Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels artikel 13b Opiumwet (Wet Damocles) 2026

Gemeente De Bilt · geldt sinds 8 mei 2026

2. Juridisch kader

2.1 Bevoegdheid en beleidskader

2.1.1 Kwalificatie drugshandel

In deze beleidsregels wordt onder “drugshandel” verstaan: de verkoop, aflevering of verstrekking van drugs dan wel de aanwezigheid van drugs daartoe, een en ander zoals bedoeld in artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling mag worden aangenomen dat een meer dan geringe hoeveelheid drugs niet, althans niet uitsluitend, voor eigen gebruik van een persoon bestemd is, maar geheel of gedeeltelijk voor verkoop, aflevering of verstrekking aan derden. De hoeveelheid van de in een woning of lokaal aanwezige drugs kan dan ook indiceren dat deze voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn en dus dat artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet van toepassing is.

Om te beoordelen of de aanwezige hoeveelheid drugs erop wijst dat deze drugs voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn, kan in redelijkheid worden aangesloten bij de door het Openbaar Ministerie toegepaste criteria in de “Aanwijzing Opiumwet”, waarbij een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram en een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram als hoeveelheden in beginsel voor eigen gebruik worden aangemerkt. Wordt de voormelde hoeveelheid overschreden dan is het in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de betrokkene (op het pand) om het tegendeel aannemelijk te maken.

Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet, bevoegd om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang (lees: sluitingsmaatregel) op te leggen.

2.1.2 Kwalificatie voorbereidingshandeling

Van een “voorbereidingshandeling” in de zin van deze beleidsregels is sprake als in een woning of een lokaal, dan wel een daarbij behorend erf, voorwerpen of stoffen voorhanden zijn, die op zichzelf bezien legaal zijn, maar waarvan de betrokkene weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn om hetzij harddrugs, hetzij softdrugs – kort gezegd – te produceren in de meest ruime zin, een en ander zoals bedoeld in artikel 13b, eerste lid, onder b, van de Opiumwet.

De aangetroffen situatie c.q. de aangetroffen voorwerpen en stoffen moeten van dien aard zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de voorhanden voorwerpen gebruikt zullen worden om strafbare voorbereidingshandelingen te plegen. Dat vereist een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie of daartoe opgeleide toezichthouders vastgesteld. Het gaat bijvoorbeeld om de ter plekke aangetroffen situatie, de aard en de hoeveelheid van de in beslag genomen stof, de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie en andere uit onderzoek blijkende feitelijkheden, zoals resultaten van tapgesprekken of observaties. Bij deze beoordeling kan ook de Aanwijzing Opiumwet (o.a. paragraaf 3.2.1.) worden betrokken, zoals ingeval van voorbereidingshandelingen ten behoeve van een hennepkwekerij, waarbij aan de hand van het beoogde aantal planten, de mate van de professionaliteit en het doel van de teelt, het beroeps- of bedrijfsmatige karakter kan worden gewaardeerd. Dat geldt ook voor het Opiumwetbesluit als het gaat om de beoordeling van de grootschaligheid (artikel 1, tweede lid). Uit de rechtspraak volgt dat het voor de uitoefening van de bevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet, niet nodig is dat alle aangetroffen stoffen en voorwerpen tegelijk geschikt zijn voor het opzetten van een drugsproductiepunt. Ook als slechts een deel van de voorwerpen voorhanden is die nodig zijn voor de productie van drugs, kan de burgemeester bevoegd zijn handhavend op te treden, mits de voorhanden voorwerpen daartoe bestemd zijn (ABRvS 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:617). Voorts is voor het bestaan van de bevoegdheid niet vereist dat de betrokkene zelf wetenschap dan wel een ernstig vermoeden behoeft te hebben dat de aanwezige stoffen of voorwerpen bestemd zijn voor het bereiden van drugs (ABRvS 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2523).

De burgemeester is bevoegd indien hij/zij op basis van de feitelijke situatie voldoende aannemelijk maakt dat voorwerpen aanwezig zijn, waarvan men weet of vermoed dat deze bestemd zijn voor – kort gezegd – het bereiden van drugs.

2.2 Gebruikmaken van de bevoegdheid

2.2.1 Geschiktheid

Als eerste moet worden beoordeeld of de geschiktheid van de maatregel ter discussie staat. De maatregel die de burgemeester oplegt, moet geschikt zijn om de in deze beleidsregel gestelde doelen te bereiken. Het wettelijke doel van artikel 13b Opiumwet is het beëindigen van de overtreding en het voorkomen van herhaling. Het doel van de beleidsregel is dat de bevoegdheid op grond van artikel 13b Opiumwet zo wordt ingezet, dat de handel in drugs effectief wordt bestreden, zodat daarmee samenhangende overlast en ondermijning in de gemeente bestreden worden.

Gemeentelijke beleidsregels bevatten vaak nog specifiekere doelen, zoals de bekendheid van het pand als drugspand wegnemen of de loop van kopers en leveranciers uit het pand halen.

2.2.2 Noodzakelijkheid

Bij de invulling van de noodzakelijkheid van de toepassing van de bevoegdheid wordt aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding beoordeeld of sluiting van een pand noodzakelijk is. Een verstoring van de openbare orde (of de vrees daarvoor) is niet vereist om te oordelen dat de tijdelijke sluiting van een pand noodzakelijk is, maar kan wel gebruikt worden om die noodzaak te onderbouwen. Een sluiting kan bijvoorbeeld ook noodzakelijk zijn:

–als sprake is van een grote hoeveelheid drugs,

–ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand,

–als er in dezelfde buurt al vaker woningen zijn gesloten na de vondst van drugs,

–als het pand bekend staat als een locatie waar drugs verkregen kunnen worden,

–bij recidive, of

–om een signaal te geven dat overtreding van de Opiumwet niet toelaatbaar is.

Voor de beoordeling van de ernst en omvang van de overtreding is onder meer van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld. Met een sluiting wordt de bekendheid van het pand als drugspand weggenomen en wordt de ‘loop’ naar het pand eruit gehaald. Daarmee wordt beoogd om het pand aan het drugscircuit te onttrekken. Dat drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit het pand zoals gripzakjes, ponypacks en/of een (grammen)weegschaal.

Als er geen of weinig aanwijzingen zijn dat in of vanuit het pand drugs werden verhandeld, afgeleverd, verstrekt, of daartoe aanwezig waren, dan zal de burgemeester – als hij/zij zich op het standpunt stelt dat daarvan wél sprake was – nader moeten onderbouwen waarom dat het geval was. Slaagt de burgemeester hierin niet of onvoldoende, dan zal er doorgaans minder snel sprake zijn van een noodzaak tot sluiting. Overigens is overlast niet noodzakelijk om van de bevoegdheid van artikel 13b Opiumwet gebruik te maken. Zie bijvoorbeeld uitspraak van de RvS ECLI:NL:RVS:2020:1333. Sluiting blijft nog steeds mogelijk als sprake is van een ernstige situatie. De ernst van de situatie wordt bepaald aan de hand van de later in deze beleidsregel opgenomen indicatoren (artikel 3).

Als aanwijzingen dat drugs in of vanuit het pand werden verhandeld ontbreken, en ook andere omstandigheden ontbreken die volgens de overzichtsuitspraak van belang zijn bij de beoordeling van de noodzaak van sluiting, kan niet worden gesproken van een ernstige situatie. Daarbij gaat het onder meer om omstandigheden zoals de aanwezigheid van harddrugs, een recidivesituatie of de ligging van het pand in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk. In een dergelijk geval kan dit ertoe leiden dat geen noodzaak bestaat om het pand te sluiten.

2.2.3 Evenwichtigheid

Als de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het pand noodzakelijk is, dient hij/zij zich ervan te vergewissen dat de (duur van de) sluiting evenwichtig is. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met het pand en de mogelijkheid om na de sluiting weer van het pand gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Daarnaast moeten ook de belangen van derden meegenomen worden in deze afweging van belangen. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig, bijvoorbeeld als de betrokkene een ernstig verwijt van de overtreding kan worden gemaakt of gezien de ernst en omvang van de overtreding.

4. Onderscheid woningen en lokalen

4.1 Woningen

4.1.1 Uitgangspunt bij eerste overtreding

Zoals in de inleiding van deze beleidsregels al is toegelicht, is het wettelijk uitgangspunt dat bij een eerste overtreding van artikel 13b van de Opiumwet nog niet tot sluiting van de woning wordt overgegaan, maar dat de mogelijkheden van het opleggen van een last onder dwangsom of een andere, minder ingrijpende maatregel moeten worden verkend. Van dit uitgangspunt mag echter in ernstige gevallen worden afgeweken. In de beleidsregels wordt dienovereenkomstig bij woningen, ingeval van een eerste constatering van drugshandel of voorbereidingshandelingen als uitgangspunt gehanteerd dat volstaan wordt met een waarschuwing of een soortgelijke maatregel, zoals een last onder dwangsom. In deze beleidsregels is met het oog op de uitzondering van voornoemd uitgangspunt, nader uitgewerkt wanneer volgens de burgemeester sprake is van een ernstig geval.

4.1.2 Geen onderscheid huur- en koopwoningen

In de beleidsregels wordt voor wat betreft de te treffen maatregelen geen onderscheid gemaakt tussen huur- en koopwoningen en ook niet tussen particuliere en sociale verhuur. Voor alle type woningen geldt daarmee als uitgangspunt in beginsel hetzelfde regime. Altijd wordt maatwerk verricht, zoals toegelicht in paragraaf 1.3 en 1.4 van de beleidsregels.

Verwijzingen uitspraken en kamerstukken

1ABRvS 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3360.

2ABRvS 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840.

3Kamerstukken II 2005/06, 30 515, nr. 3, blz. 8 en Kamerstukken II 2006/07, 30 515, nr. 6, blz. 1 en 2

4ABRvS 31 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:668.

5Kamerstukken II 2000/2001, 27 874, nr. 3, p. 4.

6Inwerking getreden per 1 maart 2015; Stcr. 2015, nr. 5391.

7O.a. ABRvS 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2362; ABRvS 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:738.

8O.a. ABRvS 29 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2388.

9Stb. 2022-461, p. 14.

10O.a. ABRvS 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1447.

11Vgl. ABRvS 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1193.

12Vgl. ABRvS 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:851.

13Vgl. ABRvS 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2462.

14Vgl. ABRvS 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:368 (r.o. 4.1).

15Bijvoorbeeld artikel 1, tweede lid, van het Opiumwetbesluit.

16Vgl. ABRvS 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4046.

17Vgl. ABRvS 27 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2106.

18Vgl. ABRvS van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1174.

19ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3481.

20Vgl. ABRvS 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:719; ABRvS 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1149.

21Vgl. ABRvS 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2906.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.