Aanhef
Gedoog- en handhavingsbeleid op grond van artikel 13b Opiumwet
De burgemeester van de gemeente Dordrecht,
overwegende:
1dat de burgemeester op 4 mei 2012 beleidsregels heeft vastgesteld met betrekking tot de wijze waarop hij toepassing geeft aan de hem op grond van artikel 13b Opiumwet toekomende bevoegdheid;
2dat het gemeentelijk coffeeshopbeleid in overeenstemming gebracht dient te worden met de op 1 januari 2013 aangepaste Aanwijzing Opiumwet;
3dat de leden van het driehoeksoverleg hebben ingestemd met de inhoud van het nieuwe coffeeshopbeleid;
gelet op het bepaalde in artikel 13b van de Opiumwet, hoofdstuk 2- afdeling 8 van de Algemene plaatselijke verordening Dordrecht en artikel 1: 3 en titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht;
BESLUIT
1het bij dit besluit gevoegde Gedoog- en handhavingsbeleid op grond van artikel 13b Opiumwet vast te stellen;
2de Beleidsregels artikel 13b Opiumwet, vastgesteld op 4 mei 2012 in te trekken;
3dat dit besluit kan worden aangehaald als "Beleidsregels artikel 13b Opiumwet".
4dat dit besluit in werking treedt op 25 juli 2013.
Aldus vastgesteld te Dordrecht op 17 juli 2013.
De burgemeester,
Drs. A.A.M. Brok
Gedoog- en handhavingsbeleid op grond van artikel 13b Opiumwet
Inhoudsopgave
Samenvatting
1Inleiding en achtergrond
2Drugssituatie in Nederland
3Kaders en bevoegdheden algemeen
4(Volks)gezondheid en preventie
5Lokale invulling gedoogbeleid
6Handhavingsbeleid
7Handhaving bij andere gebouwen dan gedoogde coffeeshops
Bijlage 1 Overzicht landelijke regelgeving en beleid
Bijlage 2 Overzicht coffeeshops
Bijlage 3 ‘Scholencriterium’
Bijlage 1 Overzicht landelijke regelgeving en beleid
De Opiumwet bevat de wettelijke bepalingen ten aanzien van drugs. De stoffen die als drugs worden aangemerkt zijn opgenomen in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) van de Opiumwet. In de wet is bewust onderscheid gemaakt tussen soft- en harddrugs, ook voor wat betreft de strafdreiging. Stoffen waarvan het gebruik een onaanvaardbaar risico met zich meebrengt zijn als harddrugs aangeduid. Het bezit van harddrugs is strafbaar gesteld als misdrijf. Het bezit van een beperkte hoeveelheid (tot 30 gram) softdrugs wordt aangemerkt als een overtreding.
Het is sinds 1991 dat de Nederlandse overheid een expliciet gedoogbeleid ten aanzien van de verkoop van cannabisproducten hanteert; in de volksmond het coffeeshopbeleid genoemd. Dit beleid is vooral gericht op het beheersbaar maken en houden van het gebruik en de verkoop van softdrugs (cannabis), het scheiden van de hard- en softdrugsmarkt, een afname van het aantal cannabisverkooppunten (kwantitatieve sanering), een toename van het aantal bonafide ondernemingen (kwalitatieve sanering) en een afname van het gebruik van (soft)drugs onder minderjarigen.
Belangrijk is ook de invoering van de zogenaamde Wet Damocles (artikel 13b Opiumwet) op 21 april 1999. Op basis van dit artikel is de burgemeester bevoegd bestuursdwang toe te passen als er in voor publiek toegankelijke lokalen drugs worden verhandeld. Deze bepaling vormt de bestuursrechtelijke basis van het coffeeshopbeleid.
Op 23 april 2004 verscheen de ‘cannabisbrief’ met nieuwe beleidsvoornemens van het kabinet ten aanzien van cannabis. Daarin kondigt het kabinet maatregelen aan zoals: de aanpak van hennepteelt, het intensiveren van preventieactiviteiten om cannabisgebruik te ontmoedigen en een verbetering van de voorlichting over risico’s van gebruik. Het kabinet vraagt van gemeenten om medewerking aan een aanscherping van het cannabisbeleid. Verder wil het kabinet komen tot het nog verder terugdringen van coffeeshops in de buurt van scholen en in grensgebieden. Ook wordt gepleit voor een intensivering van de handhaving van het coffeeshopbeleid en de aanpak van niet- gedoogde verkooppunten.
De lijn uit 2004 wordt voortgezet in het coalitieakkoord van februari 2007. In dit akkoord van CDA, PvdA en ChristenUnie is opgenomen dat coffeeshops bij scholen worden gesloten. Deze afspraak is concreter uitgewerkt in het Beleidsprogramma 2007-2011. Daarin is opgenomen dat uiterlijk in 2011 alle gemeenten een minimale afstand tussen scholen en coffeeshops als criterium vaststellen en toepassen. De achterliggende gedachte is het ontmoedigen en terugdringen van druggebruik onder jongeren.
In een brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) van 2 maart 2009, gericht aan alle burgemeesters, wordt aangegeven dat tussen de Ministers van Justitie en BZK en de VNG is overeengekomen dat het afstandscriterium wordt vastgesteld op 250 meter, tenzij kan worden aangetoond waarom dit niet mogelijk is en wordt aangegeven welke andere drempelverhogende maatregelen er genomen zijn.
Hoofdlijnenbrief drugsbeleid
In september 2009 heeft het kabinet de Hoofdlijnenbrief drugsbeleid naar de Tweede Kamer gestuurd. In verband met de daarop volgende demissionaire status van het kabinet en omdat het drugsbeleid door de Tweede Kamer controversieel is verklaard, is deze brief nog niet door de Tweede Kamer besproken.
In de Hoofdlijnenbrief drugsbeleid is een nieuwe drugsnota aangekondigd. Deze nota zal een uitwerking vormen van de in de Hoofdlijnenbrief geformuleerde uitgangspunten en zal worden opgesteld door het nieuwe (huidige) kabinet.
In de Hoofdlijnenbrief is gesteld dat het coffeeshopbeleid de komende jaren gericht zal zijn op:
•kleinschaligheid en de lokale gebruiker;
•de beheersing van het aantal coffeeshops (de lokale situatie is daarbij leidend);
•meer aandacht voor de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit in relatie tot de coffeeshop.
De Adviescommissie Drugsbeleid heeft het kabinet geadviseerd over de toekomst van het drugsbeleid en heeft aangegeven dat vier onderdelen met voorrang moeten worden opgepakt.
1Aandacht voor jongeren. Het gebruik van drugs en alcohol door minderjarigen moet veel sterker dan nu worden tegengegaan. Ook is het van belang dat met name kwetsbare jongeren tegen de ontwikkeling van met gebruik van deze middelen samenhangend probleemgedrag en tegen sociale marginalisering worden beschermd.
2Coffeeshops zijn uitgegroeid tot moeilijk beheersbare grote cannabisverkooppunten. De coffeeshops moeten terug naar waar ze oorspronkelijk voor bedoeld waren: verkooppunten voor de lokale gebruikers (teneinde een scheiding van de markt voor soft- en harddrugs te bevorderen).
3Versterking en verbreding van de strijd tegen de georganiseerde drugsmisdaad.
4Het drugsbeleid dient permanent te worden gemonitord en er dient systematischer te worden gehandhaafd en geleerd. Ook dient er meer te worden samengewerkt door de verschillende beleidsinstanties. Dit vereist een duidelijker en meer alerte integrale politieke sturing en een daartoe geëquipeerde autoriteit.
De vier elementen zoals hierboven genoemd zijn door het kabinet in hoofdlijnen overgenomen in de Hoofdlijnenbrief drugsbeleid.
Het kabinet acht een meer geïntegreerde en omvattende benadering geboden, gericht op het voorkomen, beheersen en verminderen van niet alleen gezondheidsschade, maar ook sociaal-maatschappelijke schade, met name bij jongeren, criminaliteit en drugsgerelateerde overlast. De nieuwe doelstelling
18Voormalige doelstelling: “Het Nederlands drugsbeleid richt zich op het voorkomen van drugsgebruik en het beperken van de risico’s van drugsgebruik, voor de gebruiker zelf, de directe omgeving en voor de samenleving”.
sluit nauw aan bij de door de Adviescommissie geformuleerde doelstelling van het drugsbeleid: Het Nederlands drugsbeleid richt zich op het tegengaan en reduceren van drugsgebruik, zeker voor zover leidend tot gezondheids- en sociale schade, en eveneens op het voorkomen en verminderen van de schade die aan het gebruik van, de productie van en de handel in drugs is verbonden.
Coffeeshopbeleid in de Hoofdlijnenbrief drugsbeleid
Zowel in de evaluatie van het drugsbeleid als in het rapport van de Adviescommissie Drugsbeleid wordt geconcludeerd dat de coffeeshop op gebruikersniveau zijn doel heeft bereikt. Daar zijn de markten tussen lijst I en lijst II drugs gescheiden en de cannabisconsument kan in relatieve rust en veiligheid gebruiken.
Sinds de drugsnota “Continuïteit en verandering” is het beleid er bovendien op gericht geweest de overlast rond, alsook het aantal coffeeshops terug te dringen. De sinds 1997 met regelmaat uitgevoerde onderzoeken
19Over de uitkomsten van het laatste onderzoek naar “Coffeeshops in Nederland 2007; aantallen en gemeentelijk beleid” is de Kamer per brief van 12 mei 2009 geïnformeerd (TK, 2008-2009, 24 077, nr. 232).
naar het aantal coffeeshop en het gemeentelijk beleid op dit gebied tonen aan dat op beide terreinen vooruitgang geboekt is. De overlast rond coffeeshops is verminderd. Dit komt mede omdat de bevoegdheden van de burgemeester om (drugs)overlast aan te pakken zijn uitgebreid. Met de artikelen 174a van de Gemeentewet (Victoria) en 13b van de Opiumwet (Damocles), de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek en artikel 14 van de Woningwet (Victor) hebben gemeenten een sluitend stelsel van bevoegdheden om overlast en verloedering in en rondom drugspanden en coffeeshops tegen te gaan. Ook de mogelijkheden van samenscholingsverboden, cameratoezicht op openbare plaatsen (artikel 151c Gemeentewet) en het aanwijzen van veiligheidsrisicogebieden in het kader van preventief fouilleren (artikel 151b Gemeentewet) kunnen gericht worden ingezet. Op grond van de wet Maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast (Voetbalwet) kunnen onder meer de burgemeester en de Officier van Justitie (langdurige) gebiedsverboden, een meldingsplicht of groepsverboden opleggen.
Ook zijn met de VNG en gemeenten afspraken gemaakt over de invulling van het afstandscriterium tussen coffeeshops en scholen.
Dit neemt niet weg dat het Nederlandse coffeeshopsysteem veel kritiek in binnen- en buitenland ontmoet en dat de (overlast) problemen in enkele grensgebieden onverminderd groot blijven. De – internationale – controverse is gelegen in het expliciete karakter van de straffeloosheid in Nederland. Niet alleen wordt het bezit van een kleine hoeveelheid softdrugs door handhavingsautoriteiten door de vingers gezien, ook de verkoop ervan via coffeeshops en het op voorraad houden van handelshoeveelheden tot 500 gram (door de coffeeshop) wordt met een verwijzing naar de aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie buiten de reikwijdte van het strafrecht gehouden.
Gegeven is daarmee wel dat de coffeeshop naar zijn aard zich op het breukvlak tussen onder- en bovenwereld bevindt. Het risico om onderdeel te worden van ernstiger criminaliteitsfenomenen is door de jaren heen bovendien alleen maar toegenomen. Zoals het College van procureurs-generaal in zijn advies over het coffeeshopbeleid
20College van procureurs-generaal, Het coffeeshopbeleid; beheersbaar, kleinschalig, controleerbaar, Den Haag 2009.
aangeeft, zijn grootschaliger coffeeshops – zowel in omvang als in omzet – gevoeliger voor inmenging door de georganiseerde criminaliteit. De huidige problemen met coffeeshops hebben primair te maken met deze criminaliteit, en doen zich inmiddels veel minder voelen in de overlastsfeer, met uitzondering van de grensstreken, zoals in de jaren negentig nog het geval was.
In de hoofdlijnenbrief drugsbeleid wordt het dan ook als vanzelfsprekend gezien dat het coffeeshopbeleid aanpassing behoefde. Juist het gegeven dat de coffeeshop een risico vormt voor de rechtsorde maakt dat de overheid gerechtigd is om het functioneren van coffeeshops verregaand te reguleren. Het kabinet deelt de analyse van de Adviescommissie Drugsbeleid dat de coffeeshop in veel gevallen niet meer de voorziening is waar hij voor bedoeld was: een mogelijkheid voor volwassen consumenten om op een rustige en veilige manier cannabis te kopen en desgewenst te gebruiken. De ruimte om deze activiteit uit te oefenen dient, hoewel deels illegaal van karakter, ook in de toekomst te worden geboden met een beleid dat toeziet op het realiseren van een optimaal aantal coffeeshops. De uitdaging is gelegen in de doelstelling ten aanzien van de gebruiker te behouden en tegelijkertijd het functioneren van de coffeeshopbranche diepgaand te veranderen richting beheersbaarheid en úit de greep van de criminaliteit.
Het advies van de Adviescommissie Drugsbeleid biedt, overigens evenals het eerdere rapport van het College van procureur-generaal over dit onderwerp, een aantal handvatten om het herijkte coffeeshopbeleid handen en voeten te geven. Het toenmalige kabinet koos ervoor de adviezen van de Commissie in grote lijnen te volgen. In 2009 is dan ook besloten dat het coffeeshopbeleid van de komende jaren gericht zal zijn op de volgende doelstellingen:
1Kleinschaligheid
Het kabinet was van oordeel dat kleinschalige coffeeshops, gericht op de lokale gebruiker, voor zowel controlerende (lokale, vergunningverlenende) instanties en handhavingsdiensten, als voor gebruikers voordelen heeft. Kleinschaligheid leidt tot een betere beheersbaarheid van overlast- en criminaliteitsrisico’s; de gebruiker weet zich verzekerd van een veilige omgeving, waarbij de uitbater van de coffeeshop zich betrokken voelt bij zijn klantenkring.
2De beheersing van het aantal coffeeshops, door de lokale situatie als uitgangspunt te nemen
Het beleid van de voorgaande 15 jaar om coffeeshops tot aanvaardbare aantallen terug te dringen zal met enige aanpassing worden voortgezet. Gemeenten zullen gewezen worden op de bestuurlijke mogelijkheden om aanvullende regels voor coffeeshops op te stellen, bijvoorbeeld om het aantal coffeeshops in hun gemeente te maximeren. Daarnaast kiest het kabinet ervoor om gemeenten ruimte te bieden te experimenteren met een betere spreiding van coffeeshops, mogelijk ook over gemeentegrenzen heen. Hiervoor is goede afstemming tussen de verschillende betrokken lokale autoriteiten noodzakelijk. Overigens wil het kabinet voorkomen dat het streven van het Rijk om de klantenkring van coffeeshops tot een lokale markt te beperken tot ongewenste veranderingen in de wereld van coffeeshopexploitanten leidt, zoals het ontstaan van “coffeeshopketens” in handen van enkele personen. Dit kan één van de onbedoelde neveneffecten zijn van de inkomstenderving die coffeeshops mogelijk gaan lijden. Het kabinet wenst dit tegen te gaan door gerichte inzet van het bestuurs- (BIBOB) en strafrecht.
Een alternatief voor het openen van nieuwe coffeeshops voor een relatief grote(re) klantenkring is na te gaan wat de positieve effecten zijn van het aanhouden van een grotere handelsvoorraad
21De maximaal gedoogde handelsvoorraad is nu 500 gram.
. Dit dient te geschieden in het kader van een nauwkeurig omschreven pilot of experiment waar stringente handhaving een onderdeel van is. Het aanhouden van een grotere handelsvoorraad heeft het mogelijk bijkomende voordeel dat de illegaliteit rond de aanvoer van cannabis naar de coffeeshop afneemt. Elke pilot of experiment in die richting zal de instemming van de verantwoordelijke Ministers moeten krijgen en zal, na afronding, uitvoerig door het Rijk geëvalueerd worden.
3Bestrijding georganiseerde criminaliteit/verhouding bestuurs- en strafrecht
Het integrale beleid gericht op de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, ook in relatie tot de coffeeshop, wordt voortgezet.
Bestuurs- en strafrecht worden effectief en op evenwichtige wijze ingezet.
De Commissie Van de Donk constateert dat de aandacht voor en de beheersing van de illegale drugsmarkten is toegenomen en verdere ontwikkeling behoeft.
Het kabinet meent de door de Commissie noodzakelijk geachte samenhang in de aanpak van de georganiseerde criminaliteit te vinden in de doelstelling van enkele in gang gezette versterkingsprogramma’s en dan met name het “Programma Versterking Aanpak Georganiseerde Misdaad” (PVAGM) dat in 2007 van start is gegaan. De bestrijding van de georganiseerde criminaliteit en het tegengaan van de productie van en handel in drugs zijn belangrijke prioriteiten. Daarbij wordt in toenemende mate aandacht gegeven aan het feit dat criminele samenwerkingsverbanden zich vaak niet alleen met drugscriminaliteit bezig houden, maar in combinatie daarmee ook met misbruik van onroerendgoedtransacties of financieel-economische criminaliteit. Dat vergt een samenspel van bestuursrechtelijke, fiscale en strafrechtelijke maatregelen. De inrichting van Regionale Expertise- en Informatiecentra bevordert het samenspel tussen bestuurs- en strafrecht.
Uit de evaluatie van het drugsbeleid blijkt bovendien dat de aanpak van drugscriminaliteit in toenemende mate integraal gebeurt, zowel wat juridisch instrumentarium betreft als ook organisatorisch.
Specifiek met betrekking tot de georganiseerde criminaliteit streeft het PVAGM een overkoepelende strategie in de lijn van het advies van de Adviescommissie Drugsbeleid na. Naar aanleiding van het Nationaal Dreigingsbeeld georganiseerde misdaad 2008 is de aanpak van grootschalige hennepteelt voor de periode 2008-2012 toegevoegd aan de lijst van speerpunten binnen de bestrijding van georganiseerde misdaad
22Brief van 21 november 2008 van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, TK 2008-2009, 29911, nr 17.
. Voorts wordt binnen het PVAGM de problematiek van de georganiseerde hennepteelt via een programmatische aanpak benaderd, waarbij alle relevante partners (niet alleen politie, justitie, bestuur maar ook private organisaties) betrokken worden. Iedere partner draagt vanuit zijn eigen rol en verantwoordelijkheid bij aan de bestrijding van de georganiseerde hennepteelt. Op grond van de ervaringen die met deze nieuwe aanpak worden opgedaan in de diverse ‘proeftuinen’, zal de aanpak verder geprofessionaliseerd en verbreed worden. Om de programmatische aanpak te stimuleren, de ervaringen in de proeftuinen te volgen en eventuele gesignaleerde knelpunten voortvarend aan te pakken hebben de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 19 juli 2008 de Task Force Aanpak Georganiseerde Hennepteelt ingesteld. De Task Force staat onder voorzitterschap van het Openbaar Ministerie
23Het instellingsbesluit van de Task Force is gepubliceerd in de Staatscourant van 4 september 2008, nr 171, pagina 10.
Dit neemt niet weg dat reeds op kortere termijn een verbetering tot stand gebracht kan worden in de afstemming tussen de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke instrumenten. De Regionale Expertise- en Informatiecentra spelen hierin een belangrijke rol. De Adviescommissie Drugsbeleid geeft in haar advies aan dat bij overtreding van de coffeeshopcriteria uit de aanwijzing Opiumwet eerder en vaker naar het strafrecht, in plaats van het bestuursrecht, gegrepen moet worden. Handhavingsarrangementen spelen in dit verband een cruciale rol. Daarmee wordt duidelijk wie met welk juridisch instrumentarium en met welke consequenties optreedt.
Daarbij vormt de aanwijzing Opiumwet de ruggengraat van het coffeeshopbeleid. Om lokale autoriteiten meer armslag te geven geschiedt de handhaving ervan veelal langs bestuurlijke weg. Het kabinet is van oordeel dat het, rekening houdend met de prioriteitstelling bij het Openbaar Ministerie en politie, in de rede ligt om bij ernstige of veelvuldige overtreding van de AHOJG-criteria strafrechtelijk op te treden. Tegelijkertijd dient het bewezen effectieve bestuurlijk instrumentarium, zoals de mogelijkheid tot sluiting van coffeeshops, blijvend te worden ingezet. In de besluitvorming rond de vernieuwing van de aanwijzing Opiumwet, voorzien voor later dit jaar, zal worden meegewogen hoe zowel de bestuursrechtelijke als strafrechtelijke dimensies met resultaat toegepast kunnen worden.
Geen gereguleerde teelt
Het toenmalige kabinet zette in op de verwezenlijking van deze drie doelstellingen en voelde niets voor enigerlei experiment met gereguleerde teelt. Experimenten met gereguleerde teelt raken bovendien rechtstreeks aan de internationale verplichtingen die Nederland is aangegaan. Daarom is een beleidsmatige verkenning van dit onderwerp niet opportuun.
“Vrijheid en verantwoordelijkheid” Regeerakkoord VVD-CDA d.d. 7 oktober 2010
Met betrekking tot coffeeshops en drugs is in het regeerakkoord van 7 oktober 2010 het volgende opgenomen:
•Overlast en criminaliteit die verband houden met prostitutie en de handel in verdovende middelen worden teruggedrongen.
•Coffeeshops worden besloten clubs die alleen voor meerderjarige inwoners van Nederland toegankelijk zijn op vertoon van een clubpas.
•Er komt een afstand van ten minste 350 meter tussen scholen en coffeeshops.
•De minister verscherpt het landelijk beleid en ziet erop toe dat gemeenten het afstandscriterium en de overige relevante delen van het landelijk beleid in hun vergunningen handhaven.
•Het kabinet komt met voorstellen zwaardere straffen te stellen op de (voorbereiding van) in- en uitvoer, teelt en (georganiseerde) handel van drugs en tot aanpassing van het onderscheid tussen harddrugs en softdrugs.
Bij brieven van 27 mei 2011
24Kamerstukken II 2010/11 24 077, nr. 259.
, 26 oktober 2011
25Kamerstukken II 2011/12 24 077, nr. 265.
en 15 december 2011
26Kamerstukken II 2011/12 24 077, nr. 267.
heeft het vorige kabinet de voorgenomen aanscherping van het drugsbeleid uiteengezet:
“Het kabinet staat voor een daadkrachtige aanpak van drugsgerelateerde overlast en (georganiseerde) criminaliteit. Er zal een einde worden gemaakt aan het huidige ‘open-deur-beleid’.
Coffeeshops moeten kleiner en meer beheersbaar worden gemaakt. De aantrekkingskracht van het Nederlandse drugsbeleid op gebruikers uit het buitenland moet worden teruggedrongen.
Middelengebruik van minderjarigen wordt sterk tegengegaan en met name kwetsbare jongeren worden beschermd tegen drugsgebruik.” Als nadere uitwerking hiervan is de Aanwijzing Opiumwet aangepast per 1 januari 2012 en zijn de gedoogcriteria voor coffeeshops uitgebreid met het ‘Besloten club-criterium’, het ‘Ingezetenencriterium’ en het ‘Afstandscriterium’. De Minister van Veiligheid en Justitie heeft de burgemeesters hierover per brief van 22 december 2011 geïnformeerd en verzocht om het gemeentelijk beleid hiermee in overeenstemming te brengen.
“Bruggen slaan” Regeerakkoord VVD-PvdA d.d. 29 oktober 2012 In zijn brief van 19 november 2012
27TK 2012-2013, 24077, nr. 293.
schrijft de Minister van Veiligheid en Justitie aan de Tweede Kamer dat de daadkrachtige aanpak van overlast en (georganiseerde) criminaliteit rondom coffeeshops wordt gecontinueerd. Invoering van het ingezetenencriterium in de provincies Limburg, Noord-Brabant en Zeeland is een succes. De uitvoering van het aangescherpte coffeeshopbeleid wordt vereenvoudigd. In dit kader zijn in het regeerakkoord de volgende afspraken opgenomen:
•De wietpas vervalt, maar de toegang tot coffeeshops blijft voorbehouden aan ingezetenen die een identiteitsbewijs of verblijfsvergunning, samen met een uittreksel uit het bevolkingsregister kunnen tonen. De handhaving van dit ingezetenencriterium geschiedt in overleg met betrokken gemeenten en zo nodig gefaseerd, waarbij wordt aangesloten bij het lokale coffeeshop- en veiligheidsbeleid zodat er sprake is van lokaal maatwerk.
•De bestrijding van drugstoerisme en georganiseerde drugsmisdaad zetten we met kracht door. Drugsrunners en illegale straathandel pakken we hard aan.
•Het gehalte werkzame stoffen in softdrugs wordt aan een maximum gebonden.
Op basis van het regeerakkoord is het beslotenclubcriterium per 1 januari 2013 geschrapt uit de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie.
28Aanwijzing Opiumwet (2012A021; Stcrt. 2012, 26938 d.d. 13-12-2012)
Bijlage 2 Overzicht coffeeshops
Onderstaande tabel geeft een overzicht van de coffeeshops die sinds de invoering van het coffeeshopbeleid in 1995 in de gemeente Dordrecht gevestigd waren. Op het moment van vaststelling van dit beleid beschikken enkele coffeeshops niet langer over de vereiste vergunning en gedoogbeschikking, maar de hieraan ten grondslag liggende besluitvorming is nog onderwerp van juridische procedures, zodat die coffeeshops toch in het overzicht zijn opgenomen.
Tabel 2 Overzicht coffeeshops in Dordrecht
Coffeeshop
Adres
Cabo Negro (Asilah)
Bagijnhof 31
De Muis
Gravenstraat 29
Koffieshop ’t Geeltje
Sint Jorisweg 20
Roots Corner
Spuiweg 29
Indica
Vismarkt 2
Café Bar Ali Babba
Voorstraat 141
Marrakech
Voorstraat 475
Joy Poolcentrum en Zalenverhuur
Wijnstraat 154
Bijlage 3 ‘Scholencriterium’
Onderstaande plattegrond geeft een overzicht van de per op 1 januari 2011 in Dordrecht gevestigde coffeeshops en de in de nabijheid gelegen instellingen voor voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs. Hieruit blijkt dat zich op dit moment geen voorgezet onderwijs- en middelbaar beroepsonderwijsinstellingen bevinden binnen een hemelsbrede afstand van 350 meter van de gedoogde coffeeshops, dus al zeker niet binnen een reëel af te leggen afstand van 350 meter.