Gemeentelijke regelgeving

Handboek kabels en leidingen Barendrecht

Gemeente Barendrecht · geldt sinds 24 juni 2022

Aanhef

Het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht;

gelet op artikel 3 van de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren Barendrecht (AVOI) alsmede artikel 3:4, tweede lid en het bepaalde in Titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht;

besluit:

vast te stellen het

HANDBOEK KABELS EN LEIDINGENBarendrecht

4. COMMUNICATIE, MELDINGEN, BREEKVERBOD EN INSTEMMING NIET OPENBARE NETWERKEN

4.4. Instemming niet openbare netwerken

4.4.1. Algemeen

1De aanleg van een openbaar netwerk wordt standaard toegestaan in de openbare ruimte door de gemeente. De gemeente is op basis van de Telecommunicatiewet en de AVOI niet verplicht om ook de aanleg van niet openbaar netwerk toe te staan. Voorbeelden van niet openbare netwerken zijn warmtenetten en point-to-point glasvezelverbindingen.

2In het algemeen gaat de gemeente terughoudend om met het geven van toestemming voor de aanleg van niet openbare netwerken. Als echter de aanleg van een niet openbaar netwerk het algemeen belang dient, dan zal de gemeente hier in de meeste gevallen aan meewerken. Bijvoorbeeld ontwikkelingen rondom de energietransitie kunnen aanleiding zijn om de aanleg van niet openbare netwerken toe te staan. Om een duidelijk kader aan te geven en om precedentwerking te voorkomen zijn voor het goedkeuren van aanvragen voor de aanleg van niet openbare netwerken criteria opgesteld die de gemeente daarbij hanteert.

3In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid, kan de gemeente eveneens toestemming verlenen voor de aanleg van een niet openbaar netwerk, wanneer dit in bijzondere omstandigheden, in het algemeen (nationaal) belang, noodzakelijk blijkt te zijn.

4.4.2. Criteria

1Instemming voor de aanleg van niet openbare netwerken in de openbare ruimte wordt verleend, indien:

–dit nodig is om te voldoen aan beleid dat door de gemeente is vastgesteld;

–er sprake is van de aanleg van netwerken ten behoeve van warmtevoorzieningen in een straat, wijk of stadsdeel (dit moet een logisch aaneengesloten gebied zijn) voor bijvoorbeeld de aanleg van een warmtenet en alle gebouweigenaren, huurders, utiliteitsgebouwen en bedrijven binnen het aanleggebied hebben de mogelijkheid om een aansluiting te krijgen op het netwerk.

2Naast bovengenoemde criteria moet de netbeheerder ook voldoen aan de onderstaande voorwaarden:

–de netbeheerder zorgt ervoor dat de kabel(s) en/of leiding(en), conform het bepaalde in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (WIBON), worden geregistreerd bij Kadaster sectie Klic;

–de netbeheerder voldoet aan alle voorwaarden van het handboek ;

–de netbeheerder is verantwoordelijk voor de kabel en/of leiding;

–de netbeheerder zal de gemeente niet aansprakelijk stellen bij optredende schade aan de kabel en/of leiding, tenzij deze schade door de gemeente zelf veroorzaakt wordt.

5. ZORGVULDIGHEID, SCHADE, VERZEKERINGEN EN VEILIGHEID

5.2. Schade en kosten

5.2.1. Algemeen

1De grondroerder zal alle redelijkerwijs mogelijke maatregelen nemen om te voorkomen dat schade wordt toegebracht aan eigendommen van de gemeente of derden.

2Wordt desondanks schade aan eigendommen van de gemeente of derden (bijvoorbeeld: kabels en leidingen van andere netbeheerders, verkeersborden, eigendommen van particulieren, bodemverontreiniging tijdens het werk enzovoort) toegebracht dan moet de grondroerder dit zo spoedig mogelijk, in elk geval binnen 24 uur, schriftelijk doorgeven aan de toezichthouder en/of aan betrokken derden.

5.2.2. Herstel van schade en vergoeding van kosten

1Voor de schade die ten gevolge van werkzaamheden ontstaat en/of de schade die aan andere eigendommen van de gemeente wordt toegebracht, moet de gemeente door of namens de netbeheerder gecompenseerd worden.

De gemeente beslist zelf of zij de schade door of namens de netbeheerder laat herstellen of dat de marktconforme herstelkosten van de schade (inclusief eventuele kosten die de gemeente daarbij moet maken) door of namens de netbeheerder vergoed moeten worden.

2Bij voorzienbare schade ten gevolge van werkzaamheden is het uitgangspunt dat de situatie van de ondergrond, de verharding (inclusief bijzondere (sier)bestrating) en groenvoorzieningen teruggebracht moet worden in de oude staat. De gemeente accepteert geen vermindering van kwaliteit.

3De met de werkzaamheden verband houdende marktconforme herstel-, degeneratie- en beheerkosten komen voor rekening van de netbeheerder. De voorwaarden, tarieven en onderhoudstermijnen zijn vastgelegd in de Schaderegeling ingravingen kabels en leidingen.

4Ook alle overige (extra) kosten die door de grondroerder (of de gemeente) gemaakt moeten worden vanwege werkzaamheden en/of een gevolg zijn van de voorwaarden en eisen die zijn opgenomen in de AVOI, het instemmingsbesluit en dit Handboek komen in principe voor rekening van de grondroerder c.q. de netbeheerder (zie ook artikel 3 van de Schaderegeling ingravingen kabels en leidingen).

5.2.3. Onderhoud kabels en/of leidingen en bovengrondse voorzieningen

1Bovengrondse voorzieningen die eigendom zijn van netbeheerders en zich bevinden in de openbare ruimte moeten door de netbeheerder onderhouden worden. Aanstootgevende graffiti, leuzen, posters en dergelijke die aangebracht zijn op voornoemde bovengrondse voorzieningen moeten in overleg met de gemeente in principe binnen 24 uur door of in opdracht van netbeheerder worden verwijderd.

2Verharding die door of vanwege de netbeheerder is aangebracht ten behoeve van de bereikbaarheid van bovengrondse voorzieningen moet door de netbeheerder onderhouden worden. Indien de verharding op enig moment niet meer voldoet aan de bij aanleg gestelde eisen moet deze worden hersteld.

3Markeringen die ten behoeve van de maatvoering van kabels en/of leidingen of ter aanduiding van kruisingen van watergangen (zinkers) worden aangebracht moeten op een deugdelijke wijze geplaatst en/of bevestigd worden en altijd goed zichtbaar te zijn. Indien de markeringen op enig moment niet meer voldoen aan de bij plaatsing gestelde eisen moeten deze worden hersteld of op initiatief van de netbeheerder worden verwijderd.

4Indien de hoogte van de deksel van een op maaiveldhoogte geplaatst distributie- en/of mutatiepunt door verzakking niet meer op hoogte ligt met het omringende maaiveld en daardoor niet meer voldoet aan de bij aanleg gestelde eisen moet dit worden hersteld.

5Herstel of verwijdering van de in het eerste tot en met het vierde lid van dit artikel genoemde punten moeten op eerste aanzegging van de gemeente binnen vijf werkdagen uitgevoerd worden door of in opdracht van de netbeheerder, tenzij anders is overeengekomen met de toezichthouder. De in het eerste tot en met het vierde lid van dit artikel genoemde gebreken is geen limitatieve opsomming. De genoemde termijn geldt voor elk door de toezichthouder geconstateerd gebrek als gevolg van werkzaamheden en/of in situaties die niet meer voldoen aan de bij aanleg gestelde eisen.

6Kabels en/of leidingen (inclusief de aansluitingen), die meer dan 0,40 m ten opzichte van het uitgiftepeil zijn verzakt moeten worden gerezen (het verticaal omhoog brengen van kabels en/of leidingen zonder onderbreking). Die werkzaamheden moeten zoveel mogelijk gelijktijdig met een straatophoging worden uitgevoerd. De gemeente en de netbeheerders moeten hier gezamenlijk afspraken over maken.

7Gelet op de artikelen 6:174 en 6:175 van het Burgerlijk Wetboek, moet de netbeheerder ervoor zorgen dat de in de openbare ruimte aanwezige kabels en/of leidingen die in zijn eigendom en/of beheer zijn te allen tijde in een goede staat verkeren.

5.4. Veiligheid en Calamiteiten

5.4.1. Bodemverontreiniging

1Voor werkzaamheden in of met verontreinigde grond is de Wet bodembescherming (Wbb) onverkort van toepassing. De door het CROW uitgebrachte richtlijn “Werken in en met verontreinigde bodem” (publicatie 400) geldt ook. De grondroerder moet altijd werken volgens de meest recente versie van deze richtlijn.

2De initiatiefnemer van een project moet vooraf inventariseren (CROW publicatie 400) of er zich verdachte locaties binnen het werkgebied bevinden. Onder andere via de websites www.bodemloket.nl (initiatief van gemeenten, provincies en het Rijk) en www.rwsleefomgeving.nl (Rijkswaterstaat) is te achterhalen waar zich verontreinigde of verdachte locaties bevinden. Indien de grondroerder initiatiefnemer is kan hij voor de meest recente informatie en/of detailinformatie contact opnemen met de beleidsambtenaar milieu/bodem van de gemeente.

3Indien een grondroerder een kabel- c.q. leidingtracé wil aanleggen in een gebied waarvan vooraf is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is ligt een eventuele saneringsplicht bij de grondroerder.

4Behalve het onderzoek als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, zorgt de grondroerder er conform het bepaalde in artikel 5.4, eerste lid, voor dat de juiste noodzakelijke (beschermings-) maatregelen in acht worden genomen en legt daarvoor voorwaarden vast in een VG&M-plan.

5Indien de gemeente initiatiefnemer is zal zij die maatregelen nemen die noodzakelijk zijn vanwege wetgeving en eventueel aanvullende eisen die de gemeente zelf of het bevoegd gezag stelt in het kader van het betreffende project. De gemeente is niet gehouden te voldoen en geeft geen invulling aan kwaliteitseisen die netbeheerders zelf stellen ten aanzien van hun netstructuur in (voormalig) verontreinigde grond.

DEEL B: (TECHNISCHE) EISEN / VOORSCHRIFTEN 7. RICHTLIJNEN TEN BEHOEVE VAN DE (TRACÉ)ENGINEERING EN ONDERGRONDSE ORDENING

7.2. Ondergrondse ordening bij de aanleg van kabels en/of leidingen

7.2.1. Uitgangspunten tracébepaling

1Bij de tracébepaling wordt voor alle disciplines ruimte gereserveerd.

2Bij de tracébepaling moet tevens rekening gehouden worden met de uitvoerbaarheid van de eisen die gesteld worden in dit Handboek.

3Kabels en/of leidingen mogen niet binnen het ontgravingsprofiel van andere kabels en/of leidingen aangelegd worden.

4Indien er onvoldoende ruimte is voor de aan te leggen kabels en/of leidingen, dan is overleg met alle netbeheerders, de grondeigenaar en de gemeente nodig. Mogelijke maatregelen zijn:

–reserveren van meer ruimte voor tracé;

–bundelen/stapelen van kabels voor telecommunicatie (inclusief CAI);

–het boven elkaar leggen van elektriciteitskabels;

–retour en afvoerleiding van warmtenetten dichter bij elkaar leggen;

–de onderlinge afstand van kabels en/of leidingen verkleinen;

–enkelzijdige aanleg van kabels en/of leidingen, waardoor beide kanten van de weg voor verschillende kabels en/of leidingen benut kan worden;

–het leggen van kabels en/of leidingen in kabelgoten of leidingtunnels;

–volgorde van kabels en/of leidingen aanpassen.

7.2.2. Uitgangspunten horizontale ligging

1Distributieleidingen liggen zoveel mogelijk in het trottoir.

2Rioleringen, warmtenetten en transportleidingen worden in het overige deel van de openbare weg gesitueerd.

3De volgorde van kabels en leidingen vanaf de perceelsgrens:

a.telecommunicatie;

b.water;

c.gas;

d.elektra

e.warmte;

f.riool.

4De onderlinge afstand tussen kabels en/of leidingen is minimaal 0,25 m.

5De afstand vanaf de perceelsgrens tot aan de eerste discipline is minimaal 0,25 m.

6In bermen langs wegen moet de afstand van de ligging van de kabels en/of leidingen tot aan de verharding ten minste gelijk zijn aan de diepteligging ervan.

7Distributie- en/of mutatiepunten mogen niet aangebracht worden in rijbanen, parkeerplaatsen, uitwegen, op kruisingen, ter plaatse van de in- en uitritten van percelen, binnen een afstand van 3,00 m vanaf bomen en (tenzij het vanwege netwerk technische redenen niet anders kan) in kabel- en leidingtracés. De distributie- en/of mutatiepunten dienen bij voorkeur geplaatst te worden in voetpaden, bermen of groenvoorzieningen.

8Bij de bepaling van het tracé moet rekening gehouden worden met bestaande bovengrondse bomen of andere groenvoorzieningen, zie de bomenposter in bijlage 10.1.

7.2.3. Uitgangspunten verticale ligging

1Kabels en leidingen hebben tot bovenkant maaiveld de volgende afstand bij:

a.telecommunicatie: 0,60 m vanaf onderkant kabel;

b.water <200mm: 0,85 m vanaf bovenkant buis;

c.water >200mm: 01,00 m vanaf bovenkant buis;

d.gas: 0,85 m vanaf bovenkant buis;

e.elektra ls: 0,60 m vanaf onderkant kabel;

f.elektra ms: 0,90 m vanaf onderkant kabel;

g.warmteleiding: 1,00 m vanaf bovenkant buis;

h.Riool: 1,20 m vanaf bovenkant buis of afhankelijk van het verval van de leiding bij vrijvervalleiding.

2Indien kabels en leidingen elkaar kruisen

–distributiekabels en/of -leidingen liggen ondieper dan transportleidingen;

–vrijvervalleidingen hebben voorrang op drukleidingen;

–bij kruisingen van kabels en/of leidingen bedraagt de onderlinge tussenruimte (verticale afstand) tenminste 0,20 m;

3Er moet een strook tussen 0,60 m -mv en 0,85 m -mv vrijgehouden worden in verband met kruisende vrijverval rioolaansluitingen.

Deze regeling wordt aangehaald als: Handboek kabels en leidingen Barendrecht.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.