Bijlage Uitvoeringkader bij het VTH-beleidsplan 2025-2028
1Uitvoeringskader vergunningverlening
1.1Algemeen kader
In het Uitvoeringskader wordt voor de belangrijkste activiteiten het beleid uitgewerkt. Het beleid heeft betrekking op de wijze waarop de gemeente vorm en inhoud geeft aan de aannemelijkheidstoets. Per activiteit of onderdeel daarvan wordt de volgende opbouw van de uitwerking aangehouden:
-Inleiding: toelichting op basis van het hoe en waarom van een taak of product.
-Centrale vraag: vraag die het Omgevingsbeleidsplan moet beantwoorden.
-Strategie: uitgangspunten voor het beleid én de uitwerking van de factoren op basis waarvan keuzen worden gemaakt.
-Beleid: de keuzen ten aanzien van prioriteiten en diepgang.
Preventiestrategie
De gemeente Eijsden-Margraten hanteert, zoals aangegeven bij de uitgangspunten, de zogenaamde “aanpak aan de voorkant”. Deze aanpak komt sterk naar voren bij de vergunningverlening. De gemeente stimuleert potentiële aanvragers actief na te gaan of aanvragen of meldingen nodig zijn en ten behoeve van de afhandeling te komen tot goed uitgewerkte aanvragen. Dit doet zij op twee manieren, namelijk via:
-Voorlichting en informatievoorziening, bijvoorbeeld in de vorm van de directe telefoonlijn met VTH en de website.
-Vooroverleg in de vorm van conceptverzoeken of de omgevingstafel. Het overleg stelt een potentiële aanvrager in de gelegenheid om de haalbaarheid van een initiatief na te gaan zonder veel kosten te maken en het plan tot in detail uit te werken.
De gemeente heeft als doelstelling de burger/ c.q. aanvrager optimaal te informeren.
Toetsstrategie
De toetsstrategie geeft op hoofdlijnen aan op welke wijze de gemeente vergunningsaanvragen en meldingen technisch beoordeelt. Voor de meeste activiteiten heeft een risicoanalyse plaatsgevonden. De risicoanalyse heeft plaatsgevonden door vergunningsaanvragen en meldingen in logische categorieën te verdelen en deze te koppelen aan thema’s waarop vervolgens de gemeente de wet- en regelgeving moet toepassen. Per categorie per thema is nagegaan wat het risico is. Dit risico is vertaald naar de wijze van beoordelen.
Uitgangspunt toetsstrategie
De toetsstrategie heeft een directe relatie met de toezichtstrategie vanwege het uitgangspunt: ‘Wat we buiten (toezicht) belangrijk vinden, vinden we ook binnen (toets) belangrijk’.
Toetsniveaus
De toetsniveaus worden bij de diverse activiteiten nader belicht. Toetsen op adequaat niveau is het algemene uitgangspunt bij vergunningverlening.
Het adequate niveau is in de werkprogramma’s gelijkgesteld aan het representatieve niveau.
Hierbij geldt een representatieve toets, waarbij een aantal representatieve onderdelen van tekeningen en berekeningen kritisch bekeken en eventueel rekenkundig gecontroleerd worden. Deze representatieve toets wordt uitgevoerd door een plantoetser die voldoet aan de Kwaliteitscriteria 2.1 en ruim voldoende kennis en ervaring heeft met de materie. Het toetsniveau ‘adequaat’ of ‘representatief’ als uitgangspunt is feitelijk het gemiddelde erkende minimumniveau van toetsing. Kleine objecten zullen een lager toetsniveau hebben en de grotere en meer risicovolle objecten zullen minimaal representatief getoetst worden.
Tabel 1: Omschrijving toetsniveaus
Niveau
Werkniveau
Omschrijving
Aanvulling gemeente
4
Integraal toetsen
Alles controleren.
Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten die zijn aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en worden de uitkomsten gecontroleerd en indien nodig nagerekend.
Het betreft uitgangspunten op alle onderdelen die aan de hand van specifieke projecttekeningen berekeningen, rapportages worden gecontroleerd. Narekenen als dit nodig wordt geacht
3
Representatief toetsen
Controle van de belangrijkste onderdelen.
Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de stukken die zijn aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten plausibel zijn. De na te rekenen aspecten worden bepaald op basis van de resultaten van de visuele toets.
Het betreft uitgangspunten ten aanzien van de meest kritische onderdelen die aan de hand van specifieke projecttekeningen berekeningen, rapportages worden gecontroleerd
2
Visueel toetsen
Kloppen de uitgangspunten en lijken de uitkomsten aannemelijk?
Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de stukken die zijn aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten plausibel zijn.
Het betreft uitgangspunten die aan de hand van algemene projecttekeningen via meten en eenvoudige berekeningen zijn te controleren
1
Uitgangspunten toets
Bevatten de stukken voldoende informatie over de uitgangspunten? Gecontroleerd wordt of de globale uitgangspunten op de stukken, die zijn aangeleverd om het desbetreffende aspect te kunnen toetsen, in voldoende mate en in samenhang zijn weergeven. Indien gegevens niet aanwezig zijn de ontvankelijkheidtermijn is verstreken zonder dat de gemeente hiervan melding heeft gegeven, dan kan de vergunning hier niet meer op worden aangehouden/geweigerd.
Het betreft uitgangspunten die eenvoudig van de algemene projecttekening zijn af te lezen, bijvoorbeeld verwijzing naar een NEN norm en materiaalaanduiding.
0
Geen
Er vindt geen controle op het onderdeel plaats
Het hanteren van toetsniveaus heeft vooral betrekking op aanvragen voor zogenaamde aflopende omgevingsplanactiviteiten en de technische bouwactiviteit. De vergunning wordt aangevraagd en mogelijk verleend, hierna vindt de uitvoering plaats en de activiteit is gereed. Er is geen sprake van een beheer- of gebruiksfase. Voor het beoordelen van aanvragen aan de thema’s in wet- en regelgeving worden, afhankelijk van de risico’s verschillende werkniveaus gehanteerd. De werkniveaus geven de mate van diepgang aan waarop wordt beoordeeld. Deze methodiek is overgenomen van het project Collectieve Kwaliteitsnormering Bouwvergunningen dat in het verleden door de grotere gemeenten in Nederland is geïnitieerd. Verder is gekeken naar de maatschappelijke ontwikkelingen op het gebied van vergunningsvrije activiteiten
15Voorheen verenigd in het Platform Bouw en Woningtoezicht Grote gemeenten, nu onderdeel van de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland. Eijsden-Margraten is hier lid van.
.
Activiteiten met een doorlopend karakter zijn activiteiten, die een beheer- of gebruiksfase kennen. Het betreft dan vooral de activiteiten: het uitvoeren van milieubelastende activiteiten (mba’s) en het brandveilige gebruik van bouwwerken
1.2Bouwactiviteit (bouwtechnische deel) ex nieuwbouw GK1
Inleiding
Het (ver)bouwen van een bouwwerk is één van de activiteiten die valt onder de Omgevingswet en waarvoor vaak een omgevingsvergunning nodig is. Aanvragen voor deze activiteit worden naast de genoemde toetsingskaders beoordeeld op ontvankelijkheid. Op grond van de Omgevingswet art.5.1 lid 1 onder a is het verboden om te bouwen zonder vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning). In 2.25 en 2.26 van het Bbl is dit verder uitgewerkt; de uitzonderingen staan in 2.27 Bbl.
De meeste toetsingskaders voor aanvragen voor de technische bouwactiviteit ligt vast in het Bbl. Het is echter onmogelijk om 100% aan dit kader te toetsen. Vanuit de gedachte van de aannemelijkheidstoets is dit ook niet noodzakelijk. Voor de toetsing van aanvragen voor de bouwactiviteit is het daarom noodzakelijk tot een lokaal toetsingskader te komen dat aangeeft hoe de gemeente Eijsden-Margraten aannemelijk maakt of aan wet- en regelgeving wordt voldaan. Dit toetsingskader komt tot stand door de volgende vraag te beantwoorden.
Centrale vraag
Welke bouwwerken worden met welke diepgang technisch beoordeeld?
Strategie
De gemeente Eijsden-Margraten sluit aan bij de visie van de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht (VBT) op het beoordelen van een aanvraag van een omgevingsvergunning activiteit (ver)bouwen. Onder het motto ‘100% toetsen kunnen we niet’ ontwikkelden deze gemeenten een systeem dat laat zien hoe en wat er wel getoetst wordt. Het beleidsplan maakt gebruik van onderdelen van de ontwikkelde methodiek.
Daarnaast is ook gekeken naar het vergunningsvrij bouwen. Vergunningsvrije bouwwerken worden in geheel niet getoetst. De verantwoording dat deze voldoen aan het Bbl ligt geheel bij de uitvoerder. Dat geldt ook voor bouwwerken die vallen onder gevolgklasse 1 zoals vermeld in art.2.17 Bbl; de verantwoordelijkheid ligt ook daar bij de initiatiefnemer die een kwaliteitsborger moet aanstellen.
Bouwwerktypologie
De intensiteit van toetsing wordt allereerst afhankelijk gesteld van het type bouwwerk. Het type bouwwerk is op dit moment al geen onbekende factor binnen het taakveld van de fysieke omgeving. Op grond van de kenmerken van een bouwwerk wordt bijvoorbeeld bepaald of een aanvraag om omgevingsvergunning nodig is. Een ander voorbeeld zijn de technische eisen waaraan bouwwerken moeten voldoen. Bij deze eisen wordt onderscheid gemaakt naar soort bouwwerk. Bij het te ontwikkelen beleid kan dan ook niet om deze factor heen. Immers een tuinhuisje vraagt bijvoorbeeld een andere benadering dan een appartementengebouw. Er is gekozen voor de indeling zoals weergegeven in tabel 1.2.1. Per type bouwwerk is apart beleid geformuleerd ten aanzien van de technische toetsing van de aanvraag omgevingsvergunning.
Thema’s wet- en regelgeving
De intensiteit van toetsing wordt ook afhankelijk gesteld van de onderdelen van het bouwwerk ( thema’s uit wet- en regelgeving), die in het geding zijn. In tabel B zijn de technische onderdelen / thema’s weergegeven. In combinatie met vooral het type bouwwerk wordt de mate van belangrijkheid van de verschillende thema’s beoordeeld.
Werkniveaus
De intensiteit of zwaarte van toetsing wordt afhankelijk gesteld van ingeschatte risico’s (thema naar type bouwwerk). Het beleid bestaat uit overeenstemming over de diepgang waarop werkzaamheden uitgevoerd moeten worden. Er wordt gewerkt met vooraf gedefinieerde werkniveaus. Zie tabel 1.2.1.
Risicoanalyse en conversie naar werkniveau
De risicoanalyse van bouwwerkcategorie per thema en de conversie van de uitkomsten naar het te hanteren werkniveau zijn terug te vinden in bijlage 1.1.
Tabel 1.2.1: bouwwerkcategorieën
Nr.
Naam type / categorie
Omschrijving
1
Vrijstaande bijgebouwen (bij een woonfunctie)
Berging, tuinhuisje, schuur, garage, container, schuilstal/ duiventil
2
Aan-, uit- en verbouwen bij een woonfunctie en bedrijfsfunctie.
Aan-/uitbouwen en kleine verbouwingen bij woonfunctie en bedrijfsfunctie met 1 bouwlaag van niet-ingrijpende aard
3
Nieuwbouw en verbouw woongebouw
, ingrijpend vergroten, veranderen of vernieuwen woongebouw; projectmatige bouw vanaf 4 woningen,
4
Bouw van woningen/ aan-, uit- en verbouwingen bij woonfunctie met verhoogd risico
Vrijstaande woningen, appartementen, vakantieappartementen, verbouw niet-woning tot woning; splitsen woning bij niet woonfunctie
5
Nieuwbouw en verbouw industrie en bedrijfsgebouwen gevolgklasse 2
Klasse 1: Verbouwen bedrijfsgebouw in totaal 1000 m2 (werkzaamheden van minder ingrijpende aard), aan /uitbouwen en verbouwingen bij woonfunctie met een “verhoogd risico”
Klasse 2: Nieuwbouw en verbouw industrie met “verhoogd” risico bijvoorbeeld gelijkwaardigheid
6
Nieuwbouw en verbouw publiektoegankelijke bouwwerken
gemeenschapshuis, kerkgebouw, ontmoetingsruimten, school/ leslokaal, winkels, showroom, café, horecabedrijf/gebouw, logiesgebouwen, bejaardencentra
7
Bouwwerken geen gebouw zijnde
Overkapping, erfafscheiding/ hekwerk, carport, privé zwembad, lichtreclame, reclamebord/ zuil, mast, zend- en ontvangstinstallatie, airco-installaties, warmtepompen, zonnecollectoren, e.d.
Tabel 1.2.2: thema’s wet- en regelgeving
Thema wet- en regelgeving
Toelichting
1.
Constructieve veiligheid
Algemene sterkte van de constructie, sterkte bij brand en vloerafscheidingen par. 4.2.1 en 4.2.2 Bbl
2.
Gebruiksveiligheid
Overbrugging van hoogteverschillen, trappen, hellingbaan, draairichting van ramen en deuren par. 4.2.3 en 3.2.4 Bbl
3.
Brandveiligheid
Ontstaan van brand, ontwikkeling en uitbreiding van brand, ontstaan en verspreiding van rook, vluchtroutes, ontruimingsalarm, brandmelding, bestrijding van brand, ontstaan en beperking van ongevallen par 4.2.6 t/m 4.2.14 Bbl en par. 4.7.5 t/m 4.7.8
4.
Sociale veiligheid
Toegang tot bouwwerk en inbraakpreventie par. 4.2.16 en 4.7.10 Bbl
5.
Gezondheid (Geluid)
Geluid van buiten, geluid van installaties, geluid tussen ruimten en galm par. 4.3.1 t/m 4.3.4 Bbl
6.
Gezondheid (Vocht)
Wering van vocht van buiten en binnen, gebrek aan hygiëne par. 4.3.5 Bbl
7.
Gezondheid (Ventilatie)
Luchtverversing, spuivoorziening, afvoer van rook en toevoer van verbrandingslucht par. 4.3.6 t/m 4.3.8Bbl
8.
Gezondheid (Beperking invloed schadelijke stoffen / dieren)
Toepassing schadelijke materialen en binnendringen schadelijke stoffen uit de grond. Bescherming tegen muizen en ratten. Bij het formuleren van het beleid is dit thema opgevat als het controleren van de aanlegdiepte par. 4.3.9 en afd. 6.3 Bbl
9.
Gezondheid (Daglicht)
Toetreding van daglicht par. 4.3.10 Bbl
10.
Toegankelijkheid
Toegankelijkheid en bereikbaarheid voor rolstoelgebruikers, vrije doorgang, verkeersroutes, bereikbaarheid bouwwerken, bereikbaarheid gebouwen voor gehandicapten par. 4.6.1 t/m 4.6.3 Bbl
11.
Bruikbaarheid ruimten
Aanwezigheid en omvang van ruimten in een gebouw par. 4.5.1 et/m 4.5.6 Bbl
12.
Opstelplaatsen
Aanwezigheid en plaats van aanrecht en waar apparaten zoals kooktoestel en warmwatertoestel worden opgesteld par. 4.5.7 Bbl
13
Duurzaamheid
Isolatie, luchtdoorlatendheid en andere (installatie)voorzieningen die de energieprestatie positief beïnvloeden par. 4.4.1 t/m 4.4.4 Bbl
14
Bouwwerkinstallaties
Voorzieningen voor verlichting, gas, water, elektra en afvoer van huishoudelijk afvalwater / hemelwater par. 4.7.1 t/m 4.7.4
15
bouw- en sloopwerkzaamheden
Voorkomen onveilige situaties, hinder / overlast tijdens uitvoering en scheiden van afval par. 7.1.2 t/m 7.2.3 Bbl
Beleid
Op basis van de zojuist genoemde beleidsonderdelen is per type bouwwerk de diepgang van toetsing bepaald. Deze is samengevat in de volgende tabel. Het werkniveau van toetsing betreft het aanvangsniveau. Het principe dat is gekoppeld aan de werkniveaus is het principe van ‘opbouwen van vertrouwen’. De gemeente Eijsden-Margraten inventariseert bij een aangegeven thema de risico-elementen en gaat hierbij na wat van een plan de cruciale secties zijn. Voorbeelden van secties zijn een bouwlaag, een woningtype, een gebouwvleugel, een trappenhuis, een galerij of een specifieke ruimte. De elementen van de cruciale secties worden op het afgesproken werkniveau getoetst. Afhankelijk van het vertrouwen dat hieruit blijkt kan voor repeterende elementen het werkniveau worden opgeschaald. De tabel is gesorteerd naar type bouwwerken en thema’s met de hoogste score. Het hanteren van het ‘principe van vertrouwen’ betekent dat een bouwwerk in wezen nooit 100% wordt getoetst, tenzij uitwerking en presentatie van het plan daartoe echt aanleiding geeft.
Tabel 1.2.3
Toetsmatrix (kwalitatief programma)
Categroie
Omgevingsveiligheid
Brandveiligheid
Constructieve veiligheid[1]
Gebruiksveiligheid
bouwwerkinstallaties
gezondheid (Ventilatie)
bruikbaarheid (Ruimten)
Gezondheid (Daglicht)
Duurzaamheid
gezondheid (Geluid)
Toegankelijkheid
gezondheid (Vocht)
Opstelplaatsen
Gezondheid (Beperking schadelijke stoffen)
Sociale veiligheid
Nieuwbouw en verbouw woongebouw
3
4
4
3
3
3
3
3
3
3
3
2
2
2
1
1
Nieuwbouw en verbouw publiek-toegankelijke bouwwerken
6
4
4
3
3
3
3
3
3
3
3
3
2
1
1
0
Nieuw- en verbouw grondgebonden woningen
4
4
2
2
2
2
3
2
3
3
3
2
2
1
1
1
Nieuwbouw en verbouw industrie en bedrijfsgebouwen
5
4
4
3
3
2
2
3
2
2
1
1
2
1
0
0
Aan, uit en verbouwen bij een woonfunctie en bedrijfsfunctie.
2
0
1
1-2
1-2
1
1-2
1-2
1-2
1
1
1-2
1
1
0
0
Bouwwerken geen gebouw zijnde
7
1-4
1-2
1-2
1-2
1-2
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Vrijstaande bijgebouwen bij een woonfunctie
1
0
1
1-2
1
1
1-2
0
0
0
0
0
0
0
0
0
De gemeente Eijsden-Margraten besteedt niet aan alle technische onderdelen / thema’s, die volgens wet- en regelgeving van toepassing zijn, aandacht. Er is een duidelijk verschil in aandacht waar te nemen tussen de verschillende bouwwerkcategorieën:
-Bij nieuw- en verbouw van woongebouwen, publiekstoegankelijke bouwwerken en grondgebonden woningen worden zo goed als alle thema’s beoordeeld.
-Bij industrie- en bedrijfsgebouwen en aan-, uit- en verbouwen wordt een twee- à drietal thema’s niet beoordeeld.
-Bij de overige bouwwerkcategorieën (1, 2 en 7) vindt in principe alleen een uitgangspuntentoets plaats. Vaak zijn dit bouwwerken die indien gelegen op een andere locatie, als vergunningsvrij zijn aan te merken. De verantwoordelijkheid dat deze gebouwen voldoen aan het Bbl wordt in dit geval dan ook gelegd bij de aanvrager. Dit zijn de rood aangegeven werkniveaus.
Indien er sprake is van een afwijkend bouwwerk dat nooit vergunningsvrij zal zijn gelet op afmetingen en dergelijke, gelden de werkniveaus aangegeven in zwart. Eén en ander is ter beoordeling door de behandelaar van de aanvraag.
Ten aanzien van de thema’s kan worden geconcludeerd dat de kernbepalingen bestaan uit:
-Omgevingsveiligheid, brandveiligheid, gebruiksveiligheid, bouwwerkinstallaties, ventilatie, bruikbaarheid ruimten en daglicht: zij worden bij minimaal 5 bouwwerkcategorieën minimaal op niveau 2 beoordeeld.
-duurzaamheid, toegankelijkheid en vocht: zij worden bij minimaal 4 bouwwerkcategorieën minimaal op niveau 2 beoordeeld.
Het toetsbeleid wordt geflankeerd door aanvullend beleid. In dit verband wordt in het bijzonder gewezen op enkele aspecten:
-Het toetsbeleid betekent dat een aanscherping heeft plaatsgevonden van de ontvankelijkheidseisen voor de technische voorschriften. Er is een landelijke Omgevingsregeling die aangeeft welke gegevens en bescheiden aanwezig moeten zijn op het moment van indiening van een aanvraag. In relatie tot het beleid voor toetsing is nagegaan hoe per bouwwerkcategorie moet worden omgegaan met de landelijke vereisten. Dit heeft ertoe geleid dat er voor de verschillende bouwwerkcategorieën verschillende minimale gegevens en bescheiden zijn samengesteld in zogenaamde checklijsten.
-De indieningsvereisten per bouwwerkcategorie zijn opgenomen in bijlage 3 van het Uitvoeringskader.
-Op basis van het toetsbeleid is nadrukkelijker geformuleerd dat uitwerking van de thema’s met een werkniveau van 1 of hoger correct op de tekeningen behorende bij de aanvraag moet staan. Het stellen van voorwaarden in de beschikking op deze thema’s wordt aan banden gelegd. Dit betekent dat aanvragers nadrukkelijker gevraagd zullen worden om tekeningen en berekeningen voordat vergunningverlening plaatsvindt aan te passen. Hiervoor zal voor zover noodzakelijk het instrument van verdaging van het besluit worden ingezet. Met deze beleidslijn wordt aangesloten bij de jurisprudentie dat in de vergunning alleen voorschriften van ondergeschikte aard mogen worden opgenomen. Bovendien wordt voorkomen dat nog niet geregelde vraagstukken worden doorgeschoven naar de volgende fase, namelijk de controle op de uitvoering van de werkzaamheden. Zowel de vergunninghouder als toezichthouder van de gemeente krijgen op die manier te maken met minder verrassingen.
-Zoals aangegeven wordt in het toetsbeleid tevens gekeken naar de mogelijkheid op vergunningsvrij zijn van een bouwwerk, indien het zou zijn gelegen op een andere locatie. Dan vindt enkel een uitganspuntentoets (werkniveau 1) plaats en wordt de verantwoordelijkheid bij de uitvoerder neergelegd. In navolging hierop zullen ook in de voorschriften geen nadere eisen worden opgenomen ten aanzien van het meldmomenten binnen het bouwproces als het indienen van nadere bescheiden achteraf. Wel zal een service aan de aanvrager worden aangeboden om op zijn verzoek het bouwwerk te komen controleren.
1.3Beoordeling constructieve aspecten ex nieuwbouw GK1
Inleiding
Beoordeling van het constructief hoofdprincipe van een aanvraag bouwactiviteit (niet zijnde gevolgklasse 1).
Constructieve veiligheid is naast brandveiligheid een belangrijk thema. In het vorige hoofdstuk is dit onderdeel slechts samengevat. In de Omgevingsregeling wordt aangegeven dat vooraf inzicht moet worden gegeven in het hoofdprincipe van de constructie. Detailtekeningen en berekeningen mogen na afgifte van de vergunning worden ingediend.
Centrale vraag
Hoe wordt omgegaan met de toets van het constructieve hoofdprincipe bij de aanvraag om vergunning?
Strategie
Als uitgangspunt is geformuleerd dat, afhankelijk van het bouwwerk, vooraf gegevens moeten worden ingediend die aannemelijk maken, dat wordt voldaan aan de eisen van constructieve veiligheid. De gegevens moeten worden beoordeeld door een ter zake deskundig persoon, waarbij de diepgang van beoordeling vooraf is afgesproken.
Beleid
Het beleid is terug te vinden in de tabellen op de volgende pagina. De eerste tabel is voor een belangrijk gedeelte gebaseerd op het Kennisportaal Constructieve Veiligheid (KPCV, zie link). De bouwwerkcategorieën voor de activiteit verbouwen zijn teruggebracht tot een tweetal categorieën. Aangegeven is welke bescheiden voor de ontvankelijkheid moeten worden ingediend en wie verantwoordelijk is voor de beoordeling. In de tweede tabel is aangegeven op welk niveau de gegevens inhoudelijk worden beoordeeld. In deze tabel is aangesloten bij de indeling in gebruiksfuncties zoals opgenomen in het Bbl en de werkniveaus zoals al eerder toegelicht. De werkniveaus zijn per gebruiksfunctie per constructief onderwerp weergegeven.
Tabel 1.3.1
In te dienen constructieve bescheiden
Type bouwwerk
Te overleggen gegevens
Categorie 1:
Bouwwerkcategorie 1, 2 en 7
Geen verdere vereisten op constructief gebied. Aan de hand van goede bouwkundige tekeningen en toetsingsrichtlijnen vindt de beoordeling plaats. Er wordt naar gestreefd de beoordeling zoveel mogelijk vooraf te laten plaatsvinden, met andere woorden er worden geen aanvullende voorwaarden meer in de vergunning opgenomen. Bij twijfel moet worden opgeschaald naar categorie 2.
Categorie 2:
Overige bouwwerkcategorieën
Bij aan-/uitbouwen ook hoofdgebouw weergeven
1Tekeningen van de definitieve hoofdopzet van de constructie van alle verdiepingen inclusief een globale maatvoering.
2Sonderingen met voorlopig funderingsadvies.
3Schematisch funderingsoverzicht met gekozen aanlegniveaus of palenplan met globale plaatsing, aantallen en paalpuntniveaus.
4Plattegronden van vloeren en daken, inclusief globale maatvoering.
5Overzichtstekeningen (1:100) van constructies in staal, beton geprefabriceerd beton, hout, inclusief stabiliteitsvoorzieningen en dilataties.
6Principe details van karakteristieke constructieonderdelen (1:20/1:10/1:5) inclusief maatvoering.
7Schriftelijke toelichting op het Definitief ontwerp van de constructies waaruit met name blijkt:
-Constructie methoden en materialen;
-De aangehouden belastingen en belastingtypen;
-Het stabiliteitsprincipe;
-Omschrijving van de hoofddraagconstructie met bij voorkeur een beschrijving van de robuustheid/redundantie daarvan (2e draagweg);
-Toelichting op de integratie van brandwerendheidseisen in het ontwerp;
-De constructieve samenhang binnen soortgelijke en tussen verschillende soorten constructies.
Tabel 1.3.2
Toetsingsmatrix (kwalitatief programma)
Artikel bouwbesluit
Woonfunctie, woonwagens
Woonfunctie: overig
Bijeenkomst functie
Celfunctie
Gezondheidszorgfunctie
Industriefunctie
Kantoorfunctie
Logiesfunctie
Onderwijsfunctie
Sportfunctie
Winkelfunctie
Overige gebruiksfuncties
2.1
Belastingen en uitgangspunten
3
3
3
3
3
3
3
3
3
3
3
1/2/3
2.1
Fundering
3
3
3
3
3
2
3
3
3
3
3
1/2/3
2.1
Onderbouw
3
3
3
3
3
2
3
3
3
3
3
1/2/3
2.1
Hoofddraagconstructie
3
3
3
3
3
2
3
3
3
3
3
1/2/3
2.1
Vloeren en daken
3
3
3
3
3
2
3
3
3
3
3
1/2/3
2.1
Niet hoofddraagconstructie
2
2
2
2
2
2
2
2
2
2
2
1/2/3
2.2
Sterkte bij brand
3
3
3
3
3
3
3
3
3
3
1/2/3
Bouwwerkcategorie Eijsden-Margraten
3-4
6
6
6
5
6
3
6
6
6
7
1.4Melding Wet kwaliteitsborging (gevolgklasse 1 nieuwbouw)
Inleiding
Met het inwerkingtreding van de Omgevingswet is tevens de Wet kwaliteitsborging inwerking getreden. Dit betekent dat voor bouwwerken die onder deze gevolgsklasse vallen geen bouwtechnische toets meer plaats vindt door de gemeente maar dat dit moet worden ingevoerd door gecertificeerde kwaliteitsborgers. Vooralsnog geldt dit alleen voor nieuwbouw. In het Bbl zijn de soort gebouwen waarvoor dit geldt opgenomen ( link Artikel 2.17 Besluit bouwwerken leefomgeving).
Voordat het gebouw in gebruik mag worden genomen is een gereedmelding noodzakelijk.
Centrale vraag
Hoe vindt de beoordeling van een bouwmelding plaats?
Strategie
Beoordeling vindt plaats op basis van wat gesteld is in Artikel 2.19 Bbl (Artikel 2.19 Besluit bouwwerken leefomgeving) en voor de gereedmelding in artikel 2.21 Bbl (Artikel 2.21 Besluit bouwwerken leefomgeving).
Valt het bouwwerk onder de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb)? Dan moet de initiatiefnemer een bouwmelding indienen via het Omgevingsloket minimaal 4 weken voordat met de bouw wordt gestart. Tegelijk met de bouwmelding wordt ook informatie gegeven over stikstof en veiligheid via een informatieplicht.
Afhankelijk van de situatie wordt in de risico beoordeling rekening gehouden met de bijzondere lokale omstandigheden. Deze omstandigheden , zoals bijvoorbeeld de aanwezigheid van ondergrondse gangen, ligging in een natura 2000 gebied, het grondwaterbeschermingsgebied e.d, worden door het college vastgesteld en bekendgemaakt..
Daarna geldt ook een informatieplicht over de start en het einde van de bouwwerkzaamheden.
De bouwmelding moet de volgende gegevens bevatten (artikel 2.19 Bbl):
•naam, adres en telefoonnummer van degene die het bouwwerk bouwt
•naam, adres en telefoonnummer van een gemachtigde (als die de melding indient)
•e-mailadres (als melding elektronisch plaatsvindt) van degene die het bouwwerk bouwt of gemachtigde
•dagtekening
•adres, kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit plaatsvindt
•beschrijving van de bouwactiviteit inclusief gebruiksfunctie van het bouwwerk
•wie de kwaliteitsborger is en met welk instrument voor kwaliteitsborging de kwaliteitsborger werkt
•risicobeoordeling
•borgingsplan
In de praktijk zal het noodzakelijk zijn om ruim voor het doen van een bouwmelding op tijd een kwaliteitsborger in te schakelen. Deze kan dan het bouwplan beoordelen en een risicobeoordeling en borgingsplan vaststellen
Binnen de termijn van 4 weken wordt de melding beoordeeld of deze compleet is. Beoordeelt de gemeente binnen 4 weken dat de bouwmelding onvolledig is? Dan moet de melder de bouwmelding aanvullen. Er geldt dan een nieuwe termijn van 4 weken (vanaf de datum dat de melding volledig is) voordat de bouw kan starten. Er is geen publicatie van een bouwmelding in bijvoorbeeld dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.
Ingebruikname bouwwerk
Vóór het in gebruik nemen van een bouwwerk moet eerst een gereedmelding naar de gemeente. Dit moet ten minste 2 weken voor het in gebruik nemen van het bouwwerk (artikel 2.21 Bbl).
Met een gereedmelding controleert de gemeente of de kwaliteitsborging is uitgevoerd volgens de regels. En dat het bouwwerk naar het oordeel van de kwaliteitsborger voldoet aan de bouwtechnische regels van het Bbl. Het is mogelijk om 1 gereedmelding te doen voor meerdere bouwwerken op hetzelfde terrein of op terreinen die met elkaar samenhangen.
De beoordeling van de ingediende melding vindt plaats aan de hand van de Bbl-regels die op het moment van indiening gelden.
De gereedmelding bestaat uit:
a.naam, adres en telefoonnummer van degene die de bouwmelding heeft gedaan
b.adres, kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waar de bouwactiviteit is uitgevoerd
c.dagtekening
d.de verklaring van de kwaliteitsborger
e.informatie (als die van belang is) die ingaat op de getroffen maatregelen in het borgingsplan om bouwtechnische risico's te voorkomen of te beperken
f.aanduiding van de gebruiksfuncties, verblijfsgebieden, verblijfsruimten en de afmetingen en de bezetting van alle ruimten, inclusief totaaloppervlakten per gebruiksfunctie
g.informatie waaruit blijkt dat het bouwwerk voldoet aan de regels over:
a.bouwconstructie
b.luchtverversing
c.energiezuinigheid
d.milieuprestatie
h.informatie over brandveiligheid (dezelfde informatie als die nodig is bij een melding brandveilig gebruik in artikel 6.8, lid 1, onder d, onder 4° en 5° Bbl)
i.informatie over toegepaste gelijkwaardige maatregelen Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent in popup) (artikel 4.7 van de Omgevingswet)
De gemeente beoordeelt de verklaring van de kwaliteitsborger en de overige onderdelen van het dossier bevoegd gezag. Bij een onvolledige gereedmelding informeert de gemeente de indiener hierover. Het in gebruik nemen van het bouwwerk kan dan nog niet. Dat kan pas 2 weken nadat alle informatie die hoort bij de gereedmelding, bij de gemeente is.
Zijn er strijdigheden tijdens of na afronding van de bouw? Dan wordt het handhavingstraject gestart.
1.5Omgevingsplanactiviteit bouwwerken (OPA)
Inleiding
De Omgevingswet maakt bij het bouwen van een bouwwerk onderscheid tussen een technisch en ruimtelijk deel. Dat levert 2 activiteiten op: de technische bouwactiviteit (zie punt 1.2) en de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Deze scheiding wordt 'de knip' genoemd. Het ruimtelijk deel van de bouwactiviteit, de omgevingsplanactiviteit bouwwerken, gaat over de toets van de aanvraag aan de regels voor de fysieke leefomgeving. Voorbeelden zijn de bouwhoogte en het bebouwingspercentage. Er zijn ook regels over het uiterlijk van een bouwwerk (welstand) en de toegekende functies aan locaties.
Wordt voldaan aan de regels en is er geen sprake van een vergunningsvrij geval, dan is een vergunning Omgevingsplan activiteit bouwwerken noodzakelijk, kortweg OPA genoemd.
Centrale vraag
Welke bouwwerken worden beoordeeld?
Strategie
Elke aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt getoetst aan het Omgevingsplan. Zolang de gemeente in het omgevingsplan zelf nog geen regels heeft gesteld over het bouwen bouwwerken, gelden de regels voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken uit de “bruidsschat omgevingsplan”.
Beleid
De gemeente heeft de bevoegdheid om in het omgevingsplan regels te stellen aan de ruimtelijke aspecten van een bouwwerk. Deze regels zien op de locatie van het bouwwerk, oppervlakte, inhoud en gebruik van het bouwwerk en het uiterlijk van het bouwwerk. Dit kunnen algemene regels zijn waarmee het bouwen en gebruiken van een bouwwerk wordt gereguleerd. De regels kunnen ook een meldingsplicht of vergunningplicht voor het bouwen of gebruiken van het bouwwerk inhouden.
Vergunningvrije gevallen omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Voor sommige bouwwerken kan de gemeente in het omgevingsplan geen vergunningplicht opnemen voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Bouwwerken die voldoen aan de voorwaarden van artikel 2.29 en 2.30 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), zijn vergunningvrij voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
Gemeentelijke regels over bouwwerken in de overgangsfase tot 2032
Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn regels die onder de Wabo waren verbonden aan de omgevingsvergunning bouwen (Wabo, artikel 2.1, lid 1, onder a) gedecentraliseerd naar de gemeente. Deze regels zijn onderdeel van de bruidsschat omgevingsplan.
De bruidsschat omgevingsplan zorgt in artikel 22.29 voor de voortzetting van regels over het toetsen van een bouwplan aan:
•regels over het bouwen van bodemgevoelige gebouwen op verontreinigde bodem (Wabo, artikel 2.10, lid 1, onder b) in artikel 22.29, lid 1, onder c.
•regels in ruimtelijke plannen (Wabo, artikel 2.10, lid 1, onder c) in artikel 22.29, lid 1, onder a
•regels voor welstand (artikel 2.10, lid 1, onder d, Wabo) in artikel 22.29, lid 1, onder b
Dit betekent dat alle bouwwerken worden getoetst aan de regels van het (tijdelijke) Omgevingsplan.
1.6Omgevingsplan activiteit bouwen BOPA
Inleiding
Indien uit de toetsing van het vorige onderdeel blijkt dat niet kan worden voldaan aan het (tijdelijke) Omgevingsplan dan is het mogelijk om af te wijken van het Omgevingsplan.
Dit kan met een buitenplanse Omgevingsactiviteit of te wel BOPA
Centrale vraag
Op welke wijze is het afwijkingsbeleid vorm en inhoud gegeven?
Strategie
Indien een project strijdig is met het (tijdelijk deel) van het Omgevingsplan
Beleid
Artikel 5.1, lid 1, bepaalt dat het Rijk bij Algemene Maatregel van Bestuur vergunningvrije gevallen voor de omgevingsplanactiviteit kan aanwijzen. Dit gebeurt in paragraaf 2.3.3 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Hier wijst het Rijk vergunningvrije gevallen aan voor omgevingsplanactiviteit met betrekking tot bouwwerken.
Gemeenten kunnen deze gevallen in het omgevingsplan niet alsnog vergunningplichtig maken.
Voor een groot aantal gevallen is specifiek beleid vastgesteld waaraan getoetst moet worden. Deze beleidsnotitietjes worden momenteel omgeschreven naar nadere regels zodat deze kunnen worden meegenomen in het Omgevingsplan.
Het beoordelen van het planologisch kader vraagt bij iedere activiteit waarvoor het relevant is maatwerk. Het gaat hier om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan geen vergunningplicht is opgenomen. Of het gaat om het afwijken van regels in het omgevingsplan die geen betrekking hebben op activiteiten.
De beoordelingsregels voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit staan in artikel 8.0a, lid 2, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De beoordelingsregel komt erop neer dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Om die reden werken via paragraaf 8.1.1.2 van het Bkl instructieregels en instructies over het omgevingsplan door als beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Hierbij wordt met name de regels van Hoofdstuk 5 van het Bkl van belang.
Daarnaast bepalen de artikelen in deze paragraaf dat de aangevraagd activiteit niet in strijd mag zijn met regels in een voorbereidingsbesluit of projectbesluit.
1.7Sloopwerkzaamheden
Inleiding
Voor de activiteit slopen van een bouwwerk, geldt een meldingsplicht sloopactiviteit ook wel sloopmelding genoemd. Zie paragraaf 7.1.3 Bbl. Deze sloopmelding moet afhankelijk van het type sloopwerk 1 week, respectievelijk vier weken voor aanvang worden gedaan. Het Bbl geeft aan welke bescheiden bij een melding moeten worden ingediend en op welke onderdelen door de gemeente aanvullende voorwaarden mogen worden gesteld.
Sloopmeldingen waarbij (mogelijk) asbest aanwezig vallen onder de basistaken en worden door de |Omgevingsdienst Zuid Limburg behandeld. Deze meldingen vallen buiten deze scoop. Deze paragraaf heeft betrekking op het behandelen van meldingen zonder asbestverwijdering waarbij meer dan 10 m3 sloopafval vrijkomt en de eenvoudige sloopmeldingen die vallen onder artikel 7.10, lid 2 onder b door particulieren vallen onder deze
Daarnaast is op basis van de Omgevingswet in een aantal gevallen een omgevingsvergunning voor het slopen nodig. Dit is het geval als sprake is van het slopen van een monument, het slopen in geval van een planologisch verbod of het slopen in een beschermd stads- en dorpsgezicht. Het slopen van een monument, voor zover vergunningplichtig, wordt meegenomen bij de activiteit “het wijzigen van een monument”.
Centrale vraag
Met welke diepgang worden sloopmeldingen behandeld.?
Strategie
Er is een methodiek toegepast naar analogie van de aanvraag omgevingsvergunning technische bouwactiviteit, waarbij beleid wordt ontwikkeld per thema per type sloopwerk.
Typologie sloopwerk
Op basis van drie factoren is een indeling in type sloopwerken gemaakt. De leidende factoren zijn:
a.de samenstelling van het aanbod aan sloopwerkzaamheden,
b.de risico’s die aan bepaalde type sloopwerken zijn verbonden en
c.het kwaliteitsbeeld dat van toepassing is op bepaalde type sloopwerken.
De onderscheiden categorieën zijn terug te vinden in tabel 1.6.4. Per type sloopwerk is apart beleid geformuleerd ten aanzien van de beoordeling van de melding.
Wel of geen risicovol werk
Het onderscheid tussen een risicovol en niet risicovol sloopwerk wordt als volgt bepaald:
Tabel 1.6.1
Analyse risicofactoren
J
N
Asbest (dan behandeling door Omgevingsdienst)
Gemeenschappelijke draagconstructie
Risicovolle of aandacht locatie
Gevaar belendingen (tabel 1.6.2)
Gevoelige omgeving ten aanzien van hinder en overlast (tabel)
Verdachte bodemlocatie in relatie tot milieugevaarlijke stoffen
Bodemlocatie in relatie tot archeologie
Aanwezigheid van gebruikers in resterende delen van bouwwerk
Verwerking op eigen terrein
Wanneer één of meer keren ‘ja’ is aangekruist is sprake van een risicovol sloopwerk.
Gevoeligheid belendingen
Aan de hand van de tabel gevoeligheid belendingen kan op basis van de sloopmethode en enkele kenmerken van de omliggende bouwwerken de mate van gevoeligheid worden bepaald.
Tabel 1.6.2
Soort belending
Handmatig
Pneumatische hamer
Graafmachine
Sloophamer + beul
Monument
x
x
x
x
Aangebouwd / aanliggend
x
x
x
x
Vrijstaand afstand tot maximaal 3 meter én hoogte : afstand <> 3:1
x
x
Overig vrijstaand
Hinder en overlast
Aan de hand van de tabel hinder en overlast kan worden bepaald of sprake is van een hoge, gemiddelde of lage gevoeligheid van de omgeving. Dit wordt alleen bepaald door het gebruik in de omgeving.
Tabel 1.6.3
Soort gebruiksfunctie omgeving
Hoge gevoeligheid
Woonfunctie
Gezondheidszorgfunctie
x
Onderwijsfunctie
x
Sportfunctie
Industriefunctie
Bijeenkomstfunctie
x
Celfunctie
Kantoorfunctie
Logiesfunctie
Winkelfunctie
Bouwwerk geen gebouw zijnde
Overige gebruiksfunctie
Thema’s wet- en regelgeving
In het beleid wordt de intensiteit van toetsing afhankelijk gesteld van de onderdelen van het sloopwerk (thema’s uit wet- en regelgeving) die in het geding zijn. In tabel 1.6.5 zijn de onderdelen / thema’s weergegeven. In combinatie met het type sloopwerk wordt de mate van belangrijkheid van de verschillende thema’s beoordeeld.
Werkniveaus.
De intensiteit of zwaarte van toetsing wordt, zoals al aangegeven, afhankelijk gesteld van ingeschatte risico’s (thema naar type sloopwerk). Het beleid bestaat uit overeenstemming over de diepgang waarop werkzaamheden uitgevoerd moeten worden. Er wordt gewerkt met vooraf gedefinieerde werkniveaus. Deze zijn gelijk aan de werkniveaus gehanteerd bij de activiteit (ver)bouwen.
Risicoanalyse en conversie naar werkniveau
De risicoanalyse van sloopwerkcategorie per thema en de conversie van de uitkomsten naar het te hanteren werkniveau zijn terug te vinden in bijlage 1.1.
Tabel 1.6.4
A.
Naam type / categorie
Omschrijving
1
Particulier sloopwerk asbest
Het door een particulier slopen van:
-Geschroefde, hechtgebonden asbesthoudende platen met een maximum oppervlakte van 35 vierkante meter per kadastraal perceel;
-Asbesthoudende vloertegels met een maximum oppervlakte van 35 vierkante meter per kadastraal perceel;
-Niet-gelijmde asbesthoudende vloerbedekking met een maximum oppervlakte van 35 vierkante meter per kadastraal perceel.
2
Niet particulier sloopwerk asbest
Het uitsluitend verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit een bouwwerk door een bedrijf. (Omgevingsdienst Zuid-Limburg)
3
Niet risicovol sloopwerk
Het afbreken van een gebouw of gedeelte daarvan, waarbij de hoeveelheid sloopafval minimaal 10 m3 bedraagt zonder asbest / gevaarlijke stoffen en niet op een locatie met gevaar voor de omgeving.
4
Risicovol sloopwerk
Het afbreken van een gebouw of gedeelte daarvan, waarbij de hoeveelheid sloopafval minimaal 10 m3 bedraagt met asbest / gevaarlijke stoffen en / of op een locatie met gevaar voor de omgeving. (Omgevingsdienst Zuid-Limburg)
Tabel 1.6.5
B.
Thema
Toelichting
1Samenloop omgevingsvergunning
Nagaan of sprake is van een samenloop met een omgevingsvergunning
2Omgevingsveiligheid
Veiligheid
3Belendingen
Beschadiging, toegankelijkheid / bereikbaarheid, hinder en overlast
4Asbest
Aanwezigheid, verwijderen, asbestvrij verklaren, afvoer / stort
5Overige vrijkomende stoffen
Scheiding, opslag, verwerking
6Mobiel puinbreken
Op eigen terrein steenachtig terrein breken
Beleid
Op basis van de zojuist genoemde beleidsonderdelen is per type sloopwerk de diepgang van toetsing bepaald. Deze is samengevat in de volgende tabel 1.6.7.. Het werkniveau van toetsing betreft het aanvangsniveau. Het principe dat is gekoppeld aan de werkniveaus is het principe van ‘opbouwen van vertrouwen’ zoals eerder uiteengezet.
Uit de toetsingsmatrix kan worden afgeleid dat bij een sloopmelding, met uitzondering van het risicovol sloopwerk, geen inhoudelijke beoordelingen plaatsvinden. Er is een controle op het compleet indienen van de melding en op de eventuele samenloop met een omgevingsvergunning. Er worden geen nadere voorwaarden gesteld. Er is dus sprake van een administratief product.
Zoals aangegeven geldt dit niet voor een risicovol sloopwerk. Bij een risicovol sloopwerk zal op basis van de melding nagegaan worden in hoeverre aan het slopen aanvullende voorwaarden voor het waarborgen van veiligheid en scheiden van afval nodig is. Hier is met andere woorden sprake van maatwerk. Daartoe worden alle thema’s inhoudelijk beoordeeld op het representatieve niveau. Voor deze beoordeling kan het noodzakelijk zijn dat ter plaatse een schouw wordt uitgevoerd of vooroverleg plaatsvindt.
Tabel 1.6.7
Toetsingsmatrix (kwalitatief programma)
Samenloop omgevingsvergunning
Omgevingsveiligheid
veiligheid belendingen
Asbest
Overige vrijkomende stoffen
mobiel puinbreken
Particulier sloopwerk asbest 1
0
0
0
0
0
0
Niet particulier sloopwerk asbest 2
ODZL
ODZL
ODZL
ODZL
ODZL
ODZL
Niet risicovol sloopwerk 3
4
0
0
0
0
0
Risicovol sloopwerk 4
ODZL
ODZL
ODZL
ODZL
ODZL
ODZL
1.8Melding brandveiligheid bij het (in) gebruik (nemen) een bouwwerk
Inleiding
Voor het brandveilig gebruik van bouwwerken is sprake van gebruiksmeldingen. In artikel 6.6 van het Bbl is aangegeven wanneer een gebruiksmelding noodzakelijk is (zie deze link). Wanneer voor een gebouw geen gebruiksmelding nodig is gelden algemene regels met een zorgplicht.
Centrale vraag
Hoe vindt de beoordeling op brandveilig gebruik van een gebruiksfunctie plaats?
Strategie
Beoordeling vindt plaats op basis van wat gesteld is in Artikel 6.8 Bbl (zie link)
De gemeente mag met een maatwerkregel in het omgevingsplan de drempelwaarde aanpassen van het aantal personen dat aanwezig kan zijn in een bouwwerk. Het gaat dan om een bouwwerk met een:
-celfunctie
-gezondheidszorgfunctie
-logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw
Dit staat in artikel 6.10 Bbl (zie link)
Opleggen extra voorwaarden voor gebruik via maatwerkvoorschrift (artikel 6.5 Bbl)
Wanneer een gebruiksmelding verplicht is, kan de gemeente extra voorwaarden stellen als deze noodzakelijk zijn voor het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, brandgevaar en ongevallen bij brand. Vindt de gemeente het op basis van een gebruiksmelding nodig om eisen te stellen aan het toelaatbaar aantal personen in een bestaand gebouw? Dan kan dit in specifieke gevallen met een maatwerkvoorschrift (Klik hier voor uitleg over dit begrip).
Wijziging van een gesteld maatwerkvoorschrift is alleen mogelijk bij een verandering van inzichten of verandering van omstandigheden die buiten het bouwwerk ligt (na de melding, of op verzoek van de melder).
Er wordt hierbij geen onderscheid gemaakt in een kwaliteitsniveau bestaande bouw, verbouw en nieuwbouw. Voor het merendeel van de gebruiksvoorschriften geldt dan ook dat hier te allen tijde aan moet worden voldaan.
Vooral ten aanzien van de aanwezigheid en kwaliteit van een brandmeldinstallatie dient wel beleid te worden geformuleerd. Hoofdregel is dat ten aanzien van een in het pand aanwezige brandmeldinstallatie het normblad blijft gelden dat bij het aanbrengen van de installatie in het bouwwerk van toepassing was. Deze regel kan, vooral bij oudere installaties, soms tot een te laag, dus ongewenst veiligheidsniveau leiden. Wanneer die hoofdregel bij wijziging van een norm tot een zodanig (onacceptabel) laag veiligheidsniveau zou leiden dat in redelijkheid een hoger niveau kan worden verlangd, kan dat meebrengen dat de aanwezige installatie niet (meer) als gelijkwaardig kan worden beschouwd. In dat geval kan de gemeente aanvullende eisen aan de installatie stellen. Een dergelijk te laag veiligheidsniveau kan zich voordoen in de volgende situaties:
-In het bouwwerk is conform het Bbl een brandmeldinstallatie vereist, doch niet aanwezig.
-De aanwezige brandmeldinstallatie voldoet niet aan de regelgeving die op het moment van installeren van kracht was.
-De aanwezige brandmeldinstallatie is niet onderhouden conform het gestelde in het Bbl.
-Het beheer van de installatie is niet uitgevoerd conform het gestelde in het BBl.
In dergelijke situaties is het noodzakelijk alsnog een brandmeldinstallatie te realiseren, dan wel de bestaande installaties aan te passen of uit te breiden.
1.9Rijksmonumentenactiviteit en Omgevingsplanactiviteit slopen in een beschermd stads- of dorpsgezicht
Inleiding
Naast de Omgevingswet vormen de Erfgoedwet en hoofdstuk 3.3 van de AV van de gemeente Eijsden-Margraten de kaders om activiteiten aan een monument te beoordelen. Aangezien monumenten op zich uniek zijn vindt steeds een specifieke afweging plaats. Hiervoor is geen algemeen toetsingskader te ontwikkelen.
Bij ingrijpende herbestemmingen, ingrijpende reconstructies of sloop moet de aanvrager een historisch onderzoek indienen. Het vereiste bouwhistorisch- of cultuurhistorisch onderzoek moet voldoen aan de Richtlijnen Bouwhistorisch Onderzoek 2009 en dient toegespitst te zijn op de voorgenomen wijzigingen van het monument en bestaat uit:
-Een overzicht van de bouw- en gebruiksgeschiedenis
-Beschrijving van de bestaande situatie
-De waardestelling.
Op basis van Omgevingswet en het Omgevingsbesluit moet in specifieke situaties dan ook advies gevraagd worden aan de rijksdienst of provincie.
De RCE voert namens de minister van OCW taken uit op het gebied van bescherming van rijksmonumenten. Als de minister van OCW geen bevoegd gezag is voor de omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, treedt de minister op als adviseur van het bevoegd gezag:
-Voor alle rijksmonumentenactiviteiten bij archeologische rijksmonumenten
-Voor ingrijpende rijksmonumentenactiviteiten bij gebouwde en aangelegde rijksmonumenten
De minister moet bij archeologische rijksmonumenten instemmen met de voorgenomen beslissing op de aanvraag.
De exacte regels voor de advisering door de minister van OCW staan in artikel 4.32 van het Omgevingsbesluit.
Indien sprake is van een (provinciaal) monument moet advies worden gevraagd bij de Provincie (artikel 4.25 lid 1 onder h van het Omgevingsbesluit).
De gemeente beschikt over de wettelijk verplichte adviescommissie voor de beoordeling van monumenten.
Er is wel een vijftal algemene beleidspunten (zie onder kopje “beleid”) geformuleerd die kunnen worden beschouwd als toetspunten voor een aanvraag en als uitgangspunt dienen voor het vooroverleg met aanvragers. Het wordt nodig geacht ten aanzien van de activiteiten in relatie tot monumenten expliciet aandacht te besteden aan één aspect waarbij cultuurhistorische waarden en bouwvoorschriften zoals opgenomen in het Bbl elkaar niet verdragen. Wijkt een omgevingsvergunning voor een monument of archeologisch monument af van de regels in de hoofdstukken 3 t/m 5 van het Bbl? Dan zijn alleen die voorschriften voor dat (archeologisch) monument uit die vergunning van toepassing. Deze voorrangsregel staat in artikel 2.8 Besluit bouwwerken leefomgeving. Gezien de noodzaak bij de Omgevingswet om te komen tot afstemming van voorschriften is het van belang voor deze afstemming een helder beleidskader te hebben.
Archeologische monumenten die een (voorbeschermd) gemeentelijk, provinciaal of rijksmonument zijn staan ook in het omgevingsplan, de omgevingsverordening, de Erfgoedwet of de Omgevingswet. Dit is zo omdat anders denkbaar is dat de omgevingsvergunning die rekening houdt met archeologische waarden in strijd is met de regels in de hoofdstukken 3 t/m 5 van het Bbl. De definitie van voorbeschermde monumenten staat in Bijlage IA, Bbl.
Centrale vraag
Hoe vindt afweging plaats tussen cultuurhistorische waarden en technische bouwvoorschriften?
Strategie
De activiteit wijzigen van een monument vindt vaak tegelijk plaats met de technische bouwactiviteit (is gevolgklasse 2) van een bouwwerk. Eén van de zaken die bij deze samenloop regelmatig speelt is de afstemming i.c. inpassing van de technische vereisten uit het Bbl in relatie tot de monumentale waarden van een bouwwerk. Het realiseren van technische eisen bij monumenten vraagt met andere woorden dus regelmatig om de nodige afwegingen:
-enerzijds moet het pand voldoen aan de technische eisen;
-anderzijds mag er weinig tot geen afbreuk aan het monumentale karakter worden gedaan.
Het beleidskader bestaat uit een soort afwegingsmodel waarin geschetst wordt hoe te werk moet worden gegaan bij afstemming van het monumentale karakter met de technische voorschriften Bbl.
Beleid
Nadat de technische norm op basis van het Bbl is bepaald, wordt nagegaan of zonder aantasting van het monumentaal karakter de norm kan worden gerealiseerd. Hierbij zijn bepalend: de redengevende omschrijving (reden waarom het bouwwerk is aangewezen als monument), het resultaat van een eventueel bouwhistorisch onderzoek en het advies van de adviescommissie, rijksdienst (RCE) of Provincie. Wanneer zonder problemen aan de technische norm kan worden voldaan is er geen probleem. Wanneer er wel problemen zijn moet het risico dat verbonden is aan de technische norm worden bepaald. Het risico wordt afgeleid van het al eerder besproken beleid voor de toetsing van bouwwerken aan de technische voorschriften van het Bbl.
Bij een toetsniveau 1 is sprake van een laag risico.
Er is sprake van een hoog risico als het toetsniveau 2 of hoger is.
De juistheid van het toetsniveau moet daarbij overigens wel gekoppeld worden aan het aanwezige knelpunt: "Passen de risico's behorende bij het niet voldoen aan de norm bij het toetsniveau?".
Bij een hoog risico wordt uitgegaan van nieuwbouw criteria.
Achtereenvolgens worden de volgende opties nagegaan:
1Is een gelijkwaardige oplossing mogelijk (artikel 4.7 Omgevingswet)?
2Kunnen bouwkundige voorzieningen worden aangebracht die omkeerbaar zijn, met andere woorden niet leiden tot permanente aantasting van het karakter?
3Kan aan de norm worden voldaan door het gebruik te beperken?
4Kunnen acceptabele bouwkundige voorzieningen worden aangebracht die onomkeerbaar zijn, met andere woorden leiden tot permanente aantasting van het karakter?
5Is ontheffing van de norm mogelijk (per artikel geregeld)?
a.Door verlaging tot het technische niveau bestaand
b.Van enig voorschrift, dat wil zeggen de norm helemaal loslaten.
Ontheffing op gebied van brandveiligheid en constructieve veiligheid is nooit toelaatbaar
Wanneer optie 4 leidt tot ongewenste oplossingen of bij optie 5 ontheffing -vanwege risico's- niet mogelijk is, moet het gewenste gebruik worden uitgesloten (als de andere opties niet reëel zijn). De cultuurhistorische waarden zijn dan leidend. Het plan kan dan niet in de gevraagde vorm worden gerealiseerd.
Bij een laag risico worden alleen de opties 1 en 5 bekeken.
Een essentiële voorwaarde voor toepassing van het afwegingsmodel is dat in een vroeg stadium van het vergunningverleningsproces gekeken wordt naar de inpassing van technische voorschriften. Ten behoeve van een principe-beslissing bij functiewijzigingen van monumenten moet een quickscan op bovenstaande wijze plaatsvinden. Door dit te doen, wordt op een relatief vroeg tijdstip inzicht verworven of sturing vanuit gemeentewege noodzakelijk is. Met andere woorden, wanneer sprake is van een monument moet in een vroeg stadium gekeken worden naar de afstemming met de technische voorschriften.
Vandaar dat de beoordeling van werkzaamheden op het hoogste niveau plaatsvindt. Dit is het integrale niveau. Bij de beoordeling wordt regelmatig een beroep gedaan op specifieke (externe) deskundigheid. Bij het uitzetten van een adviesaanvraag wordt expliciet aangegeven of er voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden en welke.
1.10Omgevingsplanactiviteit slopen
Inleiding
In diverse omgevingsplannen binnen de gemeente zijn ‘sloopregels’ opgenomen. Deze sloopregels zijn gekoppeld aan bepaalde functies of waarden. De meeste sloopregels moeten worden opgevat als bouwregels en vallen onder de activiteit (ver)bouwen van een bouwwerk.
Centrale vragen
Op welke wijze en met welke intensiteit vindt toetsing van de omgevingsplanactiviteit slopen plaats aan het planologisch kader?
Strategie
Aan het opstellen van de regels in het omgevingsplan ligt een gebiedsanalyse ten grondslag, die kan worden beschouwd als risicoanalyse.
Beleid
Er wordt per aanvraag nagegaan of deze voldoet aan hetgeen gesteld is in de regels. Gezien het karakter van de regels zal dit steeds maatwerk zijn. Vandaar dat de beoordeling van werkzaamheden op het hoogste niveau plaatsvindt. Dit is het integrale niveau. Bij de beoordeling wordt regelmatig een beroep gedaan op specifieke (externe) deskundigheid. Bij het uitzetten van een adviesaanvraag wordt expliciet aangegeven of er voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden en welke.
1.11Omgevingsplanactiviteit Het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of aanlegactiviteit
Inleiding
Voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden kan een vergunning op basis van het omgevingsplan nodig zijn. Wanneer een dergelijke (deel)vergunning nodig is wordt dat in het omgevingsplan (per functie geregeld). Het omgevingsplan vormt met andere woorden voor het aanvragen het toetsingskader. Hierin staan ook de criteria, uitsluiting(en) van werken of werkzaamheden aangegeven.
Het vergunningstelsel voor het uitvoeren van een werk is vooral bedoeld ter bescherming van landschappelijke en natuurlijke waarden. Het gebruik komt dan ook vooral voor binnen de functies agrarisch, agrarisch met waarden, natuur en recreatie.
Centrale vraag
Welke werkzaamheden worden op welk niveau beoordeeld?
Strategie
Aan het opstellen van de regels in het omgevingsplan ligt een gebiedsanalyse ten grondslag, die kan worden beschouwd als risicoanalyse. Bovendien is er in de meeste gevallen een directe relatie van de regels met het beleid van Provincie en Waterschap. Hierbij is in het algemeen geen keuzevrijheid voor de gemeente. Bij het beoordelen van de activiteit uitvoeren van een werk wordt altijd nagegaan of regels zijn geformuleerd. Zo ja, dan vindt altijd een toets plaats aan de regels van het omgevingsplan.
Beleid
De werken of werkzaamheden zijn slechts toelaatbaar indien door die werken of werkzaamheden of door de gevolgen die hieruit ontstaan, de waarden en doeleinden van de gronden niet onevenredig worden aangetast. Daarnaast dient te worden beoordeeld of de mogelijkheden voor herstel niet wezenlijk worden verkleind. Het beoordelen van deze regels vraagt bij ieder werk in de gebieden waar het stelsel van toepassing is maatwerk. Vandaar dat de beoordeling van werkzaamheden op het hoogste niveau plaatsvindt. Dit is het integrale niveau. Bij de beoordeling wordt regelmatig een beroep gedaan op specifieke (externe) deskundigheid. Bij het uitzetten van een adviesaanvraag wordt expliciet aangegeven of er voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden en welke.
1.12Milieubelastende activiteit (MBA) omgevingsplan / Bruidschat
Inleiding
De milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn opgenomen vallen voor een groot gedeelte onder de zogenaamde basistaken en worden uitgevoerd door Omgevingsdienst Zuid -Limburg (ODZL) en maken geen onderdeel uit van dit beleid.
Milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat c.q. het omgevingsplan zijn opgenomen behoren tot de thuistaken en worden uitgevoerd door de gemeente zelf. Daarnaast vallen hieronder ook enkele uitzonderingen uit het Bal
-paragraaf 3.2.1 (Stookinstallatie)
-paragraaf 3.2.7 (Opslagtank voor gassen) of
-paragraaf 3.2.9 (Opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakkingen)
-paragraaf 3.7.1 (Bouwbedrijf, installatiebedrijf, grondbouwbedrijf, wegbouwbedrijf, waterbouwbedrijf en schildersbedrijf), voor zover die activiteiten alleen worden verricht ter ondersteuning van verkoop aan particulieren. Of de opgeslagen afvalstoffen alleen bestaan uit materialen die voor de werkzaamheden zijn meegenomen
-paragraaf 3.7.8 (Repareren en verhuren van gemotoriseerde werktuigen), voor zover die activiteiten alleen worden verricht ter ondersteuning van verkoop aan particulieren
-paragraaf 3.8.4 (Garage, autoschadeherstelbedrijf, autowasstraat en carrosseriebouw), voor zover die activiteiten alleen bestaan uit het herstellen van ruitschade of het onderhouden of vervangen van banden
-paragraaf 3.8.6 (Opslag- en transportbedrijf, groothandel en containerterminal), voor zover die activiteiten alleen worden verricht voor vervoer van of naar particulieren
De uitzondering geldt alleen wanneer de milieubelastende activiteiten niet vergunningplichtig zijn en niet functioneel ondersteunend zijn aan een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Bal.
Voor deze Mba’s geldt de informatieplicht en de meldingsplicht.
In het omgevingsplan / Bruidsschat zijn voorschriften opgenomen die vooral gericht zijn op de bescherming van de kwaliteit van de bodem, het water, de lucht en dergelijke tegen schadelijke invloeden van de activiteiten.
Daarnaast hebben ze betrekking op het stimuleren van maatregelen ter verbetering van die kwaliteit (milieuwinst).
Centrale vraag
Hoe wordt vormgegeven aan het beleid voor informatieplicht Mba’s?
Strategie
Taken die niet vallen onder de basistaken worden door de gemeente zelf uitgevoerd. Dit zijn de zogenaamde “thuistaken”. Hiertoe behoren o.a. de activiteiten zoals opgenomen in het omgevingsplan/bruidschat.
Het niveau van beoordeling vindt bij elke ingediende melding/informatie op hetzelfde niveau 3 plaats.
.
Beleid
De melding/informatie wordt getoetst aan de indieningsvereisten zoals opgenomen in het omgevingsplan/bruidschat. Daarnaast wordt wel per melding nagegaan of specifieke zaken, zoals een gedetailleerde rioleringstekening, noodzakelijk zijn. Daarnaast vindt ook toetsing aan het omgevingsplan plaats.
Het betreft vooral een beoordeling op volledigheid, met als vraag of de melding/informatie compleet is. Als tevens een aanvraag omgevingsvergunning is ingediend, wordt, in het kader van deregulering, de bijbehorende tekening meegenomen bij de melding zodat extra tekeningen niet altijd noodzakelijk zijn.
Tevens wordt nagegaan of maatwerkvoorschriften noodzakelijk zijn. Hierbij vindt altijd een beoordeling van toezicht & Handhaving plaats zodat e.e.a. gecoördineerd wordt uitgevoerd.
Verdere inhoudelijke beoordeling of een controle ter plekke vindt niet plaats. Als de melding veel vragen oproept kan een controle worden uitgevoerd.
1.13Omgevingsplanactiviteit het kappen van bomen
Inleiding
In de Algemene verordening (Av) is opgenomen dat het verboden is zonder omgevingsvergunning bepaalde bomen te kappen. Daarnaast is in het tijdelijk deel van het omgevingsplan opgenomen dat bepaalde bomen niet mogen worden gekapt zonder omgevingsvergunning. kappen van bomen een omgevingsvergunning moet (artikel 3.10 Algemene verordening). In artikel 3.10. 2 is opgenomen dat: de omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien het kappen of vellen niet voldoet aan de gronden gesteld in de desbetreffende verordening.
Centrale vraag
Hoe worden aanvragen voor het vellen van houtopstanden beoordeeld?
Strategie
Bij de beoordeling van deze activiteit wordt getoetst aan artikel 3.10.3 van de Av.
Behorende bij deze verordening is een bomenlijst c.q kaart vastgesteld. Deze lijst bevat de bomen voorkomende in het landelijke Register van Monumentale Bomen van de landelijke Bomenstichting aangevuld met lokale waardevolle en/of toekomstige monumentale bomen en houtopstanden.
Verder is toetsing aan het omgevingsplan aan de orde, omdat betreffende boom of houtopstand kan zijn aangewezen als beschermd landschapselement in het omgevingsplan en/of het provinciale omgevingsplan
Beleid
Alle aanvragen voor deze activiteit worden getoetst aan Av hoofdstuk 3.10 en het van toepassing zijnde omgevingsplan.
Daarnaast is het noodzakelijk dat dient te worden aangetoond dat sprake is van onherstelbare schade en/of erg gevaarlijke situatie.
Hiervoor wordt de aanvraag ter toetsing voorgelegd aan de speciallist Groen. Hierbij wordt tevens bepaald of een herplantplicht noodzakelijk is.
1.14Omgevingsplanactiviteit het aanleggen van een uitweg/uitrit
Inleiding
In de Algemene verordening (Av) is opgenomen dat voor het verboden is zonder omgevingsvergunning een uitweg te maken. In hoofdstuk 3.2 van de Algemene Verordening Eijsden-Margraten (Av) het kader is bepaald voor het maken en veranderen van een uitweg;
Dat in het belang van het waarborgen van de openbare veiligheid, bruikbaarheid van de weg, veilig en doelmatig gebruik van de weg, uiterlijk aanzien van de omgeving en de groenvoorziening in de gemeente, de regels over het aanleggen van een uitweg in een beleidsregel worden opgenomen.
Centrale vraag
Hoe worden aanvragen met de omgevingsplanactiviteit het aanleggen en veranderen van een uitweg beoordeeld?
Strategie
Bij de beoordeling van deze activiteit wordt getoetst aan de op 30 september 2022 vastgestelde “Beleidsregels Vergunningverlening Uitweg” Eijsden-Margraten. Dit beleid is opgesteld om de veiligheid en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente te reguleren bij veranderingen aan de weg. Deze beleidsregels zullen worden omgezet naar Nader regels behorende bij de Av.
Beleid
Alle aanvragen voor deze activiteit worden getoetst aan de “Beleidsregels Vergunningverlening Uitweg”. Tevens worden zij voorgelegd aan de beleidsmedewerker wegen en verkeer om te bepalen of nadere voorschriften noodzakelijk zijn.
1.15Het intrekken van omgevingsvergunningen
Inleiding
Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het gestelde in de Omgevingswet de omgevingsvergunning (artikel 5.40 lid 2 Ow) geheel of gedeeltelijk intrekken.
Centrale vraag
Hoe wordt omgegaan met het intrekken van vergunningen?
Strategie
De Omgevingswet kent een aantal gronden om een vergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken, namelijk als overnemen artikel 5.40 lid 2 en artikel 18.10 Ow:
-Een verdrag dat vereist.
-Het niet aannemelijk is dat de voorschriften worden gerealiseerd om de nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving voldoende te kunnen beperken.
-Hiertoe een verzoek is ontvangen van een instantie.
-Sprake is van ontoelaatbare nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving, die onvoldoende door wijziging van de voorschriften kunnen worden beperkt.
-De vergunning (onder meer) betrekking heeft op een stortplaats of afvalvoorziening die gesloten is verklaard.
-De afgelopen drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning (activiteit exploiteren mba).
-De activiteiten langer hebben stilgelegen dan zes maanden (activiteit (ver)bouwen).
-Het niet mogelijk blijkt door wijziging van voorschriften de brandveiligheid met het oog op het voorziene gebruik van het bouwwerk voldoende te beschermen.
-Dit in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen nodig is.
-De inrichting geheel of gedeeltelijk is verwoest.
-De omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat het belang van de monumentenzorg zwaarder moet wegen dan het belang van de eigenaar / gebruiker.
-De vergunninghouder dat op eigen verzoek doet.
De procedure waarbij een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken moet rekening houden met de procedure waarmee de vergunning tot stand is gekomen. De intrekkingsprocedure moet namelijk gelijk zijn aan de procedure waarmee de omgevingsvergunning tot stand is gekomen. De gemeente Eijsden-Margraten zal altijd (tenzij de intrekking op eigen verzoek gebeurt), voorafgaand aan de procedure, eerst een brief waarin het voornemen tot intrekken wordt toegelicht aan de vergunninghouder sturen. E.e.a conform onderstaande beleidsregel.
Beleid
De procedures zoals opgenomen in de Awb zijn leidend voor de gemeente. Hierbij kan globaal een aantal situaties voorkomen:
1Er wordt een verzoek tot intrekking gedaan. De gemeente zal dit verzoek in behandeling nemen conform wat is gesteld in de Omgevingswet.
2Het intrekken is onvermijdelijk gezien verdragen of calamiteiten. De gemeente zal overgaan tot intrekking conform wat is gesteld in de Omgevingswet.
3De intrekking is een gevolg van toezicht en wordt ingezet als sanctiemiddel. Het intrekken is onderdeel van de afweging om geconstateerde overtredingen op een zo efficiënte en effectieve wijze aan te pakken teneinde het achterliggende belang te kunnen beschermen.
4Het intrekken is het gevolg van het niet handelen van de vergunninghouder. De gemeente zal actief toezicht houden op relevante termijnen en bij overschrijding van deze termijnen in beginsel overgaan tot intrekken conform het gestelde in de Omgevingswet.
Ten aanzien van de activiteit bouwen zijn de `beleidsregels intrekken omgevingsvergunningen bouwen` op 15-05-2012 vastgesteld waarin het actief intrekkingsbeleid wordt omschreven. Concreet zal de gemeente tegen deze achtergrond nagaan met welke vergunningen gedurende een bepaalde periode geen handelingen zijn verricht respectievelijk bij welke vergunningen activiteiten langer dan een bepaalde periode stilliggen.
2Uitvoeringskader toezicht
2.1Algemeen kader
Preventie
De preventiestrategie richt zich op het vergroten van de bewustwording bij burgers en bedrijven. Het doel is om de betrokkenheid en het draagvlak voor spontane naleving van wet- en regelgeving te vergroten. Vanuit de gedachte dat burgers en bedrijven zelf primair verantwoordelijk zijn voor het naleven van wet- en regelgeving en dat de gemeente onmogelijk op alle wet- en regelgeving kan toezien speelt de preventiestrategie een belangrijke rol.
Voor de preventiestrategie wordt een aantal trajecten onderscheiden, waaruit lokale keuzen gemaakt kunnen worden.
-Deregulering (ZORRO principe). Handhaafbaarheid van regelgeving wordt alom gezien als kritische succesfactor voor een adequate handhaving. Binnen dit traject valt ook de deregulering. Als geconstateerd wordt dat een regel uit een verordening of beleidsregel niet meer nodig is of voldoet, moet bekeken worden of zij kan worden afgeschaft of bijgesteld. ZORRO= Zoek Onnodige Regels Op en Ruim ze Op. de medewerkers van T&H vervult hierbij een signaleringsrol voor het bijstellen van het beleid.
-Communicatie en voorlichting. Door de inzet van communicatie en voorlichting wordt een meer effectieve en efficiënte handhaving nagestreefd. De ervaring leert dat bij juist gebruik van een communicatievorm (professioneel, tijdig, herkenbaar etc.) een aanzienlijk deel van de potentiële overtreders zich alsnog en blijvend houdt aan geldende regelgeving. Tevens kan bij communicatie bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden van vooraankondigingen van controles en de publicatie van de controleresultaten, met o.a. de meest voorkomende tekortkomingen. Tevens vindt tijdens een controle voorlichting plaats over de regelgeving in relatie tot de voordelen van naleving hiervan.
-Samenwerking met derden. Bij een actieve programmatische benadering van inspectie en handhaving is samenwerking met externen overheidsinstanties noodzakelijk. Samenwerking is een must om te komen tot een optimaal en integraal resultaat, waarbij de specifieke deskundigheid, ondersteuning, aanvulling en informatie van verschillende partijen over en weer worden benut. Bovendien loopt het strafrechtelijke traject en het bestuursrechtelijke traject samen. Een strafrechtelijk traject heeft vaak en preventieve werking op de naleving van regelgeving in de omgeving. Doordat “blauw” mee participeert bij controles wordt de omgeving gewaarschuwd over de gevolgen van niet naleven van regelgeving.
-Drempelverlaging om burgers en bedrijven eerder overtredingen te laten melden zonder dat het direct leidt tot een aanschrijving. Er worden afspraken vastgelegd op welke wijze de overtreder de tekortkoming oplost en binnen welke termijn. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de fixi-app om meldingen in te dienen.
-Bemiddeling. Vaak komen handhavingsdossiers voort uit intermenselijke problemen. De onderlinge verhoudingen zijn verstoord en vervolgens worden ruzies uitgevochten via wettelijke procedures. De gemeente wordt dan "gebruikt" om het pleit in iemands voordeel te beslechten. Voor de gemeente betekent dit veel inzet en langdurige juridische procedures terwijl de kern van het probleem daarmee niet wordt opgelost. Wanneer blijkt dat sprake is van dergelijke verstoorde verhoudingen kan de gemeente overwegen te bemiddelen. Via bemiddeling door de gemeente zelf of door een externe mediator zal dan worden getracht het geschil tussen de partijen bij te leggen.
De preventiestrategie zal jaarlijks door de gemeente vorm en inhoud worden gegeven op basis van de evaluaties van de uitvoering van het Omgevingsbeleidsplan.
De gemeente hanteert daarbij vier doelgroepen binnen de preventiestrategie:
-Spontane naleving: kent de regels en leeft die ook spontaan of bewust na ongeacht wel of geen toezicht en handhaving. De nalever heeft een pro-actieve houding,
-Onbewuste overtreder: burger of bedrijf overtreedt per ongeluk de regels. De overtreder zal op aanwijzing van de gemeente reageren en de overtreding binnen de gemaakte afspraken opheffen.
-Calculerend gedrag: (leeft de regels na, omdat hij afgeschrikt wordt door controles en sancties. De nalever heeft een reactieve houding. De nalever leeft de regelgeving na indien hij wordt aangesproken.
-Bewuste overtreder: iemand die willens en wetens overtreedt en daarbij bewust het risico neemt om gepakt te worden. De overtreder houdt vooraf rekening met de mogelijk boete voor het overtreden van de regelgeving.
Bij alle doelgroepen gaat de gemeente uit van de eigen verantwoordelijkheid van de doelgroepen. Daarnaast hanteert de gemeente daar waar mogelijk een klantvriendelijke en positieve benadering. Dat betekent dat de benadering zich richt op de voordelen van naleven, benadrukken van het nut van de regels, voorbeeldgedrag en sociale norm, voorkomen van overtredingen en mogelijke gevolgen op ander gebied bij niet naleving (verzekeringtechnisch)
Toezichtstrategie
Onder toezicht wordt verstaan het controleren of en in hoeverre wettelijke bepalingen worden nageleefd. Doel hiervan is de (vrijwillige) naleving van wet- en regelgeving. Toezicht vindt plaats op basis van besluiten op vergunningaanvragen in het kader van projecten, naar aanleiding van meldingen, klachten, calamiteiten en door opname van de type activiteiten in een uitvoeringsprogramma. Om effectief en doelmatig te werk te gaan is het nodig om verschillende vormen van toezicht te hanteren. Er wordt ten aanzien van de toezichtstrategie onderscheid gemaakt tussen de realisatie- en beheer- of gebruiksfase.
-De realisatiefase heeft met name te maken activiteiten als oprichting van een milieubelastende activiteit, bouwen, wijzigen monument, brandveiligheid, slopen, uitvoeren van een werk, strijdig gebruik, aanleg uitwegen en kappen van bomen.
-De beheer- of gebruiksfase is toezicht op activiteiten zoals gebruik van onroerend goed, uitvoeren milieubelastende activiteiten, monumenten en brandveiligheid, ad hoc-, themacontroles, inventariserende controles, meldingen van derden.
Prioriteitenstelling toezicht
Het toezicht van de verschillende onderwerpen is opgenomen in een risicoanalyse. Hierbij is een verschil gemaakt voor de milieubelastende activiteiten, het brandveilig gebruik en de overige activiteiten op het gebied van de Omgevingswet en overige wet- en regelgeving zoals de Algemene Verordening van de gemeente, Wet kinderopvang, Alcoholwet, het Omgevingsplan (Bruidschat) e.d.. De risicoanalyses zijn weergegeven in bijlage 2.
In de risicoanalyse komt naar voren welke activiteiten de meeste prioriteit hebben. Dit zijn de onderwerpen met de grootste risico´s op het gebied van de veiligheid (constructie, brand, milieu), de gezondheid (milieu) en het woon- en leefklimaat (illegaal gebruik). Daarnaast zijn in de risicoanalyse de bestuurlijke aandachtspunten meegenomen zoals het toezicht op het wijzigen van monumenten en het uitvoeren van een milieubelastende activiteit met effecten op de omgeving.
Landelijk en regionaal kunnen ook tot prioriteiten leiden waarbij de gemeente wordt gevraagd medewerking te verlenen aan de uitvoering hiervan. Deelname aan het regionale Act-team is een voorbeeld hiervan. Deze zullen, indien de gemeente deze prioriteiten onderschrijft, worden opgenomen in het jaarlijkse uitvoeringsprogramma VTH. Indien dit niet mogelijk is zal een bestuurlijke beslissing moeten worden genomen deze prioriteiten uit te voeren ten koste van het eerder vastgesteld uitvoeringsprogramma. Om dan niet in de knel te komen dient in het uitvoeringsprogramma rekening te worden gehouden met bestuurlijke opdrachten.
Idealiter wordt toezicht gehouden op alle onderwerpen en/of activiteiten. Dit is echter niet mogelijk omdat daartoe de capaciteit niet toereikend is. Gelet hierop zijn keuzes gemaakt en zal het toezicht op sommige onderwerpen en/of activiteiten niet worden uitgevoerd. Dit zogenaamde restrisico wordt erkend door het college. Op relevante meldingen van burgers en bedrijven zal altijd worden gereageerd. Hierbij wordt ook verwezen naar bijlage 4 over de handhavingsstrategie.
Toezicht tijdens de realisatiefase
Tijdens de realisatiefase kan sprake zijn van de volgende type controles: (hierbij is aansluiting gezocht met het programma RX Mission):
Tabel 2.1.1
TYPE CONTROLE
TOELICHTING
Oplevercontrole
Controle ter plekke tijdens de uitvoering. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen controles met en zonder wachtmoment (waarbij de uitvoerder niet verder kan nadat de controle is uitgevoerd).
Administratieve controle
Controle tijdens of aan het einde van de realisatiefase op basis van gegevens aangeleverd door de vergunninghouder
Tijdens de realisatiefase vindt toezicht plaats door toezichthouders die voldoen aan de Kwaliteitscriteria 2.3. Dit vindt plaats op een werkniveau 3, hetgeen representatief is en voldoet aan het algemeen geaccepteerde adequate niveau. Beoordeling kan plaatsvinden op de volgende niveaus:
Tabel 2.1.2
Werkniveau
Omschrijving
0
Geen
Er vindt geen toezicht plaats.
1
Beperkt
Visuele controle, een vluchtige beoordeling op het oog op basis van kennis en ervaring zonder, projectspecifieke tekeningen of details te raadplegen en of hulpmiddelen (bijvoorbeeld meetlat) te gebruiken.
2
Basis
Beoordeling op hoofdlijnen, op het oog en met eenvoudige hulpmiddelen worden elementaire controles uitgevoerd. Er worden alleen algemene project-specifieke tekeningen geraadpleegd. Bij twijfel vindt raadpleging van detailtekeningen plaats.
3
Representatief
uitgangspunt
Beoordeling op hoofdlijnen en kenmerkende details, op het oog en met eenvoudige hulpmiddelen worden elementaire controles uitgevoerd. Daarnaast worden enkele kritische, detailleringen diepgaander gecontroleerd. Er algemene project-specifieke tekeningen geraadpleegd en detailtekeningen van kritische detailleringen.
4
Integraal
Beoordeling van alle onderdelen op detailniveau. Op het oog en met de benodigde hulpmiddelen worden controles tot op detailniveau uitgevoerd. Alle project-specifieke tekeningen en detailtekeningen worden geraadpleegd.
Op deze niveaus zijn dezelfde principes van toepassing als op de werkniveaus zoals beschreven bij de vergunningverlening onder paragraaf 1.1..vanhet Uitvoeringskader.
Toezicht tijdens de beheer- of gebruiksfase
Bij de beheer- of gebruiksfase is allereerst sprake van planmatige (on)aangekondigde controles. Deze controles kunnen wat betreft diepgang en reikwijdte verschillen.
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen verschillende type controles en hierbij behorende werkniveaus.
Tabel 2.1.3
TYPE CONTROLE
TOELICHTING
werkniveau
Periodieke controle
Controle op de naleving van regels/voorschriften zonder concrete aanwijzing dat van een strijdigheid sprake is.
3
Administratieve controle
Controle op de naleving van regels/voorschriften zonder concrete aanwijzing dat van een strijdigheid sprake is, zonder fysieke bezoek, zogenaamde zelfcontroles
1
Themacontroles
Controle naar aanleiding van een bepaald vastgesteld thema of branche
3
Inventariserende controles
Controle uitgevoerd die gebiedsgericht zijn zoals o.a. controles bij bedrijventerreinen, woonkernen, buitengebied, e.d.
2
Ad hoc controles
Controle op basis van een in- of externe melding waarbij nog geen concrete strijdigheid ambtelijk is vastgesteld (incidentmelding)
Controle naar aanleiding van een verzoek tot handhaving
Controle naar aanleiding van een calamiteit c.q. ongewoon voorval
3
Bestuursdwang controle
Controle naar aanleiding van handhavingsbesluit, het toepassen van bestuursdwang
3
dwangsomcontrole
Controle naar aanleiding van handhavingsbesluit, een opgelegde dwangsom
3
Gedoogcontrole
Controle naar aanleiding van een gedoogvergunning
3
De routinematige controles, die plaatsvinden op basis van een vastgesteld handhavingsprogramma, omvatten een reeks periodieke, administratieve, thema- en inventariserende controles. Deze controles worden vooraf zorgvuldig gepland en vinden plaats conform het uitvoeringsprogramma dat voor het desbetreffende jaar is vastgesteld. Het betreft controles die systematisch en op geregelde tijdstippen worden uitgevoerd om de naleving van geldende wet- en regelgeving te waarborgen.
Daarnaast kennen wij een aantal ad hoc controles, die niet volgens een vastgestelde planning plaatsvinden, maar die per situatie worden geïnitieerd naar aanleiding van onvoorziene omstandigheden. Deze controles kunnen het gevolg zijn van een klacht, melding, handhavingsverzoek of een ongewoon voorval. Tevens kunnen bestuursdwang- en dwangsommaatregelen, alsmede gedoogcontroles, deel uitmaken van deze onvoorziene interventies.
Deze ad hoc controles zijn doorgaans het resultaat van bijzondere of urgente omstandigheden die onmiddellijke aandacht vereisen. Aangezien deze controles niet vooraf te plannen zijn, kunnen ze arbeidsintensief zijn en vereisen ze vaak een flexibele en snelle respons. De uitvoering van deze controles is dan ook sterk afhankelijk van de situatie en vereist doorgaans een intensieve inzet van de betrokken medewerkers.
Het is van belang te onderkennen dat, hoewel routinematige controles in hoge mate voorspelbaar en planbaar zijn, de ad hoc controles juist een belangrijke rol spelen in het snel en adequaat reageren op onvoorziene gebeurtenissen of schendingen van de wet- en regelgeving. Op basis van ervaringscijfers kan wel een raming worden gemaakt van het mogelijke capaciteitsbeslag voor deze ad hoc controles.
De werkniveaus van de verschillende type controles verschillen van elkaar gelet op de aard van de controlediepgang. Hierbij wordt verwezen naar de werkniveaus zoals aangegeven bij de toezichtniveaus in de realisatiefase.
Integraliteit van het toezicht
Om de administratieve lastendruk van burgers en ondernemers zoveel mogelijk te beperken is het noodzakelijk om de verschillende soorten controles, zoals oplevercontroles en periodieke controles, integraal uit te voeren waardoor sprake is van één controlemoment. In het controlemoment worden de diverse activiteiten als brandveiligheidsaspecten, bouwen, ruimtelijke aspecten en milieu-aspecten gecontroleerd. Dit geeft een besparing op de capaciteit door efficiency. Hierbij dient ook andere wetgeving te worden meegenomen zoals de drank- en horecavergunning, de terrasvergunning en de speelautomatenvergunning.
Opgemerkt moet worden dat en dergelijk controlemoment kan leiden tot een werkdrukverhoging bij vergunningen vanwege een eventuele legalisatietraject, indien afwijkingen bij meerdere verschillende thema’s worden geconstateerd.
Integraal toezicht kan op verschillende manieren worden opgevat.
Bij de eerste manier wordt integraal opgevat als één toezichthouder, die vanuit verschillende disciplines en instanties controle en handhaving oppakt. Afhankelijk van de benodigde kennis en ervaring kunnen vervolgens modellen worden toegepast als “controleren voor elkaar”, “controleren achter elkaar” en “controleren met elkaar”.
Bij de tweede manier wordt integraal opgevat als het afstemmen van handhavingsactiviteiten vanuit verschillende disciplines in planning en uitvoering. Handelingsplannen van twee of meer partijen worden geïntegreerd zodat een eenheid of samenhangend geheel ontstaat.
Integraal toezicht onder de Omgevingswet
De integrale benadering van toezicht en handhaving is een belangrijk uitgangspunt in het kader de Omgevingswet. De Omgevingswet beoogt een duurzame en zorgvuldige ruimtelijke ordening en milieubescherming, waarbij toezicht en handhaving niet als geïsoleerde taken worden uitgevoerd, maar als een geïntegreerd proces waarin verschillende disciplines elkaar versterken.Voor een succesvolle uitvoering van deze integrale handhavingsstrategie is het essentieel dat de samenwerking tussen de verschillende disciplines en partijen wordt versterkt en dat de communicatie en coördinatie op alle niveaus optimaal wordt afgestemd.
Alleen door deze gezamenlijke en flexibele inzet kan een daadwerkelijke verbetering van de leefomgeving en de veiligheid in de regio worden gerealiseerd. Het is dan ook aanbevolen om de samenwerking verder te verdiepen en de werkwijzen en procedures continu te evalueren en waar nodig bij te sturen.
Inzet Act-team
Een vernieuwende benadering van toezicht en handhaving is de inzet van het Act-team, dat specifiek is opgezet voor de aanpak van ernstige overlast en verstoring van de openbare orde. Dit team wordt ingezet bij problematiek die ingrijpende gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat en de openbare veiligheid, zoals de bestrijding van drugsproductie en -handel, illegale huisvesting, prostitutie, ondermijning van de maatschappij en andere vormen van ernstige overlast. Sinds 2024 wordt bovendien het regionale Act-team ingezet om de samenwerking en de effectiviteit van de interventies te versterken.
De aansturing van het Act-team vindt plaats onder de verantwoordelijkheid van de afdeling Openbare Orde en Veiligheid (OOV), die de regie voert over de coördinatie van de handhavingsacties. Daarbij verleent het team Bouwen assistentie door het leveren van specifieke expertise op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving in de ruimtelijke ordening en milieuaspecten. Deze samenwerking tussen OOV en het team Bouwen zorgt voor een multidisciplinaire benadering van de problematiek, waarbij niet alleen de openbare orde, maar ook de fysieke en milieu-impact van de overlast wordt aangepakt.
Inzet van het flexteam voor andere activiteiten binnen de Omgevingswet
Naast de bovengenoemde inzet voor openbare orde en veiligheid, wordt het flexteam Act-team ook ingezet voor het toezicht op andere activiteiten die vallen onder de Omgevingswet. Hierbij ligt de focus op twee specifieke typen controles: de themacontroles en de inventariserende controles.
Themacontroles richten zich op bepaalde onderwerpen of thema’s die vanwege hun aard of urgentie extra aandacht vereisen, zoals bijvoorbeeld de sterkte van betonvloeren, horeca, brandoverslag ,.
Inventariserende controles zijn erop gericht om een overzicht te krijgen welke activiteiten, bedrijven of instellingen op een locatie aanwezig zijn. Dit is vooral gericht op een adequaat en actueel bedrijvenbestand met milieubelastende activiteiten.
Om deze controles effectief uit te voeren, wordt een team gevormd, bestaande uit deskundigen van de gemeente op het gebied van vergunningen, toezicht en handhaving en externe deskundigen zoals politie en brandweerDeze multidisciplinaire benadering is van groot belang om zowel de juridische als de technische aspecten van de controle goed te kunnen doorlichten en handhaven.
Naleefgedrag
Locaties met een goed naleefgedrag zullen worden beloond door bijvoorbeeld deze minder frequent te controleren. Locaties waarbij constant overtredingen worden geconstateerd zullen frequenter worden gecontroleerd. Op die manier wordt getracht duidelijk te maken dat naleving van de regels zich loont en hierdoor administratieve lasten minder zijn.
2.2Omgevingsplanactiviteit (ver) bouwen van een bouwwerk technische bouwactiviteit
Inleiding
De gemeente heeft de taak te controleren of gebouwd wordt conform omgevingsvergunning en wet- en regelgeving. Afhankelijk van het tijdstip waarop de vergunning is verleend is het Bouwbesluit (vergunning voor 1 januari 2024) of het Bbl (vergunning verleend na 1 januari 2024) van toepassing. Hierin zijn voorschriften (Bouwbesluit H1 en 8, Bbl H 2, 6 en 7)
opgenomen met betrekking tot plichten tijdens de bouw, zoals afscheiding van het bouwterrein, aanwezigheid bescheiden op de bouwplaats en het melden van start en einde van de werkzaamheden. Tijdens de uitvoering kunnen allerlei redenen zijn voor het afwijken van de vergunning en wet- en regelgeving, zowel bewust als onbewust. Bovendien laat de kwaliteit van de uitvoering van werkzaamheden nog al eens te wensen over waardoor bijsturing noodzakelijk is. In dit hoofdstuk wordt uitgegaan van vergunningplichtige bouwwerken. Voor bouwwerken, die zonder omgevingsvergunning (voor de activiteit (ver)bouwen) kunnen worden gerealiseerd gelden overigens wel regels. Zij moeten ook voldoen aan wet- en regelgeving.
Centrale vraag
Welke (ver)bouwactiviteiten worden op welke momenten, op welke onderdelen en met welke frequentie gecontroleerd?
Strategie
Zoals reeds in het kader van de vergunningverlening is aangegeven sluit de gemeente hierbij aan op de visie van het Kennisportaal Constructieve Veiligheid (KPCV).
Onder het motto “100% toezicht is niet mogelijk” is gekeken naar de risico’s die bepaalde bouwwerktypen kunnen veroorzaken. Dit is verwoord in een risicoanalyse, waarbij bepaalde bouwwerktypen niet zullen worden gecontroleerd indien ook in het kader van de vergunningverlening zeer terughoudend is getoetst.
Bouwwerktypologie
Ook hier wordt aangesloten bij de vergunningverlening.
Zie voor de indeling tabel 1.2.1
Thema’s wet- en regelgeving
De intensiteit van toezicht wordt ook afhankelijk gesteld van de onderdelen van het bouwwerk (thema’s uit wet- en regelgeving), die in het geding zijn. Ook ten aanzien van de thema’s wordt aangesloten bij de indeling van de toetsing van de vergunningsaanvraag. In combinatie met vooral het type bouwwerk wordt de mate van belangrijkheid van de verschillende thema’s beoordeeld.
Werkniveaus
De intensiteit of zwaarte van toezicht wordt afhankelijk gesteld van ingeschatte risico’s (thema naar type bouwwerk) en het geformuleerde toetsniveau. Het beleid bestaat uit overeenstemming over de diepgang waarop werkzaamheden uitgevoerd moeten worden. Er wordt gewerkt met een vooraf gedefinieerd werkniveau. Dit is het werkniveau 3 (representatief), zoals omschreven in tabel 1.2.2.
Bouwfasen
Een bouwwerk wordt in een aantal fasen gerealiseerd. Aandacht voor bepaalde thema’s uit wet- en regelgeving kunnen alleen in bepaalde fasen worden gecontroleerd. In het beleid en werkprogramma’s wordt dan ook rekening gehouden met de fasen. In onderstaande tabel zijn de bouwfasen onderscheiden:
Tabel 2.2.1
Aanloopfase
1
Ruimtelijke inpassing
2
Uitzetten bouw
3
Uitgraven bouwput
4
Fundering op staal
5
Fundering op palen
Onderbouw
6
Funderingsconstructie
7
Riolering
8
Begane grond
Bovenbouw
9
Wanden/ kolommen
10
Stempels/ steigers
11
Vloeren / balken
12
Constructie overige verdiepingen
Gevel/dak
13
Dakconstructies
14
Dakafwerking
15
Buitnenblad gevel
16
Gevelopeningen
Afbouw
17
Nutsvoorzieningen
18
Hoogteverschil / vloerafscheidingen
19
Ventilatie / spuicapaciteit
20
Brandveiligheid
21
Vluchtmogelijkheden
22
Brandveiligheidsinstallaties
23
Bescherming geluid
24
Wering van vocht
25
Verbrandingslucht / rook
26
EP gerelateerde installaties
27
Duurzaambouwen
28
Eindcontrole
Beleid
Op basis van de voorgaande beleidsonderdelen is per type bouwwerk het aantal controles, de te controleren onderdelen en het werkniveau van bouwtoezicht bepaald. Dit is weergegeven in bijlage 5 ‘Inspectiematrix en kengetallen bouwen’.
Daarnaast is aan de hand van de risicoanalyse (bijlage 2) bepaald welke gebouwtypen de grootste risico’s hebben. Ten aanzien van de bouwwerkcategorieën is eenzelfde onderscheid waarneembaar als bij de toetsing van de aanvraag. Bij grotere bouwwerken is het toezicht intensiever, bij kleine bouwwerken extensiever als we kijken naar de toezichtfrequentie. Met name bij de categorie kleine bouwwerken vindt er op meerdere thema’s geen toezicht plaats. Zo zal voor bouwwerken in de categorieën 1, 2 en 7 geen toezicht plaatsvinden tenzij dit door de bouwplantoetser/vergunningverlener is aangegeven in de vergunning.
Voor de bouwwerken geen gebouw zijnde, zoals viaducten en tunnels, zijn Rijkswaterstaat en de provincie vaak de opdrachtgever. Het vertrekpunt is dat zij ook zorgdragen voor het toezicht. Daarom is er voor deze bouwwerken geen toezichtstrategie uitgewerkt.
In de praktijk blijkt dat de mogelijkheid van uitvoeren van de controles tijdens de bouwfasen afhankelijk is van de meldingen door de uitvoerder/vergunninghouder. Deze meldingen worden in de praktijk niet nagekomen, waardoor het aantal controles per bouwwerk niet mogelijk is.
2.3Toets constructieve gegevens en deelgoedkeuringen na verlening omgevingsvergunning technische bouwactiviteit
Inleiding
Controle van deelgoedkeuringen ten aanzien van constructieonderdelen en installaties. In een omgevingsvergunning kunnen voorschriften zijn opgenomen. Veel voorkomende voorschriften hebben betrekking op het op een later tijdstip indienen van tekeningen en berekeningen. Het betreft dan vooral constructieve tekeningen en berekeningen en installatietechnische tekeningen en berekeningen. In artikel 7.16 van de Omgevingsregeling is het op een later tijdstip indienen van dergelijke zaken wettelijk geregeld. Bij één vergunning kan sprake zijn van meerdere deelgoedkeuringen.
Centrale vraag
Hoe worden deelgoedkeuringen beoordeeld?
Strategie
Het feit dat voorschriften worden geformuleerd bij de vergunning geeft aan dat het niet reëel was om ten tijde van de vergunningsaanvraag een beoordeling te doen. Aangezien sprake is van voorschriften zijn de beoordelingen vanuit het oogpunt van de gemeente Eijsden-Margraten wel noodzakelijk. Handhaving van deze voorschriften wordt van groot belang geacht omdat het vaak belangrijke onderdelen betreft ten aanzien van veiligheid (constructie en brand).
Beleid
De vergunninghouder is verantwoordelijk voor het tijdig aanleveren van de bescheiden (vaak 3 weken voor aanvang van het desbetreffende onderdeel). De toezichthouder bewaakt dit en gaat na of onderdelen niet worden gerealiseerd alvorens de bescheiden zijn beoordeeld en geaccordeerd. Wanneer toch wordt gerealiseerd zonder goedkeuring kan stillegging van de werkzaamheden een gevolg zijn. Iedere set tekeningen / berekeningen die wordt ingediend wordt beoordeeld. De constructieve tekeningen en berekeningen worden gecontroleerd door de plantoetser of een (externe) constructeur op het werkniveau zoals aangegeven bij beoordeling constructieve aspecten (zie tabel 1.3.2). De installatietechnische tekeningen en berekeningen worden gecontroleerd door de plantoetser of een externe adviseur (zoals de Brandweer). Controle vindt plaats op het niveau aangegeven bij de activiteit (ver)bouwen.
2.4Omgevingsplanactiviteit het slopen van een bouwwerk
Inleiding
De gemeente heeft de taak om te inspecteren of gesloopt wordt conform vergunning en wet- en regelgeving. Tijdens de uitvoering kunnen allerlei redenen zijn voor het afwijken van de vergunning en wet- en regelgeving, zowel bewust als onbewust.
Sloopactiviteiten waarbij asbest vrijkomt vallen onder de basistaken van de Omgevingsdienst Zuid-Limburg en zijn verder niet meegenomen in dit beleid.
Centrale vraag
Welke sloopwerken worden op welke momenten, op welke onderdelen en met welke frequentie gecontroleerd?
Strategie
Er is een methodiek opgezet naar analogie van de activiteit (ver)bouwen.
Sloopwerktypologie
De intensiteit van toezicht wordt allereerst afhankelijk gesteld van het type sloopwerk. Hierbij wordt aangesloten bij de typologie genoemd bij vergunningverlening, waarbij voor monumenten het hoogste toetsniveau wordt aangehouden. Hierdoor is afstemming mogelijk tussen de vergunningverlening en toezicht. Per type sloopwerk is apart beleid geformuleerd ten aanzien van het toezicht.
Thema’s wet- en regelgeving
De intensiteit van toezicht wordt ook afhankelijk gesteld van de onderdelen van het sloopwerk (thema’s uit wet- en regelgeving), die in het geding zijn. Ook ten aanzien van de thema’s wordt aangesloten bij de indeling genoemd bij vergunningverlening. In combinatie met vooral het type sloopwerk wordt de mate van belangrijkheid van de verschillende thema’s beoordeeld.
Werkniveaus
Het werkniveau van het slooptoezicht is altijd representatief (niveau 3). Dat geldt zowel voor het administratieve toezicht alsook het toezicht op de slooplocatie.
Uitzondering geldt voor de monumenten en beeldbepalende panden. Hiervoor geldt het hoogste werkniveau in verband met de onmogelijkheid van herstel.
Beleid
Middels een risicoanalyse (bijlage 2) en op basis van de zojuist genoemde beleidsonderdelen is per type sloopwerk ook het aantal controles en de te controleren onderdelen bepaald.
-Bij particuliere sloop asbest (type 1) vindt geen regulier toezicht ter plekke plaats. Er worden alleen stortbonnen opgevraagd. Deze worden administratief verwerkt (administratief toezicht).
-Niet particuliere sloop asbest (type 2) valt onder de basistaken van de ODZL.
-Bij een niet risicovol sloopwerk(type 3)vindt alleen een opleveringscontrole plaats.
-Bij een risicovol sloopwerk (type 4) vindt (steekproefsgewijs) controle plaats door de ODZL ten aanzien van het aspect asbest.
Ongeacht het type sloopactiviteit wordt bij (gedeeltelijke) sloop van monumenten en beeldbepalende panden altijd controle uitgevoerd van begin tot einde van de sloopactiviteit.
Controles door de gemeentelijke toezichthouders richten zich vooral op de externe veiligheid, openbare weg, belendingen en behoud van monumentale aspecten. Op basis van de gevoeligheid belendingen en hinder en overlast kan eveneens een aantal extra controles in de vervolgfase plaatsvinden. Extra controles kunnen ook plaatsvinden als bijvoorbeeld het afval op de sloopplaats via een mobiele puinbreker wordt verwerkt.
2.5Omgevingsplanactiviteit in verband met brandveilig (in) gebruik (nemen) van een bouwwerk
Inleiding
De gemeente heeft de taak om te inspecteren of een gebouw gebruikt wordt conform vergunning en wet- en regelgeving. Tijdens de uitvoering kunnen allerlei redenen zijn voor het afwijken van de vergunning en wet- en regelgeving, zowel bewust als onbewust.
Centrale vraag
Welke gebouwen worden op welke momenten, op welke onderdelen en met welke frequentie gecontroleerd?
Strategie
Het toezicht vindt plaats aan de hand van een risicoanalyse per soort gebruik/gebouw. De controles op het gebruik worden periodiek uitgevoerd. Hierbij sluit de gemeente aan op de advisering door de Veiligheidsregio die gebaseerd is op het zelfredzame vermogen van de gebruikers. De gemeente dient te beschikken over een actueel locatiebestand met bouwwerken die een melding brandveilig gebruik moeten indienen.
Objecten
Voor de verschillende bouwwerken wordt aangesloten bij de gebruikfuncties zoals opgenomen in tabel 6.6 van artikel 6.6 Bbl
Tabel 2.5.1
1
Woonfunctie
a
voor kamergewijze verhuur
b
voor zorg
c
andere woonfunctie
2
Bijeenkomstfunctie
a
voor kinderen jonger dan 12 jaar
b
voor personen met een fysieke of geestelijke beperking
c
andere bijeenkomstfunctie
3
Celfunctie
4
Gezondheidszorgfunctie
a
met bedgebied
c
andere gezondheidszorgfunctie
5
Industriefunctie
6
Kantoorfunctie
7
Logiesfunctie
a
in een logiesgebouw
b
andere logiesfunctie
8
Onderwijsfunctie
a
voor basisonderwijs
b
andere onderwijsfunctie
9
Sportfunctie
10
Winkelfunctie
11
Overige gebruiksfunctie
a
voor het stallen van motorvoertuigen
b
voor het personenvervoer
c
andere overige gebruiksfunctie
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
a
voor het wegverkeer
b
ander bouwwerk geen gebouw zijnde
Werkniveaus
Het werkniveau van het toezicht is altijd representatief (niveau 3).
Beleid
Middels een risicoanalyse is aan de hand van effecten en naleving de omvang van het risico bepaald (bijlage 2) per object.
Vervolgens is de frequentie bepaald op basis van de grootte van het risico, de ervaringsgegevens en de beschikbare capaciteit.
De controles op het gebied van de brandveiligheid worden uitgevoerd door eigen gespecialiseerde toezichthouders en de brandweer.
2.6Rijksmonumentenactiviteite en Omgevingsplanactiviteit het wijzigen van monument en/of beeldbepalende panden
Inleiding
De gemeente heeft de taak om te inspecteren of een gebouw gebruikt wordt conform vergunning en wet- en regelgeving. Tijdens de uitvoering kunnen allerlei redenen zijn voor het afwijken van de vergunning en wet- en regelgeving, zowel bewust als onbewust.
Centrale vraag
Welke monumenten worden op welke momenten, op welke onderdelen en met welke frequentie gecontroleerd?
Strategie
Er is een strategie opgesteld aan de hand van een risicoanalyse.
Objecten
Er kan sprake zijn van monumenten aangewezen door het Rijk of door de gemeente.
Werkniveaus
Het werkniveau van het toezicht is altijd representatief (niveau 3).
Beleid
Middels een risicoanalyse is aan de hand van effecten en naleving de omvang van het risico bepaald (bijlage 2) dat de monumenten, ongeacht door wie ze zijn aangewezen, een zeer groot risico vormen c.q. het meest kwetsbaar zijn.+
Bij aanpassingen of het verbouwen van monumenten wordt dan ook de controlefrequentie gevolgd als voor het meest kwetsbare gebouwtype zijnde categorie 6 ‘publiekstoegankelijk bouwwerken’. De inspectiematrix hiervoor is opgenomen in bijlage 5 van dit uitvoeringskader.
Vaak komt het voor dat de bouw- of verbouwactiviteiten bij monumenten stilligt. Ook dan is het noodzakelijk dat controles worden uitgevoerd om te voorkomen dat hierdoor het monumentale karakter wordt aangetast door onder andere de weersinvloeden.
Inzet specialisten
De controles bij monumenten worden zoveel mogelijk uitgevoerd samen met specialisten op dit gebied.
2.7omgevingsplanactiviteit slopen
Inleiding
De gemeente heeft de taak om te inspecteren of gesloopt wordt conform vergunning en wet- en regelgeving. Tijdens de uitvoering kunnen allerlei redenen zijn voor het afwijken van de vergunning en wet- en regelgeving, zowel bewust als onbewust.
Centrale vraag
Welke sloopwerken worden op welke momenten, op welke onderdelen en met welke frequentie gecontroleerd?
Strategie
De controle wordt in de meeste gevallen uitgevoerd in combinatie met het toezicht op andere activiteiten. Er is een strategie opgesteld aan de hand van een risicoanalyse.
Objecten
Indien in een omgevingsplan is aangegeven dat er alleen gesloopt mag worden als er een omgevingsvergunning is verleend, is sprake van bepaalde bestemmingen of waarden.
Dit soort vergunningen komt vrijwel niet voor (2 tot 3 keer per jaar).
Werkniveaus
Het werkniveau van het toezicht is altijd representatief (niveau 3).
Beleid
Middels een risicoanalyse is aan de hand van effecten en naleving de omvang van het risico bepaald (bijlage 2) dat het slopen op basis van het planologisch kader één van de grootste risico’s vormt c.q. het meest kwetsbaar zijn.
Bij deze sloopactiviteit wordt dan ook de controlefrequentie gevolgd als voor het meest kwetsbare gebouwtype zijnde categorie 6 ‘publiekstoegankelijk bouwwerken’ en monumenten. De inspectiematrix hiervoor is opgenomen in bijlage 5.
Inzet specialisten
Deze controles worden zoveel mogelijk uitgevoerd samen met specialisten op dit gebied.
2.8Omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een werk
Inleiding
De gemeente heeft de taak om te controleren of werken worden uitgevoerd conform vergunning en wet- en regelgeving. Tijdens de uitvoering kunnen allerlei redenen zijn voor het afwijken van de vergunning en wet- en regelgeving, zowel bewust als onbewust. Zoals reeds aangegeven bij de toetsing van de vergunningsaanvraag zijn de regels per omgevingsplan verschillend.
Centrale vraag
Welke werkzaamheden worden op welke momenten, op welke onderdelen en met welke frequentie gecontroleerd?
Strategie
De controle wordt in de meeste gevallen uitgevoerd in combinatie met het toezicht op andere activiteiten. Het aantal werken is op jaarbasis beperkt. Aangezien de beoordeling maatwerk is en duidelijke regels in de omgevingsplannen zijn opgenomen is gekozen voor een hierbij passende werkwijze.
Aan de hand van een risicoanalyse wordt de omvang van de risico’s bepaald.
Beleid
Uit de risicoanalyse (bijlage 2) blijkt dat de risico’s bij het uitvoeren van een werk klein zijn. Er wordt dan ook in principe geen controle uitgevoerd bij deze activiteit.
Uiteraard kunnen bepaalde omstandigheden (locatie, aantasting landschap, grote hoeveelheden grondverzet, onvoldoende vertrouwen in de uitvoering e.d.) wel een reden zijn om toch één of meerdere controles uit te voeren. De vergunningverlener maakt op basis van de uitgebrachte adviezen en de aard / omvang van een aanvraag de afweging hierin. De controles hebben het werkniveau 3 (representatief). Dit niveau is gekozen in verband met de mogelijke impact van de werkzaamheden op de ruimtelijke kwaliteit.
De toezichthouder bepaalt aan de hand van de aangetroffen situatie of nog extra hercontroles noodzakelijk zijn.
2.9Omgevingsplanactiviteit in strijd met regels van het planologisch kader (BOPA)
Inleiding
De gemeente heeft de taak om te controleren of werken worden uitgevoerd conform vergunning en wet- en regelgeving. Tijdens de uitvoering kunnen allerlei redenen zijn voor het afwijken van de vergunning en wet- en regelgeving, zowel bewust als onbewust.
Centrale vraag
Welke werkzaamheden worden op welke momenten, op welke onderdelen en met welke frequentie gecontroleerd?
Strategie
De controle wordt in de meeste gevallen uitgevoerd in combinatie met het toezicht op andere activiteiten. Tijdens deze controles kan reeds een indruk worden verkregen of het bouwwerk of de gronden conform de vergunning gebruikt zullen gaan worden. Er kan pas daadwerkelijk worden nagegaan of het gebruik conform vergunning is als de activiteit is uitgevoerd i.c. sprake is van een eindcontrole.
Aan de hand van een risicoanalyse wordt de omvang van de risico’s bepaald.
Beleid
Binnen één maand na oplevering van activiteiten vindt bij twijfel altijd expliciet een eindcontrole plaats ten aanzien van het gebruik van bouwwerken en gronden. Deze controle heeft het werkniveau 3 (representatief). Met een dergelijke controle wordt de realisatiefase afgerond.
Uiteraard kunnen bepaalde omstandigheden (locatie, onvoldoende vertrouwen in de uitvoering e.d.) wel een reden zijn om toch één of meerdere controles uit te voeren. De vergunningverlener maakt op basis van de uitgebrachte adviezen en de aard / omvang van een aanvraag de afweging hierin. De controles hebben het werkniveau 3 (representatief). Dit niveau is gekozen in verband met de mogelijke impact van de werkzaamheden op de ruimtelijke kwaliteit.
De toezichthouder bepaalt aan de hand van de aangetroffen situatie of nog extra hercontroles noodzakelijk zijn.
2.10Omgevingsplanactiviteit, milieubelastende activiteit (Mba)
Inleiding
In het kader van de handhaving van milieuwet- en regelgeving heeft de gemeente de taak om te inspecteren of een Mba wordt gebruikt in overeenstemming met de eventuele verleende vergunning(en) en de relevante wet- en regelgeving zoals het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze taak omvat zowel administratieve als fysieke controles en is essentieel om te waarborgen dat activiteiten die mogelijk een negatieve impact hebben op het milieu,
De uitvoering van de zogenaamde basismilieutaken is (verplicht) belegd bij de ODZL. Die heeft een eigen (regionale) risicoanalyse en uitvoerings- en handhavingsstrategie. Dat gaat om ruim 250 bedrijven met milieubelastende activiteiten, het slopen waarbij asbest vrijkomt en de bodemtaken. Het voorliggende VTH-beleidsplan ziet alleen toe op de milieutaken die de gemeente zelf uitvoert. Dat gaat om ruim 700 bedrijven met milieubelastende activiteiten (voorheen aangeduid als type A en B inrichtingen),
Werkniveaus
Het werkniveau van het toezicht is altijd representatief (niveau 3).
Beleid
De inrichtingen die voorheen werden aangeduid als type A vallen onder lichtste milieucategorie. Ca 200 bedrijven zoals, kleine kantoren, detailhandel, gasmeet en/regelstations. Deze worden niet actief gecontroleerd.
De overige bedrijven ca.500 stuks globaal onderverdeeld in agrarische bedrijven, bouw- en installatiebedrijven, horeca, sport en recreatie en overige bedrijven. Deze bedrijven hebben een hogere milieubelasting en worden wel actief regelmatig gecontroleerd. De gemeente heeft daarvoor een eigen risico-analyse opgesteld (zie bijlage2.1)
Middels een risicoanalyse is aan de hand van effecten en naleving de omvang van het risico bepaald (bijlage 2) per branche.
Vervolgens is de frequentie bepaald op basis van de grootte van het risico, de ervaringsgegevens en de beschikbare capaciteit.
Tabel 2.10.1
Branches
Controlefrequentie
werkniveau
Agrarische bedrijven (bruidschat paragraaf 22.3.25, landschapsbeheer
1x per 6 jaar
3
Autobedrijven (uitzonderingen banden, autoruitschade, verkoop)
1x per 5 jaar
3
Bouw- en installatiebedrijven (particuliere markt)
1x per 6 jaar
3
Detailhandel en ambachtsbedrijven
1x per 10 jaar
3
Gasdrukstations
1x per 10 jaar
3
Horeca, sport en recreatie
1x per 10 jaar
3
Propaantanks
1x per 10 jaar
3
Opslag
1x per 6 jaar
3
Scholen en verblijfsgebouwen (stookinstallaties)
1x per 6 jaar
3
Transportbedrijven (particuliere markt)
1x per 6 jaar
3
Uiteraard kunnen bepaalde omstandigheden (locatie, onvoldoende vertrouwen e.d.) wel een reden zijn om bij specifieke bedrijven vaker een periodieke controle uit te voeren. Dit gebeurt meestal nadat een melding is geweest van overlast, gevaar e.d.. Na afhandeling van deze melding kan dan nog een extra controle worden uitgevoerd één en ander afhankelijk van beoordeling door de toezichthouder.
-Een oplevercontrole van een nieuwe inrichting die een melding indient wordt als eerste periodieke controle vastgelegd. Deze eerste periodieke controle wordt integraal uitgevoerd bij de oplevering van het gebouw.
-Individuele locaties kunnen in aanmerking komen voor het intensiveren van de controlefrequentie bij zware overtredingen en/of recidive.
-Individuele locaties kunnen in aanmerking komen voor het beperken van de controlefrequentie bij een goede naleving.
-Voor het actueel houden van het inrichtingen bestand wordt 1 maal in de 5 jaar een inventariserende controle uitgevoerd op één van de drie bedrijfsterreinen.
Daarnaast wordt 1 maal in de vijf jaar een analyse van het Kamer van Koophandel bestand binnen de gemeente uitgevoerd.
Inzet specialisten / flexteam
De controles op de bedrijventerreinen worden uitgevoerd door een flexteam (zie verder 2.1 van dit hoofdstuk).
2.11 Omgevingsplanactiviteit het kappen van bomen
Inleiding
In de artikel 3.10 van de Algemene verorordening Eijsden-Margraten staat vermeld of en onder welke omstandigheden een vergunning nodig is voor de activiteit van het kappen van bomen en welke de eventuele voorwaarden zijn. Er is een vergunning nodig als het gaat om een geregistreerde boom. Deze registratie is vaak gebaseerd op de monumentale waarde. Het verwijderen van een dergelijke boon is veelal ingrijpend in het landschap.
Tijdens de uitvoering kunnen allerlei redenen zijn voor het afwijken van de vergunning en wet- en regelgeving, zowel bewust als onbewust.
Centrale vraag
Wanneer wordt het kappen van bomen gecontroleerd?
Strategie
De strategie wordt afgestemd op het feit dat de gemeente op basis van haar eigen risicoanalyse een gedifferentieerd beleid heeft geformuleerd. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden gekoppeld in verband met herplantplicht binnen een bepaalde termijn.
Werkniveau
Het werkniveau van het toezicht is altijd representatief (niveau 3).
Beleid
Indien sprake is van een vergunning met herplantplicht is controle noodzakelijk omdat dient te worden nagegaan of ook wordt voldaan aan de herplantplicht.
Uiteraard kunnen bepaalde omstandigheden (locatie, onvoldoende vertrouwen e.d.) ook een reden zijn om toch een controle uit te voeren
2.12Omgevingsplanactiviteit uitweg/uitrit (maken, veranderen uitweg)
Inleiding
In de Algemene Verordening van de gemeente Eijsden-Margraten is opgenomen dat het verboden is een uitweg aan te leggen. In de “Beleidsregels Vergunningverlening Uitweg” Eijsden-Margraten (https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR681663/2) staat vermeld of en onder welke omstandigheden een vergunning verleend kan worden en wat de eventuele voorwaarden zijn.
Tijdens de uitvoering kunnen allerlei redenen zijn voor het afwijken van de vergunning en wet- en regelgeving, zowel bewust als onbewust.
Centrale vraag
Wanneer wordt het aanleggen van een uitweg gecontroleerd?
Strategie
De strategie wordt afgestemd op het feit dat de gemeente op basis van haar eigen risicoanalyse een gedifferentieerd beleid heeft geformuleerd.
Indien sprake is van een uitweg, waarbij gemeentelijk openbaar gebied moet worden aangepast vindt de uitvoering van de activiteiten plaats door de gemeentelijke buitendienst of door derden in opdracht van deze dienst.
Werkniveau
Het werkniveau van het toezicht is altijd representatief (niveau 3).
Beleid
Uit de risicoanalyse blijkt dat het aanleggen van een uitrit een klein risico vormt. Deze activiteit wordt dan ook in principe niet gecontroleerd. Daarnaast wordt de aanleg van de uitweg in veel gevallen gerealiseerd door de gemeentelijke buitendienst.
2.13Het intrekken van omgevingsvergunningen
Inleiding
Door of namens burgemeester en wethouders kan op grond van het gestelde in de Omgevingswet de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk ingetrokken worden.
Centrale vraag
Wanneer worden ingetrokken vergunningen gecontroleerd?
Strategie
Er is sprake van twee verschillen de situatie:
1De vergunning wordt ingetrokken voordat uitvoering is gegeven aan de vergunning of
2De vergunning wordt ingetrokken nadat hieraan uitvoering is gegeven. In dit laatste geval is meestal sprake van handhavingsprocedure.
Werkniveau
Het werkniveau van het toezicht is altijd representatief (niveau 3).
Beleid
Vergunningen die worden ingetrokken voordat hieraan uitvoering is gegevens worden in principe niet gecontroleerd.
Wordt de vergunning ingetrokken naar aanleiding van een handhavingsprocedure en/of spoedeisende bestuursdwang vinden altijd in het kader van dit traject meerdere controles plaats zoals bepaald in het juridisch traject. Eén en ander is verder uitgewerkt in hoofdstuk 3 ‘beleid handhaving’.
2.14Evenementen
Inleiding
In het kader van de Algemene Verordening worden vergunningen verleend voor evenementen en/of meldingen behandeld. De toezichthouders Omgevingswet zijn tevens toezichthouders voor deze activiteiten voor wat betreft de constructieve veiligheid en brandveiligheid. Voor de volledigheid is derhalve het toezichtbeleid voor deze activiteit vastgesteld. Dit beleid heeft geen betrekking op de algemene veiligheid zoals dit door de Ambtenaar Openbare Orde en Veiligheid wordt uitgevoerd.
Centrale vraag
Wanneer worden evenementen gecontroleerd?
Strategie
De risico’s van de activiteiten brandveiligheid en constructieve veiligheid bij evenementen worden opgenomen in de risicoanalyse.
Typologie evenementen
Er wordt in de gemeente onderscheid gemaakt in drie type evenementen gebaseerd op de risicoscan van de Veiligheidsregio Zuid Limburg:
-Type A-evenementen: deze evenementen zijn meldingplichtig;
-Type B-evenementen: deze evenementen zijn vergunningplichtig, hebben een redelijk aantal bezoekers en maken gebruik van een tent of andere constructie;
-Type C-evenementen: omvangrijke internationale evenementen met bijvoorbeeld meerdere tenten en constructies, veel geluidsemissie, vaak een (gemeente)grensoverschrijdend karakter.
Werkniveau
Het werkniveau van het toezicht is altijd representatief (niveau 3).
Beleid
Type B en C evenementen worden gecontroleerd vóór dat het evenement plaatsvindt. Die controles zijn te onderscheiden in:
1Constructies. In het kader van de vergunningverlening zijn de ingediende constructieve gegevens door een deskundige gecontroleerd en akkoord bevonden. Na het opzetten van de tent en/of de constructie worden deze fysiek gecontroleerd.
a.Evenementen die jaarlijks plaatsvinden en steeds gebruikmaken van dezelfde tenten en constructies en waarbij het naleef gedrag zeer goed is, worden minder intensief of niet gecontroleerd.
2Brandveiligheid: gecontroleerd wordt of voldaan wordt aan de brandveiligheidsvoorschriften. Deze controle wordt uitgevoerd samen met de brandweer
2.15Overige Wet- en regelgeving
Inleiding
In het kader van de Algemene Verordening en overige wetten worden vergunningen verleend voor bepaalde activiteiten. Denk hierbij aan drank- en horecavergunningen, speelautomatenvergunningen, geluidsontheffingen, kinderopvang e.d.. De toezichthouders Omgevingswet zijn tevens toezichthouders voor dit soort activiteiten
Centrale vraag
Wanneer worden deze vergunningen / ontheffingen gecontroleerd?
Strategie
De controle wordt in de meeste gevallen uitgevoerd in combinatie met het toezicht op andere activiteiten. Deze activiteiten worden opgenomen in een risicoanalyse.
Ten aanzien van het toezicht op de Wet kinderopvang geldt een speciale regeling die is overeengekomen met de GGD.
Werkniveau
Het werkniveau van het toezicht is altijd representatief (niveau 3).
Beleid
Aan de hand van de risicoanalyse blijkt dat deze activiteiten een zeer klein risico vormen. Ze worden in principe niet gecontroleerd. In het kader van integraal werken worden deze soort vergunningen / ontheffingen wel meegenomen tijdens controles bij inrichtingen.
Daarnaast kan sprake zijn van specifieke omstandigheden waarbij wel actief toezicht wordt gehouden. Dit volgt meestal naar aanleiding van een handhavingszaak. Dit is verder uitgewerkt in hoofdstuk 3 van het uitvoeringskader.
Een voorbeeld is de kinderopvang. Hier voert de GGD de fysieke locatiecontroles (het toezicht) uit bij wijzigingen, nieuwe registraties en steekproefsgewijs. Indien er sprake is van een overtreding start de gemeente het handhavingstraject. De gemeente voert vervolgens de schriftelijke communicatie en eventueel het handhavingstraject uit. Tevens worden de resultaten ingevoerd in het landelijk register kinderopvang en peuterspeelzalen.
2.16Themagericht toezicht
Inleiding
Het houden van inspecties op basis van thema’s, die worden opgelegd vanuit de landelijke overheid of andere instanties. Calamiteiten in het land, zoals met de balkons, gevelbeplating, platte daken, kunnen aanleiding zijn voor de Minister om gemeenten op te dragen tot onderzoek over te gaan. Dergelijke verzoeken kunnen ook voortkomen uit regionale of lokale situaties. Daarnaast kunnen de andere vormen van programmatisch toezicht, besproken in de voorgaande paragrafen, aanleiding vormen om bepaalde thema’s eruit te lichten en aan een gedetailleerder onderzoek te onderwerpen.
Centrale vraag
Hoe wordt omgegaan met themagericht toezicht?
Strategie
Als naar aanleiding van ontwikkelingen een projectmatige aanpak ten aanzien van een thema noodzakelijk is kan dit geregeld worden via een bestuursopdracht (voor zover deze taken daar belegd zijn).
3Uitvoeringskader handhaven en gedogen
3.1Landelijke handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) als basis
De gemeente Eijsden-Margraten heeft de LHS op 24 oktober 2023 vastgesteld en deze is in werking getreden op 1 januari 2024 (https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR706307/1)
Handhaving is het sluitstuk van het Omgevingsrecht. Voor de aanpak van de handhaving is landelijk een kader opgesteld, de Landelijke handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO). Het doel van de LHSO is uitvoering geven aan de beginselplicht tot handhaven, passend interveniëren bij iedere bevinding, in vergelijkbare situaties vergelijkbare keuzes maken en interventies op vergelijkbare wijze kiezen en toepassen. Leidend voor de LHSO is de onderstaande interventiematrix.
In de interventiematrix is aangegeven hoe op te treden bij de constatering van een overtreding. De interventie wordt afgemeten aan de aard en omvang van de gevolgen van de overtreding en het gedrag van de overtreder.
De interventiematrix geeft ook aan bij welk type overtreding afstemming plaatsvindt met partners (politie, ODZL, inspectiediensten) die strafrechtelijke sancties kunnen opleggen. In situaties waarbij een andere overheid ná of vóór de colleges handhavingsbevoegd is, vindt afstemming plaats met de betreffende overheidsorganisatie.
Bij een overtreding volgt de gemeente Eijsden-Margraten de lijn van de LHSO. De essentiële onderdelen van de LHSO zijn in onderstaande alinea’s uitgewerkt en aangevuld met eigen overwegingen en afwegingen van de gemeente Eijsden-Margraten.
Handhaving Wkb
Bij bouwwerken die onder de Wkb vallen treedt de gemeente in de volgende gevallen handhavend op:
-Het ontbreken van een bouwmelding bij bouwwerken in Gevolgklasse 1;
-Dossier dat gemeente krijgt aangereikt is niet volledig;
-Borger/ instrumentaanbieder is niet meer bevoegd om kwaliteitsborging uit te voeren;
-Wijzigingen aan het bouwwerk waardoor het niet meer in Gevolgklasse 1 valt;
-Constatering van kwaliteitsborger, waardoor kwaliteitsborger geen verklaring kan afgeven.
3.2Sanctie instrumenten die de gemeente ter beschikking staan
In deze paragraaf wordt stilgestaan bij de wijze waarop wordt opgetreden bij geconstateerde overtredingen. Hiervoor zijn bestuursrechtelijke en strafrechtelijke instrumenten in te zetten. Bestuursrechtelijk zijn dat:
-Een bestuursrechtelijke sanctie:
■ last onder dwangsom (LOD), preventief of bij illegale situaties;
■ last onder bestuursdwang (LOB/BSB);
-Schorsen of intrekken van de vergunning, certificaat of erkenning;
-Bestuurlijke boete (beleid hiervoor dient nog te worden vastgesteld);
-Verscherpt toezicht.
Bestuursrechtelijke handhaving is gericht op het bereiken van de gewenste situatie. Bij een bestuursrechtelijke sanctie (last onder dwangsom of last onder bestuursdwang) krijgt de overtreder een hersteltermijn aangeboden waarbinnen de overtreding moet zijn beëindigd. Als de overtreding na deze gestelde termijn niet is beëindigd, dan wordt de sanctie geëffectueerd.
Dit geldt niet voor besluiten die gericht zijn op het voorkomen van herhaling én in situaties waar het direct beëindigen van de activiteit noodzakelijk is (spoedeisende bestuursdwang) en bij handhavingsverzoeken
16RvS kenmerk 201707640/1/A1
Bij een dreigende overtreding of een dreigende illegale situatie kan de gemeente, in bepaalde situaties wanneer de overtreding met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ook gaat plaatsvinden, ook een preventieve last onder dwangsom opleggen.
In samenhang met de bestuurlijke sanctie of los daarvan kan de strafrechtelijke sanctie worden toegepast. Strafrechtelijke instrumenten zijn:
•Een proces verbaal (PV);
•De bestuurlijke strafbeschikking (BSB).
Hiervoor heeft de Omgevingsdienst Zuid-Limburg in het kader van haar uitvoerings- en handhavingsstrategie BOA’s aangewezen die strafrechtelijk kunnen optreden binnen het domein II (milieu, welzijn en infrastructuur). De BOA’s bij de gemeente Eijsden-Margraten kunnen optreden bij niveau I (Openbare ruimte). Bij strafrechtelijke handhaving is naast het bereiken van het gewenste gedrag ook het bestraffende element van belang.
3.3Algemene lijn van de handhaving door de gemeente Eijsden-Margraten
Het doel van de bestuurlijke handhaving door de gemeente is het ongedaan maken van een overtreding. Dat wil niet zeggen dat de gemeente direct sanctioneert. Formele sanctieoplegging vindt plaats nadat eerst een aantal stappen is doorlopen. Samengevat zijn deze stappen als volgt:
In de handhavingsstrategie van de gemeente Eijsden-Margraten is het uitgangspunt dat de overtreding ongedaan gemaakt wordt en eventuele schade wordt hersteld. De handhavingsstrategie houdt niet in dat er direct een formele sanctie volgt. In eerste instantie gaat de gemeente het gesprek aan met de overtreder. Dit tenzij een overtreding een acuut gevaar met zich meebrengt, er onherstelbare schade is aangericht, er sprake is van recidive (herhaalde overtreding) of een overtreder niet wil meewerken aan herstelafspraken. In het gesprek gaat het vooral om drie vragen:
-Is er mogelijk een gelijkwaardige oplossing bij afwijken van voorschriften?
-Is overtreding in beginsel legaliseerbaar?
-Is de overtreder in andere gevallen bereid om mee te werken aan het ongedaan maken van de overtreding en herstel van de schade?
Gelijkwaardige oplossing bij afwijken van voorschriften
Er kan sprake zijn van een afwijking van de voorschriften, maar dat er maatregelen zijn getroffen die tot hetzelfde beschermingsniveau leiden (gelijkwaardigheid). Als op een andere wijze dezelfde veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu wordt gerealiseerd, kan het bevoegd gezag in een aantal gevallen een ‘besluit gelijkwaardige voorziening’ nemen. Dit onder voorwaarde dat er geen wettelijke beperkingen zijn voor het nemen van zo’n besluit
17Zoals bijvoorbeeld bij asbestverwijdering of specifieke eisen aan de brandveiligheid of constructieve veiligheid.
Formele, legaliseerbare overtreding
Is wel sprake van een formele overtreding en is geen sprake van een gelijkwaardige oplossing, is de vraag of het in principe een vergunbare situatie is of maatwerkvoorschriften opgelegd kunnen worden (legalisatie onderzoek). Als de situatie vergunbaar is, wordt de overtreder uitgenodigd om een vergunningprocedure of procedure voor maat-werkvoorschriften op te starten. In sommige situaties is het denkbaar dat ondersteuning wordt geboden om de situatie te verbeteren. Bijvoorbeeld door het geven van voorlichting als wordt vastgesteld dat een bepaalde (onnodige) overtreding systematisch voorkomt. Zie hiervoor de preventie- en vergunningstrategie.
Meewerken aan ongedaan maken overtreding en herstel schade
Als een overtreder bereid is om een overtreding ongedaan te maken en eventuele schade te herstellen? Daar worden dan afspraken over gemaakt en termijnen voorgesteld. Eventueel wordt dan ook een bestuurlijke maatregel opgelegd als ‘stok achter de deur’.
Overtredingen door de eigen organisatie of een andere overheid
De handhaving op de eigen organisatie is voor de gemeente niet anders dan wanneer zij handhavend optreedt tegen burgers of bedrijven. Belangrijk hierbij is de democratische controle en transparantie, ook als er bestuurlijke en/of juridische complicaties ontstaan. Er wordt geen verschil gemaakt in prioriteitstelling en wijze van handhaving. Wel wordt een tweetal extra procedurestappen gezet voordat een sanctie wordt opgelegd:
-Wordt een overtreding van de gemeentelijke organisatie geconstateerd dan wordt deze direct aan het management en/of het college van B&W voorgelegd.
-Het management en/of het college van B&W zorgen ervoor, dat passende maatregelen worden genomen om de overtreding te beëindigen, deze in de toekomst te voorkomen en zo nodig de schade te herstellen.
3.4Sanctieoplegging
Mocht het voorgaande niet mogelijk zijn, volgt sanctieoplegging. Het overgaan tot dwangmaatregelen is een beslissing doordacht en gemotiveerd moet plaatsvinden. De toe te passen sanctie moet proportioneel zijn en dient zoveel mogelijk transparantie te bieden. Bij een last onder dwangsom geldt dit bijvoorbeeld voor de lengte van begunstigingstermijnen en de hoogten van dwangsommen. De dwangsom moet voldoende prikkelend zijn, zodanig dat de overtreder de overtreding zal beëindigen. Bovendien mag de dwangsom niet zodanig hoog zijn dat deze als straf kan worden gezien:
-Voor besluiten die niet zijn gericht op het voorkomen van herhaling is de keuze qua begunstigingstermijn voor een voldoende hersteltijd voor de overtreder én het voorkomen van langdurende overtredingssituaties. De landelijke leidraad
18Leidraad handhavingsacties en begunstigingstermijnen versie 2023 https://iplo.nl/publish/pages/223305/leidraad-dwangsombedragen-en-begunstigingstermijnen-versie-september-2023.xlsx
is daarbij het vertrekpunt voor de onderbouwing, waarbij het praktisch haalbaar moet zijn om aan de last te kunnen voldoen. Verder is de te stellen termijn afhankelijk van de aard van de overtreding (er kan in principe met geen of een korte termijn worden volstaan bij gedragsvoorschriften) en mag de termijn niet zodanig lang zijn, dat sprake is van (impliciet) gedogen van de overtreding.
-De hoogte van een dwangsom moet op grond van de Algemene wet bestuursrecht in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van het opleggen van de dwangsom. Bij het onderbouwen van het besluit voor de hoogte van de dwangsom wordt de landelijke leidraad gevolgd. De hoogte van de dwangsom wordt onder andere gerelateerd aan de aard en ernst van de overtreding, de potentiële schade en de kosten die moeten worden gemaakt om de overtreding ongedaan te maken. In ieder geval moet het bedrag belangrijk hoger zijn, dan het economisch voordeel dat met de overtreding wordt behaald. Het moet aantrekkelijker zijn de overtreding ongedaan te maken dan de dwangsom te betalen.
-Het verbeuren van dwangsommen gebeurt van rechtswege.
-Bij het opleggen van een last onder dwangsom wordt de overtreding, als dit is toegestaan, ook opgenomen in de registratie van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen (Wkpb).
-Het bevoegd gezag kan in sommige gevallen de vergunning ook geheel of gedeeltelijk intrekken als niet overeenkomstig de vergunning wordt gehandeld. Dit instrument wordt in onze gemeente in uitzonderlijke gevallen toegepast als andere maatregelen geen effect sorteren.
Bij het bepalen van de op te leggen sanctie wordt de methodiek met onder meer verzwarende en verzachtende omstandigheden en de interventiematrix uit de LHSO gebruikt. Voor wat betref de begunstigingstermijnen en bepaling van de hoogte van een dwangsom volgt de gemeente de landelijke leidraad (zie link)
Als een overtreding een acuut gevaar met zich meebrengt, er onherstelbare schade is aangericht, er sprake is van recidive (herhaalde overtreding) of niet meewerken aan herstelafspraken, treedt de gemeente altijd handhavend op. Bij onherstelbare schade (monument, landschap) of bij het starten met slopen na een sloopmelding zonder dat er al een vergunning is verleend, legt de gemeente een bestuurlijke boete op (als dit het beleid hiervoor is vastgesteld).
Daar waar sprake is van aanzienlijke of dreigende (onomkeerbare) grote schade en bij herhaalde overtredingen wordt in lijn met de LHSO ook het strafrecht (politie en OM) ingeschakeld. Bij (onherstelbare) schade aan onder andere monumenten of landschap die geen prioriteit hebben bij politie en OM, zal de gemeente eigen beleid ontwikkelen voor het opleggen van bestuurlijke boetes.
3.5Prioriteitstelling
De benodigde handhavingscapaciteit is afhankelijk van de mate waarin er in het toezicht overtredingen worden geconstateerd, er handhavingsverzoeken zijn, de aard en omvang van de overtredingen en de mate waarin een overtreder bereid is om mee te werken aan herstel. Dat kan in de praktijk betekenen dat prioriteiten moeten worden gesteld. Het uitgangspunt is dat dat bij ernstige overtredingen altijd handhavend wordt opgetreden. In voorkomende gevallen krijgt de handhaving van kleinere overtredingen (met beperkte risico’s of klachten) minder prioriteit. Bij de afweging is de onderstaande matrix leidend.
Aard overtreding
Hoge prioriteit
Gemiddelde prioriteit
Lage prioriteit
Bouw
Ernstige constructiefouten, instortingsgevaar etc.
Kleinere bouwfouten zonder direct gevaar
Esthetische of administratieve overtredingen
Milieu
Overtredingen met directe of dreigende milieuschade aan de bodem of (oppervlakte)water of een omgevingsrisico vormen.
Overtredingen die hinder en overlast veroorzaken
Kleine overtredingen zonder significante milieu-impact
Brandveiligheid
Overtredingen die direct levensgevaar kunnen opleveren of een aanzienlijk risico opleveren
Overtredingen met een verhoogd risico op brand maar niet direct levensbedreigend
Kleine overtredingen met een beperkt risico voor de brandveiligheid
Rijksmonumenten en onherstelbare schade aan overige monumenten en natuur- en landschapselementen
Rijksmonumenten en onherstelbare schade aan unieke historische elementen van overige monumenten en aan beschermde natuur- en landschapselementen
Schade aan belangrijke maar vervangbare elementen
Kleine beschadigingen zonder significante impact op de monumentale of landschappelijke waarde
Gebruik
Strijdigheid met het omgevingsplan die overlast veroorzaken
Afwijkingen binnen de afwijkingsregels
Afwijkingen binnen de planregels
Meebepalende factoren
Historie van overtredingen
Herhaalde (bewuste) overtredingen, opzettelijke misleiding
Eenmalige overtredingen zonder opzet
Geen eerdere overtredingen
Omgeving
Meerdere klachten, media-aandacht
Enkele klachten van omwonenden
Geen of zeer weinig klachten
Bij overtredingen met een hoge prioriteit, een historie van herhaalde overtredingen en veel klachten en/of media-aandacht wordt altijd direct handhavend opgetreden. Bij overtredingen met een gemiddelde prioriteit wordt in eerste instantie geprobeerd om in overleg met de overtreder tot herstel te komen. Bij overtredingen met een lage prioriteit wordt in beginsel alleen naar aanleiding van een klacht of verzoek van een belanghebbende beoordeeld of er handhavend moet worden opgetreden.
3.6Afzien van handhaven
In zeer uitzonderlijke situaties kan een college verklaren dat wordt afgezien van handhaving. Dit is altijd aan een termijn gebonden en niet langer dan strikt genomen noodzakelijk. Daarbij onderschrijft de gemeente het algemene landelijke beleidskader op het gebied van het gedogen, in de vorm van de rijksnota ‘Grenzen aan gedogen’ uit 1996.
Afzien van het handhaven van een overtreding gebeurt alleen als wordt voldaan aan één of (bij voorkeur) meerdere van de volgende voorwaarden:
-alleen in uitzonderingssituaties (overgangs- of overmachtssituatie, concreet zicht op legalisatie);
-gedogen dient schriftelijk plaats te vinden, vooruitlopend op vergunningverlening en na het indienen van een ontvankelijke aanvraag;
-beperkt in tijd/ernst;
-expliciet en na zorgvuldig kenbare belangenafweging plaats te vinden evenals;
-aan controle te zijn onderworpen.
In de volgende gevallen wordt niet afgezien van handhaven:
-als aan de zijde van de overtreder sprake is van recidiverend dan wel calculerend gedrag;
-als blijkt dat de te gedogen activiteit strijdig is met enige andere bij of krachtens wettelijk voorschrift gestelde regel en het voor de handhaving van die regel bevoegde gezag kenbaar heeft gemaakt dat het met bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten tegen deze overtreding optreedt dan wel zal optreden;
-Bij bouwen zonder of in afwijking van een vergunning, tenzij sprake kan zijn van een tijdelijk bouwwerk;
-Als belangen van derden zich daartegen verzetten.
Als wordt afgezien van handhaven gelden de volgende procesvoorschriften:
-Afzien van handhaving gebeurt schriftelijk en uitdrukkelijk;
-Afzien van handhaving wordt zoveel mogelijk beperkt in omvang en/of in tijd;
-Er moet sprake zijn van een zorgvuldige kenbare belangenafweging;
-Afzien van handhaving is aan controle onderworpen.
BIJLAGEN
Bijlage 2.1: risicoanalyse toezicht milieu
Branches
Controlefrequentie
werkniveau
Agrarische bedrijven (bruidschat paragraaf 22.3.25, landschapsbeheer
1x per 6 jaar
3
Autobedrijven (uitzonderingen banden, autoruitschade, verkoop)
1x per 5 jaar
3
Bouw- en installatiebedrijven (particuliere markt)
1x per 6 jaar
3
Detailhandel en ambachtsbedrijven
1x per 10 jaar
3
Gasdrukstations
1x per 10 jaar
3
Horeca, sport en recreatie
1x per 10 jaar
3
Propaantanks
1x per 10 jaar
3
Opslag
1x per 6 jaar
3
Scholen en verblijfsgebouwen (stookinstallaties)
1x per 6 jaar
3
Transportbedrijven (particuliere markt)
1x per 6 jaar
3
Bijlage 2.2 risico analyse toezicht brandveiligheid
Bepalende kenmerken in relatie tot de controlefrequenties
Voor elke gebruiksfunctie die opgenomen is in het Bouwbesluit 2012 zijn er bepalende kenmerken die specifieke risico’s opleveren. Aan de hand van deze kenmerken en de risico’s kan op passende wijze de controlefrequentie voor de verschillende objecten vastgesteld worden. Deze kenmerken zijn onder te verdelen in de volgende groepen:
Menskenmerken: de interactie tussen de omgeving en het gedrag van mensen in deze omgeving.
Gebouwkenmerken: het architectonische, bouwkundige en installatietechnische gebouwontwerp in relatie tot het ontstaan, de ontwikkeling en de effecten van brand en het vluchten bij brand.
Brandkenmerken: het ontstaan, de ontwikkeling en effecten van brand.
Omgevingskenmerken: de ligging van het gebouw in relatie met de brandveiligheid in het gebouw.
Interventiekenmerken: de interventie bij brand door de respons van de brandweer en van de BHV-organisatie.
Op basis van deze kenmerken en de daar uit volgende risico’s zal een veiligheidsbalans gecreëerd dienen te worden met behulp van de brandveiligheidsmaatregelen. De gebruiksfuncties met de grotere risico’s zullen uiteindelijk ook een hogere controlefrequentie nodig hebben. Aan de hand van deze specifieke kenmerken is die controlefrequentie onderstaand per gebruiksfunctie toegelicht.
1Woonfunctie
Woonfunctie voor zorg:
-Slapend aanwezig
-Niet zelfstandig in staat zijn om te vluchten (niet-zelfredzaam)
-Installatietechnische voorzieningen vereist
-Omvangrijke periodiek te controleren brandpreventieve voorzieningen aanwezig
Controlefrequentie: 1 maal per 2 jaar
Kamergewijze verhuur:
-Slapend aanwezig
-Personen zelfredzaam
Controlefrequentie: 1 maal per 4 jaar
2Bijeenkomstfunctie
Voor kinderen jonger dan 4 jaar:
-Slapend aanwezig
-Niet zelfstandig in staat zijn om te vluchten (niet-zelfredzaam)
-Installatietechnische voorzieningen vereist
Controlefrequentie: 1 maal per 2 jaar
Andere bijeenkomstfunctie:
-Wakend aanwezig
-Personen zelfredzaam
Controlefrequentie: 1 maal per 5 jaar
3Celfunctie
-Slapend aanwezig
-Niet zelfstandig in staat zijn om te vluchten (niet-zelfredzaam)
-Installatietechnische voorzieningen vereist
-Omvangrijke periodiek te controleren brandpreventieve voorzieningen aanwezig
-Interventie door bedrijfshulpverleningsorganisatie noodzakelijk
Controlefrequentie: 1 maal per jaar
4Gezondheidszorgfunctie
Met bedgebied:
-Slapend aanwezig
-Niet zelfstandig in staat zijn om te vluchten (niet-zelfredzaam)
-Installatietechnische voorzieningen vereist
-Omvangrijke periodiek te controleren brandpreventieve voorzieningen aanwezig
-Interventie door bedrijfshulpverleningsorganisatie noodzakelijk
Controlefrequentie: 1 maal per 2 jaar
Zonder bedgebied:
-Wakend aanwezig
-Personen zelfredzaam
Controlefrequentie: 1 maal per 5 jaar
5Industriefunctie
-Grote onverdeelde oppervlakken
-Personen zelfredzaam
Controlefrequentie: 1 maal per 5 jaar
6Kantoorfunctie
-Wakend aanwezig
-Personen zelfredzaam
Controlefrequentie: 1 maal per 5 jaar
7Logiesfunctie
In een logiesgebouw:
-Slapend aanwezig
-Onbekend aanwezig
-Personen zelfredzaam
-Installatietechnische voorzieningen vereist
-Omvangrijke periodiek te controleren brandpreventieve voorzieningen aanwezig
Controlefrequentie: 1 maal per 3 jaar
Niet in een logiesgebouw:
-Slapend aanwezig
-Personen zelfredzaam
Controlefrequentie: 1 maal per 5 jaar
8Onderwijsfunctie
-Personen zelfredzaam
-Jongere kinderen
Controlefrequentie: 1 maal per 4 jaar
9Sportfunctie
-Wakend aanwezig
-Personen zelfredzaam
Controlefrequentie: 1 maal per 5 jaar
10Winkelfunctie
-Wakend aanwezig
-Personen zelfredzaam
Controlefrequentie: 1 maal per 5 jaar
11Overige gebruiksfunctie
-Wakend aanwezig
-Personen zelfredzaam
Controlefrequentie: 1 maal per 5 jaar
12Bouwwerk geen gebouw zijnde
N.v.t.
Bijlage 3: toetsstrategie en indieningsvereisten per bouwwerkcategorie
Protocol technische toetsing
Omgevingsvergunning activiteit (ver)bouwen
versie 04-12-2024
Categorie 1 = vrijstaande bijgebouwen woonfunctie
Schakeltabel
Werkniveau
Effecten / risico’s
0
1
2
3
4
Constructieve veiligheid
•
Gebruiksveiligheid
•
Brandveiligheid
•
Sociale veiligheid
X
Gezondheid (Geluid)
X
Gezondheid (Vocht)
X
Gezondheid (Ventilatie)
•
Gezondheid (Beperking invloed schadelijke stoffen / dieren)
X
Gezondheid (Daglichttoetreding)
X
Toegankelijkheid
X
Bruikbaarheid Ruimten
X
Opstelplaatsen
X
Duurzaamheid
X
Bouwwerkinstallaties (Gas, water, elektra en riolering)
•
Bouw- en sloopwerkzaamheden (Omgevingsveiligheid en afvalscheiding)
X
Niveau 0 = geen toetsing
Niveau 1 = uitgangspuntentoets
Niveau 2 = visueel toetsen
Niveau 3 = representatief toetsen
Niveau 4 = integraal toetsen
Ontvankelijkheid
Op basis van paragraaf 7.2.2. van de Omgevingsregeling moeten de volgende bescheiden genoemd worden overlegd voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.25 of 2.26 van het Bbl en van het juiste uitwerkingsniveau zijn, wil er sprake zijn van een ontvankelijke aanvraag.
bescheiden dienen inzicht te geven in
T
detaillering trappen, hellingbanen en vloerafscheidingen (inclusief hekwerken)
T
draairichting beweegbare constructieonderdelen
T
brandveiligheid en rookproductie van niet standaard materialen
T
ventilatievoorzieningen
T
aansluitpunten riolering en hemelwaterafvoer
T = tekening, B = berekening
Indiening constructieve gegevens en samenwerking constructeur
Interpretatie van paragraaf 7.2.2.2 van de Omgevingsregeling is uitgewerkt in een apart onderdeel van het omgevingsbeleidsplan.
Technische toets
Het niveau van toetsing aan de voorschriften van het Bbl is gekoppeld aan de schakeltabel op het eerste blad van dit protocol. De toets vindt plaats aan de hand van een checklist.
Besluit bouwwerken leefomgeving paragrafen
Afdeling 4.2 veiligheid
1
4.2.1
algemene sterkte bouwconstructies
1
4.2.2.
sterkte bij brand
1
4.2.3
afscheiding van vloer, trap en hellingbaan
1
4.2.4
overbrugging hoogteverschillen
1
4.2.4
trap
X
4.2.4
hellingbaan
1
4.2.5
Beweegbare constructieonderdelen
1
4.2.6
beperking ontstaan van een brandgevaarlijke situatie
X
4.2.7
beperking van ontwikkeling van brand en rook
X
4.2.8
beperking van uitbreiding van brand
X
4.2.9
verdere beperking van uitbreiding van brand / verspr. rook
1
4.2.10
4.2.11
vluchtroutes
X
4.2.12
hulpverlening bij brand
X
4.2.13
hoge en ondergrondse gebouwen
X
4.2.16
inbraakwerendheid
X
4.2.14
veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied
X
4.2.5
aanvullende regels tunnelveiligheid
Afdeling 4.3 : gezondheid
X
4.3.1
bescherming tegen geluid van buiten
X
4.3.2
bescherming tegen geluid van installaties
X
4.3.3
wering van galm
X
4.3.4
geluidwering verblijfsruimten diverse functies
X
4.3.5
vocht
2
4.3.6
luchtverversing
X
4.3.7
spuivoorziening
X
4.3.8
toevoer van verbrandingslucht / afvoer van rookgas
X
4.3.9
bescherming tegen ratten en muizen
X
4.3.10
daglicht
Afdeling 4.4 Duurzaamheid
X
4.4.1
energiezuinigheid
X
4.4.2
milieuprestatie
X
4.4.3
Laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen
Afdeling 4.5 bruikbaarheid
X
4.5.2
verblijfsgebied / verblijfsruimte
X
4.5.3
toiletruimte
X
4.5.4
badruimte
X
4.5.5.
buitenberging
X
4.5.6
buitenruimte
X
4.5.7
opstelplaatsen
Afdeling 4.6 toegankelijkheid
X
4.6.1
Bereikbaarheid algemeen
X
4.6.2
toegankelijkheidssector
X
4.6.3
Bereikbaarheid van het bouwwerk
Afdeling 4.7 :bouw installaties
Gas, water, elektra en riolering
X
4.7.1
verlichting
X
4.7.2
voorziening voor afnemen energie
X
4.7.3
watervoorziening
1
4.7.4
afvoer huishoudelijke afvalwater / hemelwater
Brandveiligheid
X
4.7.5
tijdig vaststellen brand
X
4.7.6
vluchten bij brand
X
4.7.7
bestrijding van brand
X
4.7.8
bereikbaarheid hulpverleningsdiensten
Overig
X
4.7.9
aanvullende regels tunnelveiligheid
X
4.7.10
tegengaan veel voorkomende criminaliteit
X
4.7.11
veilig onderhoud gebouwen
X
4.7.12
Inzicht in kwaliteit van binnenlucht
X
4.7.13
Elektronische communicatie
X
4.7.14
Technische bouwsystemen
Hoofdstuk 7 bouw en sloopwerkzaamheden
X
7.1.4
voorkomen onveilige situaties / beperken hinder en overlast
X
7.1.5
afvalscheiding
Protocol technische toetsing
Omgevingsvergunning activiteit (ver)bouwen
versie 4-12-2024
Categorie 2 = aan-, uit- en verbouwen woon- en bedrijfsfunctie
Schakeltabel
Werkniveau
Effecten / risico’s
0
1
2
3
4
Constructieve veiligheid
•
Gebruiksveiligheid
•
Brandveiligheid
•
Sociale veiligheid
•
Gezondheid (Geluid)
•
Gezondheid (Vocht)
•
Gezondheid (Ventilatie)
•
Gezondheid (Beperking invloed schadelijke stoffen / dieren)
•
Gezondheid (Daglichttoetreding)
•
Toegankelijkheid
•
Bruikbaarheid Ruimten
•
Opstelplaatsen
•
Duurzaamheid
•
Bouwwerkinstallaties (Gas, water, elektra en riolering)
•
Bouw- en sloopwerkzaamheden (Omgevingsveiligheid en afvalscheiding)
•
Niveau 0 = geen toetsing
Niveau 1 = uitgangspuntentoets
Niveau 2 = visueel toetsen
Niveau 3 = representatief toetsen
Niveau 4 = integraal toetsen
Ontvankelijkheid
Op basis van paragraaf 7.2.2. van de Omgevingsregeling moeten de volgende bescheiden genoemd worden overlegd voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.25 of 2.26 van het Bbl en van het juiste uitwerkingsniveau zijn, wil er sprake zijn van een ontvankelijke aanvraag.
bescheiden dienen inzicht te geven in
T
detaillering trappen, hellingbanen en vloerafscheidingen (inclusief hekwerken)
T
draairichting beweegbare constructieonderdelen
T
brandveiligheid en rookproductie van niet standaard materialen
T
brandcompartimentering
T
vluchtroutes en aard / plaats brandveiligheidsvoorzieningen
T
geluidwering uitwendige scheidingsconstructies (geluidszone)
T
wateropname materialen vloer, wand en plafond sanitaire ruimten
T
lucht- / waterdichtheid + vochtwerende voorzieningen uitwendige scheidingsconstructies
T
ventilatievoorzieningen, afvoer verbrandingsgassen, toevoer verbrandingslucht
T
daglichttoetreding
T
aanduiding en oppervlakten gebruiksfuncties, verblijfsgebieden / -ruimten, afmetingen / bezetting ruimten
T
aanduiding vloerpeilen t.o.v. aansluitend terrein
T
aanduiding bad- en toiletruimte, buitenberging, buitenruimte
T
aanduiding opstelplaatsen aanrecht, kook-, stook- en warmwatertoestellen
T
EPC, thermische eigenschappen en beperking luchtdoorlatendheid
T
noodstroomvoorziening en –verlichting
T
aansluitpunten voor gas-, elektra en waterleiding
T
aansluitpunten riolering en hemelwaterafvoer
T = op tekening, B = berekening
Indiening constructieve gegevens en samenwerking constructeur
Interpretatie van paragraaf 7.2.2.2 van de Omgevingsregeling is uitgewerkt in een apart onderdeel van het omgevingsbeleidsplan.
Technische toets
Het niveau van toetsing aan de voorschriften van het Bbl is gekoppeld aan de schakeltabel op het eerste blad van dit protocol. De toets vindt plaats aan de hand van een checklist.
Besluit bouwwerken leefomgeving paragrafen
Afdeling 4.2 veiligheid
2
4.2.1
algemene sterkte bouwconstructies
2
4.2.2.
sterkte bij brand
2
4.2.3
afscheiding van vloer, trap en hellingbaan
1
4.2.4
overbrugging hoogteverschillen
2
4.2.4
trap
X
4.2.4
hellingbaan
1
4.2.5
Beweegbare constructieonderdelen
1
4.2.6
beperking ontstaan van een brandgevaarlijke situatie
1
4.2.7
beperking van ontwikkeling van brand en rook
1
4.2.8
beperking van uitbreiding van brand
X1
4.2.9
verdere beperking van uitbreiding van brand / verspr. rook
1
4.2.10
4.2.11
vluchtroutes
X
4.2.12
hulpverlening bij brand
X
4.2.13
hoge en ondergrondse gebouwen
X
4.2.16
inbraakwerendheid
X
4.2.14
veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied
X
4.2.5
aanvullende regels tunnelveiligheid
Afdeling 4.3 : gezondheid
1
4.3.1
bescherming tegen geluid van buiten
X
4.3.2
bescherming tegen geluid van installaties
X
4.3.3
wering van galm
1
4.3.4
geluidwering verblijfsruimten diverse functies
1
4.3.5
vocht
2
4.3.6
luchtverversing
1
4.3.7
spuivoorziening
1
4.3.8
toevoer van verbrandingslucht / afvoer van rookgas
X
4.3.9
bescherming tegen ratten en muizen
2
4.3.10
daglicht
Afdeling 4.4 Duurzaamheid
1
4.4.1
energiezuinigheid
X
4.4.2
milieuprestatie
X
4.4.3
Laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen
Afdeling 4.5 bruikbaarheid
2
4.5.2
verblijfsgebied / verblijfsruimte
2
4.5.3
toiletruimte
2
4.5.4
badruimte
X
4.5.5.
buitenberging
X
4.5.6
buitenruimte
1
4.5.7
opstelplaatsen
Afdeling 4.6 toegankelijkheid
X
4.6.1
Bereikbaarheid algemeen
X
4.6.2
toegankelijkheidssector
X
4.6.3
Bereikbaarheid van het bouwwerk
Afdeling 4.7 :bouw installaties
Gas, water, elektra en riolering
X
4.7.1
verlichting
X
4.7.2
voorziening voor afnemen energie
X
4.7.3
watervoorziening
1
4.7.4
afvoer huishoudelijke afvalwater / hemelwater
Brandveiligheid
X
4.7.5
tijdig vaststellen brand
X
4.7.6
vluchten bij brand
X
4.7.7
bestrijding van brand
X
4.7.8
bereikbaarheid hulpverleningsdiensten
Overig
X
4.7.9
aanvullende regels tunnelveiligheid
X
4.7.10
tegengaan veel voorkomende criminaliteit
X
4.7.11
veilig onderhoud gebouwen
X
4.7.12
Inzicht in kwaliteit van binnenlucht
X
4.7.13
Elektronische communicatie
X
4.7.14
Technische bouwsystemen
Hoofdstuk 7 bouw en sloopwerkzaamheden
X
7.1.4
voorkomen onveilige situaties / beperken hinder en overlast
X
7.1.5
afvalscheiding
Protocol technische toetsing
Omgevingsvergunning activiteit (ver)bouwen
versie 4-12-2024
Categorie 3 = woongebouwen projectmatige bouw
Schakeltabel
Werkniveau
Effecten / risico’s
0
1
2
3
4
Constructieve veiligheid
•
Gebruiksveiligheid
•
Brandveiligheid
•
Sociale veiligheid
•
Gezondheid (Geluid)
•
Gezondheid (Vocht)
•
Gezondheid (Ventilatie)
•
Gezondheid (Beperking invloed schadelijke stoffen / dieren)
•
Gezondheid (Daglichttoetreding)
•
Toegankelijkheid
•
Bruikbaarheid Ruimten
•
Opstelplaatsen
•
Duurzaamheid
•
Bouwwerkinstallaties (Gas, water, elektra en riolering)
•
Bouw- en sloopwerkzaamheden (Omgevingsveiligheid en afvalscheiding)
•
Niveau 0 = geen toetsing
Niveau 1 = uitgangspuntentoets
Niveau 2 = visueel toetsen
Niveau 3 = representatief toetsen
Niveau 4 = integraal toetsen
Ontvankelijkheid
Op basis van paragraaf 7.2.2. van de Omgevingsregeling moeten de volgende bescheiden genoemd worden overlegd voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.25 of 2.26 van het Bbl en van het juiste uitwerkingsniveau zijn, wil er sprake zijn van een ontvankelijke aanvraag.
bescheiden dienen inzicht te geven in
TB
detaillering trappen, hellingbanen en vloerafscheidingen (inclusief hekwerken)
T
draairichting beweegbare constructieonderdelen
T
brandveiligheid en rookproductie van niet standaard materialen
TB
brandcompartimentering
T
vluchtroutes en aard / plaats brandveiligheidsvoorzieningen
T
bereikbare gevelelementen inbraakwerendheid
TB
geluidwering uitwendige scheidingsconstructies (geluidszone)
T
wateropname materialen vloer, wand en plafond sanitaire ruimten
T
lucht- / waterdichtheid + vochtwerende voorzieningen uitwendige scheidingsconstructies
TB
ventilatievoorzieningen, voorzieningen afvoer verbrandingsgassen / aanvoer verbrandingslucht
T
het weren van ratten en muizen
TB
daglichttoetreding
TB
aanduiding en oppervlakten gebruiksfuncties, verblijfsgebieden / -ruimten, afmetingen / bezetting ruimten
T
aanduiding bad- en toiletruimte, buitenberging, buitenruimte
T
aanduiding vloerpeilen t.o.v. aansluitend terrein
T
aanduiding opstelplaatsen aanrecht, kook-, stook- en warmwatertoestellen
TB
EPC, thermische eigenschappen en beperking luchtdoorlatendheid
T
noodstroomvoorziening en –verlichting
T
aansluitpunten voor gas-, elektra en waterleiding
T
aansluitpunten van drinkwater- en warmwatervoorziening
T
aansluitpunten riolering en hemelwaterafvoer
T
toegankelijkheid bouwwerk en ruimten(vrije doorgang in renvooi + detaillering dorpel)
T = op tekening, B = berekening
Indiening constructieve gegevens en samenwerking constructeur
Interpretatie van paragraaf 7.2.2.2 van de Omgevingsregeling is uitgewerkt in een apart onderdeel van het omgevingsbeleidsplan.
Technische toets
Het niveau van toetsing aan de voorschriften van het Bbl is gekoppeld aan de schakeltabel op het eerste blad van dit protocol. De toets vindt plaats aan de hand van een checklist.
Besluit bouwwerken leefomgeving paragrafen
Afdeling 4.2 veiligheid
3
4.2.1
algemene sterkte bouwconstructies
3
4.2.2.
sterkte bij brand
2
4.2.3
afscheiding van vloer, trap en hellingbaan
1
4.2.4
overbrugging hoogteverschillen
3
4.2.4
trap
2
4.2.4
hellingbaan
1
4.2.5
Beweegbare constructieonderdelen
1
4.2.6
beperking ontstaan van een brandgevaarlijke situatie
1
4.2.7
beperking van ontwikkeling van brand en rook
3
4.2.8
beperking van uitbreiding van brand
31
4.2.9
verdere beperking van uitbreiding van brand / verspr. rook
4
4.2.10
4.2.11
vluchtroutes
2
4.2.12
hulpverlening bij brand
X
4.2.13
hoge en ondergrondse gebouwen
1
4.2.16
inbraakwerendheid
X
4.2.14
veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied
X
4.2.5
aanvullende regels tunnelveiligheid
Afdeling 4.3 : gezondheid
3
4.3.1
bescherming tegen geluid van buiten
1
4.3.2
bescherming tegen geluid van installaties
3
4.3.3
wering van galm
3
4.3.4
geluidwering verblijfsruimten diverse functies
2
4.3.5
vocht
3
4.3.6
luchtverversing
1
4.3.7
spuivoorziening
2
4.3.8
toevoer van verbrandingslucht / afvoer van rookgas
1
4.3.9
bescherming tegen ratten en muizen
3
4.3.10
daglicht
Afdeling 4.4 Duurzaamheid
3
4.4.1
energiezuinigheid
X
4.4.2
milieuprestatie
1
4.4.3
Laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen
Afdeling 4.5 bruikbaarheid
3
4.5.2
verblijfsgebied / verblijfsruimte
2
4.5.3
toiletruimte
2
4.5.4
badruimte
2
4.5.5.
buitenberging
2
4.5.6
buitenruimte
2
4.5.7
opstelplaatsen
Afdeling 4.6 toegankelijkheid
2
4.6.1
Bereikbaarheid algemeen
2
4.6.2
toegankelijkheidssector
2
4.6.3
Bereikbaarheid van het bouwwerk
Afdeling 4.7 :bouw installaties
Gas, water, elektra en riolering
2
4.7.1
verlichting
X
4.7.2
voorziening voor afnemen energie
1
4.7.3
watervoorziening
3
4.7.4
afvoer huishoudelijke afvalwater / hemelwater
Brandveiligheid
4
4.7.5
tijdig vaststellen brand
4
4.7.6
vluchten bij brand
4
4.7.7
bestrijding van brand
4
4.7.8
bereikbaarheid hulpverleningsdiensten
Overig
X
4.7.9
aanvullende regels tunnelveiligheid
2
4.7.10
tegengaan veel voorkomende criminaliteit
1
4.7.11
veilig onderhoud gebouwen
2
4.7.12
Inzicht in kwaliteit van binnenlucht
1
4.7.13
Elektronische communicatie
2
4.7.14
Technische bouwsystemen
Hoofdstuk 7 bouw en sloopwerkzaamheden
4
7.1.4
voorkomen onveilige situaties / beperken hinder en overlast
X
7.1.5
afvalscheiding
Protocol technische toetsing Omgevingsvergunning activiteit (ver)bouwen
versie 4-12-2024
Categorie 4 = (grondgebonden) woningen, appartementen e.d.
Schakeltabel
Werkniveau
Effecten / risico’s
0
1
2
3
4
Constructieve veiligheid
•
Gebruiksveiligheid
•
Brandveiligheid
•
Sociale veiligheid
•
Gezondheid (Geluid)
•
Gezondheid (Vocht)
•
Gezondheid (Ventilatie)
•
Gezondheid (Beperking invloed schadelijke stoffen / dieren)
•
Gezondheid (Daglichttoetreding)
•
Toegankelijkheid
•
Bruikbaarheid Ruimten
•
Opstelplaatsen
•
Duurzaamheid
•
Bouwwerkinstallaties (Gas, water, elektra en riolerin)
•
Bouw- en slolopwerkzaamheden (Omgevingsveiligheid en afvalscheidin)
•
Niveau 0 = geen toetsing
Niveau 1 = uitgangspuntentoets
Niveau 2 = visueel toetsen
Niveau 3 = representatief toetsen
Niveau 4 = integraal toetsen
Ontvankelijkheid
Op basis van paragraaf 7.2.2. van de Omgevingsregeling moeten de volgende bescheiden genoemd worden overlegd voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.25 of 2.26 van het Bbl en van het juiste uitwerkingsniveau zijn, wil er sprake zijn van een ontvankelijke aanvraag.
bescheiden dienen inzicht te geven in
TB
detaillering trappen, hellingbanen en vloerafscheidingen (inclusief hekwerken)
T
draairichting beweegbare constructieonderdelen
T
brandveiligheid en rookproductie van niet standaard materialen
T
brandcompartimentering
T
vluchtroutes en aard / plaats brandveiligheidsvoorzieningen
T
bereikbare gevelelementen inbraakwerendheid
TB
geluidwering uitwendige scheidingsconstructies (geluidszone)
T
wateropname materialen vloer, wand en plafond sanitaire ruimten
T
lucht- / waterdichtheid + vochtwerende voorzieningen uitwendige scheidingsconstructies
TB
ventilatievoorzieningen en voorzieningen afvoer verbrandingsgassen / aanvoer verbrandingslucht
T
het weren van ratten en muizen
TB
daglichttoetreding
TB
aanduiding en oppervlakten gebruiksfuncties, verblijfsgebieden / -ruimten, afmetingen / bezetting ruimten
T
aanduiding bad- en toiletruimte, buitenberging, buitenruimte
T
aanduiding vloerpeilen t.o.v. aansluitend terrein
T
aanduiding opstelplaatsen aanrecht, kook-, stook- en warmwatertoestellen
TB
EPC, thermische eigenschappen en beperking luchtdoorlatendheid
T
aansluitpunten voor gas-, elektra en waterleiding
T
aansluitpunten van drinkwater- en warmwatervoorziening
T
aansluitpunten riolering en hemelwaterafvoer
T = op tekening, B = berekening
Indiening constructieve gegevens en samenwerking constructeur
Interpretatie van paragraaf 7.2.2.2 van de Omgevingsregeling is uitgewerkt in een apart onderdeel van het omgevingsbeleidsplan.
Technische toets
Het niveau van toetsing aan de voorschriften van het Bbl is gekoppeld aan de schakeltabel op het eerste blad van dit protocol. De toets vindt plaats aan de hand van een checklist.
Besluit bouwwerken leefomgeving paragrafen
Afdeling 4.2 veiligheid
3
4.2.1
algemene sterkte bouwconstructies
3
4.2.2.
sterkte bij brand
2
4.2.3
afscheiding van vloer, trap en hellingbaan
1
4.2.4
overbrugging hoogteverschillen
2
4.2.4
trap
X
4.2.4
hellingbaan
1
4.2.5
Beweegbare constructieonderdelen
1
4.2.6
beperking ontstaan van een brandgevaarlijke situatie
1
4.2.7
beperking van ontwikkeling van brand en rook
2
4.2.8
beperking van uitbreiding van brand
2
4.2.9
verdere beperking van uitbreiding van brand / verspr. rook
2
4.2.10
4.2.11
vluchtroutes
X
4.2.12
hulpverlening bij brand
X
4.2.13
hoge en ondergrondse gebouwen
1
4.2.16
inbraakwerendheid
X
4.2.14
veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied
X
4.2.5
aanvullende regels tunnelveiligheid
3
4.3.1
bescherming tegen geluid van buiten
1
4.3.2
bescherming tegen geluid van installaties
X
4.3.3
wering van galm
X
4.3.4
geluidwering verblijfsruimten diverse functies
2
4.3.5
vocht
3
4.3.6
luchtverversing
1
4.3.7
spuivoorziening
1
4.3.8
toevoer van verbrandingslucht / afvoer van rookgas
1
4.3.9
bescherming tegen ratten en muizen
3
4.3.10
daglicht
Afdeling 4.4 Duurzaamheid
3
4.4.1
energiezuinigheid
X
4.4.2
milieuprestatie
2
4.4.3
Laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen
Afdeling 4.5 bruikbaarheid
3
4.5.2
verblijfsgebied / verblijfsruimte
2
4.5.3
toiletruimte
2
4.5.4
badruimte
2
4.5.5.
buitenberging
2
4.5.6
buitenruimte
1
4.5.7
opstelplaatsen
Afdeling 4.6 toegankelijkheid
1
4.6.1
Bereikbaarheid algemeen
1
4.6.2
toegankelijkheidssector
2
4.6.3
Bereikbaarheid van het bouwwerk
Afdeling 4.7 :bouw installaties
Gas, water, elektra en riolering
X
4.7.1
verlichting
X
4.7.2
voorziening voor afnemen energie
1
4.7.3
watervoorziening
2
4.7.4
afvoer huishoudelijke afvalwater / hemelwater
Brandveiligheid
1
4.7.5
tijdig vaststellen brand
1
4.7.6
vluchten bij brand
1
4.7.7
bestrijding van brand
4
4.7.8
bereikbaarheid hulpverleningsdiensten
Overig
X
4.7.9
aanvullende regels tunnelveiligheid
X
4.7.10
tegengaan veel voorkomende criminaliteit
X
4.7.11
veilig onderhoud gebouwen
1
4.7.12
Inzicht in kwaliteit van binnenlucht
X
4.7.13
Elektronische communicatie
1
4.7.14
Technische bouwsystemen
Hoofdstuk 7 bouw en sloopwerkzaamheden
4
7.1.4
voorkomen onveilige situaties / beperken hinder en overlast
X
7.1.5
afvalscheiding
Protocol technische toetsing
Omgevingsvergunning activiteit (ver)bouwen
versie 04-12-2024
Categorie 5 = industriegebouwen
Schakeltabel
Werkniveau
Effecten / risico’s
0
1
2
3
4
Constructieve veiligheid
•
Gebruiksveiligheid
•
Brandveiligheid
•
Sociale veiligheid
x
Gezondheid (Geluid)
•
Gezondheid (Vocht)
•
Gezondheid (Ventilatie)
•
Gezondheid (Beperking invloed schadelijke stoffen / dieren)
•
Gezondheid (Daglichttoetreding)
•
Toegankelijkheid
•
Bruikbaarheid Ruimten
•
Opstelplaatsen
•
Duurzaamheid
•
Bouwwerkinstallaties (Gas, water, elektra en riolerin)
•
Bouw- en slolopwerkzaamheden (Omgevingsveiligheid en afvalscheidin)
•
Niveau 0 = geen toetsing
Niveau 1 = uitgangspuntentoets
Niveau 2 = visueel toetsen
Niveau 3 = representatief toetsen
Niveau 4 = integraal toetsen
Ontvankelijkheid
Op basis van paragraaf 7.2.2. van de Omgevingsregeling moeten de volgende bescheiden genoemd worden overlegd voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.25 of 2.26 van het Bbl en van het juiste uitwerkingsniveau zijn, wil er sprake zijn van een ontvankelijke aanvraag.
bescheiden dienen inzicht te geven in
T
detaillering trappen, hellingbanen en vloerafscheidingen (inclusief hekwerken)
T
draairichting beweegbare constructieonderdelen
T
brandveiligheid en rookproductie van niet standaard materialen
TB
brandcompartimentering
T
vluchtroutes en aard / plaats brandveiligheidsvoorzieningen
T
geluidwering uitwendige scheidingsconstructies (geluidszone)
T
wateropname materialen vloer, wand en plafond sanitaire ruimten
T
lucht- / waterdichtheid + vochtwerende voorzieningen uitwendige scheidingsconstructies
T
daglichttoetreding
TB
ventilatievoorzieningen en voorzieningen afvoer verbrandingsgassen / aanvoer verbrandingslucht
TB
aanduiding en oppervlakten gebruiksfuncties, verblijfsgebieden / -ruimten, afmetingen / bezetting ruimten
T
aanduiding bad- en toiletruimte, buitenberging, buitenruimte
T
aanduiding vloerpeilen t.o.v. aansluitend terrein
T
aanduiding opstelplaatsen aanrecht, kook-, stook- en warmwatertoestellen
TB
EPC, thermische eigenschappen en beperking luchtdoorlatendheid
T
noodstroomvoorziening en –verlichting
T
aansluitpunten voor gas-, elektra en waterleiding
T
aansluitpunten riolering en hemelwaterafvoer
T
stallingsruimte fietsen
T = op tekening, B = berekening
Indiening constructieve gegevens en samenwerking constructeur
Interpretatie van paragraaf 7.2.2.2 van de Omgevingsregeling is uitgewerkt in een apart onderdeel van het omgevingsbeleidsplan.
Technische toets
Het niveau van toetsing aan de voorschriften van het Bbl is gekoppeld aan de schakeltabel op het eerste blad van dit protocol. De toets vindt plaats aan de hand van een checklist.
Besluit bouwwerken leefomgeving paragrafen
Afdeling 4.2 veiligheid
3
4.2.1
algemene sterkte bouwconstructies
3
4.2.2.
sterkte bij brand
2
4.2.3
afscheiding van vloer, trap en hellingbaan
1
4.2.4
overbrugging hoogteverschillen
2
4.2.4
trap
2
4.2.4
hellingbaan
1
4.2.5
Beweegbare constructieonderdelen
1
4.2.6
beperking ontstaan van een brandgevaarlijke situatie
1
4.2.7
beperking van ontwikkeling van brand en rook
3
4.2.8
beperking van uitbreiding van brand
3
4.2.9
verdere beperking van uitbreiding van brand / verspr. rook
4
4.2.10
4.2.11
vluchtroutes
2
4.2.12
hulpverlening bij brand
X
4.2.13
hoge en ondergrondse gebouwen
X
4.2.16
inbraakwerendheid
X
4.2.14
veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied
X
4.2.5
aanvullende regels tunnelveiligheid
Afdeling 4.3 : gezondheid
1
4.3.1
bescherming tegen geluid van buiten
1
4.3.2
bescherming tegen geluid van installaties
X
4.3.3
wering van galm
1
4.3.4
geluidwering verblijfsruimten diverse functies
2
4.3.5
vocht
2
4.3.6
luchtverversing
x
4.3.7
spuivoorziening
2
4.3.8
toevoer van verbrandingslucht / afvoer van rookgas
X
4.3.9
bescherming tegen ratten en muizen
3
4.3.10
daglicht
Afdeling 4.4 Duurzaamheid
2
4.4.1
energiezuinigheid
X
4.4.2
milieuprestatie
1
4.4.3
Laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen
Afdeling 4.5 bruikbaarheid
3
4.5.2
verblijfsgebied / verblijfsruimte
2
4.5.3
toiletruimte
2
4.5.4
badruimte
X
4.5.5.
buitenberging
X
4.5.6
buitenruimte
1
4.5.7
opstelplaatsen
Afdeling 4.6 toegankelijkheid
1
4.6.1
Bereikbaarheid algemeen
2
4.6.2
toegankelijkheidssector
1
4.6.3
Bereikbaarheid van het bouwwerk
Afdeling 4.7 :bouw installaties
Gas, water, elektra en riolering
2
4.7.1
verlichting
X
4.7.2
voorziening voor afnemen energie
X
4.7.3
watervoorziening
2
4.7.4
afvoer huishoudelijke afvalwater / hemelwater
Brandveiligheid
4
4.7.5
tijdig vaststellen brand
4
4.7.6
vluchten bij brand
4
4.7.7
bestrijding van brand
4
4.7.8
bereikbaarheid hulpverleningsdiensten
Overig
X
4.7.9
aanvullende regels tunnelveiligheid
X
4.7.10
tegengaan veel voorkomende criminaliteit
X
4.7.11
veilig onderhoud gebouwen
X
4.7.12
Inzicht in kwaliteit van binnenlucht
1
4.7.13
Elektronische communicatie
1
4.7.14
Technische bouwsystemen
Hoofdstuk 7 bouw en sloopwerkzaamheden
4
7.1.4
voorkomen onveilige situaties / beperken hinder en overlast
X
7.1.5
afvalscheiding
Protocol technische toetsing
Omgevingsvergunning activiteit (ver)bouwen
versie 04-12-2024
Categorie 6 = publiekstoegankelijke werken
Schakeltabel
Werkniveau
Effecten / risico’s
0
1
2
3
4
Constructieve veiligheid
•
Gebruiksveiligheid
•
Brandveiligheid
•
Sociale veiligheid
x
Gezondheid (Geluid)
•
Gezondheid (Vocht)
•
Gezondheid (Ventilatie)
•
Gezondheid (Beperking invloed schadelijke stoffen / dieren)
•
Gezondheid (Daglichttoetreding)
•
Toegankelijkheid
•
Bruikbaarheid Ruimten
•
Opstelplaatsen
•
Duurzaamheid
•
Bouwwerkinstallaties (Gas, water, elektra en riolering)
•
Bouw- en slolopwerkzaamheden (Omgevingsveiligheid en afvalscheiding)
•
Niveau 0 = geen toetsing
Niveau 1 = uitgangspuntentoets
Niveau 2 = visueel toetsen
Niveau 3 = representatief toetsen
Niveau 4 = integraal toetsen
Ontvankelijkheid
Op basis van paragraaf 7.2.2. van de Omgevingsregeling moeten de volgende bescheiden genoemd worden overlegd voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.25 of 2.26 van het Bbl en van het juiste uitwerkingsniveau zijn, wil er sprake zijn van een ontvankelijke aanvraag.
bescheiden dienen inzicht te geven in
TB
detaillering trappen, hellingbanen en vloerafscheidingen (inclusief hekwerken)
T
draairichting beweegbare constructieonderdelen
T
brandveiligheid en rookproductie van niet standaard materialen
TB
brandcompartimentering
T
vluchtroutes en aard / plaats brandveiligheidsvoorzieningen
TB
geluidwering uitwendige scheidingsconstructies (geluidszone)
T
wateropname materialen vloer, wand en plafond sanitaire ruimten
T
lucht- / waterdichtheid + vochtwerende voorzieningen uitwendige scheidingsconstructies
TB
ventilatievoorzieningen en voorzieningen afvoer verbrandingsgassen / aanvoer verbrandingslucht
T
het weren van ratten en muizen
TB
daglichttoetreding
TB
aanduiding en oppervlakten gebruiksfuncties, verblijfsgebieden / -ruimten, afmetingen / bezetting ruimten
T
aanduiding bad- en toiletruimte, buitenberging, buitenruimte
T
aanduiding vloerpeilen t.o.v. aansluitend terrein
T
aanduiding opstelplaatsen aanrecht, kook-, stook- en warmwatertoestellen
T
stallingsruimte fietsen
TB
EPC, thermische eigenschappen en beperking luchtdoorlatendheid
T
noodstroomvoorziening en –verlichting
T
aansluitpunten voor gas-, elektra en waterleiding
T
aansluitpunten van drinkwater- en warmwatervoorziening
T
aansluitpunten riolering en hemelwaterafvoer
T = op tekening, B = berekening
Indiening constructieve gegevens en samenwerking constructeur
Interpretatie van paragraaf 7.2.2.2 van de Omgevingsregeling is uitgewerkt in een apart onderdeel van het omgevingsbeleidsplan.
Technische toets
Het niveau van toetsing aan de voorschriften van het Bbl is gekoppeld aan de schakeltabel op het eerste blad van dit protocol. De toets vindt plaats aan de hand van een checklist.
Besluit bouwwerken leefomgeving paragrafen
Afdeling 4.2 veiligheid
3
4.2.1
algemene sterkte bouwconstructies
3
4.2.2.
sterkte bij brand
2
4.2.3
afscheiding van vloer, trap en hellingbaan
1
4.2.4
overbrugging hoogteverschillen
3
4.2.4
trap
2
4.2.4
hellingbaan
1
4.2.5
Beweegbare constructieonderdelen
1
4.2.6
beperking ontstaan van een brandgevaarlijke situatie
1
4.2.7
beperking van ontwikkeling van brand en rook
3
4.2.8
beperking van uitbreiding van brand
3
4.2.9
verdere beperking van uitbreiding van brand / verspr. rook
4
4.2.10
4.2.11
vluchtroutes
2
4.2.12
hulpverlening bij brand
X
4.2.13
hoge en ondergrondse gebouwen
X
4.2.16
inbraakwerendheid
X
4.2.14
veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied
X
4.2.5
aanvullende regels tunnelveiligheid
Afdeling 4.3 : gezondheid
3
4.3.1
bescherming tegen geluid van buiten
1
4.3.2
bescherming tegen geluid van installaties
X
4.3.3
wering van galm
3
4.3.4
geluidwering verblijfsruimten diverse functies
2
4.3.5
vocht
3
4.3.6
luchtverversing
1
4.3.7
spuivoorziening
2
4.3.8
toevoer van verbrandingslucht / afvoer van rookgas
1
4.3.9
bescherming tegen ratten en muizen
3
4.3.10
daglicht
Afdeling 4.4 Duurzaamheid
3
4.4.1
energiezuinigheid
X
4.4.2
milieuprestatie
1
4.4.3
Laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen
Afdeling 4.5 bruikbaarheid
3
4.5.2
verblijfsgebied / verblijfsruimte
2
4.5.3
toiletruimte
2
4.5.4
badruimte
X
4.5.5.
buitenberging
X
4.5.6
buitenruimte
1
4.5.7
opstelplaatsen
Afdeling 4.6 toegankelijkheid
1
4.6.1
Bereikbaarheid algemeen
1
4.6.2
toegankelijkheidssector
2
4.6.3
Bereikbaarheid van het bouwwerk
Afdeling 4.7 :bouw installaties
Gas, water, elektra en riolering
2
4.7.1
verlichting
X
4.7.2
voorziening voor afnemen energie
1
4.7.3
watervoorziening
3
4.7.4
afvoer huishoudelijke afvalwater / hemelwater
Brandveiligheid
4
4.7.5
tijdig vaststellen brand
4
4.7.6
vluchten bij brand
4
4.7.7
bestrijding van brand
4
4.7.8
bereikbaarheid hulpverleningsdiensten
Overig
X
4.7.9
aanvullende regels tunnelveiligheid
X
4.7.10
tegengaan veel voorkomende criminaliteit
X
4.7.11
veilig onderhoud gebouwen
1
4.7.12
Inzicht in kwaliteit van binnenlucht
2
4.7.13
Elektronische communicatie
2
4.7.14
Technische bouwsystemen
Hoofdstuk 7 bouw en sloopwerkzaamheden
4
7.1.4
voorkomen onveilige situaties / beperken hinder en overlast
X
7.1.5
afvalscheiding
Protocol technische toetsing
Omgevingsvergunning activiteit (ver)bouwen
versie 04-12-2024
Categorie 7 = bouwwerken geen gebouw zijnde
Schakeltabel
Werkniveau
Effecten / risico’s
0
1
2
3
4
Constructieve veiligheid
•
Gebruiksveiligheid
•
Brandveiligheid
•
Sociale veiligheid
X
Gezondheid (Geluid)
X
Gezondheid (Vocht)
X
Gezondheid (Ventilatie)
•
Gezondheid (Beperking invloed schadelijke stoffen / dieren)
X
Gezondheid (Daglichttoetreding)
X
Toegankelijkheid
X
Bruikbaarheid Ruimten
•
Opstelplaatsen
X
Duurzaamheid
x
Bouwwerkinstallaties (Gas, water, elektra en riolering)
•
Bouw- en slolopwerkzaamheden (Omgevingsveiligheid en afvalscheiding)
•
Niveau 0 = geen toetsing
Niveau 1 = uitgangspuntentoets
Niveau 2 = visueel toetsen
Niveau 3 = representatief toetsen
Niveau 4 = integraal toetsen
T = op tekening, B = berekening
Indiening constructieve gegevens en samenwerking constructeur
Interpretatie van paragraaf 7.2.2.2 van de Omgevingsregeling is uitgewerkt in een apart onderdeel van het omgevingsbeleidsplan.
Technische toets
Het niveau van toetsing aan de voorschriften van het Bbl is gekoppeld aan de schakeltabel op het eerste blad van dit protocol. De toets vindt plaats aan de hand van een checklist.
Besluit bouwwerken leefomgeving paragrafen
Afdeling 4.2 veiligheid
3
4.2.1
algemene sterkte bouwconstructies
3
4.2.2.
sterkte bij brand
2
4.2.3
afscheiding van vloer, trap en hellingbaan
1
4.2.4
overbrugging hoogteverschillen
2
4.2.4
trap
2
4.2.4
hellingbaan
1
4.2.5
Beweegbare constructieonderdelen
2
4.2.6
beperking ontstaan van een brandgevaarlijke situatie
2
4.2.7
beperking van ontwikkeling van brand en rook
x
4.2.8
beperking van uitbreiding van brand
X1
4.2.9
verdere beperking van uitbreiding van brand / verspr. rook
2
4.2.10
4.2.11
vluchtroutes
X
4.2.12
hulpverlening bij brand
X
4.2.13
hoge en ondergrondse gebouwen
X
4.2.16
inbraakwerendheid
X
4.2.14
veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied
X
4.2.5
aanvullende regels tunnelveiligheid
Afdeling 4.3 : gezondheid
X
4.3.1
bescherming tegen geluid van buiten
X
4.3.2
bescherming tegen geluid van installaties
X
4.3.3
wering van galm
X
4.3.4
geluidwering verblijfsruimten diverse functies
X
4.3.5
vocht
X
4.3.6
luchtverversing
X
4.3.7
spuivoorziening
X
4.3.8
toevoer van verbrandingslucht / afvoer van rookgas
X
4.3.9
bescherming tegen ratten en muizen
X
4.3.10
daglicht
Afdeling 4.4 Duurzaamheid
X
4.4.1
energiezuinigheid
X
4.4.2
milieuprestatie
X
4.4.3
Laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen
Afdeling 4.5 bruikbaarheid
X
4.5.2
verblijfsgebied / verblijfsruimte
X
4.5.3
toiletruimte
X
4.5.4
badruimte
X
4.5.5.
buitenberging
X
4.5.6
buitenruimte
X
4.5.7
opstelplaatsen
Afdeling 4.6 toegankelijkheid
X
4.6.1
Bereikbaarheid algemeen
X
4.6.2
toegankelijkheidssector
X
4.6.3
Bereikbaarheid van het bouwwerk
Afdeling 4.7 :bouw installaties
Gas, water, elektra en riolering
2
4.7.1
verlichting
X
4.7.2
voorziening voor afnemen energie
X
4.7.3
watervoorziening
2
4.7.4
afvoer huishoudelijke afvalwater / hemelwater
Brandveiligheid
4
4.7.5
tijdig vaststellen brand
4
4.7.6
vluchten bij brand
4
4.7.7
bestrijding van brand
4
4.7.8
bereikbaarheid hulpverleningsdiensten
Overig
X
4.7.9
aanvullende regels tunnelveiligheid
X
4.7.10
tegengaan veel voorkomende criminaliteit
X
4.7.11
veilig onderhoud gebouwen
X
4.7.12
Inzicht in kwaliteit van binnenlucht
X
4.7.13
Elektronische communicatie
X
4.7.14
Technische bouwsystemen
Hoofdstuk 7 bouw en sloopwerkzaamheden
4
7.1.4
voorkomen onveilige situaties / beperken hinder en overlast
X
7.1.5
afvalscheiding
Indieningsvereisten
Sloopmelding
versie 04-12-2024
Categorie 1 = particuliere sloop asbest
Volledigheid
Op basis van Besluit bouwwerken leefomgeving moeten de volgende bescheiden genoemd in artikel 7.11worden overlegd en van het juiste uitwerkingsniveau zijn, wil er sprake zijn van een complete melding
artikel 7.11 Bbl
X
naam, adres van eigenaar of van degene bevoegd tot het slopen
naam, adres van uitvoerder sloopwerkzaamheden
X
adres van te slopen bouwwerk
X
kadastrale aanduiding van te slopen bouwwerk
X
aard van het slopen bouwwerk
data en tijdstippen van sloopwerkzaamheden
X
wijze van slopen
sloopveiligheidsplan
rapport akoestisch onderzoek
rapport trillingenonderzoek
X
globale inventarisatie aard en hoeveelheid vrijkomende afvalstoffen
X
opgave voorgenomen afvoerbestemming afvalstoffen
asbestinventarisatierapport
hoeveelheid ter plaatse te breken steenachtig afval
naam en adres eigenaar recylcinggranulaat
Indieningsvereisten
Sloopmelding
versie 04-12-2024
Categorie 2 = niet particulier sloop asbest
Niet van toepassing: Deze taak valt onder de basistaken en wordt uitgevoerd door de Omgevingsdienst Zuid Limburg
Indieningsvereisten
Sloopmelding
versie 04-12-2024
Categorie 3 = niet risicovolle sloopactiviteit
Volledigheid
Op basis van Besluit bouwwerken leefomgeving moeten de volgende bescheiden genoemd in artikel 7.11worden overlegd en van het juiste uitwerkingsniveau zijn, wil er sprake zijn van een complete melding
artikel 7.11 BBl
X
naam, adres van eigenaar of van degene bevoegd tot het slopen
naam, adres van uitvoerder sloopwerkzaamheden
X
adres van te slopen bouwwerk
X
kadastrale aanduiding van te slopen bouwwerk
X
aard van het slopen bouwwerk
X
data en tijdstippen van sloopwerkzaamheden
X
wijze van slopen
sloopveiligheidsplan
rapport akoestisch onderzoek
rapport trillingenonderzoek
X
globale inventarisatie aard en hoeveelheid vrijkomende afvalstoffen
X
opgave voorgenomen afvoerbestemming afvalstoffen
asbestinventarisatierapport
hoeveelheid ter plaatse te breken steenachtig afval
naam en adres eigenaar recyclinggranulaat
Categorie 4 = risicovolle sloopactiviteit
Het aspect asbest valt onder de basistaken en dient te worden behandeld door de Omgevingsdienst Zuid-Limburg
Volledigheid
Op basis van Besluit bouwwerken leefomgeving moeten de volgende bescheiden genoemd in artikel 7.11worden overlegd en van het juiste uitwerkingsniveau zijn, wil er sprake zijn van een complete melding
artikel 7.11 BBl
X
naam, adres van eigenaar of van degene bevoegd tot het slopen
X
naam, adres van uitvoerder sloopwerkzaamheden
X
adres van te slopen bouwwerk
X
kadastrale aanduiding van te slopen bouwwerk
X
aard van het slopen bouwwerk
X
data en tijdstippen van sloopwerkzaamheden
X
wijze van slopen
X
sloopveiligheidsplan
X
rapport akoestisch onderzoek
X
rapport trillingenonderzoek
X
globale inventarisatie aard en hoeveelheid vrijkomende afvalstoffen
X
opgave voorgenomen afvoerbestemming afvalstoffen
X
asbestinventarisatierapport
X
hoeveelheid ter plaatse te breken steenachtig afval
X
naam en adres eigenaar recyclinggranulaat
Maatwerkvoorschriften
Er worden indien nodig maatwerkvoorschriften gesteld.
Alle categoriën
Volledigheidheid
Op basis van artikel 6.8 van het Besluit bouwwerken leefomgeving moeten de volgende bescheiden worden overlegd en van het juiste uitwerkingsniveau zijn, wil er sprake zijn van een complete melding.
T: Op tekening
artikel 6.8 Bbl
T
Situatietekening met noordpijl met schaal niet kleiner dan 1:1000
T
Plattegrond per bouwlaag schaal max. 1:100 bij gebouwen kleiner dan 10.000 m² per verdieping
T
Plattegrond per bouwlaag schaal maxi 1:200 bij gebouwen vanaf 10.000 m² per verdieping
T
Aanduiding van de schaal van de tekening
T
Per bouwlaag: hoogte van de vloer boven het meetniveau
T
Per bouwlaag: gebruiksoppervlakte
T
Per bouwlaag: maximaal aantal personen
T
Per ruimte: vloeroppervlak
T
Per ruimte: gebruiksbestemming
T
Per ruimte: hoogste bezetting en opstelling van inventaris en inrichtingselementen (> 25 personen)
T
Brand en/of rookwerende scheidingsconstructies
T
Vluchtroutes
T
Draairichting deuren
T
Zelfsluitende deuren
T
Sluitwerk van deuren
T
Vluchtrouteaanduidingen
T
Noodverlichting
T
Oriëntatieverlichting
T
Brandmeldcentrale en brandmeldpaneel
T
Brandslanghaspels
T
Mobiele brandblusapparatuur
T
Droge blusleidingen
T
Brandweeringang
T
Sleutelkluis of –buis
T
Brandweerlift
T
Gegevens en bescheiden aannemelijk maken gelijkwaardigheid
Bijlage 4 Sanctiestrategieën
Bijlage 4.1 Sanctiestrategie realisatiefase
In deze bijlage wordt de sanctiestrategie uitgewerkt voor de controles tijdens de realisatiefase. Het betreft hier met name de oplevercontroles. Op basis van toezicht is een afwijking geconstateerd in relatie tot de afgegeven vergunning. Uitgangspunt is de Landelijke interventiematrix
4.1.1. “Bijstempelen“/ Ambtshalve aanpassingen
Als een essentieel onderdeel van het toezicht wordt het zogenaamde “bijstempelen” beschouwd. Het “bijstempelen” is in wezen de ruimte die de toezichthouder heeft om kleine afwijkingen van vergunningen op tekening vast te leggen zonder nieuwe tekeningen op te vragen of om bij andere afwijkingen een nieuwe vergunning of aanvullend bewijsmateriaal op te vragen. Het “bijstempelen” gaat in bepaalde situaties vooraf aan de handhaving. In enkele gevallen zal sprake zijn van een paralleltraject. Het beleid is afgebeeld in de volgende figuur en tabel.
blok
Overtreding
strategie
In te zetten bij
Voorbeelden (bouwen)
1
Betreft in het algemeen vergunningsvrije overtredingen
Aantekening in dossier/bezoekrapport en bevestigingsbrief
t/m eindcontrole
-Kozijn iets meer naar links of rechts
-Een beperkte afwijking in kleur gebruik
2
Het betreft kleine niet vergunningsvrije afwijkingen, bouwwerk voldoet aan technische eisen, omgevingsplan, neemt niet toe in bouwvolume, geen monument of beschermd dorpsgezicht
Aantekening in dossier/bezoekrapport en bevestigingsbrief
t/m eindcontrole
-Iets gewijzigde binnenwanden
-Gevelindeling is op onderdelen anders
Technische onderdelen onjuist aangebracht niet gerelateerd aan het algemeen belang
Alleen op basis van eindcontrole
-Ventilatierooster verkeerd aangebracht
-Raamboompjes niet juist
-Leuning niet juist aangebracht
De afwijkingen zijn niet in eerder stadium al afgewezen, er is geen relatie met andere wet- en regelgeving en er is geen belang van derden in het geding
3/4
Er is sprake van een ander werk dan waarvoor de oorspronkelijke vergunning is verleend. Onder het begrip ‘ander’ moet worden verstaan: andere vorm, andere locatie, ander gebruik, ander volume, ander aanzien
Legalisatieonderzoek
Positief antwoord: nieuwe aanvraag indienen
Negatief antwoord: weigeren blok 5 en 6
Waarschuwingsbrief met hersteltermijn
Tot eindcontrole in combinatie met stilleggen werkzaamheden
-Garage gebruiken als kantoor
-Woning groter dan vergund
-Geheel andere gevelindeling
Het betreft ook afwijkingen waarbij technische onderdelen niet of onjuist zijn aangebracht, het betreft onderdelen die gerelateerd zijn aan het algemeen belang
Legalisatieonderzoek
Positief antwoord: nieuwe aanvraag indienen
Negatief antwoord: weigeren blok 5 en 6
Waarschuwingsbrief met hersteltermijn.
t/m eindcontrole
-Fundering is anders aangebracht dan vergund
-Brandveiligheidsvoorzieningen zijn niet in orde
-Constructieve veiligheid in het geding
5
Afwijkingen zijn na hercontrole niet opgeheven
Stilleggen werkzaamheden, voornemen bestuursrechtelijke handhaving met hersteltermijn
t/m eindcontrole
Er is sprake van spoedeisende situatie. Er is sprake van een dusdanige afwijking dat verder werken zal leiden tot onomkeerbare schade of zeer hoge herstelkosten achteraf aan werk of omgeving
-Scheurvorming omliggende panden
-Situering op kavel is niet juist
-Grove constructieve fouten
7
Afwijkingen worden niet opgeheven
Inningsprocedure
Tot eindcontrole
Bijlage 4.2: sanctiestrategie in beheer- of gebruiksfase
In deze paragraaf wordt de sanctiestrategie uitgewerkt voor het toezicht tijdens de beheers- of gebruiksfase. Dit betreft met name bij de periodieke controles op het gebied van brandveiligheid en milieu, maar ook bij de uitvoering van themacontroles en inventariserende controles, interne of externe meldingen, handhavingsverzoeken en ongewone voorvallen.
De strategie is in het volgende schema afgebeeld. De ambtelijke waarschuwing vindt plaats in de vorm van een zogenaamde ‘Waarschuwingsbrief’. De bestuurlijke waarschuwing vindt plaats in de vorm van een “Voornemen”. Uitgangspunt is de landelijke interventiematrix (sanctiestrategie).
In afwijking hiervan wordt bij een handhavingsverzoek geen waarschuwing of voornemen gestuurd maar direct een handhavingsbesluit genomen voor het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een dwangsom.
De prioritering van de overtredingen
Uitgangspunt van de sanctiestrategie is de landelijke interventiematrix (zie 3.1). Bij het bepalen van de startpositie is het ook van belang om de ernst van de overtreding en prioritering te kunnen bepalen.
De prioritering van overtredingen bestaat uit twee stappen. In de eerste stap wordt het soort overtreding bepaald. De onderstaande ernstige overtredingen hebben de hoogste prioriteit en worden altijd aangepakt.
Soort overtreding
Toelichting
Spoedeisende situatie
Er is sprake van een dusdanige situatie dat verder gebruik zal leiden tot onomkeerbare schade of zeer hoge herstelkosten achteraf aan gebouw of omgeving.
1Bedreigende situatie
Er is sprake van een bedreigende situatie als de overtreding leidt tot:
A. Directe schade voor de mens, bijvoorbeeld:
-Gevaarlijke situatie door ontbreken valbeveiliging
-Externe onveiligheid
-Losliggend asbest
B. Directe, onomkeerbare schade, voor het natuurlijk milieu, landschappelijke en natuurhistorische kwaliteit, bijvoorbeeld:
-sloop monumentale boom
-sloop rijksmonument
C. Directe, onomkeerbare schade, voor de bewegingsruimte voor de mens (wonen, werken, eerste levensbehoeften), bijvoorbeeld:
-Ernstige hinder en overlast in relatie tot functie gebied / gebouw (stof, trilling, geluid, geur)
-Onbereikbaarheid van bouwwerken en/of erven (parkeren opslag)
D. Constructie en brandonveilige situaties, die alleen met moeite achteraf zijn te corrigeren, bijvoorbeeld:
-Aantasting fundering door betonrot
-Blokkeren vluchtwegen
-Niet functionerende brandmeldinstallatie
Indien sprake is grove nalatigheid, een calculerende en/of malafide instelling van de overtreder en/of recidive (straf- dan wel bestuursrechtelijk termijn 5 jaar) is ook sprake van dit type overtreding.
2Overige situaties
Alle overige overtredingen. Indien sprake is grove nalatigheid, een calculerende en/of malafide instelling van de overtreder en/of recidive (straf- dan wel bestuursrechtelijk termijn 5 jaar) is sprake van een bedreigende situatie (zie hier boven).
Wanneer sprake is van een overige situatie wordt in de volgende stap de prioriteit van de overtreding bepaald. De overtredingen met de meeste punten hebben altijd de hoogste prioriteit. De puntenscore wordt bepaald aan de hand van een aantal factoren. In onderstaande tabel is dit verduidelijkt. De puntenscore wordt bepaald aan de hand van de kenmerken / factoren genoemd in de navolgende tabel. Wanneer sprake is van samenloop van diverse situaties worden alle overtredingen aangepakt volgens de strategie behorende bij de zwaarste situatie.
Kenmerken
factoren
punten
Locatie
Ligging in gevoelig gebied, beschermd dorpsgezicht
5
Zichtbaar van openbare weg of -ruimte
3
Bouwwerk
Publiek toegankelijk bouwwerk (cat. 6), bouwwerk bij evenement
5
Gestapelde woningen, logies of kantoorgebouw (cat. 3)
4
Industrie en bedrijfsgebouwen (cat. 5), grote bouwwerken geen gebouw zijnde (cat. 7)
3
Grondgebonden woning (cat. 4)
2
Bijgebouwen bij woningen (cat. 1 en 2)
1
Monumentenstatus
Rijks- of gemeentelijk monument
5
Beeldbepalend pand
4
Effecten vanuit regelgeving
Veiligheid en gezondheid
5
Bodem
4
Lucht
4
Water
4
Geluid
4
Trilling
4
Economisch, stedenbouw/planologisch
3
Leefbaarheid directe omgeving
3
Omvang
Past niet binnen omgevingsplan (grote overschrijding, bopa)
5
Past niet binnen omgevingsplan (binnenplans,)
2
Mate van hinder/overlast
Collectief niveau
5
Beperkt tot directe omgeving
3
Individueel niveau
2
Overige opties (meerdere mogelijk)
Strijdig met vastgesteld beleid
5
Samenloop meerdere wet- en regelgeving
3
Gevolgschade voor gemeente/samenleving
3
Enz.
ntb
Interpretatie bij voorgaande prioritering in relatie tot het standpunt van de landelijke interventiematrix
SOM
Mogelijke gevolgen
Groter dan 19
VAN BELANG
Van 15 t/m 19
BEPERKT
Kleiner dan 15
NIHIL
Bijlage 4.2.1 Strategie periodieke controles milieu en brandveiligheid
Aan de hand van de risicoanalyse, bijlage 1 van het uitvoeringskader, wordt jaarlijks een lijst samengesteld van de periodiek te controleren inrichtingen op gebied van milieu en brandveiligheid voor het komende jaar.
De lijst wordt, waar mogelijk, gecombineerd zodat de controle integraal kan worden uitgevoerd.
De controles worden verdeeld over het jaar waarbij het laatste kwartaal wordt gebruikt om de controles binnen de jaarperiode zoveel mogelijk af te ronden.
Het kan voorkomen dat in de loop van het uitvoerende jaar de oorspronkelijke bedrijvenlijst wijzigt. Dit kan een gevolg zijn van calamiteiten, meldingen en/of handhavingsverzoeken. De inrichtingen die hierbij in beeld komen vervangen hierbij de oorspronkelijke bedrijven. Hierbij wordt een keuze gemaakt in bedrijven waarbij een goed naleefgedrag aanwezig is en die het meest recent zijn bezocht en eenzelfde risicoklasse aanwezig is.
Bijlage 4.2.2. Strategie themacontroles en inventariserende controles
Op bedrijventerreinen liggen veel bedrijven kort bij elkaar. Vaak vinden hier mutaties plaats zonder dat dit wordt gemeld bij het bevoegd gezag. Zo’n concentratie van bedrijven kan voor gevaarlijke situaties zorgen. Daarom worden de drie industrieterreinen binnen de gemeente één keer in de 5 jaar gecontroleerd door een flexteam bestaande uit de verschillende disciplines (RO, vergunningen en toezicht en handhaving) van de gemeente aangevuld met externe partners (politie, brandweer).
Daarnaast kan het zijn dat bepaalde thema’s op verzoek van de overheid of het bestuur nader onderzocht dienen te worden. Zo zijn in het verleden onderzoeken op het verzoek van de overheid uitgevoerd naar de plafonds van zwembaden en het gebruik van vetafscheiders.
Bijlage 4.2.3. Strategie klacht/meldingen
Als een inwoner, bedrijf of instantie hinder of overlast ondervindt van activiteiten in de fysieke leefomgeving kan een klacht / melding worden ingediend bij de gemeente. Men kan de gemeente ook een brief of e-mail sturen. Daarnaast kan een telefonische melding worden gedaan of mondeling aan de gemeentelijke klantcontact balie. De melder kan wel verzoeken om zijn/haar naam anoniem te houden bij de behandeling van de melding. Dit om bijvoorbeeld represaille te voorkomen. Iedere melding wordt onderzocht conform onderstaand stappenplan. Hierbij wordt prioritering van de overtredingen zoals voorgaand vermeld, toegepast.
Alle meldingen worden in behandeling genomen.
Stappenplan:
1De melding wordt ontvangen. Ingeboekt in RX Mission
2Hierin wordt de schriftelijke melding met de NAW-gegevens van de klager/opgeslagen. Bij een telefonische of mondelingen melding wordt de aanleiding e.e.d genoteerd in het tabblad “notities.
3De zaak wordt op naam gezet van de uitvoeringsorganisatie c.q. toezichthouder.
4De toezichthouder neemt binnen vijf werkdagen contact op met de melder voor nadere informatie en omstandigheden.
5De toezichthouder bepaalt vervolgens of er sprake is van een “klacht” en de spoedeisendheid daarvan.
6Indien het geen klacht of melding betreft, dan wordt de klager hierover geïnformeerd met reden van bevinding.
7Indien het wel een klacht of melding betreft bezoekt de toezichthouder op korte termijn de locatie om de omvang en aard van overtreding vast te stellen en het vervolgtraject te bepalen.
8Van het resultaat van het bezoek, alsmede eventuele afspraken wordt een rapport gemaakt voor de overtreder en wordt de melder geïnformeerd. Dit laatste gebeurt schriftelijk of per email.
9De toezichthouder initieert de vervolgstappen binnen de uitvoeringsorganisatie.
Indien sprake is van een overtreding zal tijdens het proces om de overtreding ongedaan te maken of tijdens een legalisatieproces, de belangen van de melder in het vizier blijven zodat deze op de hoogte blijft van het verloop.
Bijlage 4.2.4. Strategie handhavingsverzoek
Op grond van de Awb (Algemene wet bestuursrecht) mag "eenieder" verzoeken om handhaving. Het verzoek moet volgens artikel 1:3 Awb aangemerkt worden als een aanvraag: een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen. Artikel 4:2 Awb regelt de vereisten van een aanvraag: onder andere de naam en het adres van de aanvrager. Een verzoek tot handhaving kan daarom niet anoniem gebeuren. Indien niet is voldaan aan het vereiste van naam en adres, kan het bevoegd gezag het verzoek niet in behandeling nemen (artikel 4:5 Awb).
Een verzoek om handhaving moet schriftelijk ingediend worden en voorzien van de handtekening van de verzoeker/verzoekster. Als namens iemand anders een verzoek ingediend wordt, moet ook een machtiging van feitelijke verzoeker/verzoekster meegezonden worden. In het verzoek dient een goede en eenduidige omschrijving van de vermeende overtreding staan en waarom het in het belang van de verzoeker/verzoekster is dat de gemeente hiertegen optreedt.
Soms komt het voor, dat een verzoek tot handhaving gedaan wordt door een bij het bevoegd gezag "bekende" persoon die (om haar/hem motiverende redenen) niet wil dat zijn identiteit aan anderen bekend wordt gemaakt.
Bij een aangifte bij de politie wordt dan gebruik gemaakt van de volgende mogelijkheid: de verbalisant geeft aan dat zich bij hem vervoegde, een persoon die anoniem wenste te blijven en waarvan de personalia bij verbalisant bekend zijn. Vervolgens wordt de zaak "gewoon" in behandeling genomen. Niet uitgesloten is echter dat uiteindelijk de "aangever" in een eventuele rechtszaak gehoord dient te worden door de advocaat van de gedaagde, maar dat hoeft niet in het openbaar te gebeuren.
Het traject “handhavingsverzoek”in het zaaksysteem wordt opgestart en volgens de wettelijke stappen afgehandeld.
Bijlage 4.2.5. Strategie ongewoon voorval
In titel 17.2 van de Wet milieubeheer staan maatregelen bij milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan. Dit blijft na de invoering van de Omgevingswet voorlopig zo. Ook de regeling van milieuaansprakelijkheid in titel 17.2 Wm is onveranderd gebleven. De regels over milieuaansprakelijkheid gelden voor grote gevallen van milieuschade.
De regels verplichten de veroorzaker om dreigende milieuschade te voorkomen en om ontstane milieuschade te beperken en te herstellen. Het bevoegd gezag is verplicht om maatregelen te eisen of deze zelf te nemen als de veroorzaker niet aan zijn verplichtingen voldoet. Bovendien is het bevoegd gezag dan verplicht om de gemaakte kosten te verhalen op de veroorzaker volgens het beginsel 'de vervuiler betaalt'.
Met deze artikelen in de Wet milieubeheer heeft de wetgever de Europese Richtlijn milieuaansprakelijkheid (2004/35/EG) in Nederlandse regelgeving ingevoerd. De regelgeving heeft als doel bedrijven aan te sporen de kans op milieuschade zo klein mogelijk te houden. Hiermee heeft het een preventieve werking.
Voor de melding kunnen bedrijven gebruik maken van een vragenlijst (zie verder) die ingaat op al de onderwerpen waarover informatie moet worden gegeven. Op basis van de melding kan het bevoegd gezag een onderzoek instellen.
Bij een ongewoon voorval is veelal sprake van een situatie die niet gewild is. Vaak zijn het situaties die niet bedoeld zijn en ontstaan door een ongeluk. Er dient echter te worden onderzocht of hier sprake is van opzet of niet. Hiervoor is het noodzakelijk dat de vragenlijst wordt ingevuld.
De bevindingen van het onderzoek worden gepositioneerd in de landelijke interventiematrix. Van daaruit wordt de Landelijke Handhavingsstrategie gevolgd.
Indien er sprake is van een onveilige situatie dan wordt opgetreden in samenwerking met de AOV-er zodat ook de omgeving betrokken wordt in de ontstane ongewilde situatie en om te voorkomen dat als gevolg van het ongewoon voorval een grotere calamiteit ontstaat.
Volgens artikel 17.18 van de Wet milieubeheer is het bevoegd gezag verplicht om gevallen van milieuschade die onder titel 17.2 Wm vallen, te melden aan de minister van Infrastructuur en Waterstaat. Daarbij moet zij bepaalde gegevens overleggen. Wanneer meer bekend is over de milieuschade, moet het bevoegd gezag de gegevens aanvullen. Op de website Milieuaansprakelijkheid (Hst. 17.2) | Informatiepunt Leefomgeving is een digitaal formulier om dergelijke gevallen te melden bij de Minister.
Het bevoegd gezag heeft bij een ongewoon voorval de volgende verplichtingen en bevoegdheden:
•Het bevoegd gezag houdt andere belanghebbende overheden op de hoogte van de gebeurtenissen en de genomen maatregelen (Omgevingswet, artikel 19.3). Dat zijn in ieder geval:
o De gemeente waar het voorval zich voordoet, of de voorzitter van de veiligheidsregio als de gevolgen de gemeente overstijgen
o De Inspectie Leefomgeving en Transport
o De beheerder van de rioolwaterzuivering als het voorval daar gevolgen voor heeft
•Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat de uitvoerder van de activiteit direct maatregelen neemt om de gevolgen zo klein mogelijk te houden (Omgevingswet, artikel 19.4). Het bevoegd gezag kan hiervoor een bindende aanwijzing geven, die zelfs de activiteit stil kan leggen. In spoedeisende gevallen kan het bevoegd gezag de aanwijzing direct doen, en achteraf in een schriftelijk besluit vastleggen (Awb, artikel 5:31).
•Het bevoegd gezag kan zelf maatregelen nemen zolang niet duidelijk is wie het ongewone voorval veroorzaakte (Omgevingswet, artikel 19.5). Het bevoegd gezag zet dit op schrift en stuurt het aan de veroorzaker zodra die bekend is.
•Het bevoegd gezag verhaalt de kosten van maatregelen die hij zelf neemt of laat nemen op de veroorzaker (Omgevingswet, artikel 19.6).
•Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat er onderzoek plaatsvindt om het voorval te analyseren en de oorzaak te achterhalen (Omgevingswet, artikel 19.7).
•Het bevoegd gezag stelt zo nodig vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften aan de activiteit om te voorkomen dat het nog een keer gebeurt (Omgevingswet, artikel 19.7).
Belangrijk doel van de meldingen is te leren van incidenten en het realiseren van verbeteringen om herhaling of erger te voorkomen. Dit geldt voor zowel het bedrijf en zijn bevoegd gezag, als voor de ILT.
Afhankelijk van de ernst of het karakter van een melding kan de ILT besluiten tot een eigen aanvullend onderzoek. Dit bestaat meestal uit een feitenonderzoek en een analyse om de vergunningsituatie, het toezicht en de naleving in beeld te krijgen. Met de analyse kan de ILT haar adviestaak bij de verlening van omgevingsvergunningen scherper invullen.
De analyses zijn beschikbaar voor omgevingsdiensten, zodat zij de informatie kunnen gebruiken bij hun risicoanalyses en prioriteitsbepaling.
Vragenlijst voor een melding ongewoon voorval aan het bevoegd gezag
Heeft zich op uw bedrijf een ongewoon voorval voorgedaan en heeft dit nadelige gevolgen voor het milieu? Dan moet u dit melden bij het bevoegd gezag ingevolge Titel 17.2 van de Wet milieubeheer: (Maatregelen bij milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan) en artikel 2.11 van het Bal.
Na beantwoording van alle onderstaande vragen mailt u de lijst naar info@eijsden-margraten.nl onder vermelding van Melding ongewoon voorval
1
Gegevens melder /bedrijf
1.1
Naam inrichting
1.2
Straat en huisnummer
1.3
Postcode en plaats
1.4
Naam contactpersoon
1.5
Telefoonnummer contactpersoon
1.6
Email contactpersoon
2
Gegevens ongewoon voorval
2.1
Datum en tijdstip voorval
2.2
Beschrijving voorval (ook vermelding locatie, aanwezige personen, voertuigen, installaties
2.3
Oorzaak van het voorval
2/4
Welke stoffen zijn vrijgekomen of welke milieuschade- of hinder is ontstaan?
2.5
Wat zijn de eigenschappen van de eventueel vrijgekomen stoffen?
2.6
Was/ is/ wordt het voorval merkbaar buiten de inrichting?
2.7
Andere gegevens om aard en ernst van de gevolgen van het voorval voor het milieu te kunnen beoordelen
3
Maatregelen
3.1
Zijn er maatregelen getroffen om de oorzaak van het voorval weg te nemen?
3.2
Wat is gedaan om verdere gevolgen (milieuschade of hinder) te beperken, voorkomen of ongedaan te maken?
3.3
Wat wordt / is gedaan om een volgend soortgelijk voorval te voorkomen?
Bijlage 5: Inspectiematrix en kengetallen bouwen
In de inspectiematrices of –tabellen vindt een verdere onderbouwing van het handhavingsprogramma plaats en worden de kengetallen onderbouwd. In de inspectiematrix is te zien in welke bouwfase hoe vaak wordt geïnspecteerd en welke onderdelen per bouwfase met welke diepgang worden geïnspecteerd. Hierbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de methodiek van het landelijke Toezichtprotocol van de Vereniging BWT Nederland. Het oorspronkelijke vertrekpunt is de risicoanalyse uit bijlage 2.
Een nadere toelichting:
In het landelijke model wordt een aantal bouwfasen onderscheiden. Per bouwfase is het aantal inspecties aangegeven, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen wacht- en uitvoeringspunten.
Bij een wachtpunt mag een uitvoerder niet verder voordat de gemeente een inspectie heeft uitgevoerd.
Bij een uitvoeringspunt vindt inspectie door de gemeente plaats gedurende de uitvoering.
In het landelijke model zijn de thema’s vervangen door zogenaamde inspectiemomenten. Dit zijn de kolommen met de nummers 1 t/m 28. Hieraan zijn enkele gemeente-specifieke momenten aan toegevoegd: ruimtelijke inpassing, esthetische inpassing en duurzaam bouwen. Per moment kan worden afgelezen:
-welk inspectieniveau door de gemeente wordt gehanteerd (afgeleid van het inspectieniveau uit het kwalitatieve handhavingsprogramma uit hoofdstuk 2) en hoe dit niveau zich verhoudt tot het landelijke niveau;
-in welke bouwfase een moment wordt geïnspecteerd en of deze inspectie een wachtpunt (u) of een uitvoeringspunt (l) is; in tegenstelling tot het landelijke model is gekozen om inspectiemomenten niet te koppelen aan één bouwfase; aandacht voor bijvoorbeeld geluid of vocht begint al in een vroeg stadium in de bouw en niet pas bij de afbouwfase zoals het model aangeeft.
Bouwwerken in de categorieën 1, 2 en 7 worden niet gecontroleerd tenzij dit door de bouwplantoetser/vergunningverlener is aangegeven in de vergunning.
Bijlage 6 Bijzondere lokaleomstandigheden
1Managementsamenvatting
Bij bouwwerken die onder gevolgklasse 1 (Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl) artikel 2.17) vallen, wordt de bouwtechnische toets, sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet, niet meer door de gemeente uitgevoerd. Ook de controle op deze bouwwerken wordt in principe niet meer uitgevoerd door de gemeente. De start- en gereedmelding van deze bouwwerken dienen door de initiatiefnemer op basis van het Bbl bij de gemeente te worden gemeld. Onderdeel van deze melding is een borgingsplan en een risicobeoordeling. Hierin is o.a. aangegeven op welke manier wordt geborgd dat het bouwwerk zal worden gebouwd volgens de bouwtechnische voorschriften uit het Bbl. In de risicobeoordeling dient te worden vermeld op welke wijze rekening is gehouden met bijzondere lokale omstandigheden (BLO’s). Een BLO is een lokaal risico of een lokale situatie waardoor het ‘eindresultaat van de bouwactiviteit’/ het bouwwerk mogelijk niet aan de bouwtechnische eisen van het Bbl voldoet. Omdat het risico en bijzonder en lokaal is, kan het zijn dat de uitvoerder hier niet van op de hoogte is. Door de BLO’s in beleid op te nemen, kan eenieder nagaan of c.q. met welke BLO’s rekening moet worden gehouden. De BLO in de gemeente Eijsden-Margraten zijn:
-De ondergrondse mergelgangen;
-Extreme hoogteverschillen in het landschap
Andere aandachtspunten die niet bijzonder en/of lokaal zijn, maar waarmee wel rekening moet worden gehouden zijn:
-De grondwaterbeschermings- en waterwingebieden;
-Bodemwarmte interferentie zone;
-Draagkracht van de bodem;
-Externe veiligheid;
-Bouwen nabij een monument of bouwval;
-Niet ontplofte oorlogsresten;
-Bouwen nabij het spoor;
-Geluid, gevel en geluidwerendheid;
-Aansluiting hemelwater en wateroverlast;
-Overige zaken die van belang (kunnen) zijn.
Zoals aangegeven in het VTH-Beleidsplan 2025-2028 zijn de bijzonder lokale omstandigheden nog niet vastgesteld. Met de vaststelling van deze aanvulling op het beleid is dit wel het geval.
De BLO’s worden kenbaar gemaakt op de website van de gemeente en op de site overheid.nl.
Gelet op het feit dat de BLO's ‘dynamisch’ van aard kunnen zijn of kunnen vervallen, zal jaarlijks bij de vaststelling van het Uitvoeringsprogramma worden bezien of er aanvullingen, wijzigingen e.d. bij de BLO’s noodzakelijk zijn.
2Inleiding
Op 1 april 2025 heeft het college het VTH-Beleidsplan 2025-2028 vastgesteld. In dit beleid is de uitvoering van de taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving onder de Omgevingswet vastgelegd.
Een aspect van de Omgevingswet is kwaliteitsborging. De Omgevingswet verplaatst de toetsing aan de bouwtechnische eisen en de controle hierop van bepaalde bouwwerken van de gemeente naar een onafhankelijke partij, de zogenoemde kwaliteitsborger. Dit betekent concreet dat voor bouwwerken die vallen onder gevolgklasse 1 het stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen geldt (afdeling 2.2a Besluit bouwwerken leefomgeving/ Bbl). Bouwwerken die onder gevolgklasse 1 vallen zijn onder andere grondgebonden woningen, een vakantiehuizen, kleine industriegebouwen en voetgangersbruggen. Doel van het stelsel kwaliteitsborging is de bouwkwaliteit en de verantwoordelijkheid van de aannemer te verhogen. Door dit nieuwe stelsel is er strenger bouwtoezicht en een voor de burger betere aansprakelijkheidsregeling. Een kwaliteitsborger is een onafhankelijke controleur, die van plan tot oplevering meekijkt en controleert of het bouwwerk aan de technische bouwregels uit het Bbl voldoet.
Door deze splitsing is voor de realisatie van bouwwerken die onder gevolgklasse 1 vallen naast een ‘omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwen’ voor de toetsing aan het Omgevingsplan en de welstandseisen een zogenaamde “bouwmelding” noodzakelijk (artikel 2.18 Bbl).
Onderdeel van deze bouwmelding is een borgingsplan en een risicobeoordeling. Het borgingsplan bevat -kort gezegd- een omschrijving van de methode waarmee de kwaliteit van het bouwwerk geborgd gaat worden. Belangrijk onderdeel daarbij is de risicobeoordeling. Dit borgingsplan en de risicobeoordeling worden onderdeel van de indieningsvereisten voor de melding bouwactiviteit.
Het borgingsplan is gebaseerd op ‘een beoordeling van de bouwtechnische risico’s van de bouwwerkzaamheden’. Het gaat om het beheersbaar maken van de risico’s zodat er een goed bouwwerk wordt gebouwd, wat aan de bouwtechnische eisen uit het Bbl voldoet. Er wordt bijzondere aandacht gegeven aan onderdelen van het bouwwerk die aan het zicht worden onttrokken. Belangrijk onderdeel in het borgingsplan is dat daarbij rekening gehouden moet worden met bijzondere lokale omstandigheden (BLO’s). De kwaliteitsborger moet actief nagaan of er BLO’s zijn, en daarmee rekening houden in de risicobeoordeling (artikel 2.19, tweede lid Bbl).
Bij de vaststelling van het VTH-Beleidsplan 2025-2028 zijn nog geen BLO’s zijn aangewezen. Derhalve deze aanvulling op het bestaande beleid.
3Bijzondere Lokale Omstandigheden
Wat zijn bijzondere lokale omstandigheden?
Bij bijzondere lokale omstandigheden gaat het om risico’s die bijzonder en lokaal zijn en die ervoor kunnen zorgen dat het bouwresultaat niet aan de bouwtechnische regels van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent in popup)) voldoet. De kwaliteitsborger moet in de risicobeoordeling rekening houden met bijzondere lokale omstandigheden als die er zijn. Dit staat in artikel 2.19, lid 2 van het Bbl. Het gaat om specifieke risico's of situaties waar een gemeente van op de hoogte is en de kwaliteitsborger misschien niet. En die de kwaliteitsborger redelijkerwijs niet kan bedenken of weten..
Het is goed om te realiseren dat het bij bijzondere lokale omstandigheden alleen om risico's gaat die te maken hebben met de bouwtechnische regels van hoofdstuk 4 en 5 van het Bbl. Het gaat dus niet om risico's die met iets anders te maken hebben. Bijvoorbeeld risico's die te maken hebben met bodemverontreiniging, archeologie, waterveiligheid, milieu of bouw- en sloopveiligheid. Dat zijn dus geen bijzondere lokale omstandigheden om rekening mee te houden in de risicobeoordeling. Deze onderwerpen zijn wél belangrijk voor de initiatiefnemer en de aannemer. Zij moeten hier dus zelf rekening mee houden bij het bouwen. Een aantal van deze punten is nader uitgewerkt bij de aandachtspunten in hoofdstuk 4.
3.1 Ondergrondse mergelgangen
In de ondergrond van de gemeente Eijsden-Margraten zijn in het verre verleden onderaardse gangen aangelegd in het mergelgesteente. Bij de realisatie van bouwwerken dient rekening te worden gehouden met de fundering en eventuele draagkracht van het mergeldek als gevolg van de onderaardse gangen. Dit is voornamelijk in de regio Bemelen en Cadier en Keer. Daarnaast zijn ook nog verschillende groeves rondom de prehistorische vuursteenmijnen in Rijckholt. In onderstaande figuur zijn de contouren van de groeves aangegeven.
Kaarten van de kalksteengroeves zijn niet in openbare archieven opgenomen. De kaarten zijn deels aanwezig bij onderzoeksinstituten, deels bij particulieren en zijn deels vindbaar op internet. De gemeente Eijsden-Margraten beschikt via de Provincie Limburg over gedetailleerde kaarten. Deze zijn in verband met de veiligheid niet openbaar. Initiatiefnemers/Kwaliteitsborgers die binnen de gekleurde gebieden gaan bouwen kunnen een toetsing aanvragen bij de gemeente. De gedetailleerde gegevens worden niet aan derden verstrekt.
(Historische) mijnbouwactiviteiten kunnen gevolgen hebben voor werken in de fysieke leefomgeving (veiligheid en bodembeweging), andere vergunningen, verkenningen en planstudies.
3.2 Extreme hoogteverschillen in het landschap
Gemeente Eijsden-Margraten kenmerkt zich door het de hoogte verschillen in het landschap. In het westen het Maasdal dat in oostelijke richting via de terrassen naar het plateau van Margraten vloeit. Vanuit dit plateau zijn historische droogdalen richting het Maasdal ontstaan, bijvoorbeeld de Sibbersloot, Herkenradergrub, Termaardergrub etc. In de lagergelegen delen zijn de dorpen ontstaan. Hierbij kunnen steile hellingen aanwezig zijn. Het bouwen in deze hellingen vereist een bijzondere aandacht:
•Risicovolle locaties: Bouwen op een helling brengt specifieke risico's met zich mee, zoals bodemerosie, risico op afschuiving (bij verzadigde grond) en complexe funderingsvraagstukken.
•Voldoen aan Bbl: Vanwege deze risico's kunnen lokale omstandigheden de constructie en veiligheid beïnvloeden. Enerzijds moet worden voldaan aan de eisen van het Bbl wat betreft de toegankelijkheid terwijl anderzijds moet worden voorkomen dat het water het gebouw instroomt.
Het morfologische hoogteverschil heeft ook invloed op het aanleggen van inritten naar de woningen, voor zowel garages op maaiveld als onder maaiveld. De helling in het natuurlijke terrein in combinatie met de waterafvoer en het toegankelijk maken van de garages met een auto, levert vaak praktische problemen op waardoor of garages/inritten moeilijk te gebruiken zijn, dan wel afstromend regenwater via de inrit naar de garage loopt.
•Specifieke maatregelen: Voor het bouwen in hellingen zijn vaak extra technische maatregelen nodig, zoals een diepere fundering aan de bergzijde, speciale voorzieningen voor grondwater, of keerwanden.
4Andere aandachtspunten
Andere aandachtspunten zijn aspecten die weliswaar niet bijzonder en/of lokaal zijn maar waar wel rekening mee moet worden gehouden bij de realisatie van nieuwe bouwwerken maar die niet expliciet moeten worden vermeld in de risicobeoordeling.
Zaken zoals bodemsamenstelling, geluidwerendheid, externe veiligheid en dergelijke zijn aspecten die overal aan de orde zijn. Dit betekent dat een kwaliteitsborger hiermee rekening moet houden. Omdat sommige van deze aspecten binnen de gemeente Eijsden-Margraten aanwezig zijn willen we ze hier nog extra onder de aandacht brengen.
4.1 Grondwaterbeschermingsgebieden en waterwingebieden
Voor een groot gedeelte van het grondgebied van de gemeente Eijsden-Margraten geldt de beperkingszones grondwaterbeschermingsgebied en waterwingebied.
In grondwaterbeschermingsgebieden of intrekkingsgebieden mag niet worden geboord of geheid en mogen geen zinken daken worden toegepast. Er mogen geen stoffen in de bodem worden gebracht die de kwaliteit van het drinkwater kunnen beïnvloeden. Verder mogen geen grondwateronttrekkingen, bodemenergiesystemen, aardwarmte, boorputten, grondroeringen en dergelijke worden uitgevoerd. Er kunnen hierdoor specifieke omstandigheden zijn die het bouwplan raken, in de bouwtechnische uitvoerbaarheid.
4.2 Bodemwarmte interferentie zone
Bodemenergiesystemen die op korte afstand van elkaar worden geplaatst kunnen invloed hebben op de temperatuur van de ondergrond bij de 'buur-systemen'. Hierdoor kunnen bodemenergiesystemen die op korte afstand van elkaar (+/-150 m) worden geplaatst, elkaar positief of negatief beïnvloeden Via www.wkotool.nl kunt u de locaties vinden van gesloten bodemenergiesystemen in Eijsden-Margraten. In deze tool zijn de bij ons bekende bodemenergiesystemen ingevoerd (kaartlagenlijst gesloten en open bodemenergiesystemen).
Figuur d.d. 29-4-2026, gesloten bodemenergiesystemen
Bodemenergiesystemen zijn niet toegestaan in grondwaterbeschermings- en waterwingebieden.
4.3 Draagkracht van de bodem
Via sonderingsonderzoek doet de initiatiefnemer zelf onderzoek naar de draagkracht van de bodem. Uit dit onderzoek kan blijken dat:
•Er dieper gegraven moet worden. Houdt dan in rekening met het grondwaterbeschermings- en waterwingebieden en de regels die daarvoor gelden (zie hiervoor).
•U graafwerkzaamheden moet uitvoeren in een archeologisch waardevol gebied. In het Omgevingsplan zijn daar regels voor opgenomen. Als archeologische waarden worden aangetroffen, kan het zijn dat het bouwwerk op een andere manier moet worden gefundeerd. Neem dit mee in de lokale risico afweging.
4.4 Externe veiligheid
Binnen de gemeente zijn verschillende risicovolle factoren zoals het transport gevaarlijke stoffen over de weg, over het spoor en over de Maas, transport van aardgas en ander producten via ondergrondse leidingen, risicovolle activiteiten bij bedrijven en opslag van propaan bij huishoudens. Bij calamiteiten kan dit gevaar opleveren omwonenden. Daarom dient bij de realisatie van nieuwe gevoelige bouwwerken rekening worden gehouden met noodscenario’s waarbij luchtverversingssystemen handmatig kunnen worden uitgezet binnen gifwolkaandachtsgebieden.
Op de Kaarten | Atlas Leefomgeving zijn de aandachtsgebieden binnen de gemeente weegegeven. (kaarten veilige leefomgeving/externe veiligheid)
4.5 Bouwen nabij een monument of bouwval
Eijsden-Margraten heeft een rijk monumentaal erfgoed, met zowel rijks- als gemeentelijke monumenten, evenals beschermde stads- en dorpsgezichten. De gemeente telt veel historische gebouwen, waaronder kerken, boerderijen, en andere bouwwerken, verspreid over verschillende kernen.
De Rijksmonumenten zijn terug te vinden op de site Zoeken in het Rijksmonumentenregister | Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Bouwt u naast een monument of een bouwvallig gebouw of een gebouw dat slecht gefundeerd is, neem dan extra maatregelen die het risico op het ontstaan van schade door trillingen verkleinen.
4.6 Niet ontplofte oorlogsresten
Op een aantal plaatsen in de gemeente Eijsden-Margraten is een verhoogd risico op het vinden van ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Voorbeelden hiervan zijn vliegtuigbommen, raketten en granaten.
Ontplofbare oorlogsresten kunnen gevaarlijk zijn. Zolang de ontplofbare oorlogsresten onberoerd in de bodem blijven liggen is de kans erg klein dat deze vanzelf ontploffen. De gemeente is wettelijk verplicht om de kans op ontploffing zo klein mogelijk te maken.
Waar u rekening mee moet houden, hangt af van de plek waar u gaat graven en de diepte. De explosievenkaart geeft verdachte gebieden weer.
Voor werkzaamheden tot een diepte van 30cm hoeft u geen maatregelen te nemen. Dit betekent niet dat er geen verplichting tot het aanvragen van een omgevingsvergunning bestaat. Controleer altijd of u door andere wet- en regelgeving, zoals bijvoorbeeld het bestemmingsplan, een vergunning nodig heeft.
Wat moet u doen?
-In het groene gebied zijn geen maatregelen nodig. Echter er is het niet uitgesloten dat toch een oud explosief wordt aangetroffen. In dat geval geldt:
•Stop meteen met de werkzaamheden
•Zorg dat er niemand in de buurt kan komen
•Bel 0900-8844 en meld de vondst van een explosief
•Bel 112 bij een noodsituatie
-In het gele gebied is het risico klein. Wees toch bedacht op de aanwezigheid van een explosief. Voordat u de werkzaamheden starten dient u contact op te nemen met de gemeente Eijsden-Margraten via info@eijsden-margraten.nl. U krijgt dan een projectinstructie. Daarna kunt u de werkzaamheden uitvoeren. Deel deze projectinstructie ook met de aannemer.
Als u een explosief vindt:
•Stop meteen met de werkzaamheden
•Zorg dat er niemand in de buurt kan komen
•Bel 0900-8844 en meld de vondst van een explosief
•Bel 112 bij een noodsituatie
-In het rode gebied is extra onderzoek noodzakelijk voordat de werkzaamheden starten. Neem contact op met een gecertificeerd explosieven opsporingsbedrijf. Op de website van de Stichting Veilig Omgaan met Explosieve Stoffen staat een lijst met gecertificeerde opsporingsbedrijven. Maak gebruik van een bedrijf met de kwalificatie deelgebied A.
De kosten voor het onderzoek betaalt u eerst zelf. De gemeente kan elk jaar bij het Rijk een vergoeding aanvragen voor de gemaakte kosten. Hiermee kunt u 68% van de gemaakte kosten voor onderzoek vergoed krijgen. Als u hiervan gebruik wilt maken, sluit u voordat u onderzoek start een samenwerkingsovereenkomst met de gemeente. Neem hiervoor contact op met het cluster Openbare Orde en Veiligheid via e-mail: info@eijsden-margraten.nl.
4.7 Bouwen nabij het spoor
Bij het bouwen nabij het spoor is het is belangrijk om te onderzoeken of er sprake is van trillingen en geluid. Het is belangrijk om vanaf het allereerste begin van een nieuwbouwinitiatief rekening te houden met trillingen en geluid. Hierdoor kunnen kostbare maatregelen in een latere fase worden beperkt of voorkomen. De kwaliteitsborger moet de risico's hiervan beoordelen en maatregelen treffen in het borgingsplan.
Meer informatie vindt u op de website van het Informatiepunt Leefomgeving) over nieuwbouw lang het spoor. Zie ook Bouwen in de directe omgeving van het spoor - Bouwen in de directe omgeving van het spoor.
4.8 Geluid, gevel en geluidwerendheid
In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan de eisen voor geluid bij bouwwerken. Is er sprake van een verhoogde geluidbelasting, dan zijn extra voorzieningen nodig. Aan de hand van een rapportage moet u inzichtelijk maken welke voorzieningen nodig zijn om te voldoen aan de voorschriften.
In het Omgevingsplan met de bijlagen akoestisch onderzoeksrapport en besluiten staan de waarden voor de hogere geluidbelasting. In het bouwplan moet u hiermee rekening houden. Bekijk het omgevingsplan om na te gaan of op of in de buurt van de locatie sprake is van hogere geluidbelasting. Het omgevingsplan kunt u raadplegen via het Omgevingsloket. Link opent een externe pagina.
4.9 Lozing hemelwater en wateroverlast
De gemeente Eijsden-Margraten stimuleert het afkoppelen van hemelwater om regenwater in de bodem of tuin te bergen in plaats van in het riool. Bij de realisatie van nieuwbouw is het dan ook zaak dat het hemelwater niet op gemeentelijk riool wordt aangesloten maar wordt opgevangen en/of wordt geloosd op en in de bodem via een voldoende grote infiltratievoorziening (via infiltratiekratten, tuin of wadi), opslag in een regenton of via waterdoorlatende verharding. Het doel is wateroverlast te voorkomen en het riool te ontlasten.
Door klimaatverandering zal de kans op extreme buien, regenwateroverlast en overstromingen toenemen. Het is belangrijk om vooruit te kijken en nu al rekening te houden met toekomstige klimaatontwikkelingen. Door de klimaatverandering neemt de frequentie en de hevigheid van de buien toe en leidt dit vaak tot wateroverlast op de laagste gelegen gebieden. Het Waterschap Limburg heeft daarom in opdracht van programma Waterveiligheid en Ruimte Limburg (WRL) overstromingskaarten opgesteld. Voor deze kaarten is vooruitgekeken naar het jaar 2100 en de risico’s die we in dat jaar op basis van klimaatverandering verwachten.
In onderstaande figuur is overstromingskaart (T100-2100 viewer) van de gemeente Eijsden-Margraten weergegeven.
4.10 Overige zaken die van belang (kunnen) zijn
Heeft u een naast de toestemming voor de technische bouwactiviteit ook een toestemming voor de omgevingsplanactiviteit voor het bouwen of gebruiken nodig? Dan heeft dit misschien gevolgen voor de technische bouwactiviteit. Denk bijvoorbeeld aan eisen vanuit welstand, parkeren, bluswatervoorziening, afvoer regenwater, grondverzet e.d. De gemeente wijst u hierop bij de afhandeling van de toestemming voor de omgevingsplanactiviteit. U kunt het omgevingsplan inzien via Regels op de kaart - Omgevingswet - Regels op de kaart - Omgevingsloket.
5Invloed op toezicht en handhaving
De gemeente kan bij de bouwmelding, de gereedmelding toetsen of de BLO's toetsen de regels zijn meegenomen. De bouwmelding is onvolledig als de BLO's niet worden meegenomen in de risicobeoordeling en het borgingsplan. Wordt in een verklaring niet ingegaan op het resultaat van de maatregelen dan voldoet de verklaring niet aan de regels en kan er geen gereedmelding mee worden gedaan.
De wijze waarop de risico’s worden geborgd is aan de kwaliteitsborger en aan de regels die hierover in een instrument voor kwaliteitsborging zijn opgenomen. De gemeente kan een bouwmelding dus niet ‘afkeuren’ als de opgenomen maatregelen naar de mening van de gemeente onvoldoende zijn om de risico’s te borgen.
Vermoedt de gemeente dat de maatregelen onvoldoende zijn dan kan op grond van artikel 2.20 van het Bbl aanvullende informatie worden opgevraagd en zo nodig de betreffende onderdelen zelf te controleren tijdens de bouw.
6Kenbaar maken
BLO's zijn in de Wkb opgenomen om kennis over lokale omstandigheden over te kunnen dragen aan de initiatiefnemer en kwaliteitsborger. Met de vaststelling van deze beleidsnotitie worden de BLO’s vastgesteld. Het beleid zal worden gepubliceerd op overheid.nl.
Op de gemeentelijke website zal worden verwezen naar deze aanvulling op het VTH-Beleidsplan 2025-2028 met de daarin opgenomen BLO’s.
Gelet op het feit dat de BLO's ‘dynamisch’ van aard kunnen zijn of kunnen vervallen zal jaarlijks bij de vaststelling van het Uitvoeringsprogramma worden bezien of er aanvullingen, wijzigingen e.d. bij de BLO’s noodzakelijk zijn.