Gemeentelijke regelgeving

Algemene beleidsregels Sociaal Domein gemeente Aalten 2024

Gemeente Aalten · geldt sinds 1 januari 2024

Aanhef

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalten;

gelet op de Jeugdwet en Wet Maatschappelijke Ondersteuning;

Besluit:

vast te stellen de Algemene beleidsregels Sociaal Domein gemeente Aalten 2024.

3. Beleidsregels ‘Gebruikelijke hulp’.

3.1. ‘Gebruikelijke hulp’ in het kader van de Jeugdwet.

Het college hoeft geen voorziening voor jeugdhulp toe te kennen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn (artikel 2.3 Jeugdwet).

Als het gaat om de eigen kracht in de jeugdhulp wordt vaak onderscheid gemaakt tussen gebruikelijk hulp (ook wel gebruikelijke zorg) en bovengebruikelijke hulp (ook wel bovengebruikelijke zorg). Dit onderscheid is zeker niet allesbepalend. Ook voor gebruikelijke hulp kan soms een voorziening noodzakelijk zijn. Anderzijds is het niet zo dat voor bovengebruikelijke hulp altijd een voorziening moet worden toegekend. Afhankelijk van de omstandigheden kan de eigen kracht ook toereikend zijn voor noodzakelijke bovengebruikelijke hulp. Dan kan van ouders worden verlangd dat zij ook de bovengebruikelijke hulp geven.

Wat is gebruikelijke hulp?

Volgens de verordening Sociaal Domein van de gemeente Aalten (VSD) wordt onder gebruikelijke hulp verstaan de hulp die in het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Vertaald naar specifiek de jeugdhulp wordt met gebruikelijke bedoeld de hulp en zorg bedoeld waarvan naar algemeen aanvaardbare maatstaven gangbaar wordt geacht dat ouders die aan hun kind bieden. Bijvoorbeeld het begeleiden van een kind bij het plannen en uitvoeren van zijn huiswerk, het helpen bij en brengen van een kind naar zijn hobby’s en het ondersteunen van een kind bij kinderfeestjes. Dit zijn op zichzelf taken die ouders op zich nemen en die ook van ouders verwacht mogen worden. Op grond van bijzondere omstandigheden kan echter zelfs voor gebruikelijke hulp soms toch een voorziening worden ingezet. Maatwerk blijft het uitgangpunt.

Wat is bovengebruikelijke hulp?

Bij bovengebruikelijke hulp gaat het om zorg die substantieel intensiever is dan wat

gemiddeld gebruikelijk is bij gezonde kinderen van dezelfde leeftijd. Als de bij de opvoeding en begeleiding van een kind behorende taken structureel veel meer tijd kosten dan bij een kind zonder beperkingen, dan kan ook bij taken die doorgaans als gebruikelijke zorg worden gezien sprake zijn van bovengebruikelijke hulp.

Gebruikelijke hulp als weigeringsgrond

Uit recente jurisprudentie blijkt dat gebruikelijke hulp een reden mag zijn om jeugdhulp te weigeren mits die weigeringsgrond in de verordening is opgenomen en het college een objectief afwegingskader heeft vastgesteld, dat ruimte biedt voor een individuele beoordeling. Uit het gemeentelijke beleid moet blijken welke criteria de gemeente hanteert anders is de grondslag van het besluit niet inzichtelijk, waardoor het besluit niet zorgvuldig en onvoldoende is gemotiveerd.

Op grond van artikel 2.9 Jeugdwet stelt dat de gemeenteraad bij verordening regels over de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Het is gemeenteraad dus toegestaan om in de gemeentelijke verordening vast te leggen dat geen jeugdhulp wordt toegekend voor taken waarvan het ‘gebruikelijk’ is dat ouders dit vanuit hun rol als verzorger van het kind zelf aan het kind bieden.

Het begrip 'gebruikelijke hulp' is in de VSD gedefinieerd (hoofdstuk 13 Begrippenlijst). Ook is in de VSD bepaald dat geen hulp op maat wordt toegekend als de inwoner het gewenste effect kan

bereiken met gebruikelijke hulp (artikel 2.3.2 lid 1 aanhef en onder sub b). Als gebruikelijke hulp inderdaad adequaat en feitelijk beschikbaar is zijn de “eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen” van de ouders toereikend (artikel 2.3 Jeugdwet). Als dat zo is mag een aangevraagde maatwerkvoorziening worden geweigerd. De gemeente moet wel goed onderzoeken of de ouders de taken ook kúnnen oppakken.

Afwegingskader gebruikelijke hulp Jeugdzorg

Wat betreft het afwegingskader voor de beoordeling of en, zo ja, in hoeverre sprake is van 'gebruikelijke hulp' sluit de gemeente Aalten aan bij de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2021. Voor gebruikelijke hulp gelden de hierna volgende richtlijnen. Elke aanvraag voor hulp op maat in het kader van de Jeugdwet wordt aan deze richtlijnen getoetst.

Een veilige woonomgeving = gebruikelijke zorg

Het door ouders bieden van een veilige thuis omgeving is gebruikelijke zorg. Dit betekent dat:

•de lichamelijke en sociale veiligheid van het kind is gewaarborgd, en;

•er een bij de leeftijd van het kind passend opvoedkundig klimaat is, en;

•het kind de verzorging, begeleiding en stimulans krijgt die nodig is bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid.

Als een kind niet bij (een van) de ouder(s) kan wonen omdat de ouder(s) geen veilige woonomgeving kunnen

bieden en/of vanwege opvoedingsonmacht van de ouder(s), is verblijf op grond van de Jeugdwet aan de orde.

Permanent toezicht = geen gebruikelijke zorg

Permanent toezicht in de zin van actieve observatie valt niet onder gebruikelijke zorg.

24uur per dag zorg in de nabijheid = gebruikelijke zorg afhankelijk van leeftijd en zorgbehoefte Kinderen die een blijvende behoefte hebben aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid, kunnen nog zijn aangewezen op (gebruikelijke) zorg van ouders, zo nodig ondersteund door zorg vanuit de Jeugdwet of de Zorgverzekeringswet.

Vanaf ongeveer 8 jaar spreken we (bij kinderen die voldoen aan de toegangscriteria van de Wlz) niet meer van gebruikelijke zorg.

Kinderen tot ongeveer 8 jaar hebben nog zorg in de nabijheid nodig. Daarbij houden we de volgende richtlijnen aan:

•Kinderen van 5 tot ongeveer 8 jaar hebben overdag nog voortdurend begeleiding en aansturing nodig, maar zijn steeds meer zelfstandig in de zelfzorg en motoriek. Overdag hebben zij veelal op geplande momenten hulp of enige overname van zelfzorg nodig.

Er is geen sprake meer van gebruikelijke zorg bij kinderen met een matige, ernstige of zeer ernstige verstandelijke beperking als er bij hen ook:

1intensief toezicht (maar geen actieve observatie) nodig is in verband met (geobjectiveerde) ernstige

gedragsproblemen, of;

2een blijvende noodzaak is voor (volledige) overname van de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), of;

3sprake is van beperkingen op meerdere terreinen, zoals bewegen en verplaatsen, ADL, gedrag.

•Kinderen van 3 tot ongeveer 5 jaar hebben overdag voortdurend begeleiding, toezicht en overname van zelfzorg nodig. ’s Nachts hebben zij soms nog begeleiding en overname van zelfzorg nodig.

Er is geen sprake meer van gebruikelijke zorg als is vastgesteld dat het gaat om een kind met ernstige meervoudig complexe handicaps (MCG), ook wel genoemd ernstige meervoudige beperkingen (EMB). MCG/EMB kinderen hebben een ernstige verstandelijke beperking met een blijvend zeer laag ontwikkelingsperspectief en een motorische beperking. Meestal is ook sprake van zintuiglijke problemen (waaronder prikkelverwerkingsstoornissen) en/of somatische aandoeningen (zoals epilepsie, reflux, slikproblemen, luchtweginfecties et cetera).

•Kinderen van 0 tot ongeveer 3 jaar hebben voortdurend begeleiding, toezicht en volledige overname van zelfzorg nodig.

Bovengebruikelijke hulp kan onder eigen kracht vallen

Bovengebruikelijke hulp kan onder omstandigheden ook van ouders worden verwacht en kan dus onder 'eigen kracht' vallen. Voor de vraag of dat zo is, worden de volgende vragen onderzocht:

1Is de ouder in staat de noodzakelijke hulp te bieden?

2Is de ouder beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden?

3Levert het bieden van de hulp door de ouder geen overbelasting op?

4Blijft de ouder de bovengebruikelijke hulp zonder vergoeding bieden? En zo ja, komt de ouder daardoor niet in de problemen?

Als uit onderzoek naar deze factoren blijkt dat de ouder(s) de benodigde hulp kunnen bieden zonder dat dit tot problemen leidt op één van deze terreinen, dan kan de gemeente concluderen dat sprake is van voldoende eigen kracht.

Individuele afweging altijd noodzakelijk

Ondanks het vastgestelde afwegingskader voor 'gebruikelijke hulp' moet de gemeente in elke individuele situatie telkens weer een zorgvuldige afweging maken, waarbij rekening

wordt gehouden met de specifieke omstandigheden van de jeugdige en/of zijn ouders. Bij het geheel of gedeeltelijk afwijzen van een aanvraag tot het toekennen van jeugdhulp omdat sprake is

van gebruikelijke hulp, moet de gemeente concreet en op inzichtelijke wijze motiveren waarom de gevraagde hulp voor het betreffende kind en gezin onder 'gebruikelijke hulp' valt. De gemeente kan niet volstaan met enkel het verwijzen naar deze beleidsregels. Dit betekent ook weer niet dat het altijd noodzakelijk is om per activiteit inzichtelijk te maken of er sprake is van gebruikelijke zorg. Al naar gelang de omstandigheden kan bijvoorbeeld een verwijzing naar een weekplanning in combinatie met het afwegingkader gebruikelijke zorg soms ook voldoende zijn

3.2. Gebruikelijke hulp in het kader van de Wmo

Als hiervoor aangegeven verstaat de VSD onder gebruikelijke hulp (of gebruikelijke zorg) de hulp die in het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Omdat ze als leefeenheid gemeenschappelijk een woning bewonen hebben huisgenoten een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren in brede zin van het huishouden. Onder gebruikelijke hulp kan bijvoorbeeld worden verstaan het verrichten van schoonmaakwerkzaamheden in de woning, koken, wasverzorging en vervoer in verband met familiebezoek. Bij gebruikelijke hulp tussen echtgenoten kan bijvoorbeeld ook worden gedacht aan het begeleiden bij doktersbezoeken en samen wandelen.

Specialistische hulp of taken worden doorgaans niet als gebruikelijke hulp aangemerkt.

Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt op basis van bijvoorbeeld sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling en de wijze van inkomensverwerving.

De mogelijkheid van gebruikelijke zorg of hulp is onderdeel van het Wmo-onderzoek. De gemeente onderzoekt altijd goed:

1of gebruikelijke hulp verwacht kan worden, en zo ja;

2hoeveel gebruikelijke hulp verwacht kan worden.

Huisgenoot

Van gebruikelijke hulp is sprake als er een huisgenoot aanwezig is, die in staat kan worden geacht de gebruikelijke taken in het huishouden over te nemen. Onder huisgenoot wordt verstaan een persoon die (ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze) één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind maar ook de inwonende ouders zijn elkaars huisgenoten.

Of er sprake is van inwoning wordt naar de feitelijke situatie beoordeeld. Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding. Bij inwoning kunnen zaken zoals huisnummer, kosten nutsvoorzieningen en voordeur gedeeld worden.

Individuele toets

Bij iedere huisgenoot wordt onderzocht welke gebruikelijke hulp concreet kan worden verwacht. Dit is altijd een individuele toets. Bij gebruikelijke zorg wordt onder meer rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot.

De hulp die iemand daadwerkelijk als gebruikelijke hulp kan bieden hangt onder meer af van:

1Fysieke afwezigheid.

Soms zijn huisgenoten beperkt aanwezig. Ze blijven voor hun werk bijvoorbeeld vaak ergens anders of wonen voor studie op kamers. De gemeente onderzoekt of de huisgenoot vanwege regelmatige langdurige afwezigheid, in combinatie met eventuele andere redenen of omstandigheden, wel in staat is feitelijk hulp te verlenen.

2Ervaring met de taken.

Soms kunnen huisgenoten wel hulp bieden, maar hebben ze de taken nog nooit gedaan. Gebrek aan ervaring is geen reden om toch een voorziening toe te kennen. Wel kan dan een leer- of coachtraject worden ingezet.

De draagkracht.

3Dreigende overbelasting of medische beperkingen bij de huisgenoot kunnen ertoe leiden dan van hem of haar geen gebruikelijke hulp kan worden verwacht. Als dat nodig is om de situatie goed te kunnen beoordelen vraagt de gemeente een medisch advies aan.

Voor het taakveld huishoudelijke ondersteuning zijn de Beleidsregels Huishoudelijke Ondersteuning gemeente Aalten 2024” (dan wel de beleidsregels die deze beleidsregels vervangen) vastgesteld.

Daarin zijn ook beleidsregels opgenomen over gebruikelijke zorg specifiek bij huishoudelijke ondersteuning.

6. Beleidsregels verplaatsen in en om de woning

6.1 Inleiding

Het gaat hierbij om het zich verplaatsen in en om de woning in een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik. Dat sluit de rolstoel voor incidenteel gebruik bijna altijd uit, omdat die daar nu juist niet voor bedoeld is. De incidentele rolstoel is bedoeld voor verplaatsingen over langere afstanden elders, tijdens uitstapjes. Deze rolstoel past daarmee meer onder het resultaat lokaal verplaatsen en kan ook als algemene voorziening verstrekt worden.

6.2 Afwegingskader

•Het gaat om het zich verplaatsen in en om de woning. Dat betekent dat het om verplaatsingen gaat die direct vanuit de woning worden gedaan. Daarom gaat het hier om belanghebbenden die voor het dagelijks zittend verplaatsen zijn aangewezen op een rolstoel. Rolstoelen voor het zogenaamde ‘incidentele’ gebruik, waarbij de rolstoel in de auto wordt meegenomen om elders, bij het winkelen of bij uitstapjes, te gebruiken, vallen niet onder dit te bereiken resultaat en komen ter beschikking via een algemene voorziening in de vorm van een rolstoelpool.

•De sportrolstoel wordt niet gerekend tot een rolstoel voor het verplaatsen in en rond de woning.

•Het college beoordeelt of de belanghebbende aangewezen is op een rolstoel voor dagelijks zittend verplaatsen.

•Als er noodzaak bestaat voor een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik, kan via een (medisch en al dan niet ergotherapeutisch) advies door het college een programma van eisen worden opgesteld.

•Een rolstoel kan door het college verstrekt worden in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget.

•Bij verstrekking in natura of pgb vallen alle kosten van onderhoud en verzekering onder de verstrekking.

•Bij een verstrekking als persoonsgebonden budget wordt de rolstoel die betrokkene zou hebben gekregen als voorziening in natura als uitgangspunt genomen. Zou betrokkene een geschikte, gebruikte rolstoel ontvangen hebben, dan wordt het te verstrekken bedrag gebaseerd op deze rolstoel, qua prijs maar ook qua beperkte levensduur vanwege het al afgeschreven deel. Zie ook hoofdstuk 4 onder PGB.

•Ten aanzien van mantelzorgers kan door het college rekening worden gehouden met hun belangen. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat als de mantelzorger niet in staat is de rolstoel in alle omstandigheden te duwen, er een elektrische duwondersteuning op de rolstoel verstrekt kan worden.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.