Gemeentelijke regelgeving

Nota Bodembeheer 2022-2032

Gemeente Breda · geldt sinds 21 februari 2023

1 Lokale Maximale Waarden bij toepassen van grond of baggerspecie

1.1 Lokale maximale waarden PFAS

1.1.1 Toelichting

PFAS is een verzamelnaam van gefluoreerde koolwaterstoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. PFAS is sinds de jaren ’50 in Nederland veel gebruikt in diverse industriële toepassingen als blusschuim, coatings (o.a. teflon), verf, kleding en cosmetica. Het heeft de eigenschappen persistent, mobiel en niet tot nauwelijks biologisch afbreekbaar te zijn. Regionaal en landelijk wordt steeds meer kennis en inzicht verkregen over PFAS en de onderliggende perfluoralkyl-verbindingen. Zo staan PFOS (perfluoroctaansulfonzuur), PFOA (perfluoroctaanzuur) en GenX op de lijst van Zeer Zorgwekkend stoffen (ZZS). Een aantal andere stoffen uit de PFAS-groep staat op de lijst van potentiële ZZS.

PFAS is niet opgenomen in bestaande regelgeving, aangezien de stof “nieuw” is ten aanzien van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. In juli van 2019 is door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een ‘Tijdelijk Handelingskader PFAS’ uitgebracht, waarna verschillende actualisaties zijn gepubliceerd. In de handelingskaders zijn de kaders aangegeven om hergebruik van PFAS-houdende grond te stimuleren en tegelijkertijd voldaan wordt aan zorgplicht. Tot op heden zijn de volgende handelingskaders gepubliceerd:

•‘Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’, 8 juli 2019;

•Geactualiseerde versie ‘Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’, 29 november 2019;

•Geactualiseerde versie ‘Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’, 2 juli 2020;

•Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, 13 december 2021.

Voor een groot deel van het grondgebied van de provincie Noord-Brabant is in een bodemkwaliteitskaart ten behoeve van PFAS opgesteld en een Nota Bodembeheer PFAS.

•‘Rapport Bodemkwaliteitskaart PFAS voor de deelnemende gemeenten in Noord-Brabant’, kenmerk 0462683.100, d.d. 28 oktober 2020, door Antea Group

1De gemeente Waalwijk heeft de achtergrondwaarden van PFAS in haar eigen grondgebied bepaald en op basis daarvan Lokale Maximale Waarden vastgesteld, zie ook paragraaf 1.1.4.

;

•‘Nota bodembeheer PFAS, Deelnemende gemeenten in Noord-Brabant’, kenmerk 0462683.100, d.d. 28 oktober 2020, door Antea Group.

Voor het grondgebied van de gemeente Waalwijk is de volgende bodemkwaliteitskaart opgesteld (zie ook paragraaf 1.1.4):

•‘Rapport Achtergrondwaarden PFAS Gemeente Waalwijk’, kenmerk 0459526.100, d.d. 18 december 2020, revisie 01, door Antea Group;

Het doel van de bovengenoemde bodemkwaliteitskaart PFAS en de Nota Bodembeheer PFAS is om het grondverzet binnen het beheergebied van de deelnemende gemeenten te vereenvoudigen voor wat betreft de stofgroep PFAS. In Nota Bodembeheer PFAS is invulling gegeven aan het lokale beleid voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie binnen het beheergebied van de deelnemende gemeenten binnen de provincie Noord-Brabant. Voor het toepassen van grond dient naast de toetsing op PFAS, separaat getoetst te worden aan de lokaal vastgestelde reguliere bodemkwaliteitskaart.

In de onderhavige Nota bodembeheer worden Lokale Maximale Waarden zoals opgenomen in de Nota bodembeheer PFAS, op basis van de achtergrondwaarden zoals bepaald in de Bodemkwaliteitskaart PFAS, vastgelegd. Bij het vaststellen van deze Nota stelt de gemeente tevens de basis voor de Lokale Maximale Waarden vast, namelijk de Bodemkwaliteitskaart PFAS.

1.1.2 Achtergrondwaarden PFAS

Uit het rapport van de bodemkwaliteitskaart PFAS blijkt dat alle gemeten waarden (P80) van PFOS, PFOA, GenX en de overige PFAS lager zijn dan de normen voor de klasse landbouw/natuur uit het Handelingskader van december 2021. Hierbij is onderscheid gemaakt in bovengrond (0-0,5 m -maaiveld) en ondergrond (0,5-2,0 m -maaiveld).

Tabel 2: Berekende ontgravingskwaliteit op basis van de P80, PFAS in de bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) en ondergrond (0,5 - 2,0 m-mv) in µg/kg d.s. m-mv betekent meter onder maaiveld

De deelnemende gemeenten aan de PFAS Bodemkwaliteitskaart hanteren derhalve de maximaal geldende toepassingsnorm voor de klasse landbouw/natuur als maximale toepassingskwaliteit voor PFAS-houdende grond, naar aanleiding van de oproep van de minister voor milieu en wonen. In de kamerbrief van 29 november 2019 (IenW/BSK-2019/251123) (laatste alinea pagina 2) roept de Minister van milieu en wonen, gemeenten op om de landelijke achtergrondwaarden als minimum waarden te hanteren, ook als lokaal lagere waarden zijn gemeten. Dit is ook benoemd in het Model Beleid toepassen PFAS houdende grond en baggerspecie voor gemeenten (kenmerk 1248710-044 C04).

1.1.3 Lokale Maximale Waarden PFAS

Aangezien de berekende P80-waarden lager zijn dan de landelijke maximale toepassingswaarden voor de klasse landbouw/natuur, hebben de samenwerkende omgevingsdiensten van de provincie Noord-Brabant ervoor gekozen om aan te sluiten bij de normen voor landbouw/natuur uit het vigerende landelijke beleid (Handelingskader PFAS, dan wel Regeling bodemkwaliteit) zolang deze een verruiming bieden ten opzichte van de berekende achtergrondwaarden.

In tabel 3 zijn de huidig geldende toepassingsnormen uit het Handelingskader PFAS (versie december 2021) aangegeven. Indien op een later tijdstip nog nieuwe toepassingsnormen worden gepubliceerd welke boven de berekende achtergrondwaarden liggen, dan wel in een nieuw Handelingskader PFAS, dan wel als onderdeel van het generieke bodembeleid vanuit het rijk, worden deze toepassingsnormen gehanteerd.

Tabel 3: Maximale toepassingsnormen voor PFAS in de bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) en ondergrond (0,5 - 2,0 m-mv) in µg/kg d.s. boven en onder grondwaterniveau en buiten grondwaterbeschermingsgebieden*

Kwaliteitsklasse

PFOA

Overige PFAS (inclusief PFOS en GenX)

Landbouw/natuur

1,9

1,4

Wonen

7,0

3,0

Industrie

7,0

3,0

* Voor de toepassingseisen in de gemeente Waalwijk en binnen projectgebied GOL/Haven Acht in de gemeente Waalwijk wordt verwezen naar paragraaf 1.1.4.

De kwaliteit van de toe te passen partij is afhankelijk van de strengste van de twee: de bodemfunctie van de toepassingslocatie en de actuele ontgravingskwaliteit van de toepassingslocatie. Uit de bodemkwaliteitskaart PFAS van de deelnemende gemeenten in de provincie Noord-Brabant blijkt dat in het gehele beheergebied de ontgravingsklasse landbouw/natuur van toepassing is. De toepassingsnorm voor de klasse landbouw/natuur is derhalve de maximale toepassingskwaliteit. Dit geldt zowel voor de bovengrond als voor de ondergrond.

Met het oog op het beschermen van de drinkwaterkwaliteit gelden binnen grondwaterbeschermingsgebieden afwijkende normen ten opzichte van tabel 3. Hiertoe dient de vigerende provinciale milieuverordening dan wel omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant gehanteerd te worden. Voor de actuele regels omtrent het toepassen van partijen grond met PFAS wordt verwezen naar de vigerende regelgeving van de provincie. Meer over toepassen van grond en baggerspecie binnen grondwaterbeschermingsgebieden is opgenomen in hoofdstuk 7 in deel 2 van deze Nota.

1.1.4 PFAS in Waalwijk

De gemeente Waalwijk heeft voor haar grondgebied de achtergrondwaarden voor de stofgroep PFAS bepaald en daarop Lokale Maximale Waarden gebaseerd. Daarnaast heeft de gemeente voor het projectgebied Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat (GOL)/Haven Acht een bodemkwaliteitskaart opgesteld. De LMW’s (Lokale Maximale Waarde) van dit projectgebied zijn vastgelegd in het Addendum op de Nota bodembeheer. In dit Addendum is ook een Erratum opgenomen met betrekking tot volkstuincomplexen in de gemeente Waalwijk. De onderbouwing en het beleid omtrent PFAS in de gemeente Waalwijk is beschreven in de volgende documenten:

•‘Rapport Achtergrondwaarden PFAS Gemeente Waalwijk’, kenmerk 0459526.100, d.d. 18 december 2020, revisie 01, door Antea Group;

•‘Rapport Achtergrondwaarden PFAS Gol en Haven Acht te Waalwijk’, kenmerk 0471368.100, d.d. 18 augustus 2021, door Antea Group;

•‘Addendum op de Nota bodembeheer, Gemeente Waalwijk’, kenmerk 0471368.100, d.d. 18 augustus 2021, door Antea Group.

Naar verwachting worden het addendum en de bodemkwaliteitskaart voor het gebied GOL en Haven Acht in februari 2022 vastgesteld door de gemeenteraad van Waalwijk.

Uit het rapport Achtergrondwaarden PFAS blijkt dat de ontgravingskwaliteit in de gemeente Waalwijk voldoet aan de klasse landbouw/natuur zoals beschreven in het Handelingskader PFAS (versie december 2021). De hieruit volgende LMW’s zijn beschreven in het Rapport Achtergrondwaarden PFAS en zijn hieronder in de tabel samengevat. Uitzondering op deze toepassingseisen wordt gevormd door het projectgebied GOL/Haven Acht, zie onder.

Tabel 4: Lokale Maximale Waarden en toepassingsnormen voor PFAS binnen het beheergebied van de gemeente Waalwijk in µg/kg d.s., conform het Handelingskader PFAS versie december 2021*

Zonenaam

Bodemfunctie

PFOS

PFOA

Overige PFAS

Grond en baggerspecie toepassen boven grondwaterniveau

1– Bovengrond Waalwijk

landbouw/natuur

1,4

1,9

1,4

Wonen en industrie

3

7

3

2– Ondergrond Waalwijk

landbouw/natuur, Wonen en industrie

1,4

1,9

1,4

* Indien op een later tijdstip nieuwe toepassingsnormen voor de klasse landbouw/natuur worden gepubliceerd in een nieuw Tijdelijk of Definitief handelingskader PFAS dan wel door verankering in het Besluit bodemkwaliteit, dan worden deze nieuwe normen gehanteerd.

In het rapport Achtergrondwaarden PFAS is aangegeven welke bodemfunctie is toebedeeld aan welke locaties in de gemeente Waalwijk. In gebieden met bodemfunctie wonen en industrie kan mag in principe uitsluitend grond worden toegepast dat afkomstig is uit de gemeente Waalwijk, tenzij anders bepaald door de gemeente.

Lokale Maximale Waarden GOL/Haven Acht

Binnen het beheergebied is het projectgebied GOL/Haven Acht uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart PFAS. Het betreft hierbij het gebied zoals weergegeven in figuur 2. Voor dit gebied zijn recentelijk de achtergrondwaarden van PFAS bepaald (‘Rapport Achtergrondwaarden PFAS GOL en Haven Acht te Waalwijk’, kenmerk 0471368.100, d.d. 18 augustus 2021, door Antea Group). Dit rapport dient als onderbouwing voor de Lokale Maximale Waarden binnen het projectgebied.

Figuur 2: Projectgebied GOL/Haven Acht

Aangezien berekende waarden voor de andere PFAS dan PFOS in de bovengrond lager zijn dan de landelijke maximale toepassingswaarden voor wonen/industrie, maar hoger dan de klasse landbouw/natuur, wordt aangesloten bij de normen uit het Handelingskader PFAS (versie december 2021). Voor PFOS worden Lokale Maximale Waarden vastgesteld die afwijken van de normen zoals in het Handelingskader PFAS (versie december 2021). Voor de ondergrond zijn de normen voor de bodemfunctieklasse landbouw/natuur van toepassing.

De resulterende LMW’s zijn aangegeven in tabel 5. Er wordt onderscheid gemaakt in drie zones in de bovengrond (0-0,5 m -maaiveld) en één zone voor de ondergrond (0,5-2,0 m -maaiveld). De zonering van de bovengrond is weergegeven in figuur 3.

Tabel 5: Lokale Maximale Waarden en toepassingsnormen voor PFAS binnen projectgebied GOL/Haven Acht in µg/kg d.s., conform het Handelingskader PFAS (versie december 2021)*

Zonenaam

PFOS

PFOA

Overige PFAS

Grond en baggerspecie toepassen boven grondwaterniveau

1- Bovengrond GOL/Haven 8

10,1

7

3

2- Bovengrond GOL/Haven 8

7,2

7

3

3- Bovengrond GOL/Haven 8

3,8

7

3

4- Ondergrond GOL/Haven 8

1,4

1,9

1,4

* Indien op een later tijdstip ruimere toepassingsnormen voor worden gepubliceerd in een nieuw Tijdelijk of Definitief handelingskader PFAS dan wel door verankering in het Besluit bodemkwaliteit, dan worden deze nieuwe normen gehanteerd.

Figuur 3: Zone-indeling (geel = zone 1, roze = zone 2, blauw = zone 3, grijs = uitgesloten)

16 Het wettelijk kader

16.1 Huidige generieke kader

16.1.1 Wet bodembescherming

Hoe in Nederland de bodem en het grondwater beschermd wordt, is beschreven in de Wet bodembescherming (Wbb). Zo is in de Wbb beschreven wanneer en hoe sanering van (ernstig) verontreinigde bodem en grondwater dient te worden verricht of wanneer bijvoorbeeld voor beheer van de verontreiniging moet worden gekozen. Ook lozingen in of op de bodem kunnen op grond van de Wbb worden gereguleerd. De waterbodemregelgeving die voorheen was opgenomen in de Wbb is overgegaan naar de Waterwet.

Essentieel onderdeel van de bodembescherming in Nederland is de zorgplicht, welke is beschreven in artikel 13 van de Wbb. Deze bepaling verplicht ieder die handelingen uitvoert die effect kunnen hebben op de bodem, om ervoor te zorgen dat door die handelingen de bodem niet verontreinigd raakt. Indien er een verontreiniging is ontstaan, dient de veroorzaker op grond van deze zorgplicht de verontreiniging voor zo ver als redelijkerwijs mogelijk is, ongedaan te maken.

Gedeputeerde Staten zijn conform de Wbb bevoegd gezag voor alle nieuwe gevallen van bodemverontreiniging. In het geval de verontreiniging vóór 1987 is ontstaan, is het bevoegd gezag afhankelijk van de omvang van de verontreiniging. Tot 25 m3 grond/100 m3 grondwater niet-ernstige bodemverontreiniging is de betreffende gemeente het bevoegd gezag. Bij verontreinigingen met een grotere omvang, is de provincie het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag bij nieuwe bodemverontreinigingen binnen een inrichting is vaak het bevoegd gezag Wet milieubeheer. Zie voor meer informatie Bodemplus.nl

11https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/wbb/vragen/wbb-algemeen/faq/bevoegd-gezag/

.

De noodzaak voor sanering en de aard van de te nemen saneringsmaatregelen wordt bepaald door de spoedeisendheid. Of een verontreiniging als spoedeisend wordt beschouwd, is afhankelijk van de humane, ecologische en verspreidingsrisico's. Een groot deel van de saneringen handelt de provincie af via het Besluit Uniform Saneren (BUS) waarbij volstaan kan worden met een melding voorafgaand aan de sanering. De grotere en meer gecompliceerde gevallen lopen via het Wbb-spoor waarvoor een saneringsplan moet worden opgesteld.

De Wet bodembescherming is daarnaast de grondslag voor een aantal besluiten en bepalingen die inhaken op het gebruik van de bodem. Voorbeeld hiervan is het voorgenoemde Besluit Uniform Saneren in het geval er sprake is van verontreinigingen in de bodem. Voor het hergebruik van (licht) verontreinigde grond en baggerspecie en voor hergebruik van bouwstoffen is het Besluit bodemkwaliteit in 2008 in werking getreden. Dit besluit wordt in navolgende paragraaf verder toegelicht.

16.1.2 Besluit bodemkwaliteit

In juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden voor het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen. Uitgangspunt bij het toepassen van partijen grond en baggerspecie is dat deze definitief onderdeel gaan uitmaken van de bodem (een zogenoemde bodemtoepassing). Er wordt ook wel gesproken over het 'beheer van grondstromen', oftewel het op die plaats toepassen van grond (of baggerspecie) waar dit geen risico's oplevert voor enerzijds de actuele bodemkwaliteit ter plaatse (standstill-principe) en anderzijds de functie die de bodem heeft.

Met de actuele bodemkwaliteit wordt de diffuse bodemkwaliteit bedoeld, ook wel achtergrondkwaliteit. Deze diffuse bodemkwaliteit is kenmerkend voor een bepaald gebied en is niet gerelateerd aan een specifieke en herkenbare bron zoals in het geval van puntverontreinigingen. Voor deze laatste vorm van verontreinigingen is het saneringsbeleid van kracht (Wet bodembescherming voor de landbodem en de Waterwet voor de waterbodem) tot het inwerking treden van de Omgevingswet.

Bij het (opnieuw) toepassen van bouwstoffen is het Bbk met name gericht op het voorkomen van een nieuwe bodemverontreiniging.

In figuur 7 is de positie van het Besluit bodemkwaliteit binnen het bodembeleid aangegeven.

Figuur 7: Positie van het Besluit bodemkwaliteit binnen het bodembeleid

Relatie met saneringsbeleid

In figuur 7 is aangegeven dat het Bbk niet van toepassing is op het saneren van bodemverontreinigingen. Dit is immers geregeld in de Wet bodembescherming. Echter, wanneer wordt gekozen voor functiegericht saneren, heeft het saneringsbeleid wél een koppeling met het Besluit bodemkwaliteit. De in de bodemkwaliteitskaart bepaalde toepassingskaart bepaalt namelijk de concentratie tot waar minimaal dient te worden gesaneerd (de terugsaneerwaarde). Het gaat hierbij om de maximale waarden voor de functieklasse landbouw/natuur, wonen of industrie. Indien door de gemeente Lokale Maximale Waarden zijn vastgesteld, gelden deze als terugsaneerwaarde.

Het bevoegd gezag voor de Wet bodembescherming zal derhalve voor de terugsaneerwaarden, maar ook voor de milieuhygiënische kwaliteit van de leeflaag of aanvulgrond, in eerste instantie uitgaan van de maximale waarden voor de functieklasse landbouw/natuur, wonen of industrie. Het hanteren van de functiekaart als leidraad voor de terugsaneerwaarde was reeds bestaand beleid binnen de meeste gemeenten in de regio Midden en West Brabant.

16.2 Toekomstige generieke kader

16.2.1 Intrekken Wet bodembescherming

Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de Wet bodembescherming ingetrokken. Voor sommige locaties is sprake van overgangsrecht, waarbij de Wet bodembescherming nog wel van toepassing blijft.

Het aanvullingsspoor bodem voegt het thema bodem en ondergrond toe aan de Omgevingswet. Het aanvullingsspoor bodem zorgt ervoor dat bodem en ondergrond een integraal onderdeel worden van de Omgevingswet en heeft 3 pijlers:

a.Preventie: het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting.

b.Toedeling van functies: het meewegen van bodemkwaliteit als het gaat om de kwaliteit van de leefomgeving, in relatie tot het gebruik hiervan.

c.Beheer historische verontreinigingen: het op een duurzame en doelmatige manier beheren van historische verontreinigingen.

Elke pijler gebruikt instrumenten uit de Omgevingswet. De nieuwe regels komen in de plaats van de bestaande regels voor het beheer van de bodemkwaliteit. Zoals de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit uniforme saneringen (BUS).

Pijler 1: Preventie

Het niveau van zorgplicht wijzigt niet met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Wel is de zorgplicht op een andere manier ingericht. Namelijk, na inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de algemene zorgplicht uit artikel 1.7 van de Omgevingswet en de specifieke zorgplicht uit artikel 2.11 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) voor milieubelastende activiteiten. Deze zorgplichtbepalingen zijn van toepassing op situaties waarbij bodemverontreiniging na inwerkingtreding van de Omgevingswet is ontstaan. Artikel 13 Wet bodembescherming blijft van toepassing op situaties die tussen 1 januari 1987 en de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn veroorzaakt. Gemeentelijke overheden mogen in het gemeentelijk omgevingsplan aanvullende zorgplichten opnemen.

De specifieke zorgplicht stelt de ondernemer verantwoordelijk voor het voorkomen van bodemverontreiniging. En de specifieke zorgplicht vervangt regels die vanzelfsprekend zijn voor een goede bedrijfsvoering. De specifieke zorgplicht beperkt zich niet tot de voorschriften die in artikel 2.11 van het Bal zijn genoemd, maar is een open norm. Meer informatie over wat onder de specifieke zorgplicht valt, is te vinden via de betreffende pagina op iplo.nl

12https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/toelichting-milieubelastende-activiteiten/rijksregels-mba/specifieke-zorgplicht-milieubelastende-activiteit/bronnen-handhavers-specifieke-zorgplicht/

.

Verontreiniging of aantasting van de bodem kan ook ontstaan door een ongewoon voorval (calamiteit). Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet veranderen de betrokken regels inhoudelijk niet. Onder de Wet bodembescherming was dit geregeld in artikel 30 van de Wet bodembescherming. In de Omgevingswet komen deze regels terug in hoofdstuk 19 van de Omgevingswet. Wel is het mogelijk dat met de inwerkingtreding van de Omgevingswet het bevoegd gezag is gewijzigd.

Pijler 2: Toedeling van functies

De tweede pijler gaat over bodemkwaliteit als onderdeel van de afweging van alle aspecten van de fysieke leefomgeving. Deze afweging is onder andere nodig bij de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Regels over het meenemen van bodemkwaliteit in de afweging worden via het aanvullingsbesluit bodem opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het Bkl staan instructieregels voor het bouwen van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties. Eventuele andere regels over het meenemen van de bodemkwaliteit in afwegingen met betrekking tot de fysieke leefomgeving worden door de gemeente opgesteld en vastgelegd in het omgevingsplan.

Pijler 3: Beheer van historische verontreinigingen

Ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen er nog locaties ontdekt worden waar historische bodemverontreiniging aanwezig is en waar de veroorzaker vaak niet meer bekend is. Bestaande regelingen uit de Wet bodembescherming zullen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet meer gelden. In de Omgevingswet is een bepaling over "toevalsvondsten" (afdeling 19.2 van de Omgevingswet) opgenomen. Het gaat hier om (voor de gezondheid) risicovolle situaties. De toevalsvondst-regeling houdt geen saneringsplicht in en ook het toetsingskader is aanzienlijk beperkter dan de Wet bodembescherming. Voortaan dient de gemeente in de omgevingsvisie en in het omgevingsplan of het omgevingsprogramma aan te geven welke eisen worden gesteld aan de bodemkwaliteit binnen de gemeentegrenzen. De wijze waarop met historische verontreinigingen wordt omgegaan, is bepaald voor een groot deel bepaald in het Bal. De gemeente kan hierover ook regels opnemen in het omgevingsplan.

Overgangsrecht Wet bodembescherming (Wbb)

Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er sprake van overgangsrecht van de Wbb (hoofdstuk 3 van Aanvullingswet bodem Omgevingswet) voor wanneer er bijvoorbeeld een locatie eerder onder de Wbb is beschikt als ernstig en spoedeisend of voor locaties waar vóór de inwerkingtreding nog een (deel)saneringsplan of BUS melding is ingediend. De Wbb blijft gelden totdat het besluit tot instemming met een evaluatieverslag of een nazorgplan onherroepelijk is geworden. Ook blijft de Wbb gelden voor de maatregelen of beperkingen, die in het evaluatieverslag of in het nazorgplan staan. De locatie valt dan (gedeeltelijk) onder het bevoegd gezag van de Wbb. In sommige situaties kunnen provincies hun bevoegdheid mandateren aan gemeenten.

Voor locaties waarop het overgangsrecht niet van toepassing is, gelden onder de Ow de regels uit het Bal te weten milieubelastende activiteiten graven in de bodem (paragrafen 4.119 en 4.120) en het saneren van de bodem (paragraaf 4.121), eventueel aangevuld met maatwerkregels en/of regels die gaan over grondwaterkwaliteit uit de omgevingsverordening van de provincie.

De provincie behoudt taken op het gebied van grondwaterkwaliteit, overgangsrechtlocaties en bevoegd gezag taken bodemkwaliteit op complexe bedrijven. De beschikte spoedgevallen vallen onder het overgangsrecht. Ook voorschriften en beheersmaatregelen van Niet-spoed beschikkingen blijven van kracht. Hoe om te gaan met toevalsvondsten/nog niet eerder aangetroffen grondwaterverontreinigingen met een bodemcomponent is vooralsnog onduidelijk. Toetsingscriteria (met name voor freatisch grondwater) zijn nog niet vastgesteld. BKL voorziet wel in signaalwaarden (vergelijkbaar met de huidige interventiewaarden voor grondwater), echter deze dienen vastgelegd te worden in de omgevingsverordening van de provincie.

Bevoegde gezagen Omgevingswet

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is volgens artikel 2.3 van het Bal de gemeente bevoegd gezag voor de meeste milieubelastende activiteiten die met de bodem te maken hebben (zoals graven, saneren en toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie). Voor de gemeente zijn dit voor een deel nieuwe taken aangezien onder de huidige regelgeving graven en saneren valt onder de Wet bodembescherming waarvoor de provincies en 29 grotere gemeenten het bevoegd gezag zijn. In deze regio zijn dat Breda en Tilburg.

16.2.2 Besluit bodemkwaliteit (Bbk) onder de Omgevingswet

Wanneer de Omgevingswet ingaat, komen een aantal onderdelen van het Besluit bodemkwaliteit (van vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet) in het Bal. Dit zijn regels voor het toepassen van bouwstoffen en grond en baggerspecie (plaatsgebonden regels) die zijn ingebouwd in regelgeving onder de Omgevingswet. In de paragrafen 3.2.25 en 3.2.26 van het Bal zijn deze activiteiten omschreven en gedefinieerd en in paragraaf 4.123 (toepassen bouwstoffen) en 4.124 (toepassen van grond of baggerspecie) staan de betreffende regels en eisen.

De andere bepalingen uit het Besluit bodemkwaliteit van vóór de Omgevingswet, de zogenaamde niet- plaatsgebonden regels, blijven – in een sterk uitgeklede versie - in het Besluit bodemkwaliteit onder de Omgevingswet. Het gaat om regels die zich richten tot de producent, importeur, transporteur, handelaar van bouwstoffen en de regels die zich richten tot degene die onderzoeken verrichten en milieuverklaringen afgeven voor bouwstoffen, grond en baggerspecie). Ook blijven de regels voor de kwaliteitsborging (voorheen kwalibo-regels genoemd) in het Besluit bodemkwaliteit onder de Omgevingswet.

17 Generieke toepassingseisen

17.2 Gebiedsspecifiek toepassingskader

17.2.1 Gebiedsspecifieke toepassingskader onder de Omgevingswet

Onder de Omgevingswet blijft de mogelijkheid om gebiedsspecifiek beleid voor de toepassing van grond en baggerspecie in de vorm van Lokale Maximale Waarden bestaan. Dit kan door middel van maatwerkregels in het omgevingsplan (artikel 4.1273). De specifieke voorwaarden en beperkingen voor het stellen van maatwerkregels en -voorschriften voor de kwaliteitseisen waaraan grond of baggerspecie moet voldoen, zijn beschreven in paragraaf 4.124 van het Bal. De mogelijkheden tot maatwerk zijn weergegeven in onderstaande afbeelding.

Figuur 9: Mogelijkheden tot maatwerk onder de Omgevingswet

In paragraaf 4.124 van het Bal staat dat met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die niet voldoet aan de kwaliteitseisen als bedoeld in artikel 4.1272 eerste en tweede lid, alleen wordt toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie afkomstig is uit een aangewezen bodembeheergebied en ook weer binnen dat gebied wordt toegepast. Een andere voorwaarde is dat met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift het toepassen van grond of baggerspecie waarin een verontreinigde stof aanwezig is in een zodanige concentratie dat de grond of baggerspecie volgens de voor die stof geldende kwaliteitseis, als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit, als sterk verontreinigde grond of baggerspecie moet worden aangemerkt, alleen is toegestaan indien:

•De toe te passen grond of baggerspecie is ontgraven uit een locatie waar de bodem diffuus sterk met de stof verontreinigd is;

•De grond of baggerspecie wordt toegepast op een locatie waar de bodem al voor het toepassen diffuus sterk met de stof verontreinigd was.

17.3 Toepassen op landbodem

17.3.1 Toepassen landbodem onder de Omgevingswet

Het generieke beleid van voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor toepassen van grond en baggerspecie is uitgangspunt in artikel 4.1272 Bal in samenhang met artikel 25d Besluit bodemkwaliteit.

De kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie op de landbodem moet voldoen aan 2 eisen, namelijk aan:

•De kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem ter plaatse van toepassing én

•De bodemfunctieklasse ter plaatse van de toepassing.

De toe te passen grond moet bij een toepassing op de landbodem voldoen aan de strengste van bovenstaande twee eisen (dubbele toets).

De indeling in kwaliteitsklassen blijft in principe gelijk aan het stelsel van het besluit Bodemkwaliteit. Het Besluit activiteiten leefomgeving kent de volgende vijf kwaliteitsklassen (zie ook figuur 12):

•Landbouw/natuur;

•Wonen;

•Industrie;

•Matig verontreinigd;

•Sterk verontreinigd.

Figuur 12: Kwaliteitsklassen landbodem en grond stelsel Omgevingswet

De maximale waarden voor de kwaliteitsklassen zijn te vinden in tabel 1 van Bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit 2021. Het maximumpercentage bodemvreemd materiaal blijft net als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet 20% voor steenachtig materiaal en hout. Materiaal, zoals plastics of piepschuim, mag alleen sporadisch in de ontgraven grond of baggerspecie voorkomen. Het gaat alleen om bodemvreemde materiaal dat al vóór het ontgraven of bewerken in de bodem aanwezig is.

Maatwerk is onder voorwaarden mogelijk (artikel 4.1273 Bal). Maatwerk is mogelijk voor:

•Grootschalig toepassen (artikel 4.1274 Bal);

•Toepassen in een diepe plas (artikel 4.1276 Bal);

•Verspreiden van baggerspecie (artikel 4.1278 Bal);

•Toepassen van tarragrond (artikel 4.1280 Bal);

•Grootschalig toepassen (artikel 4.1275 Bal);

•Toepassen in diepe plas (artikel 4.1277 Bal);

•Verspreiden van baggerspecie (artikel 4.1279 Bal).

Vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet was er al gebiedsspecifiek beleid mogelijk voor de vier eerstgenoemde maatwerkmogelijkheden, maar met de invoering van de Omgevingswet zijn er nu ook maatregelen mogelijk voor grootschalig toepassen, toepassen in diepe plas en verspreiden van baggerspecie.

17.4 Verspreiden baggerspecie

17.4.1 Verspreiden baggerspecie onder de Omgevingswet

In artikel 4.1278 van het Bal staan de specifieke kwaliteitseisen vermeld voor het verspreiden van baggerspecie op de landbodem. Praktisch zullen enkele zaken met de inwerkingtreding van de Omgevingswet veranderen:

•Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de msPAF toetsing uit het Besluit bodemkwaliteit zoals in de voorgaande paragraaf is beschreven, van toepassing. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de msPAF toetsing aangescherpt worden. Deze staan in tabel 3b van bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit 2021;

•Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is verspreiding van baggerspecie over het aangrenzende perceel of op landbouwgronden die tot maximaal 10 km afstand liggen van waar de baggerspecie vandaan komt, aangewezen als een functionele toepassing. Dit omdat de toepassing tot doel heeft om de bodemgesteldheid te herstellen of verbeteren op basis van artikel 4.1269, derde lid van het Bal;

•Met de ingang van de Omgevingswet valt een weilanddepot ook onder het verspreiden van baggerspecie op aangrenzend perceel met een maximale afstand van 10 kilometer.

Maatwerk verspreiden baggerspecie

Wanneer baggerspecie niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor verspreiden, is het mogelijk om het via een maatwerkregel of -voorschrift toch nog te mogen verspreiden. De voorwaarden voor maatwerk staan in 4.1279 van het Bal. Soepelere eisen mogen alleen als de toe te passen baggerspecie komt uit hetzelfde bodembeheergebied (aangewezen door gemeente of waterschap in het omgevingsplan of waterschapverordening) als waar ze weer worden toegepast.

Voor het verspreiden van sterk verontreinigde baggerspecie gelden de volgende regels:

•De baggerspecie is afkomstig uit het bodembeheergebied waar de bagger ook weer in wordt toegepast;

•De toe te passen baggerspecie is ontgraven uit een locatie waar de bodem diffuus sterk met de stof is verontreinigd;

•De baggerspecie wordt toegepast op een locatie waar de bodem al voor het toepassen diffuus sterk met de stof was verontreinigd.

17.5 Tijdelijke uitname

17.5.1 Tijdelijke uitname onder de Omgevingswet

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet valt het tijdelijk uitnemen van grond of baggerspecie niet onder de milieubelastende activiteit ‘toepassen van grond of baggerspecie’ (artikel 3.2.26 van het Bal), maar onder de milieubelastende activiteit ‘graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde (artikel 3.2.21 van het Bal).

Het is toegestaan om de ontgraven grond na afloop van het werk weer terug te plaatsen in de oorspronkelijke bodem. Daarvoor gelden de volgende voorwaarden:

•De grond heeft geen bewerking ondergaan, anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal;

•Het terugplaatsen vindt plaats op of nabij het ontgravingsprofiel. De aanduiding ‘op of nabij’ geeft aan dat er enige speelruimte is, waarbij de afbakening van geval tot geval kan verschillen;

•Het terugplaatsen vindt plaats onder dezelfde omstandigheden. Er is bijvoorbeeld geen sprake van terugplaatsen onder dezelfde omstandigheden, als grond van boven de grondwaterspiegel wordt teruggeplaatst naar onder de grondwaterspiegel (of omgekeerd).

20 Bewijsmiddelen

20.2 Overige erkende bewijsmiddelen

20.2.1 Partijkeuring

Een partijkeuring betreft een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit en daarmee de toepassingsmogelijkheden van de partij grond of (gerijpte) baggerspecie.

Eisen

Aan een partijkeuring worden de volgende eisen gesteld (artikel 4.3.3 van de Regeling bodemkwaliteit 2021):

•Een partij kan worden gekeurd in depot of in-situ;

•De partij grond (of baggerspecie) dient door een erkende monsternemer te worden bemonsterd conform BRL SIKB 1000: VKB-protocol 1001

17Beoordelingsrichtlijn, met bijbehorend protocol, voor de monsterneming van partijen grond en baggerspecie (Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer)

;

•De voorbewerking van de monsters alsmede het laboratoriumonderzoek moeten worden verricht conform het accreditatieprogramma AP04 door een hiervoor erkend laboratorium.

Te onderzoeken parameters

Is de herkomstlocatie van de grond of baggerspecie onverdacht, en is in het geval van baggerspecie deze afkomstig uit regionale watergangen, dan dienen de monsters van de partij te worden onderzocht op tenminste de parameters van het vigerend standaard analysepakket conform het SIKB. Het standaardpakket is na inwerkingtreding van de Omgevingswet terug te vinden in de bijlage van de Regeling bodemkwaliteit 2021

Ten tijde van het tot stand komen van deze Nota bodembeheer bestond het standaardpakket uit:

•9 metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink);

•Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (som 10 PAK);

•Polychloorbifenylen (som 7 PCB);

•Minerale olie (GC).

Wanneer de grond of baggerspecie afkomstig is van een verdachte locatie dan dient de partij, naast de parameters van het standaard analysepakket, tevens op de desbetreffende kritische parameters te worden onderzocht.

20.2.2 Erkende kwaliteitsverklaring

Een erkende kwaliteitsverklaring bestaat uit twee delen:

•Het eerste deel is het productcertificaat dat wordt afgegeven door een erkende certificerende instelling (zoals bijvoorbeeld KIWA, Intron of BMC). Op dit productcertificaat staan de (civieltechnische) eigenschappen van de grond of baggerspecie vermeld, alsmede de milieuhygiënische classificatie (klasse landbouw/natuur, klasse wonen of klasse industrie);

•Het tweede deel betreft de afgegeven erkenning.

De eisen die aan een erkende kwaliteitsverklaring voor grond of baggerspecie worden gesteld, staan beschreven in artikel 4.3.6 van de Regeling bodemkwaliteit en na het inwerkingtreden van de Omgevingswet in paragraaf 5.4 van de Regeling bodemkwaliteit 2021. Een overzicht van afgegeven erkende kwaliteitsverklaringen is te vinden op de website van Bodem+.

20.2.3 Fabrikant-eigen-verklaring

Dit is een milieuhygiënische verklaring die door een producent zelf kan worden afgegeven. In tegenstelling tot een erkende kwaliteitsverklaring, vindt bij een fabrikant-eigen-verklaring geen periodieke externe controle door een certificerende instelling plaats en is er ook geen erkenning noodzakelijk.

De verantwoordelijkheid voor de milieuhygiënische kwaliteit van het product ligt dus volledig bij de fabrikant. Echter, voordat een producent een fabrikant-eigen-verklaring mag afgeven, moet hij door middel van een streng toelatingsonderzoek aantonen dat zijn product aan de gestelde milieuhygiënische eisen voldoet.

De eisen die aan een fabrikant-eigen-verklaring voor een partij grond of baggerspecie worden gesteld, staan beschreven in artikel 4.3.7 van de Regeling bodemkwaliteit en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet in paragraaf 5.5 van de Regeling bodemkwaliteit 2021. Een overzicht van afgegeven fabrikant-eigen-verklaringen is te vinden op de website van Bodem+.

20.2.4 (water)bodemonderzoek

Landbodem of een partij grond

Bodemonderzoeken die voldoen aan bepaalde onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740

18Landbodem: Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond

zijn toegestaan als milieuhygiënische verklaring in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In de Regeling bodemkwaliteit wordt onderscheid gemaakt tussen onderzoeksstrategieën die kunnen worden gebruikt voor het aantonen van de milieuhygiënische kwaliteit van:

a.De ontvangende bodem (artikel 4.3.4 lid 1 van de Regeling en na inwerkingtreding van de Omgevingswet in paragraaf 7.1 van de Regeling bodemkwaliteit 2021) en

b.Een partij toe te passen grond (artikel 4.3.4 lid 2 van de Regeling en na inwerkingtreding van de Omgevingswet in paragraaf 5.2 van de regeling bodemkwaliteit 2021).

A: Voor het aantonen van de milieuhygiënische kwaliteit van de ontvangende landbodem zijn de volgende onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 toegestaan:

•onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie;

•onderzoeksstrategie voor een grootschalig onverdachte locatie;

•onderzoeksstrategie bij een onbekende bodembelasting;

•onderzoeksstrategie voor de toetsing of er sprake is van een schone bodem;

•onderzoeksstrategie voor de toetsing of er sprake is van een schone bodem op grootschalige locaties;

•onderzoeksstrategie voor de partijkeuring van niet schone grond uit diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof.

B: Voor het aantonen van de milieuhygiënische kwaliteit van een partij toe te passen grond zijn alleen de volgende onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 toegestaan:

•onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem;

•onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem op grootschalige locaties;

•onderzoeksstrategie voor de partijkeuring van niet schone grond uit diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof.

Deze onderzoeksstrategieën gaan uit van een monstername-inspanning die in eenzelfde orde van grootte ligt als bij de hiervoor beschreven partijkeuring en erkende kwaliteitsverklaring.

Waterbodem of een partij baggerspecie

Als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van een partij toe te passen (of te verspreiden) baggerspecie en voor de kwaliteit van de waterbodem zijn de onderzoeksstrategieën uit de NEN 5720

19Waterbodem: Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van waterbodem en baggerspecie

toegestaan.

Is voorafgaand aan het toepassen sprake van niet-procesgestuurde rijping of tijdelijke opslag van de baggerspecie, dan mogen de in-situ onderzoeksgegevens nog voor de betreffende partij baggerspecie als bewijsmiddel worden gebruikt. Gelet echter op het feit dat het rijpingsproces in veel gevallen een verbetering van de milieuhygiënische kwaliteit van de baggerspecie zal opleveren, verdient het aanbeveling om een partij baggerspecie na het rijpen opnieuw te onderzoeken (omdat de NEN 5720 geen onderzoeksstrategie kent voor depots, dient in dat geval de partij baggerspecie aan de hand van de BRL SIKB 1000, protocol 1001 te worden gekeurd).

20.5 Zorgplicht bij graafwerken

20.5.1 Zorgplicht Omgevingswet

De komst van de Omgevingswet wijzigt niet de zorgplicht die een initiatiefnemer altijd heeft bij werken in de grond. De zorgplicht is echter wel anders geregeld. In de Omgevingswet is de zorgplicht van artikel 13 Wet bodembescherming namelijk in meerdere artikelen uitgewerkt:

•Artikel 2.11 en hoofdstuk 19 Omgevingswet: specifieke zorgplicht;

•Hoofdstuk 19 Omgevingswet: ongewoon voorval;

•Eventuele zorgplicht in het gemeentelijk omgevingsplan;

•Artikel 1.6 en 1.7 Omgevingswet: algemene zorgplichten;

•Artikel 1.7a Omgevingswet en artikel 1.3 Omgevingsbesluit: vangnetbepaling en uitwerking.

In hoofdstuk 19 van de Omgevingswet is de zorgplicht bij aantreffen van een ongewoon voorval geregeld. Hierbij zijn twee aandachtspunten: Als een ongewoon voorval plaatsvindt bij een aangewezen milieubelastende activiteit, gelden aanvullende regels volgens artikel 2.22 van het Bal. De veroorzaker moet dan aanvullende gegevens aanleveren aan het bevoegd gezag. Ten tweede is er sprake van een wijziging in het bevoegde gezag. Onder de Wet Bodembescherming was dit vaak de provincie. Onder de Omgevingswet zijn gemeenten in beginsel het bevoegde gezag bij een ongewoon voorval.

21 Meldingen en procedures

21.6 Meldingen en procedures onder de Omgevingswet

21.6.1 Meldingen

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen meldingen niet meer gaan via het meldpunt bodemkwaliteit, maar via Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) is de digitale ondersteuning van de Omgevingswet.

De centrale spil is het Omgevingsloket, waar digitale informatie over de leefomgeving onder de Omgevingswet samenkomt. Via het Omgevingsloket kunnen initiatiefnemers een vergunningaanvraag of een melding indienen in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).

Middels duidelijke stappen en vragen worden initiatiefnemers door het proces geleid. Door het maken en aanleveren van toepasbare regels door gemeenten kunnen gemeenten zelf de vragen en indieningsvereisten over activiteiten voor een verzoek bepalen. Wanneer er in het Omgevingsloket een melding wordt ingediend, krijgen zowel het bevoegd gezag als de behandeldienst (indien ingesteld) hiervan een melding.

Het kan zijn dat met de inwerkingtreding van de Omgevingswet het DSO (of delen daarvan) nog niet kunnen worden gebruikt. Om tijdelijk toch nog vergunningaanvragen of meldingen te ontvangen, zijn er tijdelijke alternatieve maatregelen (TAM) beschikbaar.

In hoofdstuk 4 van het Bal staat per milieubelastende activiteit of er door de initiatiefnemer informatie moet worden verstrekt (gegevens en bescheiden) aan het bevoegd gezag en/of een melding moet worden verricht. Voor de volgende bodem-gerelateerde activiteiten is in het Bal een informatie/meldplicht geregeld:

•Informatieplicht:

o Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.119 van het Bal);

o Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120 van het Bal);

o Saneren van de bodem (paragraaf 4.121 van het Bal);

o Toepassen van bouwstoffen (paragraaf 4.123 van het Bal);

•Meldplicht:

o Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120 van het Bal);

o Saneren van de bodem (paragraaf 4.121 van het Bal);

o Opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie (paragraaf 4.122 van het Bal);

o Toepassen van grond of baggerspecie (paragraaf 4.124 van het Bal).

Voor activiteiten waarbij zowel een melding moet worden gedaan als ook gegevens en bescheiden worden aangeleverd (informatieplicht), dienen beide onderdelen in het DSO ingevuld te worden.

21.6.2 Termijnen

De meldingstermijnen wijzigen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet en worden hieronder beknopt samengevat.

Graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit

De initiatiefnemer verstrekt gegevens en bescheiden over de voorgenomen toepassing minimaal één week voorafgaande aan de aanvang van de activiteit.

Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

Minimaal 4 weken voor aanvang van de activiteit wordt door de initiatiefnemer de melding verricht. In het geval van tijdelijke uitname geldt een meldingstermijn van 1 week. Dezelfde termijnen gelden voor de gegevens en bescheiden die dienen te worden aangeleverd. Verder dient de initiatiefnemer binnen 1 week na afronding van de activiteit gegevens en bescheiden aan te leveren.

In het geval van spoedreparaties is het niet verplicht te voldoen aan de hierboven gestelde termijnen voor informatie- en meldplicht. Wel dient de initiatiefnemer na afronding van de werkzaamheden alsnog gegevens en bescheiden aan te leveren.

Saneren van de bodem

Voor de activiteit saneren van de bodem dient de melding minimaal 4 weken voor aanvang van de activiteit te zijn verricht. Daarnaast moeten gegevens en bescheiden worden verstrekt: ten minste 4 weken voor de aanvang dienen gegevens over de begrenzing en verwachte startdatum te zijn verstrekt. Minimaal 1 week voor het begin van de activiteit verstrekt de initiatiefnemer het bevoegd gezag met betrekking tot de uitvoerder en milieukundige begeleiding. Ten hoogste 4 weken na afronding na afronding van de activiteit verstrekt de initiatiefnemer een evaluatieverslag en eventuele aanvullende documenten.

Opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie

De initiatiefnemer meldt de activiteit minimaal 4 weken voorafgaande aan de start van de activiteit. Er gelden twee uitzonderingen:

•Over het samenvoegen van partijen is maar één keer een melding nodig. Het is niet nodig om iedere keer te melden dat er partijen worden samengevoegd;

•Wanneer er eenmalig wordt opgeslagen dient er een week voor de opslag een melding te worden gedaan (met inwerkingtreding van de Omgevingswet komt het begrip ‘tijdelijke opslag’ te vervallen).

Toepassen van bouwstoffen

Alleen in het geval van het toepassen van de bouwstoffen AVI-bodemassen en immobilisaten geldt een informatieplicht voorafgaande aan de activiteit. Voor het toepassen van overige bouwstoffen geldt geen informatieplicht vooraf. De gegevens en bescheiden voor het toepassen van AVI-bodemassen en immobilisaten dienen minimaal 4 weken voor de start te zijn ingediend.

Ongeacht de hierboven genoemde informatieplicht dient de initiatiefnemer de kwaliteit van de toe te passen bouwstoffen op moment van toepassen te kunnen aantonen. De gegevens en bescheiden dienen daarom beschikbaar te zijn tijdens de werkzaamheden. In enkele situaties is het niet noodzakelijk om de kwaliteit van het materiaal te kunnen aantonen tijdens de werkzaamheden. Dit geldt voor het toepassen van metselmortel of een natuursteenproduct, vormgegeven bouwstoffen als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit 2021 die zonder verandering van eigenschappen of samenstelling onder dezelfde omstandigheden opnieuw worden toegepast, niet-teerhoudend asfalt of asfaltbeton, tijdelijk uit een werk wegnemen of wanneer een natuurlijk persoon (particulier) bouwstoffen toepast, anders dan in zijn beroep of bedrijf.

Toepassen van grond of baggerspecie

Voor het melden van een toepassing geldt een meldplicht van 1 week. In het geval het gaat om meerdere toepassingen, is een meldingstermijn van 4 weken van toepassing.

Er zijn uitzonderingen van toepassing:

Voor de volgende gevallen geldt er geen meldingsplicht:

•Toepassing door natuurlijk persoon: particulieren tot maximaal 25 m3;

•Bedrijf voor telen van gewassen: toepassen op eigen landbouwgronden;

•Maximaal 50 m3 grond kwaliteit landbouw/natuur. Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn;

•Maximaal 50 m3 baggerspecie kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar: Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn (met uitzondering van toepassen in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone);

•Baggerspecie verspreiden op de landbodem, als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a van het Bal;

•Als een activiteit vergunningplichtig is volgens hoofdstuk 3 van het Bal, dan geldt er geen meldplicht. De gegevens die een melding moet bevatten, maken in dat geval onderdeel uit van de vergunningaanvraag;

•Al eerder gemeld: als er al eerder een melding is gedaan voor dezelfde toepassing, hoeft een initiatiefnemer niet opnieuw te melden. Wel moet de initiatiefnemer gegevens en bescheiden per partij aanleveren volgens artikel 4.1267.

Minimaal één week voor aanvang van de activiteit dient de initiatiefnemer het bevoegd gezag te voorzien van gegevens en bescheiden. De gegevens en bescheiden hoeven niet aangeleverd te worden in de volgende gevallen:

•Toepassing door natuurlijk persoon: particulieren tot maximaal 25 m3;

•Bedrijf voor telen van gewassen: toepassen op eigen landbouwgronden;

•Grond met kwaliteitsklasse landbouw/natuur. Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn;

•Baggerspecie met kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar. Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn (met uitzondering van toepassen in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone);

•Baggerspecie verspreiden op de landbodem, als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a van het Bal. Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn.

Op de website https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/toepassen-grond-baggerspecie/toepassingsbereik-melding-gegevens/ zijn stroomdiagrammen opgenomen die de meldplicht en informatieplicht verduidelijken.

21.6.3 Toezicht en handhaving

Het basistakenpakket voor toezicht en handhaving is onder de Omgevingswet op een paar onderdelen gewijzigd. De omzetting van het basistakenpakket wordt zo beleidsneutraal mogelijk gedaan. In hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn de toebedeelde taken nu eenvoudiger te vinden.

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn er enkele wijzigingen in het basistakenpakket (BTP) uitgevoerd door omgevingsdiensten. Het doel is om een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving te bevorderen.

Een aantal belangrijke wijzigingen is:

•De milieubelastende activiteit is nu de ingang voor het basistakenpakket en niet langer het begrip 'inrichting';

•Bodemgerelateerde activiteiten zijn onder de Omgevingswet niet langer apart geregeld. Dit is omdat deze activiteiten onder de regels van milieubelastende activiteiten vallen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);

•Onder het basistakenpakket vallen nu ook de uitvoering en het toezicht en de handhaving van de regels in het omgevingsplan, als het gaat om activiteiten uit het basistakenpakket. Wanneer een activiteit niet binnen het bereik van het basistakenpakket valt, mag deze wel als extra taak bij de omgevingsdienst belegd worden.

Deel 4: Bodemkwaliteitskaarten

Om het toepassen van grond of baggerspecie binnen de regio te vereenvoudigen hebben decentrale overheden de mogelijkheid om bodemkwaliteitskaarten op te stellen. Gemeenten stellen over het algemeen een bodemkwaliteitskaart op voor de landbodem binnen hun grondgebied. In een bodemkwaliteitskaart zijn over het algemeen de volgende kaarten opgenomen:

1Ontgravingskaart;

2Toepassingskaart;

3Functiekaart.

Dit deel van de Nota geeft een toelichting op de kaarten en beschrijft wanneer welke kaart gebruikt moet worden.

Bijlage 1 Afkortingenlijst

AMvB = Algemene maatregel van bestuur

BAG = Basisregistratie Adressen en Gebouwen

Bal = Besluit activiteiten leefomgeving

Bbk = Besluit bodemkwaliteit

BGT = Basisregistratie Grootschalige Topografie

Bkl = Besluit kwaliteit leefomgeving

BSO = Buitenschoolse opvang

BUS = Besluit uniforme saneringen

DSO = Digitaal stelsel Omgevingswet

GBT = grootschalige bodemtoepassing

GHG = Gemiddeld hoogste grondwaterstand

HUM-Bbk = Handhaving Uitvoerings Methode Besluit bodem kwaliteit

IOV = Interim omgevingsverordening

LWM = lokale maximale waarden

m -mv = meter onder het maaiveld

msPAF = meer-soorten Potentieel Aangetaste Fractie

NNP = Natte natuurparel

PAK = polycyclische aromatische koolwaterstoffen

PCB = Polychloorbifenyl

PFAS = Poly- en perfluoralkylstoffen

PFOA = Perfluoroctaanzuur

PFOS = Perfluoroctaansulfonzuur

PMV = Provinciale milieuverordening

TAM = Tijdelijke alternatieve maatregelen

TGG = Thermisch gereinigde grond

Wbb= Wet bodembescherming

Wro = Wet ruimtelijke ordening

ZZS = Zeer zorgwekkende stoffen

m/m = massa percentage

Bijlage 4 Waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden in de Concept Omgevingsverordening

Artikel 3.28 Meldplicht toepassen grond en baggerspecie Waterwingebied

1Het verbod om grond en baggerspecie toe te passen in Waterwingebied, bedoeld in artikel 3.24, eerste lid onder c in samenhang met artikel 3.25, geldt niet als daarvoor een melding is gedaan als bedoeld in artikel 3.4 en is voldaan aan de volgende voorwaarden:

a.het toepassen van grond of baggerspecie op de landbodem als deze voldoet aan de kwaliteitsklasse landbouw/natuur;

b.het toepassen van grond of baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam als deze voldoet aan de kwaliteitsklasse niet verontreinigd.

2Als de grond of baggerspecie PFAS bevat en afkomstig is uit hetzelfde Waterwingebied, geldt in aanvulling op het eerste lid dat de grond of baggerspecie niet meer PFOA bevat dan 1,9ugZkg d.s. en niet meer andere PFAS bevat dan 1,4 ug/kg d.s.

3Als de grond of baggerspecie PFAS bevat en niet afkomstig is uit hetzelfde Waterwingebied, geldt in aanvulling op het eerste lid dat:

a.de grond of baggerspecie niet meer PFAS bevat dan 0,1 ug/kg d.s.; of

b.de grond of baggerspecie voldoet aan de gebiedskwaliteit, niet meer PFOA bevat dan 1,9 ug/kg d.s., niet meer andere PFAS bevat dan 1,4 ug/kg d.s. en er door de activiteit en het grondverzet van daarmee samenhangende activiteiten geen netto toename is van de totale hoeveelheid individuele PFAS in Waterwingebied.

4De kwaliteit van de grond of baggerspecie is, in aanvulling op artikel 4.1272, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gecontroleerd op basis van een partijkeuring op de stoffen, opgenomen in de advieslijst PFAS van het RIVM.

5In afwijking van het eerste lid is geen melding vereist als de grond of baggerspecie wordt toegepast door een natuurlijk persoon, anders dan in het uitoefenen van diens beroep of bedrijf, en ten hoogste 25 m3 grond of baggerspecie in totaal wordt toegepast.

Artikel 3.40 Algemene regel en meldplicht toepassen grond en baggerspecie Grondwaterbeschermingsgebied

1Het verbod om grond of baggerspecie toe te passen op de landbodem in Grondwaterbeschermingsgebied, bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, onder m, in samenhang met artikel 3.30, geldt niet in het geval dat dit is beperkt tot een maximum van 5000 m3 grond of baggerspecie en als de grond of baggerspecie:

a.voldoet aan de kwaliteitsklasse landbouw/natuur; of

b.afkomstig is uit het betreffende grondwaterbeschermingsgebied en voldoet aan de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen.

2Het verbod om grond of baggerspecie toe te passen in een oppervlaktewaterlichaam in Grondwaterbeschermingsgebied, bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, onder m, in samenhang met artikel 3.30, geldt niet in het geval dat dit is beperkt tot een maximum van 5000 m3 grond of baggerspecie en als de grond of baggerspecie:

a.voldoet aan de kwaliteitsklasse niet verontreinigd; of

b.afkomstig is uit het betreffende grondwaterbeschermingsgebied, voldoet aan de maximale waarden van de kwaliteitsklasse licht verontreinigd en voldoet aan de gebiedskwaliteit.

3Als de grond of baggerspecie PFAS bevat en afkomstig is uit hetzelfde Grondwaterbeschermingsgebied geldt in aanvulling op het eerste en tweede lid dat de grond of baggerspecie niet meer PFOA bevat dan 1,9 ug/kg d.s. en niet meer andere PFAS bevat dan 1,4 ug/kg d.s.

4Als de grond of baggerspecie PFAS bevat en niet afkomstig is uit hetzelfde Grondwaterbeschermingsgebied, geldt in aanvulling op het eerste en tweede lid dat:

a.de grond of baggerspecie niet meer PFAS bevat dan 0,1 ug/kg d.s.; of

b.de grond of baggerspecie voldoet aan de gebiedskwaliteit, niet meer PFOA bevat dan 1,9 ug/kg d.s., niet meer andere PFAS bevat dan 1,4 ug/kg d.s. en er door de activiteit en het grondverzet van daarmee samenhangende activiteiten geen netto toename is van de totale hoeveelheid individuele PFAS in Grondwaterbeschermingsgebied.

5Het verbod om grond of baggerspecie toe te passen op de landbodem of in een oppervlaktewaterlichaam in Grondwaterbeschermingsgebied, bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, onder m, in samenhang met artikel 3.30, geldt niet bij het tijdelijk uitnemen van grond als de grond op of nabij het ontgravingsprofiel wordt teruggebracht in de bodem.

6In aanvulling op het eerste en tweede lid is het toegestaan meer dan 5000 m3 grond of baggerspecie toe te passen als de risico's op verontreiniging van het grondwater niet toenemen en een melding is gedaan als bedoeld in artikel 3.4.

7De kwaliteit van de grond of baggerspecie is, in aanvulling op artikel 4.1272, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gecontroleerd op basis van een partijkeuring op de stoffen, opgenomen in de advieslijst PFAS van het RIVM.

Bijlage 5 Toets herkomst NEN 5725

Dit formulier is een toelichting op de historische gegevens van een perceel (een locatie).

Als een perceel verdacht is van bodemverontreiniging, is namelijk aanvullende informatie nodig voor grondverzet en is informatie van de bodemkwaliteitskaarten (de ontgravings- en de toepassingskaarten) niet zonder meer toereikend om de bodemkwaliteit te bepalen.

Geadviseerd wordt het historisch onderzoek te laten uitvoeren door een bedrijf dat erkend is voor het BRL 2000 - protocol 2001.

Op dit (gemeentelijk) formulier voor historische informatie kunt u, naast algemene gegevens, de historische gegevens vermelden van de ontgravingslocatie en vervolgens van de toepassingslocatie. Op het (landelijke) formulier voor grondverzet kunt u de adresgegevens vermelden van de ontgravingslocatie en van de toepassingslocatie en moet u de hoeveelheid toe te passen materiaal aangeven.

Identificatie ontgravingslocatie en of toepassingslocatie

Het adres van de locatie zoals hieronder gemeld en/ of te melden bij het Meldingsformulier Besluit bodemkwaliteit www.meldpuntbodemkwaliteit.nl

In de volgende situaties is er geen meldingsplicht voor het toepassen van grond:

•Het toepassen van grond onder het Besluit Uniforme Saneringen (BUS).

•De toepassing van grond door particulieren, anders dan in de uitoefening van een bedrijf of beroep.

•Het toepassen van grond binnen een landbouwbedrijf als de grond afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel grond waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel grond waar de grond wordt toegepast.

•Het verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen.

•Het toepassen van schone grond in hoeveelheden kleiner dan 50 m3. Voor het toepassen van schone grond in hoeveelheden vanaf 50 m3 moet eenmalig de toepassingslocatie worden gemeld.

Ontgravingslocatie

Adres: …………………………………………………………………………………………………………………

X-coördinaat: ……………………………………………………………………………………………………

Y-coördinaat: ……………………………………………………………………………………………………

Toepassingslocatie

Adres: ……………………………………………………………………………………………………………………

X-coördinaat: …………………………………………………………………………………………………………

Y-coördinaat: …………………………………………………………………………………………………………

Bronvermelding

Welke bronnen heeft u geraadpleegd om alle bovenstaande vragen te beantwoorden? Ook als een geraadpleegde bron geen informatie heeft opgeleverd, moet u dit aangeven.

……………………………………………………………………………………………………………………

Indien van toepassing: Verificatieonderzoek (bij al eerder uitgevoerd (historisch) onderzoek)

Omdat al een eerder (historisch) onderzoek is uitgevoerd is op de ontgravingslocatie en/ of de toepassingslocatie geverifieerd of tussentijds op de onderzoekslocatie activiteiten hebben plaatsgevonden die de bodemkwaliteit hebben kunnen beïnvloeden. De verificatie heeft plaatsgevonden

•Fysiek, op ……………………………… [datum]

•Digitaal via Google Maps/ Bing Maps, kaartgegevens …………………………………… [jaartal foto]

•Digitaal via Google Streeview / Cyclomedia, kaartgegevens ……………………………… [opname datum]

Ontgravingslocatie

1.

Welk gebruik / functie heeftde locatie gehadvoordat grond wordt ontgraven?

o Natuur

o Landbouw / volkstuin / moestuin

o (Onverharde) kinderspeelplaats

o Wonen / woongebied

o Industrie / bedrijven

o Infrastructuur

o Onbekend / braakliggend

2.

Welk gebruik heeft de locatie nadat de grond wordt / is ontgraven?

o Natuur

o Landbouw / volkstuin / moestuin

o (Onverharde) kinderspeelplaats

o Wonen / woongebied

o Industrie / bedrijven

o Infrastructuur

o Onbekend / braakliggend

3.

Welke kwaliteit heeft de bodem volgens de ontgravingskaart?

o Natuur / schoon (PFAS> landelijke achtergrondwaarde / PFAS> bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend*)

o Landbouw / overig (PFAS > landelijke achtergrondwaarde / PFAS> bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend*)

o Wonen (PFAS> landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS< bepalingsgrens / Niet bekend *)

o Industrie (PFAS > landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS< bepalingsgrens / Niet bekend*)

o Niet toepasbaar / niet ingedeeld

* Doorhalen wat niet van toepassing is

4.

Wordt de ontgraven grond tijdelijk opgeslagen?

o Nee

o Ja, adres:

.....................................................................................................

NB De tijdelijke opslag is meldingsplichtig bij opslag langer dan 6 maanden en niet langer dan 3 jaar. Tijdelijke opslag langer dan 3 jaar is vergunningsplichtig.

5.

Is de toe te passen grond nu tijdelijk opgeslagen?

o Nee

o Ja, adres:

.....................................................................................................

En Bbk-meldingsnummer: ...............................................

6.

Is op de ontgravingslocatie een partijkeuring uitgevoerd?

o Nee

o Ja:

Naam onderzoeksbureau

.....................................................................................................

Rapportagedatum partijkeuring

.....................................................................................................

Kenmerk rapportage

.....................................................................................................

NB Het rapport moet bij de Bbk-melding warden gevoegd.

7.

Is op de ontgravingslocatie een bodemonderzoek uitgevoerd?

o Nee

o Ja:

Naam onderzoeksbureau

.....................................................................................................

Rapportagedatum partijkeuring

.....................................................................................................

Kenmerk rapportage

.....................................................................................................

NB Het rapport moet bij de Bbk-melding warden gevoegd.

8.

Van welke laagdiepte wordt de grond ontgraven?

o Vanaf meter onder het maaiveld tot meter onder het maaiveld.

o Vanaf ...... meter t.o.v. NAP tot........... meter t.o.v. NAP.

9.

Wat voor soort grond wordt met name ontgraven?

o Zand

o Klei

o Kleiig zand

o Veen

o Onderhoudsbagger

o Anders, namelijk:

................................................................................................

10.

Is/zijn op de ontgravingslocatie gedempte sloten aanwezig?

o Nee

o Ja, dan deze aangeven op de situatietekening.

Met welk materiaal is de sloot gedempt:

................................................................................................

11.

Is op de ontgravingslocatie in het verleden een verharding of erfophoging aangebracht,

En is deze alweer verwijderd of is deze nog aanwezig?

o Nee

o Onbekend, want:

...............................................................................................

o Ja, aangebracht en verwijderd

o Ja, aangebracht en aanwezig

12.

Is op de ontgravingslocatie in het verleden grond of baggerspecie aangebracht, En is deze alweer verwijderdof is deze nog aanwezig?

o Nee

o Onbekend, want:

......................................................................................................

o Ja, aangebracht (zie meldingsnummer ..................... van het Meldpunt Bodemkwaliteit) en verwijderd

o Ja, aangebracht (zie meldingsnummer ..................... van het Meldpunt Bodemkwaliteit) en aanwezig met de kwaliteitsklasse:

(aankruisen wat van toepassing is):

o Natuur / schoon) (PFAS> landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)

o Landbouw / overig (PFAS > landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)

o Wonen(PFAS > landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)

o Industrie (PFAS > landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)

o Niet toepasbaar / niet ingedeeld

* Doorhalen wat niet van toepassing is

13.

Is/zijn op de ontgravingslocatie (een) opslagtank(s) voor vloeibare brandstoffen aanwezig (geweest)?

o Nee

o Ja, aangeven op een bij te voegen situatietekening en het betreft een (aankruisen wat van toepassing is):

o bovengrondse tank

o ondergrondse tank

De tank is gevuld met (aankruisen wat van toepassing is):

o zand (tank is gesaneerd)

o onbekend

o type brandstof (per tank):

......................................................................................................

14.

Is op de ontgravingslocatie een bedrijf gevestigd geweest en in welke periode (jaartallen)?

o Nee

o Ja, soort bedrijf:

......................................................................................................

Periode:

......................................................................................................

15.

Is op de ontgravingslocatie een meldings- of vergunningsplichtige milieubelastende activiteit van kracht geweest en in welke periode?

o Nee

o Ja, soort activiteit:

......................................................................................................

Periode:

......................................................................................................

16.

Vinden of vonden activiteiten plaats op of in de nabij omgeving van de ontgravingslocatie (inclusief belendende percelen tot 25 meter afstand) die de grond mogelijk hebbenverontreinigd?

o Nee

o Ja, soort activiteit:

......................................................................................................

Periode:

.....................................................................................................

17.

Is de locatie verdacht op het voorkomen van PFAS (poly- en perfluoralkylverbindingen) zoals PFOA, PFOS en GenX?

Is op de locatie bijvoorbeeld sprake (geweest) van:

–brand met gebruik van blusschuim;

–brandblusoefenterrein?

–zijn er bedrijfsactiviteiten (geweest) bijvoorbeeld op het gebied van:

* teflonproductie;

* galvanische industrie, textiel, papier(verwer-king), lak- en verfindustrie, cosmetica;

* afvalverbranding, stortplaatsen, waterzuiveringinstallaties, ijzerinzamellocaties (inzamelen brandblussers).

o Onbekend

o Nee

o Ja, namelijk:

18.

Staan of stonden objecten (panden) op de ontgravingslocatie die asbest kunnen bevatten (bouwjaar voor 1993)?

o Nee

o Ja, namelijk:

.....................................................................................................

19.

Zijn op de ontgravingslocatie aanwijzingen voor de aanwezigheid van asbest in of op de grond (zoals restanten van sloopafval)?

o Nee

o Ja, namelijk:

.....................................................................................................

20.

Welke bijmengingen aan bodemvreemd materiaal is in de te ontgraven grond aanwezig en wat is daarvan het gewichts- of volumepercentage?

o Geen bijmengingen aan bodemvreemd materiaal (nul procent)

o Puin en/of bakstenen:.......... % (gewicht)

o Koolas en/of slakken:......... % (gewicht)

o Stukjes asbest:......... % (gewicht)

o Plastic/ piepschuim:.......... % (volume)

o Anderszins:

Soort: ............................................................................

Percentage: .....................................(gewicht / volume*)

o Onbekend, want:

.....................................................................................................

* Doorhalen wat niet van toepassing is

21.

Overige informatie met betrekking tot een mogelijke bodemverontreiniging op de ontgravingslocatie:

o Geen

o Ja, namelijk:

22.

Welk gebruik / functie heeft de locatie gehad voordat grond wordt/is toegepast?

o Natuur

o Landbouw / volkstuin / moestuin

o (Onverharde) kinderspeelplaats

o Wonen / woongebied

o Industrie / bedrijven

o Infrastructuur

o Onbekend / braakliggend

23.

Welk gebruik heeft de locatie nadat de grond wordt toegepast?

o Natuur

o Landbouw / volkstuin / moestuin

o (Onverharde) kinderspeelplaats

o Wonen / woongebied

o Industrie / bedrijven

o Infrastructuur

o Onbekend / braakliggend

24.

Welke kwaliteit heeft de bodem volgens de toepassingskaart?

o Natuur / schoon (PFAS>landelijkeachtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)

o Landbouw / overig (PFAS > landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)

o Wonen (PFAS > landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)

o Industrie (PFAS> landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)

o Niet ingedeeld

* Doorhalen wat niet van toepassing is

25.

Wordt de ontgraven grond tijdelijk opgeslagen?

o Nee

o Ja, adres:

.....................................................................................................

NB De tijdelijke opslag is meldingsplichtig bij opslag langer clan 6 maanden en niet langer clan 3 jaar. Tijdelijke opslag langer clan 3 jaar is vergunningsplichtig.

26.

Is de toe te passen grond nu tijdelijk opgeslagen?

o Nee

o Ja, adres:

.....................................................................................................

En Bbk-meldingsnummer: ...............................................

27.

Is op de toepassingslocatie een partijkeuring uitgevoerd?

o Nee

o Ja:

Naam onderzoeksbureau

.....................................................................................................

Rapportagedatum partijkeuring

.....................................................................................................

Kenmerk rapportage

.....................................................................................................

NB Het rapport moet bij het Bbk-melding worden gevoegd.

28.

Is op de toepassingslocatie een bodemonderzoek uitgevoerd?

o Nee

o Ja:

Naam onderzoeksbureau

.....................................................................................................

Rapportagedatum partijkeuring

.....................................................................................................

Kenmerk rapportage

.....................................................................................................

NB Het rapport moet bij de melding Besluit bodemkwaliteit worden gevoegd.

29.

Wordt de grond boven het bestaande maaiveld toegepast?

o Nee, vanaf ...... meter onder het maaiveld tot ...... meter onder het maaiveld.

o Ja, vanaf.......... meter boven het maaiveld tot meter boven het maaiveld.

o Deels, vanaf......... meter onder het maaiveld tot ...... meter boven het maaiveld.

30.

Wat voor soort grond wordt met name toegepast?

o Zand

o Klei

o Kleiig zand

o Veen

o Onderhoudsbagger

o Anders, namelijk:

.....................................................................................................

31.

Is/zijn op de toepassingslocatie gedempte sloten aanwezig?

o Nee

o Ja, aangegeven op de situatietekening Met welk materiaal is de sloot gedempt:

.........................................................................................

32.

Is op de toepassingslocatie in het verleden een verharding of erfophoging aangebracht,

En is deze alweer verwijderd of is deze nog aanwezig?

o Nee

o Onbekend, want:

.....................................................................................................

o Ja, aangebracht en verwijderd

o Ja, aangebracht en aanwezig

33.

Is op de toepassingslocatie in het verleden grond of baggerspecie aangebracht, en is deze alweer verwijderd of is deze nog aanwezig?

o Nee

o Onbekend, want:

......................................................................................................

o Ja, aangebracht (zie meldingsnummer ..................... van het Meldpunt Bodemkwaliteit) en verwijderd

o Ja, aangebracht (zie meldingsnummer ..................... van het Meldpunt Bodemkwaliteit) en aanwezig met de kwaliteitsklasse:

(aankruisen wat van toepassing is):

o Natuur / schoon) (PFAS> landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)

o Landbouw / overig(PFAS > landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)

o Wonen (PFAS> landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)

o Industrie (PFAS > landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)

o Niet toepasbaar / niet ingedeeld

* Doorhalen wat niet van toepassing is

34.

Is/zijn op de toepassingslocatie (een)opslagtank(s) voorvloeibare brandstoffen aanwezig (geweest)?

o Nee

o Ja, aangeven op een bij te voegensituatietekening en het betreft een (aankruisen wat van toepassing is):

o ondergrondse tank

o bovengrondse tank

De tank is gevuld met (aankruisen wat van toepassing is):

o zand (tank is gesaneerd)

o onbekend

o type brandstof (per tank):

......................................................................................................

35.

Is op de toepassingslocatie een bedrijf gevestigd geweest en in welke periode (jaartallen)?

o Nee

o Ja, soort bedrijf:

......................................................................................................

Periode:

......................................................................................................

36.

Is op de toepassingslocatie een meldings- of vergunningsplichtige milieubelastende activiteit van kracht geweest en in welke periode?

o Nee

o Ja, soort activiteit:

......................................................................................................

Periode:

......................................................................................................

37.

Vinden of vonden activiteiten plaats op of in de nabij omgeving van de toepassingslocatie (inclusief belendende percelen tot 25 meter afstand) die de grond mogelijk hebben verontreinigd?

o Nee

o Ja, soort activiteit:

......................................................................................................

Periode:

......................................................................................................

38.

Is de locatie verdacht op het voorkomen van PFAS (poly- en perfluoralkyl-verbindingen) zoals PFOA, PFOS en GenX? Is op de locatie bijvoorbeeld sprake (geweest) van:

–brand met gebruik van blusschuim;

–brandblusoefenterrein?

–zijn er bedrijfs-activiteiten (geweest) bijvoorbeeld op het gebied van:

* teflonproductie;

* galvanische industrie, textiel, papier(ver-werking), lak- en verfindustrie, cosmetica;

* afvalverbranding, stortplaatsen, waterzuiveringinstallaties, ijzerinzamellocaties(in-zamelenbrandblussers).

o Onbekend

o Nee

o Ja, namelijk:

......................................................................................................

39.

Staan of stonden objecten (panden) op de toepassingslocatie die asbest kunnen bevatten(bouwjaar voor 1993)?

o Nee

o Ja, namelijk:

......................................................................................................

40.

Zijn op de toepassingslocatie aanwijzingen voor de aanwezigheid van asbest in of op de grond (zoals restanten van sloopafval)?

o Nee

o Ja, namelijk:

......................................................................................................

41.

Welke bijmengingen aan bodemvreemd materiaal is in de bodem van de toepassingslocatie aanwezig en wat is daarvan het volumepercentage?

o Geen bijmengingen aan bodemvreemd materiaal (nul procent)

o Puin en/ of bakstenen:.......... % (gewicht)

o Koolas en/ of slakken:......... % (gewicht)

o Stukjes asbest:......... % (gewicht)

o Plastic/ piepschuim:.......... % (volume)

o Anderszins:

Soort: ............................................................................

Percentage:..................................... (gewicht / volume *)

o Onbekend, want:

......................................................................................................

* Doorhalen wat niet van toepassing is

42.

Overige informatie met betrekking tot een mogelijke bodemverontreiniging op de toepassingslocatie:

o Geen

o Ja, namelijk:

......................................................................................................

Ondertekening

Aldus naar waarheid ingevuld,

Bedrijfsnaam: ......................................................................................................

Naam: ......................................................................................................

Functie: ......................................................................................................

Datum: ......................................................................................................

Handtekening initiatiefnemer: ......................................................................................................

Aldus op volledigheid en waarheid gecontroleerd,

Handtekening toetsende instantie (gemeente dan wel Omgevingsdienst): ......................................................................................................

NB: Wordt tijdens de grondwerkzaamheden asbestverdacht materiaal waargenomen, dan worden de werkzaamheden door de uitvoerder gestaakt en meldt hij dit direct aan de gemeente en/of omgevingsdienst. Veelal wordt dan het spoor van de Wet bodembescherming/Omgevingswet gevolgd en volgt een verkennend bodemonderzoek naar asbest in grond. Dit geldt ook voor overige bijmengingen en afwijkingen zoals kleur en geur die op een bodemverontreiniging wijzen.

Wordt in de toe te passen grond meer dan het toegestane percentage bodemvreemd materiaal vastgesteld, of wordt asbest of een andere niet verwachte mogelijke bodemverontreiniging aangetroffen, dan wordt dit direct gemeld bij de gemeente en/of omgevingsdienst.

Bijlage 6 Benaming gevoelige bestemmingen

•Speelterrein

Basisregistratie Grootschalige Topografie. Hierin zijn selecties gemaakt naar type gebruik (Speelterrein, speelvoorziening) en type verharding van de speelterreinen (onbegroeid, begroeid, boomschors).

•Speelterrein met boomschors

•Speelvoorziening (onbegroeid)

•Speelvoorziening (begroeid)

•Scholen

Basisregistratie Adressen en Gebouwen (selectie op Onderwijs), hierin zitten zowel lagere als middelbare scholen. De kaartlaag is gecombineerd met de ESRI risicokaart waarmee alleen lagere scholen (leeftijd <12 jaar) konden worden geselecteerd. Met behulp van BAG, kadastrale kaarten en BGT (erf) is steeds het terrein van de school geselecteerd waar geen gebouw op staat (dus speelplaats, parkeerterrein e.d. rondom het schoolgebouw)

•Kinderopvang

Landelijk Register Kinderopvang, dit zijn zowel BSO (buitenschoolse opvang) en crèches maar ook opvangouders.

Met behulp van BAG, kadastrale kaarten en BGT (erf) is steeds het terrein van de BSO/thuisopvang geselecteerd waar geen gebouw op staat (dus speelplaats, tuin, parkeerterrein rondom het gebouw)

•Volkstuin

CBS bodemgebruikskaart 2015 (selectie op Volkstuinen)

•Park en plantsoen

CBS bodemgebruikskaart 2015 (selectie op Park en Plantsoen)

•Sportterrein

CBS bodemgebruikskaart 2015 (selectie op Sportterrein)

•Verblijfsrecreatie

CBS bodemgebruikskaart 2015 (selectie op Verblijfsrecreatie)

•Dagrecreatie

CBS bodemgebruikskaart 2015 (selectie op (dag)recreatie)

•Sport en Vrije tijd

Open Street Map (Point of Interest is Sport of Vrije Tijd (uitgezonderd Nature reserve))

•Natuurgebied

Open Street Map (Point of Interest is Vrije Tijd, waarde is Nature reserve)

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.