Gemeentelijke regelgeving

Verordening op de heffing en de invordering van watertoeristenbelasting 2026

Gemeente De Ronde Venen · geldt sinds 1 januari 2026

Aanhef

De raad van de gemeente De Ronde Venen;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;

gelet op artikel 224 van de Gemeentewet;

besluit vast te stellen de volgende verordening:

Verordening op de heffing en de invordering van watertoeristenbelasting 2026

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

a.vaartuig: een vaartuig dat is bestemd of wordt gebezigd voor vakantie- of andere recreatieve doeleinden;

b.lengte: de lengte over alles;

c.vaste ligplaats: een ligplaats die naar plaatselijk gebruik, zulks ter beoordeling van het college van burgemeester en wethouders, is bestemd voor het regelmatig afmeren of ter anker leggen van een vaartuig en die ter beschikking wordt gesteld voor eenzelfde vaartuig gedurende een seizoen;

d.etmaal: een aaneengesloten tijdvak van 24 uren, aanvangend om 21.00 uur;

e.maand: een aaneengesloten tijdvak van 30 etmalen;

f.seizoen: het tijdvak van 1 april tot en met 31 oktober;

g.schipper: de gezagvoerder van een vaartuig of degene die deze vervangt;

h.Weekendschip: een vaar- of drijftuig, dat uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen, of blijkens zijn constructie en/of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd tot woon- of nachtverblijf van één of meer personen, ongeacht of het blijvend, dan wel tijdelijk feitelijk als zodanig wordt gebruikt.

Artikel 2. Belastbaar feit

Onder de naam 'watertoeristenbelasting' wordt een directe belasting geheven voor het houden van verblijf op vaartuigen die aanwezig zijn in wateren binnen de gemeente tegen een vergoeding in welke vorm dan ook, door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven.

Artikel 3. Belastingplicht

1Belastingplichtig is degene die gelegenheid biedt tot het houden van verblijf als bedoeld in artikel 2 door het ter beschikking stellen van ligplaatsen of vaartuigen.

2De belastingplichtige is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene die verblijf houdt als bedoeld in artikel 2.

3Als er geen persoon is aan te wijzen die gelegenheid biedt tot het houden van verblijf, is belastingplichtig:

a.de schipper,

b.de eigenaar of de gebruiker van een vaartuig, of

c.degene die werkelijk verblijf houdt aan boord van een vaartuig.

Artikel 4. Vrijstellingen

De belasting wordt niet geheven ter zake van het verblijf:

1door degenen die verblijf houden aan boord van:

a.een vaartuig dat is ingericht en wordt gebruikt voor verpleging of verzorging van zieken, van gebrekkigen, van hulpbehoevenden of van bejaarden;

b.kano's, roei- en volgboten;

c.motor- en zeilboten met een lengte van ten hoogste 4 meter;

d.een vaartuig dat zich op last of bevel van de overheid in het gemeentelijke watergebied bevindt;

2waarvoor de gemeente belasting heft ingevolge de verordening op de heffing en invordering van forensenbelasting en toeristenbelasting;

3van een vreemdeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, die rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, letters c, d, f, g, h, van voornoemde wet, en voor zover deze persoon verblijf houdt in een gelegenheid als bedoeld in artikel 2 van de Verordening, onder verantwoordelijkheid van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers;

4van degene die tijdelijk in de gemeente verblijft als deelnemer aan een door een school vallend onder de Wet op het voortgezet (speciaal) onderwijs (WVO) van een in het kader van het onderwijs georganiseerd zeilkamp, alsmede van degene die verblijft als deelnemer aan een door een vereniging, scoutinggroep of andere vorm van een door een vrijwilligersorganisatie georganiseerd zeilkamp.

Artikel 5. Maatstaf van heffing

1De belasting wordt geheven naar het aantal verblijven in het belastingtijdvak. Het aantal verblijven wordt gesteld op de som van het aantal etmalen dat elke in artikel 2 bedoelde persoon verblijf heeft gehouden. Voor de toepassing van dit artikel wordt een gedeelte van een etmaal voor een vol etmaal gerekend.

2In afwijking van het eerste lid, wordt met toepassing van artikel 6, lid 2, de belasting geheven naar een vast bedrag per vaste ligplaats.

3Op een door de belastingplichtige bij de aangifte gedaan verzoek wordt de maatstaf van heffing als bedoeld in het tweede lid vastgesteld op het werkelijk aantal verblijven als bedoeld in het eerste lid, als blijkt dat dit resulteert in een lager aanslagbedrag.

Artikel 6. Belastingtarief

1Het tarief bedraagt per persoon per verblijf € 2,05.

2In afwijking van het eerste lid kan het aantal verblijven als bedoeld in artikel 5 lid 2 aangegeven worden naar vaste tarieven per vaste ligplaats zoals aangegeven in lid 3.

3Het tarief bedraagt, per vaste ligplaats, met betrekking tot:

a.Een vaartuig met een oppervlakte van ten hoogste 15m2: € 100,00;

b.Een vaartuig met een oppervlakte van meer dan 15m2 maar niet meer dan 25m2: € 150,00;

c.Een vaartuig met een oppervlakte van meer dan 25m2: € 200,00;

d.Een weekendschip: € 500,00.

Artikel 7. Belastingtijdvak

Het belastingtijdvak is gelijk aan het seizoen.

Artikel 8. Wijze van belastingheffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 9. Aanslaggrens

Een belastingaanslag wordt niet opgelegd als het aantal etmalen dat gelegenheid tot verblijf is of wordt gegeven, tijdens het belastingtijdvak minder dan tien zal of heeft belopen.

Artikel 10. Termijnen van betaling

1In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, en de tweede termijn twee maanden later.

2De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 11. Aanmeldingsplicht

1De belastingplichtige als bedoeld in artikel 3, eerste lid, is gehouden, voordat hij voor de eerste maal na het in werking treden van deze verordening gelegenheid tot verblijf verschaft, zulks schriftelijk te melden aan de heffingsambtenaar.

2De verplichting als bedoeld in het voorgaande lid geldt niet voor de belastingplichtige die met betrekking tot het jaar voorafgaand aan het belastingjaar in de heffing van de watertoeristenbelasting betrokken is.

Artikel 12. Registratieplicht

1De belastingplichtige bedoeld in artikel 3, eerste lid, is verplicht per belastingjaar een verblijfsregister bij te houden.

2De vorm van het verblijfregister is vrij, maar bevat tenminste met betrekking tot een ieder aan wie gelegenheid tot verblijven wordt verschaft, de volgende gegevens:

a.Naam en woonplaats van de (hoofd)persoon die verblijft, of naam van het vaartuig;

b.aantal van het gezin of de groep waarmee men verblijft;

c.datum van aankomst en datum van vertrek;

d.het aantal verblijven ter zake waarvan belasting verschuldigd is.

3Voor zover op grond van andere wet- of regelgeving geen langere termijn geldt, geldt voor het verblijfregister een bewaartermijn van 7 jaar.

Artikel 13. Aangifteplicht

De belastingplichtige, bedoeld in artikel 3, eerste lid, is gehouden, indien hij niet binnen vier weken na afloop van het belastingjaar een uitnodiging heeft ontvangen tot het doen van aangifte, binnen twee weken na afloop van deze termijn schriftelijk aan de aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet, tot een uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.

Artikel 14. Kwijtschelding

Ter zake de watertoeristenbelasting, zoals bedoeld in deze verordening, wordt geen kwijtschelding als bedoeld in artikel 26 van de Invorderingswet 1990 verleend.

Artikel 15. Inwerkingtreding en citeertitel

1De ‘Verordening watertoeristenbelasting 2025’ wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

2Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

3De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

4Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening watertoeristenbelasting 2026.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.