Aanhef
INHOUDSOPGAVE
Algemeen
1Doorgeven wijzigingen uit eigen beweging
2Onverwijld melden van wijzigingen
3Verzoeken om informatie
4Het opleggen van de boete of schriftelijke waarschuwing
5Percentage boete
6Invordering boete
7Slotbepalingen
3 Verzoek om informatie bij aanvang of tijdens bijstandsverlening
Gedurende de aanvraagprocedure
3.1 Aanvultermijn tijdens aanvraagprocedure
Als er tijdens een aanvraagprocedure een aanvultermijn wordt geboden om de aanvraag compleet te maken en de klant maakt gebruik van deze termijn, is formeel al sprake van schending van de inlichtingenplicht. Het college ziet hier echter af van het geven van een waarschuwing of boete op te leggen. Reden is dat een aanvraagprocedure vaak nieuw is en een klant niet altijd weet wat hij moet aanleveren. Er wordt uitgegaan van de intentie van de klant om de aanvraag compleet te maken. Een boetetraject schiet in deze situatie zijn doel voorbij.
3.2 Buiten behandeling laten of afwijzen van een aanvraag
Als belanghebbende de aanvraag niet aanvult en de aanvraag wordt buiten behandeling gesteld of de aanvraag wordt afgewezen omdat het recht niet is vast te stellen, is er mogelijk wel sprake van (op zijn minst enige) verwijtbaarheid (als belanghebbende ook in de gelegenheid was om wel de juiste informatie te verstrekken). Maar ook hier kiest het college ervoor om geen waarschuwing te geven of een boete op te leggen. De bijstand wordt namelijk niet te gelde gemaakt en ook hier schiet een boetetraject zijn doel voorbij.
3.3 Klant verstrekt valse informatie tijdens aanvraagprocedure
Uitzondering is echter als een klant valse informatie heeft verstrekt om ten onrechte een uitkering te krijgen en het college dit al tijdens de aanvraag doorziet. In dat geval wijst het college niet uitsluitend de aanvraag af, maar legt ook tevens een boete op of geeft een waarschuwing. Het verstrekken van valse informatie is immers op zichzelf - anders dan het indienen van een onvolledige aanvraag - ook al een strafbaar feit.
Gedurende de bijstandsverlening
3.4 Termijn van orde
De klant krijgt een termijn waarbinnen hij moet reageren op het verzoek om informatie. Als de klant tegen het einde van de gestelde termijn nog niet heeft voldaan aan het verzoek om informatie, dan verstuurt het college een termijn van orde. De ‘termijn van orde’ is een periode waarin de klant verzocht wordt alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen. De termijn van orde is de termijn vóór de hersteltermijn (3.5) en kent geen juridische consequenties.
3.5 Hersteltermijn
Als de klant tegen het einde van de gestelde ordetermijn nog niet heeft voldaan aan het verzoek om informatie, dan verstuurt het college een hersteltermijn en schort het college het recht op uitkering (indien mogelijk) op.
3.6 Verstrekken gevraagde informatie binnen hersteltermijn + geen wijziging
Voldoet de klant binnen de hersteltermijn alsnog aan het verzoek om informatie dan beoordeelt het college het recht op bijstand. Blijkt dat er geen wijziging te zijn opgetreden die van invloed is op het recht op uitkering, kan eenmalig worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing zoals gesteld in artikel 18a lid 4 van de WWB. Indien een schriftelijke waarschuwing niet mogelijk is, wordt een boete opgelegd.
3.7 Verstrekken gevraagde informatie binnen hersteltermijn + wijziging
Voldoet de klant binnen de hersteltermijn alsnog aan het verzoek om informatie en blijkt er wel een wijziging te zijn opgetreden die van invloed is op het recht op uitkering, herziet of trekt het college dit recht in en legt in beginsel een boete op.
3.8 Niet verstrekken gevraagde informatie
· Voldoet de klant na de hersteltermijn niet aan het verzoek om informatie, dan herziet of trekt het college het recht op uitkering in. Vervolgens onderzoekt het college of het recht op uitkering niet per een eerdere datum herzien of ingetrokken had moeten worden. Daarnaast legt het college een boete op.
· Blijkt uit dit nader onderzoek niet dat er ten onrechte aan uitkering is verstrekt, dan volstaat het college met het opleggen van een boete.
4 Het opleggen van de boete of schriftelijke waarschuwing
4.1 Ernst van de gedraging
De ernst van de gedraging wordt op grond van artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten in eerste plaats afgemeten aan de hoogte van het benadelingsbedrag. Voor de definitie van benadelingsbedrag wordt verwezen naar artikel 18a lid 2 van de WWB. “In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen”.
Basis boetebedrag
Het basis boetebedrag staat vermeld in artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten. Het college past dit artikel overeenkomstig toe.
4.2 Mate van verwijtbaarheid
De mate waarin de gedraging aan de klant kan worden verweten wordt beoordeeld naar de situatie op het moment dat de klant zijn verplichting na had moeten komen. Voorop staat de individuele beoordeling.
Voor het bepalen van de hoogte van de boete hanteert het college onderstaande uitgangspunten om te bepalen of er sprake is van verwijtbaarheid:
-Het college deelt bij de toekenning van de uitkering aan de klant mee welke feiten en omstandigheden hij spontaan aan het college moet melden. Daarnaast ontvangt elke klant een informatiemap. Het college gaat er dan ook, tenzij bijzondere omstandigheden op het tegendeel wijzen, steeds vanuit dat het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat deze feiten en omstandigheden van invloed kunnen zijn op de uitkering.
-Van een klant kan een redelijke inspanning worden gevraagd om op de hoogte te raken van feiten en omstandigheden bij anderen die van invloed kunnen zijn op zijn uitkering. Als de klant informatie nodig heeft van een ander en die ander deze informatie niet verstrekt, leidt dit in beginsel niet tot verminderde verwijtbaarheid.
-Als een klant de inhoud niet begrijpt van correspondentie van het college, bijvoorbeeld omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Van de klant mag worden verwacht dat hij zich laat informeren over de betekenis hiervan.
Verminderde verwijtbaarheid
Het college verlaagt het basis boetebedrag als er sprake is van verminderde verwijtbaarheid zoals benoemd in artikel 2a, tweede lid onder a, b en c van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten.
a) De belanghebbende verkeerde op het moment dat hij aan zijn verplichting moest voldoen in onvoorziene en ongewenste omstandigheden. Het betrof omstandigheden die niet tot het normale levenspatroon behoren, maar die hem niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenverplichting te voldoen. Wel waren de omstandigheden emotioneel zo ontwrichtend dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt.
b) De belanghebbende verkeerde op het moment dat hij aan zijn verplichting moest voldoen in een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen.
c) De belanghebbende heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd. In deze gevallen is er sprake van verminderde verwijtbaarheid. Echter: wanneer de belanghebbende genoemde inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting, is er geen sprake van verminderde verwijtbaarheid.
Daarnaast acht het college dat er sprake is van verminderde of gedeelde verwijtbaarheid als;
d) Een klant administratief onbekwaam is en niet in staat zijn belangen te behartigen. De Rechtbank heeft een (beschermings)bewindvoerder of curator aangewezen om de zaken van de klant te behartigen. Doorslaggevend hierin is of de klant alle relevante, aantoonbare en verifieerbare informatie aan de bewindvoerder of curator heeft doorgegeven die van belang is voor het recht op uitkering en deze is verzuim is gebleven richting de gemeente.
e) Er is sprake van een samenstel van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot het oordeel dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
Artikel 4.3 Waarschuwing in plaats van een boete
In plaats van een boete geeft het college een schriftelijke waarschuwing als het niet of niet correct nakomen van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekken van een uitkering, tenzij:
a.het niet nakomen van de inlichtingenplicht plaatsvindt binnen een periode van twee jaar nadat eerder een waarschuwing, maatregel of boete is gegeven voor het schenden van de inlichtingenplicht. De datum van het betreffende besluit bepaalt wanneer de periode van twee jaar begint.
Artikel 4.4 Afzien van boete of waarschuwing wegens dringende redenen
Het college kan afzien van het opleggen van een boete of waarschuwing als daarvoor dringende redenen bestaan. Het college maakt gebruik van deze bevoegdheid als er in de individuele situatie van de belanghebbende op het moment waarop over de oplegging van de boete moet worden besloten, sprake is van zo ernstige financiële en/of sociale (gezins)omstandigheden dat een oplegging van verdere lasten in redelijkheid niet aanvaardbaar kan worden geacht.
5 Percentages boete
5.1 Verminderde verwijtbaarheid
De hoogte van de boete wordt berekend door het benadelingsbedrag te vermenigvuldigen met een percentage. Uitgangspunt zijn boetes van 50%, als er sprake is van verminderde verwijtbaarheid zoals beschreven in artikel 4.2 onder lid a, b, d en e. De boete kan na matiging, nooit minder bedragen dan € 150,00.
5.2 Alsnog melden door belanghebbende
Als er op grond van artikel 2a, tweede lid, onder c, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten sprake is van verminderde verwijtbaarheid, en er geen andere omstandigheden zijn die van invloed kunnen zijn op de mate van verwijtbaarheid, wordt de boete vastgesteld aan de hand van de hoogte van het benadelingsbedrag en de duur van de overtreding.
1Als het benadelingsbedrag lager dan € 2.000 is, het een eerste overtreding betreft en de overtreding gemeld wordt voordat deze meer dan zes weken heeft voortgeduurd, wordt de minimumboete, vastgesteld in artikel 2, derde lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, opgelegd.
2Als het benadelingsbedrag lager dan € 5.000 is en de overtreding gemeld wordt voordat deze meer dan een jaar heeft voortgeduurd, wordt een boete van 25% van het benadelingsbedrag opgelegd.
3Als het benadelingsbedrag lager dan € 5.000 is maar de overtreding gemeld wordt nadat deze meer dan een jaar heeft voortgeduurd, wordt een boete van 50% van het benadelingsbedrag opgelegd.
4Als het benadelingsbedrag gelijk aan of hoger dan € 5.000 is en de overtreding gemeld wordt voordat deze meer dan een jaar heeft voortgeduurd, wordt een boete van 50% van het benadelingsbedrag opgelegd.
5Als het benadelingsbedrag gelijk aan of hoger dan € 5.000 is en de overtreding gemeld wordt nadat deze meer dan een jaar heeft voortgeduurd, wordt een boete van 75% van het benadelingsbedrag opgelegd.
5.3 Volledige verwijtbaarheid
Het college legt een boete op van 100% als er sprake is van volledige verwijtbaarheid.
5.4 Ontbreken verwijtbaarheid
Het college legt geen waarschuwing of boete op als iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
5.5 Samenloop
Als er een samenloop is in omstandigheden waarin sprake is van verminderde verwijtbaarheid zoals beschreven in artikel 4.2 sub a tot en met e, dan wordt alleen de laagste boete opgelegd.
5.6 Verhoging bij recidive
Het college verhoogt het basis boetebedrag met 50 procent, indien in de vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan het moment van de overtreding, een eerdere boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging. De eerder opgelegde boete of strafrechtelijke sanctie moet onherroepelijk zijn.
Het college verhoogt het basis boetebedrag niet, indien de tweede of daarop volgende overtreding niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag.
6 Invordering boete
6.1 Uitkeringsgerechtigde
De betaling van de boete gebeurt primair door verrekening van de boete met de betaling van de uitkering. In beginsel houdt het college 10% van de volledige uitkering inclusief vakantiegeld in ter verrekening. Het college houdt hierbij rekening met de voor de klant geldende beslagvrije voet.
Voor verrekening van de boete bij recidive verwijst het college naar de Verzamelverordening WWB, IOAW, IOAZ en Bbz 2013.
6.2 Niet - uitkeringsgerechtigde
Indien de belanghebbende niet langer een uitkering van het college ontvangt, verrekent het college de boete met het openstaande vakantiegeld. Het restant van de boete moet de klant binnen zes weken na verzending van de beschikking voldoen.
Als de klant niet in staat is de vordering in één keer te betalen, kan de klant een verzoek om een betalingsregeling indienen. Het college stelt de betalingsregeling vast, rekening houdend, met de individuele omstandigheden.
7 Slotbepalingen
7.1 Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule
1In alle gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien, beslist het college.
2Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
7.2 Inwerkingtreding
Dit boetebeleid treedt in werking 8 dagen na publicatie in het Dongens Weekblad.
7.3 Werkingsduur
1De werkingsduur van dit beleid geldt tot het moment dat burgemeester en wethouders nieuw boetebeleid of onderdelen van het boetebeleid vaststellen of;
2Het boetebeleid op grond van een wettelijke regeling niet meer rechtsgeldig is.
7.4. Citeertitel
Deze beleidsregels worden geciteerd als "Beleidsregels boete 2014 gemeente Dongen".