Gemeentelijke regelgeving

Handboek kabels en leidingen UNOG

Gemeente Bronckhorst · geldt sinds 15 februari 2024

Aanhef

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst;

gelet op artikel 3 van de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren 2023 (AVOI) alsmede artikel 3:4, tweede lid en het bepaalde in Titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht;

besluit:

in te trekken het Handboek ondergrondse infrastructuren: nadere regels en uitvoeringsvoorschriften UNOG 2016

en;

vast te stellen het

HANDBOEK KABELS EN LEIDINGEN UNOG

2. BEGRIPSBEPALINGEN, ROLVERDELING EN VERWIJZINGEN

2.2. Rolverdeling

2.2.1. Gemeente, netbeheerder, grondroerder

In de praktijk kan een rolverdeling bestaan tussen de netbeheerder en de grondroerder. Soms worden die twee rollen door een en dezelfde partij vervuld.

De gemeente handelt in het algemeen veel zaken rechtstreeks af met de grondroerder, maar de netbeheerder is ook aansprakelijk en verantwoordelijk voor het (doen) opvolgen van de bepalingen in dit Handboek. Dit geldt met name als er gebruik wordt gemaakt van (een) grondroerder(s) die middels een machtiging werkzaamheden verricht(en) voor de netbeheerder.

De gemeente behoudt zich desondanks wel het recht voor om in dringende gevallen ook handhavingsmaatregelen rechtstreeks met de grondroerder af te handelen en de netbeheerder daarvan zo snel mogelijk in kennis te stellen.

2.2.2. Gemeentelijke toezichthouder-, specialist- en coördinator kabels en leidingen

De gemeentelijke organisatie rondom kabels en leidingen is verdeeld over drie rollen. Deze rollen zijn toegewezen aan één of meerdere medewerkers van de gemeente. Het is mogelijk dat bij afwezigheid van personen de rollen door andere personen overgenomen worden.

-De toezichthouder kabels en leidingen is onder andere verantwoordelijk voor:

o toezicht op de werkzaamheden aan kabels en leidingen van de netbeheerders vanaf de start van de werkzaamheden tot en met de oplevering en einde garantie/onderhoudsperiode;

o deelname aan het projectmatig of tactisch overleg of aan het projectmatig uitvoeringsoverleg.

o het goedkeuren van meldingen voor aanvang van werkzaamheden, spoedeisende werkzaamheden en werkzaamheden van minder ingrijpende aard.

-De specialist kabels en leidingen is onder andere verantwoordelijk voor:

o het verlenen van vergunningen of instemmingsbesluiten voor werkzaamheden van netbeheerders ten aanzien van kabels en leidingen;

o het er (samen met de coördinator kabels en leidingen) voor zorgen dat de juiste mensen (die ter zake bevoegd zijn) vanuit de diverse organisaties (gemeente en netbeheerders) aan het tactisch overleg deelnemen;

o het initiëren van het tactisch overleg, is voorzitter en verzorgt de verslaglegging.

-De coördinator kabels en leidingen is de ‘spin in het web’ (helicopterview) die alle relevante zaken oppakt die op beleidsmatig, juridisch, technisch en financieel gebied te maken hebben met kabels en leidingen. De coördinator heeft een strategische rol binnen de gemeente en pakt zaken proactief op en verzorgt de informatievoorziening naar interne medewerkers en externe partijen (o.a. netbeheerders) en heeft een algemeen overzicht op ontwikkelingen rondom kabels en leidingen.

4. COMMUNICATIE, MELDINGEN, BREEKVERBOD EN INSTEMMING NIET-OPENBARE NETWERKEN

4.4. Toestemming niet-openbare netwerken

4.4.1. Algemeen

1De aanleg van een openbaar netwerk wordt standaard toegestaan in de openbare ruimte door de gemeente. De gemeente is op basis van de Telecommunicatiewet en de AVOI niet verplicht om ook de aanleg van niet-openbaar netwerk toe te staan. Voorbeelden van niet-openbare netwerken zijn warmtenetten en point-to-point (glasvezel)verbindingen.

2In het algemeen gaat de gemeente terughoudend om met het geven van toestemming voor de aanleg van niet-openbare netwerken. Als echter de aanleg van een niet-openbaar netwerk het algemeen belang dient, dan werkt de gemeente hier in de meeste gevallen aan mee. Bijvoorbeeld ontwikkelingen rondom de energietransitie kunnen aanleiding zijn om de aanleg van niet-openbare netwerken toe te staan. Om een duidelijk kader aan te geven en om precedentwerking te voorkomen zijn voor het goedkeuren van aanvragen voor de aanleg van niet-openbare netwerken criteria opgesteld die de gemeente daarbij hanteert. Als de gemeente separaat aan die criteria nog nader beleid heeft opgesteld, gaat dat nadere beleid altijd boven de criteria zoals genoemd in artikel 4.4.2.

3In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid, kan de gemeente eveneens toestemming verlenen voor de aanleg van een niet-openbaar netwerk, wanneer dit in bijzondere omstandigheden, in het algemeen (nationaal) belang, noodzakelijk blijkt te zijn.

4.4.2. Criteria

1Instemming voor de aanleg van niet-openbare netwerken in de openbare ruimte wordt verleend, als dit nodig is om te voldoen aan beleid dat door de gemeente is vastgesteld;

2Naast bovengenoemde criteria moet de netbeheerder ook voldoen aan de onderstaande voorwaarden:

-de netbeheerder zorgt ervoor dat de kabel(s) of leiding(en), conform het bepaalde in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (WIBON), worden geregistreerd bij Kadaster sectie Klic;

-de netbeheerder voldoet aan alle voorwaarden van het Handboek;

-de netbeheerder is verantwoordelijk voor de kabel of leiding;

-de netbeheerder stelt de gemeente niet aansprakelijk bij optredende schade aan de kabel of leiding, tenzij deze schade door de gemeente zelf veroorzaakt wordt.

5. ZORGVULDIGHEID, SCHADE, VERZEKERINGEN EN VEILIGHEID

5.2. Schade en kosten

5.2.1. Algemeen

1De grondroerder neemt alle redelijkerwijs mogelijke maatregelen om te voorkomen dat schade wordt toegebracht aan eigendommen van de gemeente of derden.

2Wordt desondanks schade aan eigendommen van de gemeente of derden (bijvoorbeeld: kabels en leidingen van andere netbeheerders, verkeersborden, eigendommen van particulieren, bodemverontreiniging tijdens het werk enzovoort) toegebracht dan moet de grondroerder dit zo spoedig mogelijk, in elk geval binnen 24 uur, schriftelijk doorgeven aan de toezichthouder of aan betrokken derden.

5.2.2. Herstel van schade en vergoeding van kosten

1Voor de schade die ten gevolge van werkzaamheden ontstaat of de schade die aan andere eigendommen van de gemeente wordt toegebracht, moet de gemeente door of namens de netbeheerder gecompenseerd worden.

De gemeente beslist zelf of zij de schade door of namens de netbeheerder laat herstellen of dat de marktconforme herstelkosten van de schade (inclusief eventuele kosten die de gemeente daarbij moet maken) door of namens de netbeheerder vergoed moeten worden.

2Bij voorzienbare schade ten gevolge van werkzaamheden is het uitgangspunt dat de situatie van de ondergrond, de verharding (inclusief bijzondere (sier)bestrating) en groenvoorzieningen teruggebracht moet worden in de oude staat. De gemeente accepteert geen vermindering van kwaliteit.

3De met de werkzaamheden verband houdende marktconforme herstel-, onderhouds-, degeneratie- en beheerkosten komen voor rekening van de netbeheerder. De voorwaarden, tarieven en onderhoudstermijnen zijn vastgelegd in de Schaderegeling ingravingen kabels en leidingen.

4Ook alle overige (extra) kosten die door de grondroerder (of de gemeente) gemaakt moeten worden vanwege werkzaamheden of een gevolg zijn van de voorwaarden en eisen die zijn opgenomen in de AVOI, het instemmingsbesluit of de vergunning en dit Handboek komen voor rekening van de grondroerder c.q. de netbeheerder (zie de Schaderegeling ingravingen kabels en leidingen).

5.2.3. Onderhoud kabels of leidingen en bovengrondse voorzieningen

1Bovengrondse voorzieningen die eigendom zijn van netbeheerders en zich bevinden in de openbare ruimte moeten door de netbeheerder onderhouden worden. Aanstootgevende graffiti, leuzen, posters en dergelijke die aangebracht zijn op voornoemde bovengrondse voorzieningen moeten worden verwijderd.

2Verharding die door of vanwege de netbeheerder is aangebracht ten behoeve van de bereikbaarheid van bovengrondse voorzieningen moet door de netbeheerder onderhouden worden. Als de verharding op enig moment niet meer voldoet aan de bij aanleg gestelde eisen moet deze worden hersteld.

3Markeringen die ten behoeve van de maatvoering van kabels of leidingen of ter aanduiding van kruisingen van watergangen (zinkers) worden aangebracht moeten op een deugdelijke wijze geplaatst of bevestigd worden en altijd goed zichtbaar zijn. Als de markeringen op enig moment niet meer voldoen aan de bij plaatsing gestelde eisen moeten deze worden hersteld of op initiatief van de netbeheerder worden verwijderd.

4Als de hoogte van de deksel van een op maaiveldhoogte geplaatst distributie- of mutatiepunt door verzakking niet meer op hoogte ligt met het omringende maaiveld en daardoor niet meer voldoet aan de bij aanleg gestelde eisen moet dit worden hersteld.

5Herstel of verwijdering van de in het eerste tot en met het vierde lid van dit artikel genoemde punten moeten op eerste aanzegging van de gemeente binnen vijf werkdagen uitgevoerd worden door of in opdracht van de netbeheerder, tenzij anders is overeengekomen met de toezichthouder. De in het eerste tot en met het vierde lid van dit artikel genoemde gebreken is geen limitatieve opsomming. De genoemde termijn geldt voor elk door de toezichthouder geconstateerd gebrek als gevolg van werkzaamheden of in situaties die niet meer voldoen aan de bij aanleg gestelde eisen.

6Gelet op de artikelen 6:174 en 6:175 van het Burgerlijk Wetboek, moet de netbeheerder ervoor zorgen dat de in de openbare ruimte aanwezige kabels of leidingen die in zijn eigendom of beheer zijn te allen tijde in een goede staat verkeren.

5.4. Veiligheid en Calamiteiten

5.4.1. Bodemverontreiniging

1Voor werkzaamheden in of met verontreinigde grond is de Wet bodembescherming (Wbb), of de opvolger daarvan, onverkort van toepassing. De door het CROW uitgebrachte richtlijn “Werken in en met verontreinigde bodem” (publicatie 400) geldt ook. De grondroerder moet altijd werken volgens de meest recente versie van deze richtlijn.

2De initiatiefnemer van een project moet vooraf inventariseren (CROW-publicatie 400) of er zich verdachte locaties binnen het werkgebied bevinden. Onder andere via de websites www.bodemloket.nl (initiatief van gemeenten, provincies en het Rijk) en www.rwsleefomgeving.nl (Rijkswaterstaat) is te achterhalen waar zich verontreinigde of verdachte locaties bevinden. Als de grondroerder initiatiefnemer is kan hij voor de meest recente informatie of detailinformatie contact opnemen met de gemeente.

3Als een grondroerder een kabel- c.q. leidingtracé wil aanleggen in een gebied waarvan vooraf is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is ligt een eventuele saneringsplicht bij de grondroerder.

4Behalve het onderzoek als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, zorgt de grondroerder er conform het bepaalde in artikel 5.4, eerste lid, voor dat de juiste noodzakelijke (beschermings-) maatregelen in acht worden genomen en legt daarvoor voorwaarden vast in een VG&M-plan.

5Als de gemeente initiatiefnemer is neemt zij die maatregelen die noodzakelijk zijn vanwege wetgeving en eventueel aanvullende eisen die de gemeente zelf of het bevoegd gezag stelt in het kader van het betreffende project. De gemeente is niet gehouden te voldoen en geeft geen invulling aan kwaliteitseisen die netbeheerders zelf stellen ten aanzien van hun netstructuur in (voormalig) verontreinigde grond.

7. RICHTLIJNEN TEN BEHOEVE VAN DE (TRACÉ)ENGINEERING EN ONDERGRONDSE ORDENING

7.2. Ondergrondse ordening bij de aanleg van kabels of leidingen

7.2.1. Uitgangspunten tracébepaling

1Bij de tracébepaling wordt voor alle disciplines ruimte gereserveerd.

2Bij de tracébepaling moet tevens rekening gehouden worden met de uitvoerbaarheid van de eisen die gesteld worden in dit Handboek.

3Kabels of leidingen mogen niet binnen het ontgravingsprofiel van andere kabels of leidingen aangelegd worden.

4Als er onvoldoende ruimte is voor de aan te leggen kabels of leidingen, dan is overleg met alle netbeheerders, de grondeigenaar en de gemeente nodig. Mogelijke maatregelen zijn:

-reserveren van meer ruimte voor tracé;

-bundelen/stapelen van kabels voor telecommunicatie (inclusief CAI);

-het boven elkaar leggen van elektriciteitskabels;

-retour en afvoerleiding van warmtenetten dichter bij elkaar leggen;

-de onderlinge afstand van kabels of leidingen verkleinen;

-enkelzijdige aanleg van kabels of leidingen, waardoor beide kanten van de weg voor verschillende kabels of leidingen benut kan worden;

-het leggen van kabels of leidingen in kabelgoten of leidingtunnels;

-volgorde van kabels of leidingen aanpassen.

7.2.2. Uitgangspunten horizontale ligging

1Distributieleidingen liggen zoveel mogelijk in het trottoir.

2Rioleringen, warmtenetten en transportleidingen worden in het overige deel van de openbare weg gesitueerd.

3De volgorde van kabels en leidingen vanaf de perceelsgrens:

a.telecommunicatie;

b.elektra;

c.water;

d.gas;

e.warmte;

f.riool.

4De onderlinge afstand tussen kabels of leidingen is minimaal 0,25 m.

5De afstand vanaf de perceelsgrens tot aan de eerste kabel of leiding is minimaal 0,25 m.

6In bermen langs wegen moet de afstand van de ligging van de kabels of leidingen tot aan de verharding ten minste gelijk zijn aan de diepteligging ervan.

7Distributie- of mutatiepunten mogen niet aangebracht worden in rijbanen, parkeerplaatsen, uitwegen, op kruisingen, ter plaatse van de in- en uitritten van percelen, binnen een afstand van 5,00 m vanaf het hart van de stamvoet van de boom en (tenzij het vanwege netwerk technische redenen niet anders kan) in kabel- en leidingtracés. De distributie- of mutatiepunten dienen bij voorkeur geplaatst te worden in voetpaden, bermen of groenvoorzieningen.

8Bij de bepaling van het tracé moet rekening gehouden worden met bestaande bovengrondse voorzieningen, bomen of andere groenvoorzieningen (zie de bomenposter, bijlage 10.1).

7.2.3. Uitgangspunten verticale ligging

1Kabels en leidingen hebben vanaf bovenkant leiding tot bovenkant maaiveld de volgende afstand, bij:

a.telecommunicatie: 0,60 m;

b.elektra ls: 0,60 m;

c.elektra ms: 1,00 m;

d.water: 1,00 m;

e.gas: 1,00 m;

f.warmte: 1,00 m;

g.riool: 1,20 m of afhankelijk van het verval van de leiding bij vrijvervalleiding.

2Als kabels en leidingen elkaar kruisen:

-distributiekabels of -leidingen liggen ondieper dan transportleidingen;

-vrijvervalleidingen hebben voorrang op drukleidingen;

-bij kruisingen van kabels of leidingen bedraagt de onderlinge tussenruimte (verticale afstand) tenminste 0,20 m.

3Er moet een strook tussen 0,80 m -mv en 1,00 m -mv vrijgehouden worden in verband met kruisende vrijverval rioolaansluitingen.

Deze regeling wordt aangehaald als: Handboek kabels en leidingen UNOG.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.