Hoofdstuk 4A Regelingen in verband met de wijzigingen in de WWB en intrekking van de WIJ per 1 januari 2012
Artikel 9A Wijziging betekenis begrippen
1Waar in deze verordening de begrippen ‘alleenstaande’, ‘alleenstaande ouder’ en ‘gezin’ worden gebruikt, hebben deze vanaf 1 januari 2012 dezelfde betekenis als in artikel 4 van de wet.
2Waar in deze verordening wordt gesproken over ‘gehuwde(n)’ of ‘gehuwdennorm’ hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012 dezelfde betekenis als ‘gezin’, bedoeld in artikel 4, respectievelijk ‘gezinsnorm’, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet.
Artikel 9B Wijziging verwijzingen
1Waar in deze verordening wordt verwezen naar artikel 21, onderdeel a, van de wet, moet voor die verwijzing vanaf 1 januari 2012 worden gelezen: artikel 20, eerste lid, onderdeel b, van de wet.
2Waar in deze verordening wordt verwezen naar artikel 21, onderdeel b, van de wet, moet voor die verwijzing vanaf 1 januari 2012 worden gelezen: artikel 20, tweede lid, onderdeel b, van de wet.
3Waar in deze verordening wordt verwezen naar artikel 21, onderdeel c, van de wet, moet voor die verwijzing vanaf 1 januari 2012 worden gelezen: artikel 21, eerste lid, van de wet.
Hoofdstuk 5 Slotbepalingen
Artikel 17. Overgangsbepaling
Voor cliënten die op 1 juli 2008 reeds recht hadden op een hogere toeslag, dan wel een lagere verlaging, geldt een overgangstermijn. Hiervoor wordt bepaald dat er met een maximum van één jaar de hogere toeslag zal worden voortgezet. Indien deze maximumtermijn is verstreken bestaat er recht op een afbouw van de hogere toeslag in een periode van zes maanden.
Artikel 18. Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2008
Toelichting
Algemeen
Per 1 januari 2004 is de Wet Werk en Bijstand in werking getreden. Ingevolge artikel 8 eerste lid onder c van deze wet, stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het verhogen en verlagen van de bijstandsnorm, bedoeld in artikel 30 WWB.
De toeslagenverordening WWB 2004 is gebaseerd op de artikelen 8 en 30 WWB. Artikel 30 biedt de juridische grondslag voor de toeslagenverordening en is gericht op bijstandsafhankelijke personen van 21 jaar en ouder;
Dit betekent dat geen toeslag op grond van de verordening mag worden verstrekt aan een persoon van 18, 19 of 20 jaar. Wel mag aan een persoon van 18, 19 of 20 jaar (alleenstaand, alleenstaande ouder of gezin) op grond van de artikel 12 en 35 WWB voor de noodzakelijke kosten van het bestaan in voorkomende gevallen "bijzondere bijstand" worden verstrekt.
In de gemeente Deventer wordt deze vorm van bijzondere bijstand geregeld in beleidsregels en blijft derhalve buiten het bestek van deze verordening.
Voor personen ouder dan 65 jaar geldt een landelijke hogere bijstandsnorm. Deze norm is gerelateerd aan de AOW-uitkering. Gemeenten hebben dus geen vrijheid d.m.v. toeslagen de uitkering voor personen ouder dan 65 jaar te verhogen of te verlagen.
In deze verordening gaat het dus enkel om:
· Toeslag bij het niet of niet geheel kunnen delen van de kosten (artikel 25 WWB):
o voor alleenstaanden van 21 jaar en ouder doch jonger dan 65 jaar en
o voor alleenstaande ouders van 21 jaar en ouder doch jonger dan 65 jaar;
· Korting bij het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van de kosten (artikel 26 WWB):
overlaging van de norm voor echtparen;
· Korting bij geen woonkosten (artikel 27 WWB):
overlaging van de norm of van de toeslag;
· Korting bij schoolverlating (artikel 28 WWB):
oVerlaging van de norm of van de toeslag;
· Korting voor 21 of 22 jarigen (artikel 29 WWB):
overlaging toeslag.
Voor een deel ligt het beleid al vast en wel op grond van artikel 30 lid 2 sub a WWB, waar is bepaald dat de toeslag wordt gesteld op het maximumbedrag van 20% van het wettelijk minimumloon per kalendermaand voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder "in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft". Voor de alleenwonende alleenstaanden en alleenstaande ouders van 21 jaar of ouder ligt de hoogte van de toeslag dus vast. De kosten kunnen dan niet worden gedeeld.
Het gemeentelijk beleid richt zich dan ook voor wat betreft de toeslagen op de toeslagen voor:
· de alleenstaanden van 21 jaar en ouder doch jonger dan 65 jaar en
· de alleenstaande ouders van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die de kosten niet geheel met een ander kunnen delen.
In deze verordening is een "forfaitaire toeslag" als uitgangspunt genomen voor de vaststelling van de toeslag. De korting (voor echtparen) is hier van afgeleid.
De toeslag is lager dan de maximale toeslag van 20% van het netto minimumloon omdat de algemene bestaanskosten lager zijn als gevolg van het kunnen delen van:
· de woonkosten;
· verzekeringen en belastingen, verbonden aan de woning;
· vaste lasten;
· contributies en abonnementen;
· duurzame gebruiksgoederen.
Door te kiezen voor 10% wordt zo weinig mogelijk veranderd in de hoogte van de uitkeringen ten opzichte van de hoogte van de uitkeringen tot de invoering van de nieuwe Algemene bijstandswet.
Wel wordt een uitzondering gemaakt in verband met de hulpbehoevendheid van de inwonende, want hoewel een hulpbehoevende inwonende deels bij kan dragen in de kosten, willen we voorkomen dat als belanghebbende een verzorgingsbehoeftige in huis neemt, dit gepaard gaat met een daling van het inkomen.
Ook inwonende kinderen kennen een uitzonderingspositie. Zo wordt tussen bloedverwanten in de eerste graad geen gezamenlijke huishouding verondersteld. Tussen ouder(s) en meerderjarige kinderen wordt ook geen commerciële overeenkomst verondersteld. Dit betekent dat overeenkomsten tussen ouders en inwonende kinderen niet worden geaccepteerd.
Nu, in 2008 is de toeslagenverordening geëvalueerd en op bepaalde onderdelen dan ook aangepast. Dit als gevolg van wetswijzigingen en jurisprudentie.
Toelichting
Artikelsgewijze toelichting
Artikel
1- Begripsomschrijving
De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende betekenis als de omschrijving in de Abw. In lid 1 b en c wordt een onduidelijkheid met betrekking tot het begrip "bijstandsnorm" weggenomen.
Artikel 1 lid 1
Sub b en sub c: landelijke norm en bijstandsnorm: In de wet en de literatuur wordt niet eenduidig omgegaan met het begrip "bijstandsnorm". Soms wordt hiermee de landelijke basisnorm bedoeld, soms de landelijke basisuitkering tezamen met een eventuele verlaging of toeslag. In het Deventer toeslagenbeleid wordt onder de bijstandsnorm verstaan: de landelijke norm en de gemeentelijke toeslag of verlaging; de totale uitkering dus.
alleenstaande
De omschrijving van het begrip alleenstaande komt overeen met de omschrijving die de wet hanteert. Degene die geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, kan worden aangemerkt als alleenstaande.
Uit de omschrijving in de wet van het begrip gezamenlijke huishouding blijkt dat twee personen die bloedverwant zijn in de eerste graad (ouder kind) en een gezamenlijke huishouding voeren, niet als gehuwden worden aangemerkt. Hetzelfde resultaat geldt wanneer de samenwoning bloedverwaten in de tweede graad betreft, en één van de twee verzorgingsbehoeftig is (art.4 onder a van de wet).
alleenstaande ouder
Alleen degene die als alleenstaande de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen (kind jonger dan 18 jaar) heeft, kan als alleenstaande ouder worden aangemerkt. Dit betekent dat de co-ouder die niet de volledige, doch slechts de gedeeltelijk zorg voor een of meer kinderen heeft, noch als alleenstaande ouder, noch als alleenstaande kan worden aangemerkt. De gemeente dient op grond van het algemene individualiseringsbeginsel vast te stellen welke landelijke norm op betrokkene van toepassing is.
gehuwden
De verordening is van toepassing op personen van 21 jaar of ouder. Hoewel dit ten aanzien van verlaging van de bijstandsnorm van gehuwden niet uitdrukkelijk in de wet is vermeld, is dit wel de intentie van de wetgever.
kind
Het gaat hierbij om in Nederland woonachtige eigen kind(eren) of stiefkind(eren). Geadopteerde kinderen worden hieronder eveneens begrepen. Pleegkinderen vallen niet onder het begrip "kind"; zij worden beschouwd als een zelfstandig subject van bijstand.
ten laste komend kind
Onder het "ten laste komend kind" wordt verstaan het kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken. Hierbij geldt dat het kind wel in Nederland moet wonen.
belanghebbende
Onder belanghebbende wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In het geval van gehuwden zijn beide echtgenoten belanghebbende; beiden hebben een rechtstreeks belang bij een besluit van burgemeester en wethouders inzake de verlening van bijstand. De overige leden van een gezin, die onder de gezinsbijstand vallen, hebben geen afzonderlijk opeisbaar recht op bijstand. Zij kunnen dan ook niet als belanghebbende worden aangemerkt.
woning
Het in deze verordening vastgelegde beleid ten aanzien van toeslagen en verlagingen heeft mede betrekking op bewoners van een woonwagen en een woonschip.
woonlasten
Voor de woonlasten van een huurwoning wordt aangesloten bij de minimum-huurgrens die de huurtoeslag hanteert. De woonlasten zijn inclusief lasten verbonden aan het huren van de woning.
Hieronder vallen kosten van gas, water, elektriciteit en relevante heffingen. Voor de woonlasten van een eigen woning wordt rekening gehouden met de te betalen hypotheekrente en de zakelijke lasten die aan het hebben van een eigen woning verbonden zijn. Voor wat betreft de hypotheekrente gaat het hierbij om de rente voor (dat deel van) de hypotheek die is afgesloten voor de financiering van de woning. Rente verbonden aan (een deel van) de hypotheek, die betrekking heeft op bijvoorbeeld de financiering van duurzame gebruiksgoederen, wordt niet meegenomen.
commerciële huurprijs
een schriftelijke individuele huur-onderhuurovereenkomst voorzien van schriftelijke bewijzen van betaling, waarbij de kale huurprijs tenminste € 160,- (prijspeil 2008) per maand bedraagt. Ingevolge het nieuwe artikel 15 lid 3, wordt dit bedrag vanaf 2009 jaarlijks geïndexeerd.
commerciële kostgangersovereenkomst
een schriftelijke individuele kostgangersovereenkomst voorzien van schriftelijke bewijzen van betaling, waarbij het kostgeld tenminste € 370,- (prijspeil 2008) per maand bedraagt. Ingevolge het nieuwe artikel 15 lid 3, wordt dit bedrag vanaf 2009 jaarlijks geïndexeerd. Onderdeel van de kostgangersovereenkomst is minimaal huur, energie, maaltijdvergoeding en bewassing.
Netto minimumloon
Deze omschrijving komt overeen met de omschrijving in de wet en moet overeenkomstig worden uitgelegd.
verzorgingsbehoeftige
degene die voor beroepsmatige verzorging in een bejaardentehuis of andere inrichting ter verpleging of verzorging is geïndiceerd
Indicering vindt plaats bij het Indicatiestelling Zorg (CIZ).
daklozen
Deze omschrijving is overgenomen uit de regeling voor daklozen. De speciale daklozenregeling geldt alleen voor zwervende daklozen, waarmee personen bedoeld worden die niet beschikken over of niet langdurig gebruikmaken van zelfstandige huisvesting of van residentiële huisvesting. Zij hebben ook geen onderdak bij familie en vrienden en zij beschikken niet over een adres. Zij leiden een zwervend bestaan en brengen de nacht door op straat, in parken, portieken, openbare gebouwen en andere plaatsen die enige beschutting bieden tegen weer en wind. Soms brengen zij een beperkt aantal nachten door in opvangcentra. De regeling voor bijstandsverlening aan daklozen wordt in opdracht van het rijk uitgevoerd door centrumgemeenten. Deventer is één van de centrumgemeenten.
Formeel valt een belanghebbende onder de specifieke regeling voor daklozen wanneer hij niet beschikt over:
· een adres waar hij woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan een adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten; of
· een adres waar hij, bij het ontbreken van een adres als hiervoor aangegeven, naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derden van de tijd zal overnachten; of
· een adres waar voor hem bestemde geschriften in ontvangst worden genomen en waar, indien daartoe grond bestaat, zorg wordt gedragen dat geschriften of inlichtingen daarover, de belanghebbende bereiken.
thuislozen
Thuislozen kennen geen zelfstandige reguliere huisvesting, maar maken gebruik van residentiële huisvesting. Aan deze residentiële huisvesting kunnen kosten verbonden zijn. In Deventer wordt een beperkt aantal adressen als residentiële huisvesting aangemerkt (o.a. Tactus- sociaal pension Polstraat en De Graven). Deze adressen bieden (tijdelijk) onderdak, maaltijden, begeleiding, informatie en advies aan personen die, door een of meerdere problemen, al dan niet gedwongen de thuissituatie hebben verlaten en die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
Personen die tijdelijk verblijven bij familie of vrienden vallen niet onder het begrip "thuislozen".
Artikel 1 lid 2
De ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, wordt als gehuwd aangemerkt. Dit betekent dat zij bij de vaststelling van het recht op uitkering en de hoogte van de uitkering worden behandeld als waren zij gehuwd. Bloedverwanten in de eerste graad (ouder - kind) vallen niet onder het begrip gezamenlijke huishouding; bloedverwanten in de tweede graad (bijvoorbeeld grootouder - kleinkind en broer - zus) vallen wel onder de omschrijving.
In artikel 1 lid 2 sub c wordt een nadere aanduiding gegeven van het begrip "gezamenlijke huishouding".
In een viertal situaties wordt in ieder geval geacht sprake te zijn van een gezamenlijke huishouding. Hebben twee personen in dezelfde woning het hoofdverblijf en doet zich een dergelijke situatie voor, dan worden zij zonder nadere bewijsvoering en zonder de mogelijkheid van tegenbewijs geacht een gezamenlijke huishouding te voeren. In de vierde situatie wordt verwezen naar de situatie waarin betrokkenen elders staan geregistreerd als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de omschrijving in artikel 1, vierde lid. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, ertoe leiden dat de betrokkenen, indien zij gezamenlijk gehuisvest zijn, worden geacht een gezamenlijke huishouding te voeren.
Artikel 2
Artikel 30 van de wet schrijft voor dat de verordening vaststelt voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt verlaagd of verhoogd. De categorie indeling is gebaseerd op de WWB. De begrippen zijn nader uitgelegd in artikel 1 van de verordening.
Artikel 3 lid 1
Bij de vaststelling van de basisnorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder is de wetgever uitgegaan van de veronderstelling dat de betrokkene de bestaanskosten geheel met een ander kan delen. Indien dit niet het geval is, wordt de basisnorm verhoogd met een toeslag. In de toelichtende stukken bij het wetsvoorstel nAbw (1996) is hierover het volgende opgemerkt:
"Voor het bepalen van de hoogte van de toeslag worden alle extra algemeen noodzakelijke bestaanskosten in aanmerking genomen die de alleenstaande heeft ten opzichte van degene die met zijn partner een gezamenlijke huishouding voert. Het gaat hierbij niet alleen om woonkosten (in beperkte of uitgebreide zin) maar ook om alle andere uitgaven waarbij partners een schaalvoordeel hebben omdat zij alle kosten van huisvesting en huishouding gezamenlijk opbrengen. Bij de relatief hoge kosten waarmee alleenstaanden in beginsel worden geconfronteerd, kan met name gedacht worden aan duurzame gebruiksgoederen, zoals woninginrichting en huishoudelijke apparatuur, maar ook aan vaste lasten zoals abonnementen en kijk en luistergeld en diverse andere kosten. De toeslag dient zodanig te zijn dat de betrokkene daaruit op dezelfde wijze zijn algemene bestaanskosten kan voldoen als thans het geval is met de volledig landelijk genormeerde algemene bijstand.
Bij de beoordeling of betrokkene inderdaad hogere bestaanskosten heeft, is in voorkomende gevallen niet bepalend of deze ook feitelijk deze kosten met een ander deelt maar of het, gegeven de omstandigheden, redelijk is er van uit te gaan dat deze kosten kunnen worden gedeeld. In bijvoorbeeld de situatie dat een hoofdbewoner de woning met een ander bewoont, zou een ongewenste gebruikersruimte ontstaan als de hoogte van de toeslag ervan afhankelijk is of de medebewoner, hoewel deze daartoe financieel in staat is, ook feitelijk een bijdrage levert in de woonkosten. (...) Hiertoe wordt gesproken van het "kunnen delen" van de kosten. Met deze omschrijving beoogt het kabinet uitdrukkelijk niet aan te geven dat van de betrokkene kan worden gevergd dat deze bijvoorbeeld zijn woonsituatie aanpast om zo met een lagere bijstandsuitkering te kunnen volstaan".
De mate waarin de bestaanskosten kunnen worden gedeeld, bepaalt de hoogte van de toeslag. De toeslag maakt een integraal onderdeel uit van de bijstandsuitkering. De algemene inlichtingenverplichting die op de aanvrager rust, geldt ook voor het toeslagendeel. Aanvrager zal dan ook door middel van het overleggen van gegevens het recht moeten aantonen.
Artikel 3 lid 2 en lid 3
De toeslag bedraagt het maximum van 20% wanneer de noodzakelijke kosten niet met een ander kunnen worden gedeeld omdat geen ander in de woning zijn hoofdverblijf heeft. De toeslag bedraagt 10% wanneer de kosten wel, maar niet geheel (zoals bij echtparen), kunnen worden gedeeld.
Artikel 3 lid 4
De toeslag wordt ondanks woningdeling in een drietal gevallen toch vastgesteld op 20%.
· Bij medebewoning van iemand die verzorgingsbehoeftig is, vindt geen verlaging plaats in verband met medebewoning, op de uitkering van degene die de verzorgingsbehoeftige verzorgt. Ondanks dat de verzorgingsbehoeftige wel bij kan dragen aan de noodzakelijke kosten, achten we een verlaging van de toeslag maatschappelijk niet gewenst.
· Is er een inwonend kind ouder dan 18 jaar, maar jonger dan 21 jaar en heeft het inkomsten tot maximaal de van toepassing zijnde bijstandsnorm plus 10% van de toeslag dan vindt er geen verlaging plaats op de maximale toeslag. Bedraagt het inkomen meer dan zal er wel een verlaging van de toeslag dienen plaats te vinden.
· In dit geval is er sprake van een zakelijke relatie. Wel moet worden vastgesteld of betrokkenen niet als echtpaar kunnen worden aangemerkt i.v.m. het zorg dragen voor elkaar.
· Wanneer er een inwonend kind is met een inkomen uit WSF (basisuitkering, aanvullende uitkering en rentedragende lening) met daarnaast nog een inkomen tot maximaal de hoogte van 10% toeslag, dan vindt er geen verlaging plaats.
Artikel 4 lid 1
De bijstandsuitkering wordt geacht voldoende te zijn om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. De kosten van het wonen maken daar deel van uit. Indien betrokkene geen woonkosten heeft, wordt de uitkering verlaagd. Dit doet zich met name voor bij daklozen, krakers en personen waarbij de woonkosten (omschreven in art. 1 lid 1) door een ander worden betaald. Dit laatste doet zich bv. voor als de huur na een echtscheiding betaalt wordt door de ex-partner
In dit artikel wordt de bewijslast voor de aanwezigheid van woonkosten nadrukkelijk bij de aanvrager gelegd.
Artikel 4 lid 2 en 3
Zoals gemeld in art. 1 kunnen thuislozen wel kosten hebben. Indien zij de kosten kunnen aantonen ontvangen ze derhalve de toeslag van 10%. Zijn de kosten hoger dan de in l en m genoemde bedragen dan ontvangt men een toeslag van 20%.
Artikel 5 lid 1 en 2
De wetgever heeft in art. 30 van de wet bepaald dat de toeslag voor alleenwonende alleenstaanden, of alleenstaande ouders, vanaf 21 jaar, moet worden vastgesteld op het maximum van 20% wettelijk minimum loon. Artikel 29 van de wet bepaalt dat de toeslag kan worden verlaagd voor 21- en 22 jarigen wanneer de hoogte van de toeslag een belemmering kan zijn voor de aanvaarding van arbeid.
Genoemde bedragen zijn afgestemd op de Wajong (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapte). Immers de Wajong is een voorliggende voorziening en wordt derhalve geacht toereikend te zijn om in de kosten van bestaan te kunnen voorzien. Met genoemde bedragen behoudt de WWB de functie als inkomensvangnet en -trampoline.
Artikel 6 lid 1
Degene die recentelijk het onderwijs of de beroepsopleiding heeft beëindigd, op grond waarvan er recht bestond op een toelage in het kader van de Wet op de studiefinanciering dan wel kinderbijslag, ontvangt een lagere uitkering. De verlaging is gebaseerd op het bedrag dat in de toelage studiefinanciering zit voor de kosten van levensonderhoud. De reden hiervoor is dat de omstandigheden en mogelijkheden van degenen die recentelijk het onderwijs of de beroepsopleiding hebben beëindigd gedurende een zekere periode zodanig vergelijkbaar zijn met die van studerenden, dat voor hen de noodzakelijke bestaanskosten in beginsel op hetzelfde niveau worden gesteld als dat voor hen tijdens de studieperiode op grond van de Wet op de studiefinanciering was gegarandeerd.
Artikel 6 lid 2
De verlaagde uitkering geldt voor een periode van zes maanden, aansluitend op de datum waarop het onderwijs of de beroepsopleiding is beëindigd. Indien tussentijds de bijstandsverlening wordt beëindigd als gevolg van werkaanvaarding, heeft dit geen invloed op de termijn van zes maanden.
Artikel 6 lid 3
Op alleenstaande ouders met kinderen kan indachtig de artikelen 9 lid 2 en 9 lid 4 een (tijdelijke) ontheffing van de arbeidsverplichting van toepassing zijn. Wanneer de betreffende alleenstaande ouder tevens schoolverlater is, is gedurende de vrijstelling de motivering voor een verlaging van de toeslag bij schoolverlaters niet van toepassing. De verlaging voor schoolverlaters moet in dergelijke situaties dan ook niet toegepast worden .
Artikel 7 lid 1 en 2
Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen op. Deze schaalvoordelen treden op omdat de woonlasten kunnen worden gedeeld. De kosten van huur, heffingen, belastingen, verzekeringen, vastrecht nutsbedrijven en dergelijke zijn voor personen die een woning delen lager, omdat deze kosten per woning slechts eenmaal in rekening worden gebracht. Deze schaalvoordelen worden berekend op 10% van het wettelijk minimumloon.
Artikel 7 lid 3
De uitkering wordt ondanks woningdeling in een drietal gevallen niet verlaagd.
· Bij medebewoning van iemand die verzorgingsbehoeftig is, vindt geen verlaging plaats in verband met medebewoning, op de uitkering van degene die de verzorgingsbehoeftige verzorgt. Ondanks dat de verzorgingsbehoeftige wel bij kan dragen aan de noodzakelijke kosten, achten we een verlaging van de toeslag maatschappelijk niet gewenst. Ook zijn er vaak extra kosten.
· Is er een inwonend kind ouder dan 18 jaar, maar jonger dan 21 jaar en heeft het inkomsten tot maximaal de van toepassing zijnde bijstandsnorm plus 10% van de toeslag dan vindt er geen verlaging plaats op de maximale toeslag. Bedraagt het inkomen meer dan zal er wel een verlaging dienen plaats te vinden.
· Wanneer er een inwonend kind is met een inkomen uit WSF (basisuitkering, aanvullende uitkering en rentedragende lening) met daarnaast nog een inkomen tot maximaal de hoogte van 10% toeslag, dan vindt er geen verlaging plaats.
Artikel 8 lid 1
Artikel 26 van de wet zegt dat burgemeester en wethouders de bijstandsnorm of de toeslag kunnen verlagen voor zover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van de bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden.
De bijstandsuitkering wordt geacht voldoende te zijn om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. De kosten van het wonen maken daar deel van uit. Indien betrokkene geen woonkosten heeft, wordt de uitkering verlaagd. Dit doet zich met name voor bij daklozen, krakers en personen waarbij de woonkosten (omschreven in art. 1 lid 1) door een ander worden betaalt. In dit artikel wordt de bewijslast voor het aanwezig zijn van woonkosten nadrukkelijk bij de aanvrager gelegd.
Artikel 8 lid 2 en 3
Indien thuislozen wel aantoonbaar woonkosten hebben, wordt hun uitkering verlaagd met 10%. Indien deze aantoonbare aan het verblijf verbonden kosten gelijk of meer bedragen dan de onder artikel 1 onder l en m genoemde bedragen wordt de uitkering niet verlaagd.
Artikel 9 lid 1
De betrokkene die recentelijk het onderwijs of de beroepsopleiding heeft beëindigd, op grond waarvan er recht bestond op een toelage in het kader van de Wet op de studiefinanciering dan wel kinderbijslag, ontvangt een lagere uitkering. De reden hiervoor is dat de omstandigheden en mogelijkheden van alleenstaanden die recentelijk het onderwijs of de beroepsopleiding hebben beëindigd gedurende een periode van een half jaar zodanig vergelijkbaar zijn met die van studerenden, dat voor hen de noodzakelijke bestaanskosten in beginsel op hetzelfde niveau worden gesteld als voor hen tijdens de studieperiode op grond van de Wet op de studiefinanciering was gegarandeerd. Bij de vaststelling van de verlaging wordt rekening gehouden met het feit dat de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan stijgen in verband met een wijziging in het uitgaven patroon. Een beperking tot alleenstaande is ingegeven door de andere maatschappelijke positie die gehuwden en alleenstaande ouders innemen alsmede om verdere differentiatie in de norm te voorkomen.
Artikel 9 lid 2
De verlaagde uitkering geldt voor een periode van zes maanden, aansluitend op de datum waarop het onderwijs of de beroepsopleiding is beëindigd. Indien tussentijds de bijstandsverlening wordt beëindigd als gevolg van werkaanvaarding, heeft dit geen invloed op de termijn van zes maanden.
Artikel 9 lid 3
Uitgangspunt van de korting is de relatie met het bedrag dat in de studiefinanciering zit voor de kosten van levensonderhoud. Omgerekend naar een percentage van de uitkering bedraagt deze korting, afgerond 25%. Daar de kosten van het bestaan stijgen onder meer als gevolg van de activiteiten die betrokkene dient te verrichten in het kader van arbeidsinschakeling (sollicitaties, aanschaf kleding en dergelijke), wordt de korting vastgesteld op 20%.
Artikel 9 lid 5
Indien van een echtpaar/samenwonend stel één van beide partners als schoolverlater wordt aangemerkt, wordt gedurende een periode van maximaal een half jaar een korting toegepast van 20% van het minimum loon. Op deze wijze toegepast, heeft de korting betrekking op het totale gezinsinkomen.
Indien na afloop van de korting de andere partner afstudeert, zou volgens de oude verordening opnieuw een korting van toepassing zijn. Dit betekent dat tweemaal een korting op het gezinsinkomen wordt toegepast. Met deze verordening wordt de genoemde verlaging slechts eenmalig toegepast.
Artikel 10 lid 1
Indien gebruik wordt gemaakt van de verlagingsmogelijkheden zoals in deze verordening zijn genoemd dient rekening te worden gehouden met de effecten van cumulatie van factoren. Een dergelijke cumulatie kan er namelijk toe leiden dat de uitkering die overblijft onvoldoende is om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
Indien belanghebbende gelijktijdig zou vallen onder de verlagingscategorieën schoolverlaters en leeftijdsverlaging dan dient de hoogste verlaging te worden toegepast.
Artikel 10 lid 2
In afwijking van lid 1 kan de uitkering in individuele gevallen lager worden vastgesteld. Dit is dan niet gestoeld op deze verordening maar kent andere oorzaken, zoals toepassing van de Afstemmingsverordening WWB.
Artikel 11 lid 1 en 2
Het is door de wetgever niet toegestaan om een gezamenlijke huishouding tussen meer dan twee personen als zodanig aan te merken. Een gezamenlijke huishouding is slechts mogelijk tussen twee personen. De overige inwoners kunnen worden aangemerkt als woningdeler. Het is vervolgens relevant wie als gezamenlijke huishouding worden aangemerkt. Lid 1 geeft de algemene regel. Op grond van de feitelijke situatie kan hiervan worden afgeweken.
Artikel 12 lid 1
Indien de bijstandsgerechtigden uit verhuur of kostgangerschap inkomsten ontvangt, vindt er een verlaging plaats van 10 procent. Door het ontvangen van inkomsten worden de woonlasten gedeeld en zijn de algemeen noodzakelijke bestaanskosten van de verhuurder/kostgever lager.
Bij twee huurders/kostgangers is de verlaging eveneens 20 procent en worden inkomsten van de tweede en eventueel volgende huurders/kostgangers forfaitair gekort op de uitkering als inkomsten zoals gesteld in artikel 1 l en m.
4.Indexering commerciële huurprijs/kostgangersovereenkomst
In artikel 1 lid 1 sub l en m staan de bedragen genoemd die gelden bij inwerkingtreding van de toeslagen verordening (1 juli 2008). In artikel 15 lid 3 wordt aangegeven dat deze bedragen jaarlijks geïndexeerd moeten worden.