Aanhef
Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Etten-Leur inhoudende regels omtrent drugshandel in of vanuit woningen, lokalen of daarbij behorende erven (Damoclesbeleid).
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1. Inleiding
Hoofdstuk 2. Beleidsuitgangspunten
Hoofdstuk 3. Beleidskader
Hoofdstuk 4. Uitvoeringsaspecten
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
2. Beleidsuitgangspunten
2.2. Onderscheid harddrugs en softdrugs
2.2.1. Designerdrugs
Met ingang van 1 juli 2025 is er een derde lijst, lijst IA, toegevoegd aan de Opiumwet met als doel het tegengaan van de productie van en de handel in – voor zover relevant – nieuwe psychoactieve stoffen (oftewel designerdrugs).
De nieuwe Lijst IA bevat een aantal stofgroepen, waarvan de chemische structuur is afgeleid van de harddrugssoorten die op Lijst I van de Opiumwet staan vermeld. Het gaat hierbij om substanties en preparaten daarvan, die vergelijkbare psychoactieve effecten teweeg (beogen te) brengen, zoals de bekende harddrugssoorten MDMA, XTC en heroïne, maar die (nog) niet vanwege een expliciete vermelding op Lijst I van de Opiumwet verboden waren. Om laatstgenoemde reden wordt ook gesproken van “designerdrugs”.
Deze substanties en preparaten kunnen een voor de gebruiker onbekend gezondheidsrisico met zich meebrengen.
7Kamerstukken II, 2021–2022, 36 159, nr. 3 (MvT).
Om de nieuwe Lijst IA ook bestuursrechtelijk te kunnen handhaven, is artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet eveneens gewijzigd. In deze bepaling is na “krachtens artikel 3a, vijfde lid,” de zin ingevoegd: “of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid,”.
8Kamerstukken I, 2023–2024, 36 159, A, p. 6 en artikel 13b Opiumwet.
Dit Damoclesbeleid is ook van toepassing op designerdrugs, in het bijzonder met betrekking tot hetgeen is geregeld met betrekking tot “drugshandel”. Dat betekent dat indien in een woning, lokaal en/of een daarbij behorend erf (handelshoeveelheden
9Dit staat tussen haakjes omdat de betreffende substanties en preparaten in principe geen andere, legale toepassing kennen dan de totstandbrenging van (nieuwe) psychoactieve stoffen.
van) substanties en/of preparaten als bedoeld in Lijst IA van de Opiumwet worden aangetroffen, de burgemeester bevoegd is een maatregel op grond van artikel 13b van de Opiumwet te treffen.
2.3. Onderscheid woningen en lokalen
2.3.1. Woningen
Of een ruimte een woning is, wordt niet alleen bepaald door uiterlijke kenmerken, zoals de bouw en de aanwezigheid van een bed en andere huisraad, maar ook op basis van de daadwerkelijk daaraan gegeven feitelijke bestemming. Of in een woning wordt gewoond kan onder meer blijken uit de inschrijving in de Basisregistratie personen (Brp), de inrichting van de ruimte/het pand en het feitelijke gebruik dat van de ruimte wordt gemaakt.
11Kamerstukken II 1995/96, 24 699, nr. 3, p. 5 en 6.
Wordt door een persoon in een pand incidenteel overnacht dan is niet zonder meer sprake van een woning.
Ook schijnbewoning komt voor, bijvoorbeeld als bewoning wordt gesimuleerd door het plaatsen van wat schaars meubilair of kleding. Gebruik voor woondoeleinden met een meer dan incidenteel karakter is dan niet aannemelijk, zodat in deze gevallen niet wordt aangenomen dat sprake is van een woning.
10O.a. ABRvS 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1447.
Wordt een woning niet feitelijk bewoond, dan zijn op die woning de regels omtrent lokalen van toepassing.
Bij woningen spelen bijzondere belangen die niet aan de orde zijn bij lokalen. Het sluiten van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet kan voor bewoners ingrijpende gevolgen hebben, die een inmenging kunnen vormen in het in de artikelen 10 van de Grondwet en 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Om die reden geldt bij de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet als wettelijk uitgangspunt dat bij een eerste overtreding van de Opiumwet in een woning, niet direct tot sluiting dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke (minder ingrijpende) maatregel. Alleen in ernstige gevallen mag van dit uitgangspunt worden afgeweken.
Los van dit wettelijk uitgangspunt dient de burgemeester ingeval van een woning altijd een afweging te maken of de nadelige gevolgen voor de betrokken(en) zich verhouden tot de omstandigheden die een noodzaak tot sluiting opleveren. Er kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen, die ertoe kunnen leiden dat een minder ingrijpende maatregel, zoals een waarschuwing, evenrediger is. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een overtreding van relatief geringe ernst, in combinatie met de aanwezigheid van minderjarige(n), als sprake is van psychisch of fysiek kwetsbare personen die een specifieke binding met de woning hebben, of als voorzienbaar is dat bewoners na de sluitingsmaatregel niet meer in hun woning kunnen terugkeren, vanwege ontbinding van de huurovereenkomst.
Hoewel bovenstaande aspecten niet per definitie betekenen dat een sluiting onevenredig is, komt hieraan wel zwaar gewicht toe bij de beoordeling van de vraag of de burgemeester van zijn aan artikel 13b van de Opiumwet ontleende bevoegdheid gebruik kan maken en zo ja, op welke wijze (met welke maatregel, met welke intensiteit van de maatregel, etc.). Hierbij wordt echter ook gekeken naar de ernst van de overtreding.
Concreet dient de burgemeester per geval te beoordelen of een sluiting evenwichtig is, of dat moet worden volstaan met een waarschuwing of een last onder dwangsom. Dit komt neer op het verrichten van maatwerk.
2.3.1.a Geen onderscheid tussen koop- of huurwoningen
In dit Damoclesbeleid wordt bij het treffen van maatregelen geen onderscheid gemaakt tussen huur- en koopwoningen en ook niet tussen particuliere en sociale verhuur. Voor alle type woningen gelden als uitgangspunt dezelfde regels.
2.3.2. Lokalen
Voor al dan niet voor publiek toegankelijke lokalen geldt het wettelijk uitgangspunt van eerst waarschuwen, althans het treffen van minder ingrijpende maatregelen niet. Ook als een woning niet feitelijk voor bewoning wordt gebruikt geldt het bovenstaande uitgangspunt in beginsel niet (zoals bij schijnbewoning; zie hiervoor). Immers, (ook) in dat laatste geval komen de op grond van artikel 8 van het EVRM beschermde rechten niet in het gedrang. Daarom wordt als uitgangspunt gehanteerd dat bij het voor de eerste keer constateren van een overtreding van de Opiumwet in of vanuit lokalen of niet-bewoonde woningen een sluiting volgt.
Een lokaal kan niettemin als woning worden aangemerkt als daarin feitelijk wordt gewoond. Dit hangt af van alle omstandigheden van het geval. In dat geval worden op het betreffende lokaal de regels die gelden voor woningen toegepast (zie paragraaf 2.3.1).
2.3.3. Samenhangend geheel
Het kan voorkomen dat drugshandel of voorbereidingshandelingen of daaraan gerelateerde signalen of voorwerpen op hetzelfde erf of aangrenzende percelen tegelijkertijd zowel in een woning als in een lokaal worden aangetroffen. Kunnen de woning en het lokaal (en het bijbehorende erf) worden aangemerkt als een zogenoemd “samenhangend geheel” dan kan de burgemeester ter zake het geheel een maatregel treffen. Van een samenhangend geheel is sprake als een woning en een lokaal ruimtelijke én functionele samenhang vertonen.
Ruimtelijke samenhang is aan de orde als de woning en het lokaal bijvoorbeeld (niet limitatief):
-op hetzelfde kadastrale perceel staan;
-fysiek verbonden zijn;
-dezelfde eigenaar hebben; en/of
-in elkaars nabijheid staan.
Van functionele samenhang is sprake als bijvoorbeeld (niet limitatief):
-in het lokaal drugs en in de woning aan drugs gerelateerde attributen worden aangetroffen of vice versa; en/of
-in het lokaal of de woning drugs worden aangetroffen en het lokaal en de woning gas-, water- en/of elektra-aansluitingen of (andere) voorzieningen delen (bijvoorbeeld als in een lokaal een hennepkwekerij wordt aangetroffen en ten behoeve van die kwekerij vanuit de woning (illegaal) elektriciteit wordt afgetapt).
Om als samenhangend geheel te kunnen worden aangemerkt, is dus niet vereist dat in alle samenhangende delen drugs zijn aangetroffen. Wel zal in ten minste één onderdeel (bijvoorbeeld het lokaal) van het samenhangend geheel een overtreding van de Opiumwet aan de orde moeten zijn.
12Vgl. ABRvS 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1193.
Is één van de samenhangende onderdelen een woning, dan geldt bij de te treffen maatregel op grond van deze beleidsregels als uitgangspunt dat op het geheel de regels worden toegepast, die gelden voor woningen.
2.4. Te treffen herstelmaatregelen
2.4.1. Last onder bestuursdwang
Uitgangspunt van dit Damoclesbeleid is dat bij overtredingen van de Opiumwet zowel in woningen als in lokalen, een last onder bestuursdwang wordt opgelegd. Dit gebeurt in de vorm van een sluiting van de woning, het lokaal en/of het daarbij behorend erf. Dit is in beginsel alleen anders bij woningen waarbij sprake is van (i) een geringe overschrijding van de gedoogde gebruikshoeveelheid (én bij afwezigheid van handelsindicatoren) dan wel (ii) bij een eerste constatering waarbij geen sprake is van een “ernstig geval”. In deze laatste gevallen is, zoals gezegd, het wettelijk uitgangspunt dat een waarschuwing wordt gegeven. Ook andere, bijzondere omstandigheden kunnen in een concreet geval aanleiding zijn voor het geven van een waarschuwing.
2.4.2. Last onder dwangsom
De last onder dwangsom moet worden beschouwd in directe combinatie met de last onder bestuursdwang. Alleen als op grond van een belangenafweging (lees: de evenredigheidstoets) wordt geconcludeerd dat een last onder bestuursdwang (sluiting) vanwege bijzondere omstandigheden niet evenredig is of om andere reden geen geschikt middel is (zulks ter beoordeling van de burgemeester), kan ervoor gekozen worden in plaats daarvan een last onder dwangsom op te leggen. Kiest de burgemeester hiervoor dan moet van de (hoogte van de) dwangsom een voldoende afschrikkende werking uitgaan. De last onder dwangsom moet daadwerkelijk effectief zijn in de voorkoming van de herhaling van de overtreding van de Opiumwet. Bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom kan onder meer rekening worden gehouden met de vermoedelijke opbrengst van de (te produceren) drugs. Dit wordt vermeerderd met een financiële prikkel.
2.4.3. Waarschuwing
De (formele) waarschuwing wordt in beginsel alleen gegeven bij een geringe overschrijding van de gedoogde gebruikshoeveelheid drugs (én bij afwezigheid van handelsindicatoren), dan wel bij een eerste constatering van een overtreding van de Opiumwet in een woning, mits geen sprake is van een ernstig geval. Daarnaast kan een waarschuwing worden opgelegd, indien wegens zeer bijzondere omstandigheden ook een last onder dwangsom – zoals beschreven in paragraaf 3.4.2 – als te verstrekkend moet worden beschouwd. Het ligt dan op de weg van de betrokkene om die omstandigheden aan te tonen en aan de hand van (schriftelijke) bewijsstukken inzichtelijk te maken.
Een waarschuwing wordt altijd schriftelijk gegeven. Het uitgangspunt van de waarschuwing is, dat wanneer binnen de termijn waarvoor de waarschuwing geldt een nieuwe overtreding van de Opiumwet wordt geconstateerd, direct een last onder bestuursdwang (sluiting) wordt opgelegd.
Een waarschuwing is geen besluit in de zin van de Awb. Hiertegen kan daarom geen bezwaar worden gemaakt of beroep worden ingesteld. Dit laatste kan anders zijn als een waarschuwing gedurende een lange tijd gevolgen kan hebben voor een opvolgende maatregel, waardoor er bewijsnood kan ontstaan. Een waarschuwing die op grond van dit Damoclesbeleid wordt gegeven, heeft daarom een maximale geldigheidsduur van twee jaar.
13Conclusie Widdershoven 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:249, onder 5.4 (vijfde alinea e.v.). Zie ook ABRvS 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1276.
3. Beleidskader
3.3. Handhavingsregime
3.3.1. Drugshandel
Woningen
Bij drugshandel in of vanuit woningen en/of daarbij behorende erven worden, als uitgangspunt, de regels toegepast zoals vastgelegd in de onderstaande matrix:
Softdrugs
Harddrugs
1eovertreding geen ernstig geval (+ geen handelsindicator)
Waarschuwing of last onder dwangsom
Waarschuwing of last onder dwangsom
1eovertreding ernstig geval
Sluiting voor 2 maanden
Sluiting voor 3 maanden
2eovertreding binnen 2 jaar
Sluiting voor 4 maanden
Sluiting voor 6 maanden
3ee.v. overtreding binnen 2 jaar
Sluiting voor 8 maanden
Sluiting voor 12 maanden
Lokalen
Bij drugshandel in lokalen en/of daarbij behorende erven worden, als uitgangspunt, de regels toegepast zoals vastgelegd in de onderstaande matrix:
Softdrugs
Harddrugs
1eovertreding
Sluiting voor 3 maanden
Sluiting voor 6 maanden
2eovertreding binnen 2 jaar
Sluiting voor 6 maanden
Sluiting voor periode van 12 maanden
3ee.v. overtreding binnen 2 jaar
Sluiting voor 12 maanden
Sluiting voor 18 maanden
3.3.2. Voorbereidingshandelingen
Woningen
Bij de constatering van voorbereidingshandelingen in woningen en/of daarbij behorende erven worden, als uitgangspunt, de regels toegepast zoals vastgelegd in de onderstaande matrix:
Softdrugs
Harddrugs
1eovertreding (geen ernstig geval)
Last onder bestuursdwang of onder dwangsom, strekkende tot afvoeren goederen
Last onder bestuursdwang of onder dwangsom tot afvoeren goederen
1eovertreding (ernstig geval)
Sluiting voor 2 maanden
Sluiting voor 3 maanden
2eovertreding binnen 2 jaar
Sluiting voor 4 maanden
Sluiting voor 6 maanden
3ee.v. overtreding binnen 2 jaar
Sluiting voor 8 maanden
Sluiting voor 12 maanden
Lokalen
Bij de constatering van voorbereidingshandelingen in lokalen en/of daarbij behorende erven worden, als uitgangspunt, de regels toegepast zoals opgenomen in de onderstaande matrix:
Softdrugs
Harddrugs
1eovertreding
Sluiting voor 3 maanden
Sluiting voor 6 maanden
2eovertreding binnen 2 jaar
Sluiting voor 6 maanden
Sluiting voor 12 maanden
3ee.v. overtreding binnen 2 jaar
Sluiting voor 12 maanden
Sluiting voor 18 maanden
Voor zover artikel 13b van de Opiumwet in de toekomst ook op de bestuursrechtelijke handhaving ziet van de verboden in de artikelen 10b en/of 10c van de Opiumwet (voorbereidingshandelingen designerdrugs), zal de burgemeester in dat geval in beginsel de matrixen met betrekking tot harddrugs onder 3.3.2 van deze beleidsregel toepassen.
3.3.3. Recidive
Er is bij zowel de gevallen als omschreven in paragraaf 3.3.1 als in 3.3.2, sprake van een volgende overtreding (de 2e of 3e overtreding) als deze binnen een termijn van twee jaar na de daaraan voorafgaande overtreding wordt geconstateerd. Dit geldt ook als naar aanleiding van de 1e overtreding een waarschuwing is gegeven of een last onder dwangsom is opgelegd. Het is daarbij niet noodzakelijk dat een volgende overtreding door dezelfde betrokkene wordt begaan.
Toelichting: als dus binnen twee jaar na een overtreding in dezelfde woning, lokaal of daarbij behorend erf een volgende overtreding wordt geconstateerd geldt het regime voor deze volgende overtreding.
Is bij één van de elkaar opvolgende overtredingen (de 1e, 2e of 3e overtreding) sprake van harddrugs, dan geldt bij de eerstvolgende overtreding het regime overeenkomstig de matrix voor harddrugs.
Toelichting: als bijvoorbeeld de 1e overtreding verband houdt met softdrugs maar bij de 2e overtreding sprake is van harddrugs, dan geldt de voorgeschreven maatregel bij de 2e overtreding ter zake van harddrugs. Ook als de 1e overtreding harddrugs betrof maar de 2e overtreding softdrugs, dan wordt bij de 2e overtreding de matrix voor harddrugs aangehouden.
3.3.4. Combinatie
3.3.5. Ernstig geval
Bij (alleen) woningen geldt, zoals gezegd, als wettelijk uitgangpunt dat bij een eerste constatering van een situatie als omschreven in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet nog niet tot sluiting dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Dit moet echter worden beschouwd als een uitgangspunt waarvan in ernstige gevallen mag worden afgeweken.
19O.a. ABRvS 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912; Kamerstukken II 2005/06, 30 515, nr. 3, p. 8.
In dit kader wordt op grond van deze beleidsregels bij de toepassing van het regime bij een eerste overtreding onderscheid gemaakt tussen een geval van drugshandel ten opzichte van voorbereidingshandelingen.
Tegen de voorgaande achtergrond wordt tot uitgangpunt genomen dat de volgende indicatoren te gelden hebben als een ernstig geval.
Drugshandel
Is sprake van de onderstaande indicatoren, dan is volgens deze beleidsregels in beginsel sprake van een ernstig geval en is daarmee de noodzaak tot sluiting van een woning gegeven. Dit betreft geen limitatieve opsomming:
a.de hoeveelheid aangetroffen middelen als bedoeld in lijst I en/of lijst II van de Opiumwet overschrijdt significant gedoogde gebruikshoeveelheden harddrugs dan wel softdrugs;
b.een combinatie van handelshoeveelheden soft- en harddrugs overeenkomstig de Aanwijzing Opiumwet;
c.naast handelshoeveelheden soft- en/of harddrugs overeenkomstig de Aanwijzing Opiumwet, worden tevens attributen aangetroffen die te relateren zijn aan drugshandel, zoals verpakkingsmateriaal, een weegschaal, wapens en/of versnijdingsmiddelen, grote sommen contant geld;
d.de mate waarin de woning betrokken is bij, dan wel bekend staat als locatie waar drugshandel of drugsbezit aanwezig is (bijvoorbeeld blijkend uit meldingen uit de omgeving, verklaringen van bezoekers, waarnemingen van de politie of andere signalen);
e.er is sprake van (andere) strafbare feiten, zoals geweldsdelicten, wapenbezit in de zin van de Wet wapens en munitie, diefstal van stroom, etc., of er is sprake van openbare ordeverstoringen gerelateerd aan de woning. Bij gerelateerde feiten kan gedacht worden aan het in de woning aantreffen van personen met antecedenten op het gebied van geweld, drugs of wapenbezit, of van personen die dergelijke feiten eerder hebben begaan;
f.er is sprake van recidive: er zijn sterke aanwijzingen dat de betrokkene eerder betrokkenheid heeft gehad bij drugshandel;
20Vgl. ABRvS 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:851.
g.er is sprake van verwijtbaar gedrag van de betrokkene. Dit kan het geval zijn als de betrokkene zelf een rol heeft gespeeld bij de aangetroffen drugs of dat hij/zij op de hoogte is dan wel redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in de woning. Hierbij kan meewegen of sprake is van antecedenten, betrokkene relaties heeft met personen die bij de politie bekend staan als drugsdelinquenten of die bekend staan in verband met georganiseerde criminaliteit, of als de betrokkene zelf als zodanig bij de politie bekend staat. Ook speelt in dit verband mee, de mate waarin degene die een woning verhuurt of anderszins aan anderen in gebruik geeft, zich voldoende en tot op zekere hoogte heeft geïnformeerd over het gebruik dat van het pand wordt gemaakt. Woningeigenaren en hoofdhuurders moeten concreet toezicht houden op hun pand. Het is niet genoeg als zij het pand alleen maar bezoeken. Zij moeten ook controles uitvoeren die zijn gericht op het gebruik van het pand;
21Vgl. ABRvS 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2462.
h.de mate van gevaarzetting of risico voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en/of voor omwonende(n);
i.er sprake is van merkbare overlast vanuit de woning, waaronder openbare ordeverstoringen vanuit of rond de woning (dit kan blijken uit politiewaarnemingen, waarnemingen van toezichthouders en/of meldingen van buurtbewoners, etc.);
j.de aannemelijkheid dat naast de woning of het bijbehorende erf, nog een of meer andere locaties betrokken zijn bij de geconstateerde drugshandel (dit vormt een sterke indicator dat sprake is van betrokkenheid van een drugscircuit); en/of
k.bij hennepteelt of de productie van harddrugs, de inrichting, het bedrijfsmatig karakter, evenals de professionaliteit van de materialen in de hennepplantage/-kwekerij of productiepunt.
Voorbereidingshandelingen
Is sprake van de onderstaande indicatoren, dan is volgens deze beleidsregels in beginsel sprake van een ernstig geval en is daarmee de noodzaak tot sluiting van een woning gegeven. Deze opsomming is niet limitatief en geldt als aanvulling op de bovenstaande opsomming van indicatoren bij drugshandel:
a.de aard en omvang/hoeveelheid van de stoffen en/of goederen.
22Bijvoorbeeld artikel 1, tweede lid, van het Opiumwetbesluit.
Hierbij kan gedacht worden aan het voorhanden hebben van een chemische stof, apparatuur of aanverwante artikelen die niet of nauwelijks anders kunnen worden toegepast dan bij de productie, handel of transport van drugs;
b.de professionaliteit van de aangetroffen goederen en stoffen. Hierbij kan bij softdrugs aangesloten worden bij paragraaf 2.2.1 en bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet. Bij harddrugs is dit een kwestie van een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld. Gedacht kan worden aan voor de productie van harddrugs geprepareerde ketels. De mate van professionaliteit van de goederen en stoffen duidt op de betrokkenheid van een drugscircuit waarin die goederen en stoffen voorhanden zijn en beschikbaar worden gesteld;
c.de combinatie van aangetroffen stoffen en goederen. Hierbij kan gedacht worden aan het tegelijk voorhanden zijn van goederen en stoffen die voor (grootschalige) verwerking, transport of bereiding van harddrugs als softdrugs bedoeld zijn;
d.de mate van bekendheid van de woning en het daarbij behorende erf als locatie waar voorbereidingshandelingen plaatsvinden (bijvoorbeeld blijkend uit meldingen uit de omgeving, verklaringen van bezoekers, waarnemingen van de politie of andere signalen);
e.er is sprake van (andere) strafbare feiten, zoals geweldsdelicten, wapenbezit in de zin van de Wet wapens en munitie, diefstal van stroom, etc., of er is sprake van openbare ordeverstoringen gerelateerd aan de woning. Bij gerelateerde feiten kan ook gedacht worden aan het in de woning aantreffen van personen met antecedenten op het gebied van geweld, drugs of wapenbezit, of van personen die dergelijke feiten eerder hebben begaan (recidive);
f.de mate van risico of gevaar voor het woon- of leefklimaat in de omgeving en/of voor omwonenden. Hierbij kan gedacht worden aan een buurt die door drugscriminaliteit reeds zwaar onder druk staat of het gevaar dat een hennepkwekerij of drugslaboratorium met zich meebrengt, zoals fluctuaties op het stroomnet en (daardoor) brandgevaar, of door de ontwikkeling van giftige dampen.
4. Uitvoeringsaspecten
4.4. Procesmatig
4.4.1. Zienswijze (behoudens spoedeisende situaties)
Ter voorbereiding van een besluit tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of dwangsom, wordt in beginsel eerst een voornemen bekend gemaakt waartegen de betrokkene een zienswijze kan indienen (artikel 4:8 van de Awb). Hiervan wordt afgezien indien de vereiste spoed zich daartegen verzet (artikel 4:11, onder a van de Awb). De zienswijzemogelijkheid is onderdeel van een zorgvuldige voorbereiding van het uiteindelijke besluit en stelt de betrokkene in staat om eventuele bijzondere omstandigheden naar voren te brengen die de burgemeester bij zijn belangenafweging dient te betrekken. In het definitieve besluit zal de burgemeester toelichten hoe hij/zij de zienswijzen waardeert en of deze aanleiding geven om al dan niet geheel of gedeeltelijke af te wijken van het voorgenomen besluit.
4.4.2. Betrekken gevolgen sluiting
Voorop staat dat inherent aan het sluiten van een woning is dat een bewoner de woning moet verlaten. Dit is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid, maar dat kan onder omstandigheden anders zijn als sluiting een zgn. “individual and excessive burden” oplevert, bijvoorbeeld als de betrokkene na de sluitingsperiode niet meer in de woning kan terugkeren wegens ontbinding van de huurovereenkomst. Niet altijd hoeft dit aanleiding te geven voor een minder ingrijpende maatregel.
De burgemeester zal overeenkomstig de vaste rechtspraak informeren in hoeverre de betrokkene zelf vervangende woonruimte kan regelen, zoals bij familie, vrienden, kennissen of via andere kanalen. De verantwoordelijkheid om vervangende woonruimte te vinden ligt primair bij de betrokkene zelf.
23ABRvS 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4046.
Er kan echter een rol weggelegd zijn voor de burgemeester, bijvoorbeeld als de betrokkene na geleverde inspanningen, toch niet in staat blijkt een vervangend onderkomen te vinden. In dat geval kan van de burgemeester gevergd worden dat hij de mogelijkheden van vervangende huisvesting onderzoekt. Dit betreft een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting. De betrokkene heeft geen afdwingbaar recht op een andere, vervangende woning via de gemeente.
24ABRvS 27 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2106.
De burgemeester hoeft dus niet concreet een vervangende woning aan te bieden.
4.4.3. Onderzoek terugkeermogelijkheid in de woning/het lokaal na sluiting
Wanneer de sluitingstermijn is verstreken kan de betrokkene in beginsel terugkeren in de woning. De burgemeester stelt de betrokkene op de hoogte van de openstelling van de woning. Vervolgens kunnen afspraken worden gemaakt over bijvoorbeeld de overdracht van sleutels en de verwijdering van zegels en aanduidingen waarmee de sluiting is kenbaar gemaakt.
Echter, bij overtreding van de Opiumwet in een huurwoning of lokaal kan de verhuurder besluiten de huurovereenkomst te ontbinden. Dit is een privaatrechtelijke bevoegdheid van de verhuurder die losstaat van de bevoegdheid van de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De toepassing door de burgemeester van artikel 13b van de Opiumwet heeft een van de ontbinding van huur- of gebruiksovereenkomst te onderscheiden functie, ter voorkoming van verdere overtredingen in de betrokken woning of lokaal.
25ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3481.
Het ligt op de weg van de betrokkene om de burgemeester erop te wijzen of een huurontbinding zich voordoet, bijvoorbeeld in de zienswijze.
Als een betrokkene na de sluitingsperiode niet kan terugkeren in de woning of het lokaal, hoeft zich dat niet zonder meer tegen sluiting te verzetten. Hierbij komt onder meer gewicht toe aan de mate van verwijtbaarheid van de betrokkene aan de overtreding en/of de ernst van de overtreding.
26Vgl. ABRvS 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:719; ABRvS 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1149.
Deze omstandigheden zal de burgemeester in zijn belangenafweging betrekken. Zijn de verwijtbaarheid of de aard en ernst van de overtreding beperkt of staan anderszins door de huurontbinding of andere omstandigheden de gevolgen voor de betrokkene niet in redelijke verhouding tot de met de sluiting te dienen doelen, dan kan de burgemeester besluiten een minder ingrijpende te treffen.