Aanhef
De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, De Ronde Venen, Diemen, Ouder-Amstel en Uithoorn, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft,
Overwegende dat
samenwerking op het gebied van heffing en invordering van gemeentelijke belastingen duidelijk meerwaarde biedt;
de raden van Aalsmeer, Amstelveen, De Ronde Venen, Diemen, Ouder-Amstel en Uithoorn voor het treffen van deze gemeenschappelijke regeling toestemming hebben verleend, overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen;
Gelet op
hoofdstuk I van de Wet gemeenschappelijke regelingen;
artikel 232, tweede lid, van de Gemeentewet;
artikel 30, zevende lid, van de Wet waardering onroerende zaken;
afdeling 10.1.1 en 10.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht;
Besluiten
de navolgende gemeenschappelijke regeling te treffen:
de Gemeenschappelijke regeling Gemeentebelastingen Amstelland.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:
a.ambtenaren: ambtenaren, als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet of artikel 4 van de Gemeentewet;
b.belastingambtenaar: de ambtenaar van de gastheergemeente, als bedoeld in artikel 232, tweede lid onder c, en artikel 231, tweede lid onder d, van de Gemeentewet;
c.belastingdeurwaarder: de ambtenaar van de gastheergemeente, als bedoeld in artikel 232, tweede lid onder d, en artikel 231, tweede lid onder e, van de Gemeentewet;
d.belastingverordeningen: de verordeningen van de gastgemeenten tot heffing en invordering van belastingen als bedoeld in artikel 216 van de Gemeentewet;
e.college: het college van burgemeester en wethouders;
f.gastgemeenten: de gemeenten Aalsmeer, De Ronde Venen, Diemen, Ouder-Amstel en Uithoorn;
g.gastheergemeente: de gemeente Amstelveen;
h.gemeenten: de gastheergemeente en de gastgemeente gezamenlijk;
i.heffingsambtenaar: de ambtenaar van de gastheergemeente, als bedoeld in artikel 232, tweede lid onder a, en artikel 231, tweede lid onder b van de Gemeentewet en als bedoeld in artikel 30, zevende lid, en artikel 1, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken;
j.invorderingsambtenaar: de ambtenaar van de gastheergemeente, als bedoeld in artikel 232, tweede lid, onder b en artikel 231, tweede lid, onder c, van de Gemeentewet;
k.kwijtscheldingsregels: de door de raden van de gemeenten vastgestelde regels als bedoeld in artikel 255, derde en vierde lid, van de Gemeentewet;
l.nadere regels: nadere regels ter uitvoering van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, van de Invorderingswet 1990 en van de belastingverordeningen; en
m.regeling: de Gemeenschappelijke regeling Gemeentebelastingen Amstelland.
Artikel 2. Belang
De regeling wordt getroffen ten behoeve van het vormen van een gemeenschappelijke ambtelijke belastingorganisatie die belast is met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen alsmede de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken voor zover het de gastgemeenten betreft.
Hoofdstuk 2. Gastheerconstructie
Paragraaf 2.1 Algemeen
Artikel 3. Gastheergemeente
De gemeente Amstelveen wordt aangewezen als centrumgemeente, bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Paragraaf 2.2 Bevoegdheden
Artikel 4. Mandaat collegebevoegdheden
1Het college van de gastheergemeente wordt mandaat verleend om namens de colleges van de gastgemeenten alle besluiten te nemen ter uitvoering van de artikelen 230 tot en met 257 van de Gemeentewet in samenhang met de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Wet waardering onroerende zaken en de door de raden van de gastgemeenten vastgestelde belastingverordeningen , voor zover deze besluiten betrekking hebben op belastingen waarvan de heffing of invordering krachtens artikel 7 van deze regeling, is overgedragen aan de ambtenaren van de gastheergemeente.
2Het college van de gastheergemeente wordt mandaat verleend om namens de colleges van de gastgemeenten alle feitelijke handelingen en rechtshandelingen te verrichten ter voorbereiding en uitvoering van de beslissingen van de colleges van de gastgemeenten als bedoeld in het eerste lid.
3De bevoegdheid te beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in het eerste en het tweede lid wordt niet opgedragen aan het college van de gastheergemeente. Het college van de gastheergemeente kan wel namens de colleges van de gastgemeenten alle handelingen ter voorbereiding van de beslissing op bezwaar verrichten.
4Ten aanzien van de bevoegdheden die in dit artikel in mandaat worden opgedragen aan het college van de gastheergemeente, kan dit college ondermandaat verlenen aan ambtenaren van de gastheergemeente.
Artikel 5. Overgedragen collegebevoegdheden
Het college van de gastheergemeente kan bepalen dat voor de toezending of uitreiking van aanslagbiljetten ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 voor de in artikel 232, tweede lid onder b, bedoelde ambtenaar een andere ambtenaar van de gastheergemeente in de plaats treedt.
Artikel 6. Ambtelijke bevoegdheden
1De colleges van de gastgemeenten wijzen, met inachtneming van artikel 232, tweede lid onder a Gemeentewet en artikel 30, zevende lid, van de Wet waardering onroerende zaken de door de gastheergemeente aangewezen heffingsambtenaar aan als heffingsambtenaar van hun gemeente.
2De colleges van de gastgemeenten wijzen, met inachtneming van artikel 232, tweede lid onder b Gemeentewet de door de gastheergemeente aangewezen invorderingsambtenaar aan als invorderingsambtenaar van hun gemeente.
3De colleges van de gastgemeenten wijzen, met inachtneming van artikel 232, tweede lid onder c Gemeentewet de door de gastheergemeente aangewezen belastingambtenaren aan als belastingambtenaren van hun gemeente.
4De colleges van de gastgemeenten wijzen, met inachtneming van artikel 232, tweede lid onder d Gemeentewet de door de gastheergemeente aangewezen belastingdeurwaarder aan als belastingambtenaar van hun gemeente.
5Dit artikel is slechts van toepassing op de heffing en invordering van belastingen zoals die in de dienstverleningsovereenkomst, bedoeld in artikel 7, zijn opgenomen.
Artikel 7. Overdracht uitvoering gemeentelijke belastingen
Door de gastheer gemeente worden op het moment van het aangaan van deze vernieuwde gemeenschappelijke regeling onderstaande belastingen, alsmede de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken, uitgevoerd voor zover de uitvoering is overgedragen of niet is ingetrokken. Door de gastheergemeente wordt een laatste stand van zaken vastgelegd in de dienstverleningsovereenkomst met de deelnemende gemeenten en wordt daarin aangeven welke belastingen door de gastheergemeente worden uitgevoerd.
de heffing en invordering van:
a.de onroerende-zaakbelastingen, artikel 220 Gemeentewet;
b.de hondenbelasting, artikel 226 Gemeentewet;
c.de rioolheffing, artikel 228a Gemeentewet;
d.de afvalstoffenheffing bedoeld in artikel 15.33 Wet milieubeheer;
e.de roerende-zaakbelasting, artikel 221 Gemeentewet;
f.de baatbelasting, artikel 222 Gemeentewet;
g.de forensenbelasting, artikel 223 Gemeentewet;
h.de toeristenbelasting, artikel 224 Gemeentewet;
i.de watertoeristenbelasting, artikel 224 Gemeentewet;
j.de reclamebelasting, artikel 227 Gemeentewet;
k.de precariobelasting, artikel 228 Gemeentewet;
l.de grafrechten, artikel 229 Gemeentewet;
m.de BIZ-bijdrage, artikel 1 Wet op de bedrijveninvesteringszones
n.de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken;
Artikel 8. Dienstverleningsovereenkomst
In de dienstverleningsovereenkomst, te sluiten door de colleges van de gemeenten, wordt nadere uitwerking gegeven aan deze regeling. In de dienstverleningsovereenkomst worden in ieder geval geregeld:
a.de te heffen en in te vorderen belastingen;
b.de uitvoeringskaders;
c.de kwaliteitseisen waaraan de taakuitoefening door de gastheergemeente moet voldoen;
d.de verplichtingen tussen de colleges van de gemeenten, en
e.de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de informatieplichten, bedoeld in paragraaf 2.3.
Paragraaf 2.3 Informatievoorziening
Artikel 9. Informatievoorziening door gastgemeente
De colleges van de gastgemeenten geven het college van de gastheergemeente alle inlichtingen die het college of een ambtenaar van de gastheergemeente voor de uitoefening van zijn taken, bedoeld in de artikelen 4, 5 en 6 nodig heeft.
Artikel 10. Informatievoorziening colleges
1Het college van de gastheergemeente geeft de colleges van de gastgemeenten schriftelijk de door een of meer leden van de colleges van de gastgemeenten gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met het openbaar belang.
2Het college van de gastheergemeente geeft de colleges van de gastgemeenten alle inlichtingen die de colleges van de gastgemeenten voor de uitoefening van hun taken nodig hebben.
3Het college van de gastheergemeente geeft de colleges van de gastgemeenten vooraf inlichtingen over de uitoefening van bevoegdheden, indien een college van een gastgemeente daarom verzoekt of indien de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor een van de gastgemeenten. In het laatste geval neemt het college van de gastheergemeente geen besluit dan nadat het college van de betreffende gastgemeente in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college van de gastheergemeente te brengen.
Artikel 11. Ambtelijke informatievoorziening
De ambtenaren van de gastheergemeente geven de colleges en de ambtenaren van de gastgemeenten alle door hen gevraagde inlichtingen omtrent de uitoefening van de hen opgedragen taken en bevoegdheden voor zover deze een van de gastgemeenten betreffen en onverminderd de verantwoordelijkheden van het college van de gastheergemeente krachtens de wet of deze regeling.
Artikel 12. Overige informatievoorziening
1De rekenkamers van de gastgemeenten zijn bevoegd alle documenten die berusten bij het gemeentebestuur van de gastheergemeente te onderzoeken voor zover zij dat ter vervulling van hun taak als bedoeld in artikel 182, eerste lid, van de Gemeentewet nodig achten.
2Het gemeentebestuur van de gastheergemeente verstrekt desgevraagd alle inlichtingen die de rekenkamer van een gastgemeente ter vervulling van haar taak als bedoeld in artikel 182, eerste lid, van de Gemeentewet nodig acht.
3Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de uitvoering van de rekenkamerfunctie, wanneer de raad van een gastgemeente overeenkomstig artikel 81oa van de Gemeentewet op een andere wijze heeft voorzien in de uitoefening van de rekenkamerfunctie.
4De artikelen 155a tot en met 155e zijn van overeenkomstige toepassing op ambtenaren of gewezen ambtenaren werkzaam door of vanwege het gemeentebestuur van de gastheergemeente aangesteld of daaraan ondergeschikt, wanneer de raad van een gastgemeente besluit een onderzoek in te stellen, als bedoeld in artikel 155a, eerste lid, van de Gemeentewet.
Hoofdstuk 3. Uitvoering ambtelijke bevoegdheden
Artikel 13. Heffingsambtenaar
1De heffingsambtenaar heeft de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Wet milieubeheer en de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de inspecteur, respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing van de gemeenten.
2Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de heffingsambtenaar de nadere regels van het college van de betreffende gastgemeente in acht en houdt hij rekening met de beleidsregels die dat college heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.
Artikel 14. Invorderingsambtenaar
1De invorderingsambtenaar heeft de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet en de Wet milieubeheer zijn toegekend aan de ontvanger, respectievelijk de ambtenaar belast met de invordering van de gemeenten.
2Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de invorderingsambtenaar de kwijtscheldingsregels van de desbetreffende gastgemeente en de nadere regels van het college van desbetreffende gastgemeente in acht, alsmede houdt hij rekening met de beleidsregels die dat college heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.
Artikel 15. Belastingambtenaren
1De belastingambtenaar oefent de bevoegdheden en verplichtingen uit die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Wet milieubeheer en de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de ambtenaren van de Rijksbelastingdienst, respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing of invordering van de gemeenten als bedoeld in artikel 231, tweede lid onder d, van de Gemeentewet.
2Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de belastingambtenaar de nadere regels van het college van de desbetreffende gastgemeente in acht, alsmede houdt hij rekening met de beleidsregels van dat college ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.
Artikel 16. Belastingdeurwaarder
1De belastingdeurwaarder oefent de bevoegdheden en verplichtingen uit die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet en de Wet milieubeheer zijn toegekend aan de belastingdeurwaarder.
2Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de belastingdeurwaarder de nadere regels van het college van de desbetreffende gastgemeente in acht en houdt hij rekening met de beleidsregels die dat college heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.
Hoofdstuk 4. Financiering
Artikel 17. Kostenverdeelsleutel
1De gastheergemeente en de gastgemeenten betalen een vast bedrag per inwoner per jaar.
2De bijdrage van de gastgemeenten, als bedoeld in het eerste lid, wordt met vijf procent verhoogd om de gastheergemeente te compenseren voor haar vaste kosten.
Artikel 18. Begroting
1Voor 1 april van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de begroting geldt, wordt een begroting opgesteld die moet worden vastgesteld door de colleges van de gemeenten.
2In de begroting wordt het bedrag vastgesteld dat voor het betreffende jaar per inwoner moet worden betaald.
3De begroting dient als basis voor de afspraken te maken in de dienstverleningsovereenkomst, bedoeld in artikel 8.
Hoofdstuk 5. Wijziging, toetreding, uittreding en opheffing
Artikel 19. Wijziging van de regeling
1Een of meerderde colleges van de gemeenten kunnen een voorstel tot wijziging van de regeling indienen bij de colleges van de overige gemeenten.
2Deze regeling kan door de colleges van de gemeenten worden gewijzigd, nadat zij hiertoe onderling overeenstemming hebben bereikt.
3De colleges van de gemeenten besluiten omtrent de voorgestelde wijziging niet dan nadat zij daartoe toestemming hebben verkregen van hun raden, overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
4Een wijziging van de regeling is tot stand gekomen wanneer de colleges van de gemeenten op de wijze als vermeld in het tweede lid hiermee hebben ingestemd.
5De wijziging van de regeling treedt, tenzij anders bepaald, in werking op de dag volgend op die waarop de wijziging door de colleges van de gemeenten is bekendgemaakt.
6Artikel 24 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 20. Toetreding
1Een college, niet zijnde een college van de gemeenten, kan een verzoek tot toetreding richten aan het college van de gastheergemeente.
2Het college van de gastheergemeente zendt het verzoek, als bedoeld in het eerste lid, aan de colleges van de gastgemeenten.
3Toetreding geschiedt nadat de colleges van de gemeenten met het verzoekende college, bedoeld in het eerste lid, overeenstemming hebben bereikt over de voorwaarden voor toetreding.
4De colleges van de gemeenten, alsmede het verzoekende college, als bedoeld in het eerste lid, besluiten omtrent de voorgestelde toetreding niet dan nadat zij daartoe toestemming hebben verkregen van hun raden, overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
5De toetreding tot de regeling geschiedt, tenzij anders bepaald, per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het besluit tot toetreding en de bekendmaking daarvan door de colleges van de gemeenten, alsmede het verzoekende college, als bedoeld in het eerste lid.
6Artikel 24 van deze regeling is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 21. Uittreding
1Een college van een gastgemeente kan een verzoek tot uittreding uit de regeling indienen bij het college van de gastheergemeente.
2Het college van de gastheergemeente zendt het verzoek, als bedoeld in het eerste lid, aan de colleges van de gastgemeenten.
3Uittreding geschiedt nadat de colleges van de gemeenten overeenstemming hebben bereikt over de voorwaarden voor uittreding.
4De colleges van de gemeenten, alsmede het verzoekende college, als bedoeld in het eerste lid, besluiten omtrent de voorgestelde uittreding niet dan nadat zij daartoe toestemming hebben verkregen van hun raden, overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
5De uittreding uit de regeling geschiedt, tenzij anders bepaald, per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het besluit tot uittreding en de bekendmaking daarvan door de colleges van de gemeenten. Tussen het besluit tot uittreding en de feitelijke uittreding moeten ten minste zes maanden gelegen zijn.
6Artikel 24 van deze regeling is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22. Opheffing
1Deze regeling wordt opgeheven bij gelijkluidend besluit van de colleges van de gemeenten.
2Opheffing is behoudens bijzondere omstandigheden niet mogelijk in de eerste vijf jaar na het treffen van deze regeling. Van bijzondere omstandigheden is slechts sprake als hierover tussen de colleges van de gemeenten overeenstemming bestaat.
3Indien een besluit tot opheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt genomen, geven de colleges van de gemeenten gezamenlijk een onafhankelijke registeraccountant opdracht om een opheffingsplan op te stellen.
4Het opheffingsplan, bedoeld in het derde lid, voorziet in ieder geval in de verplichtingen van de gastgemeenten tot deelneming in de financiële en in de personele gevolgen van de opheffing.
5Het college van de gastheergemeente is belast met de uitvoering van het opheffingsplan, bedoeld in het derde lid.
6Een besluit tot uittreding door het college van de gastheergemeente leidt tot opheffing van de regeling. Het tweede tot en met het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 23. Duur van de regeling
De regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd.
Artikel 24. Inzending regeling
Het college van de gastheergemeente is belast met de inzending van deze regeling aan gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland en aan gedeputeerde staten van de provincie Utrecht.
Artikel 25. Evaluatie
Deze regeling, alsmede de dienstverleningsovereenkomst(en) bedoeld in artikel 8, en de uitvoering van deze regeling worden 2 jaarlijks geëvalueerd. Het eerst volgende moment vind plaats voor 1 juli 2019 de evaluaties hierna vinden 2 jaarlijks aansluitend voor 1 juli van dat betreffende jaar plaats.
Artikel 26. Overgangsrecht
Deze regeling vervangt eerdere Gemeenschappelijke regeling Gemeentebelastingen Amstelland op het moment van de inwerkingtreding van de Gemeenschappelijke regeling Gemeentebelastingen Amstelland 2018 zoals vastgesteld in artikel 27 van deze regeling. De oude regelingen blijven van toepassing op de periode voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling.
Artikel 27. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking op de eerste dag van de maand, volgend op de dag waarop het college van de gastheergemeente de regeling heeft bekendgemaakt door kennisgeving van de inhoud in de Staatscourant, doch niet eerder dan op 01 juli 2018.
Artikel 28. Citeerwijze
Deze regeling wordt aangehaald als Gemeenschappelijke regeling Gemeentebelastingen Amstelland 2018.