Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,
gelet op artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht en de Verordening op de zorg voor de jeugd Amsterdam 2021,
besluit:
vast te stellen de navolgende Beleidsregels jeugdhulp Amsterdam 2022
2. Het Amsterdamse jeugdhulpstelsel
2.3 Samenwerking, verantwoordelijkheden en taken in het stelsel
2.3.1 Integraal plan
De hulpvraag, resultaten en afspraken over evaluatie worden vastgelegd in een integraal plan. Het integraal plan wordt samen met de jeugdige en ouders opgesteld door het OKT, de GI of de kernpartner.
■ Het integraal plan door het OKT (genaamd perspectiefplan) en de GI (genaamd gezinsplan) bevat de informatie die jeugdhulpaanbieders nodig hebben voor een aanmelding en het opstarten van de hulp.
■ Bij een medische verwijzing onderzoeken jeugdhulpaanbieders of er mogelijk sprake is van onderliggende factoren en schakelen het OKT of Buurtteam in als er problemen zijn (of het vermoeden van) op het gebied van bestaanszekerheden of andere problematiek bij ouders.
■ Als blijkt dat jeugdige en ouders een Pgb willen wordt er een Pgb-plan opgesteld, dat onderdeel wordt van het perspectiefplan. Het Pgb is dus verbonden aan de doelen/resultaten uit het perspectiefplan.
2.3.3 Resultaten
■ De jeugdige en ouders en het OKT of GI bespreken samen de resultaten die de inzet van de specialistische jeugdhulp moet opleveren en zetten dit in het integraal plan.
■ De verwijzer kan de kernpartner betrekken voor consultatie en advies bij het opstellen van de resultaten.
■ De jeugdhulpaanbieder werkt aan de resultaten uit het integraal plan.
■ In het geval van een (huis)artsverwijzing stelt de jeugdhulpaanbieder samen met de ouders de resultaten op, voor zover deze niet uit de verwijzing blijken.
■ Wanneer de resultaten in het integraal plan significant wijzigen wordt de verwijzer betrokken.
■ Resultaten beschrijven de te bereiken doelen van de specialistische jeugdhulp. Deze kunnen gericht zijn op ontwikkeling (herstel) of stabilisatie. Ook kunnen de resultaten bestaan uit het beschrijven van de hulpvraag, op het moment dat de te bereiken resultaten nog onvoldoende duidelijk zijn. Er kan door verschillende organisaties en personen worden gewerkt aan het behalen van de resultaten.
2.3.3 Coördinatie van zorg
Onder coördinatie wordt verstaan: het afstemmen en coördineren van hulp en ondersteuning die door verschillende partijen aan het gezin wordt geboden, en het evalueren van deze hulp en ondersteuning met het gezin en de betrokken organisaties. De coördinatie van zorg wordt in samenspraak met jeugdige en ouders vormgegeven. Onderdeel hiervan is om aan het begin van het bieden van jeugdhulp te bepalen wie de coördinatie van zorg uitvoert en hoe dit plaatsvindt.
Uitgangspunten hierbij zijn:
■ De coördinatie ligt zo veel mogelijk bij de jeugdige en ouders.
■ Als er meerdere partijen betrokken zijn zorgen deze partijen ervoor dat aanspreekpunten duidelijk belegd zijn of waar mogelijk er één aanspreekpunt is.
■ Bij een hulpvraag die betrekking heeft op meerdere levensgebieden wordt het OKT of de GI betrokken.
■ Wanneer sprake is van gezinnen die vragen om meer regie op het gebied van veiligheid en waarin een ondertoezichtstelling, een voogdijmaatregel en/of een jeugdreclasseringsmaatregel is opgelegd, is de gecertificeerde instelling verantwoordelijk voor de coördinatie van zorg en het contact met jeugdige en ouders.
2.3.4 Gezamenlijke verantwoordelijkheid
Verwijzer en jeugdhulpaanbieders hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om er voor te zorgen dat jeugdhulp wordt geboden. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten:
■ Als op basis van triage blijkt dat het niet mogelijk is om binnen een redelijke termijn te starten met de jeugdhulp wordt in samenspraak met jeugdige en ouders overbruggingszorg ingezet.
■ De kernpartner bepaalt welke zorg passend is bij de gestelde resultaten/hulpvragen in het integraal plan en welke kernpartner de hulp uitvoert.
■ Bij jeugdigen met een maatregel JB/JR moet binnen 6 weken door de GI een gedragen koers zijn bepaald en binnen drie maanden passende, hulp zijn ingezet, of zoveel eerder als de jeugdbeschermer en betrokkenen noodzakelijk achten gezien de onveiligheid / ontwikkelingsbedreiging / recidive risico van het kind. Dat betekent dat de aanbieders van specialistische jeugdhulp binnen 6 weken na ontvangst van de aanvraag uiterlijk moeten starten met de hulp.
■ De jeugdhulpaanbieder of GI kan het OKT inschakelen in verband met een nieuwe hulpvraag, wanneer de hulp aan een gezin is afgerond. Dit gebeurt in afstemming met het gezin en er is sprake van een warme overdracht.
3. Afwegingskader jeugdhulp
3.1 Algemeen afwegingskader
3.1.1. Normaliseren
In het onderzoek staat centraal wat de oorzaak achter de vraag is. Het uitgangspunt is om zo veel als mogelijk te normaliseren. Dit wil zeggen dat gekeken wordt welke hulpvragen en problemen ‘normaal’ zijn. Voor normaliseren geldt:
■ Kwetsbaarheid, problemen en ‘gedoe’ horen bij het leven. Jeugdhulp is bedoeld voor hulpvragen die de oorzaak hebben in gedrags- of opvoedproblematiek, psychische problemen of stoornissen en die niet behoren tot de ontwikkelingsfase waarin de jeugdige zich bevindt. Kinderen opvoeden kost tijd en energie. Dat geldt voor alle kinderen en daarbij verschilt het per kind hoeveel tijd en energie dit kost (zie ook paragraaf 3.3, gebruikelijke zorg).
■ Het is normaal dat kinderen soms lastig en afwijkend gedrag vertonen.
■ Het uitgangspunt is door het versterken van opvoedvaardigheden en de kennis over opvoeden de acceptatie van de jeugdhulpvraag of beperking door ouders te vergroten.
■ Er wordt rekening gehouden met de context. Dit betekent dat het gezinssysteem onderdeel is van de beoordeling van de hulpvraag en er naar de omgeving van de ouders en jeugdige wordt gekeken.
Als het gaat om de inzet van een individuele voorziening gelden de volgende uitgangspunten rondom normaliseren:
■ Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor de inzet van voorzieningen die bijdragen aan een positieve ontwikkeling van kinderen. Dit geldt ook voor kinderen met een jeugdhulpvraag.
■ De Jeugdwet is bedoeld om de ontwikkeling van kinderen te bevorderen waar deze in gevaar komt en niet voor de bevordering van de algemene ontwikkeling die elke jeugdige doormaakt.
■ Begeleiding wordt ondersteunend aan of volgend op een behandeling ingezet. De behandelcomponent kan onderdeel zijn van de begeleiding. Uitzondering hierop zijn hulpvragen waarvoor geen behandeling mogelijk is.
De ontwikkelingsleeftijd van kinderen is verbonden aan bepaalde opgaven in de opvoeding. Er wordt een onderscheid gemaakt in ‘normale’ problemen die behoren bij de levensfase en ernstige problemen. De ontwikkelingsleeftijd van een jeugdige kan variëren door een aandoening of stoornis. Om een beeld te schetsen bij wat normaal is, is in onderstaande tabel voor veel voorkomende problemen het onderscheid aangegeven tussen wat ‘normale’ en ernstige problematiek is
2Hoe herken je 'normale' en 'ernstige' opvoedproblemen? | Nederlands Jeugdinstituut (nji.nl)
. Dit schema laat zien dat er een groot aantal ‘normale’ problemen is waarvoor in beginsel geen jeugdhulp nodig is. Bij ernstige problematiek kan waar nodig en waar de hulpvraag tot de Jeugdwet behoort, jeugdhulp worden ingezet.
Leeftijd
•‘Normale’ problemen
•Ernstige problemen
0-2
•Voedingsproblemen
•Eet- of slaapstoornis
•Slaapproblemen
•Reactieve hechtingsstoornis
•Scheidingsangst
•Huilbaby
•Angst voor vreemden, donkerte en geluiden
•2-4
•Koppigheid
•Scheidingsangst
•Driftbuien
•Fobische/sociale angststoornis
•Agressie
•Stoornis in taal, spraak, motoriek
•Ongehoorzaamheid
•Oppositionele gedragsstoornis jonge kind
•Druk gedrag/overactiviteit
•ADHD
•Angst in samenhang met sekserol en identiteit
•Gedragsstoornis
•Niet zindelijk
•Angst voor vreemden, donkerte en geluiden
•5-12
•Ruzies
•Enuresis
•Concentratieproblemen
•Stoornis in schoolvaardigheden
•Laag prestatieniveau
•Sociale terugtrekking
•Schoolweigering
•Persistente schoolweigering
•Stelen of vandalisme als incident
•Stoornissen in geslachtsidentiteit
•Ritualistisch gedrag
•Gedragsstoornissen of vroege delinquentie
•Neurosen en somatoforme stoornis
12-19
•Gebruik alcohol, drugs
•Problemen door alcohol of drugs
•Twijfels over identiteit en/of toekomst
•Stoornis in identiteit
•Problemen met uiterlijk
•Anorexia en boulimia (nervosa)
•Problemen met autoriteit
•Suïcide
•Incidenteel spijbelen
•Problemen bij seksuele oriëntatie
•Oppositionele gedragsstoornis puber
•Gedragsstoornis in groepsverband
•Delinquentie
•Schooluitval
4. Voorliggende/andere voorzieningen
4.5 Zorgverzekeringswet
4.5.1 Systeemproblematiek
Bij ouder-/ systeemproblematiek geldt:
■ Voor de problematiek van de ouders wordt hulp vanuit de Zvw ingezet (GGZ), vanuit rechtsbijstand (bijv. bij mediation) of vanuit een algemene voorziening en niet vanuit de Jeugdwet.
■ Voor de problematiek die de jeugdige als gevolg van het ouder-/ systeemproblematiek ondervindt, wordt jeugdhulp ingezet.
■ Om de hulp die wordt aangeboden vanuit de Jeugdwet effectief te laten zijn wordt de problematiek van de ouders en het systeem in samenhang behandeld.
■ Als de jeugdhulpvraag samenhangt met ouderproblematiek is het een voorwaarde om het jeugdhulptraject in te zetten dat ook de ouder- / systeemproblematiek wordt behandeld. Uitzondering hierop is als de veiligheid van de jeugdige in het geding komt.
■ De jeugdhulpaanbieder heeft de verantwoordelijkheid om bij ouder-/ systeemproblematiek het lokale team of de huisarts te betrekken (met toestemming van de jeugdige en ouders), zodat de juiste hulp kan worden ingezet.
5. Toelichting op vormen van individuele voorzieningen
5.1. Specialistische jeugdhulp in het speciaal onderwijs
5.1.1 Algemeen
■ SJSO wordt aangeboden op het speciaal (voortgezet) onderwijs ((v)so), speciaal basisonderwijs (sbo), praktijkonderwijs (po) en tussenvoorziening (tv).
■ Scholen (zorgteam) zijn ervoor verantwoordelijk om 'breed te kijken en breed te doen' voordat zij SJSO inzetten. Zij kunnen het OKT benaderen voor advies om 'breed te kijken en breed te doen'.
■ SJSO is direct beschikbaar voor leerlingen uit Amsterdam die onderwijs volgen op deze scholen. SJSO is een individuele voorziening, die via de betaaltitel ‘huisartsenroute’ wordt verstrekt. Er is geen verwijzing nodig.
■ Leerlingen uit (buiten)regiogemeenten die onderwijs volgen op deze scholen hebben ook toegang tot de hulp vanuit het SJSO. Dit loopt echter via het aanvragen van een beschikking. Uitzondering is het preventieve aanbod Consultatie en Advies SJSO, dat zonder beschikking op cluster 3 en 4 scholen voor alle leerlingen toegankelijk is.
■ SJSO kan in een doorlopend continuüm worden ingezet, zowel op school als thuis. Dit is afhankelijk van de hulpvraag.
■ Jeugdhulpverleners van SJSO sluiten aan bij het zorgteam van de school.
■ De school, het OKT en SJSO werken integraal samen en gezinsgericht. Dat betekent dat de medewerker van het OKT actief onderdeel uitmaakt van de zorgstructuur op school, preventieve lichte jeugdhulp inzet wanneer dat voldoende is, en eventueel verwijst naar aanbod in de wijk of ander preventief aanbod dat inzetbaar is zonder beschikking.
■ Om SJSO in te zetten moet uit het OPP (Ontwikkelings Perspectiefplan) blijken dat er extra ondersteuning vanuit onderwijs en/of jeugdhulp nodig is. Een OPP is in alle gevallen verplicht wanneer de ondersteuning vanuit het School Ondersteunings Profiel (SOP) niet toereikend is. De jeugdhulp die vervolgens middels SJSO wordt ingezet, is ondersteunend aan de leerdoelen die op school zijn vastgesteld.
■ De situatie na 18e jaar wordt tijdig bekeken, zie hiervoor ook paragraaf 3.7: 18-/18+.
5.1.2 Wat valt onder SJSO?
SJSO wordt alleen ingezet als het gaat om een hulpvraag die onder de Jeugdwet valt. Voor SJSO gelden dezelfde (kwaliteits-)eisen als die aan de specialistische jeugdzorg wordt gesteld. De gesignaleerde problematiek bij de leerling moet daarnaast ook buiten het onderwijs spelen, anders is sprake van Passend Onderwijs. Voor SJSO gelden de volgende criteria:
■ De hulpvraag vindt plaats op het onderwijs en in de thuissituatie.
■ De hulpvraag behoort tot de Jeugdwet (en dus niet tot Passend Onderwijs, Zvw of Wlz).
■ De eigen kracht of algemene voorzieningen bieden geen oplossing voor de hulpvraag.
■ Als de school handelingsverlegen is dan kan SJSO ingezet worden voor hulpvragen die in eerste instantie behoren tot het domein van het passend onderwijs. Handelingsverlegen wil zeggen dat de school niet kan voldoen aan de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige op het gebied van passend onderwijs. Voorwaarden hiervoor zijn:
■ De ondersteuningsbehoefte moet met (leerling en) ouders zijn vastgesteld en opgenomen worden in het OPP.
■ De ondersteuningsbehoefte moet groter/meer zijn dan de school vanuit het School Ondersteunings Profiel (SOP) kan bieden.
■ Het gaat hier om een tijdelijke inzet omdat de school samen met het samenwerkingsverband verantwoordelijk is om een passende onderwijs plek voor de jeugdige te vinden.
■ Onder SJSO valt geen jeugdhulp met een hoge expertise, zoals verblijf, pleeg, crisis, dagbehandeling of kliniekopname.
■ Buitenschoolse activiteiten of naschoolse opvang zonder therapeutisch doel behoren niet tot het SJSO.
5.1.3 Basisaanbod Consultatie en Advies SJSO
Op cluster 3 en 4 scholen is een preventief basisaanbod Consultatie en Advies SJSO beschikbaar. Dit preventieve aanbod is inzetbaar voor alle leerlingen, ongeacht woonplaats. Het aanbod heeft preventie en vroegsignalering als doel.
5.4 Vervoer
5.4.1 Criteria vervoer
In artikel 2.3, tweede lid van de Jeugdwet is beschreven wanneer vervoer onder jeugdhulp valt:
“Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp omvatten voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden.”
Als de jeugdige is aangewezen op jeugdhulp zorgen ouders in beginsel voor het vervoer van en naar de jeugdhulpaanbieder. Hierbij wordt ook gekeken naar de mogelijkheden om gebruik te maken van het openbaar vervoer. Van ouders wordt verwacht dat zij hun kind zelf vervoeren. In geval van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid van de jeugdige kan er een vervoersvoorziening worden toegekend. Er wordt gekozen voor het goedkoopst adequate vervoer.
Van medische noodzaak is sprake wanneer een jeugdige door zijn psychische, lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke beperking niet in staat is om (eventueel onder begeleiding van een volwassene) gebruik te maken van het openbaar vervoer.
Van beperkingen in de zelfredzaamheid is sprake wanneer:
■ De leeftijd van de jeugdige het niet toelaat zelfstandig te reizen met het OV (jonger dan 9 jaar) en nadat is aangetoond dat ouders of andere personen in de naaste omgeving niet in staat kunnen worden geacht om zorg te dragen voor de begeleiding en het vervoer.
■ Er sprake is van ernstige gedragsproblemen welke reizen in het OV of eigen vervoer onmogelijk maken; of er andere redenen van niet-medische aard zijn die het zelfstandig of onder begeleiding reizen in het OV of eigen vervoer onmogelijk maken.
■ Er wel de mogelijkheid is zelfstandig van het vervoer gebruik te maken, maar er geen financiële draagkracht is, ook niet na beroep op andere voorliggende wetgeving.
5.4.2 Afwegingskader
Om voor vervoer van en naar de jeugdhulplocatie in aanmerking te komen:
■ Heeft een jeugdige een indicatie voor een individuele voorziening jeugdhulp.
■ Is sprake van een medische noodzaak dan wel een beperking in de zelfredzaamheid.
■ Is het niet mogelijk om op eigen kracht het vervoer te organiseren. Voor de eigen kracht geldt dat ouders hierin een rol hebben en dat hierbij het OV voorliggend is. De participatiewet is voorliggend als er financiële problematiek is.
■ Is er geen andere regeling/voorziening waarvan de jeugdige gebruik kan maken voor het vervoer naar de jeugdhulpvoorziening.
■ Bedraagt de afstand van de verblijfsplaats van de jeugdige tot de jeugdhulpvoorziening meer dan 6 kilometer. Een reisafstand binnen 6 kilometer wordt gezien als gebruikelijke zorg en/of hulp; van ouders wordt verwacht dat zij dit zelf regelen. Het gaat hier één van de wegingsfactoren. Dit wil dus zeggen dat als de afstand korter is dan 6 kilometer er om andere redenen zoals in dit hoofdstuk beschreven wel vervoer kan worden toegekend. Ook geldt dat een afstand van meer dan 6 km niet vanzelfsprekend leidt tot een vervoersvoorziening als ouders wel met eigen mogelijkheden het vervoer kunnen organiseren.
■ Vervoer dat onder de Zvw of Wlz valt wordt niet verzorgd vanuit de Jeugdwet.
Ander vervoer van jeugdigen dan naar de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld sociaal recreatief vervoer) valt onder gebruikelijke zorg en eigen kracht. Als dit niet toereikend is dan kan dat vervoer onder de Wmo 2015 vallen, als deze sociale contacten noodzakelijk zijn en het eigen netwerk geen mogelijkheden biedt. Voor (dat deel van) het vervoer waarin de Jeugdwet voorziet, wordt er op grond van de Wmo 2015 geen vervoersvoorziening ingezet.
Als het gaat om vervoer naar andere locaties dan de jeugdhulplocatie gelden de volgende richtlijnen:
■ Vervoer naar en van school naar huis is leerlingenvervoer.
■ Vervoer van school naar behandellocatie en terug naar school is zorgvervoer.
■ Vervoer naar of van behandellocatie, buiten schooltijden is zorgvervoer.
■ Vervoer tijdens vrij- en vakantiedagen is zorgvervoer en verantwoordelijk van de aanbieder om dit af te stemmen.
5.4.3 Financiering vervoer
Met de gecontracteerde jeugdhulpaanbieders is afgesproken dat vervoer onderdeel is van het ingekochte jeugdhulpaanbod. De jeugdhulpaanbieder is daarmee direct verantwoordelijk voor het organiseren van vervoer. Er worden geen aparte indicaties voor vervoersvoorzieningen afgegeven.
Voor jeugdigen die zorg krijgen via de landelijk gecontracteerde aanbieders (LTA), een Pgb of individuele betaalovereenkomst kan een aparte voorziening vervoer worden toegekend door het lokale team.
5.5.4 Pgb en vervoer
Er kan een Pgb voor formeel vervoer worden toegekend. Het kan daarnaast voorkomen dat er een Pgb wordt toegekend voor informeel vervoer. Hiervoor geldt in aanvulling op bovenstaande afwegingen het volgende:
■ De aard van de hulpvraag van de jeugdige resulteert er in dat het vervoer geboden moet worden door de ouders of persoon uit het informeel netwerk.
■ Als ouders in verband met de hulpvraag van de jeugdige met een formele vervoerder moeten meereizen kunnen ze hiervoor een informeel Pgb begeleiding ontvangen. Dit geldt alleen op het moment dat het kind meereist. Voor een ‘lege’ terugreis wordt geen Pgb verstrekt
9ECLI:NL:RBDHA:2021:9157
.
6. Het persoonsgebonden budget
6.2 Kwaliteitscriteria Pgb
6.2.1 Bekwaamheid budgetbeheerder
De jeugdige en ouders moeten in staat zijn het Pgb te beheren. Het beheer kenmerkt zich door het voeren van regie. Dit houdt in dat de beheerder beschikt over de volgende vaardigheden:
■ Een goed overzicht van de eigen situatie houden. De budgetbeheerder weet welke zorg nodig is en kan deze beschrijven.
■ Weten welke regels er horen bij een Pgb of weten waar deze te vinden zijn. Het helpt als de budgetbeheerder digitaal vaardig is.
■ Een overzichtelijke Pgb-administratie bijhouden. Onderdeel hiervan is dat de budgetbeheerder weet welk deel van het Pgb uitgegeven is. Een overzichtelijke Pgb-administratie is niet alleen belangrijk voor de beheerder, maar de administratie kan ook nodig zijn als de gemeente daarom vraagt.
■ Communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar of zorgkantoor, de SVB en zorgverleners. De beheerder moet zelfstandig en zelfverzekerd kunnen communiceren met andere partijen. Als er iets verandert, moet de beheerder dat zelf aangeven. Uit de verantwoordelijkheid vloeit ook voort dat de budgetbeheerder verantwoordelijk is voor het tijdig aanvragen van verlengingen, wijzigingen of de overgang naar andere wetgeving. De budgetbeheerder is bijvoorbeeld verantwoordelijk om tijdig actie te ondernemen op het moment dat de hulp nog nodig is na het 18e levensjaar.
■ Zelfstandig handelen en zelf voor zorgverleners kiezen. De Pgb-beheerder moet zelf zorgverleners uitzoeken en afspraken maken over de zorg die ze gaan geven. Onderdeel hiervan zijn het uurtarief en de ureninzet.
■ Zelf afspraken maken en deze afspraken bijhouden. De budgetbeheerder moet tussendoor controleren of alles volgens afspraak verloopt. Ook moet de beheerder kunnen laten zien dat de zorg wordt ingekocht waarvoor het budget is ontvangen.
■ Beoordelen of de zorg uit het Pgb passend is en of de kwaliteit van de zorg in orde is. Als de zorg niet goed is, kan de budgetbeheerder uitleggen waarom. Als de zorg niet volgens afspraak verloopt, moet de beheerder zelf kunnen ingrijpen.
■ Zelf de zorg regelen met 1 of meer zorgverleners en zorg dragen voor de kwaliteit en continuïteit (bijvoorbeeld bij ziekte van de zorgverlener).
■ Zorgverleners aansturen en aanspreken. De beheerder is de werkgever/opdrachtgever van de zorgverlener.
■ De beheerder weet wat te doen als werkgever/opdrachtgever van een zorgverlener. Het is niet erg als de beheerder sommige regels over hoe een werkgever/opdrachtgever moet handelen niet kent, maar de beheerder moet de informatie daarover wel zelf kunnen vinden.
Als de jeugdige of ouders zelf niet beschikken over de benodigde vaardigheden om het Pgb te beheren, kan in een aantal situaties toch een Pgb worden verstrekt. Zo kan bijvoorbeeld iemand uit het netwerk of een wettelijk vertegenwoordiger deze rol op zich nemen. Ook kan het zo zijn dat ouders worden gecompenseerd of ondersteund om te beschikken over de vaardigheden. In deze gevallen beoordeelt het OKT of het Wijkteam Weesp op basis van de individuele situatie of een Pgb toegekend kan worden. Daarbij zijn naast de hierboven genoemde vereisten ook de volgende criteria van belang:
■ Er mag geen sprake zijn van een onwenselijke vermenging van rollen, daarmee wordt bedoeld dat het beheer en de uitvoering van het Pgb door dezelfde persoon worden gedaan. Slechts in uitzonderingssituaties is het toegestaan dat het beheer van het Pgb en het uitvoeren van de ondersteuning door één en dezelfde persoon wordt gedaan. De uitzondering is alleen van toepassing bij een informeel Pgb, voor professionele organisaties is deze uitzondering niet mogelijk. Er moet worden gemotiveerd waarom het niet mogelijk is om deze rollen te scheiden. Criteria waarin aan de dubbelrol in ieder geval getoetst wordt zijn:
-Er is geen andere Pgb beheerder beschikbaar.
-Een andere zorgverlener is geen optie.
-De kwaliteit van de zorg is gewaarborgd.
■ Bewindvoerders zijn wettelijk vertegenwoordigers die kunnen ondersteunen bij met name de financiële en administratieve kant van het Pgb. Als de budgethouder wil dat zijn bewindvoerder het volledige budgetbeheer (dus naast de financiële ook de zorginhoudelijke kant) op zich neemt en de bewindvoerder daarmee akkoord gaat, dan zijn daartegen geen bezwaren. Het is echter geen eis dat een cliënt met een bewindvoerder het volledige budgetbeheer aan zijn bewindvoerder laat. Uit de Jeugdwet volgt dat gedeeltelijke vertegenwoordiging mogelijk moet kunnen zijn.
■ Mentoren zijn wettelijk vertegenwoordigers die taken en beslissingen met betrekking tot verzorging, behandeling, begeleiding en verpleging en dus niet-vermogensrechtelijke handelingen overnemen van betrokkenen. Ook wanneer er sprake is van een Pgb. De mentor vervult geen financiële en administratieve rol. Daarom is een mentor alleen toegestaan als Pgb beheerder als deze aangeeft betrokken te willen zijn bij de financiële en administratieve kanten van de zorg.
6.2.2 Omstandigheden die meespelen in de overweging
Er zijn omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het beheer van een Pgb. In het bepalen of ouders of een jeugdige een Pgb kunnen beheren wordt in ieder geval rekening gehouden met deze omstandigheden. Het beheer van een Pgb wordt in ieder geval geweigerd als blijkt dat op basis van de omstandigheden het Pgb daadwerkelijk niet beheerd kan worden. Het zich voordoen van een van de hieronder genoemde omstandigheden is op zichzelf geen reden om het beheer van een Pgb te weigeren, hoewel het wel een contra-indicatie is:
■ schuldenproblematiek;
■ verslavingsproblematiek;
■ aangetoonde fraude, minder dan 4 jaar geleden;
■ er eerder misbruik is gemaakt van het Pgb;
■ sterke vergeetachtigheid/verstandelijke beperking/psychische stoornis;
■ analfabeet of digibeet zijn;
■ het leiden van een zwervend bestaan;
■ handelingsonbekwaamheid.
6.2.3 Arbeidstijdenwet
Voor een informeel Pgb geldt, net als bij een formeel Pgb, dat de arbeidstijdenwet van toepassing is. Op het moment dat een ouder naast een reguliere baan ook uitvoerder is van een Pgb, kan dit conflicteren met de arbeidstijdenwet. Om overbelasting bij ouders te voorkomen en de kwaliteit van het Pgb te garanderen kan het OKT of het Wijkteam Weesp besluiten om een Pgb in deze gevallen (deels) niet te laten uitvoeren door de ouder. Wel geldt hiervoor dat er sprake moet zijn van een reëel risico voor de kwaliteit, doordat er bijvoorbeeld substantieel meer uren worden gewerkt of er signalen van overbelasting zijn. Meer werken dan de arbeidstijdenwet toestaat, is op zichzelf geen reden om een Pgb te weigeren.
6.2.4 Pgb buitenland
Het staat mensen die zorg willen inkopen met een Pgb vrij om zich te wenden tot een dienstverlener die in een andere EU-lidstaat is gevestigd of daar zijn diensten aanbiedt. Niet-EU-lidstaten zijn uitgesloten.
Voor een Pgb in het buitenland geldt, naast de voor het Pgb algemene en hierboven beschreven criteria, dat:
■ Het hoofdverblijf van de jeugdige in Amsterdam ligt. Het verblijf in het buitenland is dus tijdelijk en van beperkte duur.
■ De geboden jeugdhulp noodzakelijk is om tijdens het buitenlands verblijf te functioneren.
■ Alleen de kosten van de jeugdhulp uit het Pgb gefinancierd mogen worden (dus bijvoorbeeld geen reis- en verblijfskosten).
■ Er wordt gewerkt conform het Afsprakenkader buitenlands zorgaanbod Jeugd van de VNG.
6.4 Terugvorderen Pgb
6.4.1 Terugvordering
Een minimale basis voor terugvorderen is dat het eerder toegekende recht is ingetrokken of herzien (Jeugdwet 8.1.4 lid 3) omdat er onjuiste en/of onvolledige gegevens verstrekt zijn.
Omdat het Pgb wordt toegekend aan de budgethouder, rusten alle rechten en plichten die aan het Pgb zijn verbonden op de budgethouder die daarmee dus verantwoordelijk en aansprakelijk is. De budgetbeheerder kan niet aansprakelijk worden gehouden.
De oorzaak van de terugvordering van het Pgb kan bij de budgethouder zelf liggen. Gelet op de verantwoordelijkheid van de budgethouder voor het voldoen aan de eisen die zijn verbonden aan het ontvangen van het Pgb, ligt het in de rede dat er eerst wordt gekeken of hem een verwijt valt te maken. Voor verwijtbaar handelen geldt:
■ Van verwijtbaar handelen is in ieder geval sprake als de vordering is ontstaan als gevolg van fraude en/of onrechtmatig handelen.
■ Er is ook sprake van verwijtbaar handelen als er sprake is van nalatigheid.
6.4.2 Derdenbeding
Onregelmatigheden rond de besteding van het Pgb kunnen ook komen door toerekenbaar handelen van de zorgverlener, inclusief ouders die optreden als zorgverlener. Met het oog op het ontlasten van budgethouders die te goeder trouw zijn en het fraudebestendiger maken van het Pgb, kan de gemeente zorgverleners rechtstreeks aanspreken wanneer de intrekking of herziening het gevolg is van het toerekenbaar handelen van de zorgverlener. Er bestaat geen directe relatie tussen de gemeente en de zorgverlener: het Pgb wordt verstrekt aan de budgethouder, die zelf de overeenkomst sluit met de zorgverlener. De Regeling Jeugdwet bevat een mogelijkheid voor de gemeente om zorgverlener rechtstreeks aan te spreken tot terugbetaling van het bedrag dat ten onrechte ten laste van het Pgb is betaald aan die zorgverlener.
Hierbij gelden de volgende uitgangspunten:
■ Het handelen van de zorgverlener kan hem niet worden toegerekend als sprake is van overmacht. Er is sprake van overmacht als het handelen niet zijn schuld is, noch krachtens de wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Voorbeelden van toerekenbaar handelen van de zorgverlener zijn het declareren van zorg die niet geleverd is door het aanleveren van onjuiste gegevens via een declaratie of het declareren van andere zorg dan de zorg waarvoor de zorgovereenkomst is afgesloten.
■ Bij het intrekken of herzien van een Pgb wordt in de eerste plaats gekeken naar de verwijtbaarheid van de budgethouder. De gemeente kan tot het oordeel komen dat de budgethouder niets te verwijten valt en dat de onregelmatigheden zijn te wijten aan het handelen van de zorgverlener.
■ Als de onregelmatigheden zijn te wijten aan het handelen van de zorgverlener kan de gemeente gebruikmaken van het derdenbeding dat is opgenomen in de overeenkomst tussen de budgethouder en zijn zorgverlener. Het derdenbeding bepaalt dat de Pgb-verstrekker het bedrag dat ten onrechte uit het Pgb aan de jeugdhulpgaanbieder is betaald, direct kan vorderen van die aanbieder, als uit onderzoek van de gemeente blijkt dat de onterechte betaling is veroorzaakt door toerekenbaar handelen van die zorgverlener.
Als het derdenbeding niet is opgenomen in de overeenkomst wordt de overeenkomst niet goedgekeurd door de gemeente.
Bijlage 1 Richtlijn gebruikelijke zorg
Richtlijnen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) ten aanzien van gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfases. Hier verstaan wij onder:
Kinderen van 0 tot 3 jaar
■ Hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig.
■ Hebben toezicht in de nabijheid nodig.
■ Zijn in toenemende matig zelfstandig in bewegen en verplaatsen.
■ Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling.
■ Hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid.
■ Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Kinderen van 3 tot 5 jaar
7Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer).
8Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling.
9Hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid.
10Kunnen zelf zitten, en op vlakke ondergronden zelf staan en lopen.
11Hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen.
12Hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding.
13Zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven.
14Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Kinderen van 5 tot 12 jaar
■ Hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur per week.
■ Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand. (Bijv. kind kan buitenspelen in de directe omgeving van de woning als ouder thuis is)
■ Hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals wassen en tandenpoetsen.
■ Hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie.
■ Zijn overdag zindelijk, en 's nachts merendeels ook, en ontvangen indien nodig zindelijkheidstraining van ouders.
■ Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling.
■ Hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid.
■ Hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrijetijdsbesteding gaan.
■ Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Kinderen van 12 tot 18 jaar
■ Hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen.
■ Kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden.
■ Kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of nacht alleen gelaten worden.
■ Kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen.
■ Hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp nodig en maar weinig toezicht nodig.
■ Hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig.
■ Hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding.
■ Hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bijv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen).
■ Hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid.
■ Hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.