Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning Capelle aan den IJssel 2021

Gemeente Capelle aan den IJssel · geldt sinds 31 augustus 2024

4 Maatwerkvoorzieningen

4.1 Woonvoorzieningen

4.1.2 Maatwerkvoorziening

Wanneer uit onderzoek blijkt dat de belemmering niet kan worden verminderd of worden weggenomen door de inzet van de eigen kracht van de cliënt, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met behulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, met (wettelijk) voorliggende voorzieningen, met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of met gebruikmaking van algemene voorzieningen of anderszin zal het in de praktijk op neerkomen op het bieden van maatwerkvoorzieningen in de vorm van woonvoorzieningen, zowel bouwkundig als niet- bouwkundig, maatwerkvoorziening voor verhuizing en (her)inrichting, maatwerkvoorziening voor tijdelijke huisvesting en huurderving.

Er dient te worden benadrukt dat het niet de bedoeling is dat een recht op een woning ontstaat. Uitgangspunt is de woning waar de cliënt zelf al over beschikt of over zal beschikken. Inmiddels is in de rechtspraak uitgemaakt dat het ondersteunen of bemiddelen bij de zoektocht naar een woning niet onder de ondersteuning van de Wmo valt.

4.1.3 Weigeringsgronden woonvoorzieningen

In een aantal situaties zal na onderzoek geen maatwerkvoorziening worden geboden, omdat er in die situaties sprake is van een zo bijzondere woonsituatie dat die niet valt onder de ondersteuning in het kader van de Wmo.

Hoofdverblijf

De woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en

-in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven; dan wel;

-zal staan ingeschreven; dan wel;

-het feitelijke woonadres indien de persoon met beperkingen met een briefadres is ingeschreven.

De gemeente waar de woning staat dient ondersteuning te bieden, behalve in de situatie waarin de persoon uit de Wmo- doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een andere gemeente.

Een aanvraag voor een maatwerk- woonvoorziening in de vorm van een verhuizing en (her) inrichting, wanneer dit niet anderszins kan worden opgelost behoort tot de ondersteuning van de vertrekgemeente.

Twee hoofdverblijven

In uitzonderingssituaties is er sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen maatwerkwoonvoorzieningen getroffen worden, niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Bovendien mag van ouders verwacht worden dat zij voorzieningen die gedeeld kunnen worden, delen denk aan roerende voorzieningen, zoals een inklapbare tillift.

Woning ongeschikt voor hele jaar bewoning

Het college biedt geen maatwerk- woonvoorziening wanneer sprake is van een zo bijzondere woonsituatie dat die niet valt onder de ondersteuning in het kader van de Wmo. Hier gaat het enerzijds uit om woonsituaties die niet bestaan uit een permanent zelfstandig woonverblijf, zoals hotels en pensions, kamerverhuur en tweede woningen.

Bezoekbaar maken woonruimte, niet zijnde hoofdverblijf

Maatwerk- woonvoorzieningen kunnen worden getroffen aan een woning niet zijnde hoofdverblijf, in het kader van het bezoekbaar maken van de woning. Dit betreft een bovenwettelijke voorziening, waar de Wmo in principe geen ondersteuning voor biedt, nu het hier geen hoofdverblijf betreft.

Deze bovenwettelijke voorziening is beperkt tot:

-het kunnen bereiken van de woonruimte;

-het kunnen bereiken van de woonkamer;

-het kunnen uitvoeren van toiletgang.

Met het gebruiken van een toiletvoorziening is ook gebruik van een losse toiletstoel inbegrepen. De eventueel noodzakelijke verstrekking van een tilvoorziening/transferhulpmiddel om de toiletvoorziening te kunnen gebruiken valt ook onder de bovenwettelijke ondersteuning. Het bezoekbaar maken van de woning is gemaximeerd tot een bedrag vastgesteld in het Besluit. Alle overige voorwaarden van deze beleidsregels zijn onverkort van toepassing op deze bovenwettelijke toepassing.De gemeente waarin de Wlz- instelling zich bevindt en de persoon zijn hoofdverblijf heeft, is verantwoordelijk voor het bezoekbaar maken van een woning. De CRvB oordeelt dat het college uitsluitend personen moet compenseren die in de betreffende gemeente woonplaats hebben. Bovendien kan een persoon niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats hebben. De vraag waar iemand woonplaats heeft, is afhankelijk van concrete feiten en omstandigheden. Doorgaans zal een bewoner van een Wlz- instelling woonplaats hebben in de gemeente waar de Wlz- instelling staat. Deze gemeente is dan verantwoordelijk voor het compenseren (zie CRvB 22-09-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO0285. In het kader van bezoekbaar maken is geen ruimte om het wonen in een gewone woning op een lijn te stellen met verblijf in een Wlz- instelling (CRvB 18-04-2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA5310 en CRvB 22-09-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO0285).

De gemeente Capelle aan den IJssel biedt geen ondersteuning in de vorm van maatwerk- woonvoorzieningen in het kader van logeerbaar maken van een woning.

Aard van de gebruikte materialen & achterstallig onderhoud

Een maatwerk- woonvoorziening wordt niet verstrekt als de belemmeringen het gevolg zijn van de aard van de gebruikte materialen.

Ook als de belemmeringen voortkomen uit achterstallig onderhoud van de woning dan wel het gevolg zijn van de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de daaromtrent geldende wettelijke eisen kan niet worden overgegaan tot ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening (CRvB 01-10-2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AM5445). Hierop wordt een uitzondering gemaakt indien de cliënt goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de woningeigenaar te doen wegnemen en met oog op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen redelijkerwijs aanvaardbaar tijdbestek geen uitzicht was op opheffing van die gebreken (CRvB 03-07-2013, nr. 11/4346 WMO, zie ook Rechtbank 's-Hertogenbosch 07-06-2010, nr. AWB 09/2976 WMO).

Aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten

Een maatwerk- woonvoorziening in gemeenschappelijke ruimten wordt geweigerd, tenzij het gaat om:

-het verbreden van toegangsdeuren;

-het aanbrengen van elektrische deuropeners;

-de aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang tot de woning;

-drempelhulpen en vlonders;

-een opstelplaats voor een rolstoel of een vervoersvoorziening bij de toegangsdeur van het woongebouw.

Naar het oordeel van de CRvB is bovenstaande in het algemeen niet in strijd met de ondersteuning die de gemeente moet bieden (CRvB 02-11-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU4344), maar andersoortige ondersteuning is nog wel noodzakelijk. Het college kan dan bijvoorbeeld in plaats van een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte, een voorziening gericht op verhuizen & (her) inrichten bieden (CRvB 10-03-2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO6578.

Uitgesloten woonruimten

Specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte gebouwen:

Een maatwerk- woonvoorziening wordt niet getroffen in specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen. Dit geldt dan voor voorzieningen:

-in gemeenschappelijke ruimten; of

-voorzieningen die zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen bij:

-(nieuw)bouw;

-verbouw; of

-renovatie.

Deze bepaling is een verbijzondering is van de bepaling dat geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt indien de voorziening algemeen gebruikelijk is.

Een voorziening in een specifiek voor gehandicapten of ouderen bedoeld gebouw is in principe algemeen gebruikelijk als CRvB 03-06-2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI9087 en CRvB 09-03-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL7235):

-CRvB 03-06-2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI9087 en CRvB 09-03-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL7235):op grond van wettelijke voorschriften,

algemeen aanvaarde regels of contractuele bepalingen

Doelgroepenwoning

Doelgroepenwoningen zijn woningen of een zelfstandig deel van een woning waar service wordt verleend en die qua inrichting specifiek is gebouwd voor een bepaalde doelgroep. Denk hierbij aan:

-Serviceflats

-Aanleunwoningen, vaak aan/in of nabij een verzorgingshuis, niet zijnde een Wlz- woning

-ADL- woningen; levensloopbestendig, zogenaamde ‘MIVA’-woningen, in ieder geval rolstoel toe- en doorgankelijke woningen en dus als zodanig aangemerkt

-Fokus- woningen

-Wlz- instellingen: verzorgingshuis, verpleeghuis, gezinsvervangend tehuis

De verschillende termen voor doelgroepenwoningen worden door elkaar gebruikt. Het gaat er uiteindelijk om welk ‘label’ aan een betreffend gebouw wordt toegekend. Veelal zijn senioren- of 55+-woningen (zonder service labelling) geen doelgroepenwoningen. Dit zijn woningen die zich richten op een specifieke groep bewoners, maar biedt geen specifieke faciliteiten (service). Het is dus van belang goed na te gaan hoe het woongebouw ‘bekend staat’, bij de woningeigenaar.

Onderverdeling doelgroepenwoning

In onderstaande tabellen staat weergegeven hoe de doelgroepenwoningen te definiëren, te weten rollator- of rolstoelgeschikt en welke specifieke kenmerken hiertoe behoren.

Type woning

Rollator-geschikt

Rolstoel-geschikt

Serviceflat

X

Aanleunwoningen

X

ADL-woningen

X

Tabel 1 Verdeling type woning naar rollator- en rolstoelgeschiktheid

Basis-uitrustingsniveau voor doelgroep woningen

Rollator-geschikt

Rolstoel-geschikt

Gelijkvloerse woning of alle ADL functies  wonen, koken, slapen, wassen, op één verdieping

X

X

Woning op begane grond of bereikbaar met lift

X

X

Toegangspad tot wooncomplex geschikt met rollator, dus geen hoge drempels en losse tegels, etc.

X

X

Toegangspad tot wooncomplex en woning min. 1.20 m breed met een maximale helling van 1:12

X

Alle deuren in het wooncomplex zijn met een rollator doorgankelijk, wat ook betekent elektrische deuropeners

X

X

Alle gemeenschappelijke deuren en voordeuren van de woning hebben een minimale dagmaat van 85 cm.

X

X

Alle deuren in de woning zijn doorgankelijk met een rollator (ongeveer 80 cm. dagmaat)

X

X

Alle deuren in de woning hebben een minimale dagmaat van 85 cm.

X

Voldoende manoeuvreerruimte voor een rollator, zowel in de algemene ruimte als in de keuken, toilet, natte cel, slaapkamer.

X

X

Voldoende manoeuvreerruimte voor een rolstoel, zowel in de algemene ruimte als in de keuken, toilet, natte cel en slaapkamer.

X

Geen niveauverschillen van meer dan 2 cm. in/om de woning, dus ook niet om de buitenruimtes te betreden (zoals balkon en tuin).

X

X

Vlakke douchevloer aanwezig (evt. naast bad)

X

X

Bedieningselementen (zoals doorspoelsysteem toilet, kranen, lichtschakelaars) bereikbaar vanuit rolstoel

X

Er dient een bergingsruimte aanwezig te zijn, incl. geaarde wandcontactdoos, geschikt voor het stallen van een elektrische rolstoel/ scootmobiel

X

Tabel Specificaties rollator- rolstoelgeschiktheid, per aanpassing/voorziening

Maatwerkvoorzieningen om te komen tot beschreven basisuitrustingsniveau worden niet verstrekt. Er wordt verwacht dat de woningen in deze complexen bruikbaar zijn voor deze doelgroepen en deze voorzieningen dus aanwezig.

Niet verhuisd naar de beschikbare meest adequate woning

Uitgangspunt is dat van de cliënt verlangd mag worden dat hij inspanningen verricht op het verkrijgen van een woning die voor hem adequaat is of naar de woning die het goedkoopst adequaat te maken is. Geen maatwerk- woonvoorziening wordt verstrekt indien de aanvraag verband houdt met een verhuizing en de cliënt niet verhuist of verhuisd is naar de voor hem op dat moment beschikbare meest geschikte woning. Uitzondering hierop is de situatie waarin het college schriftelijk toestemming heeft gegeven voor de verhuizing.

Tevens kan van de cliënt worden verlangd dat hij zich in verband hiermee in een zo vroeg mogelijk stadium in verbinding stelt met de gemeente. Dit om het college zodoende de mogelijkheid te geven om na te gaan of er voor de cliënt (goedkopere) eveneens adequate oplossingen voorhanden zijn en te bepalen wat de meest adequate en zo goedkoop mogelijke oplossing is.

Als het college een maatwerk- woonvoorziening wil weigeren omdat de cliënt niet naar de meest adequate woning is verhuisd, dient het college aannemelijk te maken dat er woningen beschikbaar waren die meer adequaat zijn dan de door de cliënt gekozen woning. Wanneer het laatste door het college aannemelijk is gemaakt, is het aan de cliënt om het tegendeel met controleerbare gegevens aannemelijk te maken.

Bij een verhuizing naar een inadequate woning kan de cliënt wel in aanmerking komen voor een maatwerk- woonvoorziening als er geen adequate woning beschikbaar was ten tijde van de verhuizing. In dit geval kan van de cliënt wel worden verlangd dat hij naar een woning verhuist die het goedkoopst adequaat te maken is. Als de cliënt dit nalaat wordt geen maatwerk- woonvoorziening verstrekt.

Voorzienbaarheid en onverwacht optredende noodzaak

Het is voor gemeenten onder de Wmo 2015 wel mogelijk om een voorziening af te wijzen op de grond dat deze voorzienbaar was, mits deze voorzienbaarheid gebaseerd is op de beperkingen van de cliënt en er sprake is van de situatie van het betrekken van een ongeschikte woning (CRvB 15-05-2013, nr. 11/713 WMO).

Onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt valt ook het rekening houden met zijn eigen situatie. Dat wil zeggen dat de cliënt, net zoals wanneer het gezin groeit, de cliënt zelf verantwoordelijk is voor het zoeken en verwerven van een grotere en passender woning.

In de situatie van gezinsuitbreiding waardoor de geschikte woning te klein wordt kan gesproken worden van een voorspelbare/voorzienbare situatie. Het is de eigen verantwoordelijkheid deze consequentie in de afwegingen mee te nemen. Hetzelfde geldt bij het aanvaarden van een andere baan in een andere plaats, wanneer hiertoe geen strikte noodzaak was.

Wlz-indicatie

Een pgb voor een woonvoorziening wordt niet verstrekt wanneer de cliënt een Wlz-indicatie heeft en thuiswonend is én de beperkingen ook met inzet van zorg uit de Wlz-indicatie voldoende kunnen worden gecompenseerd. Hierbij valt te denken aan een wasföhninstallatie waarbij de Wlz-indicatie ook compensatie biedt in de vorm van ondersteuning bij de toiletgang (CRvB 5-8-2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1747).

4.1.4 Afschrijvingstermijn bouwkundige woonvoorzieningen

De Wmo biedt geen ondersteuning in de vorm van een maatwerk- woonvoorziening wanneer de belemmering in het gebruik van de woning door de cliënt kan worden opgeheven in het kader van reguliere renovatie of door aanpassingen aan de eisen van de tijd. Dit daar dit als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de afschrijvingstermijn voor voorzieningen die in de sociale woningbouwsector wordt gehanteerd. Een voorbeeld hiervan is een cliënt die als gevolg van zijn beperkingen, belemmeringen in het gebruik van het bad ervaart. De belemmering kan alleen worden opgeheven door verwijdering van het bad en het realiseren van een gelijkvloerse douchehoek. Gebleken is echter dat de bad meer dan 20 jaar oud is en zodoende volledig is afgeschreven. De afschrijvingstermijn van een bad in de sociale woningbouwsector is 20 jaar. De kosten voor verwijdering van het bad en realiseren van een gelijkvloerse douchehoek zijn hiermee in beginsel algemeen gebruikelijk (Rechtbank 's Gravenhage 07-03-2012, nr. AWB 11/4293) (Rechtbank Leeuwarden 22-04-2010, ECLI:NL:RBLEE:2010:BM2693). Ook in een huurhuis kan sprake zijn van een algemeen gebruikelijke renovatie. De verhuurder is dan in beginsel verantwoordelijk voor de renovatie. In het geval de verhuurder niet meewerkt aan de renovatie zal het college de aanpassingen die noodzakelijk zijn op grond van de Wmo moeten verstrekken. Daarbij hoeft het college dan niet de gehele badkamer of keuken aan te passen maar alleen dat deel dat noodzakelijk is ter compensatie van de beperkingen

4.1.5 Geen noodzaak reeds gerealiseerde woonvoorziening

Wanneer de cliënt voor de melding reeds op eigen kracht of met behulp van mantelzorg of personen uit zijn sociale netwerk een maatwerk- woonvoorziening heeft gerealiseerd, kan op het moment van aanmelding gesteld worden dat de cliënt op dat moment geen belemmeringen ondervindt waarvoor ondersteuning in de vorm van een maatwerk- woonvoorziening in het kader van de Wmo noodzakelijk is. Te denken valt hierbij aan een cliënt die volledig rolstoelafhankelijk is, waarvoor hij de douchehoek in de natte cel heeft laten aanpassen. Na realisatie hiervan meldt de cliënt zich met het verzoek om een maatwerk- woonvoorziening in de vorm van een aanpassing aan de natte cel in het kader van de Wmo. Er kan niet worden overgegaan tot verstrekking. Hierbij staat ook los dat een cliënt niet eerder op de hoogte is van de mogelijkheid om aanpassingen aan de natte cel in haar woning mogelijkerwijs via de Wmo vergoed te krijgen. De onbekendheid van een cliënt met de terzake geldende regeling komen voor diens eigen rekening en risico.

4.1.6 Stalling (driewiel)fiets

Een maatwerk- woonvoorziening wordt niet verstrekt in het kader van het stallen van een fiets of een driewielfiets. De stalling van een fiets of driewielfiets kan als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt waar de cliënt zelf verantwoordelijk voor is. Reden hiervoor is dat de noodzaak voor de berging voor de stalling van de (driewiel)fiets ontbreekt en er geen sprake is van een rechtstreeks verband met het opheffen en verminderen van de beperkingen van de cliënt.

4.1.7 Primaat van verhuizing

Het primaat van verhuizen betekent dat het verstrekken van een voorziening voor verhuizing en inrichting voorrang heeft op andere woonvoorzieningen. Een voorziening voor verhuizing en inrichting is de financiele tegemoetkoming. De achterliggende gedachte bij het primaat van verhuizing is dat er zo efficiënt mogelijk met de beschikbare middelen en de woningvoorraad wordt omgegaan.

Wanneer een maatwerkvoorziening noodzakelijk is om de belemmering in het gebruik van de woning op te heffen en/of te verminderen wordt eerst beoordeeld of een verhuizing naar een reeds geheel aangepast woning, of naar een goedkoper en makkelijker aan te passing woning een oplossing is.

Voordat het college het verhuisprimaat toepast, moet een belangenafweging worden gemaakt tussen het aanpassen van de huidige woning of het verhuizen naar een andere woning (zie Rechtbank Groningen 30-03-2010, nr. AWB 09/1259 WMO en Rechtbank 's-Hertogenbosch 06-01-2011, nr. AWB 09/5150). Dat onderzoek betreft de beperkingen van de aanvrager, de bouw- en woontechnische kenmerken van zijn woning en alle andere relevante feiten en omstandigheden (CRvB 09-12-2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK6971 en CRvB 31-08-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR6619)

Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen, omdat elke situatie van een cliënt weer anders is. Wel wordt hieronder in grote lijnen een overzicht gegeven van een aantal vaak voorkomende factoren, die afhankelijk van de situatie, een rol kunnen spelen bij de besluitvorming.

Het primaat van verhuizen komt pas aan de orde wanneer uit onderzoek is gebleken dat de kosten die gemoeid zijn voor het adequaat maken van de woning een bedrag van € 4500,- te boven gaat. Om te bepalen of de kosten van het aanpassen van de woning boven deze grens uitkomen, wordt uitgegaan van de ten minste noodzakelijke woningaanpassingen zoals blijkt uit het onderzoek (CRvB 07-01-2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AF4528). Zijn de kosten van de gevraagde woonvoorziening lager dan dat bedrag, dan blijft het primaat van verhuizen buiten toepassing mits de woning aanpasbaar is.

Met deze algemene uitgangspunten ontstaat de volgende uitvoeringspraktijk met het volgende afwegingskader.

Mantelzorg

Sociale omstandigheden waarmee rekening gehouden wordt, zijn de nabijheid van voor de cliënt belangrijke voorzieningen en de binding van de cliënt met de huidige woonomgeving. De aanwezigheid van vrienden, kennissen en familie in de nabijheid van de woning speelt met name een rol in het afwegingsproces indien er sprake is van niet uitstelbare/niet planbare (bijvoorbeeld toiletbezoek) en structurele mantelzorg. De sociale omstandigheden dienen in het onderzoek geobjectiveerd te worden.

De sociale factor zal bij woningaanpassingen minder zwaar wegen, als dicht in de buurt van de huidige woning een geschikte of goedkoper aan te passen woning kan worden gevonden. Als de beoogde nieuwe woning dicht bij belangrijke voorzieningen, zoals winkels en werkplek is gelegen, zal dat ook de beslissing in de richting van verhuizen beïnvloeden, bijvoorbeeld omdat dan ook minder andere voorzieningen (bijvoorbeeld vervoer, zorg) nodig zijn. Als de cliënt zijn werk "aan huis" heeft (eigen bedrijf), worden de consequenties van verhuizing ook vanuit de bedrijfsmatige kant meegewogen.

Snelle ondersteuning

De snelheid waarmee het woonprobleem kan worden opgelost speelt een rol in het afwegingsproces. Hierbij wordt altijd rekening gehouden met de prognose van de cliënt. In een aantal gevallen kan verhuizen het woonprobleem sneller oplossen, als er snel een geschikte aangepaste of eenvoudig adequaat te maken woning beschikbaar is. Omgekeerd kan het ook zo zijn dat het aanpassen van een woning een snellere oplossing biedt als er niet binnen een bepaalde tijd een geschikte woning vrij komt.

Financiële overwegingen voor de gemeente

De gemeente maakt een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe woonruimte) anderzijds. Daarbij worden de volgende kosten in elk geval meegenomen in de overwegingen:

a.huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de reeds bewoonde woonruimte;

b.kosten in de zin van kapitaalvernietiging vanwege eerder uitgevoerde woningaanpassingen of eerder verstrekte roerende woonvoorzieningen;

c.de hoogte van de kosten voor maatwerk- woonvoorziening in het kader van verhuizen en (her) inrichten;

d.eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning;

e.kosten van het eventueel vrijmaken van de nieuwe woning. Deze situatie doet zich voor indien een medebewoner van een persoon met beperkingen verhuist nadat bewoning door de persoon met beperkingen beëindigd is en de medebewoner in de aangepaste woning is blijven wonen;

f.een eventuele financiële tegemoetkoming voor huurderving .

(Financiële) gevolgen voor de cliënt

De gemeente maakt een vergelijking tussen de woonlasten van de huidige en de mogelijke nieuwe woonsituatie. Als de cliënt eigenaar van de woonruimte is, zal een verhuizing of woningaanpassing andere gevolgen met zich meebrengen dan wanneer deze de woning huurt, met name in financiële zin. Een aantal aspecten zal pleiten voor het verkopen van de woning en verhuizen naar een huurwoning. Andere aspecten daarentegen zullen de balans naar het aanpassen van de eigen woning doen doorslaan. Alle relevante aspecten zullen bij de afweging door de gemeente in aanmerking worden genomen.

Cliënt wil niet verhuizen

Cliënten kunnen indien het primaat van verhuizen wordt opgelegd, besluiten te blijven wonen in de huidige woning. Er bestaat dan de mogelijkheid om voor de maximale kosten voor maatwerk- voorzieningen in het kader van verhuizen en (her) inrichten in aanmerking te komen om zelf de woning volledig geschikt te maken volgens pakket van eisen opgelegd in een beschikking door het College. Wel moeten cliënten verantwoorden dat de aangebrachte aanpassingen daadwerkelijk de belemmeringen oplossen. De cliënt kan achteraf geen aanvullende aanvragen indienen indien deze vraag zicht richt op een probleem wat met de verhuizingvoorkomen had kunnen worden.

4.1.8 Losse woonunit

Biedt een maatwerk- woonvoorziening geen adequate oplossing om de belemmering(en) op te heffen, dan zal beoordeeld moeten worden welke (bouwkundige) aanpassingen noodzakelijk zijn. Hierbij geldt het primaat van de losse woonunit indien dit een goedkopere en adequate oplossing biedt dan het verbouwen van de woning.

Om van dit primaat gebruik te kunnen maken moet uiteraard de mogelijkheid tot het plaatsen van een losse unit bestaan. Onder een losse woonunit wordt een verplaatsbare unit verstaan die tijdelijk kan worden ingezet.

Een losse woonunit kan een aantal voordelen hebben:

-Er is snel een adequate oplossing voorhanden

Met name voor bijvoorbeeld cliënten met een snel progressief ziektebeeld kan snelheid van groot belang zijn.

-De losse woonunit kan worden hergebruikt

Er is bij hergebruik geen sprake van kapitaalvernietiging.

In principe zal de oplossing in de vorm van een losse woonunit gelijk zijn aan een aanbouw. Het verschil zal primair gelegen zijn in het gegeven dat de woning niet blijvend van een aanbouw voorzien zal zijn. Indien er sprake is van een verwachte tijdelijke noodzaak (minder dan vijf jaar) ligt het plaatsen van een losse unit meer voor de hand dan een aanbouw.

Het inzetten van een losse woonunit is niet altijd goedkoper dan het verstrekken van een maatwerk- woonvoorziening in de vorm van een aanbouw. Bij de inzet van een unit dient naast de huur- of koopprijs rekening te worden gehouden met opslagkosten, vergunningskosten, transportkosten, fundatiekosten, nutsvoorzieningen, plaatsingskosten en de bouwkundige kosten voor de sluis of aansluiting. Indien de unit niet meer nodig is, behoren verwijderingkosten en kosten voor het terugbrengen van de woning in de oude staat eveneens tot de kosten. Deze kosten komen bij elke verplaatsing terug.

In de beschikking wordt vastgelegd dat – als de unit niet meer nodig is – dit aan de gemeente gemeld dient te worden. De gemeente kan er dan zorg voor dragen dat de unit verwijderd wordt en de woning in de oude staat wordt teruggebracht. Is een losse unit niet mogelijk of is de aanpassing niet zodanig dat deze afweging gemaakt kan worden, dan kan de stap naar de al dan niet bouwkundige aanpassing worden gemaakt.

4.1.9 Verhuis- en herinrichtingskosten

Een maatwerkvoorziening in de verhuis- en (her)inrichting kan verstrekt worden wanneer er sprake is van ondervonden belemmeringen bij het gebruik van de woning, die door middel van een verhuizing op de adequaat goedkoopst mogelijke wijze kunnen worden opgelost.

Om voor een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en (her)inrichting in aanmerking te komen dient de cliënt ingeschreven te staan in de gemeentelijke basisadministratie. Verhuist de cliënt vanuit een andere gemeente, dan behoort de maatwerkvoorziening verhuis- en inrichting tot de ondersteuning van de vertrekgemeente.

4.1.10 Aanvang werkzaamheden

De gemeente verstrekt alleen een maatwerkvoorziening in de verhuis- en (her)inrichting indien de melding is gedaan voordat de daadwerkelijke verhuizing heeft plaatsgevondenWanneer de cliënt voor de melding en/of aanvraag op eigen kracht of met behulp van mantelzorg of personen uit zijn sociale netwerk een maatwerk- woonvoorziening heeft gerealiseerd, kan op het moment van aanmelding/aanvraag gesteld worden dat de cliënt op dat moment geen belemmeringen ondervindt waarvoor ondersteuning in de vorm van een maatwerk- woonvoorziening in het kader van de Wmo noodzakelijk is.

Hierbij staat ook los dat een cliënt niet eerder op de hoogte is van de mogelijkheden op grond van de Wmo. De onbekendheid van een cliënt met de terzake geldende regeling komen voor diens eigen rekening en risico. In bepaalde gevallen kan het echter nodig zijn dat de cliënt snel moet beslissen, bijvoorbeeld omdat anders de woning aan een andere woningzoekende wordt toegewezen. Ook in geval van spoed dient de cliënt zich te allen tijde vooraf te wenden tot de gemeente.

4.1.11 Woningaanpassing en roerende woonvoorzieningen

De maatwerk- woonvoorziening moet allereerst het normale gebruik van de woning betreffen, met uitzondering van de mogelijkheid tot een uitraasruimte. Zoals reeds gememoreerd in de inleidende tekst van de woonvoorzieningen omvat het normale gebruik van de woning de elementaire woonfuncties.

Het feit dat alleen problemen bij het normale gebruik van de woning worden gecompenseerd, houdt in dat geen rekening wordt gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld een dialyseruimte of een ruimte voor therapeutisch baden) Dit kan worden afgeleid uit (CRvB 20-02-2013, nr. 11/4984 WMO) waarin de CRvB oordeelde dat voorzieningen die alleen een therapeutisch doel beogen, niet binnen de reikwijdte van de Wmo vallen.

Soms zullen deze voorzieningen vergoed worden vanuit de Zvw, soms zal men de therapeutische effecten ook kunnen bereiken door de therapie elders te ontvangen.

Evenmin wordt rekening gehouden met problemen die een incidenteel karakter hebben, dan wel voorzieningen die puur als noodvoorziening dienen. Ook ten behoeve van het gebruik van hobbyruimtes en studeerkamers worden geen maatwerkvoorzieningen getroffen, aangezien het hierbij niet gaat om ruimten met een elementaire woonfunctie.

Als iemand in staat is een maaltijd klaar te maken voor zichzelf en dat naar verwachting nog jaren kan doen, zal een aangepaste keuken de voorkeur verdienen boven een maaltijdvoorziening of hulp bij het bereiden van maaltijden. Dit kan anders zijn als het gaat om een alleenstaande oudere die geen plezier meer heeft in het koken: dan kan maaltijdvoorziening juist een heel goede oplossing zijn. Hetzelfde geldt voor de lichaamsreiniging. Uitgangspunt is dat men zichzelf kan douchen. Maar wie terminaal is zal wellicht voor korte tijd op bed gewassen worden.

Verder wordt beoordeeld in hoeverre de problematiek kan worden opgelost door redelijkerwijs te vergen inspanningen van huisgenoten. Ten slotte wordt rekening gehouden met algemeen gebruikelijke oplossingen als reorganisatie van taken en een herschikking van de inrichting dan wel wijziging van de opstelling van inrichtingselementen in de woning.

Of de cliënt in aanmerking komt voor een losse (roerende) of een vaste (onroerende) woonvoorziening, hangt af van de (bouwkundige) situatie van de woning en van de ondervonden beperkingen en belemmeringen. Het gaat bij losse woonvoorzieningen bijvoorbeeld om tilliften en badliften, verrijdbare douche- toiletstoelen etc. Waar mogelijk zal uit oogpunt van herbruikbaarheid en zodoende ook uit kostenafweging gekozen worden voor verstrekking van losse woonvoorzieningen. De losse woonvoorziening moet voorzien in een oplossing voor een elementaire woonfunctie, die eventueel ook kan worden geboden door middel van een bouwkundige voorziening. Meestal zal de losse voorziening een adequaat en goedkoper alternatief zijn voor een vaste voorziening.

De eigenaar van een woning is verplicht op grond van artikel 16 van de Woningwet zijn medewerking te verlenen aan het aanpassen van de woning voor een persoon met beperkingen. De eigenaar kent wel een derdebelang en dient wel gekend te worden in de besluitvorming op een aanvraag en kan hier bezwaar en beroep tegen indienen.

Een pgb voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte wordt verleend aan de eigenaar van de woonruimte.

4.1.12 Stallingsruimte elektrische rolstoel/scootmobiel

Er kan een maatwerk- woonvoorziening worden verstrekt die betrekking heeft op het creëren van een oplaadpunt en/of stallingruimte voor een elektrische rolstoel of een open elektrische buitenwagen (scootmobiel). Een elektrische rolstoel of een open elektrische buitenwagen (scootmobiel) dient tegen weer en wind en diefstal beschut te worden, gelet op de aard en de kosten van de voorziening.

In principe wordt bekeken waar de elektrische rolstoel of scootmobiel op een adequate wijze gestald kan worden, dit kan ook de eigen woning zijn. Er dient rekening gehouden te worden met de voorschriften van de brandweer in gebouwen. De voorziening mag een eventuele vluchtroute niet blokkeren. Bij een berging wordt uitgegaan dat elke huisgenoot één fiets moet kunnen stallen. Alle andere voorwerpen in de berging zullen verwijderd moeten worden als blijkt dat de berging de meest adequate en goedkope ruimte is om de voorziening te stallen. Wanneer een adequate stallingsmogelijkheid ontbreekt, en ook niet te realiseren is, is het niet mogelijk een elektrische rolstoel of open elektrische buitenwagen te verstrekken (Rechtbank Maastricht 15-09-2008, nr. AWB 07/1357 Wmo).

4.1.13 Keukenaanpassingen

Indien een cliënt totaal rolstoelafhankelijk is, zal hij/zij al snel problemen ondervinden bij het gebruik van de keuken. Een standaardkeuken is voorzien van onderkastjes waardoor de rolstoelgebruiker niet voldoende in staat zal zijn gebruik te kunnen maken van het keukenwerkblad. De keukenaanpassing die door de Wmo wordt vergoed bestaat doorgaans uit twee soorten uitvoeringen aan onderrijdbare keukens: de in hoogte nastelbare - en de in hoogte verstelbare keuken. Let bij de beoordeling van de noodzaak van keukenaanpassingen op of er binnen de huiselijke kring van de cliënt een huisgenoot is die in het kader van de gebruikelijke zorg de maaltijdbereiding kan overnemen. Tevens kan gebruik gemaakt worden van algemeen gebruikelijke voorzieningen zoals kant- en- klaarmaaltijden of een algemene voorziening in de vorm van Tafeltje-Dekje. Tevens dient bij een melding voor keukenaanpassingen beoordeeld te worden of door reorganisatie in het handelen de noodzaak tot een keukenaanpassing kan komen te vervallen. Denk hierbij aan gebruik van een magnetron op keukentafel, smeren van brood aan keukentafel etc.

De nastelbare keuken kan zonder al te veel ingrepen binnen een marge van 150 millimeter versteld worden. Dit moet gebeuren door een installateur/aannemer. Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn als cliënt een andere rolstoel krijgt.

De verstelbare keuken is d.m.v. een mechanisme handmatig dan wel elektrisch in hoogte te verstellen. Een aangepaste keuken heeft soms een werkhoogte die voor de eventuele overige gebruiker(s) van de keuken zo laag is, dat er niet verantwoord aan te werken is. Als er in de aangepaste keuken tevens door niet-rolstoelgebruikers gekookt wordt kan het dus nodig zijn dat er een verstelbare keuken geplaatst wordt. De vraag of dat handmatig of elektrisch moet zijn zal in de meeste gevallen beantwoord worden met: handmatig. Als de rolstoelgebruiker een dusdanig slechte handfunctie heeft dat hij/zij niet in staat is de slinger te bedienen, is het standpunt dat het de verantwoording van de valide keukengebruiker is om de keuken na gebruik weer in de “rolstoelhoogte” te zetten.

Criteria waaraan een rolstoel-onderrijdbare keuken moet voldoen

Vrije ruimte onder het werkblad; hierbij is het van belang dat de zogenoemde blendehoogte kleiner is dan bij een standaardkeuken. De blendehoogte is de hoogte van de laden en de blinde panelen voor de spoelbak. Deze is bij een standaardkeuken 150 milimeter, zodat in combinatie met de dikte van een standaardwerkblad (30 milimeter) een totaalmaat van 180 milimeter resteert. Hierdoor wordt de werkhoogte voor de in de rolstoel gezeten cliënt te groot: men moet de armen te hoog optillen. Een goede onderrijdbare keuken heeft daarom een blendehoogte van ongeveer 100 millimeter, gecombineerd met een dun (20mm) werkblad. Een onderrijdbare keuken heeft een blendemaat van 100 milimeter. Een gevolg van deze bijzonderheid is dat er geen standaard spoelbak maar een speciale (lees ondiepere geïsoleerde) spoelbak gemonteerd dient te worden. Gevolg van deze ondiepe spoelbak is dat er geen overloopbeveiliging op zit. De reden hiervoor is dat deze zo laag zou komen zitten dat er “voor de afwas” nauwelijks water in de spoelbak zou staan. De spoelbak dient geïsoleerd te zijn vanwege het zittend werken en in aanraking kunnen komen met de hete onderkant van de spoelbak. Om in deze spoelbak een pan van redelijk formaat kwijt te kunnen zal de kraan op een verhogingsring (50 mm) geplaatst moeten te worden. Het is niet reëel om te verwachten dat de keukenmengkraan uit de oude keuken op de verhogingsring in de nieuwe keuken gemonteerd kan worden. Wij verstrekken hier dus een nieuwe mengkraan. Gezien het geringe verschil in aanschafkosten tussen een eenhendel- en een draaimengkraan wordt door ons een eenhendelmengkraan verstrekt. Voor de bovenkastjes geldt het volgende: in een standaardkeuken worden in de kastjes scharnieren gebruikt met een maximum openingshoek van 90°. Uit veiligheidsoverwegingen worden in een onderrijdbare keuken scharnieren gebruikt met een openingshoek van 165°. Voor het werkblad kan gekozen worden tussen een standaardwerkblad en een hittebestendig werkblad. Het verschil is dat men op een hittebestendig werkblad een hete pan langer kan laten staan. Bij normaal gebruik mogen we er van uitgaan dat er door de gebruiker maatregelen genomen worden om te voorkomen dat de hete pan op het werkblad wordt gezet. Te denken valt aan bij voorbeeld onderzetters. Wij verstrekken dan ook alleen een standaard werkblad. Slechts bij gebruikers met een zeer beperkte arm- handfunctie kan hiervan afgeweken worden

Wat wordt er wel en wat wordt er niet verstrekt

In principe wordt de lengtemaat van de te plaatsen keuken bepaald door die van de bestaande keuken. Indien mogelijk worden de spoelbak en de plaats voor het kooktoestel -in verband met de aansluitingen van gas (elektra) en water- op dezelfde plaats gesitueerd als in de oude opstelling. In een onderrijdbare keuken is in principe geen plaats voor een fornuis aangezien de oven de onderrijdbaarheid aantast. Cliënt dient zelf een losse kookplaat of een inbouwplaat aan te schaffen. Bij een losse kookplaat wordt door ons in het werkblad een verlaagd gedeelte aangebracht zodat de het op- en afzetten van een pan vergemakkelijkt wordt. Is er sprake van een inbouwplaat, dan vergoedt de Wmo de kosten voor het frezen van de uitsparing in het werkblad. De ondiepe enkele geïsoleerde spoelbak wordt door ons voorzien van een eenhendelmengkraan. Dubbele spoelbakken komen niet voor verstrekking in aanmerking. In de praktijk varieert de lengte van de te vervangen keukens in de meeste gevallen tussen de 240 en 300 centimeter. De Wmo verstrekt maximaal 300 centimeter.

Als vanuit de Wmo bij een cliënt de standaard keuken wordt vervangen door een onderrijdbaar exemplaar, gaat dit ten koste van de kastruimte onder het werkblad. In de meeste gevallen is er voldoende ruimte om aan weerszijde van de keuken een onderkast met korfladen te plaatsen. Deze zijn in principe verkrijgbaar in de breedtematen 300, 450 en 600 milimeter. De onderrijdbare keuken een lage blende, dit betekent niet dat er geen laden in deze keuken geplaatst kunnen worden. Wel heeft de lage blende tot gevolg dat de laden ondieper zijn dan die in een standaardkeuken. Blendeladen zijn er eveneens in de breedtematen 300, 450 en 600 milimeter. Daar waar ruimte is wordt door de Wmo in principe bestekladen verstrekt.

Voor de bovenkastjes geldt het volgende: voor een rolstoelgebruiker zijn uitsluitend dié kastjes te gebruiken die boven het onderrijdbare werkblad hangen, met dien verstande dat zij maximaal 350 milimeter boven het werkblad geplaatst zijn en dan nog is slechts de onderste plank vanaf (zit)rolstoelniveau goed te bereiken. Gevolg hiervan is dat in de praktijk alleen ter plaatse van het onderrijdbare deel van de keuken bovenkastjes verstrekt worden. Dit met uitzondering van het deel waar het kooktoestel geplaatst is. De kookgassen en waterdamp moeten vrij afgevoerd kunnen worden, eventueel door middel van een afzuigkap die door cliënt zelf aangeschaft dient te worden.

4.1.14 Tijdelijke huisvesting

In die gevallen waarin de cliënt tijdens het aanbrengen van de maatwerk- woonvoorzieningen niet in de woonruimte kan blijven wonen en om deze reden tijdelijk naar een andere woonruimte moet uitwijken, kan voor de periode dat dit noodzakelijk is een voorziening voor tijdelijke huisvesting worden verstrekt. Ook als, in verband met aanpassingen aan een woning waarnaar een cliënt gaat verhuizen, hij/zij de huidige woning langer moet aanhouden, kan dat reden zijn om een voorziening voor tijdelijk huisvesting te verstrekken. Om voor deze voorziening in aanmerking te komen gelden de volgende voorwaarden:

-de cliënt kan zijn woning tijdelijk niet bewonen als gevolg van een noodzakelijke woningaanpassing;

-kan redelijkerwijs niet voorkomen dat hij als gevolg van deze aanpassing, dubbele woonlasten heeft.

De cliënt zoals in de situatie hierboven beschreven heeft als gevolg van zijn beperking of chronisch psychische of psychosociale problemen aannemelijke meerkosten waarvoor de financiële tegemoetkoming ter ondersteuning van zijn zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt.

De financiële tegemoetkoming wordt verstrekt voor de periode waarin de cliënt dubbele woonlasten heeft met een maximum van zes maanden. De maximale hoogte van de tegemoetkoming is vastgelegd in het Besluit.

4.1.15 Uitraasruimte

Uitzondering op het beginsel dat woonvoorzieningen worden verstrekt ter ondersteuning van problemen bij het normale gebruik van de woning vormt de uitraaskamer. Een uitraasruimte is een ruimte die kan worden gedefinieerd als een verblijfsruimte, waarin een persoon die tengevolge van een beperking in de vorm van een ernstige gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen.

Met het oog op de beperking, de gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, zal de ruimte in de regel beperkt van omvang zijn. Aanwezige voorzieningen zijn gericht op het doel van de uitraaskamer, het tot rust laten komen. Doorgaans zal de ruimte daarom prikkelarm en veilig moeten zijn, en zijn uitgerust met voorzieningen die toezicht mogelijk maken, voor zover dat geen technische apparatuur betreft. Op basis van deskundigenadvies (met name een advies van een onafhankelijk psycholoog of orthopedagoog kan van belang zijn) zal op individuele basis worden vastgesteld of er een noodzaak bestaat voor een uitraasruimte en aan welke eisen deze moet voldoen.

Waar mogelijk zullen bestaande ruimten worden aangepast, bijvoorbeeld de slaapkamer van de persoon voor wie de uitraaskamer nodig is. Soms kan een cliënt zo gewelddadig zijn dat hij het risico loopt zichzelf te verwonden. Een uitraaskamer dient dan aan speciale veiligheidseisen te voldoen. Hierbij kan gedacht worden aan:

-een verankerd bed;

-veiligheidsglas of tralies voor de ramen;

-afsluitbare deuren;

-een zachte wand en/of vloerbedekking.

Alle woningaanpassingen die nodig zijn om een ruimte veilig genoeg te maken om als uitraaskamer dienst te doen, vallen binnen de verstrekkingmogelijkheden. Losse meubels, muziek(installaties), spreek- luisterverbindingen, videobewakingssystemen en inrichtingselementen vallen daar buiten. De uitraasruimte is dus uitdrukkelijk niet bedoeld om overlast voor huisgenoten te beperken, hoewel dat wel een mogelijk (positief) neveneffect kan zijn van de verstrekking. Vandaar dat geluidsisolatie om overlast voor medebewoners te verminderen niet onder de noodzakelijke elementen van een uitraaskamer valt.

4.1.16 Aanpassing woonwagen, woonschip, binnenschip

De uitgangspunten en de gevallen waarin een voorziening aan een woonwagen of een woonschip kan worden aangebracht zijn in principe gelijk aan die van woningen. Gezien de kenmerken van deze woonruimten worden er wel nadere voorwaarden gesteld. Indien de technische levensduur van de woonwagen of woonschip minder is dan vijf jaar, dan wel de standplaats van de woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt, wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt. De maatwerkvoorziening wordt verstrekt aan de eigenaar van de woonwagen of het woonschip.

4.1.17 Voorzieningen moeten voldoen aan Bouwbesluit

Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening moet de gemeente rekening houden met de eisen uit het dan geldende Bouwbesluit. Van een woningeigenaar kan niet worden verlangd dat hij meewerkt aan het plaatsen van een maatwerkvoorziening als daardoor een situatie ontstaat die in strijd is met de bepalingen van het Bouwbesluit (ABRS 16-03-2011, nr. 201007873/1/H1).

4.1.18 Woonvoozieningen Fokuswoningen

Cliënten die ADL-assistentie krijgen op grond van de Subsidieregeling ADL-assistentie, wonen in ADL-clusterwoning, waar zorg wordt geleverd in huis. Een Fokuswoning kent een zogenoemde basisuitrustingsniveau.

Het betreft onderstaande voorzieningen:

-onderrijdbare keuken;

-standaard alarmintercomsysteem;

-opdruksteunen aan weerszijden van het toilet;

-nastelbare onderrijdbare wastafel op hoogte van 85 cm inclusief handdouche;

-roltonsloten op alle binnendeuren;

-douche op een verlengde verstelset en voorzien van eenhendel thermostatische kraan.

Bovenstaande voorzieningen kunnen dan op grond van de Wmo niet worden verstrekt.

4.1.19 Geen toestemming nodig van woningeigenaar

Het college of de cliënt is bevoegd om zonder toestemming van de eigenaar van de woning (als bedoeld in artikel 7:215 BW) de woningaanpassing aan te (doen) brengen (artikel 2.3.7 lid 1 Wmo 2015). Hiermee wordt voorkomen dat de eigenaar door het weigeren van toestemming een noodzakelijke aanpassing zou kunnen blokkeren. De eigenaar moet wel in de gelegenheid worden gesteld daarover zijn mening te geven (artikel 2.3.7 lid 2 Wmo 2015). Dit geeft de eigenaar de gelegenheid om bij uitvoeringskwesties betrokken te zijn.

4.1.20 Verwijderen woningaanpassing(en)

De woningaanpassing hoeft bij het vertrek van de cliënt niet te worden verwijderd (artikel 2.3.7 lid 3 Wmo 2015). Deze regel is een uitzondering op artikel 7:216 lid 1 BW (TK 2013-2014, 33841, nr. 3, p.154).

Wanneer in het verleden een pgb is verstrekt voor de aanschaf van een woonvoorziening en de cliënt opteert voor aanpassingen aan deze voorziening dan dienen de aanpassingen te allen tijde verstrekt te worden in de vorm van een pgb, daar de voorziening immers geen twee juridische eigenaren kan hebben.

4.3 Vervoer

4.3.1 Resultaatgebieden vervoer

Resultaatgebied: zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en de mogelijkheid om ‘medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan

Lokaal verplaatsen per vervoermiddel is een formulering die in het kader van de Wmo 2015 zich richt op de cliënt in staat te stellen de beperkingen die hij ondervindt in de zelfredzaamheid op het gebied van onder andere lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Een ander resultaat in het kader van de Wmo 2015 betreft de mogelijkheid om ‘medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan’. Dit is ‘vertaald’ in het resultaatsgebied ‘de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten’.

Bij dit resultaatsgebied gaat het om de mogelijkheid om bijvoorbeeld familie te bezoeken, bezoeken van kerkdiensten, deelnemen aan verenigingsleven of volgen van cursussen. De belemmering die iemand kan ervaren bij dit te bereiken resultaat betreft met name het vervoer van en naar deze activiteiten/ bezoeken. Om deze reden zal een vervoersvoorziening veelal voldoende oplossing bieden en is de uitwerking van dit resultaatgebied opgenomen in dit hoofdstuk tezamen met het resultaatsgebied ‘zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel’.

4.3.2 Het leven van alle dag in de directe woon- en leefomgeving

Lokaal

Het begrip “lokaal” moet uitgelegd worden als verplaatsen in de directe woon- en leefomgeving. Het begrip ‘lokaal verplaatsen in de directe woon- en leefomgeving is in jurisprudentie uitgelegd als verplaatsingen in een straal van 15-20 kilometer rondom de woning. Waar het om gaat is dat een cliënt alledaagse verplaatsingen kan maken, zoals het doen van boodschappen, bezoek aan familieleden en bekenden in de eigen omgeving, deelnemen aan sociale activiteiten etc (CRvB LJN: AA9001 12-06-1998, CRvB 02-08-2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY6884 en CRvB 28-01-2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH4270 en Rechtbank Arnhem 09-02-2010, nr. AWB 09/2537).

Cliënten dienen in staat gesteld te worden om tenminste 1500 kilometer op jaarbasis af te kunnen leggen met de combinatie van maatwerkvoorzieningenen die wordt verstrekt, met een uitloop (bandbreedte) van 500 kilometer (CrvB LJN: AE1865 00/5131 WVG, CrvB LJN: AU7812 gemeente Brunssum en CrvB LJN: AY6884 03/128 WVG en CRvB LJN: BA7210 05/2284 WVG). Dit is in beginsel toereikend om de cliënt in staat te stellen sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag (CRvB 29-02-2012, nr. 10/906 WMO en CRvB 06-06-2012, nr. 10/1786 WMO). De omvang kan ook bereikt worden met meerdere vervoersvoorzieningen (CRvB 06-06-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7705, Rechtbank Noord-Nederland 25-7-2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:3496 en Rechtbank Rotterdam 20-3-2019, ECLI:NL:RBROT:2019:2128).

Bij een hogere vervoersbehoefte is het aan de cliënt om aan de hand van concrete verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat in zijn of haar geval van een hogere vervoersbehoefte dient te worden uitgegaan (CRvB 14-11-2012, nrs. 10/6265 WMO e.a. en CRvB 29-02-2012, nr. 10/906 WMO).

Omdat vervoersbehoeften ook buiten de directe woon- en leefomgeving bestaan, hoort ook bij de ondersteuning dat aansluiting wordt geboden op systemen die bovenregionaal vervoer bieden. Concreet betekent dit dat een station van NS met dienstverlening bereikbaar moet zijn en dat de omvang van het gemeentelijk systeem afgestemd dient te zijn op de mogelijkheden van Valys.

Bovenregionaal

Het is vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dat bovenregionaal vervoer in beginsel niet valt onder de compensatieplicht CRvB 27-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1961, CRvB 27-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1972 en CRvB 9-5-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1487). Voor bovenregionaal vervoer kan een cliënt een beroep doen op Valys..

Er kan uitzondering hierop zijn wanneer er sprake is van een dusdanig essentieel- enkel door bezoek ter plekke te onderhouden- contact dat bij gebreke daarvan sociaal isolement optreedt (CrvB LJN:BN0775 08/5422 Wmo, CrvB LJN: BQ 1738 09/3844 Wmo).

Wanneer in het verleden een pgb is verstrekt voor de aanschaf van een vervoersvoorzienig en de cliënt opteert voor aanpassingen aan deze voorziening dan dienen de aanpassingen te allen tijde verstrekt te worden in de vorm van een pgb, daar de lvoorziening immers geen twee juridische eigenaren kan hebben.

4.3.3 Voorwaarden en weigeringsgronden

Andere mogelijkheden

Wanneer een resultaat te bereiken is op het gebied van lokaal verplaatsen, worden eerst de volgende mogelijkheden onderzocht.

Eigen verantwoordelijkheid/eigen kracht

In de Wmo 2015 speelt de eigen verantwoordelijkheid van cliënten een zeer grote rol. Ook is het vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dat er gekeken moet worden naar de mogelijkheden van de cliënt om zelf bij te dragen aan de oplossingen van het vervoersprobleem (uitspraak CRvB 13-04-2011 LJN BQ1739). In het kader van het vervullen van de lokale vervoersbehoefte kan gedacht worden aan het gebruik van een eigen auto als eigen mogelijkheid. De eigen verantwoordelijkheid/eigen kracht is voorliggend op het gebruik van een maatwerkvoorziening.

Algemene voorzieningen

In de gemeente Capelle aan den IJssel kan de Opstapbus en het vrijwilligersvervoer verzorgd door de Capelse Hulpdienst gezien worden als voorliggende voorzieningen/aanspreken eigen kracht. Deze voorzieningen zijn echter alleen geschikt voor cliënten met een beperkte vervoersbehoefte. Daarbij bieden beide geen mogelijkheid tot zittend rolstoelvervoer.

Voorzieningen op basis van inzet van eigen kracht

Vervoer in verband met werk en het volgen van onderwijs:

Bij de beoordeling van aanspraken op vervoersvoorzieningen wordt geen rekening gehouden met vervoersbehoefte in verband met werk en/of het volgen van onderwijs. Voor mensen die in dienstbetrekking werken en mogelijk voor zelfstandigen zijn er voorliggende voorzieningen, zoals het leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving, de voormalige Wet Rea- voorzieningen die zijn overgeheveld naar WAO/WIA, Wajong, Waz en ZW. Deze regelingen worden uitgevoerd door het UWV. Werknemers die werkzaam zijn in de sociale werkvoorzieningen (Wsw) kunnen voor woon-werkverkeer op basis van de CAO-Wsw een beroep doen op hun werkgever. Dit is het aanspreken van de eigen kracht van de cliënt.

Vervoer van en naar het primaire onderwijs (basis onderwijs of speciale school voor basisonderwijs), het voortgezet onderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs valt met, behoudens enkele uitzonderingen, onder het leerlingenvervoer. Vervoer naar mbo, hbo en universiteit valt onder de IWIA.

Collectief aanvullend vervoer

Als de belemmering op de twee resultaten niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van andere personen uit zijn of haar sociale netwerk, met het aanspreken van de eigen kracht, met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan worden verminderd of worden weggenomen, geldt de inzet van collectief aanvullend vervoer als maatwerkvoorziening, wanneer dit de goedkoopst, adequate oplossing betreft. De verstrekking kan plaatsvinden in de vorm van Zorg in Natura alsook in pgb. Pas wanneer de cliënt niet in staat is om gebruik te maken van het collectief aanvullend vervoer of wanneer dit geen ondersteunende voorziening is, wordt er andere vervoersvoorziening ingezet. Bij het hanteren van collectief vervoer dient er bekeken te worden of het collectief aanvullend vervoer voor de cliënt een compenserende voorziening is die voldoet. Deze vraag kan slechts beantwoord worden op grond van een onderzoek naar niet alleen de beperkingen, maar ook de persoonskenmerken en de vervoersbehoeften van de aanvrager (CRvB 02-09-2009, nr. 09/4428 WMO-VV, CRvB 28-10-2009, nr. 08/1600 WMO, CRvB 28-10-2009, nr. 08/7031 WMO, CRvB 28-10-2009, nr. 08/7118 WMO en CRvB 28-10-2009, nr. 08/7382 WMO). Hiertoe dient onderzocht te worden:

-of de cliënt in staat is om gebruik te maken van het vervoer; en zo ja

-of er ook van cliënt verwacht mag worden dat hij gebruik maakt van het collectief vervoer.

Bereikbaarheid van het openbaar vervoer

Bij beoordeling of er een noodzaak bestaat tot ondersteuning wordt allereerst beoordeeld of de cliënt niet in staat is het openbaar vervoer te bereiken al dan niet lopend, per fiets, per auto etc. Het tweede beoordelingsmoment betreft het al dan niet gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer of een gedeelte van het openbaar vervoer.

Men wordt geacht niet in staat te zijn van het openbaar vervoer gebruik te kunnen maken indien (niet limitatief):

-(aansluitend aan het bereiken van het openbaar vervoer) de aanvrager niet in staat is te wachten;

-het niet mogelijk is om op een adequate manier in en uit het openbaar vervoer te kunnen stappen;

-er sprake is van een ernstige incontinentie waarbij het reguliere incontinentiemateriaal niet adequaat is, ondersteund door een medisch advies;

-er sprake is van een psychische aandoening die uitbehandeld is en/of gedragsstoornissen waarbij men geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, ondersteund door een medisch advies;

-er vanwege gedragstoornissen bij kinderen ernstige problemen ontstaan bij het gebruik van het openbaar vervoer, ondersteund door een medisch advies.

Collectief aanvullend vervoer & gezin

Dat het reizen met het collectief aanvullend vervoer omslachtig en lastig is in verband met een gezinssamenstelling waardoor het gezin dan niet samen kan reizen, kan niet leiden tot de conclusie leiden dat het collectief aanvullend vervoer niet adequaat is. De cliënt kan zich immers met het collectief aanvullend vervoer laten vervoeren. De andere gezinsleden kunnen gezamenlijk met een ander vervoersmiddel plaats van bestemming bereiken (CRvB 11-06-2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2101).

Praktische bezwaren in gebruik collectief aanvullend vervoer

Praktische bezwaren (o.a. vervoer komt niet altijd op tijd, het niet altijd voor deur), vormen geen aanleiding voor het niet hanteren van het collectief aanvullend vervoer (CRvB 16-11-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU9383). Een cliënt moet zich bij het gebruik van het collectief vervoer enige beperkingen getroosten (CRvB 10-09-2014, nr. 13/603 WMO).

Vervoer avonduren

Een veel voorkomende reden om een aanvraag voor het collectief aanvullend vervoer in te dienen is de angst van ouderen om in de avonduren gebruik te maken van het openbaar vervoer. Dit is geen reden om collectief aanvullend vervoer toe te kennen. Het op een veilige manier bereikbaar maken en gebruiken van het openbaar vervoer is een verantwoordelijkheid van de openbare orde.

Eerdere individuele maatwerkvoorziening

Het feit dat een cliënt eerder een maatwerk- vervoersvoorziening heeft genoten, betekent niet dat bij toekomstige toekenningen niet het collectief vervoer kan worden toegepast. Indien uit het onderzoek geconcludeerd kan worden dat het gebruik van collectief vervoer voor de cliënt mogelijk is, kan collectief vervoer worden toegekend (CRvB 13-06-2012, nr. 10/4385 WMO).

Het enkele feit dat de kosten van een andere vervoersvoorziening lager zijn dan die van het collectief aanvullend vervoer brengt niet mee dat deelname aan het collectief aanvullend vervoer geen verantwoorde voorziening is (CRvB 11-12-2013, nr. 12/1690 WMO).

4.3.4 Begeleiding vervoer

Begeleiding in het openbaar vervoer

Voor zover de cliënt met het OV kan reizen, kan hij gebruik maken van een zogenaamde begeleiderskaart. Deze kan bij de Nederlandse Spoorwegen (NS) worden aangevraagd. De cliënt kan dan gratis een begeleider meenemen. Ook alle stads- en streekvervoerbedrijven kennen een dergelijke voorziening. De cliënt dient zelf zijn begeleiding te organiseren (of in plaats van hem diegenen die verantwoording voor hem dragen).

Begeleiding in het collectief aanvullend vervoer

De chauffeur is verantwoordelijk voor het vervoer van de cliënt vanaf de voordeur van diens woning (bij een flat, de voordeur van het flatgebouw) tot aan de voordeur van de plaats van bestemming. De chauffeur is geen begeleider, zelfs al heeft hij (deels) begeleidende taken.

Tijdens de rit is het echter heel goed mogelijk dat medische begeleiding vereist is. In een dergelijke situatie kan de cliënt één begeleider gratis mee laten reizen. De cliënt is zelf verantwoordelijk voor het regelen van de daadwerkelijke begeleiding (Rechtbank Roermond 27-05-2010, nr. AWB 09/1314 e.a).

De criteria voor noodzakelijke medische en (psycho)sociale begeleiding tijdens de rit zijn:

-er is medische zorg noodzakelijk tijdens de rit, bijvoorbeeld het moeten toedienen van medicatie (oraal) of het bedienen van medische apparatuur, en/of;

-er sprake is van aantoonbare gedragsproblemen of angst bij de cliënt die door de begeleiding weggenomen of verminderd wordt, en/of;

-er is tijdens de rit ADL- hulp noodzakelijk; dit zijn eenvoudige verzorgende handelingen, zoals bijvoorbeeld het afvegen van mond en neus bij een gestoorde handfunctie.

Als cliënt aangewezen is op begeleiding, betekent dit niet automatisch dat de cliënt (en zijn begeleider) geen gebruik kunnen maken van het collectief vervoerssysteem (zie CRvB 15-01-1999, nr. 98/5530 WVG en CRvB 07-05-2003, nr. 01/6123 WVG).

In CRvB 28-03-2002, nr. 01/650 WVG stelt de CRvB dat van begeleiders in redelijkheid mag worden gevraagd in het openbaar vervoer of het collectief vervoer te begeleiden in plaats van in een eigen auto.

Bewoners Wlz- instellingen en begeleiding CAV

Bij veel Wlz- instellingen (bijvoorbeeld gezinsvervangende tehuizen) behoort het begeleiden van de bewoners bij het lokaal verplaatsen tot de taak van de instelling. In de praktijk blijkt begeleiding een lastige zaak, aangezien er veelal te weinig personeelsleden zijn om dit te verzorgen. Dit probleem komt steeds terug. Het resultaat is vaak dat de Wmo - ten onrechte - als vangnet wordt beschouwd. Indien zondermeer zou moeten worden aangenomen dat de instelling niet kan begeleiden, dan zou dit ertoe kunnen leiden dat de instelling zijn taak gaat verzaken. Dit leidt tot een ongewenste verschuiving naar de Wmo. Het is dus aan de (vertegenwoordiger van) de cliënt woonachtig in een Wlz- instelling om aan te voeren en zo nodig aan te tonen, dat de instelling er alles aan heeft gedaan om de begeleiding te bieden, maar dat dit niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Pas dan kan er sprake zijn van een aanspraak op ondersteuning in het kader van de Wmo (CRvB 19-12-1997, nr. 96/11831 WVG).

Kamer tot kamer vervoer

Voor cliënten met een (ernstige) lichamelijke beperking die niet afhankelijk zijn van begeleiding

tijdens de rit, kan kamer tot kamer vervoer worden geïndiceerd. Dit betekent dat de cliënt wordt opgehaald bij de woningtoegangsdeur binnen het wooncomplex, in plaats van bij de algemene toegangsdeur van het wooncomplex. De cliënt wordt vervolgens ook binnen gebracht op de plaats van bestemming. De criteria voor kamer tot kamer vervoer zijn:

-de cliënt kan niet zelfstandig de voordeur aan de straat bereiken en/of

-de cliënt kan niet zelfstandig de voordeur van het bezoekadres bereiken en/of

-er is geen (medische) noodzaak voor begeleiding tijdens de rit

Inzet is in principe niet aan de orde wanneer cliënt in een instelling verblijft. Wanneer een persoon niet in staat is de algemene toegangsdeur van het complex te bereiken, vraagt dit om nader onderzoek naar de vraag of de woonsituatie passend is of niet.

4.3.5 Overige verstrekkingen

Cliënten met een belemmering bij het lokaal verplaatsen per vervoermiddel en/of de onmogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten waarbij het gebruik van het collectief aanvullend vervoer onvoldoende of geen oplossing biedt, kan in aanmerking komen voor een andere maatwerk- vervoersvoorziening.

Deze andere vervoersmiddelen kunnen verstrekt worden in natura of pgb.

Scootmobiel

Vervoersbehoefte

Om in aanmerking te kunnen komen voor een scootmobiel moet er sprake zijn van een behoefte/noodzaak om zich zelfstandig te kunnen verplaatsen in de directe woon- en leefomgeving. Daarnaast wordt ook meegewogen:

-waarvoor de cliënt de scootmobiel wil gebruiken;

-de verwachte frequentie van het gebruik;

-het sociale leven van de cliënt en de mogelijkheid hieraan zelfstandig te blijven deelnemen;

-de (mogelijke) gevolgen van het niet toekennen van de scootmobiel;

-de mogelijke alternatieven, zoals het collectief aanvullend vervoer of een handbewogen rolstoel (als vervoersvoorziening); is het collectief aanvullend vervoer wel of niet afdoende om het vervoersprobleem op te lossen. Kan een scootmobiel een passende aanvulling zijn?

-de scootmobiel moet wezenlijk bijdragen tot het opheffen van verplaatsingsbelemmeringen van de cliënt.

Voorwaarden

Om voor een scootmobiel in aanmerking te kunnen komen, gelden de volgende voorwaarden:

-de cliënt is rijgeschikt (te denken valt aan visus, cognitieve vermogens en dergelijke om de scootmobiel te bedienen dan wel het verkeer in te schatten;

-de cliënt kan zelfstandig een overstap tussen twee (vervoer)middelen maken;

-de cliënt heeft een loopbeperking;

-de cliënt heeft voldoende zitbalans en voldoende arm-/handfunctie om de scootmobiel te kunnen besturen;

-de cliënt is in staat de voorziening te besturen of dit is aan te leren;

-de cliënt heeft voldoende verkeersinzicht en verkeersvaardigheid of kan door het volgen van rijlessen of verkrijgen van instructie voldoende verkeersinzicht en verkeersvaardigheid verwerven;

-de cliënt is bestand tegen weersinvloeden, kou, regen en mist, gedurende een groot deel van het jaar, eventueel met gebruik van hulpmiddelen en algemeen gebruikelijke voorzieningen zoals regenkleding etc;

-er is een adequate stallingmogelijkheid met oplaadpunt aanwezig of kan gerealiseerd worden.

Snelheid scootmobiel

In overleg tussen de gemeente en de leverancier is de snelheid van de scootmobiel standaard afgesteld op 8 of 10 km/u. Indien er sprake is van een vervoersbehoefte waarbij regelmatig iemand met de cliënt meefietst is het mogelijk de scootmobiel af te stellen op maximaal 12 km/u. Het is mogelijk dat geadviseerd wordt om de scootmobiel op een lagere maximumsnelheid af te stellen indien de (medische) situatie hier om vraagt, gelet op de beperkingen die de cliënt ondervindt.

Medisch noodzakelijke aanpassingen en accessoires

Als de scootmobiel aangepast moet worden of moet worden voorzien van accessoires, dan komen deze alleen voor vergoeding in aanmerking als er sprake is van een medische noodzaak of dat zonder deze voorzieningen het veilig gebruik van de scootmobiel niet mogelijk is of in gevaar komt of dreigt te komen, te denken valt aan aanpassingen aan het bedieningselement, een zuurstoffleshouder en aanpassingen ten behoeve van noodzakelijke lichaamsondersteuning;

Meeneembaarheid scootmobiel

Aangezien de scootmobiel bedoeld is voor het verplaatsen in de directe woon- en leefomgeving heeft de gemeente geen compensatieplicht voor het meenemen of vervoeren van vervoersvoorzieningen bijvoorbeeld het meenemen van een scootmobiel in de eigen personenauto of bijvoorbeeld naar vakantiebestemmingen.

Weersomstandigheden

De cliënt moet bij het gebruik zich in de openlucht kunnen en/of mogen verplaatsen en wisselende weersomstandigheden kunnen verdragen. Hierbij kan het college rekening houden met adequate kleding die bescherming kan bieden tegen de weersinvloeden (CRvB 10-05-2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX1300, CRvB 06-10-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO2010).

Aangepast fietsen

Er bestaan vele soorten bijzondere fietsen die op grond van de Wmo kunnen worden verstrekt. Bij het beoordelen of een cliënt in aanmerking komt voor een (bijzondere) fiets spelen onderstaande voorwaarden/weigeringgronden een rol:

-de cliënt moet in staat zijn zich met zijn bijzondere fiets veilig in het verkeer te begeven. Hierbij spelen verschillende factoren een rol, zoals verkeersinzicht, kennis van de regels, gezichtsvermogen, gehoor, reactievermogen, angst of juist overmoed;

-voor alle fietsen geldt dat de cliënt in ieder geval moet kunnen lopen, op- en afstappen, op een zadel of zitje blijven zitten, kunnen sturen, zich door middel van trappen kunnen voortbewegen en eventuele noodzakelijke bagage moet kunnen transporteren.

Fietsen die eventueel grond van de Wmo verstrekt kunnen worden, zijn:

-driewielfiets;

-driewieltandem;

-duofiets;

-rolstoelfiets.

Aankoppelfiets/handbike

Een handbike (ook wel aankoppelfiets genoemd) is een "fiets" die met de armen wordt aangedreven.

Iemand komt in aanmerking voor een handbike wanneer hij om zich te kunnen verplaatsen afhankelijk is van de rolstoel en met een rolstoel alleen, een te beperkte actieradius heeft. De cliënt moet zich dan wel fietsend met zijn handen kunnen verplaatsen en in staat zijn om de handbike zelf aan en af te kunnen koppelen.

Gesloten buitenwagen

Een gesloten buitenwagen is een gehandicaptenvoertuig (niet breder dan 1,10 meter) dat zowel met een benzinemotor als elektrisch aangedreven kan zijn. Een gesloten buitenwagen moet niet worden verward met een brommobiel. Een gesloten buitenwagen met benzinemotor heeft een min of meer onbeperkte actieradius, mits men onderweg kan tanken. Er is een grote verscheidenheid aan typen gesloten buitenwagens. Uit onderzoek zal moeten blijken welk type gesloten buitenwagen voor de cliënt de adequaat goedkoopste oplossing is.

Het verstrekken van een gesloten buitenwagen is aan de orde indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

-de cliënt kan geen gebruik maken van het collectieve vervoerssysteem;

-de cliënt kan geen gebruik maken van de (rolstoel)taxi;

-de cliënt kan zich niet in de openlucht begeven of kan wisselende weersomstandigheden niet of slecht verdragen geobjectiveerd met onafhankelijk extern medisch advies;

-de vervoersbehoefte van de cliënt betreft vooral de korte en iets langere afstanden in de directe woon- en leefomgeving die met een gehandicaptenvoertuig zijn te bereiken;

-de cliënt is om medische redenen aangewezen op gesloten buitenvervoer, zodat een scootmobiel geen adequate voorziening is; bij de beoordeling of het gesloten vervoer medisch noodzakelijk is, wordt rekening gehouden met adequate kleding die kan beschermen tegen de weersinvloeden.

Brommobiel

Een brommobiel is geen gehandicaptenvoertuig en lijkt nog het meest op een kleine personenauto. Het maximumsnelheid van de brommobiel binnen en buiten de bebouwde kom is 45 km/uur.

Een brommobiel moet gebruik maken van de rijbaan. De brommobiel is ook groter dan een gehandicaptenvoertuig (maximaal 1,50 meter breed). Voor een brommobiel dient de cliënt te beschikken over een bromfietsrijbewijs, voor een gehandicaptenvoertuig niet. Een brommobiel is een algemeen gebruikelijke voorziening.

Gebruik van een taxi of rolstoeltaxi

De cliënt kan in aanmerking komen voor een financiële vergoeding voor het gebruik van een taxi wanneer er sprake is van een contra-indicatie voor het collectief aanvullend vervoer, een scootmobiel, een aangepaste fiets en hij of zij niet rolstoelgebonden is.

De cliënt hebbende kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming voor de rolstoeltaxi wanneer het collectief aanvullend vervoer, een auto, een scootmobiel, een aangepaste fiets of de reguliere taxi niet voldoet. Dit is het geval in de volgende situaties:

-het is onmogelijk voor de cliënt om in en uit te stappen, zelfs wanneer hij daar hulp bij heeft;

-de cliënt is rolstoelafhankelijk en het is voor hem onmogelijk om zelfstandig van de ene voorziening naar de andere te komen (transfereren);

-voor de cliënt is liggend vervoer noodzakelijk.

Voor de hoogte van de maximale financiële tegemoetkoming in de kosten voor een (rolstoel) taxi op declaratiebasis geldt geen inkomensgrens.

Alleen de kosten van ritten binnen de directe woon- en leefomgeving (gebied vijf OV- zones rondom woonadres) komen voor vergoeding in aanmerking.

Aanpassing eigen auto

De cliënt komt alleen in aanmerking voor het aanpassen van de eigen auto als dit de goedkoopst adequaat voorziening betreft.

Voor aanpassingen aan de auto gelden de volgende regels

-het moet voor de cliënt noodzakelijk zijn dat de aanpassingen er komen. Voor bestuurders dient dit te blijken uit de zogenaamde ‘restreintbepalingen’ die door het Centraal Bureau Rijvaardigheden (CBR) zijn opgelegd;

-de auto mag alleen worden aangepast als de auto redelijkerwijs is aan te passen, in technisch goede staat verkeert en niet ouder is dan vier jaar. Is de auto ouder dan vier jaar komen alleen aanpassingen/voorzieningen voor vergoeding in aanmerking indien deze overzetbaar zijn in een andere auto. De kosten voor overzetting in een andere auto komen overigens niet voor vergoeding in aanmerking. Voorbeelden van losse voorzieningen zijn een aangepaste autostoel (voor volwassenen en kinderen) en een lift;

-de aanpassingen mogen niet algemeen gebruikelijk zijn. Onder algemeen gebruikelijk valt hierbij onder andere: airco, automatische transmissie, elektrische ramen, stuur- en rembekrachtiging;

-aanpassingen die voor vergoeding in aanmerking komen, moeten medisch en ergonomisch noodzakelijk zijn.

Bijvoorbeeld:

-aanpassingen aan de besturing van de auto (ter beoordeling van het CBR), bijvoorbeeld handgasbediening;

-aanpassingen aan de stoel van de chauffeur/bijrijder;

-aanpassingen voor het meenemen van een rolstoel in de auto;

-aanpassingen voor het vervoer van een rolstoelgebruiker;

-aanpassingen voor een zitvoorziening bij kinderen, wanneer standaard autozitjes en voorzieningen ten behoeve van kinderen niet voldoen.

De aanpassingskosten van de eigen auto van de cliënt worden volledig vergoed, wanneer is gebleken dat het hier om de goedkoopst adequate oplossing gaat. Ook de kosten die de keuring van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) met zich meebrengt, komen voor vergoeding in aanmerking.

Het feit dat een cliënt al jaren gewend was aan het gebruik van een eigen auto is geen grond voor toekenning van autoaanpassingen (CRvB 24-04-2001, nr. 00/1284 WVG).

Autoaanpassingen kunnen alleen in een pgb worden verstrekt. Het is immers niet mogelijk om als gemeente aanpassingen uit te voeren aan een voorziening waarvan zij niet de eigenaar is. Autoaanpassingen worden in eigendom aan de cliënt verstrekt. Kosten aangaande onderhoud, reparatie en verzekering komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Vervoer- en speelvoorzieningen voor kinderen & fietszitjes

Als het om een vervoersvoorziening voor kinderen gaat is deze vaak niet alleen bedoeld voor de verplaatsing van het kind, maar ook als manier om te kunnen spelen. Het is vaak niet mogelijk een strikt onderscheid tussen beide te maken en voor dergelijke voorzieningen geldt dat er vaak sprake zal zijn van meerdere gebruiksdoelen. Met de eisen aan de voorziening dient hier dus rekening mee gehouden te worden.

Voor fietszitjes voor kinderen geldt dat als standaardzitjes niet voldoen de mogelijkheid bestaat voor speciale fietszitjes voor kinderen met een beperking.

Fietskarren, bakfietsen en dergelijke zijn algemeen gebruikelijk. Speciale aanpassingen, zitjes, fixaties en dergelijke om kinderen veilig te kunnen vervoeren in dergelijke voorzieningen zijn dat niet en kunnen wel voor vergoeding in aanmerking komen.

Rijvaardigheid en gewenningslessen scootmobiel

Het goed kunnen omgaan met een vervoersvoorziening vereist een zekere vaardigheid die door middel van training kan worden verkregen. Indien de cliënt niet kan omgaan met de voorziening kan niet worden gesproken van een adequate voorziening. Daarom kan een voorziening in de vorm van training aan de orde zijn. Indien training nodig is, dan zijn er in basis twee mogelijkheden:

-training om te beoordelen of de cliënt op basis van zijn/haar mogelijkheden en beperkingen in staat is met de voorziening om te gaan; kortom of de cliënt voldoende rijvaardig en rijgeschikt is;

-training om de cliënt vertrouwd en gewend te laten raken met het de voorziening.

Rijgeschiktheid is de mate waarin een cliënt voldoet aan geestelijke en lichamelijke eisen om met een (al dan niet aan de beperkingen aangepast) vervoermiddel veilig aan het verkeer kunnen deelnemen.

Als een cliënt wel geschikt geacht wordt om veilig met een vervoersvoorziening om te gaan, maar nog niet helemaal vertrouwd is met de voorziening dan kan de cliënt gewenningslessen krijgen. In het kader van de Wmo kunnen maximaal drie gewenningslessen vergoed worden. Gewenninglessen kunnen plaatsvinden voorafgaand aan of direct na aflevering van de voorziening.

Bij de aflevering van een voorziening geeft de leverancier altijd instructies over het gebruik.

Deze instructies hebben echter niet het karakter van een uitgebreide les. Voordat een voorziening aan de cliënt wordt verstrekt, moet vaststaan dat cliënt hiervan veilig gebruik kan maken.

Sportvoorzieningen

Algemeen gebruikelijk zijn kosten van reguliere sportbeoefening:

-lidmaatschap van een sportvereniging of toegangskaart voor bijvoorbeeld een zwembad;

-reiskosten naar de sportvereniging en wedstrijden;

-sportkleding.

Een sportvoorziening is noodzakelijk als de cliënt door sportbeoefening beter in staat wordt gesteld om te participeren. Sportbeoefening (en in het verlengde daarvan: toekenning van een sportvoorziening) kan namelijk onder omstandigheden deelname aan het maatschappelijk verkeer van een cliënt met beperkingen bevorderen, in die zin dat deze daardoor in staat wordt gesteld om medemensen te ontmoeten of sociale verbanden aan te gaan.

Omdat de sportvoorziening moet bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie, kan een sportvoorziening alleen worden verstrekt als men (actief) lid is van een (gehandicapten) sportvereniging. De cliënt dient aantoonbaar inzichtelijk te maken dat hij/zij lid is van een sportvereniging of anderszins sportbeoefening uitvoert. Voor sporten die slechts incidenteel worden beoefend, zoals skiën tijdens vakanties, is geen sportvoorziening mogelijk.

Verstrekking sportvoorziening via een pgb

De sportvoorziening wordt alleen verstrekt in de vorm van een pgb. Met het pgb kan de cliënt voorzien in de meerkosten van de sportbeoefening die hij heeft ten opzichte van een persoon zonder beperkingen, bijvoorbeeld dat hij een sportrolstoel nodig heeft of een aangepast paardrijzadel. Ook kan met het pgb worden betaald aan de extra contributiekosten.

De cliënt dient de gemeente op schrift inzicht te geven welke meerkosten in zijn situatie gelden waarna de hoogte van het pgb wordt vastgesteld.

Topsport zal net als bij niet beperkte cliënten vaak hoge uitgaven vergen voor sporthulpmiddelen. De Wmo is daar niet voor bedoeld. Cliënten die speciale rolstoelen nodig hebben om topsport te kunnen bedrijven dienen door middel van sponsoring of uit eigen middelen de benodigde financiën bijeen te brengen.

4.4 Huishoudelijke ondersteuning

4.4.1 Doelgroepen huishoudelijke ondersteuning

Personen met somatische beperkingen & ouderen

Cliënten met een somatische(lichamelijke) aandoening of beperking, die meestal een gevolg zijn van actuele somatische ziekte of aandoening vallen onder deze groep. Een lichamelijke aandoening die gekenmerkt wordt door stabiele fases en bij verergering door medische en/of paramedische behandeling (nog) kan genezen of verbeteren. Een lichamelijke aandoening die blijvend is, niet veroorzaakt door stoornissen van het zenuwstelsel of het bewegingsapparaat (bot/spierstelsel, gewrichten en bindweefsel). Een ongeneeslijke ziekte, waarbij geen zicht meer is op herstel of verbetering en die zeker tot het levenseinde zal leiden. Een psychogeriatrische aandoening door een ziekte, aandoening of stoornis in of van de hersenen. Veelal is er een aantasting te zien van onder andere denkvermogen, gevoelsleven, intellect, geheugen of al of niet in combinatie met afname van motorische functies en vermindering van sociale zelfredzaamheid.

Personen met een dementieel syndroom

De cliënten in deze groep zijn door verminderde lichamelijke vitaliteit (minder mobiel, slecht horen en/of zien), door een lichamelijke ziekte of cognitieve beperkingen (vergeetachtigheid, oriëntatieproblemen, verwardheid) minder zelfredzaam en hebben extra hulp nodig. Leeftijd is niet bepalend om bij deze cliëntgroep ingedeeld te kunnen worden.

Personen met lichamelijke beperkingen

Cliënten die vanwege blijvende lichamelijke beperkingen minder zelfredzaam zijn vallen onder deze groep. Bij een lichamelijke beperking is sprake van een fysieke aandoening als gevolg van stoornissen van het zenuwstelsel en het bewegingsapparaat (bot/- spierstelsel, gewrichten en bindweefsel), waarbij geen functionele verbetering meer te verwachten is (er kan nog wel sprake zijn van een verslechtering) en er geen sprake is van een terminale situatie. Niet-aangeboren hersenletsel (NAH) is een aparte doelgroep.

Personen met verstandelijke beperkingen

Er is sprake een diagnose verstandelijke beperking als cognitief/intellectueel beneden gemiddeld scoort op algemene intelligentietest (norm IQ 70 of lager). Op grond van historische overwegingen is er in Nederland consensus dat, als er sprake is van ernstige en chronische beperkingen in sociale redzaamheid, leerproblemen en/of gedragsproblemen, een IQ-score tussen 70 en 85 eveneens mag worden opgevat als een licht verstandelijke beperking.

Het gaat hier om cliënten die al als kind opvallend minder scoren op cognitief of intellectueel gebied en als gevolg hiervan kampen met problemen op het gebied van sociale (zelf)redzaamheid. De verstandelijke beperking kan ook gepaard gaan met leerproblemen en gedragsproblematiek. Wanneer in uitzonderingsgevallen onduidelijk is hoe de aard en ernst van het psychiatrisch beeld zich tot de verstandelijke beperking verhoudt, kan eerst nader onderzoek nodig zijn voordat de cliëntgroep kan worden vastgesteld. De cliënt of zijn vertegenwoordiger is verantwoordelijk voor het aanleveren van de relevante gegevens. Als iemand een verstandelijke beperking heeft maar niemand heeft om zich te vertegenwoordigen dan is er een groot risico dat de relevante gegevens niet (tijdig) worden geleverd. Vaak is er naast de verstandelijke handicap ook een late motorische ontwikkeling. De cliënt heeft als kind wel alle fases van de gewone ontwikkeling doorlopen, maar in een vertraagd tempo. Daarom wordt er ook wel gesproken over een psychomotorische retardatie. Later blijkt dat cliënten als kind zich wel alle motorische vaardigheden eigen hebben gemaakt, maar dat de kwaliteit waarin de motoriek verloopt anders is dan bij personen zonder beperking.

Personen met psychiatrische & psychsociale problematiek

Deze cliëntgroep bekend met psychiatrische problematiek bestaat allereerst uit personen met een vermoeden van beperkte (sociale) zelfredzaamheid als gevolg van een verslavings-, psychisch of psychosociaal probleem of door een combinatie van deze problemen. Bij personen met psychiatrische of psychosociale problematiek, is er dikwijls multi-problematiek: problemen op meerdere levensgebieden (zoals wonen, werk, financiën), (dreigende) dak- en thuisloosheid, verslaving, verwaarlozing. Bij deze doelgroep kan de multi-problematiek eveneens het gevolg zijn van dubbeldiagnoses zoals een psychiatrische aandoening in combinatie met verslavingsproblematiek of een psychiatrische aandoening in combinatie met een verstandelijke beperking.

Bij cliënten met psychiatrische problemen kan een verstandelijke beperking de basis van de problematiek zijn, maar ook een somatische aandoening kan leiden tot een psychiatrisch beeld, bijvoorbeeld aandoeningen van de schildklier of een delirium door een infectieziekte.

Personen met Niet Aangeboren Hersenletsel

Onder niet-aangeboren hersenletsel (NAH) wordt verstaan: hersenletsel door welke oorzaak dan ook, anders dan bij de geboorte ontstaan, dat leidt tot een onomkeerbare breuk in de levenslijn en tot het aangewezen zijn op de hulpverlening. NAH is geen diagnose, maar een verzamelnaam voor een groep van aandoeningen. Bij deze bijzondere doelgroep gaat het om NAH in de chronische fase: dat is de fase waarin duidelijk is welke stoornissen en beperkingen blijvend zijn. Deze stoornissen en beperkingen vertonen een wisselende mate van ernst en zijn van mentale (cognitieve/psychische) en/of fysieke aard.

Personen met zintuiglijke beperkingen

Het gaat hier om cliënten met een zintuiglijke beperking die als gevolg hiervan kampen met

multi-problematiek en daardoor gespecialiseerde ondersteuning nodig hebben. De zintuiglijke beperking gaat derhalve gecombineerd met bijkomende somatische en lichamelijke beperkingen, cognitieve, mentale, psychosociale en/of psychiatrische problematiek.

4.4.2 Taken Huishoudelijke ondersteuning en frequentie

In onderstaande opsomming wordt per hoofdcategorie aangeven uit welke huishoudelijke taken de hoofdcategorie bestaat en de frequentie van de huishoudelijke taken.

Lichte huishoudelijke taken:

-Opruimen – maximaal 1 keer per week

-Stof afnemen/ragen – maximaal 1 keer per week

-Afwassen – maximaal 1 keer per week

Zware huishoudelijke taken:

-Stofzuigen – maximaal 1 keer per week

-Schrobben/dweilen/soppen van sanitair en keuken

-Bedden verschonen – maximaal 1 keer per 2 weken

-Opruimen huishoudelijk afval

Was- en strijk taken:

-Kleding en linnengoed sorteren

-In de wasmachine doen van wasstukken

-Ophangen en afhalen van wasstukken

-In de droger doen van wasstukken

-Vouwen van wasstukken

-Strijken (alleen bovenkleding)

-Opbergen van wasstukken

Boodschappen doen:

-Boodschappen inkopen en opslaan- maximaal 1 keer per week

-Boodschappenlijst samenstellen- maximal 1 keer per week

Boodschappen doen is uitsluitend voor goederen voor primaire levensbehoeften en schoonmaakmiddelen, niet voor kleding en duurzame goederen.

Ondersteunen bij regie of aanleren taken:

-Organisatie huishoudelijke activiteiten, plannen en beheren van middelen m.b.t. het huishouden

-Aanleren van activiteiten die vallen onder het voeren van een huishouden

-Observeren, formuleren doelstellingen m.b.t. uitvoer huishoudelijke activiteiten

-Handhaven / verkrijgen van structuur m.b.t. uitvoer huishoudelijke activiteiten

Maaltijdondersteuning

Broodmaaltijd maken:

-Maximaal één keer per dag voor zowel ontbijt als lunch (klaar te maken op 1 moment):

-broodmaaltijd bereiden/aanreiken/klaarzetten

-koffie/thee zetten

Opwarmen warme maaltijd (wanneer organisatie of gebruik van kant- en klaarmaaltijden of gebruik maaltijdvoorziening niet mogelijk is):

-Maximaal één keer per dag kant- en klaar maaltijd opwarmen/aanreiken/klaarzetten

Warme maaltijd bereiden:

-Maximaal één keer per dag warme maaltijd voorbereiden, eten koken en aanreiken/klaarzetten

Verzorging kind/kinderen (aanvullend op eigen mogelijkheden en wettelijk voorliggende voorzieningen en mogelijkheden)

-Naar bed brengen van kind t/m 7 jaar (uitkleden, pyjama aantrekken, tanden poetsen, wassen, plassen, naar bed brengen)

-Uit bed halen van een kind t/m 7 jaar (wakker maken, uit bed halen, tanden poetsen, wassen, plassen, aankleden)

-In bad doen van een baby van 0 tot 1 jaar (uitkleden, in bad doen, afdrogen, aankleden)

-Douchen van een kind van 1 t/m 7 jaar (uitkleden, douchen, afdrogen, aankleden)

-Eten geven baby van 0 tot 1 jaar (uitkoken flessen, bereiden flesvoeding/groenten/fruithapje, voeren/fles geven, verschonen)

-Eten geven kind van 1 t/m 3 jaar (bereiden, aanreiken/klaarzetten, verschonen)

-Naar school of opvang brengen en/of halen (lopend) (jas en schoenen aan-/uittrekken, wegbrengen/ophalen)

Huishoudelijke ondersteuning

Voor alle huishoudelijke taken geldt een richtlijn met ondersteuningsscores zoals hieronder opgenomen. Deze richtlijn is gebaseerd op de uren-/klasse-systematiek (Wmo- richtlijn Indicatie- advisering voor Hulp bij het Huishouden CIZ) zoals die tot 2007 ook onder de AWBZ werd gehanteerd. Dit is door de Centrale Raad van Beroep als niet-onredelijk aangemerkt.

Er kan gemotiveerd afgeweken worden van de richtlijn (meerwerk door middel van oppluspunten). Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een allergie voor huisstofmijt, incontinentie of bedlegerigheid.

De mate van ondersteuning wordt bepaald door 3 factoren:

-de ondersteuningstrede bij alle resultaatgerichte financieringen;

-eventueel de oppluspunten bij de resultaatgerichte financiering bij huishoudelijke taken;

-eventueel de dag- of weekfrequentie bij de maaltijdvoorziening en kindverzorging.

Ondersteuningstreden:

Om te komen tot een ondersteuningsbudget worden de huishoudelijke taken waarvoor ondersteuning nodig is in kaart gebracht. Afhankelijk van de mate van de beperking die de cliënt ondervindt bij die verschillende activiteiten bepaalt de gemeente welke trede noodzakelijk is om het gewenste resultaat te bereiken. Per ondersteuningstrede is een score vastgesteld die gebruikt wordt om de totaalscore te bepalen en de totaalscore bepaalt uiteindelijk de hoogte van het ondersteuningsbudget.

Oppluspunten:

Bij huishoudelijke ondersteuning zijn extra oppluspunten toegevoegd. Per oppluspunt is een score vastgesteld. De score van de oppluspunt(en) wordt opgeteld bij de score van de ondersteuningstrede.

Dag- of weekfrequentie:

Bij de maaltijdverzorging/kindverzorging kan de dag en/of weekfrequentie een bepalende factor zijn. De gemeente bepaalt de frequentie van de noodzakelijke ondersteuning per dag en/of week. De frequentie per dag en/of week wordt gebruikt om de totaalscore te bepalen. De score van de ondersteunigstrede wordt vermenigvuldigd met de frequentie. Dus moet er bij een cliënt twee keer week een maaltijd worden opgewarmd, dan is de frequentie 2.

Berekening totaalscore:

De totaalscore is de som van de scores. Dit kan alleen de score van een of meerdere ondersteuningstreden zijn of de score van een ondersteuningstrede vermenigvuldigd met de frequentie of de som van de ondersteuningstrede en de extra oppluspunt(en).

Ondersteuningsbudget:

De totaalscore valt binnen een bepaalde bandbreedte van scores en voor iedere bandbreedte is een vast tarief vastgesteld. Dit tarief ontvangt de aanbieder om in samenspraak met de cliënt het gewenste resultaat te bereiken.

Algemeen uitgangspunt keuze ondersteuningstrede:

Iedere taak of hoofdcategorie bestaat uit verschillende activiteiten die de zelfredzaamheid en/of participatie van de burger beinvloeden. De gemeente maakt op basis van de beperkingen een keuze tussen de verschillende ondersteuningstreden. Al er binnen een taak of hoofdcategorie meerdere activiteiten zijn waar cliënt verschillende vormen van ondersteuning op nodig heeft, dan geeft de activiteit die het meest dominant is of qua ondersteuning het meest intensief is de doorslag. Daarnaast heeft de gemeente altijd de vrijheid om gemotiveerd af te wijken van bovenstaande ondersteuningstreden.

Ondersteuning

Punten Niveau 1

Punten Niveau 2

Huishoudelijke ondersteuning licht

1,0

1,5

Huishoudelijke ondersteuning zwaar

1,5

3,0

Was

1,0

2,0

Boodschappen

1,0

2,0

Extra punten bij

grote woning

2personen

>2 personen

Huishoudelijke ondersteuning licht

0,5

0,5

1,0

Huishoudelijke ondersteuning zwaar

1,0

1,0

2,0

Was

0,5

1,0

Punten

Extra punt bij > 4 personen

Boodschappen

1,0

1,0

Ondersteuning regie of aanleren

1,0

Niveau 1:

Cliënt is ook met ondersteuning van gebruikelijke hulp of mantelzorg, zelfstandig in staat om een aantal activiteiten uit te voeren die vallen onder de huishoudelijke ondersteuning. De professionele hulp dient te ondersteunen bij het voeren van een huishouden en neemt alleen die huishoudelijke ondersteuning over die niet zelfstandig of door gebruikelijke hulp of mantelzorg kunnen worden uitgevoerd.

Niveau 2:

-cliënt is ook met ondersteuning van gebruikelijke hulp of mantelzorg, niet in staat om activiteiten uit te voeren die vallen onder de huishoudelijke ondersteuning. De professionele hulp neemt de huishoudelijke ondersteuning over.

-cliënt is ook met ondersteuning van gebruikelijke hulp of mantelzorg, niet of gedeeltelijk in staat, om activiteiten uit te voeren die vallen onder huishoudelijke ondersteuning. Cliënt, gebruikelijke hulp of mantelzorg wordt wel in staat geacht de huishoudelijke ondersteuning (gedeeltelijk) weer zelf aan te kunnen leren onder professionele aansturing. De professionele hulp dient deze huishoudelijke ondersteuning aan te leren bij cliënt, gebruikelijke hulp of mantelzorg.

Score

Tarief standaard

Week/CAK

Tarief regie aanleren (*)

Week

Licht

1,0

3,5

X

X

Midden

4,0

7,0

X

Zwaar

7,5

12,0

X

Extra-zwaar

12,5

16,0

X

(*) Ondersteuning regie of aanleren

Toelichting:

De bovenstaande ondersteuningstreden bepalen de mate van ondersteuning:

-Huishoudelijke ondersteuning licht is nodig om de zelfredzaamheid bij het voeren van een huishouden te behouden of aan te leren. De ondersteuning is gericht op het ondersteunen bij of het overnemen van huishoudelijke ondersteuning maar kan ook gericht zijn op het aanleren van huishoudelijke ondersteuning en/of de regie voeren over de huishoudelijke ondersteuning.

-De bovenstaande niveaus en eventuele aanvullende extra punten bepalen de categorie licht, midden, zwaar of extra zwaar.

-Huishoudelijke ondersteuning midden, er is t.o.v. huishoudelijke ondersteuning licht een hoger intensiteit noodzakelijk om het gewenste resultaat te bereiken.

-Huishoudelijke ondersteuning zwaar, er is t.o.v. huishoudelijke ondersteuning midden een hoger intensiteit noodzakelijk om het gewenste resultaat te bereiken.

-Huishoudelijke ondersteuning extra-zwaar, er is t.o.v. huishoudelijke ondersteuning zwaar een hoger intensiteit noodzakelijk om het gewenste resultaat te bereiken.

Meerwerk/Oppluspunten:

Per taak kan er een extra punt toegekend worden als er sprake is van meerwerk. Hieronder staan voorbeelden per taak:

Licht huishoudelijke werk + 1 punt

Factoren voor meerwerk:

-Kinderen < 12 jaar;

-Allergie voor huisstofmijt COPD;

-Bedlegerige patiënten.

Zwaar huishoudelijk werk + 1 punt

Factoren voor meerwerk:

-Hoge bezettingsgraad

-Aanwezigheid van jonge kinderen (<3 jaar);

-Wanneer meer kamers dan alleen standaard gebruiksruimten functioneel in gebruik zijn en dit ook noodzakelijk is (dus geen hobbykamer).

De was/strijk doen + 1 punt

Factoren voor meerwerk:

-Kinderen < 12 jaar;

-Bedlegerige patiënten;

-Extra was door overmatige transpiratie/incontinentie/speekselverlies/bloedverlies.

Boodschappen doen + 1 punt

Factoren voor meerwerk:

-Meer dan 4 personen of kinderen < 12 jaar;

-Grote afstand tot winkels (wonen in een buitengebied);

-Noodzaak tot opruimen van de boodschappen.

Organisatie van het huishouden: + 1 punt

Factoren voor meerwerk:

-Kinderen < 12 jaar;

-Psychische/psychiatrische problematiek bij meerdere gezinsleden.

Grootte van de woning:

Er is sprake van een grote woning wanneer de woning 3 of meer kamers kent.

Maaltijd ondersteuning

Ondersteuning

Punten Niveau 1

Punten Niveau 2

Punten Niveau 3

Punten Niveau 4

3,0

4,0

5,5

8

Frequentie / week

1-7x

Niveau 1:

Cliënt is ook met ondersteuning van gebruikelijke hulp of mantelzorg, niet zelfstandig in staat om een broodmaaltijd of een warme maaltijd op te warmen en dient hierin ondersteund te worden. De ondersteuning betreft voor het verzorgen van 2 broodmaaltijden per dag, (klaar te maken op een moment van de dag) of het opwarmen van 1 warme maaltijd per dag.

Niveau 2:

Cliënt is ook met gebruikelijke hulp of mantelzorg, niet zelfstandig in staat om een warme maaltijd te bereiden en dient hierin ondersteund te worden omdat een maaltijdservice of kant-en-klaar maaltijd niet passend is. De ondersteuning geldt voor het bereiden van 1 warme maaltijd per dag.

Niveau 3:

Cliënt is ook met ondersteuning van gebruikelijke hulp of mantelzorg, niet zelfstandig in staat om een broodmaaltijd of een warme maaltijd op te warmen en dient hierin ondersteund te worden. De ondersteuning geldt voor het verzorgen van 2 broodmaaltijden per dag (klaar te maken op een moment van de dag) en het opwarmen van 1 warme maaltijd per dag.

Niveau 4:

Cliënt is ook met hulp van gebruikelijke of mantelzorg, niet zelfstandig in staat om een warme maaltijd te bereiden en een broodmaaltijd te bereiden en dient hierin ondersteund te worden. Het gebruik van een maaltijdservice of kant-en-klaar maaltijd is niet passend is. De ondersteuning geldt voor het bereiden van 1 warme maaltijd per dag en het bereiden van 2 broodmaaltijden (klaar te maken op een moment van de dag).

Score

licht:

3,0

9,0

licht-midden

9,5

16,0

midden

16,5

22,0

midden-zwaar

22,5

30,0

zwaar

30,5

47,5

extra-zwaar

48,0

56,0

Toelichting:

De score van het niveau maal de frequentie per week bepaald de intensiteit van de ondersteuning.

-Ondersteuning maaltijden licht, de cliënt ondersteunen bij of het overnemen van de maaltijdbereiding

-Ondersteuning maaltijden licht-midden, de cliënt ondersteunen bij of het overnemen van de maaltijdbereiding, de intensiteit van de ondersteuning moet naar oordeel van de consulent hoger zijn dan bij de ondersteuning maaltijden licht om het noodzakelijke resultaat te bereiken

-Ondersteuning maaltijden midden, de cliënt ondersteunen bij of het overnemen van de maaltijdbereiding, de intensiteit van de ondersteuning moet naar oordeel van de consulent hoger zijn dan bij de ondersteuning maaltijden licht-midden om het noodzakelijke resultaat te bereiken

-Ondersteuning maaltijden midden-zwaar, de cliënt ondersteunen bij of het overnemen van de maaltijdbereiding, de intensiteit van de ondersteuning moet naar oordeel van de consulent hoger zijn dan bij de ondersteuning maaltijden midden om het noodzakelijke resultaat te bereiken

-Ondersteuning maaltijden zwaar, de cliënt ondersteunen bij of het overnemen van de maaltijdbereiding, de intensiteit van de ondersteuning moet naar oordeel van de consulent hoger zijn dan bij de ondersteuning maaltijden midden-zwaar om het noodzakelijke resultaat te bereiken

-Ondersteuning maaltijden extra-zwaar, de cliënt ondersteunen bij of het overnemen van de maaltijdbereiding, de intensiteit van de ondersteuning moet naar oordeel van de consulent hoger zijn dan bij de ondersteuning maaltijden zwaar om het noodzakelijke resultaat te bereiken

Verzorging kind/kinderen

Verzorging kind

Punten Niveau 1

Uit bed halen of naar bed brengen

1

Uit bed halen en naar bed brengen

2

Frequentie(aantal keer in de week)

1– 7x

Wassen

Punten

Baby(tot 1 jaar) in bad doen

2

Kind(tot 7 jaar) douchen

2

Frequentie

In bad doen

1– 7x

Douchen

1– 4x

Voeden

Punten Niveau 1

Punten Niveau 3

Baby(tot 1 jaar) voeden(v)

4

14

Kind(tot 3 jaar) voeden

4

14

Frequentie(aantal dagen)

1– 7x

1– 7x

Kind (brengen/halen - school/opvang)

Punten

Frequentie(aantal keer in de week)

1– 10x

(v) Beschrijving onderstaande niveaus is van toepassing op het onderdeel “Voeden”.

Niveau 1:

Cliënt is, ook met gebruikelijke hulp of mantelzorg niet zelfstandig in staat om de inwonende baby of kind (0 tot en met 7 jaar) te voeden, ondersteuning bieden is noodzakelijk. Het betreft 1 – 3 maaltijden per dag. Nb. Op de momenten van voeden behoort het verschonen van een niet zindelijk kind (tot 3 jaar) ook tot deze taak.

Niveau 2:

Cliënt is, ook met gebruikelijke hulp of mantelzorg niet zelfstandig in staat om de inwonende baby of kind (0 tot en met 7 jaar) te voeden, ondersteuning bieden is noodzakelijk. Het betreft 4 of 5 maaltijden per dag. Nb. Op de momenten van voeden behoort het verschonen van een niet zindelijk kind (tot 3 jaar) ook tot deze taak.

Niveau 3:

Cliënt is, ook met gebruikelijke hulp of mantelzorg niet zelfstandig in staat om de inwonende baby (tot en met 1 jaar) te voeden, ondersteuning bieden is noodzakelijk. Het betreft meer dan 6 maaltijden per dag. Nb. Op de momenten van voeden behoort het verschonen van de baby ook tot deze taak.

Score

licht:

1,0

8,0

licht-midden

9

20,0

midden

21

30,0

midden-zwaar

31

60,0

zwaar

61

100,0

extra-zwaar

101

∞

Toelichting:

De bovenstaande ondersteuningstreden bepalen de mate van ondersteuning:

-Ondersteuning verzorging kind/kinderen licht, de cliënt ondersteunen bij of het overnemen van de verzorging kind/kinderen.

-Ondersteuning verzorging kind/kinderen licht-midden, de cliënt ondersteunen bij of het overnemen van de verzorging kind/kinderen, de intensiteit van de ondersteuning moet volgens de consulent hoger zijn dan bij de verzorging kind/kinderen licht om het noodzakelijke resultaat te bereiken.

-Ondersteuning verzorging kind/kinderen midden, de cliënt ondersteunen bij of het overnemen van de verzorging kind/kinderen, de intensiteit van de ondersteuning moet volgens de consulent hoger zijn dan bij de verzorging kind/kinderen licht-midden om het noodzakelijke resultaat te bereiken.

-Ondersteuning verzorging kind/kinderen midden-zwaar, de cliënt ondersteunen bij of het overnemen van de verzorging kind/kinderen, de intensiteit van de ondersteuning moet volgens de consulent hoger zijn dan bij de verzorging kind/kinderen midden om het noodzakelijke resultaat te bereiken.

-Ondersteuning verzorging kind/kinderen zwaar, de cliënt ondersteunen bij of het overnemen van de verzorging kind/kinderen, de intensiteit van de ondersteuning moet volgens de consulent hoger zijn dan bij de verzorging kind/kinderen midden-zwaar om het noodzakelijke resultaat te bereiken.

-Ondersteuning verzorging kind/kinderen extra-zwaar, de cliënt ondersteunen bij of het overnemen van de verzorging kind/kinderen, de intensiteit van de ondersteuning moet volgens de consulent hoger zijn dan bij de verzorging kind/kinderen zwaar om het noodzakelijke resultaat te bereiken.

In de opdrachtverstrekking naar de zorgaanbieder of de cliënt bij een pgb wordt, in taken aangegeven, om welke huishoudelijke ondersteuning het gaat en of deze ondersteuning ondersteund, overgenomen of aangeleerd moeten worden.

M.b.t. Maaltijd(en)ondersteuning

Als een cliënt hulp nodig heeft bij eten of drinken (de maaltijd), dan dient er ondersteuning te worden geboden. Deze hulp wordt, afhankelijk van de aard van de benodigde ondersteuning, geleverd vanuit de:

-Wmo 2015

-Wlz

-Zvw

-Jeugdwet

Wanneer valt de hulp bij de maaltijd onder de Wmo?

Hulp bij de maaltijd valt onder de Wmo 2015 als de zorg noodzakelijk is ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. Onder de Wmo 2015 kan de hulp bestaan uit:

-Aansporen tot het bereiden van een maaltijd

-Het bereiden/opwarmen van een maaltijd.

-Het nuttigen van een maaltijd.

Aansporen tot het bereiden van een maaltijd

Als een cliënt zelf een maaltijd kan nuttigen, maar niet weet of vergeet om tijdig een maaltijd te bereiden, dan betreft de aansporing tot het bereiden van een maaltijd individuele begeleiding. Begeleiding is in de Wmo 2015 gedefinieerd als 'activiteiten gericht op het bevorderen van Zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Het gaat dus om hulp in het dagelijks leven om zelfstandig te kunnen leven. Begeleiding hangt nauw samen met de ondersteuning die is gericht op behoud of verbetering van zelfredzaamheid. Bij begeleiding gaat het echter niet om de overname van taken, maar om de ondersteuning ervan. Dienen er taken te worden overgenomen, dan is eerder sprake van huishoudelijke ondersteuning. Begeleiding bij de maaltijd zal dus aan de orde zijn, op het moment dat cliënt in staat is om zelf te voorzien in aspecten van de maaltijd, maar hierbij geholpen moet worden en inzet van voorliggende voorzieningen (zoals algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of algemene voorzieningen) niet mogelijk is.

Het bereiden/opwarmen van een maaltijd

Het bereiden van een maaltijd betreft huishoudelijke hulp, nu deze taak volledig van cliënt wordt overgenomen. Het betreft in de regel:

-het bereiden en/of

-klaarzetten en/of

-verwarmen van een maaltijd

-afruimen en afwassen

-het toedienen van eten aan zeer jonge -niet beperkte- kinderen als de ouder (cliënt) hiertoe niet in staat is.

Het nuttigen van een maaltijd:

Een cliënt te eten geven, betreft persoonlijke verzorging. Indien deze persoonlijke verzorging overwegend een geneeskundig doel betreft (bijvoorbeeld stikgevaar), dan valt de persoonlijke verzorging onder de Zvw. Indien de persoonlijke verzorging echter in het verlengde ligt van begeleiding, dan valt de persoonlijke verzorging onder de Wmo 2015. Denk hier aan de situatie waarin cliënt reeds begeleiding ontvangt bij het bereiden van een maaltijd, wanneer andere oplossingen niet voorhanden zijn, zoals algemeen gebruikelijke voorzieningen.

Algemeen gebruikelijke voorziening

Een maaltijdservice kan een algemeen gebruikelijke dienst zijn waarvan de cliënt geacht wordt gebruik te maken. Dat is het geval als die dienst: (CRvB 11-7-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2182, CRvB 15-01-2014, ECLI:NL:CRVB:2014:82, CRvB 31-10-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY2147, CRvB 30-03-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1178, CRvB 17-08-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR6634):

-daadwerkelijk beschikbaar is;

-door de cliënt financieel gedragen kan worden;

-adequate compensatie biedt.

Als cliënt gebruik kan maken van een maaltijddienst, dan hoeft er geen huishoudelijke ondersteuning te worden verstrekt voor het bereiden van maaltijden (CRvB 11-7-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2182, CRvB 31-10-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY2147, CRvB 17-08-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR6634 en CRvB 30-03-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1178, Rechtbank Rotterdam, 17-03-2017, ROT 15/576).

Uitgangspunt is dat een maaltijdservice betaalbaar is voor cliënt. Indien cliënt een andere mening is toegedaan, dan is het aan cliënt om aannemelijk maken dat hij de maaltijdservice financieel niet kan dragen (zie CRvB 11-7-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2182, CRvB 15-01-2014, ECLI:NL:CRVB:2014:82 en CRvB 31-10-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY2147.

Rekening houden met dieet/speciale voeding/geloof

Bij beoordeling of een maaltijdservice compenserend is, moet rekening worden gehouden met een dieet of speciale voeding die voor cliënt noodzakelijk is. Hierbij is van belang dat het college onderzoekt of met de maaltijdcomponenten die de leverancier stelt te kunnen bereiden, voldoende geschikte maaltijden kunnen worden gemaakt en of de cliënt de meerkosten die met de maaltijdcomponenten zijn gemoeid, ook kan dragen (CRvB 11-06-2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2158). Het gebruik van een maaltijdservice kan niet als niet passend worden beschouwd wanneer er alleen sprake moet zijn van algemene voorschriften van gezonde voedig. Die voorschriften zijn niet van zodanig aard dat er aanleiding is om te veronderstellen dat de maaltijddienst daarmee geen rekening houdt of kan houden (CRvB 30-03-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1178). Tevens is het niet toekennen van huishoudelijke ondersteuning voor de bereiding van warme maaltijden omdat de cliënt gebruik kan maken van de maaltijdservice, geen belemmering die indruist op het recht van vrijheid van godsdienst. Het gebruik maken van een maaltijdservice heeft niet tot gevolg dat cliënt niet vrij is haar geloof aan te hangen. Het niet gebruik willen maken van de maaltijdservice vanwege een geloofsovertuiging is een persoonlijke keuze maar brengt niet mee dat een maaltijdservice niet als adequaat is aan te merken (CRvB 27-01-2016, ECLI:NL:CRVB2016:373.

Boodschappen doen

Bij boodschappen is het uitgangspunt: één maal in de week boodschappen doen. Een uitzondering wordt alleen door het college gemaakt als volstrekt helder is dat dit niet in één maal per week mogelijk is. Uitgangspunt is het gebruik maken van een boodschappenservice, indien boodschappen niet zelf of door het sociale netwerk kunnen worden gedaan. Een boodschappenservice die leidt tot het te bereiken resultaat is voorliggend op een eventuele maatwerkvoorziening. Om te bepalen of een boodschappenservice bruikbaar is zal gekeken moeten worden naar concrete beschikbaarheid en of de cliënt of diens omgeving de vaardigheden beschikt om hier gebruik van te maken.

Als een boodschappenservice niet geschikt is, zal de ondersteuning m.b.t. boodschappen bestaan uit:

-maken van boodschappenlijst, en/of;

-bestelling plaatsen en/of;

-opruimen van geleverde boodschappen.

Boodschappenservice: algemeen gebruikelijk

Een boodschappenservice kan zoals hierboven beschreven, in de weg staan aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening met betrekking tot het boodschappen doen, mits deze service (Rechtbank Noord-Nederland 18-5-2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:2057):

-daadwerkelijk beschikbaar is;

-door de aanvrager financieel kan worden gedragen; en

-adequate compensatie biedt.

De boodschappendienst kan in dat geval gezien worden als 'algemeen gebruikelijk', omdat je geacht wordt er gebruik van te (kunnen) maken (zie CRvB 10-10-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3093en CRvB 30-1-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:397).

Dat de supermarkt pas bezorgt bij een minimum bestedingsbedrag van € 75,- en dat cliënt dat niet iedere week uitgeeft aan de boodschappen, wil niet zeggen dat cliënt deze voorziening financieel niet kan dragen. Het drempelbedrag kan worden bereikt door de zware boodschappen op te sparen en deze bijvoorbeeld eens per maand te laten bezorgen (CRvB 31-10-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY2147). ‘

Uitgangspunt is dat een boodschappenservice betaalbaar is voor een cliënt. Dit geldt ook voor een cliënt met een inkomen op het sociaal minimum niveau (CRvB 30-1-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:397). Als een andere mening is toegedaan, dan is het aan cliënt om aannemelijk te maken dat hij de boodschappenservice financieel niet kan dragen.

Boodschappen bestellen

Een boodschappenservice kan alleen als compenserend worden aangemerkt indien cliënt de boodschappen daadwerkelijk kan bestellen (CRvB 14-11-2012, nrs. 10/3927 WMO e.a. en CRvB 29-06-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2445). Het is niet noodzakelijk dat cliënt zelf in staat is de boodschappen te bestellen. Indien cliënt met behulp van een vrijwilliger, familielid of een van de buren in staat is de boodschappen te bestellen, dan is de boodschappenservice ook compenserend. De hulp moet dan wel daadwerkelijk beschikbaar zijn.

Halal voedsel en allergie

Er zijn meerdere kant- en klare maaltijden te verkrijgen bij supermarkten die voldoen aan de eisen voor halal voedsel. Niet valt in te zien dat voor deze producten geen gebruik zou kunnen worden gemaakt van een reguliere boodschappenservice.

Keuze supermarkt

Voor de beschikbaarheid van een boodschappendienst hoeft niet gekeken te worden naar de door cliënt gewenste supermarkt indien in de nabije omgeving een andere supermarkt aanwezig is, die de beschikking heeft over een boodschappenservice, waarvan uit onderzoek blijkt dat cliënt hier( financieel) gebruik van kan kan maken en waarvan de service adequate compensatie biedt (Rechtbank Arnhem 12-01-2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BH3113).

Internet

Indien een boodschappenservice alleen op bestelling via internet levert, moet onderzocht worden of cliënt via internet een bestelling kan plaatsen (Rechtbank Alkmaar 25-09-2009, nr. AWB 08/2050 Wmo.

M.b.t. wasverzorging

Het gaat hierbij om het wassen, drogen en in bepaalde situaties strijken van kleding. We spreken hier uitsluitend over normale kleding voor alledag. Daarbij is het uitgangspunt dat zo min mogelijk kleding gestreken hoeft te worden, uisluitend bovenkleding. Wat betreft de kleding wordt uitgegaan van een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de keuze van kleding, die in principe niet hoeft te worden gestreken. Met het kopen van kleding kan hier rekening mee worden gehouden.

Bij het wassen en drogen van kleding is het normaal gebruik te maken van de beschikbare – algemeen gebruikelijke - moderne hulpmiddelen, zoals een wasmachine en een droger. De reikwijdte van dit resultaat is beperkt het verzorgen van kleding die iemand in zijn bezit heeft. Begeleiding bij het kopen van kleding valt niet onder huishoudelijke ondersteuning, maar als daar behoefte aan bestaat, kan wel bemiddeld worden dat er geschikte en passende kleding wordt gekocht, bijvoorbeeld met inschakeling van vrijwilligers.

M.b.t. verzorging kind/kinderen

Het gaat hierbij om de dagelijkse zorg van kinderen die tot het gezin behoren. Dit kan onder ondersteuning vallen als een ouder met beperkingen dat zelf niet kan. Het zal nooit gaan om volledige overname. In die situatie zullen andere oplossingen gezocht moeten worden. Te denken valt aan algemeen gebruikelijke en voorliggende voorzieningen zoals kinderopvang, gastouder etc. De Wmo heeft vooral een taak om tijdelijk in te springen zodat de ruimte ontstaat om een oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen worden opgelost zodat er gezocht kan worden naar een permanente oplossing. Voor- tussen- en naschoolse opvang, kinderopvang of andere opvangmogelijkheden die in de individuele situatie van de cliënt kunnen leiden tot het te bereiken resultaat kunnen het verstrekken van een maatvoorziening onnodig maken. Er zal dus altijd eerst beoordeeld moeten worden of er sprake is van dit soort oplossingsmogelijkheden.

De reikwijdte van dit resultaat is beperkt tot de opvang en/of verzorging van kinderen i.v.m. tijdelijke uitval van de primaire verzorger(s) en afwezigheid van informele zorg. Dit resultaat wordt te allen tijde tijdelijk ingezet.

Kinderopvang algemeen gebruikelijk

Onder de Wmo 2007 is door rechtbank geoordeeld dat kinderopvang een algemeen gebruikelijke voorziening vormt (Rechtbank Arnhem 19-07-2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BR6375 en Vzr. Rechtbank Roermond 31-05-2007, 07 / 584 WMO V1 ) dan wel een voorliggende voorziening (Rechtbank Arnhem 29-08-2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BF1558).

Echter, bij toetsing aan de criteria van het begrip algemeen gebruikelijk zal beoordeeld moeten worden of de kinderopvang daadwerkelijk beschikbaar is, door de cliënt financieel gedragen kan worden en adequate compensatie biedt:

-Financieel haalbaar

Bij toetsing of cliënt kinderopvang door cliënt financieel gedragen kan worden, moet rekening worden gehouden met door cliënt te ontvangen kinderopvangtoeslag. Vanuit het beginsel van eigen kracht (artikel 2.3.5 Wmo 2015) mag van cliënt in dit verband verwacht worden dat deze zich tot het uiterste inspant om aanspraak te maken op deze toeslag. Het college zal vervolgens alsnog aan de hand van onderzoek naar de concrete feiten en omstandigheden helder moeten krijgen of kinderopvang voor cliënt betaalbaar is (Rechtbank Arnhem 29-08-2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BF1558 en de uitspraak van Vzr. Rechtbank Roermond 31-05-2007, 07 / 584 WMO V1)

-Adequate compensatie

Kinderopvang is er in vele vormen: dagopvang, tussenschoolse opvang, buitenschoolse opvang (BSO) en opvang in een peuterspeelzaal. Kinderopvang voorziet in opvang en oppas. Kinderopvang biedt dus niet in alle gevallen adequate compensatie. Te denken valt aan de situatie dat cliënt niet in staat is om een kind ’s ochtends uit bed te halen, hiervoor kan huishoudelijke ondersteuning worden ingezet mits het probleem niet anderszins kan worden opgelost.

-Daadwerkelijk beschikbaar:

Het college zal moeten onderzoeken of de kinderopvang daadwerkelijk beschikbaar is. Opvang is bijvoorbeeld niet daadwerkelijk beschikbaar als de afstand naar de kinderopvang voor cliënt te groot is of er geen mogelijkheden zijn voor cliënt om een kind te halen of te brengen.

Incidentele huishoudelijke taken

De Rechtbank Oost-Brabant heeft geoordeeld dat voor incidentele huishoudelijke taken geen maatwerkvoorziening hoeft te worden getroffen. Huishoudelijke ondersteuning voor zogenaamde 'ongelukjes' is naar zijn aard niet voorzienbaar en de behoefte daaraan hoeft daarom niet te worden geïndiceerd (Rechtbank Oost-Brabant 20-8-2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:4844). Kortdurende noodzaak inzet huishoudelijke ondersteuning

In het kader van de Wmo is het een voorwaarde om voor een maatwerkvoorziening in aanmerking te komen wanneer de voorziening langdurig noodzakelijk is. Bij de verlening van huishoudelijke ondersteuning bestaat een uitzondering op die voorwaarde. De kortdurende huishoudelijke ondersteuning valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente, bijvoorbeeld inzet na een ziekenhuisopname.

4.4.3 Gebruikelijke hulp

Algemeen

Voor alle resultaten m.b.t. huishoudelijke ondersteuning geldt dat gebruikelijke hulp voorgaat en afdwingbaar is. Hierbij worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

-van kinderen onder de 5 jaar wordt geen bijdrage aan het huishouden verwacht;

-van kinderen tussen 5 en 12 jaar wordt verwacht dat zij naar vermogen de volgende taken kunnen verrichten: opruimen eigen kamer, tafel dekken/afruimen, afwassen/drogen, een boodschap doen, kleding in de wasmand gooien;

-van kinderen van 13 tot 18 jaar wordt verwacht dat zij de volgende taken kunnen verrichten: taken van de 5-12 jarigen aangevuld met stofzuigen eigen kamer en eigen bed verschonen;

Iedereen tussen de 18-21 jaar wordt in staat geacht een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren.

De huishoudelijke taken voor een eenpersoonshuishouden zijn:

-schoon houden van sanitaire ruimte;

-schoon houden van keuken en een kamer;

-de was doen;

-boodschappen doen;

-maaltijd(en) verzorgen;

-dranken verzorgen;

-afwassen en opruimen.

Wanneer de 18-21-jarige van de leefeenheid deel blijft uitmaken, wordt hij geacht de bovengenoemde huishoudelijke taken uit te kunnen voeren. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden.

Vanaf de leeftijd van 21 jaar wordt een gezonde huisgenoot geacht om volledig zorg te kunnen dragen voor een meerpersoonshuishouden.

Per gezinssituatie zal de belastbaarheid van de kinderen/huisgenoten in kaart moeten worden gebracht. Beperking van de inzet van kinderen/huisgenoten is mogelijk, indien er sprake is van een beperkte belastbaarheid in verband met medische en/of sociale problematiek.

Bij aanwezigheid van huisgenoten die (medisch) in staat zijn huishoudelijke werkzaamheden over te nemen zal er dus geen maatwerkvoorziening worden toegekend.

Van inwonende meerderjarige kinderen mag worden verwacht dat zij huishoudelijke ondersteuning als gebruikelijke hulp verlenen, ondanks dat zij studeren, een druk sociaal leven en bijbaan hebben (CRvB 14-09-2016, nr. 15/4845 Wmo).

De omstandigheid dat een huisgenoot van wie gebruikelijke hulp kan worden verwacht de huishoudelijke taken niet wil uitvoeren en de cliënt daarom een derde moet inschakelen, komt voor zijn rekening en risico (CRvB 18-05-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7382).

De omstandigheid dat een huisgenoot van wie gebruikelijke hulp kan worden verwacht, onwillig is om deze uit te voeren, waardoor huishoudelijk werk blijft liggen, komt niet voor rekening van het college (Rechtbank Noord- Nederland 19-04-2019, ECLI:RBNNE:2019:2905).

Verder geldt dat er geen pgb beschikbaar wordt gesteld als het gaat om familieleden die de huishoudelijke ondersteuning door middel van een pgb zouden willen leveren. Van hen kan verwacht worden dat zij hun bijdrage leveren zonder daarvoor betaald te hoeven worden. Verwezen kan hier worden naar de considerans van de Wmo waarin staat: " dat van cliënten mag worden verwacht dat zij elkaar naar vermogen daarin bijstaan". Dit is een onderdeel waar het altijd als normaal beschouwd is dat familie dit voor elkaar deed. Handelend in de sfeer van de considerans: " dat het tevens wenselijk is nieuwe regels te stellen om de rechten en plichten van de cliënt weer met elkaar in evenwicht te brengen".

Bij een melding m.b.t. huishoudelijke ondersteuning geldt dat als iemand een indicatie heeft voor de Wlz of over een dergelijke indicatie kan beschikken, dit in het kader van de Wmo een afwijzingsgrond is. Als de gemeente vermoedt dat er een indicatie bestaat, kan gevraagd worden een indicatie bij het CIZ aan te vragen. Een weigering dit te doen kan ook tot afwijzing leiden.

Bij huishoudelijke ondersteuning staat de medische noodzaak voorop. Iedereen wordt verondersteld huishoudelijk werk te kunnen verrichten. Stelt iemand dat niet te kunnen dan zal dat medisch vastgesteld (geobjectiveerd) moeten worden. Dit geldt ook voor huisgenoten die in het kader van gebruikelijke zorg stellen geen huishoudelijk werk te kunnen verrichten om medische redenen.

Andere redenen dan medische redenen zijn uitsluitend: langdurig niet aanwezig zijn. Wie er door de week niet is kan het huishoudelijk werk in het weekeind doen.

Beoordeling

Bij de beoordeling van een vraag m.b.t. huishoudelijke ondersteuning, worden de volgende beoordelingspunten chronologisch afgewogen:

1Mogelijkheden eigen kracht;

2Gebruikelijke zorg;

3Mantelzorg;

4Sociale netwerk;

5(Wettelijk) voorliggende voorzieningen;

6Algemeen gebruikelijke voorzieningen.

Het eerste beoordelingspunt, of iemand iets op eigen kracht zou kunnen doen, wordt vooral gehanteerd als iemand alleenstaand is. Beoordeeld moet worden of er onderdelen zijn die iemand zelf kan (blijven) doen of weer kan uitvoeren door het aanbrengen van reorganisatie. Wat iemand zelf kan doen zal niet worden overgenomen. Wat iemand niet zelf kan doen zal overgenomen moeten worden.

Dat kan allereerst door huisgenoten. We spreken dan over gebruikelijke zorg, het tweede beoordelingsmoment. Alleen als er een medische reden is waardoor zij het niet kunnen kan daarmee rekening gehouden worden. En ook een huisgenoot die langdurig afwezig is (dat is niet gedurende de week, want het gaat hier om uitstelbare taken) kan indien nodig leiden tot een maatwerkvoorziening.

Het derde beoordelingsmoment is de mantelzorg. Onderzocht en beoordeeld zal moeten worden of er familie, uitwonende kinderen, kleinkinderen ouder dan 18 jaar, beschikbaar zijn die in staat zijn het huishoudelijke werk over te nemen. Er is geen sprake van afdwingbaarheid, maar gezien de achtergrond van de Wmo 2015 wordt dit punt wel serieus betrokken. Dat betekent dat als er mantelzorg aanwezig is die het zou kunnen doen, dat een aanleiding zou kunnen zijn een

maatwerkvoorziening te weigeren. Vaak wordt gesteld dat bijvoorbeeld kinderen het niet willen, maar dan zonder het ooit gevraagd te hebben. Allerlei argumenten van redelijkheid spelen een rol: in de nabijheid wonen, tijd beschikbaar hebben enz.

Het volgende beoordelingsmoment is het sociale netwerk. Het is niet uitgesloten dat activiteiten als zwaar- en licht huishoudelijk werk verricht kunnen worden door bekenden. Dit zal daarom ook onderzocht en beoordeeld moeten worden.

Daarna worden de (wettelijk) voorliggende voorzieningen beoordeeld. Daarbij geldt in ieder geval de Wlz als wettelijk voorliggende voorziening.. Tevens zijn er diverse algemeen gebruikelijke voorzieningen die de ondersteuningsbehoefte kunnen opheffen en/of verminderen, denk hierbij aan een boodschappenservice, een warme maaltijdservice of een glazenwasser.

Indien na onderzoek op al deze punten blijkt dat er nog een deel van het probleem niet is opgelost kan gekeken worden naar een maatwerkvoorziening. Hierbij wordt vastgesteld of cliënt op één of meerdere van deze resultaatgebieden een maatwerkvoorziening nodig heeft. Er wordt daarnaast bekeken welke maatwerkvoorzieningen van toepassing zijn en welke zwaarte daaraan moet worden toegekend, de zogenaamde categorie.

Een huisgenoot is verplicht om mee te werken aan het onderzoek naar gebruikelijke hulp.

Het gemeentelijke Wmo-beleid houdt in dat bij werkenden waarvan mag worden verwacht dat zij in het kader van gebruikelijke hulp, huishoudelijke ondersteuning bieden, geen rekening wordt gehouden met zeer drukke werkzaamheden en (zeer) lange werkweken (Rechtbank Maastricht 27-03-2009, ECLI:NL:RBMAA:2009:BI2517.

Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn en daardoor niet in staat zijn het huishoudelijk werk over te nemen. Binnen de indicatiestelling wordt uitsluitend rekening gehouden met de vanwege zijn/haar werk fysieke afwezige huisgenoot wanneer het aaneengesloten periode van tenminste zeven etmalen gaat.

4.4.4 Overige criteria

Er worden geen indicaties met terugwerkende kracht voor huishoudelijke ondersteuning gegeven. Bijvoorbeeld als iemand een aanvraag doet voor verlenging van huishoudelijke ondersteuning en de indicatie is reeds verlopen dan is het niet noodzakelijk de nieuwe indicatie te laten aansluiten op de oude (CRvB 02-07-2014 12/4996 Wmo).

Wetenschappelijke inzichten tonen aan dat extra huishoudelijk schoonmaakwerk en bewassing in relatie tot huisstofmijtallergie niet langer (medisch) noodzakelijk is. Dit betekent dat deze aandoeningen dus in beginsel niet leiden tot een substantieel grotere noodzaak van ondersteuning.

4.5 Begeleiding individueel

4.5.1 Doelgroepen begeleiding individueel

Begeleiding individueel kan worden ingezet voor dezelde doelgroepen zoals omschreven bij maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning. Cliëntendienen de leeftijd van 18 jaar en ouder te hebben.

4.5.2 Resulaatsgebieden begeleiding individueel

De maatwerkvoorziening begeleiding heeft betrekking op de volgende resultaatgebieden:

Het kunnen uitvoeren van de dagelijks noodzakelijke activiteiten

Begeleiding individueel wordt ook wel woonbegeleiding, ambulante begeleiding of thuisbegeleiding genoemd en richt zich met name op ondersteuning bij algemeen dagelijkse levensverrichtingen die nauw samenhangt met de ondersteuning die gericht is op compenseren, behoud of verbetering van de zelfredzaamheid van een cliënt. Het gaat hierbij meer om het ondersteunen bij algemene dagelijkse levensverrichtingen dan het overnemen ervan. Het kan zijn dat de situatie is dat de algemene dagelijkse levensverrichtingen toch overgenomen moeten worden. Het gaat veelal om het compenseren en actief herstellen van het beperkte of afwezige regelvermogen van de cliënt, waardoor hij onvoldoende of geen regie over het eigen leven kan voeren. Het gaat dan om zaken als het helpen plannen van activiteiten, regelen van dagelijkse zaken, het nemen van besluiten en structureren van de dag. De grens tussen persoonsgebonden sociale omgeving en participatie is niet altijd scherp te trekken, daarom is voor een cliënt met matige en zware beperkingen de ondersteuning ook mogelijk in de vorm van het stimuleren tot. Tevens kan begeleiding een vorm aannemen van praktische hulp en ondersteuning bij het uitvoeren of eventueel ondersteunen bij het inslijten van handelingen/vaardigheden die zelfredzaamheid tot doel hebben. Behandeling op grond van de Zvw wordt hierbij wel als voorliggend beschouwd.

Wanneer inzet van begeleiding de zelfstandigheid/zelfredzaamheid op de gewenste gebieden niet heeft vergroot, mag om die reden een maatwerkvoorziening worden geweigerd op grond van artikel 2.3.6, tweede lid onder c Wmo 2015 (CRvB 24-01-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:375.

4.5.3 Beperkingen

Om in aanmerking te komen voor ondersteuning in de vorm van begeleiding (individueel en groepsverband) moet zijn vastgesteld dat de cliënt beperkingen heeft op één of meer van de onderstaande 5 terreinen:

Terrein 1: Sociale redzaamheid:

-Relaties met familie onderhouden

-Zelfstandig contacten onderhouden

-Zelfstandig contacten opbouwen

-Administratieve zaken afhandelen

-Dagelijkse bezigheden

-Dagelijkse routine regelen

-Initiëren + uitvoeren complexe taken

-Probleem oplossen/besluiten

-Zelf geld beheren

-Administratie/financiën (overzicht krijgen over administratie/facturen, contracten, verzekeringen etc.)

-Post afhandelen

-Wonen/Huisvesting

-Begrijpelijk maken naar andere

-Begrijpen wat anderen zeggen

-Een gesprek voeren

-Initiëren + uitvoeren eenvoudige taken

-Lezen, schrijven, rekenen

-Zich redden in winkels, postkantoor etc.

-Omgaan met destructief gedrag

-Omgaan met dwangmatig gedrag

-Omgaan met lichamelijk agressief gedrag

-Omgaan met manipulatief gedrag

-Omgaan met verbaal agressief gedrag

-Omgaan met zelfverwondend of zelfbeschadigend gedrag

-Omgaan met grensoverschrijdend seksueel gedrag

-Huiselijke relaties

Terrein 2: Maatschappelijke participatie:

-Gebruik maken van openbaar vervoer

-Eigen vervoermiddel gebruiken

-Lichaamspositie handhaven

-Grove hand- en armbewegingen maken

-Fijne handbewegingen maken

-Lichtere voorwerpen tillen

-Zwaardere voorwerpen tillen

-Gecoördineerd bewegingen maken met benen en voeten

-Lichaamspositie veranderen

-Trap op en af gaan zonder hulp(middelen)

-Zich verplaatsen met hulp(middelen)

-Voortbewegen binnenshuis, zonder hulp(middelen)

-Voortbewegen buitenshuis, zonder hulp(middelen)

-Korte afstanden lopen

-Dagtaak uitvoeren

-Niet-betaald werk doen

-Vrijetijdsbesteding buitenshuis

-Zelfstandig naar club/vereniging gaan

-Naar een algemene voorziening gaan

-Hulpmiddelen voor communicatie gebruiken

-Justitie

Terrein 3: Psychosociaal/Psychisch functioneren:

-Concentratie

-Geheugen en denken

-Perceptie

-Motivatie

Terrein 4: Psychosociaal welbevinden:

-Moedeloos zijn

-Angstig zijn

-Gemis van gewaardeerde sociale rollen

-Belangstelling, betrokkenheid

-Gemis van persoonlijke relaties

-Gebruik van alcohol

-Gebruik van harddrugs

-Gebruik van softdrugs

Terrein 5: Mentaal functioneren:

-Oriëntatie in tijd

-Oriëntatie in ruimte

-Oriëntatie in persoon

-Oriëntatie naar plaats

-Hogere cognitieve functies

-Aandacht

-Algemene mentale functies

-Bewustzijn

-Energie en driften

-Globale psychosociale functies

-Intellectuele functies

-Mentale functies nao

-Psychomotore functies

-Slaap

-Temperament en persoonlijkheid

-Hoor functies

-Visuele functies

-Sensorische functies (pijn)

•Vestibulaire functies

Begeleiding individueel

Persoonlijk functioneren

Punten Niveau 1

Punten Niveau 2

Punten Niveau 3

Punten Niveau 4

Punten Niveau 5

Sociale redzaamheid

0,5

2

5

8

12

Maatschappelijke participatie

0,5

2

4

6

8

Psychosociaal functioneren

0,5

2

4

6

8

Psychosociaal welbevinden

0,5

2

4

6

8

Mentaal functioneren

0,5

1

2

3

4

Niveau 1:

Cliënt is voldoende zelfredzaam, ook met ondersteuning van gebruikelijke hulp of mantelzorg. Zonder ondersteuning is er echter een reëel risico op terugval. Van de aanbieder wordt verwacht dat hij cliënt 'in de gaten houdt' en dat de zelfredzaamheid niet afneemt(Waakvlam!)

Niveau 2:

Cliënt is ook met ondersteuning van gebruikelijke hulp of mantelzorg, zelf in staat activiteiten uit te voeren die vallen onder de activiteiten van de hoofdcategorie, maar cliënt, gebruikelijke hulp of mantelzorger heeft daarbij aansturing nodig(Geen overname taken!).

Niveau 3:

Cliënt is ook met ondersteuning van gebruikelijke hulp of mantelzorg, in staat om activiteiten uit te voeren die vallen onder de activiteiten van de hoofdcategorie, maar cliënt, gebruikelijke hulp of mantelzorger moet hierbij geholpen worden(gezamenlijk uitvoeren zonodig i.c.m. aansturing).

Niveau 4:

Cliënt is ook met ondersteuning van gebruikelijke hulp of mantelzorg, niet in staat om een groot aantal activiteiten uit te voeren die vallen onder de activiteiten van de hoofdcategorie. De activiteiten moeten worden overgenomen.

Niveau 5:

Cliënt is ook met ondersteuning van gebruikelijke hulp of mantelzorg, niet in staat om enige activiteiten uit te voeren die vallen onder de activiteiten van de hoofdcategorie. De activiteiten moeten worden overgenomen. Veelal cliënten die in aanmerking komen voor een Wlz-indicatie of Beschermd Wonen (BW) indicatie. Niveau 5 wordt incidenteel ingezet als overbruggingszorg tot opname in BW of Wlz-indicatie.

Omschrijving

Score

Waakvlam

0,5

2,0

Licht

2,5

5,0

Midden

5,5

9,0

Midden-zwaar

9,5

14,0

Zwaar

14,5

19,0

Extra-zwaar

19,5

∞

Extra-zwaar NP

19,5

∞

NP: Niet aangeboren hersenletsel-Psychiatrie

Toelichting:

Cliënt heeft ondersteuning nodig om de zelfredzaamheid bij het sociaal en persoonlijk functioneren te behouden, te verbeteren of de achteruitgang af te vlakken. De ondersteuning kan bestaan uit het 'in de gaten houden', 'aansturen', 'helpen bij' of 'overnemen van' activiteiten die gerelateerd zijn aan sociaal en persoonlijk functioneren. De bovenstaande ondersteuningstreden bepalen de mate van ondersteuning, bij:

-ondersteuning waakvlam, ligt de nadruk op 'in de gaten houden van'. In de opdrachtverstrekking wordt aangegeven om welke activiteiten het gaat en of deze 'in de gaten', 'aangestuurd', 'helpen bij' of 'overgenomen' moeten worden.

-ondersteuning licht, ligt in de meeste gevallen de nadruk op 'het begeleiden van' eventueel in combinatie met 'in de gaten houden van'. In de opdrachtverstrekking wordt aangegeven om welke activiteiten het gaat en of deze 'in de gaten', 'aangestuurd', 'helpen bij' of 'overgenomen' moeten worden.

-ondersteuning midden, ligt de nadruk op 'begeleiden van' eventueel in combinatie met een eenvoudige vorm van 'helpen bij'. In de opdrachtverstrekking wordt aangegeven om welke activiteiten het gaat en of deze 'in de gaten', 'aangestuurd', 'helpen bij' of 'overgenomen' moeten worden.

-ondersteuning midden-zwaar, ligt de nadruk op 'helpen bij' in combinatie met 'begeleiden van'. In de opdrachtverstrekking wordt aangegeven om welke activiteiten het gaat en of deze 'in de gaten', 'aangestuurd', 'helpen bij' of 'overgenomen' moeten worden.

-ondersteuning zwaar, ligt de nadruk op 'helpen bij' in combinatie met 'overnemen van'. In de opdrachtverstrekking wordt aangegeven om welke activiteiten het gaat en of deze 'in de gaten', 'aangestuurd', 'helpen bij' of 'overgenomen' moeten worden.

-ondersteuning extra zwaar, ligt de nadruk op 'overnemen van'. In de opdrachtverstrekking wordt aangegeven om welke activiteiten het gaat en of deze 'in de gaten', 'aangestuurd', 'helpen bij' of 'overgenomen' moeten worden.

Voor alle activiteiten die behoren bij het sociaal en persoonlijk functioneren en de persoonlijke verzorging geldt een richtlijn met ondersteuningsscores zoals hierboven opgenomen. Deze richtlijn is gebaseerd op de uren-/klasse-systematiek zoals die tot 2015 ook onder de AWBZ werd gehanteerd.

4.6 Groepsbegeleiding

4.6.1 Doelgroepen groepsbegeleiding

Groepsbegeleiding kan worden ingezet voor dezelde doelgroepen zoals omschreven bij maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning. Cliënten dienen de leeftijd van 18 jaar of ouder te hebben.

4.6.2 Resulaatsgebieden groepsbegeleiding

De maatwerkvoorziening begeleiding heeft betrekking op de volgende resultaatgebieden:

Het hebben van een dagvulling bestaande uit arbeidsmatige, recreatieve of andere activiteiten

Om zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen blijven wonen, is het van belang dat een cliënt over een ingevulde dag kan beschikken. Voor veel mensen is het hebben van een ingevulde dag heel gewoon. Vanaf 4 jaar gaat iedereen naar school, na het onderwijs vinden de meeste mensen werk en als er niet meer gewerkt hoeft te worden zijn veel mensen uitstekend in staat zij dag te vullen. Wie dat, mede door de ondervonden beperkingen, niet kan, kan daardoor een last worden voor zichzelf en voor de personen om hem of haar heen. Een ingevulde dag is daarom een belangrijke doelstelling onder de Wmo 2015. Niet voor iedereen, maar voor wie er behoefte aan heeft. Een dag kan op verschillende manieren ingevuld worden. het kan gaan om arbeidsmatige, recreatieve of andere activiteiten. Bij deze activiteiten kan ook het aspect van het vasthouden van aangeleerde mogelijkheden, of het eventueel uitbreiden van die mogelijkheden, zich voordoen. De manier waarop de dag besteed wordt en of er leermatige of behoudende aspecten aanwezig zijn moet gedurende het onderzoek tijdens het gesprek bepaald worden. Het is sterk van de persoon afhankelijk of er leeraspecten zijn of niet! Het is sterk van de persoon afhankelijk of arbeidsmatige aspecten mogelijk zijn of niet. Is dat niet mogelijk, dan zal het karakter deels recreatief worden. Ook komen mengvormen zeer frequent voor.

Toerusting mantelzorger opdat cliënt zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven wonen

Dit resultaat moet de cliënt de mogelijkheid bieden in zijn eigen leefomgeving te blijven wonen als de mantelzorg zo zwaar belast is door de activiteiten die voortvloeien uit de mantelzorg en het dagelijkse leven van de mantelzorger zelf, dat zonder dit resultaat de mantelzorg in gevaar komt en daarmee ook het zelfstandig wonen van de cliënt. Er zijn maatwerkvoorzieningen die er op gericht zijn mantelzorgers te ontlasten. Daarbij gaat het om groepsbegeleiding.

De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten

Het gaat hier om de mogelijkheid deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten, dat wil zeggen deel te kunnen nemen aan het leven van alledag. Bij de maatwerkvoorziening vervoer is dit resultaatgebied ook aan de orde gekomen, omdat vervoer voor het onderhouden van contacten noodzakelijk kan zijn. Echter ook het kunnen opbouwen en onderhouden van een sociaal netwerk is van belang om contacten te hebben met medemensen en deel te kunnen nemen aan activiteiten.

Concluderend kan gesteld worden dat het het leveren van groepsbegeleiding zich richt aan door de gemeente geïndiceerde cliënten die tijdelijk of meer structureel ondersteuning nodig hebben in het dagelijks leven omdat zij tegen problemen aanlopen op het gebied van zelfredzaamheid of deelname aan de samenleving. Deze kunnen onder andere samenhangen met hun sociaal functioneren, psychisch functioneren, geheugen, regie of gedrag.

Groepsbegeleiding kan bestaan uit vormen van dagbesteding, zowel arbeidsmatig als educatief of creatief, gericht op het voorkomen of verminderen van een sociaal isolement en het bieden van een zinvol en gestructureerd dagritme als alternatief voor reguliere dagbesteding als school en werk.

Groepsbegeleiding kan ook worden ingezet als vorm van respijtzorg, om verleners van gebruikelijke zorg of mantelzorgers te ontlasten. Praktische hulp bij het uitvoeren dan wel het ondersteunen bij of oefenen van handelingen en vaardigheden gericht op zelfredzaamheid of het behoud daarvan maken onderdeel uit van groepsbegeleiding evenals het vervoer als hier een indicatie voor is. Groepsbegeleiding is altijd maatwerk en kan aanvullend zijn op andere vormen van ondersteuning.

Het is gericht op:

-activering

-beweging

-leren omgaan met dementie

-contacten

-een zinvolle invulling van de dag

-het overnemen van toezicht en het bieden van ritme en regelmaat

-ontlasting en ondersteuning door verlichting van de mantelzorger

Groepsbegeleiding (Bg)

Groepsbegeleiding

Punten Niveau 1

Plus basis

1

Plus intensief

1

Extra basis

1

Extra intensief

1

Frequentie / week (dagdeel)

1– 14x

Toelichting op vormen van begeleiding in groepsverband:

Groepsbegeleiding- Plus:

Cliënten in deze begeleiding groep zijn nog wel sociaal actief, maar de algemene ontmoetingsvoorzieningen zijn voor hen niet de geschikte plekken. Dit zijn cliënten die zich in het gewone sociale verkeer (nog) niet kunnen handhaven en hierbij deskundige begeleiding nodig hebben, zoals:

-Cliënten die (tijdelijk) moeilijk contacten maken en aansluiting vinden bij anderen om tal van redenen;

-Cliënten die wel aansluiting met anderen maken maar vanwege het verlies van lichaamsfuncties (bijvoorbeeld hebben van een afasie na een CVA);

-Cliënten met een beperkt netwerk bestaande uit familie, vrienden of buren dat cliënt ondersteunt en waarvoor overbelasting dreigt;

Kenmerken van groepsbegeleiding Plus- variant:

-Een open karakter;

-Een laagdrempelig programma;

-Deskundige begeleiding aanwezig waaronder professionals die met de problematiek van de cliënten kunnen omgaan, of er naar kunnen handelen;

-Aandacht voor familie en mantelzorgers (lotgenotencontact en respijtzorg);

Binnen de groepsbegeleiding- Plus is er onderscheid tussen basis en intensief:

Groepsbegeleiding- Plus basis

-Beperkt aantal begeleiders per groep nodig / Inzet van vrijwilligers is mogelijk;

Groepsbegeleiding- Plus intensief

-Meer begeleiders per groep nodig / Gespecialiseerde begeleiding;

Groepsbegeleiding- Extra:

Cliënten in deze variant hebben meer structuur en professionele begeleiding nodig dan de cliënten in variant groepsbegeleiding- plus. Cliënten waarvan tijdelijk het initiatief tot contact of activiteit wordt overgenomen. Hieronder vallen:

-Cliënten die zelf helemaal geen contacten (meer) met anderen aan kunnen gaan en/of die daarvoor op de dagelijkse hulp van professionals is aangewezen. De oorzaken divers;

-Cliënten die zodanig gedesoriënteerd zijn in tijd en ruimte (met name bij dementieel syndroom) dat zij intensieve ondersteuning nodig hebben;

-Cliënten met een beperkt netwerk bestaande uit familie, vrienden of buren dat cliënt ondersteunt en waarvoor overbelasting dreigt.

Kenmerken van groepsbegeleiding- Extra variant:

-Gestructureerd karakter met vaste dagdelen;

-Vaste groep deelnemers en vaste begeleiders;

-Deskundige begeleiding aanwezig, waaronder professionals die met de (onderliggende)

-problematiek van de cliënten kunnen omgaan, of er naar kunnen handelen;

-De activiteiten worden afgestemd op de mogelijkheden van de doelgroep;

-Aandacht voor familie en mantelzorgers (lotgenotencontact en respijtzorg).

Binnen de groepsbegeleiding- Extra is er onderscheid tussen basis en intensief:

Groepsbegeleiding- Extra basis

-Beperkte begeleiding per groep nodig / Inzet van vrijwilligers is mogelijk

Groepsbegeleiding- Extra intensief

-Meer begeleiding per groep nodig / Inzet gespecialiseerde begeleiding

4.6.3 Bepaling aantal dagdelen groepsbegeleiding

Groepsbegeleiding wordt per dagdeel geindiceerd. Het bepalen van het aantal dagdelen is afhankelijk van het resultaat dat moet worden behaald.

Groepsbegeleiding voor een klein gedeelte van de week (1,2 of 3 dagdelen) heeft vooral als doel om het sociaal netwerk van de cliënt te ontlasten en het netwerk van de cliënt te vergroten. Gedurende een klein aantal dagdelen wordt gericht gewerkt aan ontwikkeling dan wel stabilisatie van de situatie van de cliënt. Tevens wordt het netwerk van de cliënt ontlast waardoor gezinsleden, huisgenoten, of mantelzorgers langer in staat worden gesteld om de ondersteuning vol te houden.

Groepsbegeleiding voor een gemiddeld aantal dagdelen per week (4,5 of 6) heeft vooral als doel om een alternatief te bieden als door ernstige beperkingen geen of geen volledig gebruik kan worden gemaakt van reguliere dagbesteding als werk, studie of vrijetijdsbesteding. Er is veelal behoefte aan een omgeving met vaste afspraken en structuur waarbij wordt gewerkt aan ontwikkeling of stabilisatie van de situatie van de cliënt. Dit gemiddelde aantal dagdelen kan voor een deel van de cliënten ook worden ingezet als opstap naar meer ontwikkelingsgerichte of arbeidsmatige groepsbegeleiding. Tevens kan dit aantal dagdelen worden ingezet om het netwerk van de cliënt te ontlasten waardoor gezinsleden, huisgenoten, of mantelzorgers langer in staat worden gesteld om de ondersteuning vol te houden.

Groepsbegeleiding met een groot aantal dagdelen per week (7 tot en met 14) is bedoeld als alternatief voor de reguliere dagbesteding als werk, studie of vrijetijdsbesteding voor de groep cliënten die fysiek en mentaal wel in staat zijn om dagelijks deel te nemen aan de groepsbegeleiding en zelf geen andere zinvolle invulling van de dag hebben als werk of de deelname aan algemene activiteiten of hiertoe door beperkingen niet in staat zijn. Het doel kan zijn om structuur en veiligheid te bieden waardoor ontregeling van de situatie van de cliënt wordt voorkomen en er vanuit veiligheidsoverwegingen voor te zorgen dat cliënt niet alleen thuis hoeft te blijven als de mantelzorger niet thuis kan zijn en er geen alternatieven beschikbaar zijn. Er dient te worden opgemerkt dat wanneer inzet van begeleiding in groepsverband voor nagenoeg de gehele week noodzakelijk is, er mogelijk sprake kan zijn van een Wlz- ondersteuningsbehoefte. Onderzoek of hiervan sprake is dient te worden uitgevoerd.

4.6.4 Vervoer bij begeleiding in groepsverband

De gemeente is op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het vervoer van en naar de dagbesteding (begeleiding groep), mits cliënt niet op eigen kracht, met inzet van algemeen gebruikelijke voorzieningen, op grond van de Wmo verstrekte vervoersvoorzieningen, of met inzet van mantelzorg hierin zelf kan voorzien. Alleen wanneer het noodzakelijk is wordt (rolstoel) vervoer toegekend. Bij de afweging of huisgenoten, mantelzorg of personen uit het sociale netwerk het vervoer voor de cliënt kunnen verzorgen of de cliënt kunnen begeleiden, wordt rekening gehouden met de frequentie van de dagbesteding.

Als er sprake is van een indicatie voor groepsbegeleiding gecombineerd met een indicatie voor vervoer, wordt dit uitgevoerd door de instelling zelf of door een door de gemeente gecontracteerde vervoerder. Zorgaanbieders krijgen per gerealiseerde aanwezigheidsdag een vergoeding als sprake is van een indicatie met vervoer van en naar de locatie waar de groepsbegeleiding wordt geboden en zij hebben gekozen om het vervoer zelf uit te voeren.

Gebruik openbaar vervoer naar begeleiding in groepsverband

De CRvB heeft onder de Wmo 2007 geoordeeld dat het neergelegde algemene uitgangspunt dat een vervoersvoorziening wordt geweigerd indien een persoon uit de doelgroep in staat is het openbaar vervoer te bereiken en daarvan gebruik te maken, niet in strijd met de in artikel 4 Wmo neergelegde compensatieplicht. Immers met het openbaar vervoer moet deze persoon geacht worden zich lokaal te kunnen verplaatsen, medemensen te kunnen ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te kunnen gaan (CRvB 15-02-2012, 09/4472 WMO e.a.). Wanneer een cliënt veilig en zelfstandig in staat is om gebruik te maken van het reguliere openbaar vervoer om de locatie van de groepsbegeleiding te bezoeken wordt hiervoor geen ondersteuning geboden.

Verzorging tijdens bezoek aan groepsbegeleiding

Wanneer het bieden van persoonlijke verzorging tijdens het moment dat de cliënt de groepsbegeleiding bezoekt vormt dit onderdeel van de groepsbegeleiding. Het gaat dan bijvoorbeeld om cliënten helpen met naar het toilet gaan gaan. Dit zijn handelingen die de begeleider van de groepsbegeleiding verricht en onderdeel vormen van de begeleiding groep.

4.6.5 Kaders inzet groepsbegeleiding

Indien in het onderzoek is vastgesteld dat cliënt op één of meerdere van deze resultaatgebieden een maatwerkvoorziening nodig heeft, wordt nader bekeken welke maatwerkvoorzieningen van toepassing zijn en welke zwaarte daaraan moet worden toegekend. Al naar gelang de situatie kan een cliënt verschillende vormen van begeleiding krijgen. Cliënten kunnen indien nodig ook meer dan één vorm van begeleiding krijgen. Tijdens het onderzoek zal altijd eerst bezien worden in hoeverre groepsbegeleiding een antwoord kan bieden op de ondersteuningsvraag waar een melding of aanvraag betrekking op heeft. Inzet hiervan is voorliggend op inzet van individuele begeleiding. Als daarnaast of in plaats daarvan een individueel ondersteuningsaanbod nodig is, dan kan dit aanvullend worden ingezet. Ook kunnen vormen van begeleiding elkaar opvolgen. Zo kan door de inzet van individuele begeleiding de drempel voor deelname aan groepsbegeleiding worden verlaagd.

Wanneer is vastgesteld dat begeleiding nodig is, wordt op basis van de uitkomsten van het onderzoek een de goedkoopst, adequate maatwerkvoorziening(en) toegekend aan de cliënt.

Daarbij formuleert de gemeente resultaten die met betrekking tot bovenstaande resultaatgebieden binnen deze begeleidingscategorie dienen te worden gerealiseerd.

Welke inzet nodig is om tot deze resultaten te komen, kan per cliënt situatie sterk verschillen. Daarom wordt op basis van de bevindingen uit het onderzoek nagegaan welke begeleiding het beste aansluit bij de persoonlijke situatie en mogelijkheden van de cliënt.

5. Verstrekkingsvormen

5.1. Verstrekking in natura

5.1.1 Verstrekkingsvormen bij verstrekking in natura

De vorm waarin de maatwerkvoorziening in natura wordt verstrekt is bepaald in:

-in bruikleen;

-in eigendom;

-bij wijze van persoonlijke dienstverlening;

-bij wijze van een financiële tegemoetkoming.

Bruikleen

Een veel voorkomende verstrekkingsvorm is verstrekking op basis van een bruikleenovereenkomst als bedoeld in Boek 7A, artikel 1777 BW. Capelle aan den IJssel is eigenaar van de in bruikleen te verstrekken hulpmiddelen. De rechten en plichten ten aanzien van bruikleen zijn neergelegd in een bruikleenovereenkomst. Bruikleen heeft als voordeel dat het eigendom bij de leverancier of bij de gemeente berust, wat het mogelijk maakt om de maatwerkvoorziening te herverstrekken en, indien niet is voldaan aan de voorwaarden van de beschikking of bruikleenovereenkomst, de maatwerkvoorziening terug te claimen. Daarbij vindt bruikleenplaats in de vorm van een gift, dus zonder dat er vanuit de cliënt een (financiële) tegenprestatie verschuldigd is.

Naast het besluit waarbij een maatwerkvoorziening wordt toegekend in bruikleen wordt dus ook een bruikleenovereenkomst gesloten met de cliënt. Met de bruikleenovereenkomst wordt, gelet op Rechtbank Arnhem 08-09-2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BT6586, de feitelijke uitvoering van de verstrekking van de maatwerkvoorziening geregeld. Hierin worden verplichtingen geregeld die voortvloeien uit het feitelijk gebruik van de maatwerkvoorziening. Het gaat het om gedetailleerde feitelijke voorwaarden die zich minder lenen voor opname in een besluit.

Eigendom

De gemeente kan, als eigenaar van een hulpmiddel, deze in eigendom overdragen aan de cliënt. Capelle aan den IJssel heeft een overeenkomst met een leverancier van hulpmiddelen op basis waarvan de leverancier een hulpmiddel in eigendom verstrekt aan een cliënt. In deze variant heeft de cliënt geen juridische afdwingbare afspraken richting de leverancier. Levert een leverancier niet het juiste hulpmiddel of is deze nalatig in de verstrekking, dan zal cliënt zicht tot de gemeente moeten wenden.

Met name hulpmiddelen met een geringe waarde worden in eigendom verstrekt of hulpmiddelen die (onveranderbaar) specifiek zijn toegesneden op de beperkingen van een cliënt.

Persoonlijke dienstverlening

Een andere verstrekkingsvorm in natura is die van de “persoonlijke dienstverlening”. De gemeente sluit hierbij een overeenkomst met een leverancier van diensten, waarbij opdracht wordt verleend tot het verrichten van een dienst. De overeenkomst tussen gemeente en leverancier is óf een opdrachtovereenkomst óf een aannemingsovereenkomst. Er is sprake van een opdrachtovereenkomst als de gemeente de leverancier een opdracht geeft tot het verrichten van werkzaamheden, niet zijnde een werk van stoffelijke aard (bijvoorbeeld individuele begeleiding of huishoudelijke ondersteuning) . Als de opdracht betrekking heeft op een werk van stoffelijke aard (zoals het leveren of repareren van een rolstoel) dan is sprake van aannemingsovereenkomst. De opdrachtgever bij de opdrachtovereenkomst en bij de aannemingsovereenkomst is niet de cliënt, maar de gemeente. Financiële tegemoetkoming

Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat een cliënt krijgt als tegemoetkoming in de kosten die gemaakt worden om een geïndiceerde maatwerkvoorziening aan te schaffen of hulp te organiseren. De cliënt is vrij om zelf een aanbieder of leverancier te kiezen en afspraken te maken over de invulling van de te leveren zorg dan wel voorziening.

In verschillende uitspraken heeft de CRvB aangegeven dat de definitie van maatwerkvoorziening in artikel 1.1.1 Wmo 2015 ruim genoeg is om ook een financiële tegemoetkoming te kunnen omvatten (CRvB 12-2-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:395, CRvB 12-2-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:396,CRvB 27-3-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1166). De grondslag van de financiële tegemoetkoming is niet artikel 2.1.7 Wmo 2015. In dat artikel is de tegemoetkoming in de meerkosten geregeld, welke regeling een algemeen inkomensondersteunend karakter heeft.

In het persbericht van de CRvB over de uitspraak wordt expliciet benoemd dat de financiële tegemoetkoming kan worden ingezet voor bijvoorbeeld verhuiskosten en vervoer. Verhuiskosten en kosten van vervoer met de eigen auto hebben gemeen dat de hoogte hiervan vooraf lastig te bepalen is. Een financiële tegemoetkoming is hiervoor dan ook een geschikt instrument. Dat betekent niet dat de inzet van de financiële tegemoetkoming tot deze voorzieningen beperkt moet blijven.

De CRvB stelt als voorwaarde dat de financiële tegemoetkoming een passende bijdrage moet leveren aan de zelfredzaamheid en participatie van de aanvrager (CRvB 12-2-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:395 en CRvB 12-2-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:396, CRvB 27-3-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1166). Een forfaitaire maatwerkvoorziening die zo ver afstaat van de werkelijke kosten van de compenserende maatregel dat deze geen passende bijdrage meer levert aan het verminderen of wegnemen van de gevolgen van de beperkingen, kan niet gelden als maatwerkvoorziening in de zin van artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 (zie ook CRvB 6-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3610).

Hieruit kan worden afgeleid dat de (forfaitaire) financiële tegemoetkoming niet kostendekkend behoeft te zijn. Gelet op de terminologie van de CRvB moet de financiële tegemoetkoming echter wel in de buurt moet komen van de daadwerkelijk gemaakte kosten.

5.1.2 Verstrekking rolstoel-, vervoers- en woonvoorziening in natura

Bij verstrekking van een rolstoel-, vervoers- en woonvoorzieningen in natura vallen alle kosten van onderhoud en reparatie, mits niet aantoonbaar is dat deze zijn ontstaan door oneigenlijk gebruik, en zo nodig de verzekering onder de verstrekking. De gemeente heeft samen met de leverancier(s) van hulpmiddelen een pakket van rolstoel-, vervoers- en woonvoorzieningen samengesteld waaruit in basis een keuze wordt gemaakt voor de in natura te verstrekken voorziening (het zogenaamde kernassortiment). Elk type voorziening kent zijn eigen specifieke gebruikskenmerken.

De keuze voor de type voorziening uit die categorie wordt bepaald door verschillende factoren zoals:

-de door cliënt ondervonden beperkingen (mate van noodzakelijke ondersteuning);

-de aard, frequentie en intensiteit van het gebruik van de maatwerkvoorziening;

-de functionele eisen die door de gebruiker aan de maatwerkvoorziening worden gesteld.

Op het moment dat zich geen geschikte voorziening in het voorkeursassortiment bevindt, kan hiervan worden afgeweken en kan een voorziening buiten het voorkeursassortiment verstrekt worden.

Accessoires en individuele aanpassingen worden alleen verstrekt indien hiervoor een (medische) noodzaak bestaat. Te denken valt hierbij aan zuurstoffleshouders etc.

Bijlage 1 Algemeen gebruikelijke, wettelijke voorliggende en algemene voorzieningen

In de onderstaande tabel worden algemeen gebruikelijke, wettelijk voorliggende en algemene voorzieningen genoemd. Gezien de landelijke en lokale ontwikkelingen is het niet mogelijk een uitputtende lijst te maken. Het onderstaande overzicht omvat derhalve een niet limitatieve opsomming van algemeen gebruikelijke, aanspreken van eigen kracht en algemene voorzieningen.

ALGEMEEN GEBRUIKELIJKE VOORZIENINGEN

EIGEN KRACHT VOORZIENINGEN

ALGEMENE

VOORZIENINGEN

ALGEMEEN

-Kosten telefoonabonnement

-Hogere huurkosten door CV

-Financieel/ administratieve ondersteuning

-Privaatrechtelijke overeenkomst

-Wlz

-Zorgverzekeringswet

-WIA

-Verhuiskostenver-goeding woningstichting obv Woningwet

-Alarmering

-Opstapbus onder andere ten behoeve van sociale contacten

WOONVOOR-ZIENING

-Waterbed

-Keramische kookplaat

-Hendelkranen

-Thermostaatkranen

-Vervangen keukenapparatuur

-Stofzuiger met HEPA- filter

-Aanrechtblad

-Vervangen stoffen meubilair voor glad meubilair

-Verhoogde toiletpotten

-Toiletverhogers (opzetstuk)

-Losse douchestoel tot 130 kilogram Wandbeugels/handgrepen

-CV

-Zonwering (inclusief elektrische bediening)

-Stalling voor (driewiel)fiets

-Windhaak

-(tweede) Trapleuning

-(tweede) Toilet

-Renovatie keuken

-Renovatie badkamer

-Anti-sliptegels bij renovatie of nieuwbouw

-Douchekop en glijstang

-Douchescherm

-Outillagemiddelen Wlz- instelling

VERVOERS-VOORZIENING

-Openbaar vervoer

-Automatische transmissie auto

-Elektrische bedienbare ramen auto

-Kosten APK- keuring

-Derde of vijfde deur auto

-Warmtewerend glas auto

-Cruise control

-Brommobiel

-SpartametFiets met (lage instap en) trapondersteuning

-Tandem en Tandemmet

-Tavarafiets

-Bakfiets

-Fietskar voor kinderen

-Aankoppelfiets voor kinderen

-WIA

-Wet sociale werkvoorziening

-Participatiewet

-Opstapbus ten behoeve van sociale contacten

-Vervoer Hulpdienst Capelle

-Scootmobielpool

ROLSTOEL-VOORZIENING

-WIA

-Wlz (wettelijk voorliggende voorziening)

-Participatiewet (meeneembare voorziening)

-Rolstoelpool

Huishoudelijke ondersteuning

-Boodschappenbezorgdienst, zoals Albert.nl.

-Kinderopvang/crèche/opvang op school, buitenschoolse opvang, gastouderopvang

-Maaltijdvoorziening

-Kant- en klaarmaaltijden (supermarkt)

-Hondenuitlaatservice

-Glazenwasserservice

-Technische hulpmiddelen, waaronder wasmachine, wasdroger, vaatwasser

-Kreuk- en strijkvrije kledin

-Wlz (wettelijk voorliggende voorziening)

-Boodschappendienst: Opstapbus

-Maaltijdservice: tafeltje dekje

BEGELEIDING

-Algemeen maatschappelijk werk/Cliënt- ondersteuning

-Mantelzorg- ondersteuning

-Vrijetijdsverenigingen zoals sportverenigingen

-Ontmoetings- activiteiten in de wijk, zoals open inloop

-Zvw

-Wet sociale werkvoorziening

-Participatiewet

-Uwv

-Wlz (wettelijk voorliggend)

Persoonlijke verzorging

-Zvw

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.