Aanhef
De colleges van de gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland en Reimerswaal, ieder voor zover zij bevoegd zijn en elk college na verkregen toestemming van de raad;
overwegende dat bij eensluidend besluit van de colleges van 21 mei 2013 is aangegaan de gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden;
dat vervolgens de colleges bij eensluidend besluit van 27 januari 2015 de taken en bevoegdheden voor de in de regeling aangegeven taakvelden hebben overgedragen aan het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden;
dat de Wet gemeenschappelijke regeling per 1 januari 2015 is gewijzigd en dat als gevolg daarvan de geldende regeling moet worden aangepast;
dat van die wijziging gebruik wordt gemaakt om het op 27 januari 2015 vastgestelde delegatiebesluit in de regeling op te nemen;
overwegende dat:
-de gemeenteraad van Borsele bij besluit van 6 september 2018;
-de gemeenteraad van Goes bij besluit van 20 december 2018;
-de gemeenteraad van Kapelle bij besluit van 20 november 2018;
-de gemeenteraad van Noord-Beveland bij besluit van 20 september 2018 en;
-de gemeenteraad van Reimerswaal bij besluit van 18 december 2018;
toestemming als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen hebben verleend voor het wijzigen van deze gemeenschappelijke regeling door de onderscheiden colleges;
gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Gemeentewet, de Algemene wet bestuursrecht en de Archiefwet;
besluiten:
vast te stellen de navolgende (gewijzigde) gemeenschappelijke regeling:
SAMENWERKING DE BEVELANDEN
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
1Deze regeling verstaat onder:
a.de regeling: de gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden;
b.gemeenten: de aan de regeling deelnemende gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland en Reimerswaal;
c.de wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen;
d.gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie Zeeland;
e.de werkorganisatie: de ambtelijke organisatie, werkzaam binnen de regeling.
2Daar waar in deze regeling artikelen en bepalingen van enige wet of andere regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, dienen in die artikelen in plaats van ‘de gemeente’, ‘de raad’, ‘het college’ en ‘de burgemeester’ te worden gelezen onderscheidenlijk: ‘het openbaar lichaam’, ‘het algemeen bestuur’, ‘het dagelijks bestuur’ en ‘de voorzitter’.
Artikel 2 Openbaar lichaam
1Er is een openbaar lichaam met de naam Samenwerking De Bevelanden. Het openbaar lichaam is een rechtspersoon en is gevestigd in de gemeente Goes.
2Het rechtsgebied van de regeling omvat het grondgebied van de gemeenten.
3Als de regeling diensten aanbiedt aan een andere gemeente dan de gemeenten, omvat het rechtsgebied van de regeling tevens het grondgebied van die andere gemeente.
4De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.
Artikel 3 Bestuursorganen
De regeling kent de volgende bestuursorganen: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.
Hoofdstuk 2 Belang, taken en bevoegdheden
Artikel 4 Belang
1De regeling bevordert een duurzame, robuuste samenwerking met flexibiliteit binnen geldende marges door het behartigen van de gemeenschappelijke belangen van de gemeenten, het vergroten van het gemeenschappelijke kennisniveau en het inspelen op dwingende, bestuurlijke en maatschappelijke ontwikkelingen die op termijn de bestuurskracht van de individuele gemeenten sterk zullen beïnvloeden, met het doel: het vergroten van de bestuurskracht, met behoud van de huidige bestuurlijke schaal, door bundeling van ambtelijke expertise op operationeel, tactisch en/of strategisch niveau met als resultaat: verhoogde kwaliteit, continuïteit en efficiëntie.
2De regeling behartigt de gemeenschappelijke belangen van de gemeenten.
Artikel 5 Taakvelden, taken en bevoegdheden
1De behartiging van de in artikel 4 bedoelde belangen heeft betrekking op de volgende taakvelden:
a.samenwerking op het gebied van ICT
b.samenwerking op het gebied van informatievoorziening;
c.samenwerking ten aanzien van P&O en salarisadministratie;
d.samenwerking op het gebied van werk, zorg en inkomen.
2Ter uitvoering van de in het eerste lid genoemde taakvelden worden de navolgende taken en bevoegdheden overgedragen aan het dagelijks bestuur van de regeling.
A Taakveld ICT
A.1. Uitvoering taken en bevoegdheden
Tot de uitvoering van de taken en bevoegdheden op het gebied van ICT behoren:
a.het gevraagd en ongevraagd adviseren over ICT aan de deelnemende gemeenten;
b.het realiseren van ICT-projecten voor de deelnemende gemeenten;
c.het ondersteunen van de medewerkers van de deelnemende gemeenten bij het gebruik van ICT;
d.het beheer van de technische infrastructuur;
e.het vertegenwoordigen van de colleges met betrekking tot ICT in overlegstructuren.
B Taakveld informatievoorziening
B.1. Uitvoering taken en bevoegdheden
Tot de uitvoering van de taken en bevoegdheden op het gebied van informatievoorziening behoren:
a.het gevraagd en ongevraagd adviseren over informatievoorziening aan de deelnemende gemeenten;
b.het adviseren over het strategische en meerjarige informatiebeleid;
c.het uitvoeren van het programma-, project-,inkoop- en contractmanagement;
d.de uitvoering van de informatiebeveiliging;
e.gegevensmanagement;
f.functioneel applicatiebeheer;
g.het vertegenwoordigen van de colleges in overlegstructuren.
C Taakvelden P&O en salarisadministratie
C.1. Uitvoering taken en bevoegdheden
Tot de uitvoering van de taken en bevoegdheden op het gebied van P&O en salarisadministratie behoort het voorbereiden van de besluitvorming, daaronder begrepen het gevraagd en ongevraagd adviseren, alsmede het bieden van (facilitaire) ondersteuning bij de uitvoering van de genomen besluiten.
C.2. Behoud verantwoordelijkheden en bevoegdheden
De gemeenten behouden hun verantwoordelijkheden en bevoegdheden ten aanzien van rechtspositionele besluiten, organisatiewijzigingen en/of ontwikkelingen van de gemeentelijke organisatie. De regeling kan een deelnemende gemeente desgewenst daarin ondersteunen en/of faciliteren.
D Taakveld werk, inkomen en zorg (WIZ)
D.1. Taken en bevoegdheden
1Ter uitvoering van het taakveld WIZ dragen de colleges alle uitvoerende taken en bevoegdheden, die bij of krachtens de hierna te noemen wetten, alsmede de daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur en uitvoeringsregelingen, aan de colleges zijn toegekend, over aan het dagelijks bestuur van de regeling:
a.Participatiewet;
b.Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004);
c.Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw);
d.Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz);
e.Wet Inburgering (Wi);
f.Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening (Wgs);
g.Regeling gehandicaptenparkeerkaart (Regeling gpk), op grond van artikel 49 Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW).
2Ter uitvoering van het taakveld WIZ dragen de colleges de navolgende uitvoerende taken en bevoegdheden, die bij of krachtens de hierna te noemen wetten, alsmede de daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur en uitvoeringsregelingen, aan de colleges zijn toegekend, over aan het dagelijks bestuur van de regeling:
a.verstrekkingen in het kader van art. 1.13 van de Wet kinderopvang (Wko);
b.het afgeven van een verklaring als bedoeld in artikel 285 eerste lid, onder f, en tweede lid van de Faillissementswet (Fw) in het kader van de Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen;
c.de toekenning van maatwerkvoorzieningen in het kader van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015);
d.de uitvoering van hoofdstuk 5 paragraaf 1, taakstelling huisvesting vergunninghouders, van de Huisvestingswet 2014;
e.uitvoering van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet Suwi), voor zover dat betrekking heeft op het taakveld van WIZ.
3Tevens dragen de colleges aan het dagelijks bestuur van de GR de taken en bevoegdheden over ten aanzien van de uitvoering van wet- en regelgeving die in plaats treedt van de hiervoor genoemde wet- en regelgeving, alsmede het ter zake geldende overgangsrecht.
D.2. Minimabeleid
Aan het dagelijks bestuur van de GR wordt de uitvoering overgedragen van het door de deelnemende gemeenten vastgestelde Minimabeleid, waaronder voor de gemeenten Goes, Kapelle, Borsele en Reimerswaal de uitvoering van de Verordening Declaratiefonds.
D.3. Samenwerking met andere partijen
1Het bepaalde in onderdeel D.1. vindt waar mogelijk plaats in samenwerking met (keten)partners en derden die door de GR worden ingeschakeld bij de uitvoering van genoemde regelingen.
2Het dagelijks bestuur van de GR vervult hierbij de regiefunctie namens de colleges.
D.4. Advisering
1Het dagelijks bestuur van de GR kan gevraagd en ongevraagd het bestuur van de deelnemende gemeenten adviseren over het te voeren beleid op het terrein van werk, inkomen, sociale zekerheid, minimabeleid, zorg en de ontwikkelingen op de lokale / regionale arbeidsmarkt.
2Het dagelijks bestuur van de GR adviseert het bestuur van de deelnemende gemeenten in ieder geval ten aanzien van de gemeenschappelijke regeling de Betho in het kader van de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) en Participatiewet.
D.5. Algemene voorzieningen Wmo
1Het dagelijks bestuur van de GR signaleert en adviseert gevraagd en ongevraagd de colleges ten aanzien van algemene voorzieningen op het gebied van participatie en zelfredzaamheid in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
2Het dagelijks bestuur van de GR kan algemene voorzieningen op het gebied van participatie en zelfredzaamheid in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 met een bovengemeentelijk karakter initiëren in samenwerking met de colleges.
D.6. Vertegenwoordiging in overleg
Het dagelijks bestuur van de GR vertegenwoordigt binnen haar bevoegdheden de colleges in alle met bovengenoemde taken samenhangende overlegstructuren.
D.7. Cliëntenraad
Het dagelijks bestuur van de GR onderhoudt de relatie met de cliëntenraad als vertegenwoordigend orgaan van de cliënten van de deelnemende gemeenten.
1Naast de in lid 2 bedoelde taken en bevoegdheden en hetgeen rechtstreeks door de wet aan het samenwerkingsverband is opgedragen, omvat de behartiging van de in artikel 4 bedoelde belangen in ieder geval de volgende taak en bevoegdheid: het treffen van een regeling voor het voeren van een secretariaat.
2Aan de in lid 1 genoemde taakvelden kunnen bij eensluidende besluiten door de colleges taakvelden aan de regeling worden toegevoegd. Artikel 1, tweede lid, van de wet is op die besluiten van toepassing.
3De regeling kan met instemming van het algemeen bestuur ook diensten aan andere ge-meenten verlenen.
Artikel 6 Bezwaarschriftencommissie
Het algemeen bestuur is bevoegd tot het instellen van een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 7 Klachtrecht
1Het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van een regeling over de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht.
2Voor de externe behandeling van klachten wordt aangesloten bij de Stichting De Zeeuwse Ombudsman.
Hoofdstuk 3 Het algemeen bestuur
Artikel 8 Samenstelling algemeen bestuur
1Het algemeen bestuur van de regeling bestaat uit tien leden, twee leden per gemeente, waaronder de voorzitter.
2Ieder college van de gemeenten wijst de burgemeester en een wethouder aan.
3In geval van langdurige afwezigheid van een lid van het algemeen bestuur wordt een plaatsvervanger aangewezen door het college, die het desbetreffende bestuurslid vertegenwoordigt.
4De colleges van de gemeenten beslissen in beginsel binnen één maand na de benoeming van de wethouders van elke zittingsperiode over de aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur.
5Het algemeen bestuur wijst de burgemeester van de gemeente Goes aan als voorzitter en wijst tevens diens plaatsvervanger aan.
6De leden van het algemeen bestuur hebben, onverminderd het bepaalde in de leden 7 tot en met 10, zitting gedurende de zittingsduur van de colleges.
7De leden van het algemeen bestuur treden af op de dag waarop de leden van de colleges van de gemeenten aftreden.
8Het lid dat tussentijds ophoudt lid van het college van burgemeester en wethouders te zijn, houdt daarmee tevens op lid te zijn van het algemeen bestuur. Dit geldt ook voor de voorzitter.
9Het lid dat ter vervulling van een tussentijdse vacature als lid van het algemeen bestuur wordt benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens of wier plaats dit lid is benoemd, zou hebben moeten aftreden.
10De leden van het algemeen bestuur die tussentijds ontslag nemen, stellen de voorzitter van het algemeen bestuur alsmede het college die hem of haar heeft aangewezen hiervan op de hoogte. Het ontslag is onherroepelijk.
11De aanwijzing voor de vervulling van plaatsen die zijn opengevallen, vindt binnen twee maanden plaats door het college die het aangaat.
Artikel 9 Bevoegdheden van het algemeen bestuur
1Aan het algemeen bestuur komen in het kader van deze regeling alle bevoegdheden toe, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen.
2Het algemeen bestuur kan alle bevoegdheden delegeren aan het dagelijks bestuur, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen delegatie verzet.
3De volgende bevoegdheden van het algemeen bestuur zijn niet overdraagbaar:
a.het aanwijzen van een voorzitter en diens plaatsvervanger en de overige leden van het dagelijks bestuur;
b.het vaststellen van de begroting, respectievelijk begrotingswijzingen en de jaarstukken;
c.het vaststellen van een reglement van orde;
d.het vaststellen van de Financiële verordening en de Controleverordening;
e.het vaststellen van een regeling tot instelling van een commissie ex artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht, en een regeling voor de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht;
f.het doen van voorstellen tot wijziging, toetreding, uittreding en opheffing van deze gemeenschappelijke regeling.
Artikel 10 Werkwijze
1Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast. Dit reglement alsmede de daarin aangebrachte wijzigingen wordt zo spoedig mogelijk na vaststelling ter kennis gebracht van de colleges en de raden van de gemeenten en van gedeputeerde staten.
2Het algemeen bestuur vergadert zo vaak als hij daartoe heeft besloten, maar minimaal twee keer per jaar en verder zo dikwijls als de voorzitter dit nodig acht of ten minste twee leden van het algemeen bestuur dit verzoeken (onder schriftelijke opgave van de te behandelen onderwerpen). In het laatste geval vindt de vergadering binnen twee weken plaats.
3De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op.
4Tegelijkertijd met de oproep brengt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij behorende voorstellen, met uitzondering van de in artikel 25, tweede lid, van de Gemeentewet, genoemde stukken waaromtrent geheimhouding is opgelegd, worden tegelijkertijd met de oproep en op een bij de openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd.
5De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar.
6De deuren worden gesloten wanneer een vijfde deel van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt.
7Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren wordt vergaderd.
8Uit de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing het bepaalde in artikel 20 (quorum voor opening van vergadering), artikel 22 (onschendbaarheid, verschoningsrecht), artikel 26 (handhaving orde vergadering), artikel 28 (niet-deelname aan de stemming), artikel 29 (quorum voor geldige stemming), artikel 30 (tot stand komen besluit), artikel 31 (geheime stembriefjes), artikel 32 (overige stemmingen) en artikel 33 (ambtelijke bijstand leden van het algemeen bestuur).
9Besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen. Als de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.
Artikel 11 Besloten vergadering
1Op grond van de belangen genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur over de geheimhouding van de inhoud van stukken is het bepaalde in artikel 23, leden 1 tot en met 4, van de wet van toepassing.
2In een besloten vergadering van het algemeen bestuur worden geen besluiten genomen over het meerjarenbeleidsplan, de begroting, begrotingswijzigingen, de jaarstukken en het liquidatieplan.
Hoofdstuk 4 Het dagelijks bestuur
Artikel 12 Samenstelling
1Het dagelijks bestuur bestaat ten minste uit een voorzitter en vier leden, met dien verstande dat in het dagelijks bestuur elk van de gemeenten vertegenwoordigd is.
2De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen door en uit het algemeen bestuur. Zij worden aangewezen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur nadat overeenkomstig artikel 8 de leden van het algemeen bestuur zijn aangewezen.
3De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van het algemeen bestuur zijn tevens voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van het dagelijks bestuur.
4De aanwijzing van leden van het dagelijks bestuur ter vervulling van plaatsen die openvallen, vindt plaats binnen twee maanden na de melding van de opengevallen plaats.
Artikel 13 Einde lidmaatschap
1Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt indien het lid ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur.
2Na raadsverkiezingen treden de leden van het dagelijks bestuur af op de dag waarop de zittingsperiode afloopt van het college waaruit zij zijn benoemd. Zij blijven hun functie vervullen tot het moment dat in de opvolging is voorzien.
Artikel 14 Werkwijze
1Het dagelijks bestuur vergadert minimaal vijf keer per jaar of zo dikwijls als de voorzitter of een ander lid van het dagelijks bestuur dit nodig acht, zulks onder opgave van de te behandelen onderwerpen. De vergadering vindt plaats binnen twee weken nadat het verzoek is ingekomen.
2Voor zover deze regeling niet anders bepaalt, kan het dagelijks bestuur zijn werkzaamheden verdelen over zijn leden. Het dagelijks bestuur deelt zijn besluiten daarover mee aan het algemeen bestuur.
3Besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen. Als de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.
4Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast, dat aan het algemeen bestuur ter kennisneming wordt overgelegd.
5Voor de besluitvorming in het dagelijks bestuur en de verplichting tot geheimhouding zijn de bepalingen zoals die zijn opgenomen in de Gemeentewet voor het college van overeenkomstige toepassing.
6Voor besluitvorming zijn minimaal drie leden van het dagelijks bestuur in de vergadering aanwezig.
Artikel 15 Taak
De taak van het dagelijks bestuur is:
1Het uitvoeren van alle taken en bevoegdheden die op grond van het in artikel 5 van deze regeling bepaalde aan het dagelijks bestuur zijn gedelegeerd.
2Voorts is het dagelijks bestuur belast met:
a.het beheer van de eigendommen en geldmiddelen van de regeling;
b.het houden van een voortdurend toezicht op het beheer en de exploitatie van de regeling, alsmede op al wat de regeling aangaat, waaronder de zorg voor de archiefbescheiden;
c.het benoemen, schorsen en ontslaan van het personeel;
d.het behartigen van de belangen van de regeling bij andere overheidslichamen en instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor de regeling van belang is;
e.het vaststellen van een instructie voor de directeur.
3Het dagelijks bestuur heeft de verplichting om het algemeen bestuur actief inlichtingen te verstrekken.
Hoofdstuk 5 De voorzitter
Artikel 16 Taak
1De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.
2De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur uitgaan.
3De voorzitter vertegenwoordigt de regeling in en buiten rechte. De voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door deze aan te wijzen gemachtigde.
4Indien de voorzitter behoort tot het bestuur van een gemeente, die partij is in een geding waarbij de regeling is betrokken, wordt de regeling door een ander, door het dagelijks bestuur aan te wijzen, lid van het dagelijks bestuur vertegenwoordigd.
Hoofdstuk 6 Overleg portefeuillehouders
Artikel 17 Samenstelling en werkwijze
1Per taakveld stelt het algemeen bestuur een overleg van portefeuillehouders in. Dit overleg is een vaste commissie van advies ten behoeve van het dagelijks bestuur en draagt zorg voor de advisering aan het dagelijks bestuur voor wat betreft de taakvelden.
2Het overleg bestaat uit de portefeuillehouders van de gemeenten.
3Het overleg kiest uit zijn midden een voorzitter.
4Het overleg wordt voorzien van ambtelijke ondersteuning.
5Bij afwezigheid kan een portefeuillehouder worden vervangen door een andere vertegenwoordiger van dezelfde gemeente.
6Het lidmaatschap van het overleg eindigt op het tijdstip waarop de zittingsperiode van het college afloopt.
7Het lidmaatschap eindigt tevens bij beëindiging van het lidmaatschap van het college, waaruit het lid is aangewezen.
8Bij het bestaan van één of meer vacatures blijven de resterende portefeuillehouders bevoegd advies uit te brengen.
9Het overleg van portefeuillehouders stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast.
Hoofdstuk 7 Inlichtingen en verantwoording
Artikel 18 Informatieverstrekking door het algemeen en dagelijks bestuur
1Het algemeen en het dagelijks bestuur geven aan de colleges en aan de raden van de gemeenten ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is.
2Het algemeen en het dagelijks bestuur verstrekken aan de colleges en aan de raden van de gemeenten alle inlichtingen die door een of meer colleges of raden dan wel een of meerdere leden van die raden worden verlangd. Die inlichtingen wordt in dat geval ook verstrekt aan de overige colleges en raden.
3Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur of het dagelijks bestuur verstrekt alle inlichtingen die door het college door wie hij is benoemd alsmede door de raad van de gemeente dan wel een of meerdere leden van die raad, worden verlangd.
Artikel 19 Informatieverstrekking door individuele leden van het algemeen bestuur
1Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur is aan het college door wie hij is benoemd alsmede aan de raad van de gemeente dan wel een of meerdere leden van die raad, verantwoording verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid.
2Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur kan door het college door wie hij is benoemd worden ontslagen, indien dit lid niet meer het vertrouwen van het college bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Hoofdstuk 8 Personeel, directie en regiegroep
Artikel 20 Personeel
1Bij de regeling is personeel werkzaam voor de uitvoering van de aan de Samenwerking De Bevelanden opgedragen taken, in dienstverband of op detacheringsbasis.
2Het dagelijks bestuur stelt voor het in dienst zijnde personeel van de regeling de arbeidsvoorwaardenregeling vast conform de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor het gemeentepersoneel (CAR/UWO), dan wel de (gewijzigde) collectieve arbeidsvoorwaardenregeling die daarvoor in de plaats komt.
Artikel 21 De directeur
1De bestuursorganen van de regeling worden bijgestaan door een directeur. De directeur vervult ten behoeve van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur de functie van ambtelijk secretaris. De directeur heeft geen stemrecht.
2De directeur handelt in overeenstemming met de door het algemeen bestuur vastgestelde instructie.
3De directeur is belast met de dagelijkse leiding van de regeling.
4De directeur ondertekent mede alle stukken die van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan.
5De directeur is bestuurder in de zin van de Wet op ondernemingsraden.
6Het dagelijks bestuur regelt de vervanging van de directeur.
Artikel 22 Regiegroep
1De gemeentesecretarissen (of de daarvoor aangewezen directieleden) van de gemeenten vormen een regiegroep.
2De regiegroep geeft namens de colleges van de gemeenten inhoud en vorm aan het opdrachtgeverschap aan de werkorganisatie.
3Tussen de regiegroep en de directeur is geen sprake van een hiërarchische verhouding.
4Voor de nadere uitwerking van de taak van de regiegroep stelt de regiegroep, in nauw overleg met de directeur en rekening houdend met de in artikel 9, derde lid, sub i, bedoelde instructie, een reglement vast.
Hoofdstuk 9 Het beleidsplan en het beleidsverslag
Artikel 23 Beleidsplan en beleidsverslag
Vervallen.
Hoofdstuk 10 Financiële bepalingen
Artikel 24 Begrotingsprocedure
1Het dagelijks bestuur stuurt jaarlijks vóór 15 april de ontwerpbegroting voor het komende kalenderjaar met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen voor de drie daarop volgende jaren van de gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden aan de raden van de deelnemende gemeenten. Het bepaalde in art. 190 lid 1 van de Gemeentewet is van toepassing evenals het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV).
2De ontwerpbegroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen wordt door de gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Het bepaalde in artikel 190 lid 2 en 3 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.
3De raden van de deelnemende gemeenten kunnen binnen acht weken na ontvangst van de ontwerpbegroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen het dagelijks bestuur hun zienswijze aangeven. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin de zienswijze van de raden zijn vervat, bij de ontwerpbegroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen, die aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.
4Het dagelijks bestuur stuurt de begroting binnen twee weken na vaststelling met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen, maar in ieder geval vóór 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten.
5Nadat deze is vastgesteld, stuurt het dagelijks bestuur de begroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen aan de raden van de deelnemende gemeenten.
6Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen van overeenkomstige toepassing.
7Het bestuur geeft de deelnemende gemeenten de gelegenheid om wensen en bedenkingen in te geven over begrotingswijzigingen. Een begrotingswijziging blijft achterwege voor uitgaven die binnen een programma van de eigen begroting kunnen worden opgevangen en/of die geen belangrijke beleidswijzigingen betreffen en/of geen structurele gevolgen hebben voor de begroting van het volgende jaar en/of volgende jaren.
Artikel 25 Bijdragen van de gemeenten
1In de begroting staat welke bijdrage elke gemeente verschuldigd is voor de uitvoering van de taken van de regeling. De vergoeding voor diensten van de gemeente aan de regeling wordt afzonderlijk in rekening gebracht bij de regeling.
2De gemeenten betalen bij wijze van voorschot op de vijftiende dag van maand een/twaalfde deel van de in het eerste lid bedoelde bijdrage.
3De gemeenten zullen er steeds zorg voor dragen dat de gemeenschappelijke regeling over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen te kunnen voldoen.
4Indien aan het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet.
Artikel 26 Reserve
1De regeling vormt een reserve (fonds) ten laste van de gemeentelijke bijdragen aan de uitvoeringskosten tot maximaal 5% van de jaarlijkse apparaatskosten.
2Kennelijke onbillijkheden die uit de toepassing van dit artikel voortvloeien, worden ter beslissing voorgelegd aan het dagelijks bestuur. Bij beslissingen op gemeentelijke verzoeken daaromtrent geeft het dagelijks bestuur toepassing aan afspraken tussen de gemeenten over het te vormen reserve.
Artikel 27 Jaarstukken
1Het dagelijks bestuur legt vóór 15 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de opgestelde jaarstukken en een berekening van de door de deelnemende gemeenten te betalen bijdragen, naast het rapport van de met de controles belaste accountant.
2De jaarstukken worden gelijktijdig ter informatie aan de raden van de deelnemende gemeenten toegezonden.
3Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt haar vast uiterlijk 1 juli, volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft, evenals de bijdragen die de deelnemende gemeenten betalen in het eventuele exploitatietekort.
4De jaarstukken worden binnen twee weken na de vaststelling aan Gedeputeerde Staten gezonden, maar vóór 15 juli.
5Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken verleent - voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft - het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden.
Hoofdstuk 11 Het archief
Artikel 28 Archief
1Het dagelijks bestuur is belast met de zorg en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, overeenkomstig een door het algemeen bestuur, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet vast te stellen regeling.
2Deze regeling wordt aan Gedeputeerde Staten toegestuurd.
3Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het algemeen bestuur een archiefbewaarplaats aan.
Hoofdstuk 12 Toetreding, uittreding, wijziging, geschillen en opheffing
Artikel 29 Toetreding, uittreding
1Het bestuur van de gemeente die wenst toe te treden, richt daartoe een verzoek aan het algemeen bestuur.
2Het algemeen bestuur zendt het verzoek als bedoeld in het eerste lid na ontvangst door aan de besturen van de gemeenten onder overlegging van zijn advies omtrent de toetreding en de eventueel daaraan te verbinden voorwaarden.
3Toetreding vindt plaats indien de gemeenten daarmee instemmen.
4Elke gemeente kan bij besluit van het college bepalen dat de deelneming aan deze gemeenschappelijke regeling wordt opgezegd.
5Van het besluit als bedoeld in het voorgaande lid wordt uiterlijk dertien weken vóór het einde van het kalenderjaar kennisgegeven aan het algemeen bestuur.
6Ingaande de inwerkingtreding van de regeling, is uittreding door deelnemers gedurende een periode van vijf kalenderjaren niet mogelijk. Na het verstrijken van deze periode is uittreding te allen tijde mogelijk, mits daarvan conform het vierde lid, met een opzegtermijn van tenminste één kalenderjaar, van tevoren schriftelijk aankondiging is gedaan en wordt voldaan aan de daaraan door het algemeen bestuur te stellen voorwaarden.
7Het algemeen bestuur regelt de financiële gevolgen alsmede de overige gevolgen van de uittreding.
8Voor de vaststelling van de financiële gevolgen als bedoeld in het zevende lid wordt door de regeling en de uittredende gemeente gezamenlijk advies gevraagd aan een onafhankelijke externe deskundige. Het advies van deze deskundige is voor partijen bindend. De kosten voor het inschakelen van de deskundige zijn voor rekening van de uittredende gemeente.
9Van elk besluit tot toe- of uittreding van een gemeente wordt terstond kennis gegeven aan de colleges en raden van de gemeenten en gedeputeerde staten en aan het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel.
10Het algemeen bestuur zorgt voor alle openbaarmaking als er sprake is van wijziging, verlenging of opheffing van de regeling of toetreden en uittreding van deelnemende gemeenten.
Artikel 30 Wijziging
1Voor zover elders in deze regeling niet anders is bepaald, wordt de regeling gewijzigd, indien de colleges van tweederde van de gemeenten daartoe eensluidend besluiten.
2Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen worden gedaan door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of één of meer van de colleges van de gemeenten.
3Voorstellen uitgaande van het algemeen bestuur worden toegezonden aan de colleges van de gemeenten, die binnen dertien weken na ontvangst een besluit nemen en dat direct aan het algemeen bestuur mededelen.
4Voorstellen uitgaande van één of meer gemeenten worden toegezonden aan het algemeen bestuur, dat het voorstel met zijn beschouwingen binnen acht weken aan de colleges van de gemeenten doet toekomen, waarna deze gemeenten en het algemeen bestuur verder handelen conform het bepaalde in het vorige lid van dit artikel.
5De bij wet voorgeschreven toezending van de wijziging aan gedeputeerde staten en aan het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel, geschiedt door het dagelijks bestuur.
Artikel 31 Geschillen
1Voordat over een geschil als bedoeld in artikel 28 van de wet de beslissing van gedeputeerde staten wordt ingeroepen, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan een geschillencommissie.
2De geschillencommissie bestaat uit drie leden. Een lid wordt aangewezen door het algemeen bestuur en een lid wordt aangewezen door de betrokken gemeente(n). Deze twee leden wijzen gezamenlijk een derde lid aan dat tevens als voorzitter van de commissie optreedt.
3De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken besturen.
4De geschillencommissie brengt advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen.
5Indien het advies van de commissie niet leidt tot oplossing van het gerezen geschil, wordt bij het verzoek om een beslissing van gedeputeerde staten een afschrift van het advies van de commissie gevoegd.
Artikel 32 Ontbinding en liquidatie
1De regeling kan worden ontbonden, op voorstel van het algemeen bestuur, gelezen artikel 9 van de wet, bij een daartoe strekkend besluit van de colleges van tenminste tweederde van de gemeenten.
2Ingeval van een besluit tot ontbinding van de regeling, als bedoeld in het vorige lid, stelt het algemeen bestuur daarvoor een liquidatieplan op ter vereffening van het vermogen van de regeling. Een zodanig besluit wordt met een tweederde meerderheid genomen, nadat de raden van de gemeenten in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen.
3Het liquidatieplan voorziet in de verplichtingen van de gemeenten over de financiële gevolgen van de ontbinding de regeling.
4Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen die de ontbinding heeft voor het personeel.
5Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers alle rechten en verplichtingen van de regeling over de deelnemers te verdelen op een in het plan te bepalen wijze.
6Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie.
7Het besluit tot ontbinding of tot wijziging van de regeling wordt direct gezonden aan de gemeenten en gedeputeerde staten.
8De organen van de regeling blijven ook na het tijdstip van ontbinding in functie, totdat de vereffening is voltooid.
9Gedurende de vereffening wordt de aanduiding van de regeling aangevuld met de afkorting van ‘in liquidatie’, zodat het opschrift komt te luiden: “gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden in liquidatie”.
Hoofdstuk 13 Slotbepalingen
Artikel 33 Inwerkingtreding
1Het college van de gemeente Goes draagt zorg voor het inzenden van de regeling en van besluiten tot wijziging of opheffing daarvan aan gedeputeerde staten en de Kamer van Koophandel.
2De gemeenten dragen zorg voor inschrijving in het register, als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de wet.
3Het college van de gemeente Goes draagt namens alle gemeenten zorg voor bekendmaking in een regionaal dagblad. De kosten daarvan komen ten laste van de regeling.
4De regeling treedt in werking op de achtste dag na die van de bekendmaking.
5In afwijking van het vierde lid treedt artikel 5, tweede lid, onderdeel B, Taakveld informatievoorziening, in werking op een nader door de colleges te bepalen tijdstip.
Artikel 34 Titel
De regeling kan worden aangehaald als “gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden”.
Artikel 35 Evaluatie
De regeling wordt elke 4 jaar geëvalueerd. De evaluatie heeft met name betrekking op de vraag of de samenwerking de doelen die zij zich heeft gesteld ook heeft bereikt tegen de kosten die hiervoor waren uitgetrokken. Daarnaast dient ook gekeken te worden naar de uitvoering van de specifieke taken. De manier waarop de samenwerking heeft gefunctioneerd is eveneens onderdeel van de evaluatie.
Artikel 36 Slotbepalingen
1De bij besluit van 21 mei 2013 aangegane gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden wordt ingetrokken.
2In alle gevallen waarin de regeling niet voorziet beslist het algemeen bestuur.