Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 2023

Gemeente Epe · geldt sinds 7 september 2023

Aanhef

Collegebesluit 2023 zaaknummer: 766969

HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE EPE

Overwegende dat het gewenst is dat de gemeente beleidsregels vaststelt ter uitvoering van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe.

Gelet op de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 en Jeugdwet en de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe.

B E S L U I T

vast te stellen de Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 2023.

Deel A: Beschrijving algemeen

Hoofdstuk 1 Inleiding

De beleidsregels in dit document zijn een uitwerking van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp Gemeente Epe (hierna te noemen verordening).

De beleidsregels geven een toelichting op en een instructie voor de uitvoering van het beleid in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (hierna te noemen Wmo) en de Jeugdwet. In de beleidsregels verduidelijkt het college van burgemeester en wethouders hoe in een concreet geval met een bevoegdheid wordt omgegaan. Denk bijvoorbeeld aan een bepaling in de verordening waarin wordt gezegd dat burgemeester en wethouders iets 'kan' doen. Burgemeester en wethouders kunnen dan in de beleidsregels aangeven wanneer dit wel of niet gebeurt. In de beleidsregels kunnen ook begrippen uit de verordening worden uitgelegd.

De beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht: “Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid”. Als beleidsregels zijn vastgesteld, kan daar in beschikkingen naar worden verwezen.

De Wmo en de Jeugdwet leggen de nadruk op de eigen kracht, zelfredzaamheid en samenredzaamheid. Mensen komen zelf tot oplossingen op basis waarvan wordt bepaald op welke punten aanvullend een individuele maatwerkvoorziening nodig is.

Waar een inwoner niet meer in staat is om zelf of samen met het sociale netwerk te voorzien in zijn of haar zelfredzaamheid en participatie, kan hij of zij een beroep doen op een individuele maatwerkvoorziening uit de Wmo of Jeugdwet. Hierbij wordt eerst gekeken naar de mogelijkheden van de cliënt, de mogelijkheden van het netwerk rond de cliënt of om een vrijwilliger in te zetten, de beschikbaarheid van algemene voorzieningen zoals het consultatiebureau, was- en strijkservice, klussendienst of van (andere) algemene of overige voorzieningen die het college ter beschikking stelt. Dit gebeurt tijdens een gesprek dat thuis of telefonisch kan plaatsvinden.

De basisgedachte van de Wmo en de Jeugdwet is de verantwoordelijkheid nemen voor je eigen leven, wat betekent dat iedere inwoner ervoor moet zorgen dat hij voldoende is verzekerd. Tevens zou een inwoner daar waar mogelijk rekenschap geven van en anticiperen op wat vaak inherent is aan nieuwe levensfases. Bij iedere levensfase horen bijvoorbeeld andere wensen ten aanzien van de toegankelijkheid van de woning, de grootte van de woning, de bereikbaarheid van winkels en voorzieningen. Een inwoner kan hierop anticiperen door tijdig maatregelen te nemen om voorbereid te zijn op een nieuwe levensfase. Ook zou hij bereid moeten zijn om zelf te investeren in bepaalde hulpmiddelen die hij kan kopen in een gewone winkel of bijvoorbeeld een thuiszorgwinkel, zoals een sta-op stoel, een wandelstok of een rollator. Dit zijn hulpmiddelen die de Rijksoverheid in het verleden bewust uit het hulpmiddelenpakket van de Zorgverzekeringswet heeft gehaald, omdat zij betaalbaar zijn, veel gebruikt worden of passen binnen een bepaalde levensfase, net als een kinderwagen. Feitelijk hebben deze hulpmiddelen hiermee een algemeen gebruikelijk karakter gekregen.

Daarnaast hebben gemeenten wettelijke taken op het gebied van huiselijk geweld en kindermishandeling. Aan de hand van de 5 stappen van de meldcode bepalen professionals of ze een melding over vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling moeten doen bij de regionale organisatie Veilig Thuis (https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/huiselijk-geweld/meldcode).

Hoofdstuk 2 Begripsbepaling

Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wmo, Jeugdwet, de verordening en de Algemene Wet Bestuursrecht.

Hoofdstuk 3 Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon

Algemeen

1De gemeente wijst alle cliënten en hun mantelzorger(s) die een melding van een hulpvraag doen op de mogelijkheid om gebruik te maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning. Deze functie wordt door de gemeente ingekocht bij een professionele organisatie.

2Cliëntondersteuning is erop gericht om cliënten te ondersteunen bij het formuleren en beantwoorden van hun ondersteuningsvraag. Cliëntondersteuning is:

a.onafhankelijk; de cliëntondersteuner handelt vanuit het belang van de cliënt;

b.een algemene, vrij toegankelijke voorziening;

c.voor iedereen kosteloos beschikbaar;

d.gericht op de toegang tot ondersteuning in het sociaal domein en/of ondersteunend aan mensen die al van bepaalde voorzieningen gebruik maken.

3Iedere cliënt kan gebruik maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. Ook kan een consulent van de gemeente cliëntondersteuning adviseren aan een cliënt.

Specifiek jeugd

4Voor jeugdigen en/of hun ouders is er ook de mogelijkheid om gebruik te maken van een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Het AKJ (Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg) voert in opdracht van het ministerie van VWS, het onafhankelijk vertrouwenswerk voor de Jeugdwet uit. De vertrouwenspersoon wordt meestal pas benaderd als er al hulp is en daar vragen, problemen of klachten over ontstaan. De vertrouwenspersoon ondersteunt een cliënt bij het bespreekbaar maken van vragen, problemen of klachten en daarover helderheid te krijgen. Als dit is opgelost, dan stopt ook de ondersteuning van de vertrouwenspersoon.

Hoofdstuk 4 Gebruikelijke hulp

1Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse hulp die partners, ouders, inwonende jeugdigen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden. Voor jeugdigen geldt dat ouders/wettelijk vertegenwoordigers geacht worden de tot hun gezin behorende jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te stimuleren en toezicht aan hen te bieden.

2Er is sprake van meer dan gebruikelijke hulp, als de voor de jeugdige noodzakelijke zorg meer is dan de noodzakelijke zorg die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder beperking redelijkerwijs nodig heeft, voor wat betreft aard, frequentie en benodigde tijd. Hierbij wordt aangesloten bij de Richtlijn gebruikelijke zorg in de Beleidsregels indicatiestelling Wlz (https://wetten.overheid.nl/BWBR0047580/2023-01-01).

3Als uit onderzoek van het college blijkt dat de ouder overbelast is of dreigt te raken, wordt van hen tijdelijk geen (boven)gebruikelijke hulp verwacht voor wat betreft de te bieden Jeugdhulp, tot dat deze (dreigende) overbelasting is opgeheven, met dien verstande dat:

a.de (dreigende) overbelasting dient te worden opgeheven door de noodzakelijke hulp als bedoeld in het voorgaande lid (artikel 4 lid 2 van de beleidsregels) aan de jeugdige tijdelijk te laten uitvoeren door ondersteuning vanuit het sociale netwerk, een jeugdhulpaanbieder of andere zorgaanbieder (Wmo);

b.de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door het uitvoeren van maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke zorg, al dan niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek. Het leveren van gebruikelijke hulp gaat voor op het uitvoeren van maatschappelijke activiteiten.

Hoofdstuk 5 Meer dan gebruikelijke hulp

1Bij iedere individuele maatwerkvoorziening wordt op basis van artikel 2.6 van de verordening gemotiveerd vastgesteld in het gespreksverslag zoals bedoeld in artikel 2.5 van de Verordening of er sprake is van meer dan gebruikelijke zorg.

22. Er is geen sprake van meer dan gebruikelijke hulp bij niet-chronische situaties. Bij niet-chronische situaties gaat het om kortdurende hulp waarbij er uitzicht is op herstel van de situatie van de jeugdige en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden.

3Er is wel sprake van meer dan gebruikelijke hulp bij chronische situaties. Bij chronische situaties gaat het om langdurige hulp waarbij naar verwachting de zorg langer dan drie maanden nodig zal zijn.

4De invulling van gebruikelijke hulp in kortdurende en langdurige situaties is opgenomen in de bijgevoegde richtlijn Gebruikelijke Hulp in bijlage 2.

Hoofdstuk 6 Mantelzorg

1Mantelzorgers dragen vaak in belangrijke mate bij aan de zelfredzaamheid en participatie van inwoners en aan de mate waarin hun naasten nog in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven wonen. De mantelzorger is vertrouwd voor de cliënt die ondersteuning behoeft.

2Een groot risico is dat mantelzorgers worden overbelast. Om dat te voorkomen kan ondersteuning aan de mantelzorger worden geboden. Bijvoorbeeld door het Steunpunt Mantelzorg, door de cliënt voor één of meer dagdelen per week naar de dagbesteding te laten gaan, zodat de mantelzorger even iets voor zichzelf kan doen. Ook respijtzorg is mogelijk, bijvoorbeeld als de mantelzorger op vakantie gaat. In dat geval kan de mantelzorg tijdelijk worden overgenomen door bijvoorbeeld een formele of informele hulpverlener of anders een vrijwilliger.

3Onder voorwaarden kan een cliënt ook één of meer etmalen per week worden opgenomen in een instelling. De belangrijkste voorwaarde daarbij is dat de cliënt ’s nachts toezicht nodig heeft en niet alleen gelaten kan worden. In dat geval kan het overigens ook zo zijn dat de cliënt in aanmerking komt voor de Wet langdurige zorg (Wlz).

4De gemeente heeft oog voor de inzet van mantelzorgers. De inzet van mantelzorgers verdient steun en waardering.

Hoofdstuk 7 Persoonsgebonden budget (pgb)

Als een cliënt in aanmerking komt voor een individuele maatwerkvoorziening en deze in de vorm van een pgb wenst te ontvangen, dan geldt het volgende.

1Een pgb is alleen mogelijk als:

a.naar het oordeel van het college is voldaan aan alle in artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo of artikel 8.1.1 Jeugdwet genoemde voorwaarden en de weigeringsgronden van artikel 2.3.6, vijfde lid, van de Wmo of artikel 8.1.1, vierde lid van de Jeugdwet niet van toepassing zijn;

b.de cliënt naar het oordeel van het college in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren of hij daarvoor een vertegenwoordiger heeft die: is verbonden aan een organisatie die beschikt over het keurmerk van PerSaldo of een persoon is die niet tevens uitvoerder is van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht. Tenzij dit, gezien de situatie van de cliënt, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding van het pgb is omgeven, naar het oordeel van het college bij de betreffende vertegenwoordiger voldoende is geborgd. De taken omvatten onder andere het afsluiten van een zorgovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank[1], het nakomen van werkgeversverplichtingen en het afleggen van verantwoording over de besteding van het pgb.

c.ouders van jeugdigen onder de 18 jaar zijn op grond van de wet in alle opzichten verantwoordelijk voor hun jeugdigen. Voor hen gelden de voorwaarden, zoals deze gelden voor iedere budgethouder.

d.de vertegenwoordiger helpt de budgethouder bij:

a.de administratie van het pgb;

b.het kiezen van de hulpverleners;

c.het nakomen van de rechten en plichten van het pgb;

d.het in de gaten houden van de kwaliteit van de zorg.

e.een vertegenwoordiger voldoet aan de volgende voorwaarden:

a.zit niet in detentie;

b.kan aan alle pgb verplichtingen voldoen;

c.woont maximaal 200 kilometer bij de cliënt vandaan in Nederland;

d.krijgt geen vergoeding uit het pgb voor zijn taken als vertegenwoordiger;

e.heeft geen betalingsproblemen (zoals Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP), faillissement of uitstel van betaling);

f.is niet eerder vertegenwoordiger geweest, waarbij niet aan de verplichtingen is voldaan.

f.de ondersteuning die de cliënt met het pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van de in het ondersteuningsplan opgenomen doelstellingen;

g.het college instemt met het persoonlijk plan dat door de cliënt is ingediend.

2In navolging van artikel 3 lid 2 van de verordening geldt het volgende. Indien de cliënt reeds kosten gemaakt heeft en kan worden vastgesteld dat de voorziening noodzakelijk was, dan kunnen middels bankafschriften aantoonbaar gemaakte kosten en gerelateerde omschrijving worden vergoed, vanaf de meldingsdatum tot maximaal het bij beschikking toegekende bedrag voor deze voorziening (goedkoopst passend). Deze vergoeding geldt niet voor de huur van voorzieningen als men niet tijdig (12 weken voor afloop van de uitleentermijn) een melding heeft gedaan bij de gemeente.

3In navolging van artikel 4 lid 2a van de verordening geldt het volgende. De met het pgb ingekochte formele hulp moet voldoen aan de kwaliteitseisen, zoals gesteld in de raamovereenkomst Individuele voorzieningen voor jeugdigen en maatwerkvoorzieningen voor volwassenen in het kader van de Jeugdwet, Wmo en Maatschappelijke Opvang/Beschermd wonen GGZ.

4Het college weegt bij het beoordelen van de kwaliteit mee of de hulpverlening, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt door middel van een persoonlijk plan en/of een programma van eisen (bij hulpmiddelen/woningaanpassingen).

5Het college bepaalt of in verband met de kwaliteitsborging bepaalde hulp door een formele hulp moet worden geboden.

6In navolging van artikel 4 lid 5 van de verordening geldt het volgende. Bij de beoordeling van de mogelijkheid tot het inhuren van informele hulp middels een pgb wordt het volgende afgewogen:

a.De cliënt moet zijn keus om een informele hulp met het pgb in te schakelen motiveren;

b.De informele hulp mag daarbij op geen enkele wijze druk op de cliënt hebben uitgeoefend bij zijn besluitvorming om over te gaan tot uitbetaling;

c.De wens en de behoefte van de cliënt om invloed uit te oefenen op de invulling en het tijdstip van de geboden informele hulp wordt meegewogen;

d.De informele hulp is in staat om de gevraagde hulp te bieden (mag niet te zwaar zijn).

e.De totale belasting van de mantelzorger, dat wil zeggen de combinatie van gebruikelijke hulp, mantelzorg en werk, acceptabel is;

f.Er sprake is van verlies aan inkomsten als gevolg van het verlenen van hulp aan de cliënt;

g.De kosten die iemand moet maken om informele hulp te verlenen en de mogelijkheid om dit zelf te kunnen bekostigen;

h.Betaling van vrienden, kennissen, collega’s en buren is afhankelijk van de sociale relatie die de cliënt met deze mensen heeft en de mogelijkheid van de cliënt om zelf iets terug te doen voor de mantelzorger (wederkerigheid);

i.Het type hulp, de frequentie van de geboden hulp, de duur van de hulp (tijdelijk of langere periode) en de mate van verplichting (bij ziekte of vakantie kan de hulp wel/niet een keer worden overgeslagen) spelen een rol bij het al dan niet toekennen van een pgb;

j.De mogelijkheid om zorg uit handen te kunnen geven. Mogelijk is er passende zorg in natura beschikbaar.

7Hulpverleners mogen geen taken van elkaar overnemen (uitruil), tenzij zij hierover andere afspraken met het college hebben gemaakt en deze afspraken zijn vastgelegd. Over de omvang van de inzet van deeltijdverblijf/logeeropvang dienen altijd afspraken te worden gemaakt.

8De cliënt kan bij een pgb voor hulpverlening geen vrij besteedbaar bedrag opnemen.

9Het gebruik van de model zorgovereenkomsten van de sociale verzekeringsbank (SVB) is verplicht.

10Het pgb wordt uitbetaald per feitelijk geleverde uren (declaratie basis), niet zijnde maandloon.

11Er wordt geen feestdagenuitkering verstrekt. De feestdagenuitkering maakt integraal onderdeel uit van het uurtarief.

12Er wordt geen aparte reiskostenvergoeding verstrekt. De reiskosten maken integraal onderdeel uit van het uurtarief.

13Er wordt geen eenmalige uitkering verstrekt bij het beëindigen van een pgb.

14De SVB biedt gratis ondersteuning aan cliënten met een pgb, waaronder het verzorgen van de salarisadministratie.

Hoofdstuk 8 Eigen bijdrage Wmo

In artikel 6 van de verordening zijn de kaders opgenomen bij welke voorzieningen een eigen bijdrage gevraagd wordt en de hoogte van deze bijdrage.

1Het college kondigt schriftelijk aan bij de cliënt dat een bijdrage opgelegd wordt en, indien van toepassing, de looptijd.

2De eigen bijdrage voor een individuele maatwerkvoorziening of een pgb wordt vastgesteld en geïnd door het CAK.

3De eigen bijdrage kan (tijdelijk) opgeschort worden als er meer dan 2 maanden aaneengesloten geen zorg of ondersteuning is ontvangen.

Hoofdstuk 9 Bezwaar en mediation

1Iedere belanghebbende heeft de mogelijkheid als hij het oneens is met een beschikking, in bezwaar te gaan. Met het indienen van een bezwaarschrift verzoekt de belanghebbende de gemeente om het besluit waartegen hij bezwaar maakt, te heroverwegen.

2Bij de behandeling van het bezwaar, vindt er eerst een gesprek plaats tussen een daartoe gemandateerde vertegenwoordiger namens het college en belanghebbende of diens gemachtigde, ook wel pre-mediation genoemd.

3Bezwaren worden behandeld conform de verordening Commissie Bezwaarschriften van de gemeente Epe.

[1] Zie www.svb.nl onder modelzorgovereenkomsten

Deel B: Uitwerking naar individuele maatwerkvoorziening

Hoofdstuk 10 Jeugdhulp

Inleiding

De Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe en deze beleidsregels geven uitvoering aan de Jeugdwet. Met de Jeugdwet is de verantwoordelijkheid van de gemeenten vanaf 2015 uitgebreid met de provinciale (geïndiceerde) jeugdzorg, de gesloten jeugdzorg, geestelijke gezondheidzorg voor jeugdigen (jeugd-ggz), zorg voor jeugd met een licht verstandelijk beperking (jeugd-lvb), ggz in het kader van het jeugdstrafrecht (forensische zorg), jeugdbescherming en jeugdreclassering. Daarnaast wordt met deze wet een omslag gemaakt naar een stelsel met een voorzieningenplicht, waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jeugdige en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.

In de verordening en in deze beleidsregels wordt het proces van de toegang tot een individuele maatwerkvoorziening vastgelegd en verder toegelicht. Jeugdigen en ouders hebben het recht op een zorgvuldige procedure. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal tot een juist besluit moeten leiden en daarbij zorg dragen voor passende zorg en ondersteuning waar deze nodig is. De uitvoering van de Jeugdwet wordt in mandaat uitgevoerd door de deskundigen van het CJG.

Overige voorzieningen

In de samenleving zijn vele voorzieningen te vinden waar ouders en jeugdigen terecht kunnen met vragen en voor preventieve ondersteuning, vaak gekoppeld aan welzijn, onderwijs of vrije tijdsbesteding. Deze voorzieningen zijn vrij toegankelijk en dragen bij aan de eigen kracht. Preventie, informatie en advies en signalering vallen hier onder. Deze voorzieningen vallen niet onder de Jeugdwet.

Individuele maatwerkvoorzieningen

Individuele maatwerkvoorzieningen (volgens de Jeugdwet ‘individuele voorzieningen’) zijn beschikbaar in de vorm van (intensieve,) specialistische ondersteuning. Deze voorzieningen zijn niet vrij toegankelijk. Individuele maatwerkvoorzieningen zijn ingekocht bij de zorgaanbieders die de raamovereenkomst ‘Individuele voorzieningen voor jeugdigen en maatwerkvoorzieningen voor volwassenen in het kader van de Jeugdwet, Wmo lokaal en Maatschappelijke Opvang/Beschermd Thuis GGZ ‘’ hebben ondertekend. Daarnaast worden voorzieningen voor jeugdreclassering en jeugdbescherming op Gelders niveau ingekocht, als onderdeel van de Gelderse Verbeteragenda. . De meest specialistische zorg die bijna niet voorkomt, wordt op landelijke schaal ingekocht.

Met de regionale Inkoop 2019 zijn de maatwerkvoorzieningen zoveel mogelijk integraal ingekocht

(Jeugd, Wmo en Maatschappelijke Opvang/Beschermd Wonen). Integrale producten zijn:

-Ondersteuning individueel

-Ondersteuning groep

-Wonen/verblijf

Specifieke jeugdvoorzieningen zijn:

-Behandeling; zowel individuele behandeling, groepsbehandeling als wonen/verblijf met behandeling

-Pleegzorg

-Dyslexiezorg

-Gesloten jeugdhulp

-Specialistische geestelijke gezondheidszorg; zowel diagnostiek basis en specialistische geestelijke gezondheidszorg, behandeling zeer specialistische zorgvormen als crisis.

-Activiteiten in het preventief justitieel kader en jeugdbescherming en jeugdreclassering

-Kindergeneeskunde

-Vervoer inzake jeugdhulp

(Zie https://www.zorgregiomijov.nl/ voor het meest recente overzicht)

Individuele maatwerkvoorzieningen kunnen worden ingezet als zorg in natura en via een Pgb. Voor de regels met betrekking tot een PGB wordt verwezen naar de verordening en naar artikel 7 van deze beleidsregels.

Artikel 10.1 Vervoer Jeugdhulp

1Als de jeugdige is aangewezen op jeugdhulp op grond van de Jeugdwet, zijn ouders in beginsel verantwoordelijk voor het vervoer van en naar de jeugdhulpaanbieder. Er kunnen omstandigheden zijn waardoor hierin door de jeugdige, zijn ouders en hun netwerk niet kan worden voorzien. De gemeente is verplicht om dan vervoer te regelen van en naar de jeugdhulpaanbieder. Dit artikel is een uitwerking van artikel 2.3 lid 2 van de Jeugdwet.

Artikel 10.2 Voorwaarden voor vervoer jeugdhulp

1Het college kent op aanvraag een vervoersvoorziening toe als de jeugdige is aangewezen op een door het college toegekende individuele maatwerkvoorziening voor jeugdhulp bij een jeugdhulpaanbieder en sprake is van een medische noodzaak of een beperking in de zelfredzaamheid van de jeugdige die het zelfstandig reizen met het openbaar vervoer onmogelijk maakt en de jeugdige geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden:

a.op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit zijn omgeving;

b.door, al dan niet (gedeeltelijk), gebruik te maken van een overige of algemene voorziening, zoals bedoeld in artikel 1 van de verordening;

2Het college kent een vervoersvoorziening toe indien de jeugdige niet in staat is zelfstandig te reizen en bij de ouders sprake is van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid waardoor zij de jeugdige niet kunnen vervoeren of met de jeugdige meereizen.

3Het college kent een vervoersvoorziening toe als er geen andere mogelijkheid is die de jeugdige in staat stelt de jeugdhulp te ontvangen die in de beschikking is vastgelegd.

Artikel 10.3 Aanvraag en toekenning van een vervoersvoorziening

1De aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt ingediend bij het college.

2De jeugdige of zijn ouders doen een aanvraag voor een vervoersvoorziening, voordat de jeugdhulp start of voordat mogelijk aanspraak ontstaat op een vervoersvoorziening.

3Vervoerskosten die zijn gemaakt voordat deze zijn aangevraagd, komen niet voor vergoeding door het college in aanmerking.

Artikel 10.4 Dichtstbijzijnde passende voorziening voor jeugdhulp

1Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen het hoofdverblijf van de jeugdige volgens Basis registratie personen (Brp) en de dichtstbijzijnde goedkoopst passende voorziening jeugdhulp, zoals bedoeld in artikel 2.6 van de verordening.

Artikel 10.5 Vergoeding op basis van de reiskosten van eigen vervoer

1Het college vergoedt aan de ouders van de jeugdige, die voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 10.2 van deze beleidsregels, een vergoeding wanneer zij zelf de jeugdige vervoeren, dan wel laten vervoeren door een andere persoon uit het netwerk, naar de jeugdhulpaanbieder van een bedrag per kilometer van ten hoogste € 0,38. De vergoeding bedraagt normaliter € 0,19 per kilometer. Gaat de ouder tussendoor terug naar huis dan wordt maximaal € 0,38 vergoed per kilometer dat de jeugdige meereist (de vergoeding komt ook dan dus uit op € 0,19 per kilometer).

2De te vergoeden kilometers worden berekend op basis van de kortste route via de ANWB routeplanner.

Artikel 10.6 Vergoeding van de reiskosten van openbaar vervoer

1Het college verstrekt aan de ouders van de jeugdige, die voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 10.2 van deze beleidsregels, een vergoeding op basis van de reiskosten van het openbaar vervoer 2e klas.

2Indien meereizen met de jeugdige in het openbaar vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de reiskosten welke verbonden zijn aan het meereizen met de jeugdige in het openbaar vervoer. Dit geldt dus zowel voor de heenreis (ouder met jeugdige) als de terugreis (ouder met jeugdige of ouder alleen).

3Het college verstrekt aan de ouders van de jeugdige, die voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 10.2 van deze beleidsregels, een vergoeding van ten hoogste de reiskosten 2e klas van één meereizende ouder, of een ander persoon uit het netwerk, indien door de ouders wordt aangetoond dat de jeugdige niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken.

Artikel 10.7 Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer

1Het college verstrekt aan de ouders van een jeugdige, die voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 10.2 van deze beleidsregels, een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer als de jeugdige door de ernst van de medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid niet in staat is - ook niet met een meereizende ouder- van het openbaar vervoer gebruik te maken. Bij de toekenning door het college wordt de wijze en het tijdstip van de verstrekking alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening aangegeven.

2Indien meereizen in het aangepaste vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de reiskosten welke verbonden zijn aan het meereizen met de jeugdige in het aangepaste vervoer.

Artikel 10.8 Goedkoopst adequate vervoersvoorziening

1Het college kent maximaal de kosten van de goedkoopst adequate vervoersvoorziening toe.

Hoofdstuk 11 Huishoudelijke Ondersteuning

11.1. Inleiding

Deze beleidsregels zijn opgesteld ten behoeve van het indiceren van huishoudelijke ondersteuning ingevolge de Wmo 2015 en de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe. Gemeenten zijn op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor de ondersteuning van mensen die niet in staat zijn zelfstandig een gestructureerd huishouden te voeren (artikel 1.1.1 Wmo 2015 en artikel 2.1.1 Wmo 2015). In de Wmo 2015 is geen concrete definitie gegeven van een gestructureerd huishouden. In de Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe verstaan we er een schoon en leefbaar huis onder. Huishoudelijke ondersteuning voorziet in eenvoudige huishoudelijke (schoonmaak) werkzaamheden. Naast die werkzaamheden bestaat, indien nodig, ondersteuning in de vorm van regievoering over het huishouden. Van dit laatste is sprake als iemand geen of onvoldoende regie over het eigen huishouden kan voeren en er geen sociaal netwerk aanwezig is dat op adequate wijze regie kan voeren.

Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Dit betekent dat men gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes, de keuken, sanitaire ruimtes en de gang/trap. De genoemde ruimtes dienen met enige regelmaat schoongemaakt te worden. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maken geen onderdeel uit van huishoudelijke ondersteuning.

Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen.

Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.

Om een algemeen aanvaard basisniveau van schoon en leefbaar huis te realiseren kan de gemeente Epe een individuele maatwerkvoorziening afgeven. Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening (activiteiten, frequenties en de tijd) maken we gebruik van het ‘Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 – Bureau HHM, juni 2019’ (Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Epe: Bijlage 3 Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 – Bureau HHM, juni 2019).

11.2. Uitgangspunten huishoudelijke ondersteuning

De gezamenlijke huishouding is primair zelf verantwoordelijk voor het eigen huishouden, met inbegrip van het bevorderen en in standhouden van gezondheid, levensstijl en de wijze waarop de huishouding wordt gevoerd. Huishoudelijke ondersteuning is er als aanvulling op de eigen mogelijkheden. De eigen verantwoordelijkheid van gezamenlijke huishouding houdt ook in dat het huis zodanig is ingericht dat dit in redelijkheid schoongehouden kan worden.

Wonen mensen zelfstandig samen op een adres en delen ze gemeenschappelijke ruimten (bijvoorbeeld woongroepen, kamerverhuur, meerdere generaties in een huis), dan zal het aandeel in het schoonmaken van die ruimten bij uitval van één van de leden worden overgenomen door de andere leden de huishouding. Eventuele huishoudelijke ondersteuning wordt dan alleen verstrekt voor de eigen woonruimte van de zorgvrager. Een voorbeeld ter verduidelijking: een groep studenten woont bij elkaar in een studentenflat. Ieder huurt zijn eigen kamer. De keuken is voor gemeenschappelijk gebruik. Eén student heeft ondersteuning nodig. De ondersteuning vanuit de gemeente wordt dan alleen verstrekt voor betreffende kamer. De overige studenten houden gezamenlijk de keuken schoon.

11.2.2. Particuliere huishoudelijke ondersteuning kan voorliggend zijn

Als cliënten al langere tijd particuliere hulp hebben, en zij na het ontstaan van beperkingen huishoudelijke ondersteuning aanvragen, kan sprake zijn van de volgende situaties:

1Als een cliënt minder dan 9 maanden van een jaar particuliere hulp heeft gehad en de reden van de aanvraag is gelegen in het feit dat het financieel niet meer haalbaar is of er een andere moverende reden is dan wordt de particuliere hulp niet als algemeen gebruikelijk beschouwd.

2Als een cliënt 9 maanden van een jaar particuliere hulp heeft en, op moment van de aanvraag, nog steeds hulp heeft die activiteiten overneemt (waarmee de cliënt bij het voeren van het huishouden problemen ondervindt) dan wordt de particuliere hulp als algemeen gebruikelijk beschouwd voor de overgenomen activiteiten.

3Als een cliënt 9 maanden van een jaar particuliere hulp heeft en, op moment van de aanvraag, nog steeds hulp heeft die niet alle activiteiten overneemt (waarmee de cliënt bij het voeren van het huishouden problemen ondervindt) dan kan er een maatwerkvoorziening worden verstrekt voor de activiteiten die niet overgenomen worden.

11.2.3. Stimuleren/motiveren

We gaan uit van het principe ‘zorgen dat’ in plaats van ‘zorgen voor’. Dit betekent dat we daar waar mogelijk stimuleren dat de cliënt zelf huishoudelijke activiteiten uit blijft voeren. Huishoudelijke ondersteuning kan in voorkomende situaties immers niet bijdragen aan een verbetering van de situatie of kan een verbetering in de weg staan (anti-revaliderende werking)..

11.2.4. Normen onderliggend aan toekenning

De volgende normen zijn onderliggend bij de toekenning van huishoudelijke ondersteuning:

Huishoudelijke ondersteuning wordt alleen toegekend voor noodzakelijke activiteiten.

Er wordt in principe niet meer geïndiceerd dan nodig is om verantwoorde huishoudelijke ondersteuning te bieden in de essentiële woonfuncties van de aanvrager en de andere inwoners (partner/kinderen).

Alleen de ruimtes die door de bewoner(s) in gebruik zijn worden schoongemaakt/gehouden. Hieronder verstaan we limitatief de volgende ruimtes:

-sanitaire ruimte(s),

-keuken,

-woonkamer,

-de door de bewoner(s) gebruikte slaapkamer(s),

-de hal/trap die leidt naar bovengenoemde ruimtes.

Periodieke werkzaamheden (zoals het aan de binnenkant wassen van ramen) in andere ruimten dan hierboven omschreven, mogen bij uitzondering geïndiceerd worden. Hier wordt rekening gehouden met een lagere schoonmaakfrequentie.

Van de cliënt wordt verwacht dat deze bijdraagt aan het efficiënt uitvoeren van de ondersteuningsactiviteiten. Activiteiten die de cliënt niet zelf (volledig) uit kan voeren, lukken misschien wel als activiteiten op een andere manier worden uitgevoerd. Het zogenaamde ‘elimineren, volgorde veranderen, simplificeren, combineren van activiteiten’.

11.2.5. Inrichting van de woning

Een extreem bewerkelijke inrichting van de woning leidt in principe niet tot de toekenning van extra ondersteuning. Dit heeft bijvoorbeeld betrekking op extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. De cliënt wordt geacht zelf bij te dragen aan het efficiënt kunnen uitvoeren van de ondersteuningsactiviteiten. De inrichting van de woning is namelijk een keuze waar de cliënt invloed op kan uitoefenen.

11.2.6. Tuinonderhoud

Tuinonderhoud wordt niet meegenomen bij het vaststellen van de ondersteuning die noodzakelijk is inzake huishoudelijke ondersteuning (CRvB 22-02-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:885). Huishoudelijke ondersteuning beperkt zich tot de binnenzijde van de wooneenheid.

11.2.7. Ramen wassen buitenkant

Het aan de buitenkant wassen van ramen wordt niet meegenomen bij het vaststellen van de ondersteuning die noodzakelijk is inzake huishoudelijke ondersteuning (CRvB, 29-03-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1302). Voor het aan de buitenkant wassen van de ramen is een adequaat alternatief beschikbaar in de vorm van een glazenwasser. Gezien de lage frequentie van het ramenwassen aan de buitenkant, in combinatie met de beperkte kosten voor het inzetten van een glazenwasser, geeft de Centrale Raad van Beroep aan dat deze kosten ook door inwoners met een minimuminkomen gedragen kunnen worden.

11.2.8. Huisdieren

Heeft de cliënt huisdieren dan hanteert het college het volgende uitgangspunt. In het algemeen geldt dat het hebben van huisdieren niet leidt tot meer inzet van huishoudelijke ondersteuning. Het ligt ook niet voor de hand dat een cliënt dit van het college verwacht. Immers, het hebben van huisdieren brengt nu eenmaal (wat) meer vervuiling van de woning met zich mee. Als uitzondering kan gelden indien de cliënt is aangewezen op een blinde geleide hond of een zogeheten hulphond die is verstrekt op grond van de Zvw of aan de jeugdige op grond van de Jeugdwet. De Centrale Raad van Beroep heeft in 2019 nog bevestigd dat beleid dat inhoudt dat de aanwezigheid van gewone huisdieren (niet zijnde hulphonden) geen aanleiding is voor het toekennen van aanvullende uren huishoudelijke ondersteuning, de rechterlijke toetsing kan doorstaan (ECLI:NL:CRVB:2019:2585).

11.3. Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019

11.3.1. Context normenkader

In het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019, opgenomen in de hoofdstukken 11.4 en 11.5, wordt per onderdeel de frequentie en/of de benodigde tijd genoemd die/dat toegekend kan worden. In hoofdstuk 11.4 wordt dit weergegeven voor de basisactiviteiten en in hoofdstuk 11.5 voor de aanvullende activiteiten. Het gaat hierbij nadrukkelijk om een richtlijn, met als doel om uniformiteit na te streven. Iedere individuele situatie wordt separaat onderzocht en als die situatie erom vraagt dan wordt van onderstaande richtlijn afgeweken. Het college kan afwijken met zowel op- als neerwaartse bijstellingen. Dit kan alleen als gemotiveerd aangegeven wordt waarom de verhoging of verlaging noodzakelijk is. Voor alles geldt dat als maatwerk vraagt om hiervan af te wijken, dit voorgaat op de richtlijn.

11.3.2. Gemiddeld huishouden

Het normenkader is van toepassing op een gemiddeld huishouden. Door uit te gaan van een gemiddelde situatie krijgen de normtijden een algemeen karakter en wordt voorkomen dat op alle mogelijk denkbare uitzonderingen apart beleid moet worden ontwikkeld. In het normenkader is naast de directe tijd ook indirecte tijd opgenomen. Dit is tijd die nodig is voor binnenkomen, afspraken maken, interactie met de cliënt en bijvoorbeeld het pakken en opruimen van schoonmaakmiddelen. Deze indirecte tijd is even noodzakelijk als de directe tijd om de beoogde resultaten te behalen. Onder een gemiddelde situatie wordt verstaan:

-een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende jeugdigen;

-wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap;

-er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen;

-de cliënt kan de woning dagelijks op orde houden (bijvoorbeeld aanrecht afnemen, algemeen opruimen) zodat deze gereed is voor de schoonmaak;

-de cliënt heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd;

-er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd;

-er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de cliënt die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn;

-de woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk.

11.3.3. Niet-gemiddeld huishouden

Een aantal factoren kan maken dat een situatie niet gemiddeld is, maar dat een andere inzet nodig is door een andere frequentie van activiteiten of een andere tijdbesteding. Het gaat dan om de onderstaande factoren.

Kenmerken cliënt

-Mogelijkheden cliënt zelf.

Hier wordt gekeken naar de fysieke en de psychische mogelijkheden van de cliënt om bij te dragen aan de uit te voeren activiteiten. Wanneer deze zeer beperkt zijn, kan meer inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de cliënt mee.

-Beperkingen en belemmeringen van de cliënt.

Hier wordt gekeken naar de beperkingen en belemmeringen van de cliënt die gevolgen hebben voor de benodigde inzet. Naarmate een cliënt meer beperkingen en belemmering heeft, kan meer inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Leidend is de hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is; niet de problematiek als zodanig. Voorbeelden zijn Huntington, ALS, Parkinson, dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerig, psychische aandoeningen, verslaving/alcoholisme e.d. Dit kan op twee manieren uitwerken:

Het kan nodig zijn extra vaak schoon te maken of te wassen, doordat meer vervuiling optreedt. Bijvoorbeeld als gevolg van rolstoelgebruik, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremoren, besmet wasgoed (bijvoorbeeld bij chemokuur of Norovirus).

Het kan nodig zijn de woning extra goed schoon te maken ter voorkoming van problemen bij de cliënt voortkomend uit bijvoorbeeld allergie, astma, longemfyseem, COPD.

-Ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers.

Hier wordt gekeken naar of er ondersteuning wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de cliënt en eventuele vrijwilligers. Afhankelijk van de hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden kan minder professionele inzet vanuit de gemeente noodzakelijk zijn omdat een deel activiteiten door niet-professionals wordt gedaan.

Kenmerken huishouden

-Samenstelling van het huishouden.

Hier wordt gekeken naar het aantal personen en leeftijd van leden in het huishouden. Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet per se extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke hulp). De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding (leeftijdsafhankelijk). Als er kinderen zijn, zijn er vaak ook meer ruimtes in gebruik. Een kind kan eventueel ook een bijdrage leveren in de vorm van mantelzorg en daarmee de benodigde extra inzet beperken of opheffen. Bij een kind kan ook sprake zijn van bijzonderheden (ziekte of beperking) die maken dat extra inzet van ondersteuning nodig is.

-Huisdieren

Door de aanwezigheid van een blinde geleide hond of een zogeheten hulphond die is verstrekt op grond van de Zvw of aan de jeugdige op grond van de Jeugdwet, kan door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. In voorkomende gevallen wordt 15 minuten extra inzet per week toegekend.

Kenmerken woning

-Inrichting van de woning.

Er kan extra inzet nodig zijn doordat er bijvoorbeeld extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer staan of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties, waarbij de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. Zie hiervoor ook 11.2.5. ‘Inrichting woning’ over wat hierin van een cliënt verwacht wordt.

-Bewerkelijkheid van de woning.

Er kan extra inzet nodig zijn door bouwkundige en externe factoren, bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand-of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes.

-Omvang van de woning.

Een grote woning kan, maar hoeft niet per se meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd.

11.4. Normenkader huishoudelijke ondersteuning

Bijlage 1 Overzicht individuele maatwerkvoorzieningen

Binnen de bouwstenen ondersteuning, behandeling en wonen/verblijf wordt een onderscheid gemaakt in basis, middel en complex. Daarnaast is begeleiding en behandeling zowel individueel als in groepsverband mogelijk. Verder onderscheiden we begeleiding crisis, behandeling crisis en wonen/verblijf crisis.

De hulpvraag van jeugdigen en volwassenen is uniek en onderling verschillend. De duur van de hulpvraag kan kort of juist lang zijn. Maar deze kan ook verschillen in de intensiteit van de zorgvraag: de ene hulpvraag is lichter of juist zwaarder dan de andere hulpvraag. Dit betekent dat een hulpvraag lang kan zijn, maar een licht karakter hebben. Een hulpvraag kan ook kort duren, maar in die korte tijd juist zwaar zijn. Op deze manier zijn 4 combinaties mogelijk tussen de duur van de zorg en ondersteuning en de intensiteit van de hulpvraag. Die combinaties en de benaming ervan staan hieronder:

Deze combinaties tussen duur en intensiteit kunnen gelden voor elke ondersteuning op individueel of groepsniveau, wonen/verblijf en behandeling.

Binnen de bouwsteen bepaalt de toegang of de jeugdhulpaanbieder samen met de jeugdige of zijn ouders welke jeugdhulp precies nodig is binnen de daarvoor door de gemeente gestelde kaders.

-De gezamenlijke inkoop Wmo, Jeugdhulp en Maatschappelijke Opvang en Beschermd Wonen heeft geleid tot een aantal integrale bouwstenen die voor zowel volwassenen als jeugdigen beschikbaar zijn.

-Behandeling is een specifieke bouwsteen jeugdhulp. De behandeling voor jeugdigen is onderdeel van de Jeugdwet. Vanaf 18 jaar valt behandeling onder de Zorgverzekeringswet.

-Pleegzorg en gezinshuizen is een bijzondere vorm van wonen/verblijf van jeugdigen. De plaatsing van jeugdigen in een pleeggezin of gezinshuis heeft de voorkeur boven plaatsing in een residentiele setting.

-Dyslexiezorg betreft de behandeling van ernstige enkelvoudige dyslexie bij jeugdigen in de basisschoolleeftijd. Dyslexiezorg wordt alleen vergoed voor kinderen op de basisschool die maximaal 12 jaar oud zijn bij aanvang van de behandeling. De behandeling kan wel op de middelbare school afgerond worden.

-Gesloten jeugdhulp omvat de zorg en behandeling voor jeugdigen met ernstige gedragsproblemen, waarbij gevaar bestaat voor de gezondheid en veiligheid van de jeugdige en/of zijn omgeving, in een gesloten accommodatie op basis van een machtiging, spoedmachtiging of voorwaardelijke machtiging van de rechter.

-Specialistische Geestelijke Gezondheidszorg (SGGZ): naast behandeling basis en complex is sprake van specialistische vormen van GGZ voor basale stoornissen, stabilisatie, ernstig psychische aandoeningen en in crisissituaties.

-Activiteiten in het preventief justitieel kader betreffen de inzet van de deskundigheid van jeugdbescherming of jeugdhulp ter voorkoming van een maatregel of in het proces ter voorbereiding van een aanvraag van een maatregel bij de kinderrechter. Een maatregel voor jeugdbescherming en jeugdreclassering wordt door de kinderrechter opgelegd. Naast de maatregel kan de rechter ook beslissen dat jeugdhulp nodig is. De gemeente i.c. het CJG is gehouden deze jeugdhulp in te zetten, binnen de voorwaarden die daarvoor zijn vastgelegd in de Jeugdwet, de verordening Jeugd en Wmo, deze beleidsregels en de Gelderse Verbeteragenda.

-Kindergeneeskunde is de zorg door een medisch specialist om een integraal traject te bevorderen als er zowel medische als psychische problemen zijn bij jeugdigen. Het betreft dan een arts uit het ziekenhuis.

-Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor het vervoer van de jeugdige naar de jeugdhulp. Er kan bij ouders sprake zijn van zodanige beperkingen dat zij niet instaat zijn hun kind de jeugdhulp te laten bezoeken. De gemeente kan dan een vervoersvoorziening afgeven. Een besluit hiertoe wordt altijd door het CJG genomen.

Bijlage 2 Richtlijnen Gebruikelijke Hulp

Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen verwacht mag worden van de echtgenoot, ouders, inwonende jeugdigen of andere huisgenoten. Het gaat veelal om mensen die ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt.

Bij gebruikelijke hulp wordt een onderscheid gemaakt in kortdurende en langdurige situaties.

-Bij kortdurende situaties is er uitzicht op een dusdanig herstel van beperkingen en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de cliënt. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden.

-Er is sprake van een langdurige situatie als het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de hulp langer dan drie maanden nodig zal zijn.

Algemeen aanvaarde maatstaven:

-In kortdurende situaties moet alle persoonlijke verzorging en hulpverlening door de gebruikelijke hulpverlener worden geboden.

-In langdurige situaties is de hulp, waarvan kan worden gezegd dat deze op basis van algemeen aanvaarde maatstaven door de sociale omgeving (ouders, partners, volwassen inwonende kinderen en andere volwassen huisgenoten) aan de cliënt moet worden geboden gebruikelijke hulp.

-Het bieden van een beschermende woonomgeving van ouders aan jeugdigen is tot een leeftijd van 18 jaar gebruikelijke hulp, zowel in kortdurende als langdurige situaties.

Hulp door twee hulpverleners

Bij de cliënt met een complexe hulpvraag kan het noodzakelijk zijn dat deze door twee hulpverleners geleverd wordt. Is er sprake van gebruikelijke hulp, dan wordt dit toegepast op de te leveren hulp door de eerste persoon. Voor de door de tweede persoon te leveren hulp wordt de (gemiddelde) tijd volledig toegekend.

Voor de aanwezigheid van een tweede hulpverlener ter ondersteuning van bijvoorbeeld een fysiotherapeut is de cliënt niet aangewezen op ondersteuning vanuit de Wmo of Jeugdwet, de verantwoordelijkheid voor de adequate hulpverlening ligt bij de therapeut zelf.

Algemeen beoordelingskader bij jeugdigen

Het onderzoek door het CJG naar de aanspraak op een individuele maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet in relatie tot gebruikelijke hulp van ouders aan kinderen wordt als volgt beoordeeld:

-Wat is de situatie? Hoe is de ontwikkeling van het kind en is er sprake van voorgaande hulpverlening?

-Is er sprake van opgroei-, opvoed-, of psychische problematiek?

-Is er een oplossing mogelijk via eigen mogelijkheden of het sociale netwerk van de ouders?

Indien er geen oplossingen zijn via eigen mogelijkheden of het sociale netwerk en de ouders kunnen de benodigde inspanning niet leveren, kan er worden gekeken naar een maatwerkvoorziening.

Om vast te stellen op welke hulp de jeugdige is aangewezen, wordt door het CJG beoordeeld welke hulp op het gebied van persoonlijke verzorging en hulpverlening uitgaat boven de hulp die een kind van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft. Bij die beoordeling worden de leeftijd van de jeugdige, de aard van de zorghandelingen, de frequentie van deze zorghandelingen en de omvang van de daarmee gemoeide tijd betrokken (ECLI:NL:RBROT:2018:5884). Deze thema’s worden hieronder uitgelegd. Ook wordt beoordeeld of sprake is van één of meer uitzonderingen die van invloed kunnen zijn bij het bepalen van de gebruikelijke hulp van ouders aan jeugdigen. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met die situaties waarbij ouders voortdurend in de nabijheid moeten zijn om onplanbare hulp en toezicht te leveren vanwege de (chronische) aandoening, stoornissen en beperkingen van de jeugdige.

A. Leeftijd

Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met verschillen die tussen jeugdigen in dezelfde leeftijdscategorie bestaan. Bij de beoordeling van wat tot gebruikelijke hulp van ouders voor hun kinderen behoort, past daarom een zekere marge. Ook bij gezonde jeugdigen van dezelfde leeftijd kan de hulp die de ene jeugdige nodig heeft meer of minder zijn dan de hulp die een andere jeugdigenodig heeft.

De ene jeugdige is nu eenmaal gemakkelijker of sneller zelfstandig dan de andere jeugdige.

Voorbeeld: Veel jeugdigen van 4 jaar zijn overdag zindelijk en gaan zelf naar het toilet, maar het is niet ongewoon dat een jeugdige van deze leeftijd hier stimulans, hulp of toezicht bij nodig heeft.

B. Aard van de zorghandelingen

Gebruikelijke hulp bij jeugdigen kan handelingen omvatten die niet standaard bij alle jeugdigen voorkomen. Het gaat dan om handelingen die een gebruikelijke hulphandeling vervangen, zoals het geven van sondevoeding in plaats van eten. Of om handelingen die in samenhang met reguliere zorgmomenten kunnen worden geboden, zoals het geven van medicijnen. Voorbeelden van handelingen die gebruikelijke hulphandelingen vervangen kunnen zijn: het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen; bij een jeugdige met een verstandelijke beperking oefenen met het gebruik van pictogrammen in plaats van oefenen met topografie.

C. Frequentie en patroon van de zorghandelingen

Zorghandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse hulp aan een jeugdige, zoals drie keer eten per dag, kunnen als gebruikelijke hulp worden aangemerkt. Voorbeeld: Als een jeugdige bij het ontbijt en het naar bed gaan medicatie aangereikt moet krijgen, loopt dit mee in de het normale patroon van dagelijkse hulp aan een jeugdige en wordt dit als gebruikelijke hulp aangemerkt. Hetzelfde geldt voor het aanreiken van spullen of speelgoed na afloop van de maaltijd of na een drinkmoment, bij jeugdigen met een lichamelijke beperking. Een voorbeeld van zorghandelingen die niet meelopen in het normale patroon van dagelijkse hulp van ouders aan een jeugdige, is het meerdere malen per nacht bieden van hulp van ouders aan een jeugdige. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met die zorgsituaties waarbij ouders voortdurend in de nabijheid moeten zijn om onplanbare hulp en toezicht te leveren vanwege de (chronische) aandoening, stoornissen en beperkingen van de jeugdige.

D. Omvang van de met de zorghandelingen gemoeide tijd

De omvang van de tijd die met de zorghandelingen is gemoeid, kan meebrengen dat niet langer van gebruikelijke hulp sprake is. Voorbeeld: alle jeugdigen hebben tot een bepaalde leeftijd hulp nodig bij wassen en aankleden, maar als deze handelingen veel meer tijd kosten vanwege bijvoorbeeld spasticiteit, wordt deze extra tijd niet als gebruikelijke hulp gezien.

E. Samenhangende beoordeling

De hiervoor genoemde criteria moeten telkens in samenhang en gelet op de omstandigheden van de jeugdige worden beoordeeld. Een concrete uitwerking: het geven van medicatie (aard) bij een jeugdige van 9 jaar (leeftijd) is gebruikelijke hulp. Als de medicatie elke nacht (meerdere malen) moet worden toegediend, loopt dit niet mee in het dagelijkse patroon en moet beoordeeld worden of ouders hierdoor zodanig belast worden dat het niet meer redelijk is dit als gebruikelijke hulp te beschouwen.

Bij de beoordeling wordt gebruik gemaakt van de richtlijnen die zijn opgenomen in deze bijlage. Het uitgangspunt van gebruikelijke hulp is dat dit de hulp betreft die ouders volgens heersende maatschappelijke opvattingen moeten bieden aan jeugdigen zonder beperkingen, rekening houdend met verschillen die bij jeugdigen in dezelfde leeftijdscategorie bestaan.

Beoordelingskader bij een schoon huis

Als duidelijk is welke activiteiten die onder de huishoudelijke ondersteuning vallen, niet door de aanvrager uitgevoerd kunnen worden, wordt gekeken of er huisgenoten zijn die deze taken kunnen overnemen. Van huisgenoten wordt verwacht dat zij primair verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van de huishoudelijke taken ongeacht of de huisgenoot een baan heeft, een studie volgt of het vanuit cultureel oogpunt niet bij zijn of haar taken vindt horen. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten kunnen de niet-uitstelbare taken overgenomen worden. Bij het zwaar en licht huishoudelijk werk gaat het overigens veelal om uitstelbare taken.

Huisgenoten kunnen ook huurders zijn, met uitzondering van eerste en tweedegraads familieleden. Van huurders wordt verwacht dat zij zorg dragen voor het schoonhouden van de gemeenschappelijke ruimtes. Van huisgenoten jonger dan 23 jaar is een leeftijdsgebonden verwachting welke huishoudelijke taken zij kunnen uitvoeren:

Jeugdigen tot 5 jaar

Van jeugdigen tot 5 jaar wordt geen bijdrage in het huishouden verwacht.

Kinderen van 5 tot 13 jaar

Van jeugdigen van 5 tot 13 jaar wordt verwacht dat zij naar hun eigen mogelijkheden betrokken worden bij lichte huishoudelijke taken zoals opruimen, tafel dekken/opruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien.

Jeugdigen van 13 tot 18 jaar

Van jeugdigen van 13 tot 18 jaar wordt verwacht dat zij, naast de activiteiten die benoemd zijn voor jeugdigen van 5 tot 13 jaar, hun eigen kamer op orde kunnen houden (rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen).

Huisgenoot van 18 tot 23 jaar

Van een 18 tot 23 jarige wordt verwacht dat hij of zij een éénpersoonshuishouden kan voeren. De huishoudelijke taken van een éénpersoonshuishouden zijn: schoonhouden van de sanitaire ruimte, keuken en een kamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen, eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden

Beoordelingskader bij persoonlijke Verzorging

Partners onderling, in kortdurende situaties

Van partners wordt in kortdurende situatie verwacht dat zij elkaar alle persoonlijke verzorging bieden. De zorgplicht van partners onderling betreft persoonlijke, lichaamsgebonden zorg in de vorm van assistentie en overname bij de algemeen dagelijkse levensverrichtingen, maar ook aandacht en begeleiding bij een aandoening. Bijvoorbeeld als de partner een been breekt. Cliëntsoevereiniteit behoort bij partners onderling niet tot de categorie uitzonderingen en is daarom hier niet van toepassing, ook niet vanwege geloofsovertuiging, culturele achtergrond of binnen een gezinssituatie waarin partners ruzie hebben.

Partners onderling, in langdurige situaties

Als vanaf de start van de zorgsituatie duidelijk is dat deze een langdurig karakter heeft, is er geen sprake van gebruikelijke hulp. Er hoeft dan niet eerst drie maanden ‘gebruikelijke hulp’ door partners geleverd te worden, alvorens een individuele maatwerkvoorziening kan worden toegekend.

Volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling

Persoonlijke verzorging door volwassen inwonende kinderen en andere volwassen huisgenoten, anders dan partners onderling, is geen gebruikelijke hulp.

Ouders aan jeugdigen, in kortdurende situaties

Alle persoonlijke verzorging door de ouder aan de jeugdige is gebruikelijke hulp als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de cliënt, dat een Individuele voorziening op grond van de Jeugdwet daarna niet langer is aangewezen. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden. Voorbeeld: het (extra) verschonen bij buikgriep.

Ouders aan jeugdigen, in langdurige situaties

Ouders hebben een verantwoordelijkheid om voor hun kinderen te zorgen (gebruikelijke hulp). Ook als de zorg en ondersteuning aan hun kind vanwege een beperking meer tijd en inspanning kost dan de zorg en ondersteuning voor een kind zonder beperking. Zodra ouders de benodigde inspanning niet kunnen leveren wegens overbelasting of dreigende overbelasting of als er specialistische hulp nodig is, kan er worden gekeken naar een (maatwerk)voorziening. Gebruikelijke hulp bij jeugdigen kan ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle jeugdigen voorkomen. Het gaat dan om handelingen die een gebruikelijke hulphandeling vervangen, zoals het geven van sondevoeding in plaats van eten, of om handelingen die in samenhang met reguliere zorgmomenten kunnen worden geboden zoals het geven van medicijnen. Voorbeeld: het toedienen van eten en drinken door een ouder aan een kind van 2 jaar is gebruikelijke hulp, ook als het om sondevoeding gaat. Als het voeden van dit kind via de sonde meer tijd kost, of vaker moet gebeuren dan de normale dagelijkse eet- en drinkmomenten, kan er een aanspraak op een individuele maatwerkvoorziening zijn. Als een jeugdige een handeling zelf kan uitvoeren, is er op grond van het begrip ‘redelijkerwijs’ geen aanspraak op een individuele voorziening, zoals het legen of wisselen van een katheterzakje.

Aanleren

Het aanleren van handelingen op het gebied van persoonlijke verzorging aan derden (familie, vrienden) is gebruikelijke hulp. Als anderen dan de gebruikelijke hulpverlener de handelingen uitvoeren als de gebruikelijke hulpverlener niet aanwezig is, wordt van de gebruikelijke hulpverlener verwacht dat hij die handelingen zelf aan de desbetreffende persoon aanleert.

Persoonlijke verzorging tijdens kinderopvang

De opvang/zorg die instanties voor kinderopvang plegen te bieden is gebruikelijke hulp. Alleen voor de hulp die aanvullend nodig is aan de opvang/zorg, zoals instanties voor kinderopvang die plegen te bieden, is er aanspraak op een individuele maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet. De niet-uitstelbare persoonlijke verzorging en verpleging kan tijdens kinderopvang geïndiceerd worden. Voorbeeld: een baby krijgt bij de kinderopvang drie keer per dag een flesje. Voor een baby valt het geven van een flesje onder normale dagelijkse zorg, zoals kinderopvang die biedt, dat is dus geen hulpverlening die onder de Jeugdwet valt. Nu kost het bij deze baby, vanwege ernstige slikproblemen, extra tijd om dat flesje te geven. Voor het geven van een flesje staat gemiddeld 20 minuten per keer en bij deze baby kost het 35 minuten per keer. De minuten meer tijd komen voort uit aandoening gerelateerde stoornissen en beperkingen. De extra tijd die het kost om het flesje te geven, valt wel onder de Jeugdwet, dus: drie keer 15 minuten = 45 minuten per dag dat het kind gebruik maakt van de kinderopvang. Wanneer de baby geen flesje zou krijgen maar sondevoeding, dan is de volledige tijd voor het toedienen van de sondevoeding tijdens de kinderopvang hulpverlening die valt onder de Jeugdwet. Het geven van sondevoeding valt niet onder hulp zoals instanties voor kinderopvang die bieden. Om deze reden kan het geven van sondevoeding gedurende de kinderopvang volledig worden toegekend.

Persoonlijke verzorging tijdens onderwijs

De school biedt gangbare en normale dagelijkse hulp, zoals het strikken van veters, het aantrekken van een jas en hulp bij toiletgang bij kleuters. Voor deze gangbare en normale dagelijkse hulp kan geen individuele maatwerkvoorziening worden ingezet.

Gedurende de tijd dat een jeugdige de school bezoekt, is er voor de niet-uitstelbare hulp geen verplichting voor de ouders om deze gebruikelijke hulp op school te leveren. Deze hulp kan dus worden toegekend. De onderwijsregelgeving is voorliggend op een individuele maatwerkvoorziening vanuit de Jeugdwet tijdens schooltijd.

Beoordelingskader bij Begeleiding

Partners onderling, ouders en volwassen inwonende jeugdigen en/of andere volwassen huisgenoten onderling

Kortdurende situaties

Alle begeleiding van de cliënt door de partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot is gebruikelijke hulp als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie.

Langdurige situaties

Als het gaat om een chronische situatie is de begeleiding van een volwassen cliënt gebruikelijke hulp wanneer die begeleiding naar algemeen aanvaarde maatstaven door partner, ouder, inwonende jeugdige en/of andere huisgenoot in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar moet worden geboden.

Het gaat hierbij in ieder geval om de volgende vormen van begeleiding aan een cliënt:

-Het geven van begeleiding aan een cliënt op het terrein van de maatschappelijke participatie.

-Het begeleiden van de cliënt bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts, enzovoort.

-Het bieden van hulp bij of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie, regie voeren over het huishouden of het uitvoeren van huishoudelijke (schoonmaak)taken zoals schoonmaak. Dit kan worden overgenomen door een niet-beperkte huisgenoot wanneer die taak altijd door de nu beperkte cliënt werd uitgevoerd.

Ouders aan jeugdigen, in kortdurende situaties

Alle begeleiding door de ouder aan de jeugdige is gebruikelijke hulp als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de cliënt, dat een individuele maatwerkvoorziening daarna niet langer is aangewezen. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden.

Ouders aan jeugdigen, in langdurige situaties

Ouders hebben een verantwoordelijkheid (ook op grond van het Burgerlijk Wetboek) om voor hun kinderen te zorgen (gebruikelijke hulp). Ook als de zorg en ondersteuning aan hun kind vanwege een beperking meer tijd en inspanning kost dan de zorg en ondersteuning voor een kind zonder beperking. Zodra ouders de benodigde inspanning niet kunnen leveren, kan er worden gekeken naar een voorziening.

Aanleren

Het leren omgaan van derden (familie/vrienden) met de cliënt is gebruikelijke hulp.

Uitzonderingen

1Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis/vaardigheden mist om gebruikelijke hulp ten behoeve van cliënt uit te voeren en deze vaardigheden niet kan aanleren wordt van hen geen bijdrage verwacht.

2Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot overbelast is of dreigt te raken wordt van hem of haar geen gebruikelijke hulp verwacht, totdat deze dreigende overbelasting is opgeheven. Daarbij geldt het volgende:

a.Wanneer voor de partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen, dienen deze eigen mogelijkheden hiertoe te worden aangewend. Als er sprake is van (dreigende) overbelasting vanwege het zelf leveren van hulpverlening of een andere individuele maatwerkvoorziening, dient men die overbelasting op te heffen door deze hulp door (andere) hulpverleners uit te laten voeren/in te kopen.

b.Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke begeleiding, wel of niet in combinatie met een fulltime werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten.

3Voor zover de cliënt zich in de terminale levensfase bevindt, wordt geen bijdrage vereist van een partner, ouder, kind en/of andere huisgenoot.

Aandachtspunten

Ouderlijk toezicht aan jeugdigen is gebruikelijke hulp. Jeugdigen (met of zonder ziekte of handicap) hebben ouderlijk toezicht nodig. Dit toezicht wordt anders van aard naarmate een kind ouder wordt en zich ontwikkelt.

Bij een cognitief beperkte jeugdige met gedragsproblemen kan het zijn, dat er meer dan gebruikelijk correctie en aansturing van gedrag en vaak ook meer aandacht voor vaste structuur nodig is. Begeleiding naar ziekenhuis: als een kind vanwege bijvoorbeeld nierdialyse meerdere keren per week naar het ziekenhuis moet, is het gebruikelijk dat een ouder meegaat. Hiervoor is geen individuele maatwerkvoorziening mogelijk. Deze uren worden wel meegewogen in de weging van de (over)belasting van ouders voor de zorg van hun kind vanwege de aandoening.

Begeleiding naar zwemles: hiervoor is geen individuele maatwerkvoorziening mogelijk. Het is gebruikelijk dat ouders met hun kind meegaan naar zwemles.

Begeleiding tijdens kinderopvang

Wanneer ouders werken, zijn/blijven zij verantwoordelijk voor de opvang/verzorging van hun kinderen. De begeleiding die buiten dit werk/onderwijs om als gebruikelijke hulp wordt beschouwd, kan gedurende de tijd dat de ouders werken/onderwijs volgen niet worden toegekend.

Beoordelingskader bij Beschermende woonomgeving en jeugdigen

Ouders aan jeugdigen

1Het door de ouders aan de jeugdige bieden van een beschermende woonomgeving moet afhankelijk van de levensfase van het kind als gebruikelijke hulp worden aangemerkt, ook als er sprake is van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking. In de bijlage bij dit onderdeel zijn per levensfase richtlijnen ten aanzien van de Gebruikelijke hulp van ouders voor jeugdigen met een normaal ontwikkelingsprofiel opgenomen.

2Als een jeugdige niet bij (een van) de ouder(s) kan wonen, vanwege de onmogelijkheden van de ouder(s) om een veilig thuis te bieden en/of vanwege opvoedingsonmacht van de ouder(s), is verblijf op grond van de Jeugdwet aan de orde.

Daarnaast kan er in deze situaties bij jeugdigen met een aandoening, stoornis of beperking aanspraak zijn op verblijf op grond van de Wet Langdurige zorg als de zorg noodzakelijkerwijs gepaard gaat met een therapeutisch leefklimaat en/of permanent toezicht.

Het bieden van een beschermende woonomgeving waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden, is gebruikelijk tot een leeftijd van 18 jaar. Dit betekent dat jeugdigen (tot 18 jaar) alleen in aanmerking komen voor Verblijf als er een noodzaak is voor een therapeutisch leefklimaat en/of permanent toezicht.

Algemene richtlijn bij (dreigende) overbelasting van partner, ouder, volwassen kind en/of andere huisgenoten

De zorg voor een ziek kind of een zieke partner, kan zo zwaar worden dat van overbelasting sprake is. Soms blijkt een individuele maatwerkvoorziening niet voldoende te zijn. In zulke gevallen kan de gebruikelijke hulp opnieuw beoordeeld worden en zo nodig leiden tot een gewijzigd besluit. Voor het bieden van een beschermende woonomgeving blijven ouders, ook bij overbelasting, zelf verantwoordelijk.

Beoordeling van overbelasting

Aan het indiceren van bovengebruikelijke hulp gaat het beoordelen van de overbelasting vooraf. Overbelasting wijst op een verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en belastbaarheid, waardoor fysieke en/of psychische klachten ontstaan. Naast de aard en ernst van de overbelasting wordt onderzocht of de gebruikelijke hulpverlener de zorg nog zelf kan verlenen of niet (draagkracht) en/of de ernst van de ziekte van de jeugdige of partner is vergroot (belastbaarheid).

De vraag is of in individuele situaties van een uitzondering sprake is op grond waarvan toch gebruikelijke hulptaken moeten worden overgenomen. Eén van de redenen daarvoor kan zijn dat degenen van wie wordt verwacht dat zij taken overnemen, overbelast zijn (geraakt) en niet meer in staat zijn de gebruikelijke hulp te leveren. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. Hiervoor kan om advies worden gevraagd van een onafhankelijk medisch adviseur.

Soms is het duidelijk dat de ouder, partner of huisgenoot overbelast is, maar soms ook niet. Er bestaat niet één, simpel af te nemen test, die hierover direct uitsluitsel geeft. Wel gebruiken behandelaars en hulpverleners vragenlijsten waarmee overbelasting (mede) onderbouwd kan worden. Niet alleen de omvang van de planbare zorgtaken, maar ook de mate van de noodzaak tot het continu aanwezig zijn om onplanbare hulp te leveren is van invloed op de belastbaarheid van de gebruikelijke hulpverlener. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele zorgtaken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde zorgtaken, waarbij continue aanwezigheid en alertheid van de gebruikelijke hulpverlener noodzakelijk is. Klachten en symptomen die bij een aanpassingsstoornis optreden, kunnen op overbelasting wijzen zonder dat van een stoornis in psychiatrische zin sprake hoeft te zijn. Het gaat om klachten en symptomen zoals:

-angst of gespannenheid: nervositeit, onrust, rusteloosheid, slecht slapen;

-depressie: hopeloosheid, huilbuien, somberheid;

-gedragsproblemen: negeren van normen en regels, onaangepast gedrag; gecombineerd emotioneel en gedragsgestoord: depressie en/of angst gecombineerd met een gedragsstoornis of onaangepast gedrag;

-lichamelijke klachten, verminderde prestaties of concentratieproblemen.

De werksituatie kan ook van invloed zijn op de belastbaarheid van de gebruikelijke hulpverlener. Mogelijk zijn ouders ziek gemeld bij de werkgever of onder behandeling bij een arts. Dit kan duiden op (dreigende) overbelasting.

Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg die iemand (aan partner of jeugdige) biedt. Bij overbelasting door een dienstverband van te veel uren of als gevolg van spanningen op het werk, zal de oplossing in de eerste plaats gezocht moeten worden in minder uren gaan werken of aanpak van de spanningen op het werk.

Steeds zal daarom in het besluit worden aangegeven dat, wanneer de overbelasting bijvoorbeeld door het herinrichten van het huiselijk leven en/of werk kan worden teruggedrongen, dit dan ook van een ouder, partner of huisgenoot wordt verwacht. Wanneer de geldigheidsduur van het besluit verlopen is en een nieuwe aanvraag wordt gedaan, wordt gekeken of en welke inspanningen zijn gedaan om de overbelasting terug te dringen.

De volgende richtlijnen kunnen gebruikt worden ten aanzien van gebruikelijke hulp van ouders voor jeugdigen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van de jeugdige in relatie tot individuele maatwerkvoorzieningen op grond van Wmo en Jeugdwet:

Jeugdigen van 0 tot 3 jaar

1hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig;

2ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;

3zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;

4hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

5hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid.

Jeugdigen van 3 tot 5 jaar

1kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);

2hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

3hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid.

4kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;

5hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij de toiletgang;

6hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;

7hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;

8zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;

9hebben een beschermde woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Jeugdigen van 5 tot 12 jaar

1Jeugdigen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week;

2kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijvoorbeeld jeugdige kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);

3hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen;

4hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie;

5zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;

6hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

7hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

8hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan;

9hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Jeugdigen van 12 tot 18 jaar

1hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;

2kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;

3kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden;

4kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;

5hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;

6hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig;

7hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;

8hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);

9hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

10hebben tot 18 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Bijlage 3 Zelfredzaamheidsmatrix

Met deze matrix wordt de situatie van de cliënt op verschillende levensdomeinen beoordeeld.

Toelichting:

Score 5: volledig zelfredzaam,

Score 4: voldoende zelfredzaam,

Score 3: beperkt zelfredzaam,

Score 2: niet zelfredzaam,

Score 1: acute problematiek (crisis).

Een minimale score van 2 op het gebied van Geestelijke gezondheid is leidend. Score 1, acute problematiek, komt daarom ook niet voor in bovenstaande tabel. Score 1 bij geestelijke gezondheid is een acute fase, waarbij intramurale behandeling in een instelling nodig is. Score 1 in de andere levensdomeinen is ook een contra-indicatie voor Beschermd Wonen. Score 1 impliceert acute problematiek en deze heeft prioriteit. De crisis moet eerst voorbij zijn. Er moet enige stabiliteit op alle levensdomeinen zijn, pas dan is Beschermd Wonen passend.

Bijlage 4 Puntbestemmingen Collectief Vraagafhankelijk Vervoer

Ziekenhuizen

Gelre Ziekenhuizen, Albert Schweitzerlaan 31, 7334 DZ Apeldoorn

Diagnostisch Centrum, Sprengenweg 70, 7314 ET Apeldoorn

Deventer Ziekenhuis, Nico Bolkesteinlaan 75, 7416 SE Deventer

Ziekenhuis Sint Jansdal, Wethouder Jansenlaan 90, 3844 DG Harderwijk

Isalaklinieken Zwolle, ingangen: Dr van Heesweg 2 (hoofdingang)

Dr. Spanjaardweg 1 (dialyse) en 29 (behandelcentrum) Dr. Van Thienenweg Dr. Stolteweg 92-94 (Harthuis, Gebouw L.)

Revalidatiecentra

Klimmendaal Revalidatiespecialisten, Arnhemseweg 11, 7331 BA Apeldoorn

Revalidatiecentrum De Vogellanden, Hyacinthstraat 66a, 8013 XZ Zwolle

Verpleeghuizen

Verpleeghuis Casa Bonita, Anklaarseweg 91, 7316 MC Apeldoorn

Verpleeghuis Heemhof, Beatrijsgaarde 5, 7329 BK Apeldoorn

Verpleeghuis Randerode, Zuster Meyboomlaan 10, 7334 DV Apeldoorn

Verpleeghuis Zandhove, Hollewandseweg 17, 8014 BE Zwolle

Verpleeghuis Zonnehuis, Nijenhuislaan 175, 8043 WB Zwolle

Stations

Station Zwolle, Stationsplein 16, 8011 CW Zwolle

Station Apeldoorn, Stationsplein 8, 7311 NZ Apeldoorn

Centra

Centrum Diezerstraat

Zwolle Centrum Grote Markt Zwolle

Centrum Hofstraat, Hofstraat 1, 7311 KN Apeldoorn

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.