Gemeentelijke regelgeving

3e wijziging verordening Participatiewet 2015

Gemeente Bergeijk · geldt sinds 1 januari 2026

Aanhef

De raad der gemeente Bergeijk;

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 29 september 2015

besluit:

de 3e wijziging verordening Participatiewet 2015 vast te stellen, met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2015

Aldus besloten in de openbare vergadering van de gemeenteraad van Bergeijk van 26 november 2015.

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1 Begripsbepalingen

1Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreen, hebben dezelfde betekenins als in de Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004.

2In deze verordening wordt verstaan onder:

a.de raad: de gemeenteraad van de gemeente Bergeijk;

b.het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergeijk;

c.Bbz 2004: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;

d.IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

e.IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere gedeeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. De wet: de Participatiewet.

Hoofdstuk 2 Individuele inkomenstoeslag

Artikel 2 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a.inkomen: totaal van het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet en de algemene bijstand;

b.peildatum: datum waarop een belanghebbende individuele inkomenstoeslag aanvraagt;

c.referteperiode: periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum.

Artikel 3 Langdurig laag inkomen

Een belanghebbende heeft een langdurig laag inkomen als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 105% van de toepasselijke bijstandsnorm.

Artikel 4.1 Hoogte inkomenstoeslag

1Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar:

a.€ 487,50 voor een alleenstaande;

b.€ 650,- voor een alleenstaande ouder;

c.€ 715,- voor gehuwden.

2Voor toepassing van het eerste lid is de situatie op de peildatum bepalend.

Artikel 4.2 Indexering

1De in artikel 4.1, eerste lid, genoemde bedragen worden jaarlijks per 1 januari aangepast. Voor het eerst op 1 januari 2027.

2De aanpassing vindt plaats op basis de procentuele aanpassing van de bijstandsnormen zoals vastgesteld door het Rijk per 1 januari van het betreffende jaar.

3Het college kan jaarlijks besluiten van deze indexering af te wijken indien daar zwaarwegende beleidsmatige of financiële redenen voor zijn.

4De aldus aangepaste bedragen worden afgerond op hele euro’s.

Hoofdstuk 3 Verlagen van de bijstand

Artikel 5 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a.belanghebbende: persoon met een uitkering ingevolge de wet, Bbz 2004, IOAW of IOAZ;

b.maatregel: verlaging van de bijstand op grond van artikel 18, tweede lid van de wet, het verlagen van de IOAW-/IOAZ-uitkering op grond van artikel 20, tweede lid IOAW en artikel 20, eerste lid IOAZ, het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van een uitkering op grond van artikel 20, eerste lid IOAW en artikel 20, tweede lid IOAZ;

c.jongere: een meerderjarig persoon jonger dan 27 jaar.

Artikel 6 Afzien van het opleggen van een maatregel

1Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:

a.elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of

b.de gedraging meer dan één jaar voor constatering van gedraging door het college heeft plaatsgevonden; of

c.belanghebbende inmiddels geen bijstand of uitkering meer ontvangt, tenzij de belanghebbende binnen een periode van 6 maanden na de datum van de beëindigingsbeschikking opnieuw bijstand of uitkering gaat ontvangen. In dat geval wordt een besluit genomen over het alsnog toepassen dan wel afzien van een maatregel op dat moment; of

d.het college dringende redenen aanwezig acht.

2Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van het bepaalde in het eerste lid onder d, wordt daarvan aan de belanghebbende schriftelijk mededeling gedaan.

Artikel 7 Hoogte van de maatregel

De maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.

Artikel 8 Berekeningsgrondslag

1De maatregel wordt toegepast:

a.de voor de belanghebbende van toepassing zijnde norm, als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet of de grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 IOAW/IOAZ; of

b.de bijzondere bijstand als bedoeld in aritkel 12 van de wet; en/of

c.de bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 5 onderdeel d van de wet.

Artikel 9 Ingangsdatum en tijdvak

1Voor zover de bijstand of uitkering nog niet is uitbetaald, wordt de maatregel toegepast op de betaling van de betreffende bijstand of uitkering over die maand.

2Indien toepassing van het eerste lid niet mogelijk is, wordt de maatregel opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de datum waarop eht besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekend gemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende norm.

3Een maand wordt over één maand uitgevoerd. Het college kan het noodzakelijk achten om uitvoering van de maatregel te spreiden over meerdere maanden.

4In afwijking van de tweede lid wordt, voor zover het een zelfstandige betreft, die een uitkering voor het levensonderhoud in de vorm van een geldlening op grond van het Bbz 2004 heeft ontvangen, de maatregel met terugwerkende kracht betrokken bij de definitieve vaststelling van die bijstand.

Artikel 10 Samenloop van gedragingen en redicive

1Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Indien voor schendingen van de verplichtingen maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel opgelegd.

2Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging gelijktijdig een afzonderlijke maatregel opgelegd.

3De hoogte van de maatregel wordt verdubbeld indien belanghebbende zich binnen 12 maanden, na de datum van de beschikking waarin de vorige verwijtbaar aangemerkte gedraging is vastgesteld, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 11 tot en met 19 van deze verordening.

4Indien de verdubbeling van de hoogte van de maatregel en/of het bepaalde in het tweede lid van dit artikel niet uitvoerbaar/mogelijk is, wordt de duur van de maatregel verdubbeld.

5Wanneer dezelfde gedraging binnen de gestelde periode zich meer dan twee keer voordoet, vindt geen verdubbeling van de hoogte of duur meer plaats, maar wordt de maatregel afgestemd op basis van individualisering.

Artikel 11 Niet verschijnen op uitnodiging gesprek

Indien belanghebbende, zonder tegenbericht, niet verschijnt op een schriftelijke uitnodiging in verband met re-integratie om op gesprek te komen wordt een maatregel opgelegd van 10%.

Artikel 12 Jongeren

1Indien een jongere in de 4 weken na melding geen of onvoldoende inspannningen heeft gedaan om geaccepteerde arbeid en/of mogelijkheden in regulier bekostigd onderwijs te verkrijgen, wordt een maatregel opgelegd van 40%.

2Indien een jongere onvoldoende meewerkt aan het opstellen of uitvoeren of evalueren van een plan van aanpak, wordt een maatregel opgelegd van 40%.

Artikel 13 Algemeen geaccepteerde arbeid trachten te verkrijgen

Indien belanghebbende niet naar vermogen tracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, wordt een maatregel opgelegd van 40%.

Artikel 14 Zelfstandige

1Indien een zelfstandige niet of onvoldoende meewerkt aan begeleiding door een door het college aangewezen derde, wordt een maatregel opgelegd van 40%.

2Indien een zelfstandige de administratie, als bedoeld in artikel 38 lid 2 Bbz 2004 niet naar behoren heeft gevoerd, wordt een maatregel opgelegd van 20%.

Artikel 15 Tegenprestatie

Indien belanghebbende niet of onvoldoende uitvoering geeft aan een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9 eerste lid onderdeel c van de wet, wordt een maatregel opgelegd van 40%.

Artikel 16 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

1Indien belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

voor de voorziening in het bestaan, als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, heeft betoond, wordt een maatregel van 20% opgelegd gedurende een periode overeenkomstig onderstaande tabel:

onverantwoord besteed/periode eerder of

langer in de uitkering

duur maatregel

tot € 1.500,-- / 0-2 maanden

1maand

van € 1.500,-- tot € 5.000,-- / 2-4 maanden

3maanden

van € 5.000,-- tot € 10.000,-- / 4-8 maanden

6maanden

van € 10.000,-- tot € 20.000,-- / 8-16 maanden

9maanden

van € 20.000,-- tot € 40.000,-- / 16-32 maanden

12maanden

vanaf € 40.000,-- / vanaf 32 maanden

18maanden

2Onder tekortschietend besef wordt in ieder geval begrepen op onverantwoorde wijze besteden van vermogen, waarbij inbegrepen het doen van een schenking of het geen aanspraak maken op of het niet te gelde maken van voorliggende voorzieningen, voorafgaand aan of tijdens de bijstandsverlening.

Artikel 17 Zeer ernstige misdragingen

Indien een belanghebbende zich ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de wet, de IOAW, IOAZ en Bbz 2004, wordt een maatregel opgelegd van 100% gedurende een periode van 1 maand.

Artikel 18 Nadere verplichtingen

Indien aan belanghebbende één of meerdere verplichtingen zoals bedoeld in de artikelen 55 van de wet en 38, eerste lid Bbz 2004 zijn opgelegd en deze niet in voldoende mate worden nagekomen, wordt een maatregel opgelegd van 20%.

Artikel 19 Geüniformeerde verplichtingen

1Indien een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel a tot en met h van de wet niet of onvoldoende nakomt wordt een maatregel opgelegd van 100% gedurende een periode van een maand.

2Het bedrag van de verlaging zoals bedoeld in het eerste lid kan worden toegepast over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende twee maanden indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

3Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, wordt aan de eerste maand in ieder geval 1/3 van de verlaging toebedeeld.

Hoofdstuk 4 Verrekening bestuurlijke boete bij recidive

Artikel 20 Verrekenen bestuurlijke boete bij recidive

1In afwijking van artikel 60b, eerste en tweede lid van de wet kan het college de recidiveboete, met inachtneming van de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, verrekenen indien er sprake is van dringende redenen.

2Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 8a, eerste lid, van de wet, indien en voor zover deze boete nog niet is betaald op het moment van verrekening van de recidiveboete.

Hoofdstuk 5 Bestrijding misbruik

Artikel 21 Handhaving

1Het college draagt in het kader van de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand, alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet, zorg voor handhaving.

2In het in het eerste lid genoemde handhaving komt op zijn minst tot uitdrukking in een visie op handhaving en de aanpak van fraudepreventie en frauderepressie.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

Artikel 22 Beleidsregels

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.2 van deze verordening kan het college ten behoeve van de uitvoering van deze verordening beleidsregels vaststellen.

Artikel 23 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, met uitzondering van hoofdstuk 3, indien toepassing ervan leidt tot onblillijkheden van overwegende aard.

Artikel 24 Onvoorziene omstandigheden

In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

Artikel 25 Inwerking

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015, onder intrekking van:

a.Verordening Langdurigheidstoeslag 2009, vastgesteld bij raadsbesluit per 28.09.2009

b.Verordening afstemming handhaving WWB 2007, vastgesteld bij raadsbesluit per 29.01.2007

c.Verordening maatregelen en handhaving IOAW en IOAZ 2010, vastgesteld bij raadsbesluit per 16.12.2010

d.Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2013, vastgesteld bij raadsbesluit per 28.02.2013

Artikel 26 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening Participatiewet 2015'.

Aldus besloten in de vergadering van 27 november 2014.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.