Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,
gelet op hoofdstuk 7 van het Besluit omgevingsrecht de volgende regeling vast te stellen:
Beleidsregels over de uitvoering van de vergunnings-, toezichts- en handhavingstaken in de fysieke leefomgeving
Deel 1: Kennismaking
Hoofdstuk 3 - Gedoogstrategie
Artikel 1
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 2
Deze regeling wordt aangehaald als VTH Beleid Fysieke Leefomgeving 2024.
Bijlage 1 – Beleidsregels woningkwaliteit
Inleiding
De Omgevingswet en het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) bieden burgemeester en wethouders bestuurlijk- juridische instrumenten om de eigenaar of verhuurder ertoe te zetten de kwaliteit van de woning op voldoende peil te krijgen en te houden. Tegelijkertijd biedt de wet de eigenaar bescherming tegen al te grote inbreuken op het eigendomsrecht. De gemeente heeft beleidsvrijheid om te bepalen op welke wijze zij gebruikt maakt van de wettelijke instrumenten.
Uitgangspunten Beleidsregels woningkwaliteit
De uitgangspunten voor de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad zijn:
•Wij gaan ervan uit, dat de kwaliteit van een woning mag nadat die is gebouwd conform de regelgeving niet substantieel mag verslechteren;
•Wij willen de eigenaar die zijn pand goed heeft onderhouden slechts in uitzonderlijke gevallen verplichten tot kostbare investeringen om de woning te verbeteren;
•Wij willen voorkomen dat heel slechte woningen aan de woningvoorraad worden toegevoegd.
In beginsel herstel op oorspronkelijk niveau
Bij problemen of klachten over onderhoud of gebreken schrijven wij de eigenaar aan om zaken te herstellen op het oorspronkelijke niveau. Dit betekent bijvoorbeeld dat een binnendeur van 80 cm bij 2,20 m kan die niet meer kan worden geopend of gesloten kan worden als gevolg van defecte scharnieren of een gebroken of gescheurde deurstijl aan de hangzijde bij het herstellen niet ineens hoeft te voldoen aan de nieuwbouwmaten van 85 cm bij 2,30 m. Echter, een herstelling die leidt tot een versmalling van de deur tot bijvoorbeeld tot 60 cm is niet toegestaan, omdat dit leidt tot aantasting van het rechtens verkregen niveau.
In uitzonderlijke gevallen verbetering
In bepaalde gevallen is het echter nodig om van hoofdlijn af te wijken en aan te schrijven tot verbetering (tot een niveau dat boven het rechtens verkregene uitgaat). Dit is het geval:
•Bij een verminderde zelfredzaamheid van bewoners, of als de aard van de bewoning bijzondere veiligheidsrisico’s met zich meebrengt (bijvoorbeeld kamerverhuur);
•Bij onvoldoende doorvalbeveiliging;
•Bij het ontbreken van een rookmelder (1 per bouwlaag);
•Als een goed bereikbare toiletruimte, badruimte of keuken ontbreekt;
•Bij onvoldoende energiezuinigheid. Dit onder de voorwaarden dat te treffen voorzieningen kosteneffectief zijn, bij klachten of bij een buurt- of complexgewijze aanpak. Er is in de regel sprake van een kosteneffectief voorzieningenpakket als de meerkosten van dit pakket zich binnen ongeveer 25 jaar terugverdienen door lagere onderhouds- en energiekosten.
Transformatie naar woningen
Daarnaast zien de beleidsregels toe op het wijzigen van de functie van een gebouw naar één of meer woonfuncties. Wordt bijvoorbeeld in een bedrijfshal een woning gemaakt dan geldt zonder een door de gemeente opgelegde aanschrijving (“maatwerkvoorschrift”) in veel gevallen de ondergrens voor de bewoonbaarheid als rechtens verkregen niveau: wel een toilet, maar geen badruimte en in veel gevallen ook geen bescherming tegen geluid, niet meer dan een halve m2 daglichtoppervlakte, geen isolatie (dat wil zeggen geen bescherming tegen hoge energiekosten), geen bescherming tegen inbrekers, etc.
In de meeste gevallen kiezen ontwikkelaars voor een voldoende kwaliteit van de nieuwe woningen op een zo hoog mogelijk niveau, maar we zien ook free-rider gedrag van partijen onvoldoende kwaliteit leveren. De beleidsregels zijn bedoeld om te voorkomen dat heel slechte woningen aan de woningvoorraad worden toegevoegd. Bij transformatie van gebouwen naar woningen onderzoeken wij voortaan actief of een aanvullende aanschrijving noodzakelijk is. De samenhang tussen de bevoegdheid tot aanschrijving en de bevoegdheid tot verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen is in 2020 door het Rijk in de bouwregelgeving verduidelijkt. De beleidsregel over transformatie naar woningen is op die verduidelijking gebaseerd.
Beleidsregels woningkwaliteit
Artikel 1 Definitie
Rechtens verkregen niveau: het niveau dat het gevolg is van de toepassing op enig moment van de relevante op dat moment van toepassing zijnde technische eisen en dat niet lager ligt dan het niveau van dezelfde voorschriften voor een bestaand bouwwerk (het absolute minimumniveau uit hoofdstuk 3 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) en niet hoger dan het niveau van de desbetreffende voorschriften voor een te bouwen bouwwerk (het nieuwbouwniveau uit hoofdstuk 4 van het Bbl).
Artikel 2 Uitgangspunt bij bestaande woningen
1Burgemeester en wethouders hanteren als uitgangspunt dat als een woning eenmaal conform de regelgeving is gebouwd, de kwaliteit ervan niet substantieel achteruit mag gaan. Zij beschouwen in dat opzicht het terugbrengen of laten brengen van de kwaliteit van de woning tot aan het rechtens verkregen niveau als deugdelijk motief om noodzakelijke voorzieningen in een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.7 van het Besluit bouwwerken leefomgeving verplicht te stellen.
2Burgemeester en wethouders gaan in hun onderzoek naar de staat van bestaande woningen daarenboven na of de volgende voorzieningen naar hun oordeel noodzakelijk zijn:
a.voorzieningen ter opheffing van gebreken als bedoeld in het Gebrekenboek Huurcommissie;
b.voorzieningen om de veiligheid van de bewoners te waarborgen in geval
1°er sprake is van een verminderde zelfredzaamheid van bewoners; of
2°de aard van de bewoning bijzondere veiligheidsrisico’s met zich meebrengt;
c.voorzieningen tot:
1°het maken van een bereikbare toiletruimte;
2°het maken van een bereikbare badruimte;
3°het maken van een bereikbare keuken;
4°het maken van een doorvalbeveiliging;
5°het plaatsen van rookmelders;
d.voorzieningen die zien op de energieprestatie van de woning of het woongebouw, waaronder:
1°kosten optimale of kosteneffectieve verbetering van de energieprestatie, voor zover er voor een dergelijke verbetering een redelijk potentieel is. Artikel 6.29, tweede lid van het Besluit bouwwerken leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de onderbouwing van het maatwerkvoorschrift;
2°kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van airconditioningsystemen, stookinstallaties en verwarmingssystemen op grond van aanbevelingen die door een Stichting SCIOS gecertificeerd bedrijf in een keuringsverslag zijn aanbevolen.
Artikel 3 Transformatie naar woningen
1Burgemeester en wethouders onderzoeken onverminderd het bepaalde in artikel 5.7 Bbl in geval een bestaand gebouw dan wel een gedeelte van een bestaand gebouw, dat laatstelijk niet als woning werd gebruikt, als woning in gebruik wordt genomen of dat gebouw in verband met de nieuwe woonfunctie noodzakelijk voorzieningen behoeft als bedoeld in artikel 3.7, vierde lid van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Zij gaan daarbij in beginsel uit van het rechtens verkregen niveau. Zij stellen die voorzieningen verplicht in een maatwerkvoorschrift.
2In afwijking van het eerste lid wordt voor de hierna genoemde aspecten uitgegaan van de volgende prestatieniveaus:
a.de hoogte van een afscheiding: het in artikel 4.21 Bbl aangegeven prestatieniveau;
b.beperking van uitbreiding van brand: de in paragraaf 4.2.8 bedoelde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van ten minste 30 minuten, of het rechtens verkregen niveau als dat hoger is;
c.verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook: het in artikel 4.62, vierde lid Bbl aangegeven prestatieniveau. Dit geldt ook voor een beschermde route;
d.vluchten bij brand: het in artikel 4.218, eerste en vierde lid, Bbl aangegeven prestatieniveau;
e.inbraakwerendheid: het in § 4.2.16 Bbl aangegeven prestatieniveau;
f.bescherming tegen geluid van bouwwerkinstallaties: het in de artikelen 4.107, eerste lid, en 4.108, eerste en tweede lid Bbl aangegeven prestatieniveau, waarbij wordt uitgegaan van een niveau van eisen dat 10 dB lager is dan het in de artikelen 4.107, eerste lid, en 4.108, eerste en tweede lid, Bbl aangegeven prestatieniveau, of van het rechtens verkregen niveau als dat hoger is;
g.bescherming tegen geluid van buiten: het in § 4.3.1 Bbl aangegeven prestatieniveau, voor zover er zonder de uitwendige scheidingsconstructie geheel te vernieuwen voor een verbetering een redelijk potentieel is ten opzichte van dit prestatieniveau;
h.geluidwering tussen ruimten: het in § 4.3.4 Bbl aangegeven prestatieniveau, voor zover er voor een verbetering een redelijk potentieel is ten opzichte van dit prestatieniveau;
i.luchtverversing: de in de artikel 4.122 en 4.131 Bbl aangegeven prestatieniveaus;
j.afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht: de in de artikelen 4.135 tot en met 4.137 Bbl aangegeven prestatieniveaus;
k.verblijfsgebied en verblijfsruimte: het in artikel 4.163 en 4.164, eerste tot en met derde lid, Bbl aangegeven prestatieniveau en een hoogte boven de vloer van een verblijfsgebied en een verblijfsruimte, een hoogte van ten minste 2,1 m;
l.badruimte: het in artikel 4.168, eerste lid en artikel 4.170 eerste en tweede lid Bbl aangegeven prestatieniveau en een hoogte boven de vloer van een verblijfsgebied en een verblijfsruimte, een hoogte van ten minste 2,1 m;
m.energiezuinigheid: het prestatieniveau dat volgt uit het uitvoeren van:
1°kosten optimale of kosteneffectieve verbetering van de energieprestatie, voor zover er voor een dergelijke verbetering een redelijk potentieel is. Artikel 6.29, tweede lid van het Besluit bouwwerken leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de onderbouwing van het maatwerkvoorschrift;
2°kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van airconditioningsystemen, stookinstallaties en verwarmingssystemen op grond van aanbevelingen die door een Stichting SCIOS gecertificeerd bedrijf in een keuringsverslag zijn aanbevolen;
n.algemeen: wanneer de nieuwe woonfunctie bij beschouwing van de voorschriften op zich zelf weliswaar niet in strijd is met de voorschriften voor de bestaande bouw maar in samenhang met elkaar toch een gevaarlijke of onbruikbare situatie oplevert: het in hoofdstuk 4 Bbl opgenomen prestatieniveau.
3Het toepassen van het tweede lid is technisch gezien, niet altijd mogelijk en staat bovendien, financieel gezien, niet altijd in redelijke verhouding tot het resultaat daarvan. Om die redenen moet van geval tot geval worden afgewogen of een lager niveau aanvaardbaar is.
Artikel 4 Verhouding tot de Huisvestingswet 2014 en het omgevingsplan
Voor zover er op grond van de Huisvestingswet of het omgevingsplan van deze beleidsregels afwijkende kwaliteitseisen zijn gesteld, nemen burgemeester en wethouders die afwijkende eisen in acht.
Artikel 5 Overgangsregeling
Tot het tijdstip waarop de Omgevingswet werking is getreden verwijzen Burgemeester en wethouders in hun besluiten naar de vigerende bepalingen in overeenstemming met de transponeringstabellen die in de nota van toelichting op het Invoeringsbesluit Omgevingswet (Stb. 2020, nr. 400) zijn opgenomen.
Toelichting
1Algemeen
De Omgevingswet en het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) bieden burgemeester en wethouders bestuurlijk- juridische instrumenten om de eigenaar of verhuurder ertoe te zetten de kwaliteit van de woning op voldoende peil te krijgen en te houden. Tegelijkertijd biedt de wet de eigenaar bescherming tegen al te grote inbreuken op het eigendomsrecht.
1.1. Handhaving bij onderschrijding van de ondergrens voor de bewoonbaarheid (artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a Ow)
In hoofdstuk 3 van het Bbl zijn voorschriften over bestaande woningen gegeven. Dit is de absolute kwalitatieve ondergrens voor bewoning, het afkeurniveau. Bij een lager kwaliteitsniveau is de woning onbewoonbaar. Onderschrijding van dit niveau vormt een overtreding waartegen direct met toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom kan worden opgetreden. In het uiterste geval kunnen burgemeester en wethouders het gebruik van de woning doen staken. Deze absolute kwalitatieve ondergrens heeft voor de woningkwaliteit echter beperkte betekenis. Het kwaliteitsbeleid voor bestaande woningen krijgt vooral vorm door toepassing van de bevoegdheid om op grond van artikel 3.7 van het Besluit bouwwerken leefomgeving redelijke eisen te stellen aan de woningkwaliteit die het niveau van de onbewoonbaarheid te boven gaan.
1.2. Het verplichten tot het treffen van noodzakelijke voorzieningen (artikel 3.7 Bbl in samenhang met de bouwwerkregels in hoofdstuk 3 en 4 van het Bbl)
Op grond van artikel 3.7 van het Bbl kunnen burgemeester en wethouders een verplichting opleggen om voorzieningen te treffen als deze voorzieningen naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk zijn. Dat kan tot aan het kwaliteitsniveau dat voor nieuwbouw is vereist. Van zo’n noodzaak kan bijvoorbeeld sprake zijn in het geval de woning na realisatie of verbetering in kwaliteit door achterstallig onderhoud substantieel achteruit is gegaan. Of in geval de woning niet voldoet aan de eisen destijds, bijvoorbeeld omdat een badruimte ontbreekt. Zo’n besluit tot het opleggen van een verplichting heet een “maatwerkvoorschrift”, maar wordt in de uitvoeringspraktijk “aanschrijving” genoemd.
1.3. Handhaving van de zorgplicht (artikel 3.7 in samenhang met artikel 3.5 Bbl)
Als wordt voldaan aan alle bouwwerkregels van het Bbl kan er toch nog sprake zijn van gevaar voor de veiligheid of de gezondheid. Dat is bijvoorbeeld het geval als sanitaire of keukenvoorzieningen niet meer functioneren. Het Bbl schrijft alleen de aanwezigheid van een badruimte, toiletruimte en een ruimte voor een keuken voor, maar stelt geen kwaliteitseisen aan het sanitair en het aanrecht. De woningeigenaar kan dan op grond van de zorgplichtbepaling worden aangesproken om toch goed, in verband met de gezondheid, werkende voorzieningen aan te brengen. Een ander voorbeeld is als de drinkwaterinstallatie loodverontreiniging veroorzaakt. De eigenaar kan dan door de gemeente worden aangeschreven om de loden leidingen te vervangen, ook al schrijft het Bbl dit niet voor. De zorgplicht fungeert als vangnet in situaties waarin de concrete bepalingen de veiligheid of de gezondheid van bewoners onvoldoende beschermen.
1.4. Uitgangspunt voor het kwaliteitsbeleid van bestaande woningen
Het kwaliteitsbeleid voor bestaande woningen berust op drie pijlers:
•Het kwaliteitsniveau dat van toepassing was bij het bouwen van de woning en bij latere verbouwingen is uitgangspunt voor de te handhaven kwaliteit. Het beginsel van verworven rechten staat centraal. Dit houdt in dat bestaande woningen zoveel mogelijk worden ontzien wanneer bestaande technische eisen worden aangescherpt of nieuwe eisen worden geïntroduceerd (kwaliteit op het rechtens verkregen niveau, artikel 2, eerste lid);
•In bijzondere gevallen moet het beginsel van verworven rechten van de eigenaar van de woning wijken voor het belang van voldoende woonkwaliteit voor de bewoners. Dan gaat het om de in artikel 2, tweede lid genoemde voorzieningen in het belang van de veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en energieprestatie van de woning;
•Wanneer in een concreet geval de bouwregelgeving onvoldoende het gevaar voor de gezondheid of de veiligheid afdekt, wordt de eigenaar van de woning aangesproken op de zorgplicht als bedoeld in artikel 1.5 Bbl, bijvoorbeeld in geval de sanitaire voorzieningen in de woning niet meer werken.
2Actief en passief beleid
Er is een onderscheid tussen het passief en het actief aanschrijfbeleid. Bij een passief beleid komt de gemeente pas in actie na een klacht van een bewoner of een andere belanghebbende. Op basis van deze klacht wordt er eventueel geïnspecteerd en aangeschreven. Bij een actief beleid neemt de gemeente het initiatief. Als de kwaliteit van de woningkwaliteit in een bepaalde buurt of wijk onder druk staat kan de gemeente een programma om een betere woningkwaliteit te bereiken, waarbij het aanschrijvingsinstrument actief wordt ingezet. Ook is een thematische aanpak mogelijk, bijvoorbeeld rond de funderingsproblematiek of in het kader van het beleid om bestaande woningen te isoleren en/of aardgasvrij te maken. Het vaststellen van dergelijke programma’s gebeurt in aparte besluiten en maakt geen deel uit van deze beleidsregels.
3Transformatie (al dan niet in samenloop met een aanvraag voor een omgevingsvergunning)
Daarnaast zien deze beleidsregels op het wijzigen van de functie van een bouwwerk naar één of meer woonfuncties. Wordt bijvoorbeeld in een bedrijfshal een woning gemaakt dan geldt zonder een door de gemeente opgelegd maatwerkvoorschrift in veel gevallen de ondergrens voor de bewoonbaarheid: wel een toilet, maar geen badruimte en in veel gevallen ook geen bescherming tegen geluid, niet meer dan een halve m2 daglichtoppervlakte, geen isolatie (dat wil zeggen geen bescherming tegen hoge energiekosten), geen bescherming tegen inbrekers, etc. Bij wijziging van de gebruiksfunctie van een bouwwerk of een gedeelte daarvan naar een woonfunctie wordt voortaan door de gemeente actief onderzocht of een aanvullend maatwerkvoorschrift noodzakelijk is.
De samenhang tussen de bevoegdheid tot aanschrijving en de bevoegdheid tot verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen is in 2020 door het Rijk verduidelijkt. Een op grond van artikel 1.7 Bbl opgelegd maatwerkvoorschrift kan onderdeel uitmaken van de eisen waar men bij verbouw van een bouwwerk aan moet voldoen. De verplichting hiertoe volgt rechtstreeks uit de aanschrijving (“maatwerkvoorschrift”) die gedaan is.
2Artikelsgewijs
Artikel 1 (definitie rechtens verkregen niveau)
De definitie is ontleend aan de Nota van toelichting van het Bbl.
Artikel 2 (Uitgangspunt bij bestaande woningen)
Eerste lid (de kwaliteit mag niet substantieel achteruitgaan)
Burgemeester en wethouders gaan bij het woningkwaliteitsbeleid uit van het beginsel van verworven rechten (rechtens verkregen niveau). Dit houdt in dat bestaande woningen zoveel mogelijk worden ontzien wanneer bestaande technische eisen in de bouwregels worden aangescherpt of nieuwe eisen worden geïntroduceerd. Van de andere kant mag, als een woning eenmaal conform de regelgeving is gebouwd, de kwaliteit ervan niet substantieel achteruitgaan. Dit betekent dat het onderhoud zodanig moet zijn dat de woning haar oorspronkelijke functie met het oog op veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu kan blijven vervullen.
Tweede lid (aanschrijving tot verbetering)
Er doen zich situaties voor waarbij het beginsel van verworven rechten moet wijken voor het belang van voldoende woonkwaliteit voor de bewoners. In dat geval is het mogelijk een aanschrijving uit te brengen, die boven het rechtens verkregen niveau uitgaat. Vanwege de inbreuk op de verworven rechten moet die aanschrijving toegesneden op het geval deugdelijk worden gemotiveerd.
Onderdeel a (Gebrekenboek)
De Huurcommissie kan bij geconstateerde gebreken een tijdelijke huurverlaging vaststellen. Zij kan de eigenaar niet dwingen om de gebreken te verhelpen.
Dat is de taak van burgemeester en wethouders (via het bouw- en woningtoezicht door de stadsdelen en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied). De Huurcommissie gebruikt het Gebrekenboek bij de beoordeling of er sprake is van gebreken die tot een tijdelijke huurverlaging moeten leiden. Het bepaalde onder a. voorziet in de afstemming van het aanschrijfbeleid van burgemeester en wethouders op het beleid van de Huurcommissie. Dit is met name van belang voor zover het beleid van de Huurcommissie uitgaat van een niveau dat hoger is dan het niveau dat overeenkomt met de voorschriften over bestaande bouw in het Bbl. Zo worden aan de geluidsisolatie (geluidsoverdracht) bij bestaande bouw geen eisen gesteld. Voor de beoordeling wordt in het Gebrekenboek een correctie toegepast, op de voor nieuwbouw geldende eisen.
Een beperkt aantal in het Gebrekenboek genoemde gebreken kan niet worden aangeschreven, omdat de aanschrijving niet kan worden gebaseerd op artikel 3.7 van het Bbl. Dat is bijvoorbeeld het geval bij scheefstand van de woning, omdat daar in de bouwregelgeving geen eisen voor gelden.
Onderdeel b (veiligheidsvoorzieningen)
Het bepaalde onder b. ziet toe op situaties waarbij een bepaald gebruik (bijvoorbeeld wonen met zorg of kamerverhuur) bepaalde bouwkundige of gebouw gebonden installatietechnische voorzieningen uit oogpunt van veiligheid noodzakelijk zijn.
Tabel 1 Voorbeelden bijzondere veiligheidsrisico's
Bewoners: wel zelfredzaam (artikel 2, tweede lid onder b, onderdeel 1°)
•Studentenhuis
•Internaat
•Kamerverhuurbedrijf
•Opvang voor asielzoekers
•Klooster
Bewoners: minder of niet zelfredzaam (artikel 2, tweede lid onder b, onderdeel 2°)
•Woonzorggebouw
•Seniorencomplex (collectieve huisvesting van oudere mensen)
•Gezinsvervangend tehuis
•Internaat (leeftijd bewoners < 16 jaar)
Onderdeel c (wooncomfort, doorvalbeveiliging en rookmelders)
Het bepaalde onder c, onderdelen 1 tot en met 3 is van toepassing op woningen waarbij er sprake is van een gebrek aan wooncomfort waarbij voorzieningen die naar de huidige opvattingen in een goed bewoonbaar huis thuishoren, ontbreken (zoals een badruimte). De aanschrijving tot het treffen van voorzieningen wordt in dat geval uitgebracht uit het oogpunt van gezondheid en bruikbaarheid.
Het aanschrijfbeleid is op twee punten scherper dan het beleid dat volgt uit het Gebrekenboek. Een wastafel (niet zijnde een bad of een douche) wordt niet aangemerkt als voldoende badruimte in de zin van het Bbl. Daarnaast is de eis van voldoende bereikbaarheid van de voorzieningen toegevoegd. Dat betekent dat bijvoorbeeld een toilet binnen de woonruimte of het woongebouw aanwezig moet zijn (dus niet in een bijgebouw op het erf).
Het aanbrengen van een doorvalbeveiliging als bedoeld in onderdeel 4 is bij een lage borstwering noodzakelijk. Aangezien de kosten van zo’n voorziening (een stang, buis of hekwerk) in de meeste gevallen beperkt, kan een aanschrijving worden gerechtvaardigd. Sinds 1 juli 2021 is geregeld dat bestaande woningen op iedere bouwlaag moeten beschikken over een rookmelder.
Onderdeel d (energiezuinigheid)
In pijler 4 van de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 (energiezuinig maken van woningen, maart 2020) is afgesproken dat wordt onderzocht of wetgeving en gemeentelijke bevoegdheden kunnen worden ingezet om energiebesparing af te dwingen. Deze beleidsregels geven daaraan mede uitvoering. Het aanschrijvingsinstrument kan met name nodig zijn in het kader van de warmtetransitie (aardgasvrije wijken en buurten).
De mogelijkheid om aan te schrijven tot het verbeteren van de energiezuinigheid is sinds eind jaren 90 in de Woningwet opgenomen. Het ging aanvankelijk om met name genoemde voorzieningen: het thermisch isoleren van de uitwendige scheidingsconstructies (met inbegrip van de scheiding met de kruipruimte) en het vervangen van een verwarmingsketel door hoogrendementsketel als de bestaande verwarmingsketel ten minste tien jaren oud is. Los daarvan kan de rechter op grond van artikel 243 van het Burgerlijk Wetboek boek 7 op verzoek van de huurder langs privaatrechtelijke weg bepalen dat de verhuurder verplicht is deze verbeteringen op eigen kosten aan te brengen.
In 2007 is de Woningwet vereenvoudigd in de zin dat de voorzieningen ter verbetering niet meer expliciet in de wet worden genoemd, maar deel uitmaken van een generieke aanschrijfbevoegdheid om “noodzakelijke” verbeteringen te eisen. Het artikel in het Burgerlijk Wetboek is ongewijzigd gebleven. Het bepaalde onder d. geeft aan dat een verplichting kan worden opgelegd tot het treffen van energiebesparende voorzieningen. In de systematiek en de terminologie is aangesloten bij de regels over het energielabel en de regels over airconditioningsystemen, stookinstallaties en verwarmingssystemen.
De gevraagde voorzieningen moeten technisch haalbaar zijn gebaseerd op een raming van de terugverdientijden of kostenvoordelen. De voorzieningen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op ingrijpende renovatie van de bouwschil of technische bouwsystemen. Ook zijn maatregelen voor individuele onderdelen van een gebouw mogelijk zonder dat er sprake is van een ingrijpende renovatie.
Het kan ook om de energiebesparende voorzieningen als omschreven in artikel 243, tweede lid van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek gaan, namelijk:
•Het thermisch isoleren van de uitwendige scheidingsconstructies (de “bouwschil”);
•Het thermisch isoleren van de constructie die de scheiding vormt met de kruipruimte;
•Het ten behoeve van de verwarmingsinstallatie plaatsen van een verwarmingsketel met een opwekkingsrendement van ten minste 80%, indien de bestaande verwarmingsketel ten minste tien jaren oud is.
De norm van een opwekkingsrendement van ten minste 80% voor een verwarmingsketel is een ondergrens. Het Nationaal Expertisecentrum Warmte heeft in 2014 een veldtest laten uitvoeren op 100 verschillende cv-ketels. Uit deze veldtest komt een rendement van 94% als opwekrendement voor ruimteverwarming naar voren.
Woonlastenneutraliteit
Bij het eisen van deze voorzieningen geldt het beginsel van de woonlastenneutraliteit. De investering moet zich kunnen terugverdienen in een vermindering van de energielasten. Als dat niet het geval is, kan de gemeente toch een aanschrijving uitbrengen als het nadeel met subsidie wordt gecompenseerd.
In welke gevallen zal naar verwachting gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid om aan te schrijven tot verbetering van de energiezuinigheid? Te voorzien valt dat het instrument in de komende jaren gebruikt zal worden in de volgende gevallen:
•Als er grote investeringen nodig zijn om achterstallig onderhoud weg te werken. Dan is het redelijk om ook de energiezuinigheid te verbeteren.
•In schrijnende situaties waarbij de energiekosten als gevolg van onvoldoende besparing wel heel erg eenzijdig op de verhuurder worden afgewenteld.
•Als ultieme remedie in het kader van de aanpak om te komen tot aardgasvrije wijken en buurten. Dit om woningen geschikt te maken om aan te sluiten op warmte.
Artikel 3 (transformatie naar woningen)
Eerste lid (transformatie)
Een bouwwerk dat na functieverandering voldoet aan de voorschriften voor bestaande bouw voor de woonfunctie kan worden gewijzigd in een woonfunctie zonder dat hoeft te worden verbouwd. Het kan ook zijn dat bij de transformatie slechts in beperkte mate vergunningplichtige bouwwerkzaamheden van toepassing zijn en dat de meeste onderdelen ongewijzigd blijven. Burgemeester en wethouders gaan in bij transformatie uit eigen beweging na of aanvullende voorzieningen nodig zijn. Zij gaan daarbij uit van het rechtens verkregen niveau, tenzij op grond van artikel 5.7 Bbl (wijziging van een gebruiksfunctie) een hoger eisenniveau is aangegeven (bescherming tegen weg-, spoorweg- of industriegeluid, verplichte rookmelder etc).
Let op: als het kwaliteitsniveau van het te transformeren bouwwerk hoger ligt dan het minimum kwaliteitsniveau voor de woningen, dan geldt dat hogere kwaliteitsniveau als het rechtens verkregen niveau. Zo mag bijvoorbeeld het daglichtniveau van nieuwe verblijfsgebieden, niet lager zijn dan het toegestane daglichtniveau van de bestaande verblijfgebieden in het bouwwerk.
Tweede lid (prestatieniveaus boven rechtens verkregen niveau)
Bij een aantal aspecten geldt in afwijking van het eerste lid een hoger met name genoemd prestatieniveau bij het treffen van de voorzieningen. Het gaat dan om: de hoogte van een afscheiding (onderdeel a), beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook (b en c), vluchten bij brand (d), bescherming tegen geluid van bouwwerkinstallaties (f), bescherming tegen geluid van buiten(g), geluidwering tussen ruimten (h), luchtverversing (i), afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht (j): voldoende omvang verblijfsgebied en verblijfsruimte (k), badruimte en energiezuinigheid (m).
Met het bepaalde onder de letter n worden restrisico’s afgedekt. Toepassing van de absolute ondergrens (de regels over bestaande bouw) biedt niet altijd voldoende garantie voor de veiligheid of de bruikbaarheid. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer een vluchtweg nauwelijks voldoet aan de minimum stahoogte en aan de maximale lengte. De mogelijkheid om te vluchten is afhankelijk hoeveel rook een ruimte kan bufferen voordat vluchtende mensen door de rook moeten. Een rookbuffer zorgt ervoor dat men binnen een bepaalde tijd veilig kan vluchten. Als de vluchtweg zowel qua hoogte als qua lengte slechts aan de minimumeisen voldoet is het vluchten niet meer mogelijk omdat de rookbuffer dan te klein is. Een langere vluchtweg dan de nieuwbouweis aangeeft kan wel aanvaardbaar zijn in geval de hoogte van de vluchtweg zorgt voor een voldoende rookbuffer.
Afmetingen van nieuwe woningen in bestaande bouw
De minimum vloeroppervlakte aan niet gemeenschappelijke verblijfsruimte die in een bestaande woning aanwezig moet zijn, is geringer dan de minimum vloeroppervlakte aan verblijfsgebied die in een nieuwbouwwoning aanwezig moet zijn.
Uitgangspunt voor het aanschrijfbeleid in ander k, is dat een bestaand gebouw of gebouwgedeelte dat voorheen niet als woning werd gebruikt, gaat voldoen aan het nieuwbouwvoorschrift. Dit komt erop neer dat een woning voor studenten ten minste 15 m2 en andere woningen 18 m2 vloeroppervlakte aan verblijfsgebied moeten hebben. Dit is absoluut minimum om voor het wonen kenmerkende activiteiten te kunnen verrichten.
Artikel 4 Verhouding tot de Huisvestingswet 2014 en het omgevingsplan
Ook op grond van de Huisvestingswet en het omgevingsplan kunnen eveneens kwaliteitseisen aan woonfuncties worden gesteld. Voor zover artikel 2 en 3 van deze beleidsregels niet overeenstemmen met de voorschriften op grond van deze regels blijven deze artikelen buiten toepassing.
Artikel 5 Overgangsregeling
De omzetting van de bouwregelgeving naar het Bbl is grotendeels beleidsneutraal, dat wil zeggen dat er inhoudelijk weinig verandert. Voor de omzetting naar het Bbl zijn transponeringstabellen opgesteld. Daarin is steeds op artikelniveau aangegeven waar de oude bepalingen in het stelsel van de Omgevingswet terechtkomen. Vanwege de eenvoud is besloten om in de overgangsregeling te volstaan met een verwijzing naar deze tabellen.
Bijlage 2 – Meetwijzen woonboten en niet-varende bedrijfsvaartuigen
Voor woonboten en niet-varende bedrijfsvaartuigen worden twee verschillende meetwijzen gehanteerd.
Nautische toetsing
Voor de nautische toetsing van woonboten op grond van de Vob wordt de meetinstructie ‘Meten is Weten’ gehanteerd. Deze meetinstructie is staande praktijk en wordt al sinds 2005 gebruikt voor de ligplaatsvergunningen voor woonboten.
De meetinstructie ‘Meten is Weten’ is opgesteld door het projectbureau Wonen op het water. Dit projectbureau is in 2002 in opdracht van de toenmalige wethouder Waterbeheer van start gegaan. Het doel hiervan was het oplossen van een aantal langlopende knelpunten met betrekking tot de Amsterdamse woonboten. Alle stadsdelen hebben actief deelgenomen aan de diverse werkgroepen geïnitieerd door het projectbureau. Dit heeft geleid tot de zogenaamde gereedschapskist, die door de stuurgroep ‘Wonen op het water’ is vastgesteld en aangeboden aan de stadsdelen. De meetinstructie maakt onderdeel uit van deze gereedschapskist.
In de meetinstructie ‘Meten is Weten’ staan instructies over hoe te meten en vervolgens te omschrijven welke ‘extra voorzieningen en scheepsdetails’ zijn geconstateerd en hoe deze zijn bevestigd, zoals inklapbare stuurhutten, demontabele loopranden, boegsprieten, antennes en schoorstenen. Afhankelijk van het type voorziening of scheepsdetail en of het de lengte, breedte of hoogte van de woonboot betreft, worden deze voorzieningen of scheepsdetails wel of niet meegenomen in de maatvoering en / of apart genoteerd op de ligplaatsvergunning.
De meetinstructie ‘Meten is Weten’ is gehanteerd tijdens de nulmeting en voor het bepalen van de afwijkingen ten opzichte van het bestemmingsplan. Dit betekent dat alles wat aard- en nagelvast zit aan de woonboot meegenomen is, inclusief extra voorzieningen en scheepsdetails.
Ruimtelijke toetsing
Voor de ruimtelijke toetsing van woonboten wordt op grond van het Paraplubestemmingsplan Drijvende Bouwwerken een meetwijze gehanteerd die licht afwijkt van de meetinstructie ‘Meten is Weten’.
De hierboven genoemde extra voorzieningen en scheepsdetails zijn voor de ruimtelijke toetsing niet altijd van belang. Past een woonboot op grond van de nulmeting in het bestemmingsplan, dan zal dat over het algemeen zeker ook gelden indien de woonboot volgens de wijze van meten uit het bestemmingsplan was gemeten. Het paraplubestemmingsplan is beleidsarm. Dat wil zeggen dat de hierin opgenomen wijze van meten uitsluitend geldt als in moederplannen geen wijze van meten is vermeld.
Verschillen tussen de meetwijzen
Er zit een klein verschil tussen de twee meetwijzen. Dit betreft de meting van de hoogte: voor ruimtelijke toetsing wordt gemeten vanaf het waterpeil en voor nautische toetsing vanaf de kruiplijn. Het verschil in meetmethodiek is logisch en onvermijdelijk. Vanuit ruimtelijk perspectief is het van belang te beoordelen op basis van het ruimtelijk effect van de contouren van een woonboot (volume en zichtlijnen). Nautisch is het essentieel om te weten of een woonboot engtes en bruggen kan passeren. Zodoende kunnen er met name ten aanzien van de hoogte verschillen ontstaan.
Voor de volledigheid zijn beide meetwijzen in deze bijlage integraal opgenomen.
Constatering van een afwijking
In het verleden is bij het toetsen van een aanvraag voor een Vob-vergunning over het algemeen de meetinstructie ‘Meten is Weten’ gehanteerd. In de praktijk blijkt overigens dat er niet altijd consequent gemeten is na een gereedmelding. In dergelijke gevallen werden de maten zoals opgegeven in de aanvraag voor de ligplaatsvergunning één-op-één vermeld in de ligplaatsvergunning.
Voor het constateren van de afwijking is in dit kader het volgende van belang. Voor de maximale maatvoering wordt de volgende systematiek in het paraplubestemmingsplan gehanteerd:
1) Voor de maximaal toegestane hoogte, lengte en breedte verwijst het parapluplan naar de maatvoering zoals die in het moederplan is vastgelegd.
2) Als in het moederplan geen maatvoering in de regels is vastgelegd, maar de waterbeleidsregels gelden waarin maatvoering staan, dan gelden die maatvoeringen in de waterbeleidsregels.
3) Indien er ook geen waterbeleidsregels van kracht zijn op een woonboot, dan moet van de bestaande (legale uit de vergunning) maten worden uitgegaan.
Voor woonboten die al in een toekomstig plangebied lagen zijn over het algemeen in het overgangsrecht van het betreffende bestemmingsplan opgenomen.
Extra voorzieningen en scheepsdetails.
De typen extra voorzieningen en scheepsdetails en de voorwaarden waaraan deze elementen dienen te voldoen, zijn:
•Varende woonschepen:
○ Rondhout, berghoutstrip, boegspriet, kluivenboom, roerkoning, schoorsteen, davit, mast, antennes, roer, ankerlier, boordlicht, mastkoker, zwaard.
○ Eenvoudig demonteerbaar: relingwerk, hekwerk, stuurhut, koekoek, zonnepanelen, boilers, airco’s.
•Drijvende bouwwerken:
○ Dak doorvoer, afvoerkanaal, ventilatiekanaal, zonnepaneel, zonnecollector, warmtepomp, airco, boilers.
○ Eenvoudig demonteerbaar: relingwerk, hekwerk, looprand, luifel, zonnewering, afdakje, houten stootrand, afmeerbeugel/-ogen, buiten verlichting, regenpijp, dakgoot, lichtkoepel.
Er zijn criteria waaraan deze extra voorzieningen en scheepsdetails dienen te voldoen c.q. waarmee rekening gehouden moet worden. De extra voorzieningen en scheepsdetails zijn:
•in aard en omvang daadwerkelijk ondergeschikt t.o.v. het originele bouwwerk/woonschip;
•niet in strijd met de nota Welstand op het water;
•niet in strijd met beleidsregels in de diverse beleidsregels/richtlijnen woonboten van de stadsdelen;
•uitsluitend van toepassing op bestaande woonboten;
•niet in strijd met de Verordening op het binnenwater 2010.
Daarnaast moeten deze extra voorzieningen en scheepsdetails in de ligplaatsvergunning worden omschreven, om zodoende de feitelijke omvang van het woonschip/drijvend bouwwerk te benoemen.
Meetwijze paraplubestemmingsplan ‘Drijvende Bouwwerken’
In het paraplubestemmingsplan ‘Drijvende Bouwwerken’ zijn de volgende regels inzake de wijze van meten neergelegd.
2.1 De hoogte van een drijvend bouwwerk
De afstand gemeten vanaf het peil tot het hoogste punt van het bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte onderdelen zoals masten, schoorstenen, antennes, mastkoker en naar de aard daarmee gelijk te stellen onderdelen, mits de maximale toegestane bouwhoogte voor de ondergeschikte onderdelen met niet meer dan een meter wordt overschreden. Deze beperking geldt niet voor masten.
2.2 De breedte van een drijvend bouwwerk
De afstand gemeten daar waar de constructie van het bouwwerk, inclusief loopranden, stootranden, dakranden, zeemranden, goten en vergelijkbare constructies, het breedst is. Ondergeschikte delen die buiten de constructie steken, zoals zwaarden, fenders en eenvoudige demontabele voorzieningen, worden niet meegerekend.
2.3 De lengte van een drijvend bouwwerk
De afstand gemeten daar waar de constructie van het bouwwerk, inclusief loopranden, stootranden, dakranden, zeemranden, goten en vergelijkbare constructies, het langst is. Ondergeschikte delen die buiten de constructie steken, zoals rondhouten, roerbladen en boegsprieten en eenvoudig demontabele voorzieningen, worden niet meegerekend.
Meetinstructie ‘Meten in weten’
In de beleidsnotitie ‘Meten is weten’ (november 2005) zijn de volgende regels inzake de wijze van meten neergelegd.
Meten is weten
Inleiding
Vanuit het verleden is duidelijk dat de verrichte metingen van objecten te water niet altijd even eenduidig en duidelijk heeft plaatsgevonden. Dit heeft vooral zijn oorzaak in het feit dat gaandeweg allerlei extra complicaties en onvoorziene omstandigheden maakten dat telkens andere metingen nodig waren. Voorbeelden hiervan grootste lengte en breedte i.v.m. precario, wel of niet gangboord of balkon meemeten. In verband met de opname van gegevens in het rakbestand is het echter wel zaak om eenduidig te meten. Daarnaast worden door bezwaarschriftencommissie en rechters steeds hogere eisen gesteld aan de feitelijke situatie: "Hoe groot is dat vlot nou eigenlijk precies?" Het is dus echt van belang dat wij de feitelijke situatie zeker weten. Daarom deze meetinstructie.
Een belangrijke opmerking: in de meetinstructie kan natuurlijk nooit voor alle gevallen buiten een eenduidige oplossing worden voorgeschreven. In de praktijk komt immers een breed scala aan bouwsels etc. op of in het water voor. Bij twijfel moet ofwel deze twijfel worden gemeld bij de meting, ofwel eerst besproken in het nautisch overleg
Algemeen
Allereerst volgen hier algemene instructies, waarop eventueel in de categorieën uitzonderingen voor worden gemaakt.
1Vermijd gevaarlijke situaties, meet bijvoorbeeld niet op bij vrieskou i.v.m. mogelijk bevroren oppervlaktes of haal geen halsbrekende toeren uit om iets precies te meten.
2Maak een foto.
3Gebruik het meetformulier.
4Er moet altijd de grootste maat worden gemeten. Indien er bijvoorbeeld een grote looprand aan een ark zit, moet deze worden meegenomen voor de lengte. Er moet dan ook worden genoteerd hoe groot de loopband is. Elk object moet apart worden gemeten.
5Bij het meten moet altijd het meetlint worden gebruikt. Als dit niet mogelijk is, moet dit worden vermeld.
6Indien een maat door technische problemen niet goed is vast te stellen, moet dit gemeld worden op het formulier.
7Maak een schets van de situatie met alle malen erin beschreven. Schets hoeft niet op schaal, behalve als daar om gevraagd wordt.
8Tussenmaten moeten altijd worden vermeld op de tekening.
9Meten vanaf bruggen gaat als volgt: je zoekt naar de eerste doorvaartopening vanaf de walkant, vanaf hier wordt de afstand tot een brug gemeten.
Woonboten
Bij woonboten zijn vooral van belang: lengte, breedte en hoogte. Verder alle zaken die aan de woonboot vast zitten. Vastzitten betekent hier: door de constructie onverbrekelijk verbonden met de woonboot, bouten, scharnieren, beugels, starre verbindingsmaterialen.
-lengte:
lengte in rechte lijn meten met meetlint over de langste lengte van de woonboot. Dus stootranden, dakranden, goten worden mee gemeten, maar wel apart aangegeven. Loopranden: als deze deel uitmaakt van een betonnen bak van een ark, gewoon inclusief looprand; als de looprand apart is bevestigd op de betonnen bak (bijv. hout) dan wel grootste maat, maar apart meten en vermelden van voorziening. Voor schepen en vaartuigen exclusief roer en eventuele boegspriet. Deze maten moeten apart worden vermeld, want voor de ligplaats zijn deze onderdelen natuurlijk van belang. Hierbij ook weer aangeven of de extra voorziening of het scheepsdetail verwijderbaar/inklapbaar is.
-breedte:
breedte over de grootste breedte van de boot meten met meetlint, inclusief loopranden, gangboorden etcetera. Eventuele zwaarden kunnen apart worden gemeld. Balkons of andere aan een ark bevestigde onderdelen apart vermelden.
-hoogte:
hoogte wordt gemeten vanaf de waterlijn met meetlint. Hier geldt de kruiplijn. Dit is het gedeelte dat zonder echte afbraak van onderdelen van de boot uiteindelijk onder een brug door moet kunnen. Scheepsdetails zoals stuurhut, boeg, (gestreken) masten en roeven moeten apart worden gemeld. Tevens hierbij melden in hoeverre e.e.a inklapbaar of verwijderbaar is. Bij arken en vaartuigen geldt dat het hoogste punt van de kruiplijn bepalend is. Als er grote verschillen zijn bijvoorbeeld door een later aangebouwd gedeelte, dit ook vermelden. Schoorsteenpijpen, antennes en andere (makkelijk verwijderbare) onderdelen hoeven niet te worden mee gemeten of vermeld. Maar bijvoorbeeld een gemetselde schoorsteen moet wel worden mee gemeten en vermeld.
Voorzieningen
Voorzieningen zijn bijvoorbeeld vlotten, loopplanken, steigers, watertuinen en balkons. Deze moeten nauwkeurig worden gemeten en ingetekend. Van belang is ook de wijze van bevestiging: drijft het of zit het vast aan wal of boot en op welke wijze zit het dan vast? Eventuele opbouwen moeten ook worden gemeld met maten en wijze van bevestiging.
Ligplaatsen
(Lege) ligplaatsen moeten altijd worden gemeten over de grootste lengte. Indien er bijzondere omstandigheden zijn moet dit ook worden ingetekend en vermeld: bijvoorbeeld een in/uitspringende kademuur, zinker of walvoorziening. De totale aanwezige lengte moet worden vermeld, dus inclusief de in acht te nemen twee meter tussenruimte.
Toelichting op het signalerings/inventarisatieformulier
Op het signalerings/inventarisatieformulier moet zoveel mogelijk worden ingevuld. Eventuele verwijzingen zijn toegestaan (bijvoorbeeld bij eigenaar en gebruiker). In ieder geval moet de eigen waarneming duidelijk worden vermeld. Als de eigenaar gebruiker een verklaring afgeeft bijvoorbeeld over hoe lang het er al is of dat er op gewoond wordt en hoelang, moet dat onder “eigen verklaring gebruiker” worden ingevuld. Er is een modelformulier beschikbaar waarin de voorbeeldtekening is opgenomen en ook de cijfers staan aangegeven van de hieronder opgenomen toelichting
Toelichting:
1Hier moeten de eigen constateringen zo volledig mogelijk worden ingevuld. Waar eigen constatering niet mogelijk was, moet dit ofwel bij 2 worden aangegeven, ofwel duidelijk bij 1. Deze gegevens zijn voor de beleidsafdeling doorslaggevend.
2Hier moet de verklaring van de gebruiker worden weergegeven. Eventueel gebruik maken van een apart vel. Deze gegevens zijn relevant bij afweging van belangen door beleidsafdeling.
3Hier worden de hoofdmaten ingevuld van het betreffende vaartuig.
4Dit hoeft alleen ingevuld te worden voor schepen en vaartuigen
5Voorzieningen zijn allerlei extra's bij boten: loopplanken, vlotten, loopranden, kastjes, schuurtjes, etcetera.
6Hier moeten de maten van voorzieningen worden ingevuld. Als er sprake is van relevante scheepsdetails (bijvoorbeeld, ankerlier, boegspriet of zwaarden) kunnen deze hier worden vermeld. Tevens moet hier de wijze van bevestiging van voorzieningen worden vermeld.
7Bij de situatieschets moet zoveel mogelijk informatie worden gegeven over de feitelijke situatie. Hier moet ook de tussenruimte tussen vaartuigen en voorzieningen worden weergegeven.
8Hier kunnen alle verdere opmerkingen waar op het formulier geen ruimte voor is worden vermeld.
9Dit gedeelte alleen in te vullen door administratie.
Tekening
Bij deze meetinstructie is een modeltekening als voorbeeld opgenomen in het model signalerings/inventarisatieformulier. Hieruit is op te maken wat er allemaal in een tekening moet worden vermeld. Er moet kort gezegd zoveel mogelijk worden gemeten.
Procedure voor de herijking en inventarisatieformulieren
Door de buitendienst wordt een plan gemaakt voor het successievelijk nameten van de gegevens ten behoeve van het vullen van de Rakbase. In dat kader en ook in algemeen kader moet een procedure worden afgesproken voor de wijze van muteren van de gegevens
1Nametingen moeten door de buitendienstmedewerkers worden voorgelegd aan de (adjunct) nautisch inspecteurs, die beoordelen of de formulieren naar behoren zijn ingevuld.
2Vervolgens gaat een nameting direct naar administratie.
3De administratie slaat de gegevens op in het systeem en maakt aantekening op het formulier
4Het formulier gaat terug naar buitendienst die het opbergt in de kast met inventarisaties. Er wordt nog maar een map bijgehouden. De “oude" formulieren worden verwijderd.
5Indien (nieuwe) signaleringen worden opgemaakt ten tijde van een herijking, volgen deze de procedure van de signalering.
Procedure voor constatering
1Constateringen (voorheen signaleringen) moeten door de buitendienstmedewerkers worden voorgelegd aan de (adjunct) nautisch inspecteurs, die beoordelen of de formulieren naar behoren zijn ingevuld.
2Vervolgens gaat een signalering direct naar administratie.
3De administratie slaat de gegevens op in het systeem en maakt aantekening op formulier.
4Het formulier gaat in kopie terug naar buitendienst die het opbergen in de kast met Inventarisaties. Er wordt nog maar één map bijgehouden. De "oude" formulieren worden verwijderd.
5De oorspronkelijke signalering wordt vervolgens door administratie verspreid over de behandelende medewerkers beleidsafdeling. Nieuwe signaleringen worden niet meer in de signaleringenkast opgeborgen, maar gevoegd bij het dossier van de persoon/boot.
6Een en ander betekent dat opdrachten voor nameting of signalering ook niet meer rechtstreeks gaan, maar via de administratie. Op deze manier wordt zeker gesteld, dat signaleringen of metingen altijd via administratie gaan en dus ook worden veranderd in het systeem.
7Op de beleidsafdeling wordt iedere signalering direct binnen een week bekeken in hoeverre er actie nodig is. Dit betekent dus direct nagaan of zaak illegaal is of niet. Als de zaak niet direct hoeft of kan worden aangepakt wordt een standaardbrief geschreven waarin gemeld wordt dat de zaak illegaal is en dat we te zijner tijd wel in actie zullen komen. Hier moeten nog nadere procedure-afspraken over worden gemaakt.
Bijlage 3 – Richtlijnen dwangsommen
Inleiding
In deze bijlage zijn richtlijnen voor het opleggen van een dwangsom vastgelegd.
Afwijking van de richtlijnen voor de dwangsom
Van de hoogte van de dwangsom zoals vastgelegd in de richtlijnen kan gemotiveerd afgeweken worden. Hierbij wordt rekening gehouden met de volgende factoren:
•Het gedrag van de overtreder (zie Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht). De dwangsom moet voor de overtreder voldoende pressie geven om de overtreding op te heffen of te beëindigen.
•De (geschatte) kosten die de overtreder moet maken om de overtreding op te heffen; de dwangsom moet hoger zijn dan het door de overtreding door de overtreder behaalde (geschatte) financiële voordeel.
•Het wegnemen van ongerechtvaardigd voordeel dat de overtreder kan behalen met de overtreding.
•Het voorkomen van herhaling, beperking van schade en herstel in oorspronkelijke toestand.
•De bevestiging van normen gesteld in het belang van o.a. regelgeving en ruimtelijke ordening.
Begunstigingstermijn
In de richtlijn zijn ook begunstigingstermijnen opgenomen. Deze zijn - net zoals de bij de hoogte van de dwangsommen - indicaties. Er kan dus altijd, zij het gemotiveerd, worden afgeweken van de genoemde termijnen.
Uitgangspunt is hoeveel tijd nodig is om de overtreding te beëindigen (ABRvs 200904625/1). Daarbij geldt dat deze niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk om de overtreding te kunnen opheffen (ECLI:NL:RBMNE:2013:3750) en niet zo (onredelijk) lang dat het op gedogen gaat lijken (ABRvS 200405659/1 en ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ9264).
Invorderen dwangsom
Indien een dwangsom is verbeurd, gaat de gemeente in beginsel altijd over tot het invordering van de dwangsom. De gemeente houdt bij het invorderen van een verbeurde dwangsom rekening met bijzondere omstandigheden. De invordering wordt slechts gematigd of achterwege gelaten als (ECLI:NL:RVS:2018:1152):
•aan de last niet voldaan kon worden door overmacht;
•het niet (geheel) aan de last voldaan zijn mede aan de gemeente ligt, die bijvoorbeeld een onduidelijke last heeft opgelegd;
•de gemeente heeft toegezegd dat (deels) niet zal worden ingevorderd of een beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt;
•invordering misbruik van bevoegdheid zou zijn;
•materieel wel aan de last voldaan is en de gemeente zich op een procedureel punt(je) excessief formalistisch opstelt;
•invordering van het (volledige) dwangsombedrag, of samenloop van invorderingen, leidt tot een onevenredige schending van de financiële belangen van de overtreder, waardoor deze onredelijk lang op het bestaansminimum moet leven.
De beslissing tot matiging of afzien van invordering wordt zwaar gemotiveerd om precedentwerking te voorkomen.
Er wordt altijd bij invordering een voornemen gestuurd, waarbij de overtreder zienswijzen kan indienen. In voorkomende gevallen kan de gemeente een betalingsregeling aanbieden.
Stedelijke aanpak
Amsterdam hanteert een stedelijke aanpak bij bepaalde handhavingsprioriteiten. De dwangsommen en begunstigingstermijnen in een stedelijke aanpak kunnen afwijken van de richtlijn. Het beleid van de stedelijke aanpak prevaleert boven de richtlijn.
Verwijzing naar andere handhavings strategieën
Voor overtredingen van de APV, de Alcoholwet, de Wet op de kansspelen en de Verordening op de speelautomaten(hallen) zijn de volgende handhavingsstrategieën en de daarin genoemde dwangsomrichtlijnen van toepassing:
•Handhavingsstrategie Horeca en slijterijen (inclusief winkels) en Drank- en Horecawet, Amsterdam 2013.
•Handhavingsstrategie muziekgeluid horeca 2018, gemeente Amsterdam.
•Handhavingstrategie Escort - Gemeente Amsterdam.
•Handhavingsstrategie locatiegebonden prostitutiebedrijven en seksinrichtingen.
•Handhavingsstrategie speelgelegenheden en speelautomaten 2018.
Toelichting tabellen
De dwangsommen in de richtlijn zijn maximum bedragen. Het maximum bedrag hoeft niet altijd verbeurd te worden. Er kan gekozen worden om de dwangsom voor bijvoorbeeld de permanente bewoning van een recreatiewoning te stellen op een bedrag van € 1.500,-- per week zo lang de overtreding voortduurt. Het maximale bedrag van € 15.000,-- hoeft dan niet verbeurd te worden als de overtreding binnen 10 weken ongedaan wordt gemaakt.
Cumulatie van overtredingen
Per type overtreding is een indicatie gegeven voor de dwangsom en de begunstigingstermijn. In de praktijk kan het voorkomen dat er op meerdere overtredingen wordt aangeschreven. Veelal zal een aanschrijving geschieden in het kader van een pandsgewijze aanpak of op basis van woningmeldingen. De bedragen en termijnen geven een richtlijn, maar bij een opname van een pand moet integraal worden beoordeeld wat een redelijke dwangsom en begunstigingstermijn is. Dit is niet per definitie een optelsom van de bedragen en termijnen zoals weergegeven in deze bijlage.
Herhaling van overtredingen
Bij herhaling van een overtreding (recidive) wordt de dwangsom die bij handhavend optreden tegen de voorgaande overtreding is gehanteerd met 50% verhoogd.
Voortduren van overtredingen na het opleggen van een last onder dwangsom
Bij het voortduren van een overtreding omdat niet wordt voldaan aan de opgelegde last onder dwangsom, wordt een nieuwe last onder dwangsom opgelegd waarbij de dwangsom wordt verhoogd met 100%.
Overgangsregeling
De richtlijn geldt met ingang van nieuwe besluiten waarbij een dwangsom wordt opgelegd. De richtlijn is niet van toepassing op besluiten/ dwangsommen die al eerder zijn opgelegd.
Richtlijnen voor dwangsommen
Thema
Overtreding
Hoogte dwangsom
Begunstigingstermijn
Omgevingsvergunning
Overtreding voorschriften Omgevingsvergunning (bv bouwborden, melding aanvang en beëindiging bouwwerkzaamheden, etc)
€ 500 per week, max € 2.500
1week
Maatwerkvoorschriften
Overtreding maatwerkvoorschriften
€ 2.000 per week, max € 8.000
1week
Melding bouw (start)
Melding bouw (start): niet / niet tijdig (4 weken voor start)/ niet volledig ingediend
€ 15.000
1week
Gereedmelding bouwactiviteit
Gereedmelding bouwactiviteit: niet/ niet tijdig/ niet volledig ingediend (inclusief volledig dossier bevoegd gezag, minimaal 10 werkdagen voor ingebruikname bouwwerk)
€ 15.000
1week
Brandveiligheid
Roken en open vuur (kaarsen, hete spots, verwarmingstoestellen etc.)
€ 5.000
geen
Vastzetten zelfsluitende constructieonderdeel
€ 10.000
geen
Brandbare aankleding/ versiering
€ 7.500
5dagen
Brandonveilige inrichtingselementen (stands, podia, kramen, schappen etc.)
€ 7.500
5dagen
Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen
€ 5.000
geen
Bedrijfsmatige opslag brandbare niet-milieu gevaarlijke stoffen
€ 5.000
geen
Opslag in strookruimte
€ 10.000
geen
Restrisico brandgevaar en ontwikkeling van brand
€ 15.000
geen
Blusmiddelen zijn niet vast bevestigd of zichtbaar gekeurd en/of gebruiksgereed
€ 15.000
10dagen
Certificaten, rapporten tonen adequaat onderhoud niet aan
€ 5.000
6weken
Ontruimingsplan is niet aanwezig of geen regelmatige oefening
€ 5.000
6weken
Geen melding brandveilig gebruik
€ 15.000
6weken
Deuren in vluchtroutes zijn (niet) zonder voorwerp te openen
€ 15.000
5dagen
Opstelling zitplaatsen en verdere inrichting voldoet niet
€ 5000
5dagen
Gangpaden tussen stands, kramen, schappen etc.
€ 5000
5dagen
Beperking van gevaar voor letsel
€ 5000
5dagen
Restrisico vluchten bij brand
€ 10.000
5dagen
Vluchtroutes tot aan de openbare weg niet goed toegankelijk
€ 15.000
geen
Vluchtwegaanduiding niet goed aangebracht/ niet goed zichtbaar
€ 10.000
4weken
Noodverlichting functioneert niet
€ 10.000
4weken
Vluchtroutes zijn bij avond/ nachtgebruik niet tot aan de openbare weg verlicht
€ 10.000
4weken
Rook- en brandscheidingen functioneren niet en/ of deuren hierin zijn niet zelfsluitend
€ 10.000
4weken
Brandwerendheid (wanden en plafonds)
€ 10.000
4weken
Brandmeld- of ontruimingsinstallatie is niet in bedrijf
€ 10.000
4weken
Blusleiding is niet akkoord
€ 10.000
12weken
Brandweerlift is niet akkoord
€ 10.000
12weken
Overige brandveiligheidsinstallaties zijn niet akkoord (sprinkler, rook- en warmteafvoer etc.)
€ 10.000
12weken
Bouwen
Algemeen
6weken
Illegale bebouwing (licht)
€ 10.000
Illegale bebouwing (matig)
€ 15.000
Illegale bebouwing (ernstig)
€ 20.000
Dakkapel (vergroten)
€ 5.000
Dakkapel (nieuw)
€ 10.000
Dakterras
€ 250 per m2 of per strekkende meter, max € 5.000
‘Frans’ balkon
€ 10.000
‘Tea for Two’ balkon
€ 15.000
Tuinhuis/ schuur (vergroten)
€ 2.500
Tuinhuis/ schuur nieuw (klein)
€ 2.500
Tuinhuis/ schuur nieuw (groot)
€ 5.000
Schutting
€ 250 per strekkende meter, max € 2.500
Serre
€ 500 per m2, max € 5.000
Luchtbehandelingsinstallatie
€ 10.000 per stuk
Afvoerpijp
€ 250 per meter, max € 2.500
Rookgasafvoer
€ 250 per meter, max € 2.500
Bouwen in afwijking van de vergunning (licht)
€ 10.000
Bouwen in afwijking van de vergunning (matig)
€ 15.000
Bouwen in afwijking van de vergunning (ernstig)
€ 20.000
Doorbouwen na een bouwstop
Let op: bij monumenten en beschermd stadsgezicht en UNESCO: (maximum) bedragen x 2
Zonder vergunning, omvangrijk
€ 40.000
Geen
Zonder vergunning, gering
€ 15.000
Geen
Afwijking van de vergunning, constructief van aard
€ 40.000
Geen
Afwijking van de vergunning, niet constructief van aard
€ 20.000
Geen
Bouwen (specifiek)
Gebouw
26weken
Fundering
€ 100.000
Constructie
€ 75.000
Gevels
12weken
Metsel- en voegwerk
€ 5.000
Pleisterwerk
€ 5.000
Tegelwerk
€ 5.000
Beplating
€ 5.000
Betonwerk
€ 5.000
IJzerwerk / verankering
€ 10.000
Houtwerk
€ 5.000
Lood- en zinkwerk
€ 5.000
Hemel- en huishoudwaterafvoer
€ 1.000
Ontvangput
€ 1.000
Hijsbalk
€ 5.000
Schilderwerk
€ 5.000 (pand)
Beglazing van pand
€ 5.000
Muisdicht ventilatieroosters
€ 1.000
Lateien / stalen bint
€ 1.000
Bloktrede
€ 1.000
Bordes voor toegang
€ 2.500
Trap voor toegang
€ 5.000
Aanlichten traptreden
€ 1.000
Leuning / hek voor toegang
€ 2.500
Kozijn
€ 1.000
Toegangsdeur
€ 1.000
Ramen
€ 1.000
Deurbel / opener / spreekinstallatie
€ 1.000
Terrein en erf
6weken
Erfafscheiding
€ 2.000
Bergloods / berging
€ 5.000
Tuintrap
€ 1.000
Bestrating
€ 1.000
Vuil / afvalmateriaal / verwilderd
€ 2.000
Stookruimte
6weken
Ventilatie
€ 5.000
Kruipruimte
6weken
Hemel- / huishoudwaterafvoer
€ 3.000
Riolering
€ 5.000
Waterleiding
€ 7.500
Gasleiding
€ 5.000
Bodemafsluiting (incl. vuil, afval)
€ 24.000
Vloer met balklaag (inclusief interieur)
€ 32.000
Woning / gebouw met woonfunctie
6weken
Kozijn in gevel
€ 1.000
Loodwerk kozijn
€ 500
Raam (stolpraam) in kozijn
€ 1.000
Deur (buiten) in kozijn
€ 1.000
Lekdorpel
€ 150
Ventilatieroosters
€ 100
Staalconstructie / console / afdekprofiel balkon, veranda, plat etc.
€ 10.000
Betonnen vloer / constructie balkon veranda, plat etc.
€ 1.500
Dekvloer en opstanden balkon, veranda, plat etc.
€ 500
Houtconstructie / boeideel
€ 1.200
Lood- en zinkwerk (opstanden) balkon, veranda, plat etc.
€ 1.000
Pleisterwerk onderzijde balkon, veranda, plat etc.
€ 200
(Hemelwater)afvoer balkon, veranda, plat etc.
€ 1.200
Hek rond balkon, veranda, plat etc.
€ 1.200
Metsel en pleisterwerk (borstwering en scheidingsmuur)
€ 1.200
Badruimte buiten de woning
€ 5.000
Vuil c.q. afval op balkon, veranda, plat etc.
€ 500
Brandwerende plafonnering
€ 8.000
Pleisterwerk muren
€ 10.000
Binnenwanden
€ 10.000
Vloer met balklaag
€ 32.000
Deur (binnen)
€ 1.000
Kozijn (binnen)
€ 1.000
Trap
€ 3.000
Hek- / leuning trap
€ 400
Verlichting trapopgang
€ 1.000
Waterleiding
€ 7.500
Loden waterleiding aanwezig
€ 10.000
Elektriciteit installatie
€ 5.000
Gas installatie
€ 5.000
Standleiding / leidingkokers
€ 7.500
CV installatie
€ 10.000
Rookgasafvoer
€ 1.500
Ventilatievoorziening
€ 1.000
Tegelwerk
€ 600
Wasbak / closetpot / stortbak / douchebak / ligbad
€ 200
Gootsteen
€ 500
Afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater
€ 3.000
Artikel 3- Hemelwaterverordening Amsterdam (waterberging)
€ 5.000
Beglazing (dubbel)
€ 2.500
Dak / dakconstructie
6weken
Dakconstructie
€ 32.000
Houtwerk / houtconstructie van dak
€ 2.000
Kozijn / raam / deur in …
€ 1.000
Pannen en vorsten
€ 7.500
Bitumeuze dakbedekking
€ 7.500
Lood- en zinkwerk
€ 500
Schoorsteen / ventilatiekanaal / rookgasafvoer
€ 5.000
Gevel bovendaks (metselwerk)
€ 7.500
Beglazing van
€ 3.000
Overige maatregelen dak
€ 2.500
Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen
Overbewoning
€ 5.000
8weken
Asbestvezels en formaldehyde
€ 10.000
geen
Bouwvalligheid
€ 10.000
geen
Zindelijke staat van bouwwerken, open erven en terreinen
€ 5.000
4weken
Restrisico gebruik bouwwerken, open erven en terreinen
€ 5.000
6weken
Slopen
Let op: bij monumenten en beschermd stadsgezicht en UNESCO: (maximum) bedragen x 2
Zonder melding, omvangrijk
€ 50.000
Geen
Zonder melding, gering
€ 30.000
Geen
In afwijking van de melding, omvangrijk
€ 40.000
Geen
In afwijking van de melding, gering
€ 15.000
Geen
Veiligheid omgeving
€ 20.000
Geen
Geluid & tijden
€ 15.000
Geen
Bestemmingsplan
Gebruik garage
€ 20.000
2weken
Gebruik winkel als horeca
€ 40.000
2weken
Strijdig gebruik tuinen voor horeca
€ 20.000
2weken
Gebruik woning als winkel/ kantoor
€ 20.000
2weken
Strijdig gebruik bedrijfsruimte (bv winkellint)
€ 20.000
2weken
Keerklepartikel (smartshops e.a. soortgelijke functies)
€ 40.000
2weken
Thuisprostitutie
€ 20.000
geen
Kamerverhuur in woning
€ 20.000
2weken
Illegale hotels/ B&B/ pensions
€ 50.000
1week
Overig strijdig gebruik
€ 20.000
2weken
Reclame & welstand
Let op: bij monumenten en beschermd stadsgezicht en UNESCO: (maximum) bedragen x 2
Plat reclamebord
€ 2.500 per stuk per perceel, indien een plat bord breder is dan één perceel, gaat de dwangsom met € 1.250 omhoog per perceel
6weken
Uithangbord
€ 2.500 per stuk tot 2 meter h/b, indien groter dan twee meter hoog/ breed, gaat de dwangsom omhoog met € 1.250 per meter
Banier
€ 2.500 per stuk tot 2 meter hoogte indien groter dan twee meter, gaat de dwangsom omhoog met € 1.250 per m2
Steigerdoek
€ 15.000 per stuk, beginnend bij 1 m2, indien groter dan 1 m2, gaat de dwangsom omhoog met € 1.250 per m2
Vlaggen
€ 250 klein (bv ijsvlaggetjes)
€ 500 standaard (120x70 cm)
€ 1.000 groot
Makelaarsborden
€ 2.500 per stuk
€ 5.000 per stuk a/d gracht
Lichtslangen/ lijnen
€ 750 per stuk
Spots/ lantaarns
€ 250 per stuk
Bouwlampen/ schijnwerpers
€ 500 per stuk
Winkelwaren
€ 250 per strekkende meter
Raamstickers
€ 250 per afbeelding/ tekst
Raamfolie/ dichtzetten ramen
€ 500 per raam
Type “open” bordje
€ 250 per stuk
Menuborden groter dan 2x A4, indien meer dan één
€ 500 per stuk
Menuborden/ lichtbak verlicht lijkend op een plat reclamebord
€ 1.250 per stuk per perceel
Lichtkranten
€ 500 per stuk
Airco
€ 500 per stuk (klein)
€ 1.250 per stuk (h60xb80xd30 cm)
€ 2.500 per stuk (groot)
Schotelantenne
€ 1.250 per stuk
Vaste luifel
€ 2.500 per stuk
Camera
€ 500 per stuk
Afvoerpijp
€ 5.000 voorgevel
€ 2.500 achtergevel
Dampafvoer
€ 2.500 voorgevel
€ 1.500 achtergevel
Rolluik
€ 1.500 per strekkende meter
Kozijnen
€ 1.000 per kozijn
Schilderen onderpui
€ 1.250 per strekkende meter, max € 15.000
Schilderen hele pand
€ 1.500 per strekkende meter, per verdieping
Zonwering/ markies
€ 2.500 per stuk en/of per raam
Verwarmingselementen
€ 1.500 per stuk
Gevelbank
€ 2.500 per stuk
Verkeerde onderpui
€ 2.500 per strekkende meter, max € 25.000
Gevelbeplating onderpui
€ 500 per m2
Overige voorwerpen
€ 500 per stuk
Kappen houtopstand
Kappen zonder vergunning
€ 5.000 per houtopstand
2weken
Niet uitvoeren herplantplicht
€ 5.000 per houtopstand
2weken
Voorschriften handhavingsprotocol iepziekte niet nageleefd
€ 5.000 per houtopstand
geen
Milieu belastende activiteit
Algemeen
Opgericht/ inwerking zonder in gediende melding milieubelastende activiteit, tenminste 4 weken van tevoren
€ 2.500
2weken
Geen akoestisch onderzoek bij melding milieubelastende activiteit (horeca)
€ 1.600
4weken
Milieulogboek ontbreekt (niet zijnde CFK-logboek)
€ 1.000
4weken
Overtreding Maatwerk voorschriften
€ 2000 per constatering, max € 8.000
1week
Overtreding zorgplicht
€ 500 per constatering, max € 2.000
1-4 weken
Bodem en tanks
15jaarlijkse Keuring bovengrondse tank niet (tijdig) uitgevoerd per tank
€ 3.000
4weken
10(kunststof)- of 15 (metaal) jaarlijkse keuring ondergrondse tank niet (tijdig) uitgevoerd per tank
€ 3.000
4weken
Geen/ onvoldoende vloeistofdichte/ vloeistofkerende vloer
€ 1.000
1-3 maanden
Geen/ onvoldoende lekbak, per lekbak – denk ook aan de lekbak bij vulpunt tank
€ 2.000
4weken
Water/ sludge controle niet uitgevoerd
€ 1.600
4weken
Kathodische bescherming niet uitgevoerd
€ 1.600
4weken
Peilbuis niet jaarlijks bemonsterd
€ 1.600
4weken
Buiten gebruik gestelde ondergrondse tank niet verwijderd
€ 6.000
8weken
Bovengrondse tank niet verwijderd (voorschrift PGS 30)
€ 6.000
8weken
Ontluchtingsleiding niet in buitenlucht
€ 1.000
4weken
Ventilatie opstelruimte bovengronds tank niet aanwezig of niet voldoende
€ 3.000
4weken
Keuring vloeistofdichte vloer niet uitgevoerd
€ 3.000
4weken
Lucht
Geen of geen doelmatige ontgeuringsinstallatie (horeca, detailhandel) aanwezig of bakdampafvoer niet op hoogte
€ 2.000
4weken
Geen vetvangend filter (horeca, detailhandel, woon- en verblijfsgebouwen)
2.000
4weken
Vetvangend filter (horeca, detailhandel, woon- en verblijfsgebouwen) niet tijdig gereinigd
€ 1.000
1-3 weken
Ontgeuringsinstallatie (horeca, detailhandel) niet doelmatig of niet aanwezig
€ 15.000
4weken
Stoffilter niet tijdig gereinigd of (kapot) filter niet vervangen, per filter
€ 1.000
4weken
Geen afzuiginstallatie (horeca, detailhandel, garages) aanwezig
€ 4.000
4weken
Water
Vetafscheider en/of slibvangput is niet aanwezig
€ 3.000
8weken
Olie- of vetafscheider niet tijdig geleegd
€ 1.000
4weken
Bezinkput niet tijdig geleegd
€ 1.000
4weken
Afval
Opslag gevaarlijke afvalstoffen niet in orde
€ 1.500
2weken
Afvoer gevaarlijke afvalstoffen niet in orde
€ 1.500
2weken
Opslag bedrijfsafvalstoffen niet in orde
€ 1.000
2weken
Afvoer bedrijfsafvalstoffen niet in orde
€ 1.000
2weken
Afvoer dierlijke bijproducten niet in orde
€ 1.500
2weken
Gescheiden houden van gevaarlijke afvalstoffen niet in orde
€ 1.500
2weken
Gescheiden houden van bedrijfsafvalstoffen niet in orde
€ 1.000
2weken
Verwijderen afvalstoffen binnen 25 meter
€ 1.000
1-3 weken
Energie
Niet indienen van energiebesparings-rapport
€ 6.000
12weken
Geen uitvoering gegeven aan het implementeren van in te voeren energiebesparende maatregelen
1,5 x de investering
12weken
Veiligheid
Bordje ‘roken en open vuur verboden’ ontbreekt
€ 200
2weken
Veiligheidspictogrammen ontbreken op opslagplaatsen gevaarlijke stoffen en gassen per pictogram
€ 200
2weken
Opslag gevaarlijke stoffen en gasflessen (meer dan 25 en max 250 k g of liter waterinhoud)
Licht, € 5.000
4weken
Compartimentering gevaarlijke stoffen niet in orde
€ 2.000
3weken
Keuring propaantank/ gasfles niet tijdig uitgevoerd
€ 2.000
4weken
Gasflessen niet tegen omvallen beschermd, per gasfles
€ 1.000
1week
Hek rondom gastank ontbreekt
€ 1.000
4weken
Leidingen propaantank niet of niet tijdig gekeurd
€ 1.000
4weken
Logboek propaantank niet aanwezig
€ 1.000
4weken
Afstandscriteria gastank en omliggende bebouwing niet in orde
€ 1.000
4weken
Geen brandschakelaar en/of gasafsluiter buiten de stookruimte
€ 1.000
4weken
Keuring stookinstallatie
€ 2.000
4weken
Ontbreken onderhoudsbewijs gasgestookte stookinstallatie
€ 2.000
4weken
Koudemiddelen
Koelinstallatie(s) met onbekende hoeveelheid koudemiddel
€ 1.000
4weken
Geen kenplaat koelinstallatie
€ 1.000
4weken
Geen instructiekaart
€ 1.000
4weken
Geen logboek aanwezig/ geen bewijs controle lekdichtheid
€ 1.000
4weken
Jaarlijks onderhoud koelinstallatie niet uitgevoerd
€ 2.000
4weken
Geluid
Overschrijding toegestane geluidsniveau
€ 2.500 per constatering, max € 10.000
Horeca: geen
Overig: 4 weken
Voorziening(en) ter beperking geluidsoverlast niet aangebracht
€ 4.000
4weken
Maatwerkvoorschriften geluid
Open ramen en deuren
€ 500 per constatering, max € 2.500
geen
Geluidsbegrenzer ontdaan van verzegeling
€ 1.000 per constatering, max € 5.000
geen + PV
Geen akoestisch rapport overlegd conform maatwerkvoorschrift
€ 2.500
8weken
Geen begrenzer aangebracht, of deze is niet afgeregeld en/ of verzegeld
€ 2.500
2weken
Wijzigen muziekinstallatie zonder toestemming
€ 5.000
Geen + PV
Geen uitsluitend gebruik van de goedgekeurde muziekinstallatie
€ 5.000
Geen + PV
Live muziek gespeeld
€ 1.000 per constatering, max € 5.000
Geen
Afwezigheid dranger
€ 1.500
2weken
Afwezigheid geluidssluis
€ 1.500
2weken
Horeca en slijterijen: APV 2008 en Alcoholwet
Volgt de Handhavingsstrategie Horeca en slijterijen (inclusief winkels) Drank- en Horecawet), Amsterdam 2013 en de Handhavingsstrategie muziekgeluid horeca 2018, gemeente Amsterdam.
Prostitutie:APV 2008
Volgt de ‘Handhavingstrategie Escort - Gemeente Amsterdam’ en de Handhavingsstrategie locatiegebonden prostitutiebedrijven en seksinrichtingen.
Wet op de kansspelen en Verordening op de speelautomaten-(hallen)
Volgt de Handhavingsstrategie speelgelegenheden en speelautomaten 2018.
Verordening op het Binnenwater 2010
Voor verbouwing en vervanging: niet van toepassing op drijvende bouwwerken.
Ligplaats innemen zonder/in afwijking van ligplaatsvergunning
€ 10.000
6weken
Afmeren pleziervaartuig groter dan 10 meter zonder of in afwijking van ontheffing
€ 2.500
6weken
Vervangen of verbouwen van woonboot zonder/in afwijking van verbouwiengs- of vervangingsvergunning
€ 10.000
6weken
Object in, op of boven het water plaatsen of houden zonder of in afwijking van ontheffing
€ 2.500
6weken
Bijlage 4: Sanctiestrategie monumenten
Het stappenplan is als volgt:
Stap 1: vaststellen monumentale waarde
De architectuur- of bouwhistoricus van MenA bepaalt de monumentale waarde van het betreffende gebouw en zijn onderdelen. Het is mogelijk dat er al een beschrijving bestaat waarin deze zijn vastgelegd. Hierbij wordt de werkwijze gehanteerd zoals nader omschreven in het Beleidskader Monumenten Amsterdam. Het bepalen van de waardering gebeurt op basis van wat is aangetroffen, bouwsporen, historisch pakket aan verflagen/stucwerk, fotodocumentatie, archief, publicaties, referentiemateriaal enzovoort.
Hoofdonderdelen waardering
Elke waardering heeft vier criteria.
•Stedenbouwkundige en/of architectuurhistorische waarde (exterieur)
Het exterieur omvat de opzet, vorm en omvang van de volumes, gevels met alle onderdelen en eigenschappen, zoals; kozijnen, balkons, hekwerken, ornamenten, materiaal, kleur en gevelbekleding enz., evenals het dak.
•Hoofddraagconstructie
De hoofddraagconstructie omvat alle constructieve onderdelen, zoals; fundering, bouwmuren, vloeren, dakconstructie, dragende binnenmuren, trappenhuis enz.
•Interne structuur/plattegrond/indeling/ruimtelijkheid
Bij de structuur van een gebouw moet gedacht worden aan de ruimtelijke opzet en ruimtewerking, het samenspel van diverse bouwonderdelen, lichtinval en hoogtes, de plattegrond binnen de bouwonderdelen, zoals de gang- en kamerstructuur en structurerende elementen, zoals rookkanalen enz.
•Interieurafwerking, inrichting of machinerie
De afwerking van het interieur bestaande uit lambriseringen, plafonds, behang, reliëfs, stucwerk, verflagen enz. Kenmerkend is de detaillering, materialisering, kleurstellingen enz.
Binnen deze criteria worden drie waardeniveaus onderscheiden
•Hoge waarde
Behoudenswaardig: dient als zodanig behouden te blijven. Dat wil zeggen: conservering en restauratie waar nodig.
•Positieve waarde
Behoudenswaardig: het uitgangspunt is behoud, maar een beperkte wijziging of verandering is bespreekbaar, indien het gebruik en de levensduur van het monument als totaal er hierdoor op vooruit gaat.
•Indifferente waarde
Geen erfgoedwaarden, verwijderen of aanpassen heeft geen gevolgen voor het monument.
N.B. In veel gevallen is er van het pand een waardering op hoofdlijnen van de onderdelen, maar niet altijd op een specifiek bouwdeel van dit onderdeel. Dit dient aan de hand van documentatie alsnog door architectuur- en bouwhistorisch onderzoek vastgesteld te worden.
Stap 2: vaststellen omvang van de schade en aantasting
De monumentenadviseur van MenA bepaalt de omvang en de aantasting aan het monument. In deze stap wordt hiervoor het bouwdeel-niveau en de omvang van de schade bepaald.
‘Bouwdeel-niveau’
Bouwdeel-niveau
Om de hoogte van de schade en de impact op het monument te kunnen beoordelen, zijn de volgende niveaus van belang.
•Gebouwdeel
Een duidelijk afgebakend onderdeel van een gebouw zoals; hoofdgebouw, tussenlid, bijgebouw enz. Een gebouwdeel kan een of meerdere structurerende onderdelen bevatten.
•Structuur/ Ruimte
Een duidelijk afgebakende ruimte dat in zichzelf een structurerend onderdeel is van een gebouwdeel. Zoals; voorkamer, achterkamer, gang, wc, trappenhuis enz. Een ruimte kan een of meerdere gebouwonderdelen bevatten.
•Bouwonderdeel
Een duidelijk afgebakend bouwonderdeel dat op zichzelf staat en een onderdeel is van een of meerdere ruimten, of gebouwdeel. Zoals; lambrisering, trap, rookkanaal, lijstwerk, glas in lood raam, schouw, vloerafwerking enz.
Omvang schade
De omvang van aantasting (van het niveau bouwdeel) wordt weergegeven in een bandbreedte van percentages en zijn indicatief, omdat de omvang niet altijd in percentages is uit te drukken. Hierbij wordt opgemerkt dat er een verschil wordt gemaakt in bouwdeelniveau; gebouwdeel, structuur en bouwonderdeel.
Er wordt onderscheid gemaakt in hoeverre een bouwonderdeel geornamenteerd of gedecoreerd is of dat het een onderdeel dat vlak doorgaand werk betreft. Bijvoorbeeld, de rijk geornamenteerde korbelen zijn geheel weg genomen, welk een klein percentage is op de gehele balklaag (zonder decoratie), maar aanzienlijk voor dat onderdeel. Of er is een vlak deel van een plafond verwijderd terwijl de geornamenteerde/gedecoreerde afwerkingen nog geheel aanwezig is.
•Beperkt
De omvang van de schade aan het betreffende bouwdeelniveau;
○ gebouwdeel of structuur is beperkt tot ongeveer 20%.
○ bouwonderdeel betreft enkel vlakke delen van een afwerking, of doorgaand werk. (Niet geornamenteerde/gedecoreerde delen.)
•Deels
De omvang van de schade aan het betreffende bouwdeelniveau;
○ gebouwdeel of structuur is deels aangetast, tussen ongeveer 20 en 40%.
○ bouwonderdeel betreft zowel een beperkte aantasting (tot ongeveer 20%) van geornamenteerde/gedecoreerde afwerkingen als doorgaand werk.
•Groot
De omvang van de schade aan het betreffende bouwdeelniveau;
○ gebouwdeel of structuur is groot, ongeveer 40 tot 90 %.
○ bouwonderdeel betreft zowel deels een aantasting (ongeveer tussen 20 en 40%) van geornamenteerd/gedecoreerde afwerkingen als doorgaand werk.
•Geheel
De omvang van de schade aan het betreffende bouwdeelniveau;
○ gebouwdeel of structuur is bijna helemaal of in zijn geheel, vanaf ongeveer 90%.
○ bouwonderdeel betreft zowel een grote aantasting (vanaf ongeveer 40% ) van geornamenteerd/gedecoreerde afwerkingen als doorgaand werk.
N.B. Bij meerdere gebouwdelen, structuren of bouwonderdelen waaraan schade is toegebracht, werkt de matrix accumulerend. Dat wil zeggen dat de mogelijke gevolgen categorie (1-4) een niveau naar boven opgeschaald worden.
Stap 3: herstelmogelijkheid (eerste indicatie)
De monumentenadviseur van MenA adviseert schriftelijk aan de afdeling Toezicht en Handhaving van het betreffende stadsdeel over de herstelmogelijkheden. Hierin is het kwaliteitsniveau van herstel van belang. Dit is een globale en eerste indicatie welke op een later moment, door onderzoek, naar boven (hogere herstelkwaliteit) kan worden bijgesteld. Gezien de korte handelingstijd is het niet haalbaar om tot een exacte herstelindicatie te komen.
Vanuit MenA is het uitgangspunt dat schade waarbij monumentale waarden verloren zijn gegaan, wordt hersteld. Herstelmogelijkheid geeft de haalbaarheid van herstel aan. Deze constatering geeft niet aan wat de minimale eis tijdens de beoordeling van het herstelplan is.
Herstelmogelijkheid
Op basis van de restauratieladder van de stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM) is de onderstaande indeling opgesteld waarin de verschillende niveaus van herstel worden beschreven. Overigens is het niet helemaal over te nemen, omdat de restauratieladder wordt gebruikt bij de beoordeling van restauraties waarbij ook aanpassingen en verbeteringen ten behoeve van comfort of duurzaamheid worden meegenomen. Dit doet hierbij niet ter zake.
•Reparatie – Nauwgezet te herstellen
De beschadigde onderdelen kunnen worden gerepareerd, waarbij het nog aanwezige materiaal volledig gehandhaafd blijft of teruggeplaatst kan worden. Voorbeelden van reparaties zijn het repareren van beschadigde stenen of het plaatselijk aanhelen van voegwerk of stucwerk. Omdat het hierbij om het aanhelen van bestaand werk gaat, wordt ervan uitgegaan dat dit enkel bij een schadeomvang tot 50% kan voorkomen. Met het uitgangspunt dat er nog voldoende materiaal als referentie aanwezig is.
•Kopiëren – Nauwgezet te herstellen
De aangetaste onderdelen worden exact nagemaakt en vervangen met historische technieken en materialen. Denk hierbij aan het opnieuw maken, op riet, van een historisch plafond waarbij de oorspronkelijke mallen nog verkrijgbaar zijn. Het gaat hier om nauwgezet herstel.
•Imiteren – Nauwgezet te reconstrueren
De oude vorm wordt zoveel mogelijk benaderd met toepassing van moderne technieken en/of andere materialen. Sporen zijn nog aanwezig die bijdragen aan een reconstructie. Het gaat hier om een nauwgezette reconstructie.
•Benaderen – Op hoofdlijnen te reconstrueren
Het bestaande beeld blijft zoveel mogelijk intact. Het betreffende onderdeel wordt echter aangepast, omdat het niveau van detail enkel op hoofdlijnen (beeldwaarde) kan worden achterhaald. Het gaat hier om een reconstructie enkel op hoofdlijnen.
•Onbekend
Op het moment van constatering is het onvoldoende inzichtelijk in hoeverre de schade te herstellen is.
•Niet – Niet te herstellen
Op het moment van constatering blijkt dat er geen mogelijkheid is tot herstel in welke vorm dan ook, omdat er geen (historisch) materiaal of documentatie (meer) aanwezig is en er geen sporen zijn waaruit de oorspronkelijke situatie herleid kan worden.
Stap 4: conclusie gevolgencategorie op basis van de Monumentenmatrix
Uit de matrix volgt een gevolgencategorie (1-4). De categorieën 1-4 corresponderen met de 4 categorieën uit de LHSO (aanzienlijk, van belang, beperkt, vrijwel nihil). In alle strategieën is een herstelplan het uitgangspunt. Het herstelplan dient opgesteld te worden door een gekwalificeerde aannemer/adviseur en ter beoordeling te worden voorgelegd aan MenA. Het rechtsgevolg wordt in combinatie met toepassing van de LHSO bepaald. Als er sprake is van de hoogste gevolgencategorie wordt altijd –naast de bestuursrechtelijke sanctie – strafrechtelijk aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie. Aangetaste of verwijderde onderdelen met een indifferente waarde hebben geen gevolgen voor de monumentale waarde en staan niet in de matrix.
N.B. Bij meerdere gebouwdelen, structuren of bouwonderdelen met schade werkt de matrix accumulerend. De mogelijke gevolgencategorie (1-4) wordt een niveau opgeschaald.
Monumentenmatrix
De gevolgen zijn:
Bijlage 5: Risico analyse
Effect van het naleefgedrag
Per opgave hebben we bekeken welk negatief effect optreedt als de wet- en regelgeving niet nageleefd wordt. Daarbij hebben we 6 typen effect meegenomen: fysieke veiligheid, sociale kwaliteit leefomgeving, natuurwaarde, omgevingskwaliteit, volksgezondheid en financieel-economisch effect. Voor elk van deze effecttypen hebben we twee vragen beantwoord:
•Als het effect optreedt, hoe groot is dit effect gemiddeld genomen dan (denk aan zwaarte en spreiding)? Mogelijke scores waren: 0=geen, 1=beperkt, 2=duidelijk aanwezig en 3=groot.
•Hoe vaak komt gemiddeld genomen dit effect voor? Mogelijke scores waren: 0=nooit, 1=soms, 2=regelmatig en 3=vaak tot altijd.
We hebben ook bepaald in welke mate het wel en goed oppakken van de opgave bijdraagt aan het Amsterdamse beleid op het gebied van duurzaamheid en ondermijning. Voor elk van deze effecttypen hebben we twee vragen beantwoord:
•Hoe groot is de bijdrage? Mogelijke scores waren: 0=geen, 1=beperkt, 2=duidelijk aanwezig en 3=groot.
•Hoe vaak speelt die bijdrage daadwerkelijk een rol? Mogelijke scores waren: 0=nooit, 1=soms, 2=regelmatig en 3=vaak tot altijd.
Omvang van de opgave
•De omvang van een opgave kan uitgedrukt worden in een totaal aantal (bijvoorbeeld aantal illegale dakkapellen) of een aantal per jaar (aantal aanvragen). De omvang kan variëren van niet tot nauwelijks tot enkele honderden of duizenden. Mogelijke scores waren: 0 = 0-5 totaal of per jaar,
1= 6-50 totaal of per jaar, 2 = 51-500 totaal of per jaar en 3 =meer dan 500 totaal of per jaar.
Resultaten risicoanalyse en prioriteitstelling
De resultaten van de risicoanalyse en de prioritering van de opgaven zijn weergegeven in onderstaande tabellen.
De bewoonde stad
De compacte stad
De drijvende stad
De duurzame stad
De groeiende stad
De leefbare stad
De veilige stad
De vitale stad