten vallen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
•Onder het basistakenpakket vallen nu ook de uitvoering en het toezicht en de handhaving van de regels in het omgevingsplan, als het gaat om activiteiten uit het basistakenpakket. Wanneer een activiteit niet binnen het bereik van het basistakenpakket valt, mag deze wel als extra taak bij de omgevingsdienst belegd worden.
Bijlage 1 Begrippenlijst
Grond= Grond is vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 mm en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, met uitzondering van baggerspecie.
Mergel= Een afzettingsgesteente bestaande uit een mengsel van klei en fijnverdeelde kalk.
Stol= Stol is een mengsel van zand, grind en leem. Dit betreft geen van allen bodemvreemd materiaal. Gelet op uitspraken van de Raad van State wordt een stollaag aangemerkt als bodem (Beleidskader bodem provincie Limburg).
Silex= Tussen de mergel bevinden zich diverse lagen vuursteen (silex), dit is een zeer hard gesteente. Het gesteente wordt vuursteen genoemd.
Kern Eijsden= De kern Eijsden wordt gevormd door de bebouwde kom van het dorp Eijsden, inclusief Mariadorp maar exclusief Poelveld en aanliggend Industrieterrein.
Kernen van de voormalige gemeente Eijsden= De dorpen en gehuchten in het Maas- en Voerdal: Mesch, Withuis, Gronsveld, Oost-Maarland, Rijckholt.
Openbare ruimte= De percelen die in eigendom zijn van overheden.
Particuliere ontgraving= Een ontgraving uitgevoerd door een particulier waarbij de ontgraven grond met particulier materieel (bijvoorbeeld een aanhangwagen) wordt afgevoerd; de ontgraving is daarmee niet-projectmatig.
Wegberm= De functiegrens tussen de wegen, spoorlijnen en de omliggende terreindelen is weergegeven in onderstaande figuur (bron: RWS).
Figuur A: Functiegrens langs wegen en spoorlijnen
Bijlage 4 Waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden in de Omgevingsverordening 2021
Artikel 4.29 Kwaliteit grond en baggerspecie in waterwingebieden
1De grond of baggerspecie die wordt toegepast in een waterwingebied heeft geen lagere kwaliteit heeft dan de kwaliteitsklasse landbouw/natuur.
2Het eerste lid is niet van toepassing op de verspreiding over het aangrenzende perceel van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud.
Artikel 4.27 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
1Het is verboden zonder omgevingsvergunning grond of baggerspecie toe te passen in een grondwaterbeschermingsgebied, als:
a.de kwaliteit van de grond of de baggerspecie de maximale waarde van de volgende kwaliteitsklassen overschrijdt:
1‘wonen’ bij toepassing op de bodem; of
2‘licht verontreinigd’ bij toepassing in oppervlaktewater; of
b.de kwaliteit van de grond of baggerspecie lager is dan de kwaliteit van de ontvangende bodem of waterbodem.
2Het eerste lid is niet van toepassing op de verspreiding over het aangrenzende perceel van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud.
Bijlage 5 Locaties met gevoelig bodemgebruik
•Speelterrein
In de Basisregistratie Grootschalige Topografie zijn selecties gemaakt naar type gebruik (Speelterrein, speelvoorziening) en type verharding van de speelterreinen (onbegroeid, begroeid, boomschors).
•Speelterrein met boomschors
•Speelvoorziening (onbegroeid)
•Speelvoorziening (begroeid)
•Scholen
Basisregistratie Adressen en Gebouwen (selectie op Onderwijs), hierin zitten zowel lagere als middelbare scholen. De kaartlaag is gecombineerd met de ESRI risicokaart waarmee alleen lagere scholen (leeftijd <12 jaar) konden worden geselecteerd. Met behulp van BAG , kadastrale kaarten en BGT (erf) is steeds het terrein van de school geselecteerd waar geen gebouw op staat (dus speelplaats, parkeerterrein e.d. rondom het schoolgebouw)
•Kinderopvang
Landelijk Register Kinderopvang, dit zijn zowel BSO (buitenschoolse opvang )en crèches maar ook opvangouders.
Met behulp van BAG, kadastrale kaarten en BGT (erf) is steeds het terrein van de BSO/thuisopvang geselecteerd waar geen gebouw op staat (dus speelplaats, tuin, parkeerterrein rondom het gebouw)
•Wonen met tuin
Basisregistratie Adressen en Gebouwen (selectie op Woonfunctie). Met behulp van BAG, kadastrale kaarten en BGT (erf) is steeds het terrein van de woning geselecteerd waar geen gebouw op staat (dus tuin of inrit om het huis)
•Volkstuin
CBS bodemgebruikskaart 2015 (selectie op Volkstuinen)
•Park en plantsoen
CBS bodemgebruikskaart 2015 (selectie op Park en Plantsoen)
•Sportterrein
CBS bodemgebruikskaart 2015 (selectie op Sportterrein)
•Verblijfsrecreatie
CBS bodemgebruikskaart 2015 (selectie op Verblijfsrecreatie)
•Dagrecreatie
CBS bodemgebruikskaart 2015 (selectie op (dag)recreatie)
•Sport en Vrije tijd
Open Street Map (Point of Interest is Sport of Vrije Tijd (uitgezonderd Nature reserve))
•Natuurgebied
Open Street Map(Point of Interest is Vrije Tijd, waarde is Nature reserve)
Bijlage 7 Meldingsformulier particuliere ontgravingen
Gegevens indiener
Naam:
Adres:
Woonplaats:
Telefoon:
E-mail:
Gegevens vrijgekomen grond
Hoeveelheid (in m3):
Functie huidige grond:
Bodemonderzoek aanwezig:
O Nee O Ja
Datum onderzoek (indien aanwezig)
Gegevens bouwlocatie (indien anders dan gegevens indiener)
Adres:
Woonplaats:
Bouwwerkzaamheden:
Gegevens stortlocatie (indien bekend)
Eigenaar:
Gemeente:
Adres:
Sectie + nummer:
Storten of hergebruiken van grond
Er wordt geadviseerd de vrijkomende grond op eigen terrein te hergebruiken. Dit heeft als voordeel dat geen bodemonderzoek nodig is. In veel gevallen is deze wel verplicht voor een bouwaanvraag. Als hergebruik op eigen terrein niet mogelijk is, moet de grond worden afgevoerd. Kleine hoeveelheden grond kunnen worden afgevoerd naar het milieupark of grondbank.
Als de grond op een andere locatie hergebruikt wordt kan de ontvanger een bodemonderzoek eisen, om zeker te zijn van de kwaliteit van de grond. Als de grond binnen Heuvelland verplaatst wordt, moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de grond voldoet aan de eisen van de stortlocatie. Dit kan betekenen dat in de meeste gevallen, naast het bodemonderzoek van de vrijkomende grond, ook een bodemonderzoek gedaan moet worden van de locatie waar de grond gestort wordt. Daarnaast is voor het plaatsen van grond in de meeste gebieden een aanlegvergunning nodig.
Het is mogelijk om de grond door een aannemer of een dergelijk bedrijf af te laten voeren. In een dergelijk geval zal ook aangegeven moeten worden waar de vrijkomende grond naar toe gaat.
Voor vragen kunt u terecht bij de Gemeente, tel.nr.
Naam eigenaar:
Datum:
Handtekening:
Voor akkoord bevonden (in te vullen door de gemeente):