Gemeentelijke regelgeving

Verordening Fysieke Leefomgeving Beek 2024

Gemeente Beek · geldt sinds 5 juli 2024

Aanhef

De raad van de gemeente Beek;

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 14-05-2024;

Besluit:

1Vast te stellen de Verordening fysieke leefomgeving Beek 2024.

2De Afvalstoffenverordening Beek 2023 in te trekken, voor zover het betreft de artikelen 14 tot en met 19;

3Intrekken van de Bouwverordening 2018.

De gemeenteraad van Beek,

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet,

artikel 8 van de Woningwet,

artikel 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet,

de artikelen 39, 39c, 39d van de Wet bodembescherming,;

het Besluit aanwijzing bevoegd gezag gemeenten Wet bodembescherming.

Overwegende dat

Op 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking is getreden. De belangrijkste opdracht voor gemeenten die voortvloeit uit deze wet is het opstellen van een grondgebied dekkend omgevingsplan voor de gemeente. Daartoe worden regels over de fysieke leefomgeving uit voormalige bestemmingsplannen en diverse verordeningen van de gemeente Beek die zien op de fysieke leefomgeving samengebracht in één nieuwe verordening als tussenstap naar het toekomstige omgevingsplan. De basis hiervoor is gelegen in een door de gemeente vastgelegde Nota van Uitgangspunten.

Besluit:

Vast te stellen de Verordening Fysieke Leefomgeving Beek 2024

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Begripsbepalingen

-bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

-beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

-beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

-bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;

-bomenlijst: een door het college vastgestelde Bomenlijst, waarop de monumentale en andere beschermenswaardige bomen in de gemeente worden vermeld;

-bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage onder A bij de Omgevingswet;

-bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;

-collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

-college: het college van burgemeester en wethouders;

-fysieke leefomgeving: De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval:

○ bouwwerken;

○ infrastructuur;

○ watersystemen;

○ water;

○ bodem;

○ lucht;

○ landschappen;

○ natuur;

○ cultureel erfgoed;

○ werelderfgoed;

-gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet;

-gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen:

○ zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap en/of cultuurhistorische waarde, waarbij mede in onderlinge samenhang in overweging wordt genomen de gaafheid, situering en/of bouwkundige toestand;

○ terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak bedoeld onder 1;

-gevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden aangemerkt als andere geluidsgevoelige gebouwen, met uitzondering van die gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;

-hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

-handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

-houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

-houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;

-incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

-inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

-kampeermiddel: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 5.1, tweede lid onder a van de Omgevingswet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

-motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

-onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

-openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

-openbare plaats: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek, dit heeft zowel betrekking op de fysieke als digitale omgeving. Onder openbare plaats wordt niet begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet.

-parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

-rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;

-vellen: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

-vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet;

-voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen;

-weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;

-wielertoertochten: wieleractiviteit waarbij deelnemers met een fiets een bepaald parcours moeten afleggen dat openbaar is, waarbij geen winnaar uitgeroepen wordt, waarbij deelnemers zich aan de verkeersregels dienen te houden en waarbij alleen incidentele tijdmeting bergop plaatsvindt.

Artikel 1:2 Toepassingsbereik

Deze verordening geeft regels over de fysieke leefomgeving en activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving, en die dientengevolge gaan vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet, zoals aangegeven in artikel 1.2 en 1.3 van die wet.

Artikel 1:3 Doel

1Het doel van deze verordening is het samenbrengen van regels over de fysieke leefomgeving vanuit diverse gemeentelijke verordeningen in één verordening, waarna ze gefaseerd worden verwerkt in het omgevingsplan.

2Binnen het toepassingsbereik van deze verordening is het doel van de regels:

a.een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en;

b.een doelmatig beheer en gebruik van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

Hoofdstuk 2 Proces

Afdeling 2.1 Aanvraag

Artikel 2:1 Indienen aanvraag

1Indien krachtens artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht of bij of krachtens enige wettelijke bepaling een formulier is vastgesteld voor het doen van een aanvraag of melding of voor het indienen van enig document of het doen van enige kennisgeving als bedoeld in deze verordening, is het gebruik van dat formulier verplicht;

2Een aanvraag, melding of enig document of enige kennisgeving als bedoeld in deze verordening kan in enkelvoud worden ingediend, tenzij bij of krachtens enige wettelijke bepaling anders is bepaald;

3Een aanvraag, melding of enig document of enige kennisgeving als bedoeld in deze verordening kan langs elektronische weg worden ingediend, indien de elektronische weg daarvoor is opengesteld.

Afdeling 2.2 Besluit

Artikel 2:2 Beslistermijn

1Tenzij in deze verordening anders is bepaald, beslist het bevoegd bestuursorgaan op een aanvraag voor een vergunning, ontheffing of andere toestemming binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag, tenzij elders in deze verordening of in een andere wettelijke regeling een andere beslistermijn is gesteld, of afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is verklaard;

2Het bevoegde bestuursorgaan kan de beslistermijn met ten hoogste zes weken verlengen.

Artikel 2:3 Voorschriften en beperkingen

1Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

2Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 2:4 Algemene weigeringsgronden

1De vergunning of ontheffing kan worden geweigerd in het belang van:

a.Een gezonde fysieke leefomgeving

b.De bescherming van het milieu;

c.Het woon- en leefklimaat;

d.Het uiterlijk aanzien van de gemeente;

e.Het doelmatig beheer, gebruik, bescherming of onderhoud van de fysieke leefomgeving;

2De vergunning of ontheffing kan worden geweigerd indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

3De vergunning of ontheffing kan worden geweigerd indien de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Artikel 2:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald;

Artikel 2:6 Geldingsduur

1De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

2De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Afdeling 2.3 Intrekking of wijziging

Artikel 2:7 Intrekking of wijziging

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:

1Indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

2Indien op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

3Indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

4Indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;

5Indien de houder dit verzoekt.

Hoofdstuk 3 Regels ter instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer van de fysieke leefomgeving

Afdeling 3.1 Activiteiten in de fysieke leefomgeving

Artikel 3:1 Voorwerpen op of aan de weg

1Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik:

a.schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg of;

b.niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

c.hinder of overlast oplevert voor de omgeving.

2Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1,20 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3,50 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.

3Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden.

4Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod.

5Het verbod is niet van toepassing op:

a.evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene Plaatselijke Verordening;

b.standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18 van de Algemene Plaatselijke Verordening;

c.overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.

6Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 3:2 Het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

1Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

2De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

3Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

4Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 3:3 Maken of veranderen van een uitweg

1Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

2In afwijking van het bepaalde in artikel 2:4 wordt de vergunning slechts geweigerd:

a.ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

b.als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

c.als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

d.als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

3Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

Artikel 3:4 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 3:5 Open straatkolken en dergelijke

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 3:6 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 3:7 Kelderingangen en dergelijke

1Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.

2Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 3:8 Rookverbod in bossen en natuurterreinen

1Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel binnen een afstand van dertig meter daarvan:

a.te roken gedurende een door het college aangewezen periode;

b.voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

2Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

3Het verbod in het eerste lid, onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel 3:9 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

1Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

2Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:

a.verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

b.sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand;

c.vuur voor koken, bakken en braden.

3Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

4Onverminderd het bepaalde in artikel 2:4 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

5Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.

Artikel 3:10 Gedoogplicht en zorgplicht voor voorzieningen voor verkeer, verlichting, nummering en naamgeving

1De eigenaar of een andere rechthebbende op een bouwwerk of een perceel is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk of op dat perceel door burgemeester en wethouders objecten, borden of voorzieningen voor het verkeer, openbare verlichting, huisnummering, wijk-, buurt- of straatnaamgeving worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

2De rechthebbende draagt er zorg voor dat de objecten, borden of voorzieningen niet in de werking belemmerd worden en vanaf de openbare weg duidelijk zichtbaar blijven.

3Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 3:11 Objecten onder hoogspanningslijn

1Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.

2Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.

3Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

Artikel 3:12 Plakken en kladden

1Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

2Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is:

a.een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

b.met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

3Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

4De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

5Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

6Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

7Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.

Artikel 3:13 Betreden van plantsoenen en dergelijke

1Het is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken, grasperken of buiten de daarin gelegen wegen of paden.

2Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

Artikel 3:14 Rijden over bermen en dergelijke

1Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.

2Dit verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

Afdeling 3.2 Het bewaren van houtopstanden

Artikel 3:15 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

1Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de in artikel 1:1 genoemde Bomenlijst.

2In afwijking van artikel 2:4 kan de vergunning worden geweigerd op grond van:

a.de natuurwaarde van de houtopstand;

b.de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c.de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

d.de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e.de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; of

f.de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

3Het verbod is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen.

4Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

Hoofdstuk 4 Omgevingshinder

Afdeling 4.1 Geluidhinder

Artikel 4:1 Aanwijzing collectieve festiviteiten

1De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 22.63 tot en met 22.69 Bruidsschat) en artikel 4:2 van deze verordening gelden niet gedurende de zaterdag voor carnaval alsmede 3 carnavalsdagen te weten van carnavalszondag tot de daarop volgende woensdag tot 01.00 uur alsmede voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen overige collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

2De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 22.239 Bruidsschat) gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

3In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer van de volgende kernen van de gemeente t.w.: Beek, Neerbeek, Spaubeek, Genhout, Geverik, Kelmond en Maastricht Airport.

4Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

5Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

Artikel 4:2 Melding incidentele festiviteiten

1Het is een inrichting toegestaan op maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 22.63 tot en met 22.69 Bruidsschat) en artikel 4:5, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

2Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 22.239 Bruidsschat) niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

3Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding.

4De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

5De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

6Het langtijd gemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan de geluidsnormen als vermeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit vermeerderd met 10 dB(A). Bij niet-aanpandige situaties gelden de vorengenoemde geluidsnormen gemeten op een hoogte van 1,5 meter.

7De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwen gelaten.

8Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 22.63 tot en met 22.69 Bruidsschat) en artikel 4:3, uiterlijk om 01.00 uur te worden beëindigd.

9De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

10Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4:3 Onversterkte muziek

1Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 22.70, eerste lid, onder i, en vijfde lid Bruidsschat) binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:

a.de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

b.de in de tabel aangegeven waarden op de gevel gelden ook bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;

c.de waarden in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

d.bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel wordt geen bedrijfsduurcorrectie toegepast.

2Tabel

7.00 – 19.00 uur

19.00 – 23.00 uur

23.00 – 7.00 uur

LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen

50dB(A)

45dB(A)

40dB(A)

LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

35dB(A)

30dB(A)

25dB(A)

LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

70dB(A)

65dB(A)

60dB(A)

LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

55dB(A)

50dB(A)

45dB(A)

3Voor de duur van 15 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.

4Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing.

5Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 4:1 en artikel 4:2.

Artikel 4:4 Geluidshinder in de openlucht

1Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

2Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

3Het college kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder.

4De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op:

a.het maximale geluidsniveau;

b.de situering van geluidsbronnen;

c.de frequentie en tijden van gebruik.

5Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin, wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:5 Geluidhinder door dieren

Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.

Artikel 4:6 Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen

Het is verboden buiten een inrichting zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat.

Artikel 4:7 Geluidhinder door vrachtauto’s

1Het is verboden buiten een inrichting een vrachtauto als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 op zodanige wijze te laden of te lossen dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

2Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 4:8 Routering

1Het is verboden buiten een inrichting met een vrachtauto als bedoeld in artikel 4:7, waarvan het ledig gewicht vermeerderd met het laadvermogen meer bedraagt dan 3.500 kilogram of die met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan twee meter, tussen 23.00 en 07.00 uur op een andere dan door het college aangewezen weg te rijden.

2Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 4:9 Overige geluidhinder

1Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

2Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

3Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin, wordt voorzien door bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale omgevingsverordening.

Afdeling 4.2 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel 4:10 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke

1In het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, kan het college plaatsen aanwijzen die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg zijn gelegen, waar het verboden is de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

a.onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

b.bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

c.kampeermiddelen of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

d.mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen;

2Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.

3Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de Provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:11 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

1Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

2Het eerste lid is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.

Artikel 4:12 Dumpingsverbod

1Het is verboden zonder ontheffing van burgemeester en wethouders, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen.

2Het eerste lid is niet van toepassing op:

a.het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening;

b.het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan;

c.het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994;

d.handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming, de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit.

3Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel.

Artikel 4:13 Zwerfafval in de openbare ruimte

1Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen.

2Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in weerwil van het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, wordt terstond opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde.

3Het is verboden ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door deze anderszins te behandelen.

Artikel 4:14 Zwerfafval rondom inrichtingen

1Degene die een inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting, van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval.

2Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen die kennelijk uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd binnen een straal van ten minste 25 meter van de inrichting.

3De vorige leden gelden niet voor situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de Wet milieubeheer.

Artikel 4:15 Afval en verontreiniging op de weg

1Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten.

2Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt of diens opdrachtgever zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren.

Artikel 4:16 Geen opslag afval in de open lucht

Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met de wijze van aanbieden of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in dit hoofdstuk.

Artikel 4:17 Ontdoen van autowrakken

Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een inrichting als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken.

Afdeling 4.3 Parkeerexcessen en stopverbod

Artikel 4:18 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke

1Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

a.het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of

b.het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

2Tot de voertuigen bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

a.voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of

b.voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

3Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

a.drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen;

b.de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

4Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

5Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:19 Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren

Artikel 4:20 Voertuigwrakken

1Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

2Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 4:21 Kampeermiddelen, aanhangwagens, keetwagens e.a.

1Het is verboden een aanhangwagen of een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op de weg binnen de bebouwde kom.

2Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid.

3Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.

4Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (fictieve positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4:22 Reclamevoertuigen

1Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

2Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

3Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4:23 Grote voertuigen

1Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op of aan de openbare weg, met uitzondering van door het college aangewezen plaatsen.

2Het college kan van het in eerste lid genoemde verbod een ontheffing verlenen.

3Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

4Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 4:24 Uitzichtbelemmerende voertuigen

1Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

2Dit verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 4:25 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan

1Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte.

2Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.

Artikel 4:26 Aantasting groenvoorziening door voertuigen

1Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.

2Dit verbod is niet van toepassing op:

a.de weg;

b.voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam;

c.voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

3Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 4:27 Overlast van fiets of bromfiets

Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, ter voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

Afdeling 4.4 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden

Artikel 4:28 Crossterreinen

1Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

2Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

a.het voorkomen of beperken van overlast;

b.de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

c.de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

3Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.

Artikel 4:29 Beperking verkeer in natuurgebieden

1Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.

2Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod in het eerste lid niet van toepassing is. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

a.het voorkomen van overlast;

b.de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

c.de veiligheid van het publiek.

3et verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden:

a.ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

b.die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

c.die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

d.van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

e.voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

4Het verbod is voorts niet van toepassing:

a.op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen;

b.binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening “Stiltegebieden” aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als “toestel”.

4Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Hoofdstuk 5 Straf-, overgangs- en slotregels

Afdeling 5.1 Strafregels, toezicht en handhaving

Artikel 5:1 Strafregels

1Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening, met uitzondering van hoofdstuk 3, en de daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak;

2Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover de Wet op de economische delicten voorziet in strafbaarstelling;

3Degene, die handelt in strijd met artikel 6:1, derde lid, en artikel 6:7 met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder e, van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden;

Artikel 5:2 Toezichthouders

1Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de medewerker milieupolitie, de technisch hygiëne-inspectie medewerker van de GGD Zuidelijk Zuid-Limburg, de medewerkers van het Regionaal Coördinatiepunt mensenhandel en prostitutie van de Politie eenheid Limburg, politieambtenaren van de Politie eenheid Limburg, de door de Minister van Justitie in overeenstemming met de Minister van Defensie aangewezen militairen van de Koninklijke Marechaussee voor wat betreft het gebied bij het luchthaventerrein Maastricht Aachen Airport gelegen aan de Vliegveldweg en het Korps Landelijke Politie Diensten (spoorwegpolitie). Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel burgemeester aan te wijzen personen, daaronder begrepen de al dan niet in (onbezoldigde) dienst van de gemeente zijnde personen.

2Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.

3Onverminderd het eerste en tweede lid zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften opgenomen in:

a.Hoofdstuk 3

b.Hoofdstuk 4

Artikel 5:3 Binnentreden woningen

Zij die zijn belast met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot bescherming van de fysieke leefomgeving, of het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Afdeling 5.2 Overgangs- en slotregels

Artikel 5:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordeningen en regels

1Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.

2Op de dag bedoeld in het eerste lid worden ingetrokken:

a.De Algemene Plaatselijke Verordening Beek 2019, voor zover het betreft de artikelen: 2:10, 2:11, 2:12, 2:13, 2:14, 2:15, 2:16, 2:17, 2:18, 2:21, 2:22, 2:42, 2:45, 2:46, 4:1, 4:2, 4:3, 4:4, 4:5, 4:5a e/m f, 4:6, 4:9, 4:10, 4:11, 4:12, 4:13, 4:14, 4:15, 4:16, 5:2, 5:3, 5:4, 5:5, 5:6, 5:7, 5:8, 5:9, 5:10, 5:11, 5:12, 5:32, 5:33, 5:34;

b.De Afvalstoffenverordening Beek 2023, voor zover het betreft de artikelen 14 tot en met 19.

Artikel 5:5 Overgangsrecht

1Besluiten, genomen krachtens de verordeningen bedoeld in artikel 5:4, tweede lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

2Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening blijft van toepassing op:

a.De voorbereiding en vaststelling van de beschikking op een aanvraag om een vergunning of ontheffing waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent, of een aanvraag om een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, indien voor dat tijdstip een aanvraag is ingediend;

b.De voorbereiding en vaststelling van een ambtshalve te geven beschikking tot wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent, indien voor dat tijdstip een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd, of;

c.Een vergunning of ontheffing waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent of een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, die nog niet onherroepelijk is.

3In gevallen als bedoeld in het tweede lid wordt:

a.Een vergunning of ontheffing gelijkgesteld met een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening;

b.Een beschikking tot wijziging van een vergunning of ontheffing gelijkgesteld met een beschikking tot wijziging van een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening, op het tijdstip waarop de betrokken beschikking onherroepelijk is geworden.

4Beperkingen waaronder een beschikking als bedoeld in het eerste of derde lid is verleend, worden gelijkgesteld met voorschriften als bedoeld in artikel 2:3.

Artikel 5:6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Fysieke Leefomgeving Beek.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.